Tielens Johan, Iven Johny, De staking van 1970 in het Kempisch steenkoolbekken,
Economische hogeschool diepenbeek, 1976, Eindeverhandeling tot het bekomen van de graad 
van licentiaat in de handels- en bestuurswetenschappen, promotor: Prof. dr. Y. Vanden Berghe.

   

Technische noot voor de publicatie van deze thesis op internet: onderlijnde teksten werden in vet gedrukt omdat onderlijning op het internet meestal een link aanduidt. De voetnoten die per hoofdstuk waren gegroepeerd worden op het einde van de tekst geplaatst en volgen de een na de ander numeriek op. De tekst vormt één bestand en kan alsdusdanig in z'n geheel of in delen (inzwarten) geprint worden. De overeenkomstige voetnoten bij gedeeltelijk printen dienen achteraan de tekst opgepikt.

  

Inhoud

Voorwoord.

0.        Inleiding.

0.0.     De motivatie.
0.1.     Het publiek, dat wij willen bereiken met deze eindverhandeling. 
0.3.     Het uitgangspunt. 
0.4.     De doelstelling en de formulering van het probleem. 
0.5.     Het onderzoek.

          
Noten

1.        Situatieschets en enkele problemen van de Kempische steenkoolnijverheid vóór 1970.

1.0.      De toestand van de Limburgse steenkoolmijnen tot 1.1.1964.
1.0.0.   De steenkoolmijn van Zwartberg. 
1.0.1.   De steenkoolmijn van Beringen.
1.0.2.   De steenkoolmijn van Waterschei
1.0.3.   De steenkoolmijn van Helchteren-Zolder
1.0.4.   De steenkoolmijn van Eisden.
1.0.5.   De steenkoolmijn van Winterslag.
1.0.6.   De steenkoolmijn van Houthalen.
1.0.7.   Nabeschouwing.

           Noten

1.1.      Korte schets in verband met de evolutie van de steenkolennijverheid tusnen 1950 en 19 70.

1.1.0.    Algemene ontwikkelingslijn Kempische steenkolennijverheid
1.1.1.
    Energieverbruik
1.1.2.    Een overzicht van de evolutie van het steenkolenverbruik en de steenkolen-productie in België.
1.1.3.    Bondige formulering van de problematiek in het Kempisch steenkoolbekken.

1.1.3.0. De cokeskolen.
1.1.3.1. Enkele problemen.
1.1.3.2. Evolutie Kempische- en de
de Zuiderbekkens

1.1.4.   
Bespreking van de drie volgende voorname punten

          Noten

1.2        De sluiting van de steenkoolmijn van Houthalen.

1.3.       De sluiting ven de steenkoolmijn te Zwartberg.

1.3.0.    Waarom werd de steenkoolmijn van Zwartberg gesloten?
1.3.1.    De aanleiding tot de staking tegen de mi jnsluiting 
1.3.2     De chronologie van de mijnstaking.
1.3.3    .Enkele kenmerken van de mijnstaking.
1.3.4.    Het herklasseringsakkoord.

            Noten

1.4.       De oprichting van de "M.V. Kenpense Steenkoolmijnen" te Houthalen.

           
Noten

2.        De voornaamste oorzaken

2.0.      Enkele voorafgaande bemerkingen.

2.0.0.    Waarom staakten de mijnwerkers?
2.0.1.    Objectieve-  en subjectieve factoren. 

2.0.2.    De algemene situatie in de kolennijverheid en de oorzaken.

2.0.3.    Voornaamste oorzaken:loonniveau en -evolutie

2.1.      De loonevolutie en het loonniveau.

2.1.0.    De belangrijkste, directe oorzaak
2.1.1.    De loonevolutie van 1960 tot 1969.

2.1.1.0. De evolutie van de Belgische Mijnwerkerslonen.
2.1.1.1. De loonevolutie in België en andere EEG-landen.
2.1.1.2. De loonevolutie in het Kempens Bekken en de Zuiderbekkens.
2.1.1.3. De loonevolutie in de steenkoolnijverheid en een aantal andere nijverheidssectoren.

2.1.2.    Wat dachten de mljnverkers over de loonevolutie

Noten

2.2.       De arbeidsvoorwaarden.

2.2.0.    Arbeidsomstandigheden

2.2.1.    Het algemeen klimaat.

2.2.1.0. Werkonzekerheid
2.2.1.1. Een periode gekenmerkt door een toename van werkstakingen.
2.2.1.2. Het probleem van de gastarbeiders. 
2.2.1.3. De vakbonden

2.2.2.    De werkvoorwaarden,

2.2.2.0. De veiligheid.
2.2.2.1. De arbeidssatisfactie.

            Noten

3.         De staking.

3.0.      Inleiding.
            Noten
3.1.      Aanleiding.
           
Noten
3.2.      Feitenrekonstruktie.
(Noten na elk dagverslag) Voor detail per dag zie linkermenu
3.3.      Epiloog.

3.3.0.   Mislukking van de wasrschuwingsstaking van 6 maart 1970.
3.3.1    Een groot succes voor de staking voor loonaanpassing (juni 1970).
3.3.2.   Nieuwe stakingen begin septenber.

3.4.      Enkele processen van de stakingsleiders voor de rechtbank.

3.4.0.   Chris Hertoghen. 

3.4.0.0. 4 Mei Hasselt. 
3.4.0.1. 25 Kei Hasselt. 
3.4.0.2. Uitspraak op 1 juni Hasselt.

3.4.1.    Gerard Slegers.

3.4.1.0. 5 Juni Hasselt.

3.4.2.    Désiré Dylst.

3.4.2.0. 5 Juni Hasselt.
3.4.2.1. 11 Juni Tongeren.

4.          Bespreking van de voornaamste beweginger in de staking.

4.0.      
Het PK en MM waren actief tijdens de staking
4.1.       Mijnwerkersmacht   (MM).

4.1.0.    M.M. vanaf de eerste stakingsdag  
4.1.1.    De ontwikkeling van het SVB en aanverwante groepen.

4.1.1.0. De Vereniging der Vlaanse Studenten (VVS).
4.1.1.1. De SVB.
4.1.1.2. Derde Wereld Beweging (DWB).

4.1.2.     Ontstaan ven Mijnwerkersmacht
4.1.3.     Rol in het konflikt.
4.1.4.     De lessen van MM uit de staking.


4.1.4.0.  Het belang van de strijd in de fabrieken.
4.1.4.1.  Waarvoor vecht de arbeidersklasse
4.1.4.2.  Evaluatie van de staking. 

4.1.5      De organisatie van MM

4.1.5.0.  Waarom is MM ontstaan?
4.1.5.1.  Welk is de houding van MM tegenover de vakbonden?
4.1.5.2.  Rol van de studenten.
4.1.5.3.  De kracht van MM.
4.1.5.4.  Hoe moet MM georganiseerd worden?

4.1.6.    Verdere ideologische groei van MM tot de oprichting van AMADA.

4.2.       Het Permanent Komutee (PK). 

4.2.0.    Met Gerard Slegers aan tafel 
4.2.1.    Gerard Slegers. 
4.2.2.    "Wie is en wat wil de stakingsraad" (PK)?
4.2.3.    Het ontstaan en de evolutie (tot eind 1970) van. het PK.
4.2.4.    Het PK en de VZL.
4.2.5.    Het PK en de VU.
4.2.6.    De leden van het PK.
4.2.7.    De vergaderingen van het PK.
4.2.8.    Het doel en het eisenprogramma.
4.2.9.    De invloed vm het PK onder de mijnwerkers tijdens de mijnstaking.
4.2.10.  De financiën van het PK.
4.2.11.  Het standpunt van het PK tegenover andere organisaties in de staking.
4.2.12.  De politieke lijn van het PK.

5.          Besluit

5.0.       Wat het onderzoek betreft.
5.1.       Wat de inhoud betreft.

6.          Bijlagen.

Lijst der geraadpleegde werken

  

   

"Ons vertrekpunt is het volk van ganser harte te dienen en onszelf nooit van de massas te scheiden; in alle gevallen te vertrekken van de belangen van het volk, en niet van iemands eigenbelang of de belangen van een kleine groep."

Mao Tse Toeng, 24 april 1945.

   

Voorwoord.

We bestuderen een sociaal conflict, omdat deze problemariek ons het meest aansprak binnen de waaier van keuze-onderwerpen.

Wij verwachten dat bepaalde delen uit deze eindverhandeling enig practisch nut hebben. Wij hopen verdienstelijk geweest te zijn voor de mijnwerkers en de arbeidersorganisaties met deze historische studie over de strijd van de Limburgse mijnwerkers. Onze thesis biedt een aantal inzichten en gegevens, die de lezer wellicht onbekend zijn. Binnen onze mogelijkheden hebben we gestreefd naar een zo goed mogelijk onderzoek, maar we zijn ons bewust van de tekortkomingen en beperkingen.

We waarderen de hulp, die we kregen van allerlei personen bij het vervullen van onze taken. Deze speciale waardering gaat uit naar Renders August, Hertogen Robert, Slegers Gerard, Leyssens Francis en Vanreusel Arnaut.

We danken Agnes, Rita en Joke voor het typwerk.

De samenwerking met Yvan Van Den Berghe is verrijkend geweest. Wij apprecieerden zijn vlijmscherpe kritieken.

    

0. Inleiding

Als iemand iets schrijft, dan richt hij zich tot een bepaald publiek, doet hij dit met bepaalde bedoelingen en heeft hij daar zijn redenen voor.  evens kiest hij een zeker uitgangspunt en dit in overeenstemming met zijn publiek, zijn doeleinden en zijn motivatie

Er is een verbondenheid tussen deze vier genoemde elementen.

0.0. De motivatie.

Wij bestuderen een arbeidersprobleem. Wij zijn een arbeiderszoon en een middenstanderszoon en wonen in een arbeidersmilieu.  Vele vrienden zijn arbeiders en we hebben contacten met mensen en organisaties, die zich inzetten voor de arbeiders. Deze maatschappelijke situatie brengt ons in contact met arbeiders en confronteert ons met hun problemen, waardoor wij ons verbonden voelen met de arbeiders en interesse hebben om dieper in te gaan op hun problemen.

Vanuit deze maatschappelijke situatie vingen we onze studies aan de Economische Hogeschool aan. Tijdens de studies nam de spontane geinteresseerdheid toe en werd zij verankerd door de opgedane wetenschappelijke inzichten. Wij zien het als doel van onze opleiding en als taak van ons later beroep, de situatie van de arbeiders te bestuderen, hun problemen mogelijkerwijze op te lossen en hun situatie te verbeteren.

Waarom verkiezen we een Limburgs mijnwerkersprobleem? Lange tijd zijn mijnwerker en arbeider in Limburg synoniemen geweest, omdat er geen andere nijverheid dan de steenkoolnijverheid bestond. Ook nu nog is de kolennijverheid belangrijk temidden de andere Limburgse industriën. Onze maatschappelijke situatie speelt hier eveneens een rol: onze familie is ten dele een mijnwerkersfamilie en we leven in een omgeving, waar veel mijnwerkers wonen. Dit wordt onder andere verklaard door de geografische ligging van onze woongemeenten: Heusden, de woongemeente van Tielens Johan, is gelegen tussen de mijnen van Zolder en Beringen; terwijl Diepenbeek, de woongemeente van Iven Johny, in de onmiddellijke nabijheid van het Genkse ligt.

Dit is één van de redenen waarom we een Limburgs mijnwerkersprobleem  als onderwerp van de eindverhandeling genomen hebben.  Daarnaast zijn er practische consequenties: het onderzoeks- en veldwerk worden aanzienlijk vergemakkelijkt, omdat de documentatie i.v.m. dit onderwerp en verschillende bevoorrechte getuigen ter plaatse te vinden zijn.

We bestuderen niet alleen de arbeidsvoorwaarden en de levensomstandigheden van de Limburgse mijnwerkers gedurende een bepaalde periode.  We gaan eveneens na hoe de mijnwerkers getracht hebben een voor hen onbevredigende situatie om te buigen in een meer bevredigende situatie. In 1970 hebben de mijnwerkers van het Kempisch steenkolenbekken deze transformatie trachten te verwezenlijken bij middel van een staking (1). Het is voor ons leerrijk na te gaan of een staking een efficiënt middel is om arbeiderseisen af te dwingen.

Een ander motief om een staking te analyseren is dat bij een staking van betekenisvolle omvang en duur, de standpunten van alle politieke partijen, de syndicaten, de buitensyndicale groeperingen en het standpunt van de basis zelf duidelijk geformuleerd en verkondigd worden en de publieke opinie bereiken.

Dit is vooral het geval bij een wilde staking. We kunnen enerzijds de wensen van de meerderheid der arbeiders leren kennen en anderzijds de houding van de diverse hogervermelde organisaties tegenover die wensen observeren. Uit een eventuele vergelijking tussen beide aspecten kunnen we zien wie op de meest juiste manier de belangen van de arbeiders verdedigt.  Een wilde staking is meestal complexer, rijker aan ervaring en van een hoger politiek niveau dan een door de vakbond georganiseerde staking. Daarom is ze boeiender en nuttiger om te bestuderen. Ze is complexer, omdat er mogelijk een groter aantal participanten aan deelnemen of mee betrokken zijn.  Naast de vakbonden en het werkgeverssyndicaat of de patroon zijn er nog de regering, de politieke partijen, de drukkingsgroepen, andere sociale klassen (2) zoals bijvoorbeeld de middenstand,  en bepaalde sociale groepen (2), zoals studenten en scholieren. In tegenstelling hiermee is er de erkende  staking, waar slechts de syndicaten en de patroon of  het VBO tegenover elkaar  staan; hier kan eventueel een tussenkomst zijn van overheidswege.

Ze is rijker aan ervaring voor de  stakers, de betrokken groeperingen  en de observators, waartoe wij  behoren.  Ze is inderdaad ervaringrijker, omdat de arbeiders in zulke staking zelf moeten strijden opdat hun problemen zouden opgelost worden.  Bij een erkende staking daarentegen regelen de vakbonden practisch alles zelf in naam van en voor de arbeiders.  Ze is van hoger politiek niveau, omdat de arbeiders strijden tegen het patronaat, de vakbondsleiding en eventueel de staat.  Het kan de vorm aannemen van een politieke staking, waarin de arbeiders dan geconfronteerd worden met allerlei politieke problemen, terwijl het bij een door de vakbonden georganiseerde staking om louter professionnele eisen gaat.

Wij hebben deze Limburgse mijnstaking indirect als scholier, als vriend van jonge mijnwerkers, als familielid van mijnwerkers meegemaakt en we voelen ons emotioneel betrokken met deze gebeurtenis in onze omgeving.

Waarom verkiezen we de mijnstaking van 1970?

Over deze staking bestaat veel niet verwerkte informatie zoals pamfletten, kranten, brochures, parlementaire verslagen, statistische gegevens, tijdschriften, jaarverslagen,....  Het was een wilde staking, waarbij alle steenkoolmijnen van het Kempisch bekken betrokken waren. De staking van 1970 was een langdurige strijd, die grote gevolgen had.  Er was een deelname van verschillende bewegingen met sterk uiteenlopende ideologiën en sociaal-politieke visies. T. van Overstraeten (3) noemde haar de "Grote Staking".

Het betreft eveneens een tamelijk recente staking, die we zelf indirect meemaakten en we kennen bijgevolg vele bevoorrechte getuigen persoonlijk.

Kortom, deze staking voldoet aan alle hogervermelde voorwaarden.

Dit is onze motivatie. Dit zijn de redenen waarom wij "De staking van 1970 in het Kempisch steenkoolbekken" als onderwerp van onze thesis kozen.

  

0.1. Het publiek, dat wij willen bereiken met deze eindverhandeling.    

Het begrip "maatschappij" kan op duizend en één manier gedefinieerd worden, omdat men duizend en één uitgangspunten kan kiezen. Wij kiezen in dit geval de communicatie tussen personen en of organisaties als uitgangspunt.  "Een maatschappij is een communicatiestructuur, waarin enerzijds kennisvragende systemen en anderzijds kennisproducerende systemen aanwezig zijn; de uitwisseling van de kennis tussen beide systemen gebeurt veelal door kennisverbindende systemen." (4)

Wij zijn, bij middel van deze eindverhandeling, deels kennisproducerend systeem, deel kennisverbindend systeem. Wij zijn kennisproducerend systeem naast zovele andere personen en organisaties.  Andere kennisproducerende systemen zijn (elk op hun terrein, elk met hun eigen motivatie en doelstellingen): de BSP-CVP-regeringsformatie, het parlement, de provinciale overheid, de syndicaten, de politieke partijen, BOB en rijkswacht, de mijnwerkers, de Limburgs Economische Raad, enz.. Met betrekking tot bepaalde feiten zijn alleen wij kennisproducerend systeem: bv. niemand heeft ooit de ontwikkeling en het karakter van het Permanent Komitee bestudeerd zoals wij dit zullen doen. Onze uitgangspositie, onze visie, onze methode om tot kennis te komen,... is met betrekking tot zekere feiten en houdingen anders dan deze van de andere kennisproducerende systemen.

Wij zijn eveneens kennisverbindend systeem. Alle ongeordende, verspreide informatie, die vaak de publieke opinie niet bereikt bundelen en synthetiseren we; we leggen verbanden, interpreteren en beoordelen deze informatie.

Wie is kennisvragend systeem? Tot wie richten we ons? We richten ons tot de arbeidersklasse in het algemeen en tot de mijnwerkers In het bijzonder.  Richten wij ons rechtstreeks tot de mijnwerkers? Misschien, als de conclusies uit dit onderzoek voldoende relevant zijn om direct aan de mijnwerkers over te maken, dan zullen we onze besluiten samenvatten in een vlugschrift en onder de mijnwerkers verspreiden.  Maar we richten ons hoofdzakelijk onrechtstreeks tot de mijnwerkers en arbeiders, langs alle organisaties, die beweren de mijnwerkersbelangen te verdedigen.  Specifiek voor de mijnstaking van 1970  zijn dit de volgende organisaties: het ABVV en de Centrale der Mijnwerkers en het ACV en de Centrale der Vrije Mijnwerkers (CVM); de Vriendenkring Zwartberg Limburg (VZL); de toenmalige groeperingen die inmiddels een partij geworden zijn: de Socialistische Jongewacht (SJW), nu Revolutionaire Arbeidersliga-Socialistische Jongewacht (RAL-SJW) en Mijnwerkersmacht en sympatiserende bewegingen hierrond, nu verenigd in Alle Macht aan de Arbeiders (AMADA); de talrijke occasionele verenigingen, wiens levensduur niet veel langer was dan de duur van de mijnstaking, waaronder voornamelijk het Permanent Stakings-komitee en het Scholierenfront; de politieke partijen VU, PVV, BSP, CVP en KPB.  Wij richten ons ook direct en indirect tot alle sociaal geïnteresseerde intellectuelen.

Wij kregen geen duidelijke taakstelling van het kennisvragend systeem, zoals dat wel eens gebeurt bij studenten, die een thesis schrijven voor een bepaald bedrijf of andere organisaties.

Wij hebben ook geen taakstelling gevraagd. Wij onderzoeken in deze eindverhandeling situaties en problemen, waarvan wij vermoeden dat zij relevant zijn voor het kennisvragend systeem.  Verder in deze inleiding zullen we omschrijven welke deze problemen en toestanden zijn. Wij veronderstellen dat het kennisvragend systeem m.b.t. het onderzoek van de te behandelen onderwerpen, m.b.t. de over te brengen informatie, volgende kwaliteitseisen stelt:

- juistheid en volledigheid
- niet tendentieus, wetenschappelijk
- nauwkeurigheid in relatie tot de beoogde doelstellingen
- relevantie (het kennisvragend systeem moet hieruit iets kunnen leren om in de toekomst efficienter te kunnen werken).

We menen dat alle subsystemen van het kennisvragend systeem zullen appreciëren dat we "de waarheid", de zo getrouw en objectief mogelijke weergave van de feiten en standpunten nastreven.

Dit betekent echter geenszins dat we geen oordelen, die so wie so waarde-oordelen zullen zijn, uitspreken. Doch bij de beoordeling van een standpunt of van een organisatie gaan we uit van een zo wetenschappelijk mogelijke studie van de feiten. De beoordeling zal niet waardevrij zijn, zij zal subjectief  zijn, omdat we ons duidelijk richten tot, en op het standpunt stellen van, de mijnwerkers. Wij  menen dat waardevrijheid en ongebondenheid niet haalbaar, niet reëel zijn. Het belangrijkst, volgens ons, is dat wijzelf en de lezers van deze thesis duidelijk de wetenschappelijke, objectieve studie van de feiten en de subjectieve beoordeling van de standpunten weten te onderscheiden.

Uit hetgeen voorafgaat blijkt dat er een nauwe samenhang is tussen onze motivatie en onze keuze van het kennisvragend systeem.  Er is eveneens een stevige verbondenheid tussen de keuze van het publiek, dat wij willen bereiken met deze thesis en ons uitgangspunt.

0.3. Het uitgangspunt.

We stellen ons op het standpunt der mijnwerkers-stakers. Ons uitgangspunt bepaalt wat we als probleem ervaren en zullen onderzoeken.

0.4. De doelstelling en formulering van het probleem

Onze doelstelling is de feiten en de achtergronden van de mijnstaking van 1970 te kennen. Deze thesis is grotendeels een historische studie.

In het derde hoofdstuk geven we een vrij preciese weergave van de gebeurtenissen, die zich tijdens de staking in januari-februari 1970 afspeelden. We onderzoeken een ganse stakingsbeweging. We beginnen met de aanleiding van de staking, die zich situeert in de periode midden 1969-aanvang 1970, te onderzoeken.  De overgang van de aanleiding naar de feitelijke gebeurtenissen van de staking gebeurt geleidelijk. De bestudering van de feitelijke gebeurtenissen staat centraal in het derde hoofdstuk. Vervolgens besteden we enige aandacht aan de feiten na de eigenlijke staking.  Daarna volgen enkele korte, losse nabeschouwingen.

Het vierde hoofdstuk is een logisch vervolg van het derde. We geven enkele nadere beschouwingen omtrent de twee voornaamste buitensyndicale groeperingen, die de staking geleid hebben.

Om enig inzicht te krijgen In de mijnstaking en de houding van de diverse stakingsparticipanten moeten we de achtergronden van de gebeurtenissen in 1970 analyseren. We dachten dat het goed zou zijn de lezer deze inzichten te geven vooraleer hij de lectuur van hoofdstukken drie en vier aanvat.  De achtergronden van de mijnstaking worden behandeld in de eerste twee hoofdstukken. In het eerste hoofdstuk wordt het algemeen kader geschetst, waarbinnen de Limburgse mijnstaking kon of moest plaatsgrijpen. We geven enkele krachtlijnen aan, die de toestand in de Belgische- en Kempische steenkoolnijverheid beheersten, zowel op sociaal als economisch gebied.  In het tweede hoofdstuk gaan we in op de meer directe, mogelijke oorzaken van de staking.  Vooral de loonevolutie en de werkomstandigheden verdienen hier onze aandacht.

Tielens Johan schrijft het derde hoofdstuk, het besluit en het deel over Mijnwerkersmacht van het vierde hoofdstuk. Iven Johny schrijft de inleiding, het eerste en het tweede hoofdstuk en het deel over het Permanent Komitee van het vierde hoofdstuk.

Bij de aanvang van het onderzoek stellen we ons een aantal vragen, waarop we in de loop van de thesis een antwoord moeten vinden. We stellen dus een aantal hypothesen, die we toetsen. We zullen deze vragen bevestigend of ontkennend beantwoorden of de hypothesen aanvaarden of verwerpen.  De hiernavolgende lijst met vragen bevat niet alle vragen, die we ons stellen. De lijst tracht een beeld te geven van het soort vragen, dat we moeten beantwoorden en heeft niet de pretentie volledig te zijn. 

- Zijn de mijnen privé- of publieke bedrijven?
- Was de mijnsector een bloeiende sector?
- Wat gebeurde er in de staking van 1966?  Had deze staking een invloed op de staking van 1970?
- Wat is de NV Kempische Steenkoolmijnen?
- Voelden de mijnwerkers reeds lang aan dat er een staking zou uitbreken?
- Lagen de mijnwerkerslonen in de Kempen lager dan in andere mijnen of nijverheidstakken?
- Waren de arbeidsvoorwaarden in de mijn slecht?
- Waaruit bestonden de voornaamste oorzaken van de staking?
- Wat vormde de aanleiding van de staking?
- Wat gebeurde in de staking van 1970?
- Wie leidde de staking van 1970?
- Welke groeperingen en partijen stonden achter de mijnwerkerseisen?
- Hoe ontstonden en werkten het Permanent Komitee en Mijnwerkersmacht?  
-
Welke politieke lijn volgden deze stakingskomitees?
- Hebben wij de vragen, die we ons stelden, goed beantwoord ?

0.5. Het onderzoek.

Nadat we een algemene indeling in hoofdstukken vastgelegd hadden in overleg met de begeleider, stelden we ons bij elk hoofdstuk een aantal vragen. Vervolgens zochten we informatie, die ons zou toelaten de vragen te beantwoorden en een dieper inzicht te krijgen in de problematiek. Na doorname van de literatuur, de cijfergegevens of de interviews stelden we een gedetailleerder schema op per hoofdstuk en we schreven uit wat we wisten uit het literatuuronderzoek en het veldwerk.  Volgens dit algemeen stramien verliep het onderzoek.

Voor het eerste hoofdstuk baseerden we ons voornamelijk op:

- de interne documentatie van het ACV (documenten van de overheid, studies van het Kolendirectorium, eigen studies, onderzoeken van de mijndirecties), de NV Kempische Steenkoolmijnen en de Volksunie (documenten van de regering en de VU, parlementaire verslagen,...), 
- de officiële publicaties van financiële groepen en allerlei organisaties, zoals de Limburgs Economische Raad, het Kolendirectorium, het Belgisch Kolenbureau, 
- de klassieke werken over de steenkoolnijverheid van Pinxten K. en Moons J., 
- statistische gegevens van het NIS en de Administratie van het Mijnwezen (Ministerie van Economische Zaken),
- socio-politieke uitgaven, o.a. Centre de Recherche et d' Information Socio-Politiques (CRISP) en L' année sociale.

De informatie, die we gebruikten voor het tweede hoofdstuk betreft vooral:

- statistieken van het Kolendirectorium, het Bureau der Statistiek der Europese Gemeenschap, Administratie van het Mijnwezen, NIS, LER,
- de officiële loonstudie,
- publicaties van het ACV en de CVM,
- literatuur over syndicale actie en gastarbeid.

Voor hoofdstuk drie maakten we gebruik van alle Belgische kranten, die verschenen in de stakingsperiode en van de uitgaven van de vakbonden, partijen en groeperingen, die bij de staking betrokken waren.

Interviews met bevoorrechte getuigen leverden ons voldoende materiaal op om het vierde hoofdstuk te schrijven.

Noten

(1) Een staking is een tijdelijke collectieve neerlegging van het werk door meerdere werknemers, met de bedoeling alzo druk uit te oefenen op de patroons, en of de vakbondsleiding en of de staat om betere arbeidsvoorwaarden of een verbetering van de algemene sociale situatie te bekomen. Een wilde of spontane staking is een onaangekondigde, niet door de vakbond(en) gesteunde en georganiseerde staking. Een politieke staking is een staking, die gericht is tegen de wetgevende macht.
(2) We definiëren een klasse als een bepaalde groep individuen, die op basis van hun positie in het maatschappelijk productieproces, binnen een bepaalde historische periode, gemeen­schappelijke economische, sociale en politieke belangen heeft. Een sociale groep verschilt van een klasse door het feit dat de groep niet rechtstreeks een positie in het productieproces  inneemt.
(3) T. van Overstraeten is hoofdredacteur van "WIJ. Vlaams-nationaal" en schreef in 1970 het boek "De Grote Staking."
(4) Deze definitie is een collegedictaat van Faché A. in het kader van de cursus Methodologie, gedoceerd aan de EHL.

1. Situatieschets en enkele problemen van de Kempische steenkoolnijverheid vóór 1970.

  

"Mijnheer Heylen uit Diest 
voor zover wij weten 
is jouw drama te Zwartberg 
haast vergeten. 
Dat je sinds februari '65
na ik weet niet hoeveel kogels in je buik 
grootinvalide bent 
is slechts weinigen bekend, 
maar dat je sinds die dag in je strijd 
om een zekere boterham
haast geen enkele schadeloosstelling bekwam 
daar denken wij het onze van. 
Want je stond aan de verkeerde kant 
toen er werd gevlamd 
en dat is heel erg 
in dit kleine kikkerland 
waar men heel snel vergeet
en van een slecht verleden niet weet.
Heel erg
mijn kleine dwerg,
want viel je in '50 dan had je nog een ideaal
je was tegen de koning en dus sociaal
en knielde je even later in je strijd
om een zieltje meer
dan was de CVP er nog en die maakte van
jou een heer.
Maar in jouw geval,
maar in jouw geval
gold niet hun gelal.
Alleen je eigen brood verdomd
en dat was al.
Want daarom val jij mijnheer,
het klinkt makaber deze keer
en verschrikkelijk
slapjes op je vormloze benen neer.
En daarom val jij mijnheer
deze keer
slapjes op je benen neer."

EXODUS, april 1970.

De bedoeling van dit hoofdstuk is niet dat we de evolutie van  de  Kempische  steenkolennijverheid tot 1970 beschrijven. Dit is niet alleen onmogelijk, maar ook niet nodig, niet nuttig in het kader van deze thesis.

Wij stelden ons bij de bestudering van de mijnstaking van 1970 vragen i.v.m. bepaalde toestanden en enkele problemen omtrent de steenkolennijverheid in Limburg. We denken dat sommige oningewijde lezers zich dezelfde vragen zouden kunnen stellen en daarom besloten we ze op te lossen. Het zijn vragen zoals:   Welke mijnen zijn er in de Kempen? Welke zijn de financiële groepen, die deze mijnen controleren? Welk is de verhouding tussen de mijnnijverheid en de staalindustrie? Welke soorten steenkool worden geproduceerd?

Belangrijke gebeurtenissen hebben plaatsgegrepen in de geschiedenis van de Limburgse mijnen en mijnwerkers vóór 1970. Het is noodzakelijk enig inzicht te hebben in deze gebeurtenissen om de mijnstaking van 1970 te kunnen begrijpen.

We behandelen achtereenvolgens volgende onderwerpen :

- de toestand van de Limburgse kolenmijnen tot 1964, waarbij we voornamelijk nagaan welke financiële groepen de steenkoolmijnen bezitten en beheren,
- een korte schets van de evolutie i.v.m. de Kempense steenkolennijverheid van 1950 tot 1970,
- de sluiting van de mijn te Houthalen in 1964,
- de sluiting van de mijn te Zwartberg in 1966,
- de oprichting van de N.V. Kempische Steenkoolmijnen in 1967.

1.0. De toestand van de Limburgse steenkoolmijnen tot 1.1.1964.

"De Voorzienigheid had deze bron van rijkdom diep onder de heide verborgen maar, dankzij het genie van Professor Guillaume LAMBERT, werd zij in 1876 gevonden en het hardnekkig doorzetten van zijn leerling André DUMONT liet toe de rijkdom in 1901 te bereiken (1), zo luidde het bij de viering van het vijftigjarig bestaan van de steenkoolmijnen in 1957.

Op 2 augustus 1901 ontdekte A. Dumont de steenkolen te As. Tien jaar later bestonden er vijf steenkolenmijnen in Limburg. (2)

 

1.0.0. De steenkoolmijn van Zwartberg.

Enkele industriële vennootschappen J. Cockerill, Charbonnages Espérance et Bonne-Fortune, Charbonnages de Patience et Beaujonc en het consortium Wittouck-Thorn-Masy verkrijgen op 25 oktober 1906 de aangevraagde mijnconcessies (3). Deze maatschappijen behoorden tot de oprichters van de steenkoolmijn van Zwartberg. Op 26 februari 1907 werd "S.A. pour l'Exploitation de la Concession charbonnière des Liégeois en Campine" gesticht. Het aanvangsaandelenkapitaal bedroeg 12,5 miljoen BF. (4) 

Op 16 november 1929 was Zwartberg geen zelfstandige maatschappij meer (5): zij fusioneerde met de medeoprichter J. Cockerill (6).

Société Générale bezat ongeveer één vijfde van het kapitaal van J. Cockerill. (7)

Op 27 juni 1955 fusioneerden volgende maatschappijen: J. Cockerill, Compagnie des Fers Blancs et ôles à Froid "FERBLATIL" en Ougrée-Marihaye. Zij vormden de groep S.A.Cockerill-Ougrée met zetel te Seraing,   waarvan de steenkoolmijn van Zwartberg voortaan deel zou uitmaken. (8)

Dit impliceerde dat Zwartberg na 1955 rechtstreeks afhing van de Luikse staalnijverheid. 

De steelkoolmijn van Zwartberg ontgon aanvankelijk een concessie (9) over een oppervlakte van 4180 ha onder de gemeenten As, Genk, Houthalen, Meeuwen, Niel-bij-As, Opglabbeek, Opoeteren, Wijshagen en Gruitrode. (10)

1.0.1. De steenkoolmijn van Beringen.

De vijf explorerende vennootschappen in Beringen waren S.A. de Recherches et d'Exploitation du Nord de la Belgique, S.A. des Charbonnages des Propriétaires de Coursel-Heusden, S.A. Miniere du Nord-Est belge en vooral de Société Campionoise de Recherches et d'Exploitation de Houille en de S.A. de Recherches Minières dans la Campine Limbourgoise (11). Deze laatste maatschappij was in handen van de Société Générale, de Duitse groep Vendel, Mirabaud et Cie. en Société Elen-Asch. In 1906 werden de concessies door de regering toegestaan. (12) Op 23 februari 1907 besloten de exploratievennootschappen samen de exploitatievennootschap S.A. des Charbonnages de Beeringen te vormen. Oorspronkelijk bedroeg het aandelenkapitaal 25 miljoen BF, doch dit groeide vlug aan - zoals bij alle andere mijnen trouwens - tot 800 miljoen BF in 1950. (13)

De belangrijkste Belgische aandeelhouder van de steenkoolmijn te Beringen was de Société Générale, die bijna één tiende van het aandelenportefeuille bezat (14). Beringen was hoofdzakelijk in handen van Frans kapitaal, vertegenwoordigd door de drie industriële groepen (hoogoven- en cokesbedrijven) Compagnie des Aciéries de la Marine et d'Hornécourt,  Société des Haute-Forunaux et Fonderies de Pont-à-Mousson en Société des Forges et Ateliers du Nord et de l'Est en de Aciéries de Micheville. Deze twee laatste maatschappijen, met zetel te  Parijs, waren de belangrijkste Franse aandeelhouders.(15)

De vijf belangrijkste beheerders waren : Cavallier, Baboin, Stein, Brun en Jaumet (1957) (16).

De  steenkoolmijn van Beringen begon een concessie te ontginnen van 4950 ha , die zich uitstrekte onder delen van de gemeenten Beringen, Koersel, Beverlo, Tessenderlo, Oostham, Heppen, Paal, Lummen, Heusden.(17)

 

1.0.2.  De steenkoolmijn van Waterschei.

Eén maatschappij verrichtte de exploratiewerken :  S.A. de Recherche et d'Exploitation van 1898 tot 1901, Nouvelle Société  d'Elen-Asch vanaf 1903 (18).

Deze laatste maatschappij verkreeg in 1906 een concessie van 2950 ha, onder de gemeenten As, Genk,  Maasraechelen, Opgrimbie en Zutendaal (19). Op 18 juni 1907 werd de exploitatiemaatschappij S.A.  Charbonnages André Dumont sous Asch gesticht met een inbreng van Société d'Elen-Asch.

Het aandelenkapitaal bedroeg 15 miljoen BF. In 1920 veranderde deze maatschappij haar benaming en werd N.V. Kolenmijnen André Dumont.(20)

Société Générale was de grootste aandeelhouder in deze mijn : met haar 40.000 aandelen vertegenwoordigde ze één tiende van het totaal aandelenkapitaal. Ook de Providence, de Bank van Brussel en groep Coppée bezaten een aanzienlijk aandelenportefeuille (21). Belangrijke beheerders waren Renders, Jourdain, Stein, Saille en Dubois (22).

1.0.3. De steenkoolmijn van Helchteren-Zolder.

De N.V. der Steenkoolmijnen van Helchteren en Zolder werd op 26 januari 1907 opgericht voor de exploitatie van de in oktober 1906 bekomen concessies (23)

De totale geconsedeerde oppervlakte bedroeg 7060 ha en strekte zich uit onder de gemeenten Helchteren, (24) Heusden, Houthalen, Koersel, Zolder en Zonhoven.

Het aanvangskapitaal bedroeg 15 miljoen BF, doch dit groeide vlug aan tot in de honderden miljoenen (25) door de steun van de Mijn van Winterslag, Hauts- Fornaux et Fonderies de Pont-à-Mousson, Forges de la Providence, de Aciéries Réunies de Burbach-Eich-Dudelange (26) (ARBED), de Bank van Brussel, ...

De voornaamste aandeelhouders waren de industriële groepen ARBED (Luxemburg, staalnijverheid) en de Charbonnages de Mariemont-Bascoup (Waalse steenkolenmijnen), de holding BRUFINA en de Société Générale (27). Belangrijke beheerders waren Orban, Guinotte, Goffinet, Chomé, Warocqué en Culot (28).

1.0.4. De steenkoolmijn van Eisden.

Drie prospectiemaatschappijen werden in 1902 opgericht. Les Exploitants et Propriétaires Réunis pour Explorations Minières dans le Nord de la Belgique , Les Propriétaires Unie pour la Recherche et l'Exploitation Houillère en Belgique en Les Charbonnages de la Meuse. (29)

Zij verkregen de concessie G. Lambert ( 2740 ha ). Twee andere exploratiemaatschappijen Société de Recherches des Charbonnages du Nord de la Belgique en Société Civile l'Oeteren verkregen in 1906 de concessie Sainte-Barbe ( 2170 ha ).

Deze vijf maatschappijen fusioneerden en op 22 juni 1907 werd de N.V. der Kolenmijnen Limburg-Maas opgericht.

De geconcedeerde oppervlakte bedroeg dan 4910 ha, gespreid onder de gemeenten Eisden, Maasmechelen, Rotem, Dilsen, Stokkem, Lanklaar, Vucht, Leut en Meeswijk. Het aanvangskapitaal bedroeg 30 miljoen BF. Dit kapitaal groeide, vooral bij de belangrijke kapitaalsverhoging van 1952 : van 150 miljoen BF tot 1 miljard BF (30).

Er was een gemengde Frans-Belgische invloed in de N.V. der Kolenmijnen Limburg-Maas. Van Franse zijde dienen we nogmaals de drie grote staalbedrijven te vermelden : Hauts Fourneaux et Fonderies de Pont-à-Mousson (d.i. de belangrijkste Franse participant), Aciéries de Micheville en Forges de la Marine et d'Hornécourt-De Frans invloed was hier veel geringer dan in de mijn van Beringen. De holding BRUFINA bezat immers bijna één zesde van het aandelenkapitaal en de groep Coppée had ook een aanzienlijk aandelenportefeuille (31).

De mijnen van Winterslag (1912) en Houthalen (1923) werden enkele jaren later dan de andere mijnen (1907) opgericht.

1.0.5. De steenkoolmijn van Winterslag.

S.A. des Charbonnages de Ressaix en Société Minière de Pitteurs-Hiégaerts kregen op 3 november 1906 de concessie van Genk-Zutendaal en Winterslag ( 3900 ha en 960 ha ), die zich uitstrekte onder de gemeenten Genk, As, Maasmechelen, Zutendaal en Opgrimbie (32).

S.A. des Charbonnages de Ressaix zou deze concessie uitbaten.

In november 1912 stichtte de Franse groep Schneider en S.A. des Charbonnages de Ressaix de N.V. der Kolenmijnen van Winterslag. (33)

De twee belangrijkste participanten in deze mijn waren de Franse groep Schneider en de groep Coppée langs Belgische zijde, de Franse invloed was hier sterker dan in Eisden, doch niet zo sterk dan in Beringen. Ook de deelneming van de Waalse steenkoolmijn van Ressaix was opvallend (34).

Later zou de mijn van Winterslag hetzelfde lot ondergaan als deze van Zwartberg : de N.V. der Kolenmijnen van Winterslag werd opgekocht door N.V. Espérance-Longdoz en de mijn was daarna een afdeling van deze vennootschap (35).

1.0.6. De steenkoolmijn van Houthalen.

De N.V. der Kolenmijnen van Houthalen werd in 1923 opgericht en had een concessie van 3250 ha , die zich uitstrekte onder de gemeenten Houthalen, Zolder, Zonhoven en Hasselt (36). De steenkolenwinning ving pas in 1939 aan; vijfentwintig jaar later bestond de N.V. der Kolenmijnen van Houthalen reeds niet meer. Het aanvangskapitaal bedroeg 35 miljoen BF. (37) 

De grootste participant in deze mijn was Société Générale, die bijna één vierde van het totaal aandelenkapitaal bezat. Ook de ijzer- en staalnijverheid was geintereseeerd in de mijn van Houthalen : Forges de Clabecq en de drie Franse bedrijven Pont-à-Mousson, Hornécourt en Micheville (afgekort) bezaten aandelen.

1.0.7. Nabeschouwing.

1.0.7.0. We merken op dat er een zeer sterke financiële concentratie in de Kempische steenkoolnijverheid was. De Société Générale was ongetwijfeld  de grootste aandeelhouder. De holdings BRUFINA en groep Coppée waren eveneens voorname aandeelhouders, naast enkele groten uit de ijzer-  en staalnijverheid,  zoals ARBED, Providence,  Pont-à-Mousson, Micheville en Hornécourt. De maatschappijen, die de Kempense steenkoolmijnen controleerden, waren ook de grote aandeelhouders in het Zuidelijk steenkoolbekken.

1.0.7.1. We stellen een nauwe verbondenheid vast tussen de Kempische steenkolen- en de Waalse ijzer- en staal-nijverheid. De Providence, Cockerill-Ougrée, Eepérance-Longdoz, Arbed, Forges de Clabecq, Schneider, Pont-à-Mousson, Micheville en Homécourt hadden een aanzienlijk aandelenportefeuille. De grote holdings, voornamelijk Société Généerale, die de Belgische steenkoolnijverheid kontroleerden waren eveneens de grote aandeelhouders in de staalnijverheid. Deze industriële- en financiële participanten richtten de Kempische steenkolen altijd naar de cokes- en ijzer- en staalnijverheid.

Deze steenkoolverbruikende sectoren genoten alzo zeer grote voordelen; hun grond- en hulpstoffenvoorziening was verzekerd binnen de nationale grenzen. Deze verhoudingen bepaalden gedeeltelijk de problemen van de steenkolenwinning in Limburg; ze hadden bijvoorbeeld een grote invloed bij de loononderhandelingen in 1970.

1.0.7.2. Tussen 1961 en 1971 had het Directorium voor de Kolennijverheid een tamelijk grote invloed in het beheer der Limburgse steenkoolmijnen. Het Kolendirectorium had een ruime bevoegdheid en verscheidene taken.

Het Kolendirectorium kon beslissingen treffen, die door het Ministerie van Economische Zaken konden bindend verklaard worden voor de verschillende beheerraden der steenkoolmijnen en was verder bevoegd om aanbevelingen en adviezen te formuleren. Tot haar zestien taken behoorden o.a. 
- prijsschalen, verkoopsvoorwaarden en contracten op lange termijn registreren, goedkeuren en zo nodig vaststellen 
- in- en uitvoerpolitiek uitstippelen 
- de door de bedrijven te volgen politiek bepalen in overleg met de bevoegde departementen.(39)

Er was een nauwe binding tussen de verschillende maatschappijen, die de mijnen uitbaatten, het Kolendirektorium en het Ministerie van Economische Zaken en Energie.

1.0.7.3. Het is opvallend dat de aandeelhouders "franssprekende" kapitalisten uit Frankrijk en Wallonie zijn. Dit is van belang om de geëngageerdheid van de vlaamsnationalisten van de Volksunie in de staking van 1970 te begrijpen.

1.0.7.4. We merken op dat de oprichters, de eerste aandeelhouders van de verschillende Kempische uitbatings-maatschappijen industriële bedrijven (ijzer- en staalnijverheid, bestaande steenkoolmijnen) waren; later mengden de holdings zich in de financiële toestand van de Limburgse mijnen.

  

Noten

(1) N.V. KOLENMIJNEN VAN WINTERSLAG, "Winterslag 1907-1957", Brussel, 1957, p. 10
(2) Er zijn in België drie grote steenkoolbekkens :
- de Bekkens van Henegouwen : Borinage (Mons), Centre en Charleroi-Namur,
- het Bekken van Luik
- het Kempens Bekken 
Zie bijlage 1.
(3)  N.V.  C0CKERILL-0UGREE, "Zwartberg 1907-1957",   ?,   1957, p.   15-17 
(4)  N.V.   COCKERILL-OUGREE,  a.w., p.18
(5)   MOONS J., " De economische structuur van de Kempische  Steenkolennijverheid. Volume I. De bedrijfseconomische Structuur", Limburgs Economische Raad, Hasselt 1957,p.15
(6)   N.V. COCKERILL-OUGREE, a.w., p.19
(7) MOONS J., a.w., p. 15
S.A. SOCIETE GENERALE, "Verslag 1950", Brussel, 1951, p.107
S.A.  SOCIETE GENERALE,"Verslag  1952",Brussel,1953,P-117
(8)   MOONS J., a.w., p.15, N.V. COCKERILL-OUGREE, a.w. , p.19, 
GROUPEMENT des HAUTS-FOURNEAUX et ACIERIES BELGES, 
"Rapport Annuel 1957", Brussel, 1957, p-70
(9)   Zie bijlage 2.
(10)  Interne documentatie A.C.V.
N.V.  COCKERILL-OÏÏGREE,   a.w.,   p.17
PINXTEN K.,   "Het Kempische Steenkolenbekken",  N.V. Standaard,  Brussel-Antwerpen-Leuven-Gent,   1937,   p-27.
(11) N.V. KOLENMIJNEN VAN BERINGEN, "Gouden Jubileum 1907-1957",  ?,  1957, p-8
(12) N.V. KOLENMIJNEN VAN BEHINGEN, a.w., p.7
(13) N.V. KOLENMIJNEN VAN BERINGEN, a.w., p.8
(13) MOONS J., a.w., p. 13
(14) MOONS J., a.w. p. 14
S.A. SOCIETE GENERALE,  "Verslag 1950", Brussel, 1951,P-107
S.A. SOCIETE GENIRALE,  "Verslag 1952",Brussel, 1953,P-117
S.A. SOCIETE GENERALE,  "Verslag 1960", Brussel, 1961,P-137
(14) S.A. SOCIETE GENERALE, "Verslag 1966", Brussel,1967,p.128
(15)  MOONS J., a.w., p. 15-16
GROUPEMENT des HAUTS-FOURNAUX et ACIERIES BELGES,a.w.,
(16) Interne documentatie ACV
(17) Interne documentatie ACV
N.V. KOLENMIJNEN VAN BERINGEN,a.w., p. 7 
PINXTEN K., a.w., p. 27
(18) N.V. KOLENMIJNEN ANDRE DUMONT, "Kolenmijn André Dumont 1907-1957", Brussel, 1957, p.13-16
(19) Interne documentatie ACV
N.V. KOLENMIJNEN ANDRE DUMONT, a.w., p. 16 
PINXTEN K., a.w. , p. 27
(20)  N.V. KOLENMIJNEN ANDRE DUMONT, a.w., p. 16    
(21)  MOONS J., a.v. p. 15
S.A. SOCIETE GENERALE, "Verslag 1950»,Brussel,1951, p.1O7 
S.A. SOCIETE GENERALE, "Verslag 1952",Brussel,1953, p.117 
S.A. SOCIETE GENERALE, "Verslag 1960",Brusssel,1961, p.137 
S.A. SOCIETE GENERALE, "Verslag 1966",Brussel, 1966, p.128
(22)  Interne documentatie ACV
N.V. KOLENMIJNEN ANDRE DDMONT, a.w., p. 55 
(23) N.V. der KOLENMIJNEN HELCHTEREN-ZOLDER, "Helchteren & Zolder 1907-1957",N, 1957, p. 18 
(24) Interne documentatie ACV
PINXTEN K., a.w., p. 27
(25) MOONS J., a.w., p. 13
N.V. der KOLENMIJNEN HELCHTEREN-ZOLDEE, a.w., p.18
(26) N.V. der KOLENMIJNEN HELCHTEREN-ZOLDER, a.w., p.18-21
(27) MOONS J., a.w., p.15
(28) Interne documentatie ACV
N.V. der KOLENMIJNEN HELCHTEREN-ZOLDEE, a.w. p.81-82
(29) N.V. LIMBURG-MAAS, "5Oe Verjaring 1907-1957", Luik-Brussel, 1957, p. 9-10.
(30) N.V. LIMBURG-MAAS, a.w.p. 7-13
PINXTEN K., a.w., p. 27
MOONS J., a.w. p. 13
Interne documentatie ACV
(31) MOONS J., a.w., p. 15-16
GROUPEMENT des HAUTS-FOURNEAUX et ACIERIES BELGES, a.w. 
Interne documentatie ACV
(32) Interne documentatie ACV
PINXTEN K., a.w.,  p.  27
N.V. der KOLENMIJNEN VAN WINTERSLAG,  "Winterslag 1907-1957",  Brussel, 1957, p.15-16
(33)N.V.   der KOLENMIJNEN VAN WINTERSLAG,   a.w.,  p.22
(34) MOONS J.,   a.w.,   p.15
(35) DIRECTORIUM VOOR DE KOLENNIJVERHEID,  "Verslag 1964", Brussel  1965,  laatste pagina.
(36) PINXTEN K., a.w., p. 27
Interne documentatie ACV
(37) MOONS J., a.w., p. 13
(38) MOONS J., a.w., p. 14-15
S.A. SOCIETE GENERALE, "Verslag 1950", Brussel 1951, p.107
S.A. SOCIETE GENERALE, "Verslag 1952", Brussel, 1953, p.117
S.A. SOCIETE GENERALE, "Verslag 1960", Brussel, 1961, P- 137
S.A. SOCIETE GENERALE, "Verslag 1966", Brussel, 1967 p. 128
(39)  Wet van 16.11.1961 tot instelling van een Directorium voor de Kolennijverheid; verschenen in het Belgisch
Staatsblad-van 23.11.1961, 160 (S.E. 1961) Nr. 1 p.1-12.

   

1.1. Korte schets in verband met de evolutie van de steenkolen-nijverheid tussen 1950 en 1970

1.1.0. In deze afdeling geven we de algemene ontwikkelingslijn van de Belgische, en in het bijzonder van de Kempische steenkolennijverheid aan. We wensen te benadrukken dat dit geen detailanalyse is. Het onderzoek is niet zeer diepgaand, omdat dit niet noodzakelijk en of onmogelijk is in het kader van deze thesis.

We beschouwen de periode 1950-1970, omdat in 1950 de verslechtering in de steenkoolnijverheid aanvatte. Dit betekent niet dat er geen problemen waren vóór 1950, doch deze problemen waren niet van fundamenteel structurele aard.

1.1.1. Als gevolg van de stijging van de levensstandaard nam het energieverbruik sterk toe tussen 1950 en 1970. Het aanbod van energie onderging grondige wijzigingen gedurende deze periode: zo overspoelen bijvoorbeeld de aardolie van het Midden-Oosten en het aardgas van Europa op korte tijd onze energiemarkt. De transportmiddelen veranderden en de transportkosten daalden relatief tussen 1950 en 1970, waardoor het mogelijk werd deze nieuwe en andere energiedragende stoffen (bv. Amerikaanse steenkool) tegen tamelijk lage prijzen aan te voeren. Deze evolutie m.b.t. de energievoorziening, die zich op wereldvlak voltrok, bracht met zich mee dat de aardolie in 1970 de eerste plaats innam in de dekking der energiebehoeften: in 1950 stond de steenkool op de eerste plaats.

Gedurende deze energie-omschakelingsperiode werd de steenkoolnijverheid in West-Europa, in België, in de Kempen met grote problemen geconfronteerd.

1.1.2. Een overzicht van de evolutie van het steenkolenverbruik en de steenkolenproductie in België.

We bespreken niet de evolutie op wereldvlak of op EEG-vlak. We beperken ons tot de toestand in België, alhoewel de Belgische situatie beïnvloed wordt door de evolutie en beslissingen getroffen buiten de landsgrenzen.

Vanaf 1950 tot het einde van de periode, die wij bestuderen, is de toestand van de Belgische steenkolennijverheid - doorheen conjunctuurschommelingen, die de weerslag van de structurele crisis soms verzachtten, soms versterkten - permanent verslecht.

    

Tabel 1. Het zichtbaar brutoverbruik van primaire energie in België 1950-1970.

 

1950

1955

1960

1965

1970

 

(1)

(2)

(1)

(2)

(1)

(2)

(1)

(2)

(1)

(2)

Steenkool

24.454

88,66%

25.996

80,84%

23.299

69,23%

23.121

54,24%

18.927

32,20%

Aardolie

2.971

10,77%

5.885

18,30%

10.137

30,12%

19.293

45,26%

34.133

58,08%

Netgas (3)

10

0,04%

62

0,19%

50

0,15%

66

0,15%

5.456

9,28%

Electriciteit

100

0,36%

147

0,46%

102

0,30%

92

0,22%

225

0,38%

Bruinkool

47

0,17%

69

0,21%

65

0,19%

56

0,13%

30

0,05%

Totaal

27.582

100,0%

32.159

100,0%

33.653

100,0%

42.628

100,0%

58.771

100,0%

(1) In 1000 ton steenkoolequivalent (= 7.000 kcal per kg).
(2) Aandeel van de verschillende soorten energiedragers in % van het totaal.
(3) In de cijfers van 1970 is aardgas inbegrepen (het aardgasverbruik vangt in oktober 1966 aan in België) 

Bron: Ministerie voor Economische Zaken - Administratie voor Energie

Bovenstaande tabel leert ons dat het verbruik van primaire energie in twintig jaar totaal veranderde. Vooral de eerste twee rijen van tabel 1 verdienen onze aandacht. Het steenkolenverbruik stabilizeerde in de jaren 1950-1955; uit de tabel blijkt dat vanaf I960 een forse daling ingezet werd. 

In feite was reeds in 1958 een dieptepunt bereikt. (1) Het aardolieverbruik steeg aanzienlijk tussen 1950 en 1955, doch vanaf 1960 kunnen we van een "hollende" aardolieconsumptie spreken. 

Tussen 1950 en 1970 is het totaal energieverbruik meer dan verdubbeld (+ 313,1%), terwijl het steenkolenverbruik aanzienlijk daalde (- 22,6%) en de aardolieconsumptie meer dan vertienvoudigde (1148,9%). Het hoeft nu geen verwondering meer te wekken dat deze evolutie noodlottige gevolgen voor de steenkolenindustrie gehad heeft.

In deze evolutie over twintig jaar kunnen we drie perioden onderscheiden.

De eerste periode (1950-1959) zouden we de periode van de onverwachte neergang willen noemen. In 1952 werd de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (E.G.K.S.) opgericht (2) . Deze oprichting situeerde zich in de tijd van de heropbouw na de oorlog, toen er een groot energietekort was. De funktionarissen van de E.G.K.S. stuurden aan op grote investeringen in de kolenindustrie, zodat de productie met volle kracht zou kunnen ontwikkeld worden. (3) Uit tabel 1 blijkt dat in deze periode het aardolieverbruik aanzienlijk toenam en de steenkoolverkoop stagneerde (steenkolen-stooks in 1958 : 7,8 miljoen ton). België sloot in 1959 een overeenkomst af met de E.G.K.S., waarbij de afzondering van de Belgische kolenmarkt voor drie jaar verkregen werd. Deze overeenkomst bepaalde eveneens dat België tijdens de afzonderingsperiode een aantal mijnen met een totale capaciteit van 9,5 miljoen ton moest sluiten, (4)

De tweede periode (1960-1963) is de afzonderings- of eerste saneringsperiode. Tijdens deze drie jaar werden 29 ontginningszetels gesloten, allen in het Zuiderbekken, in het kader van hogervermelde overeenkomst. Deze sanering, de afzondering en de strenge winter van 1962-1963 hadden tot gevolg dat de voorraden op hun normaal niveau terugvielen (ongeveer 1 miljoen ton). (5)

In 1961 werd het Directorium voor de Kolennijverheid opgericht.

De derde periode (1964-1970) is een tweede crisisperiode. Vanaf 1964 nam de invoer van energiedragende stoffen toe ; de Amerikaanse steenkool was goedkoper geworden dan de Europese (6), de aardolie werd nog concurrentieler dan hij al was en de invoer van de aardgas ving aan. De situatie van de Belgische steenkoolindustrie werd zoals in de andere E.E.G.­landen als hopeloos aanzien.

De, van dan af gevoerde, politiek was in enkele woorden de volgende : de sanering wordt doorgezet, doch in een langzamer tempo, zodat sociale onrusten en regionale scheeftrekkingen kunnen vermeden worden; ondertussen worden de resterende mijnen gesubsidieerd (7).

In alle jaarverslagen van de E.G.K.S. en het Kolen-directorium tijdens de periode 1964-1970 werd de problematiek van de saneringspolitiek uitvoerig behandeld.

In een studie van 12 september I964 "Propositions pour une politique charbonnière à moyen terme 1964-1970" schreef het Kolendirectorium onder andere dat 

- de afzetmogelijkheden verminderd waren sinds 1963 en dat een nieuwe vermindering te voorzien was voor 1965 
- het aandeel van de Belgische kolen in het totaal steenkolenverbruik moest verminderen
- een programma van productievermindering moest opgesteld worden, terwijl de steenkoolinvoer op ongeveer hetzelfde niveau moest blijven  (7,4 miljoen ton). 
- een subsidieringspolitiek moest gevoerd worden voor de mijnen, die niet onmiddellijk  zouden moeten gesloten worden.

De voorstellen, die het Kolendirectorium in deze studie deed, werden door de regering aanvaard. (8)

De saneringspolitiek in de steenkoolnijverheid, opgezet door het E.G.K.S., het Kolendirectorium en de regering trof in 1964 voor het eerst de mijnen van het Kempens bekken. In 1964 werd de mijn van Houthalen gesloten zonder noemenswaardige moeilijkheden; in 1966 werd de mijn van Zwartberg gesloten, wat gepaard ging met ernstige sociale onlusten; in 1967 wou de regering de mijn van Beringen sluiten, doch zag van haar plannen af onder druk van het verzet van de mijnwerkers en de lokale bevolking.

We menen te mogen opmerken dat de beslissingen en maatregelen van de E.G.K.S. en het Kolendirectorium gebaseerd waren op korte termijnanalyses en -redeneringen. We vinden dat fundamentele beslissingen m.b.t. de steenkolennijverheid moeten gebaseerd zijn op ernstige en diepgaande lange termijnonderzoeken.

De door externe factoren gedetermineerde evolutie en de door nationale en supranationale overheden gevoerde politiek leidde tot de volgende situatie.

 

Tabel 2. Enkele gegevens met betrekking tot de Belgsiche steenkoolnijverheid.

Jaar

Produc-

Aantal ont-

Aantal tewerkgestelde arbeiders

Ondergronds

Subs.

Subs.

 

tie in

gin. zetels

arbeiders per 31/12 (*)

rendement

mln. BF

BF/ton

 

1000 t.

op 31-12

Ondergr.

Bovengr.

Totaal

kg per dag

 

 

1950

27.320

156

94.240

41.611

135.851

1.014

823

30,1

1955

29.978

127

114.542

35.835

150.377

1.148

1.651

55,2

1960

22.645

75

77.333

24.828

102.161

1.577

787

35

1965

19.786

54

57.467

17.606

75.073

1.374

1.124

57

1970

11.362

24

27.720

9.676

37.396

2.630

3.871

340,7

(*) Het aantal tewerkgestelde arbeiders is het gemiddelde aantal aanwezige arbeiders per arbeidsdag. Het rendement in 1950 is op een andere grondslag berekend dan in de daaropvolgende jaren. Bron: Ministerie van Economische Zaken. Administratie voor Energie.

In een periode van twintig jaar werden 132 mijnen gesloten en gingen 98.2455 arbeidsplaatsen verloren in de Belgische steenkoolnijverheid. Niettegenstaande een rendementsstijging van 259,3% werd de productie gevoelig verminderd en stegen de totale subsidies met 470,3%

We geven kort de voornaamste oorzaken aan, die geleid hebben tot deze ongunstige ontwikkeling in de kolennijverheid. We onderscheiden voornamelijk twee factoren.

Ten eerste, de structurele omschakeling,die zich voltrok in de gnergiemarkt. waarbij de vroeger dominerende steenkolen plaats moest ruimen op een recente, meer gediversifieerde markt, waarbij aardolie een dominante rol ging spelen. In de periode 1950-1970 heeft de aardolie de steenkolen vervangen in alle verbruiksectoren, waar de steenkolen aan geen specifieke behoeften beantwoordde. (9) M.b.t. de substitutie van de steenkolen door andere energiedragende stoffen zou het nuttig zijn een onderscheid te maken tussen huisbrand- en cokeskolen, maar daar gaan we niet verder op in omdat deze bespreking ons te ver zou leiden.

Ten tweede, de hoge kostprijs van de steenkolen, als gevolg van de ongunstige geologische eigenschappen (grote diepte, smalle en onregelmatige steenkolenlagen) op de eerste plaats en het hoge aandeel van de loonkosten in de totale kostprijs (ongeveer 60%) op de tweede plaats (10).

Er is een nauwe samenhang tussen beide factoren. De substitutieproducten namen een belangrijke plaats in bij het energieverbruik, omdat ze merkelijk goedkoper zijn dan de steenkolen. De kostprijs van de steenkolen was vooral hoog wegens de slechte geologische omstandigheden, waarin de exploitatie plaatsvond en wegens de ongunstige kostprijsstructuur - die op haar beurt een gevolg is van de slechte geologische omstandigheden.

Elke loonstijging had een opmerkelijke invloed op de kostprijs. Dit schiep problemen, vooral omdat de lonen in de mijnen sneller stegen dan de productiviteit, niettegenstaande de trage loonstijgingen rekening houdend met de algemene economische toestand en sociale overwegingen. Bijvoorbeeld tijdens de periode 1959-1967 nam het ondergronds rendement met 51% toe (van 1388 kg tot 2102 kg ) en de bruto-uurlonen in absolute cijfers stegen met 111% (van 32,98 BF tot 69,73 BF). (11) Het rendement was laag omwille van de slechte geologische eigenschappen, die de mechanisering bemoeilijkten en omwille van de tewerkstelling van gastarbeiders, die niet vertrouwd waren met de zware arbeid in de mijnen (zij waren veelal afkomstig  van het platteland). (12)

De hoge kostprijs maakte dat de Belgische steenkolen duurder was dan de kolen uit Amerika vóór 1970 (13), alhoewel de lonen in de VSA hoger konden zijn dan in België. Doch in Amerika waren zeer goede geologische omstandigheden : in sommige gevallen kon men aan dagbouw doen.

1.1.3. Bondige formulering van de problematiek in het Kempisch steenkoolbekken.

De situatie in het Kempens bekken is niet fundamenteel verschillend van de algemene Belgische toestand in de steenkoolnijverheid. Toch zijn er bijkomstige verschillen.

Het specifieke van de Kempische problematiek wordt hier kort uiteengezet.

De toestand in het Kempisch steenkoolbekken werd voornamelijk bepaald door het kolentype dat er geproduceerd wordt.

1.1.3.0. De cokeskolen.

De Kempische mijnen hebben steeds voornamelijk industriekolen voortgebracht, d.w.z. vette steenkolen A en vette steenkolen B. In Wallonië werd voornamelijk huisbrandkolen ontgonnen, t.t.z. magere kolen en antraciet.

De vette kolen A werden ontgonnen in Eisden, Waterschei en Winterslag; de vette kolen B werden ontgonnen in Zwartberg, Beringen, Helchteren-Zolder, Houthalen en Eisden. (14)

Alle Kempische mijnen produceerden in het totaal ongeveer 40% vette kolen A en 60% vette kolen B. (15) Vette steenkolen A werden gevraagd als cokeskolen voor de staalindustrie. Vette steenkolen B werden gevraagd in de vroegere gasfabrieken. Deze twee kolentypen werden op het einde van de beschouwde periode practisch niet meer gebruikt als huisbrandkolen. De afvalproducten konden verwerkt worden in de electrische centrales. (16)

1.1.3.1. Enkele problemen.

De afvalproducten van handelsproducten, zoals fijnkolen en geklasseerde kolen konden aan electriciteitscentrales geleverd worden. Doch daar verminderde het gebruik ondanks de jaarlijkse stijgingen van het electriciteitsverbruik (17), vooral omwille van de hoge transportkosten (18). De centrale van Waterschei was in dit opzicht zeer belangrijk.

Sinds 1962 hadden de electriciteitscentrales zich verbonden de ganse beschikbare hoeveelheid "laagwaardige producten" af te nemen. Na enige tijd hadden de centrales een prijsgelijkschakeling met andere energiebronnen gevraagd : de "vrije calorie". Vanaf september 1970 werd deze gelijkschakeling toegepast, hetgeen de inkomsten van de Kempische (en Waalse) mijnen verlaagde (19).

De vette kolen B werd aanvankelijk vooral aan de gasfabrieken geleverd. Beschouwen we even de toestand op de gasmarkt.

Na de tweede wereldoorlog nam de behoefte aan gas fel toe en deze behoefte werd vooral gedekt door cokesovengas. De vraag naar gas oversteeg het aanbod in de jaren 1950-1965. Daarom werd het noodzakelijk grote hoeveelheden aardolieproducten te verwerken tot gas en werd overgegaan tot de bouw van gascentrales. Dit gas was duur, alhoewel het het cokesovengas zou kunnen vervangen. Toen eind 1966 aardgas in België ingevoerd werd, wijzigde de structuur van de gasmarkt totaal. Het aardgas zou bijna alle andere gassoorten in de nabije toekomst gaan vervangen, zowel voor huishoudelijk als voor industrieel verbruik. (20) (21) 

Deze totale ommekeer in de gasmarkt had voor gevolg dat de traditionele gassen vele van hun typische afzetmarkten verliezen. De gasfabrieken zullen verdwijnen na 1967. De steenkoolmijnen schakelden dan over naar een cokes, die ze verkregen door menging van vette steenkolen B en 3/4 magere steenkolen. De staalindustrie stond echter huiverachtig tegenover deze cokes, die ze als cokes van slechte kwaliteit beschouwden. (22)

De vette steenkolen A is een typische kolen voor de staalnijverheid. Hij werd gevraagd door de cokesindustrie, die de cokeskolen verkookst tot cokes, bestemd voor de ijzer- en staalnijverheid.

Uit hetgeen voorafgaat blijkt dat de typische Kempense specialiteit, nl. de vette kolen, onder invloed van de evolutie op de energiemarkt, alleen nog toekomst had als cokeskolen voor de staalnijverheid. Doch hier stelden zich in de periode 1950-1970 ook problemen.

Ten eerste. De afzet van cokeskolen hing practisch totaal af van de toestand van de Waalse ijzer- en staalnijverheid. In 1950 werd 3107 duizend ton cokes aan de ijzer- en staalindustrie geleverd op een totaal van 4625 duizend ton geproduceerde cokes (d.i. 6750 en in 1970 was dat 7015 duizend ton op een totaal van 8663 duizend ton geproduceerde en ingevoerde cokes (d.i. 80,97%).

 

Tabel 3. Cokesbalans - in duizend ton

Afzet                Jaar

1950

1955

1960

1965

1970

Middelen

 

 

 

 

 

Productie

4.625

6.610

7.539

7.333

7.131

Invoer

-

215

225

693

1.532

Totaal

4.625

6.825

7.764

8.026

8.663

Afzet

 

 

 

 

 

Ijzer- en staalindustrie

3.107

4.958

5.789

6.127

7.015

Overige industriën

593

644

661

743

666

Overige verbruikers

592

502

369

333

136

Binnenlandse afzet

4.292

6.103

6.819

7.173

7.817

Uitvoer

523

776

988

919

713

Totale afzet

4.815

6.879

7.807

8.092

8.530

Bron : Ministerie van Economische Zaken - Administratie voor Energie

  

Tabel 4.   Cokesverbruik in de ijzer- en staalindustrie   (*)

Aanduiding                              Jaar

Eenheid

1952

1955

1960

1965

1970

Productie vanruw staal

106 ton

5,1

5,9

7,2

9,2

12,6

Productie van ruw ijzer

106 ton

4,8

5,3

6,5

8,4

10,9

Verbruik van cokes per ton ruw ijzer

kg

858

891

852

658

586

Bron : Bureau voor statistiek der Europese Gemeenschap. 
(*) Statistische gegevens hieromtrent zijn beschikbaar vanaf 1952, na het ontstaan van de E.G.K.S.

 

Ingevolge de technische verbeteringen van de productieprocedees.gedurende de hier beschreven periode verminderde het cokesverbruik per ton ruw ijzer. Dat had een negatieve invloed op de Kempense steenkoolleveringen aan de cokesindustrie. Doch door de productiestijging in de ijzer- en staalnijverheid is het totale cokesverbruik toch blijven toenemen. (23)

We dienen hier ook te wijzen op de moeilijkheden in de cokesindustrie, die een ongunstige invloed hadden op de afzet van de Kempense mijnen. Als gevolg van de concurrentie van petroleum- en later van aardgas op de gasmarkt ontstonden er moeilijkheden bij de verkoop van cokesgas. Deze situatie remde de investe ringen in de cokesindustrie. (24)

Ten tweede. Uit tabel 3 blijkt dat het verbruik in de overige industriën ongeveer constant gebleven is tussen 1950 en 1970. Het betrof hier vooral een zeer specifiek gebruik. We merken toch een felle vermindering van het cokesverbruik bij de N.M.B.S. op, wegens de electrificatie van het spoorwegnet. Het cokesverbruik verminderde eveneens bij de kleine industriën, die bijna volledig overschakelden op petroleumproducten. (25)

De consumptie van de overige verbruikers is voortdurend verminderd tussen 1950 en 1970 en vertoonde de neiging te verdwijnen. Hier liggen voornamelijk twee redenen aan ten grondslag : de vermindering van het aantal mijnwerkers omwille van de rationalisering in de mijnen deed het eigen verbruik, d.w.z. de leveringen aan personeel, dalen; het kolenverbruik van particulieren verminderde omdat ten gevolge van de technische vooruitgang de kolenkachels door centrale verwarming met petroleumproducten vervangen werden.

Ten derde. Uit tabel 3 blijkt eveneens dat er zich in 1970 een invoersaldo voordeed i.p.v. het traditionele uitvoersaldo. Deze ontwikkeling zette in vanaf 1967. De voornaamste redenen hiervan zijn :

- de te geringe investeringen in de cokesindustrie (zie hoger),
- de hoogconjunctuur, die de productie in de ijzer­ en staalnijverheid bevorderde,
- de verkoopsdaling aan buitenlandse klanten, die overschakelden op de goedkopere Amerikaanse steenkool. (26)

Ten vierde. De concurrentie van de goede en goedkope Amerikaanse vette steenkolen heeft vanaf 1966 een grote invloed gehad op de economisch-financiële positie van de Kempische steenkoolmijnen.

De steeds gevoerde politiek van de Belgische regeringen t.o.v. de concurrentie met cokeskolen is de volgende geweest : "De Belgische cokesfabrieken moeten hun bevoorrading in cokeskolen kunnen bekomen aan de best mogelijke voorwaarden, vermits de ijzer- en staalnijverheid, één der voornaamste sluitstukken van onze economie, zowel in het Noorden als in het Zuiden van het land, des te meer competitief moet zijn daar zij nagenoeg drie vierden van haar productie exporteert."(27)

Dit is zeer belangrijk.

De Kempische mijnen hebben lange tijd hun cokeskolen geleverd aan prijzen, die overeenkwamen met de kolenprijzen van het Ruhrgebied, die toen de laagste prijzen binnen de E.G.K.S.-landen waren. Mede door invoerrestricties voor niet E.G.K.S.-lidstaten werd alzo de afzet van cokeskolen verzekerd. Ondertussen werden de Amerikaanse vette kolen goedkoper dan de Kempische vette kolen en sommige West-Europese landen (Nederland, Italië, Frankrijk) gingen lange termijncontracten aan met derde landen, vooral de Verenigde Staten. Opdat de concurrentiele positie van de Belgische staalnijverheid niet zou in het gedrang komen werd vanaf 1966 geleidelijk een politiek gevoerd van gelijkschakeling der Kempische cokeskolenprijzen met de Amerikaanse prijzen. (28)   De gelijkschalingsprijs bedroeg in 1966 ongeveer 650 BF, in 1967 690 BF, in 1968 715 BF, in 1969 725 BF en in 1970 800 BF per ton. De gemiddelde prijs van de ingevoerde Amerikaanse steenkool lag vóór 1970 op iets minder dan 800 BF/ton cif loshaven voor lange termijncontracten. (29) Dit betekent m.a.w. dat de Kempense cokeskolen aan lagere prijzen dan de Amerikaanse verkocht werd en dat de staalnijverheid extra bevoordeligd werd.

Het gevolg van de gevoerde politiek was dat de Kempische steenkoolmijnen supplementaire verliezen leden, die door supplementaire toelagen dienden gecompenseerd te worden. Deze laatste factor is zeker niet de minst belangrijke.

1.1.3.2. We moeten wel opmerken dat ondanks hogervermelde problemen, de Kempische kolennijverheid in de periode '1950-1970 een gunstiger ontwikkeling doormaakte dan de mijnen in de Zuiderbekkens. Dit wordt duidelijk als we even de evolutie van enkele parameters beschouwen. We baseren ons hierbij op statistieken van de Administratie van het Mijnwezen en de Limburgs Economische Raad en op de jaarverslagen van het Directorium voor de Kolennijverheid. De steenkolenproductie daalde in België tussen 1950 en 1970; de productie in de Kempen bleef ongeveer op hetzelfde niveau (rond de 10 miljoen ton per jaar), terwijl de productie in de Zuiderbekkens sterk daalde, vooral tussen 1957 en 1960. Vanaf midden 1966 ligt de productie in Limburg hoger dan in Wallonië. Het aantal ingeschreven ondergrondse mi.jnwerkers vertoont voor België een dalende tendens tijdens hogervermelde periode; de dalende curve is voor de Kempen echter veel vlakker dan voor de Zuiderbekkens. 

Het ondergronds rendement steeg practisch voortdurend voor het rijk- uitgezonderd de neerwaartse pieken in 1958 en 1964. Het ondergronds rendement in kilogram per arbeider lag voor het Zuiden steeds beneden het rijksniveau; voor de Kempen lag het steeds boven het rijksniveau.

Tussen 1950 en 1970 werden 132 ontginningszetels gesloten in België, waarvan 130 in Wallonië en 2 zetels in de Kempen.

1.1.4. De bespreking van de drie volgende voorname punten.nl. de sluiting van de mijnen van Houthalen en Zwartberg en de oprichting van de N.V. Kempische Steenkoolmijnen, moet gezien worden tegen de achtergrond van de heersende problematiek, in de Belgische-, en in het bijzonder in de Kempische steenkoolnijverheid, in de zestiger jaren.

 

Noten

(1) WEERTS P., "De energievoorziening in België in de periode van 1950 tot 1970" in "Basisstatistieken over de kolennijverheid", ?,?, 1974», P. 19.
(2) De E.G.K.S. trad in werking op 23 juli 1952. De leden zijn België, Nederland, Luxemburg, Frankrijk, Italië
en West-Duitsland. Men wilde een economische unie vormen door te beginnen met de integratie van enkele  sleutelindustriën. De Hoge Autoriteit (9 leden) was het belangrijkste orgaan met supranationaal gezag. Op 1 juli 1967 fusioneerden de uitvoerende organen van E.G.K.S., Euratom en E.K.S.. De E.G.K.S. zal uiteindelijk volledig opgaan in de E.E.G..
Uit: BAETEMAN L., DELOOZ H.K., MEGANCK J., "Algemene econo­mie", Uitgeverij De Garve Antwerpen, 1970, p. 343
(3) Interne documentatie A.C.V. : Nota over het energie­beleid, Ministerie van Economische Zaken. WEERTS P., a.w., p. 19
(4) Interne documentatie van het A.C.V.: Nota over het energie­beleid, Ministerie van Economische Zaken. WEERTS, P., a.w. p.20. EUROPESE GEMEENSCHAP VOOR KOLEN EN STAAL, HOGE AUTORITEIT, "Zevende algemeen verslag over de werkzaamheden van de Gemeenschap", Luxemburg, 1959, p. 47-88
(5) WEERST P., a.w. p. 20
EUROPESE GEMEENSCHAP VOOR KOLEN EN STAAL,  HOGE AUTORI­TEIT,   "Algemeen verslag over de  werkzaamheden van de Gemeenschap",   Luxemburg,   1963,p.   96-113, 229-300,442-450
(6) M.b.t. de concurrentie die de Belgische steenkolen ondervond van ingevoerde steenkolen kunnen we het volgende
vermelden.  Vóór  1953 was  er geen probleem. In februari 1953 werd gemeenschappelijke markt voor steenkolen ge­
opend  (invoer uit E.G.K.S.-landen).  Vanaf  1958 werd Amerikaanse  steenkool  ingevoerd  tegen lagere prijzen dan die  van de binnenlandse  steenkool.  Vanaf  1966 werden de Belgische steenkoolprijzen gealigneerd op de Amerikaanse.
(7) Interne documentatie Volksunie. WEERTS P., a.w., p. 20
EUROPESE GEMEENSCHAP VOOS KOLEN EN STAAL, HOGE AUTORI­TEIT, "Algemeen verslag over de werkzaamheden van de Gemeenschap", Luxemberg, 1964, p. 61-68, 97-111, 123-129, 130-136.
EUROPESE GEMEENSCHAP VOOR KOLEN EN STAAL, HOGE AUTORITEIT, "Algemeen verslag over de werkzaamheden van de Gemeenschap", Luxemburg, 1966, p. 71-110, 119-126, 129-133, 149-153, 329-332.
(8) SPITAELS L., LAMBERT S., "L'année sociale 1966", Brussel, 1967, p. 166-169.
(9) Interne documentatie ACV
Dit blijkt tevens uit de steenkoolbalansen, gepubliceerd door het Ministerie van Economische Zaken en de E.G.K.S.
(10)  SPITAELS G., LAMBERT S., "L'annëe sociale 1966", Brussel, 1967, p. 1616-162.
Interne documentatie ACV
Interne documentatie N.V. Kempische Steenkoolmijnen.
(11)  We kiezen de periode ''959-1967 omdat dit een periode was met geringe loonstijgingen en aanzienlijke technische verbeteringen en ook omdat we voor die periode cijfers vonden.
De cijfers m.b.t. het rendement zijn ontleend aan de interne documentatie van de N.V. Kempische Steenkoolmijnen
en de cijfers m.b.t. de lonen vonden we in het jaarverslag van het Kolendirectorium van 196? op blz. 63.
(12) Interne documentatie N.V. Kempische Steenkoolmijnen.
(13) Dit werd althans beweerd in officiële kringen, alhoewel de Volksunie argumenten had, die niet in deze richting wezen.
(14) Zie bijlage 3.
(15) Interne documentatie N.V. Kempische Steenkoolmijnen.
(16) Interne documentatie N.V. Kempische Steenkoolmijnen.
(17) Het totaal electriciteitsverbruik in België bedroeg in 1950 7811,6 GWh, in 1955 10464,6 GWh, in 1960 13395,9 GWh, in 1965, 19136,3 GWh en in 1970 27708,9 GWh. (BRON : Bedrijfsfederatie der Voortbrengers en Verdelers van Electriciteit in België).
(18) We merken op dat er altijd weinig nevenbedrijven in het Kempens steenkoolbekken geweest zijn. De voorkomende nevenbedrijven zijn o.a- een electrische centrale te Waterschei en een gemengde centrale voor de valorisatie van steenkool.
(19) Interne documentatie Volksunie.
(20) Zie bijlage 4
(21) WEERTS P., a.w., p. 24-26.
(22) WEERTS P., a.w., p. 25
Interne documentatie N.V. Kempische Steenkoolmijnen.
(23) Interne documentatie N.V. Kempische Steenkoolmijnen en A.C.V.
(24) WEERTS P., a.w., p. 22
(25) Interne documentatie N.V. Kempische Steenkoolmijnen.
(26) Interne documentatie N.V. Kempische Steenkoolmijnen WEERTS P., a.w., p.22.
(27) Overheidsdocument uit de interne documentatie van de V.U.
(28) Ondertussen werden ook de kolenprijzen van het Ruhrgebied gealigneerd op de prijzen, die golden in niet E.G.K.S.-landen.
(29) Overheidsdocument uit de interne documentatie van de V.U.

   

1.2. De sluiting van de steenkoolmijn van Houthalen.

De sluiting van de mijn van Houthalen is niet van grote betekenis geweest. Deze paragraaf is alleszins de minst belangrijke in het eerste hoofdstuk. De onbelangrijkheid van deze sluiting is waarschijnlijk de reden waarom we zeer weinig informatie hierover vonden.

Het Directorium voor de Kolennijverheid schreef in haar jaarverslag van 1964 dat de meeste maatschappijen in 1964 begrepen hadden dat het tijdperk van de gemakkelijke oplossingen definitief voorbij was voor het Kempens bekken (1).

In 1964 werd in het kader van de door de regering gevoerde saneringspolitiek de eerste Limburgse mijn gesloten.

Waarom werd de jongste steenkoolmijn, de mijn van Houthalen gesloten? Op deze vraag kunnen wij geen duidelijk antwoord geven. Geologische factoren, en hiermede nauw verwante factoren van technische aard hebben alvast een grote rol gespeeld. (2)   Vele mensen met een vlaams-nationalistische overtuiging (3) geloven dat er slechts één reden kon zijn : er waren reeds talrijke Waalse mijnen gesloten; de regering moest nu eindelijk een  Limburgse mijn sluiten. (4)

Alhoewel iedereen spreekt van de "sluiting" van de mijn van Houthalen is dit niet helemaal juist. De voorheen zelfstandige N.V. Kolenmijnen van Houthalen werd opgeslorpt door de N.V. Kolenmijnen van Helchteren-Zolder. Op 30 december 1963 startte de verenigingsprocedure. Beide hogervermelde maatschappijen bereikten vlug een akkoord (5), dat goedgekeurd werd door het Kolendirectorium. Dit akkoord werd bij Ministerieel Besluit van 29.5.1964 bindend verklaard. De "N.V. Kolenmijnen van Helchteren-Zolder en Houthalen" werd op 30 juni 1964 opgericht, met terugwerkende kracht op 1 januari 1964 (6).

Deze opslorping of sluiting bracht geen ernstige sociale conflicten met zich mee. Er werden immers zeer weinig mijnwerkers en bedienden afgedankt. Enkele honderden mijnwerkers bleven in Houthalen werken. Andere mijnwer kers en vooral bedienden werden overgeplaatst naar Zolder. (7)

De mijnwerkers betoogden éénmaal te Hasselt. Dit was een rustige betoging, georganiseerd door de vakbonden. De volgende mijnsluiting in de Kempen zou een veel tragischer verloop kennen....

 

Noten

(1) DIRECTORIUM VOOR DE KOLENNIJVERHEID, "Verslag 1964", Brussel 1965, p.78
(2) Interview A.C.V.
(3) Deze mensen speelden een belangrijke rol in de recente gescheidenis van de Kempische steenkoolmijnen.
(4) "Op 25 september 1964 schreef het Waalse MPW-blad "Combat" dat de Minister van Economische Zaken Spinoy van­wege het Kolendirectorium een vertrouwelijk dossier had ontvangen, waarin de namen stonden van de mijnen, die dienden gesloten te worden. Deze lijst bevatte ook de namen Houthalen en Zwartberg; het MPW-blad zie trouwens waarom: "Om een goede indruk te maken en niet de schijn te verwekken dat alleen Waalse mijnen getroffen werden, overweegt men de eventuele sluiting van Houthalen en Zwart­berg in de Kempen". Geciteerd uit het witboek van de Volks­unie over Zwartberg, p.15- Interview Slegers G.
(5) Dit wordt onder meer verklaard door het feit dat de S.A. Societé Générale in beide maatschappijen aandelen bezat.
(6) DIRECTORIUM VOOR DE KOLENNIJVERHEID, "Verslag 196'*",P-8i!
(7) Zie bijlage 5.

 

1.3. De sluiting van de steenkoolmijn te Zwartberg.

De sluiting van de mijn van Zwartberg en de staking, die veroorzaakt werd door deze sluiting vormen één van de meest tragische en revolutionaire periodes in de geschiedenis van de Kempense steenkoolmijnen en in de Limburgse arbeidersgeschiedenis. Wij kunnen echter in het kader van deze thesis geen grote aandacht besteden aan deze gebeurtenissen, alhoewel zij grote aandacht verdienen. Wij bestuderen de gebeurtenissen van januari-februari 1966 en hun achtergronden louter in functie van hun belang voor de staking van 1970.

Noodgedwongen moeten we ons beperken tot een bondig overzicht m.b.t. de oorzaken van de mijnsluiting, de aanleiding tot de staking, de cronologie en enkele kenmerken van de staking en het voornaamste resultaat van de staking. 

 

1.3.0. Waarom werd de steenkoolmijn van Zwartberg gesloten?

Begin 1965 maakte het Kolendirectorium een studie, waaruit onder andere bleek dat in 1966 een steenkoolmijn in het Kempens bekken zou moeten gesloten worden. Het Kolendirectorium preciseerde niet welke Kempense mijn moest sluiten. (1) 

Op 22 december 1965 kondigde Eerste Minister Harmel, in naam van de regering, (2) aan dat de subsidiering voor zes mijnen zou stopgezet worden in de loop van het jaar 1966 : Gosson (Luik) en Espérance (Borinage) op 1 februari 1966, Boubier (Charleroi) en Ans-Rocour (Luik) op 1 juli 1966, Tertre (Borinage) en Zwartberg (Kempen) op 1 oktober 1966. (3)

De Belgische steenkoolproductie zou daardoor met ongeveer 1.100.000 ton verminderen in 1966; voor 1967 betekent dit een productievermindering van ongeveer 2.460.000 ton. In 1966 zouden ten gevolge van de aangekondigde sluitingen ongeveer 10.000 mijnwerkers afgedankt worden, waarvan een 4.300-tal in Zwartberg, 4.100 in Luik en 3.200 in Charleroi en Borinage. (4)

Dit betekende dat ongeveer 7.500 ondergrondse mijnwerkers, 1.900 bovengronders en 400 bedienden moesten afgedankt worden, waaronder ongeveer 3.200 ondergrondse mijnwerkers, 800 bovengronders en 200 bedienden en ingenieurs te Zwartberg. (5)

De Eerste Minister kondigde eveneens aan dat in 1966 bijgevolg nog 26 deficitaire steenkoolmaatschappijen van de resterende 32 zouden gesubsidieerd worden voor 1,6 miljard BF. (6)

Alzo werd in het kader van de saneringspolitiek de tweede Limburgse mijn gesloten.

Deze regeringsbeslissing is erg gekritikeerd geworden. De regering zelf heeft nooit verantwoord waarom de mijn van Zwartberg in 1966 werd gesloten. Welke motieven kan zij gehad hebben om de steenkoolmijn van Zwartberg te sluiten? 

Slegers G. (7)  had een bondig antwoord : "Kijk, de regering moest vijf mijnen in Wallonië sluiten. Een 4.000 à 5.000 mijnwerkers werden afgedankt. Nu wilden ze natuurlijk ook een mijn in Limburg sluiten. En ja, in Zwartberg werkten toen iets meer dan 4.000 arbeiders. Daarom verkoos de overheid de mijn van Zwartberg." Alhoewel dit antwoord een zekere waarheid kan bevatten lijkt het ons toch te simplistisch.

Spitaels G. vermoedde dat vooral technisch-economische criteria en de afzetmogelijkheden van de in Zwartberg geproduceerde steenkool voor de overheid doorslaggevende argumenten waren voor de sluiting van de Kempische mijn Cockerill-Ougrée, daar waar de exploitatieverliezen en subsidies de belangrijkste criteria waren voor de sluiting van de mijnen in Wallonië. (8) Dit antwoord vinden wij evenmin onjuist, doch het is onvolledig en vooral vaag.

De Centrale der Vrije Mijnwerkers (ACV) begreep niet waarom Zwartberg zou gesloten worden en vond de beslissingen van het Kolendirectorium tegenstrijdig. "Wie even de zaken nuchter bekijkt kan er werkelijk niet meer aan uit. Enerzijds is er de verantwoordelijkheid van de betreffende Beheerraad; ... . Toch wijst zulke veranderlijkheid op een "wispelturigheid" die er niet doorkan wanneer het lot van zovele mensen op het spel staat.

Daarnaast is er natuurlijk de verantwoordelijkheid vai het Kolendirectorium, dat van nu af aan reeds de geschiedenis zal ingaan als "het directorium der tegenstrijdige studies en der tegenstrijdige conclusies". Begrijpe wie kan. En tenslotte is er de verantwoordelijkheid van de regering. ... En hier staan we zeker voor een zogenaamde "verkeerde" bezuiniging."(9) 

Wij kunnen niet met volledige zekerheid stellen welke de ware criteria voor deze regeringsbeslissing geweest zijn. Misschien zal de publieke opinie de gebezigde criteria nooit achterhalen. Wij kunnen wel nagaan wat de mogelijke criteria zouden kunnen geweest zijn.

We stellen enkele jaren voor 1966 een snelle verslechtering van de exploitatieresultaten van de Kempische steenkoolmijnen vast : het globaal gemiddeld verlies steeg met 65 BF/ton tussen 1963 en 1965. Dit houdt een zeer grote procentuele stijging in.(10) Doch wij vinden dat de beslissing tot sluiting van een mijn niet louter mag gebaseerd zijn op cijfers i.v.m. financiële resultaten. Ook zuiver economisch is dit een verkeerde zienswijze, omdat men slechts een zeer korte periode beschouwt. Als we resultaten- en rendementscriteria hanteren, dan zijn er trouwens veel argumenten, die voor het openhouden van de mijn van Zwartberg pleiten.

De Kempische steenkoolmiinen waren rendabeler dan de mijnen in Wallonië (11) en zij behoorden tot één der drie meest rendabele mijnbekkens van West-Europa. Onder de Kempische mijnen was de mijn van Zwartberg, na deze van Beringen, de meest rendabele. Tussen begin 1964 en begin 1965 haalde Zwartberg een rendement van 1900 tot 2023 kg per dag per arbeidskracht. (12) Dit hoog rendement dankte de steenkoolmijn aan zijn moderne uitrusting (12*) en het gering aantal bovengronders.

Zwartberg was de enige Kempische mijn, die in 1964 nog winst maakte, 8 miljoen BF.

Een ander mogelijk criterium zouden de afzetmogelijkheden kunnen zijn. Er zijn cijfers, die wijzen op een afzetprobleem voor de Zwartbergse steenkolen, doch er zijn ook feiten, waaruit men kan besluiten dat er geen problemen qua afzet waren. In de periode 1965-1966 was er een toename van de voorraden van 20.000 à .50.000 ton per week in het Kempisch steenkoolbekken. De mijn van Zwartberg bracht vette kolen B voort. We wezen er onder 1.1. op dat er afzetproblemen voor deze kolen waren, omdat zij niet geschikt zijn voor verkooksing. Hierbij dienen wij op te merken dat, als we alleen de Kempische mijnen, die vette kolen B produceren, beschouwen, we vaststellen dat de Zwartbergse kolen de hoogste kostprijs (742 BF/ton) hadden. (13)

Spitaels G. schreef dat de S.A. Cockerill-Ougrée besliste 450.000 ton minder steenkool af te nemen dan voorheen omwille van de hoge kostprijs. Voor de voorraad, die zo ontstond, bestonden geen andere afzetmogelijkheden. (14) V.Z.L. en V.U. zijn het hier niet mee eens. Dylst D., voorzitter van V.Z.L., vertelde ons : "Ingenieur X, die in de mijn van Zwartberg werkte, had vóór de 22ste december 1965 vernomen dat de mijn van Zwartberg zou gesloten worden. Toen hij dit mededeelde aan Dhr. Renotte, directeur van de steenkoolmijn, kon deze laatste het niet geloven. De directeur zei dat Cockerill-Ougrée zóveel steenkolen nodig had dat Zwartberg de vraag niet kon beantwoorden. Bijgevolg was Ougrée genoodzaakt Amerikaanse kolen bij te bestellen. Er zouden dus zeker geen afzetmoeilijkheden geweest zijn. Wat moeten we geloven : cijfers of een getuigenis? 

Als technocratische economen hebben we twee factoren-groepen onderzocht : enerzijds rendement/exploitatie­resultaten/subsidies en anderzijds afzetmogelijkheden. Laat ons nu enkele sociale bedenkingen hieraan toevoegen De Kempische steenkoolmijnen hadden een relatief grote betekenis voor Limburg, bijvoorbeeld in vergelijking met het Zuiderbekken. Als we alleen de mannelijke arbeidsbevolking beschouwen, dan werkten in Limburg 37,5% der arbeidskrachten in de steenkoolmijnen; voor Henegouwen bedroeg dit 15% en voor Luik 7%- In het Kempens bekken was de mijn van Zwartberg tamelijk belangrijk : ongeveer 4.200 mijnwerkers werkten in deze steenkoolmijn, d.i. 12,4% van het totaal van de Limburgse mijnwerkers. (15)

Limburg had een jonge en snel groeiende bevolking. In zes jaar (1959-1965) steeg het aantal arbeidskrachten met gemiddeld 3.350 eenheden per jaar, terwijl het aantal gecreëerde arbeidsplaatsen in die periode met gemiddeld 1.750 eenheden per jaar steeg. (16) In zulke siutatie een belangrijke plaatselijke nijverheid op korte termijn afbouwen is sociaal onverantwoord.

Na deze korte sociaal-economische beschouwing is het moeilijk een aantal factoren aan te duiden, die duidelelijk pleiten voor de sluiting van de mijn van Zwartberg. Er zijn wel een aantal factoren die het voortbestaan van de mijn eisen. Misschien zijn er geen sociaal-economische motieven geweest en werd de mijn van Zwartberg gesloten op basis van politieke overwegingen van de toenmalige regering.

Op basis van bovenstaande feiten en cijfers besluiten wij dat de mijnsluiting sociaal-economisch onverantwoord was. Elke reëele aktie van de mijnwerkers en hun representatieve en andere organisaties tegen de sluiting vinden wij bijgevolg verantwoord.

 

1.3.1. De aanleiding tot de staking tegen de mijnsluiting.

Verscheidene situaties en feiten gaven de directe aanleiding tot staking. Wij geven hier een korte, misschien onvolledige opsomming.

1.3.1.0. De voornaamste oorzaak van de staking was de sluiting van de steenkoolmijn en de afdanking van 4.268 arbeiders; 3.254 ondergronders, 784 bovengronders en 230 bedienden. De mededeling van de sluiting gebeurde plots, onverwacht en zonder voorafgaandelijke inspraak van bepaalde organen, zoals de Gewestelijke Adviesraad voor het Kempens Bekken (17), de Limburgs  Economische Baad, de provincieraad, de mijndirectie,  vakbonden en de mijnwerkers zelf. (18) De mijnwerkers waren psychologisch totaal onvoorbereid op de sluiting.

De sluiting werd niet gemotiveerd door de regering. De mijnwerkers begrepen niet waarom de steenkoolmijn van Zwartberg dicht moest, gezien de recente investeringen en modernisering. De meerderheid der mijnwerkers ervaarde de sluiting als onredelijk en onlogisch. Zij konden niet anders dan besluiten dat het  een politieke beslissing betrof. (19)

Bij vele mijnwerkers bestond de gerechtvaardigde vrees, dat zij na hun afdanking blijvend werkloos zouden blijven. We merken de ongunstige leeftijdsstructuur bij het mijnpersoneel op : 1.705 ondergronders waren jonger dan 35 jaar en 1.463 ondergronders waren ouder dan 35 jaar, 187 bovengronders waren jonger dan 35 jaar en 557 bovengronders waren ouder dan 35 jaar. D.w.z.  dat 2.020 op 3.912 mijnwerkers ouder waren dan 35 jaar. (20)

Voor deze mensen is het fysisch of psychologisch onmogelijk zich aan te passen in andere mijnen of een andere nijverheidssector.

De mijnwerkers stonden wantrouwig tegenover de beloften inzake reconversie.

1.3.1.1. De strijdbare houding van sommige delegees, bedienden, dokwerkers en vreemdelingen.

De mijn van Zwartberg had de laagste syndicalisatie graad van alle Kempische mijnen. (21) Dit kon onder meer verklaard worden door de gemoedelijke en vriendschappelijke sfeer, die er in de mijn van Zwartberg heerste tussen bedienden en mijnwerkers. Als de mijnwerkers problemen of klachten hadden i.v.m. hun loon, kinderbijslag, werkomstandigheden, en dergelijke, dan klopten zij aan bij de bedienden of ingenieurs. Deze laatsten trachten dan de moeilijkheden op te lossen. De bedienden vervulden in feite de dagelijkse taak van de vakbonden in de mijnen. Vanuit deze optiek meenden de mijnwerkers dat ze geen vakbond nodig hadden. (22)

De Zwartbergse bedienden waren zeer strijdbaar, misschien zelfs strijdbaarder dan de mijnwerkers. (23) De weinig talrijke delegees, overwegend ACV-ers, waren eveneens tamelijk strijdbaar. Zij vochten voor de mijnwerkers om hun sympathie te winnen. De provinciale secretaris van het ACV verklaarde in Mijnalarm : "Is het niet beter strijdend te sterven,  dan zich met de feiten neer te leggen?" (24) Zoals verder zal blijken was de vakbondsleiding toch niet strijdbaar genoeg volgens de mijnwerkers. Er was een verschil tussen hun woorden en hun daden. Na de crisis aan de Antwerpse dokken kwamen een tweehonderdtal dokwerkers in de steenkoolmijn van Zwartberg werken. Zij vertegenwoordigden ongeveer 5% van het aantal tewerkgestelde mijnwerkers en hadden een zekere invloed. Deze dokwerkers-mijnwerkers hadden een hoger politiek bewustzijn, een grotere ervaring in arbeidersstrijd en waren strijdbaarder dan de  Limburgse mijnwerkers. (25)

Vele gastarbeiders hadden een nog groter ervaring in arbeidersstrijd en waren nog politieker bewuster. We hoeven slechts te herinneren aan de internationale situatie onmiddellijk voor en na de tweede wereldoorlog : Spanje, Griekenland, Yoegoslavië.

Dit alles wordt duidelijker als we de lijst van de zeer zwaargewonden, die zouden vallen  onder de staking, even overlopen. (26) Vier van de zeven zwaargewonde mijnwerkers zijn dokwerker of vreemdeling: Margarino Angel (Spanje), Arcila Antonio (Spanje), Wouters Frans (Antwerpen) en Van Hecken Theo (Wilrijk). Zij streden in de eerste linie.

1.3.1.2. Vele mijnwerkers stonden wantrouwig tegenover de kapitalisten in het algemeen en de S.A. Cockerill-Ougrée in het bijzonder en tegenover "de dikkoppen in Brussel". (27)

De idee dat de belastingbetaler subsidies moest spijzen, terwijl Cockerill voor miljoenen franken dividenden uitkeerde leefde onder de Limburgse bevolking en de mijnwerkers. M. De Wilde vroeg aan de Minister van Economische Zaken in "Mijnalarm" of het waar was dat de Belgische mijnen tussen 1950 en 1960 : voor ongeveer 10 miljard BF subsidies ontvingen en voor 9 miljard BF dividenden uitkeerden. Minister Pierson kon dit niet helemaal ontkennen, doch zei  dat hij ook niet akkoord was met deze politiek. (28)

1.3.1.3.  De mijnwerkers werden vóór of tijdens de staking nooit degelijk geïnformeerd. De mijndirectie en de directie van S.A. Cockerill-Ougrée spraken mekaar tegen. (29)

De overheid gaf geen informatie.

De vakbonden hadden de beweging onder de mijnwerkers niet in handen, ze verspreidden niet zo veel informatie of hun informatie werd niet gelezen. De Volksunie verspreidde naast goede informatie, ook tendentieuze of eenzijdige berichten. De bedienden en ingenieurs vergrootten de verwarring.

1.3.2. De chronologie van de mijnstaking.

1.3.2.0. De eigenlijke staking greep plaats tussen 27 januari en 8 februari 1966. Het was dus geen langdurige staking.

1.3.2.1. De staking kan ingedeeld worden in een aantal periodes met duidelijke breekpunten. (30)

De eerste periode was een voorspel : van 22.12.1965 tot 23.1.1966. Deze periode ving aan bij de officiële aankondiging van de sluiting van de mijn van Zwartberg. (31) De pers reageerde. De mijnwerkers reageerden ook; op 23 december werd te Zwartberg en te Hasselt betoogd en ontstonden relletjes; op 26 december en 15 januari werden betogingen met autokaravaan georganiseerd door het "Aktiekomitee der Mijnstreek" ; op 21 januari protesteerden mijnwerkers te Hasselt, waar zich incidenten voordeden; op 22 januari greep een rustige betoging, ingericht door de Vlaamse Volksbeweging (33), plaats te Genk.

De "vooraanstaanden" reageerden eveneens d.m.v. verklaringen en moties : gouverneur Roppe, directeur van de mijn van Waterschei Vesters, directeur van de mijn te Zwartberg Renotte, bisschop Van Zuylen, Volksunie­partijbestuur, Koninklijke Vlaamse Ingenieursvereni­ging, ACV-Limburg-voorzitter Cox, ABVV-Limburg-voorzitter Husson, ministers, .... Er grepen verschillende vergaderingen op hoger niveau plaats. Onder de mijnwerkers heerste een sfeer van algemene verontwaardiging, woede, opstandigheid. 

De twee periode was de periode van de oververhitting: van 23.1.1966 tot 27.1.1966. Zondag, 23 januari was de strijddag van het ACV te Hengelhoef. Het ACV was tegen de sluiting en dreigde met een staking, indien één mijnwerker zou afgedankt worden. (34)

De derde periode was de eigenlijke staking : van 27.1.1966 tot 31.1.1966.

Woensdag, 26 januari werden 165 bedienden en 29 ingenieurs in vooropzeg geplaatst; donderdag, 27 januari kregen 160 mijnwerkers hun ontslagbrief. De mijnwerkers waren woedend, verscheurden de ontslagbrieven, gingen spontaan in staking en 1.040 mijnwerkers-ondergronders bezetten de mijn. Op die manier begon de morgenpost de staking, de eerste bedrijfsbezetting in de sociale geschiedenis van Limburg.

Vrijdag, 28 januari worden de bezetters na een klein incident door 900 andere mijnwerkers afgelost. De vakbonden trachten het conflict op te lossen of "de staking te breken", zoals de mijnwerkers het uitdrukten. De syndicale afgevaardigden erkenden tamelijk vlug de staking en betaalden de stakingsgelden uit, alhoewel de vakbonden de staking niet onder controle zouden krijgen. De vakbonden onderhandelden over een herklasseringsakkoord. De mijnwerkers kozen echter een onafhankelijk "Goodwill-Komitee", (36) dat samen met de vakbonden zou onderhandelen tijdens de staking.

Ondertussen hadden woelige gebeurtenissen plaats in en rond de mijnstreek. De plaatselijke bevolking en vooral de vrouwen en kinderen van de mijnwerkers namen aan de manifestaties deel. Op 29 januari gingen de. stakers, waarvan velen vergezeld van vrouw en kinderen, naar Hasselt een geldomhaling doen; het kwam tot ernstige incidenten tussen rijkswachters en mijnwerkers. Op 30 januari ontstaan er bij een "Vlaamse" betoging, waaronder eveneens vrouwen en kinderen, ernstige incidenten te Hoevezavel en Zwartberg. Op maandag, 31 januari vertrokken ongeveer 1.000 mijnwerkers te Zwartberg om de solidariteit van de mijnwerkers van Winterslag en Waterschei af te dwingen. Hierbij deden zich de ernstigste incidenten voor : de rijkswacht schoot verscheidene mensen neer;  twee stierven onmiddellijk (37).

De vierde periode was de epiloog : van 1.2.1966 tot 8.2.1966. Op 1 februari

- ontving de koning twee mijnwerkers, één dokter, één priester en één middenstander, die de vorst vroegen
zijn invloed aan te wenden om de rijkswachtinterventies in de mijnstreek stop te zetten,
- vervingen paracommando's de rijkswacht op gevaarlijke punten,
- moesten een 3.000 a 4.000 Waalse mijnwerkers, die hun collega's kwamen vervoegen in de strijd, tegen gehouden worden, 
- deden Gouverneur Roppe en Mgr. Heuschen oproepen tot bezinning,
- hadden incidenten plaats te Winterslag,
- betoogden studenten en scholieren te Hasselt en te Leuven,
- werd een protocolakkoord i.v.m. de herklassering van afgedankte mijnwerkers afgesloten, dat de volgende
dag goedgekeurd werd.

Op 2 februari betoogden studenten te Leuven en te Gent. De mijnen van Winterslag en Zwartberg lagen nog stil. Op 3 februari, "de zwarte donderdag", werden de slachtoffers begraven. Er waren manifestaties te Winterslag, Mol en Gent. Toen, bij een betoging te Hasselt, studenten de rijkswachtkazerne aanvielen, kwam het tot ernstige incidenten, waarbij gewonden vielen. De volgende dagen was het rustig aan de mijnen. Onder druk van de omstandigheden aanvaardden de mijnwerkers het akkoord en de volgende maandag, 7 februari, was er een gedeeltelijke werkherneming te Zwartberg. 

Op 8 februari was de staking gedaan. 

Op 10 februari trad de regering af.

 

1.3.3. Enkele kenmerken van de mijnstaking. (38)

1.3.3.0. De staking brak spontaan uit en werd na enkele dagen door de vakbonden erkend. De staking werd niet door een organisatie georganiseerd of geleid. Er heerste zelfs een tamelijk anti-syndicalistische stemming. Tijdens de V.V.B.-betoging van zondag, 22 januari zongen de betogers op het wijsjes van "Broeder Jaoob":

"Syndicaatje, syndicaatje,
Slaapt gij nog                   (2 x)
Hoor de klokken luiden        (2 x)
Bim bam bom"                   (2 x)

De Volksunie en de Vlaamse Volksbeweging, en later het Goodwill-Komitee wakkerden deze anti-syndicale stemming aan. De V.U. en V.V.B, steunden de stakers (39) doch verwierven nooit de daadwerkelijke leiding. Het democratisch verkozen Goodwill-Komitee, dat bestond uit twee bedienden, twee ondergronders en twee bovengronders was de enige min of meer representatieve mijnwerkersorganisatie. Maar dit komitee werd opgericht tijdens de staking om te onderhandelen in naam van de mijnwerkers, omdat de syndicaten volgens de stakers geen harde houding aannamen aan de ronde tafel. Ook het Goodwill-Komitee leidde in feite de staking niet.

De stakers lieten zich dus niet leiden door traditionele organisaties, doch richten zelf in de staking een komitee op, dat dan de leiding nog niet geheel kon afdwingen. 

1.3.3.1. Konservatieve partijen, zoals de P.V.V. en de V.U. steunden de staking en wisten enige invloed te verkrijgen. (40)

Alle middelen werden gebruikt om die invloed te verkrijgen : zo stopte de P.V.V. bijvoorbeeld propaganda­materiaal in de voedselpaketten, die aan de bezetters in de mijn werden bezorgd.

1.3.3.2. Studenten en scholieren betuigden hun solidariteit met de stakende mijnwerkers. Meestal deden zij dit d.m.v. eigen betogingen en akties. Er waren echter ook studenten, die te Zwartberg aktief waren tussen de stakers.

Sommige studenten, uiteraard een kleine minderheid, doorliepen in Zwartberg hun eerste leerschool tussen de mijnwerkers. In 1970 zouden ze terugkomen. 

1.3.3.3. De staking ging gepaard met een bezetting van de steenkoolmijn. Bij de aanvang der staking begon de .. bezetting. Een bedrijfsbezetting was een enig feit in Limburg, anno 1966. 

1.3.3.4. De mijnstaking was niet algemeen in het Kempens bekken. De mijnwerkers van de mijn van Zwartberg staakten allemaal. Alhoewel aanvankelijk in de mijnen van Waterschei en Winterslag een woelig klimaat heerste, bleven de mijnwerkers werken. (41) Nadat de Zwartbergse mijnwerkers op 31 januari de solidariteit gingen vragen aan de andere Genkse mijnwerkers, was de volgende dag de staking volledig te Winterslag en gedeeltelijk te Waterschei.

Na de begrafenis van de gesneuvelde mijnwerkers hernamen de niet-Zwartbergse mijnwerkers het werk.

De mijnwerkers van Beringen, Zolder en Eisden stonden buiten de staking. In de Zuiderbekkens waren solidariteitsbewegingen. De harde repressie en de houding van de vakbondsleiding waren factoren, die het loskomen van de solidariteit remden.

1.3.3.5. De bedienden en ingenieurs speelden een opmerkelijk belangrijke rol in de staking.

1.3.3.6. De plaatselijke bevolking, overwegend middenstanders en mijnwerkers, nam aktief deel aan de akties van de Zwartbergse mijnwerkers. De middenstanders voorzagen bijvoorbeeld de bezetters van voedsel. Ze namen ook deel aan straatakties. Ook de kinderen speelden een aanzienlijke rol in de straatakties. Zo werden op 22 januari de doodsklokken van de Kerk van Zwartberg geluid, een betoging met schoolkinderen in mijnwerkersuniform vertrok. De tweede stakingsdag, 28 januari, kwamen schoolkinderen onder leiding van een priester aan de mijningang bidden voor de mijnwerkers.

1.3.3.7. De regering oefende perscensuur uit tijdens de staking. Sommige BRT radio- en TV-uitzendingen werden verboden. We geven de opvallendste voorbeelden. De TV-enquête "Mijnalarm" van M. De Wilde werd verboden. Nadat De Wilde publiek protesteerde, werd de uitzending in gewijzigde versie een maand na de staking uitgezonden.

Toen, op 31 januari, de rijkswacht verscheidene mensen neergeschoten had, deelde men in de BRT-nieuwsberichten van 19 uur alleen de dood van Jan Latos mee.

Bij de begrafenis op 3 februari werd de uitzending van een reportage over de mijnstreek in het radioprogramma "Aktueel" verboden.

1.3.3.8. Het uiterst harde optreden van de rijkswacht kenmerkte de mijnstaking. We geven enkele feiten ter illustratie.

Op 29 januari wilden de stakers een geldomhaling en voedselinzameling doen te Hasselt. CVP-burgemeester Meyers weigerde hiervoor een toelating te geven. De mijnwerkers kwamen met hun vrouw en kinderen naar Hasselt. Zij werden op de kanaalbrug te Hasselt opgewacht door rijkswachters. Deze hindernis schrikte de vastbesloten mijnwerkers niet af. Er ontstond een gevecht tussen mijnwerkers en rijkswachters rond 15 uur, dat duurde tot bijna 18 uur. De rijkswacht trad hard op en schoot traangasgranaten af om de mijnwerkers met hun vrouwen en kinderen te verjagen. Bij deze incidenten vielen enkele gekwetsten.

De volgende dag, zondag 30 januari, vertrok een verboden solidariteitsbetoging (ongeveer 400 deelnemers), ingericht door een tiental Vlaamsgezinde verenigigen, vanuit Genk naar Zwartberg. Na enkele kleinere schermutselingen in de Winterslagstraat en op Hoevezavel, kwam het op de spoorwegbrug (Weg naar Opglabbeek-M. Habetslaan) bij Hoevezavel tot een ernstige botsing tussen rijkswacht en betogers. Er werd hard gevochten : de rijkswachters schoten traangasgranaten af en spoten water, de manifestanten gooiden met stenen. Een rijkswachter gooide een traangasgranaat in een winkel, waarin zich kinderen bevonden. (42)

Twee kinderen werden geëntoxiceerd. Als gevolg van dit bruut optreden namen de woedende toeschouwers aan de gevechten deel. De mijnwerkers kwamen vanuit de richting van de mijn ter hulp. De rijkswacht zat klem en moest het onderspit delven. Enkele honderden manifestanten bereikten de mijn van Zwartberg, waar betogers en stakers doorheen het hek elkaar begroetten. Plotseling chargeerde de rijkswacht en schoot traangasgranaten af. Betogers en stakers verzetten zich hevig : de mijnwerkers gooiden met stenen en dakpannen, zaagden dennen af en twee afsluitingsmuren werden beschadigd.

Een tiental rijkswachters werden gewond. Toen het traangas via het ventilatiesysteem tot in de ondergrond van de mijn doordrong, waren de rijkswachters verplicht het schieten stop te zetten. Door bemiddeling van Volksunie-mandatarissen kon een bestand worden afgesloten. Na enige tijd staan er duizenden mensen voor de mijn. Het ACV had de bevolking opgeroepen voor een bijeenkomst, waar deze vakbond het akkoord wilde meedelen dat beide syndicaten bereikt hadden. Ook via de radio werd gemeld dat de vakbonden de mijnwerkers zouden aansporen maandag het werk te hervatten, zonder dat de mijnwerkerseis "geen mijnsluiting" was ingewilligd.

Onder de massa werd gefluisterd dat de vakbonden een akkoord aanvaard hadden, dat bepaalde dat de mijn op 1 oktober 1966 zou sluiten, maar dat de afdankingen één maand uitgesteld zouden worden. Dit gerucht werkte als olie op het vuur en gaf aanleiding tot nieuwe gevechten. De rijkswachters moesten  zich terugtrekken en er werden enkele   rijkswachtwagens in brand gestoken.

De volgende dag,  maandag 31 januari, riepen de vakbondsleiders op het werk te hervatten.  De mijnwerkers
gaven geen gevolg aan deze oproep. Integendeel, zij ondernamen harde akties : de spoorlijn Hasselt-Eisden
werd geblokkeerd d.m.v. stenen en het rioleringswater werd naar de spoorlijn afgevoerd, telefoon- en electriciteitsdraden werden doorgesneden.. De rijkswacht bezette de electriciteitskabines. Rond het middaguur vertrokken 500 à 1.000 stakers (43) naar de mijn  van Winterslag waar ze het werk wilden stilleggen. Hierbij kwam het  tot hevige lijf-aan-lijf-gevechten tussen stakers en rijkswachters, vóór de mijningang. De rijkswachters schoten met traangasgranaten en later met kogels op de stakers. Jef Heylen werd dodelijk getroffen. Enkele mijnwerkers wisten door te stoten tot op het grondgebied van de mijn van Winterslag, waar ze de transportband doorsneden en een electriciteitskabel doorzaagden. De rijkswacht bezette de mijn. Toen de veldslag voor de mijn beëindigd was, mocht een mijnwerkersdelegatie na afspraak met de rijkswachtoverste de mijn binnengaan om de solidariteit van hun collega's te vragen. De Zwartbergse en Winterslagse mijnwerkers besloten de mijn stil te leggen. De schietpartij had de meerderheid der mijnwerkers niet afgeschrikt en zij trokken verder naar de mijn van Waterschei. Onderweg moesten straatstenen, signalisatietekens, electriciteitspalen en bomen het ontgelden. De mijnwerkers versperden de mijningang met mijnhout. Op de mijn van Waterschei aan de machinekamers en electriciteitscentrale wachtte de rijkswacht te stakers op. Voor de mijningang werd afgesproken tussen stakers en rijkswachters dat een kleine delegatie mijnwerkers de mijn mocht betreden. De delegatie vroeg de mijnwerkers van Waterschei in staking te gaan, doch deze laatsten weigerden op dit voorstel in te gaan. De betogers besloten dan de mijn te bestormen. Een veldslag brak los. De rijkswachters, die aangevallen werden door de betogers, schoten met traangasgranaten. Toen het traangas opgebruikt was, kwam het tot lijf- aan-lijf-gevechten.

De rijkswachters, die duidelijk in de minderheid  waren, kregen versterking. Zij begonnen te schieten. (44)

Het kwam tot zeer chaotische gevechten, waarbij verschillende zwaargewonden vielen. Jan Latos werd door twee kogels getroffen en overleed in het ziekenhuis. Laat in de avond was er een grote menigte, waaronder vele niet-mijnwerkers, samengestroomd rond de plaats der incidenten. De sfeer was gespannen en de mensen waren woedend, maar zij lieten niet duidelijk blijken. Zonder enige directe aanleiding chargeerde de rijkswacht en zij schoot met traangasgranaten en kogels. Onder de gewonde viel één dode : Valere Sclep werd vermoord.

De doden en "zeer zwaargewonde" (45) slachtoffers van 31 januari waren :

- Een rijkswachter, schedelbreuk veroorzaakt door een slag met een stuk hout op het hoofd.
- Mevr. Blommaerts-Souvereyns, huisvrouw, Watersehei, schotwonde aan het hoofd met schedelbreuk als gevolg (was in verwachting),
- Yigit Hulusi, mijnwerker, Zwartberg, schotwonde aan de knie,
- Arcila Antonio, Spaanse mijnwerker, schotwonde aan de linkerdij,
- Margarino Angel, Spaanse mijnwerker, Zwartberg, schotwonde aan de rechterbil,
- Wouters Frans, mijnwerker, Antwerpen, schotwonde in de onderbuik,
- Heylen Jozef, mijnwerker, Diest, schotwonde in de buik met blijvende verlamming als gevolg,
- Van Hecken Theo, mijnwerker, Wilrijk, schotwonde in de rug met verlamming van de onderste ledematen als onmiddellijk gevolg en de dood als later gevolg ( + 18.5.1973),
- Latos Jan, Hongaars mijnwerker, Winterslag, schotwonden  in  rug en buik veroorzaakt door twee kogels, die op korte afstand werden afgevuurd, met de dood als gevolg,
- Sclep Valère, bediende te  Hasselt, Waterschei, wonde aan het  hoofd  veroorzaakt  door een traangasgranaat met de dood als gevolg.

1.3 .4. Het herklasseringsakkoord.

De mijnwerkers waren er niet in geslaagd de sluiting van de mijn te beletten. Het voornaamste, direct en louter materieel resultaat van de staking was het herklasseringsakkoord van 1 februari. We geven achtereenvolgens een korte schets van de toestand vóór de staking, een niet-aanvaard akkoord tijdens de staking en het definitieve akkoord.

1.3.4.0. Het Kolendirectorium had een bepaald plan opgemaakt i.v.m. bet verloop van de afdankingen. Er werden weinig concrete maatregelen voorzien voor reconversie (46) en herklassering van de afgedankte mijnwerkers. De regering vertrouwde voornamelijk op "het dynamisme van de arbeidsmarkt". Dit optimistisch standpunt was zogezegd gebaseerd op historische gegevens : op een totaal van 40.000 mijnwerkers, die sinds 1958 afgedankt werden, waren er eind 1965 nog slechts 552 werkloos en 758 genoten nog E.G.K.S.-hulp. (47) 

Hierbij vergaten de verantwoordelijken van de steenkoolnijverheid  echter dat deze afdankingen gebeurden in Wallonië,  waar de algemene sociaal-economische, demografische toestand  fundamenteel verschilde van de toestand in Limburg.

Het  probleem was aanvankelijk het volgende :  4.212 mensen moesten afgedankt worden, waarvan 3.193 onder­
grondse mijnwerkers,  794 bovengrondse mijnwerkers, 189 bedienden  en 36  ingenieurs (48). Er werd bij de afdankingen een onderscheid gemaakt tussen drie categoriën : mijnwerkers, bedienden, ingenieurs, waarbij de laatste  twee groepen bevoordeligd werden.

De bediende zouden een vooropzeg krijgen, waarvan de duur tussen de drie maanden en de drie jaar zou bedragen (49) De ingenieurs zouden, een vooropzeg genieten van minstens één jaar en maximum drie jaar. (50) De mijnwerkers zouden onmiddellijk ontslagen worden, volgens volgend door het Kolendirectorium opgesteld schema: (51)

Van de 5.987 mijnwerkers zouden ongeveer een 3.200-tal arbeiders werkelijk moeten geherklasseerd worden. Als gevolg van de normale personeelsafloop, pensionering en de veiligheids- en ontmantelingswerken zouden ongeveer 800 mijnwerkers niet voor de herklassering in aanmerking komen.

De mijnen van Winterslag, Waterschei en Eisden zouden in 1966 en 1967 ongeveer 2.500 mijnwerkers per jaar aanwerven. Deze mijnen zouden geen gastarbeiders aanwerven zolang de ondergrondse mijnwerkers van Zwartberg niet geherklasseerd waren. Tevens benadrukten de verantwoordelijken de aanwezigheid van Ford Werke A.G. en Allegeny-Longdoz in het Genkse. (52) 

We merken echter op dat de meerderheid der mijnwerkers niet voldeed aan de kwaliteitseisen, die de Limburgse nijverheid op de arbeidsmarkt stelde. Vele mijnwerkers waren niet gezond of gehandicapt, niet geschoold en hadden een kritieke leeftijd bereikt. Ford-Genk recruteerde bijvoorbeeld geen arbeiders die ouder waren dan 35 jaar (53), de gemidelde leeftijd van de Belgische ondergronders in de mijn van Zwartberg was 38 jaar, die van de bovengronders bedroeg 43 jaar. (54)

De afgedankte arbeiders zouden een aanpassingsvergoeding ontvangen :  de mijnwerkers, die werkloos zouden worden, zouden gedurende de eerste vier maanden 100% van hun loon ontvangen, gedurende de volgende vier maanden 80% en de laatse vier maanden 60%; de mijnwerkers die zouden kunnen tewerkgesteld worden zouden gedurende één jaar 100% van hun maandloon ontvangen. (55)

1.3.4.1. Tijdens de staking werd op hoog niveau een herklasseringsakkoord bedongen. Op 30 januari besloten de regering, de werkgeversorganisatie en de werknemersorganisaties volgende maatregelen te nemen :(56)

1. De afdankingen van werknemers met een vooropzeg van één jaar of minder zouden met één maand uitgesteld worden. Dit was de belangrijkste maatregel van het akkoord. Het feit dat er vóór 1 maart 1966 geen afdankingen zouden plaatshebben was van doorslaggevende aard opdat de vakbonden hun akkoord betuigden.
2. De reeds getroffen afdankingen zouden ingetrokken worden. De betrokken arbeiders zouden kunnen herplaatst worden op aanvraag van de andere mijnen. 
3. Een twaalftal minder belangrijke, elementaire sociale waarborgen zouden gegeven worden : het personeel, dat in mijnhuizen woonde, mocht nog één jaar na de afdankingen in het huis verblijven; mindervaliden werden zo lang mogelijk in dienst gehouden; ...

De mijn zou alleszins gesloten worden per 1 oktober 1966. De mijnwerkers verwierpen resoluut dit akkoord. Ziehier de eisen, die de mijnwerkers, bij monde van het Goodwill-Komitee, stelden op 31 januari : geen sluiting, geen afdankingen voor de eerstvolgende drie jaar, intrekking van de gegeven vooropzeggen, herklasseringswaarborg voor alle arbeiders, geen inmenging van de vakbonden. (57)

1.3.4.2. Op 1 februari, daags na de tragische gebeurtenissen, nam de Gewestelijke Adviesraad voor het Kempens Bekken een protocolakkoord aan, dat later door alle par tijen zou aanvaard worden. Dit akkoord bepaalde dat: (58)

1. De sluitingsdatum van de steenkoolmijn van Zwartberg zou vastgesteld worden in functie van de herplaatsingsmogelijkheden voor het personeel,
2. De herplaatsingsmodaliteiten zouden onmiddellijk onderzocht en de herplaatsingen zouden onmiddellijk uitgevoerd worden,
3. De steenkoolproductie zou verminderd worden in functie van de personeelsvermindering, 
4. Bedienden van kaderpersoneel zou tewerkgesteld blijven zolang de mijnexploitatie zou voortduren. 

Dit akkoord had nationale draagwijdte. De vakbonden beweren dat zij dit gunstig akkoord bedongen, de V.Z.L. beweert dat het Goodwill-Komitee dit akkoord afsloot.(59)

In theorie bleek dit een tamelijk gunstige overeenkomst te zijn, doch volgens verscheidene getuigenissen werd dit akkoord in de praktijk slecht toegepast en veroorzaakte het veel menselijk leed.

  

Noten

(1) De zogenaamde anti-syndicalisten, zoals Volksunie en Vriendenkring Zwartberg Limburg, vinden dit een verkeerde weergave van de feiten. Hun standpunt is het volgende. Het Kolendirectorium, waarin vakbondsafgevaardigden zitting hebben, maakte 15 maanden vóór de regeringsmededeling een studie, waaruit bleek dat de steenkoolmijn van Zwartberg moest gesloten worden. De syndicaten brachten de mijnwerkers hiervan niet op de hoogte. Voornoemde partij en komitee vermelden dit feit in hun pamfletten en teksten vóór, tijdens en na de staking. Vooral ACV-er Fraeters werd op de korrel genomen.
(Voor Vriendenkring Zwartberg Limburg, zie hoofdstuk 4).
(2) De toenmalige regering (27.7-1965-11-2.1966) was een CVP-BSP-regering met Eerste Minister Harmel, Minister van Binnenlandse Zaken Vranckx, Minister van Justitie Wigny, Minister van Arbeid en Tewerkstelling Servais, Minister van Economische Zaken Pierson.
(3) SPITAELS G., LAMBERT S., "L'année sociale 1966", Brussel, 1967, p. 167-168
VAN OVERSTRAETEN T., "Dossier Limburg. De grote staking", West-pocket nr. 8,?, 1970 , p.
Witboek van de Volksunie over Zwartberg p.17
(4) SPITAELS G., LAMBERT S., a.w., p. 168
WEEKBLAD VAN DE CHRISTELIJKE ARBEIDERSBEWEGING, "Volksmacht", 1/1/1966, p.6
(5) MINISTERIE VAN ECONOMISCHE ZAKEN-ADMINISTRATIE VAN HET MIJNWEZEN, "Statistieken", Brussel, 1966.
(6) WEEKBLAD VAN DE CHRISTELIJKE ARBEIDERSBEWEGING, "Volksmacht", 1/1/1966, p.6.
(7) Interview Slegers G.. Slegers was voorzitter van het Permanent Komitee in de staking van 1970, V.U.-lid, A.C.V.-gesyndiceerde. Zie hiervoor hoofdstukken 3 en '4.
(8)   SPITAELS G., LAMBERT S., a.w. p. 179
Spitaels vertegenwoordigt het sociaal-democratisch standpunt.
(9)   WEEKBLAD VAN DE CHRISTELIJKE ARBEIDERSBEWEGING, "Volksmacht", 1/1/1966, p.11.
(10) De gemiddelde exploitatieverliezen van de Kempische mijnen: 1963 = 8 BF/ton, 1964 = 39 BF/ton, 1965 = 73 BF/ton.
(11) Exploitatieverliezen begin 1966 : Luik = 101 BF/ton, Borinage = 206 BF/ton, Centrum = 353 BF/ton en Kempen = 49 BF/ton.
VAN OVERSTRAETEN T., a.w-, p. 28
(12)  SPITAELS G., LAMBERT S., a.w., p 178
(12*) In 1965 werd nog voor 50 miljoen BF geïnvesteerd in de mijn van Zwartberg.
(13) SPITAELS G., LAMBERT S., a.w. p. 178-179
(14) SPITAELS G., LAMBERT S-, a.w. p. 179
(15) SPITAELS G., LAMBERT S., a.w. p. 181-182
WEEKBLAD VAN DE CHRISTELIJKE ARBEIDERSBEWEGING, "Volksmacht", 1/1/1966, p.11
(16)  SPITAELS G., LAMBERT S., a.w., p. 182
(17) Het is wettelijk verplicht deze instantie te raadplegen bij dergelijke beslissingen.
(18) Witboek van de Volksunie over Zwartberg, p. 17
SPITAELS G., LAMBERT S., a.w-, p. 187
(19) Zie TV-reportages "Mijnalarm", gerealiseerd in januari 1966 en geprogrammeerd in maart 1966 met TV-journalist
M. De Wilde.
(20) SPITAELS G., LAMBERT S., a.w., p 195
(21) Dit is volgens de V.Z.L. het motief geweest om de mijn Zwartberg te sluiten. De overheid zou op geringe weer­
stand stoten.
(22) Interview met Dylst D.
(23) Interview met Dylst D., Slegers G. en ACV-er.
SPITAELS G., LAMBERT S., a-w., p 187
(24) SPITAELS G., LAMBERT S., a.w., p. 188
(25) Interview met Dylst D.
(26) Zie onder 1.3.3.10.
(27) Interviews met drie mijnwerkers.
(28) SPITAELS G., LAMBERT S., a.w., p 186
(29) SPITAELS G., LAMBERT S., a.w., P 189
(30) De bespreking is gebaseerd op gegevens uit :
VAN OVERSTRAETEN T., a.w., p. 34-51
SPITAELS G., LAMBERT S., a.w.; p. 169-177
BELANG VAN LIMBURG, 1/12/1965 tot 1/3/966, 17-i8/1/1976
Witboek van de Volksunie over Zwartberg, p. 17-29
Interne documentatie A.C.V.
(31) Ook vóór de officiële aankondiging van de mijnsluiting, waren er naar aanleiding van het uitlekken van dit nieuws enkele straatacties van de Limburgse mijnwerkers geweest.
(33) De VVB is een vlaamsnationalistische vereniging, die ijvert voor de ontvoogding van het Vlaamse volk. In Limburg wordt de VVB meer dan in andere provincies gedomineerd door de VU.  In principe is de VVB aan geen enkele partij gebonden.
(34) M. Cox verklaarde op de ACV-militantenstrijddag in Zaal Familia: " Deze week één vooropzeg en dan zit het erop. Iedereen weet wat dat betekent".
(35) VAN OVERSTRAETEN T., a.w., p. 40
(36) Zie hoofdstuk 4.
(37) Voor deze drie incidentrijke dagen: zie 1.3.3.7.
(38) Zie (30)
WEEKBLAD VAN DE CHRISTELIJKE ARBEIDERSBEWEGING,   "Volksmacht", 1966 nrs.1,2,3,5,6,7,9,10,11,14
(39) Bepaalde politieke partijen trekken de oprechtheid van deze steun in twijfel. In dit deel van de thesis onderzoeken we de mogelijke motivatie van de Vlaams-nationalisten niet. We gaan verder in op de houding van de V.U. in hoofdstuk 3.
(40) In hoofdstuk 3 gaan we nader in op de houding van V.U. en P.V.V.
(41) Vóór de 23ste december deden onder de mijnwerkers de geruchten de ronde dat de mijn van Zwartberg in 1966 zou sluiten en dat de mijnen van Winterslag en Waterschei spoedig hetzelfde lot zouden ondergaan, respectievelijk in 1970 en 1972. Dit verklaart het woelig klimaat in deze mijnen.
(42) De rijkswacht beweerde dat een betoger de traangasgranaat in de winkel gooide. Dit bleek achteraf echter een weinig geloofswaardige verklaring te zijn.
(43) Het aantal manifestanten werd op 500 geraamd door de regeringspartijen en syndicaten, V.U. en V.Z.L. menen dat hun aantal veel hoger lag : ongeveer 1.000 stakers.
(44) Volgens Het Belang van Limburg, 17-18/1/1976 zouden de rijkswachters toen een honderdtal patronen afgevuurd hebben.
(45) Onder "zeer zwaargewonden" verstaan we  zwaargewonden, die practisch onherstelbaar  zijn of overlijden ten gevolge van de kwetsuren. Het aantal zwaargewonden en licht gekwetsten was eveneens zeer groot, zowel aan de kant van de mijnwerkers als aan de kant van de rijkswachters, maar we hebben geen juiste cijfers hieromtrent.
(46) Eerste Minister Harmel maakte op 22 december 1965 bekend dat er een reconversieplan opgesteld werd : Limburg kreeg
(47) SPITAELS G., LAMBERT S., a.w., p. 168-169,192
(48) Personeelsbestand per 1.1.1966 (Annalen van het Mijnwezen, 1966).
(49) 3 maand-1 jaar :  15 bedienden
      1 jaar-2 jaar :     120 bedienden
      2 jaar-3 jaar :       52 bedienden
(50) SPITAELS G., LAMBEET S., a.w., p. 184
(51) SPITAELS G., LAMBERT S., a.w.,?
(52) SPITAELS G., LAMBERT S., a.w., p. 183-184
(53) SPITAELS G., LAMBERT S., a.w. p. 183
(54) Berekening aan de hand van statistieken van het Mijnwezen.
(55) SPITAELS G., LAMBERT S., a.w., P.
(56) SPITAELS G., LAMBERT S., a.w., p. 170-1?2
Witboek van de Volksunie over Zwartberg, p. 25
BELANG VAN LIMBURG, 31/1/1966, p.1
(57) SPITAELS G., LAMBERT S., a.w., p 173
Interview met Dylst D.
(58) SPITAELS G., LAMBERT S. , a.w., p. 174-175,192-196
Witboek van de Volksunie over Zwartberg, p.28
BELANG VAN LIMBURG, 2/2/1966, p.1, 17-18/1/1976, p.23
(59)  Interview met Dylst D.

 

1.4. De oprichting van de "N.V. Kempense Steenkoolmijnen" te Houthalen.

1.4.0.  In 1962 dus onmiddellijk na de oprichting van het Kolendirectorium, gaf de regering (Minister van Economische Zaken Spinoy A.) (1) opdracht aan dit nieuw organisme de modaliteiten van een mogelijke fusie van de Kempische mijnen te onderzoeken. (2)

Uit dit onderzoek bleek onder andere dat een samensmelting volgende voordelen zou bieden :

- op technisch-financieel gebied : daling van de algemene kosten door een harmonisering van het beheer, betere oplossing van bijzondere vraagstukken en introductie van bepaalde technische verbeteringen (vb. ventilatie in sommige mijnen), coördinatie van de productieprogramma's, standaardisatie van het materieel, 
- op commercieel gebied : een gecoördineerde verkooppolitiek en het gemeenschappelijk opstellen van en controle op jaarlijkse verkoopprogramma's, vooral van cokeskolen,
- op sociaal gebied : gemakkelijkere oplossing van omschakelings- en verplaatsingsproblemen bij het personeel.

De voordelen komen voornamelijk neer op uniformisatie en coördinatie en zijn geenszins spectaculair te noemen. Zal de samenstelling de exploitatieverliezen kunnen omzetten in winsten?

Het rapport betoogde verder dat de overheid de exploitatieverliezen en een deel van de afschrijvingen volledig moest dekken en in ruil daarvoor zou de gefusioneerde vennootschap de saneringspolitiek (productieverminderingen en eventuele sluitingen) van de staat inzake de steenkoolsector moeten volgen. (3)

Het rapport van het Kolendirectorium stelde volgende oplossing voor : samensmelting van alle Kempische steenkoolmijnen, behalve de mijn van Houthalen, met alle activa en passiva; sluiting van de steenkoolmijn van Houthalen en verzekering aan de te fusioneren mijnen van een maximale productie en afzet door afzetcontracten met de voornaamste verbruikers, de ijzer- en staalindustrie. (4)

Aan de hand van deze studie heeft het Directorium besprekingen, gevoerd met verschillende partijen, o.a. de regering, de stichtende vennootschappen en andere privé- en rijksinstellingen. (5) De beheerders van de oorspronkelijke vijf Kempische steenkoolmijnen verwierpen het voorstel echter resoluut.

Toen de toestand in het Kempens bekken bleef verslechten, formuleerden de financiele groepen die de Kempische steenkoolmijnen kontroleerden, een voorstel. (6) Twee CVP-BSP-regeringen wilden niet ingaan op dit voorstel waaraan ondertussen beperkte wijzigingen werden aangebracht, doch niettemin zeer voordelig bleef voor de controlerende financiële groepen, zoals we verder zullen zien.

Eind 1966 begon de derde regering  (7)  (het M.C.E.S.C.) te onderhandelen met de Vertegenwoordigers van de verschillende Kempische mijnen en bepaalde leden van het Directorium; en begin 1967 werd een beginselakkoord bereikt. (8)

1.4.1. Op 18 september 1967 werd het fusie-akkoord door de betrokken partijen ondertekend (zie Belgisch Staatsblad van 14 november 1967). De "N.V. Kempische Steenkoolmijnen" (afgekort K.S.) werd op 29 december 1967, met terugwerkende kracht tot op 1 janbuari 1967, opgericht. (9)

1.4.2. De vraag die ons hier voornamelijk interesseert is : wat bepaalde de overeenkomst van september 1967? Onder welke voorwaarden kwam de N.V. Kempische Steenkoolmijnen tot stand? Een vluchtige schets leert ons voldoende over de inhoud en het karakter van de overeenkomst.

De door de regering aanvaarde formule bevatte volgende onderrichtingen : (10)

1.4.2.0. Er wordt een nieuwe naamloze vennootschap opgericht, die een deel der activa en passiva van de vijf Kempische steenkoolmionondernemingen - N.V. André Dumont, N.V. Kolenmijnen van Beringen, N.V. Kolenmijnen van Helchteren-Zolder-Houthalen, N.V. Limburg-Maas en S.A. Métallurgie d'Espérance-Longdoze afdeling Kolenmijnen van Winterslag - verkrijgt.

1.4.2.1. Op grond van de inventarissen per 31.12.1966 worden enkel die activa en passiva ingebracht, die nauw verband houden met de exploitatie, zoals de concessies, de industriële goederen, de voorraden, zekere schuldvorderingen, enz.. Dit waren de verliesposten. Alles wat nog winst kon opleveren werd buiten de fusie gehouden : de stichtende vennootschappen blijven de eigenaars van de gronden, huizen, kerken, hospitalen, scholen, sporttereinen en van de winstgevende electriciteitscentrale Carbo-Tertre. Sobel-gaz, Maatschappij voor Goedkope Woningen.... . We merken op dat de nijverheidsgronden, die een typisch industrieel bezit vormen, eigendom bleven van de stichtende vennootschappen, die deze gronden in huur geven aan de N.V.K.S..

De ingebrachte activa en passiva werden door een commissie, samengesteld uit ambtenaren van het Ministerie van Financiën, het Ministerie van Economische Zaken en het Kolendirectorium, in juli-augustus 1967 geschat op een globaal forfaitair bedrag van liquidatiewaarde van 1.381,2 miljoen BF. Deze som werd door de staat gewaarborgd en de staat verbond zich dit bedrag aan de voortbestaande of stichtende vennootschappen terug te betalen vanaf de sluiting van de zetels van de K.S. of alleszins vanaf -1975 en vóór 1983. Indien de opbrengst bij de reeële liquidatie van de ingebrachte waarden de 1 381,2 miljoen BF niet bereikt zou worden, dan moet de staat het ontbrekende aanvullen. Indien de 1.381,2 miljoen BF echter overschreden wordt, dan ontvangt de staat slechts 10% van de meerwaarde.

De stichtende vennootschappen verbonden zich 50% van de alzo verkregen gelden in Limburg te investeren en bij middel hiervan actief mee te helpen bij de reconversie (d.i. de officiële reden waarom deze vennootschappen de nijverheidsgronden mochten behouden). (11) Bij een eventuele sluiting van de mijnen moet de staat alle verliezen en schulden dekken, alle vroeger aangegane verbintenissen t.o.v. derden nakomen en alle financiële lasten en leningen dragen.

1.4.2.2. De niet ingebrachte activa en passiva werden niet geschat.

1.4.2.3. Na betaling van de 1.381,2 miljoen BF door de staat, blijven (90%) der aandelen van de N.V. Kempische Steenkoolmijnen in handen van de stichtende vennootschappen, 10% der aandelen behoren toe aan de staat. De staat moet daarom een concessie inbrengen, waaraan de waarde van 10% van het kapitaal werd toegekend. 

De stichtende vennootschappen brengen hun kapitaal bij de oprichting van de N.V. Kempische Steenkoolmijnen in, de staat brengt de concessie in bij Koninklijk Besluit van 19 december 1969 (zie Belgisch Staatsblad van 4 maart 1970. p. 2085).

Het totale aandelenkapitaal van de N.V.K.S. bedroeg 2.250 miljoen BF, waarbij nog 150 miljoen BF staatskapitaal kwam. Het kapitaal van 2.250 miljoen BF omvatte 1.500 miljoen BF eigenlijk aandelenkapitaal en 750 miljoen BF onbeschikbare reserve. Het aandelenkapitaal was vertegenwoordigd door 150.000 aandelen zonder aanduiding van nominale waarde.

De detailverdeling vertoonde volgend beeld :(12)  

per 1.1.1367

N.V. A. Dumont

220.290.000 BF

N.V. Kolenmijnen van Beringen    

325.170.000 BF

N.V. Kolenmijnen van Helchteren-Zolder-Houthalen

461.150.000 BF

N.V. Limburg-Maas

266.400.000 BF

S.A. Espérance-Longdoz

226.970.000 BF

Diverse (o-a. N.V. COBKACO, L'auxiliaire Technique et Comptable S.G.)

20.000 BF

 

1.500.000.000 BF

per 19.12.1969 

Belgische Staat

150.000.000 B F

 

1.650.000.000 BF

De staat had een duidelijke minderheidsparticipatie, de vroegere controlerende financiële.groepen (Société Générale, Coppee, BRUFINA) hebben hun dominante positie behouden.

Laten we nog even ingaan op de toestand van en de krachtsverhoudingen in de stichtende vennootschappen.

De bijdragen in het maatschappelijk kapitaal van de N.V.K.S. bij haar stichting op 29 december 1967 waren als volgt verdeeld : 50,7% van NV Kolenmijnen vas Helchteren-Zolder-Houthalen; 21,7% van NV Kolenmijnen van Beringen; 17,8% van de NV Limburg-Maas; 15,1% van SA Espérance-Longdoz, die in juni 1970 opgeslorpt werd door SA Cockerill-Ougrée-Providence; 14,7% van SA André Dumont.

Van de 396.551 aandelen van de NV Kolenmijnen van Helchteren-Zolder-Houthalen waren er 137.469 in handen van ARBED, 76.386 van BRUFINA, 66.330 van Cockerill-Ougrée-Providence, 36.076 van groep de Launoit, 30.356 van Société Générale; 26.114 van Société de Recherche et Exploitation Elen-Asch (portefeuillemaatschappij van Société Générale), 15.000 van SA André Dumont en 8.820 van diversen (Buitengewone Algemene Vergadering der Aandeelhouders, 11.12. 1967). Bij de liquidatie op 18.5.1973 waren de aandelen als volgt verdeeld : 163.969 ARBED, 67.130 Cockerill-Ougrée-Providence, 58.320 Compagnie Bruxelles Lambert pour la finance et 1'industrie - d.i. een maatschappij, die ontstaan is uit een fusie van 2 holdings van de groep Lambert (CONFINTER en Compagnie Lambert pour 1'industrie et la finance) en 2 holdings van de groep de Launoit (BRUFINA en COFININDUS), 36.311 van Societé Générale en 1.634 van diversen.

De holdings Société Générale en de Launoit hadden dus een overwicht.

De  NV Limburg-Maas had   '263.880  aandelen, als volgt verdeeld : 88.306  van L'Abeille (Parijs), 61.679  van L'Union Bancaire et Industrielle (Parijs), 60.000 van BRUFINA, 12.000 van de Posson et Cie, 11.050 van Evence Coppée et Cie,   9.593  van de Pont-à-Mousson  (Nancy), 21.252 van diversen  (Buitengewone Algemene Vergadering der Aandeelhouders, 11.12.1967). De Franse groepen L'Abeille  en  de  Pont-à-Mousson en de Belgische groepen Coppée en de Launoit hebben dus een overwegende invloed. Op 21.8.1972 werd de maatschappij geliquideerd.

SA Andrè Dumont had 109.533 aandelen : 40.000 van Société Générale, 20.000 van Cockerill-Ougrée-Providence, 70.000 van Société de Recherche et d'Exploi-tation Elen-Asch, 70.000 van Mutuelle Solvay, 5.000 van Charbonnages de Monceau-Fontaine, 3.500 van Verzekeringen Belgische Boerenbond en 14.033 van diversen (Buitengewone Algemene Vergadering der Aandeelhouders, 19.12.1967). Deze maatschappij werd gedomineerd door de Société Générale. De liquidatie gebeurde op 1 mei 1973.

De NV Kolenmijnen van Beringen had 171.791 aandelen : 89.340 van de Pont-à-Mousson (Nancy), 30.000 van SAPTEC, 22.350 van Société Générale, 11.730 van de Nederlandse Handel en Industrie Maatschappij, 11.027 van Compagnie des Forges et Aciéries de la Marine en 6.944 van diversen. (Buitengewone Algemene Vergadering der Aandeelhouders, 14.5.1968). (13*)

Over de SA Espérance-Longdoz is deze informatie niet beschikbaar.

1.4.2.4. Dit punt hangt nauw samen met het vorige.

De staat mocht drie beheerders. waarvan één lid was van het Kolendirectorium aanduiden in de Raad van Beheer van de N.V. Kempische Steenkoolmijnen, waarvan ook één vertegenwoordiger van de provincie Limburg lid werd.

Bovendien duidde de overheid twee regeringscommissarissen in de nieuwe vennootschap aan. (13)

Als we het lijstje van de vijftien beheerders overlopen, dan merken we de grote macht van de financiële groepen en de geringe vertegenwoordiging van overheidswege op. De situatie aan de top van de Raad van Beheer zag er vóór 1970 als volgt uit: Voorzitter van de Raad van Beheer was Jaumet R. (Société Générale), Ondervoorzitter was Dubois L. (Coppèe), de Afgevaardigde Beheerders waren Defourny M. (BRUFINA), en Duvieusart (BRUFINA). (14)

1.4.2.5. De staat dekt het exploitatieverlies en een deel van de afschrijvingen (12,5 BF/ton). (15)

1.4.3. Tenslotte willen we nog een laatste vraag, die elke lezer zich zal stellen, beantwoorden. Heeft de fusie van de vijf steenkoolmijnen in het Kempens Bekken en de overheidssteun aan de nieuwe N.V. Kempische Steenkoolmijnen geleid tot een verbetering van de financiële resultaten? 

Na  één jaar werking werden de exploitatieresultaten van 1968 gepubliceerd.

De kostprijs per  ton  steenkool  verhoogde van 791,53 BF/ ton tot  812,25 BF/Ton  en het  exploitatieverlies vergrootte met 124,1 miljoen BF. Doch "rekeninghoudend met een vermindering van de financiële lasten  (-10 miljoen BF) en van een vermindering van de opbrengst der nevenbedrijven  (- 39 miljoen BF) is  tenslotte het globaal verlies met 153 miljoen BF gestegen en bereikt 208,78 BF/ton tegenover 182,90 BF/ton in 1967". (16)

1.4.4. Bij  wijze van besluit kunnen we zeggen dat de fusie der kempische  steenkoolmijnen gebeurde onder zeer gunstige voorwaarden voor de stichtende vennootschappen. Moest dit nog niet duidelijk genoeg bewezen zijn, dan kunnen we dit nog illustreren aan de hand van de beursnoteringen van onmiddellijk voor de fusie en van februari 1970 (d.i. een zeer slecht ogenblik midden in de mijnstaking): de aandelen van S.A. André Dumont stegen van 175 BF naar 640 BF, deze van N.V. Kolenmijnen van Beringen van 200 BF naar 1250 BF, deze van N.V. Kolenmijnen van Helchteren-Zolder-Houthalen van 150 BF naar 245 BF, deze van N.V. Limburg-Maas van 130 BF naar 670 BF. (17)

Sommige politieke partijen zoals de BSP, de KPB en de VU spreken dan ook over het "schandaal van de fusie",  "Deze schandelijke operatie is mogelijk geweest doordat het economisch leven in het land buiten de controle valt van de arbeidersorganisaties. ... In het parlement werd een meerderheid gevonden die dit schandeakkoord  hebben goedgekeurd."(18)

"De fusie was een regelrecht schandaal. ... Het werd voor hen  een  zeer voordelige transactie naar het geijkte systeem   'de winsten voor ons en de verliezen voor de gemeenschap'. ... zo zijn en blijven de staal- en kolenbazen de werkelijke meesters van het spel. Het zijn  zij, het is deze haute finance die de kaarten uitdeelt". (19)

Wij vinden deze kritiek gerechtvaardigd. Nochtans "verheugt" het Kolendirectorium "er zich over, deze kiese aangelegenheid tot een goed einde te hebben kunnen voeren; de verrichting heeft trouwens reeds weerklank gevonden in de andere bekkens - die zich in principe van dat voorbeeld zouden willen inspireren - zelfs over 's lands grenzen heen."  (20)  Het Kolendirectorium sprak dan ook over "De Staat, bewaarder van het algemeen belang,..." (21 ).

Aan de hand van deze fusie zijn wij geneigd te spreken van de staat, als bewaarder van de belangen van de financiële groepen die de mijnen beheerden; tegen het algemeen belang in.

 

Noten

(1) Toen regeerde de CVP-BSP-regering Lefèvre-Spaak (25.4.1961 tot 24.5.1965) met Eerste Minister Lefèvre, Minister van Economische Zaken Spinoy, Minister van Sociale Zaken Leburton en Minister van Arbeid en Tewerkstelling Servais.
(2)Interne documentatie Volksunie
(3) Interne documentatie N.V. Kempische steenkoolmijnen
DIRECTORIUM VOOR DE STEENKOOLNIJVERHEID, "Verslag 1967", Brussel, 1968, p. 94-95
(4) Interne documentatie Volksunie.
(5) DIRECTORIUM VOOR DE KOLENNIJVERHEID,  a.w.,  p.  93-94
(6) Interne documentatatie Volksunie.
Dit werd in de officiële publicaties van het Kolendirectorium niet vermeld.
(7) Toen regeerde de CVP-PVV-regering P. Vanden Boeynants-W. de Clercq  (19.3.1966 - 7-2.1968) met Eerste Minister Vanden Boeynants,  Vice-Eerste Minister en Minister van Begroting de Clerq,  Minister van Economische Zaken van Offelen en Minister van Financiën Henrion.
(8) We merken op dat het voorstel niet werd voorgelegd aan het Directorium.
(9) DIRECTORIUM VOOR DE KOLENNIJVERHEID,   a.w.,  p. 94-95
(10)  Interne documentatie A.C.V.
Interne documentatie V.U.
Interne documentatie N.V.K.S.
DIRECTORIUM VOOR DE KOLENNIJVERHEID, a.w., p. 94-96
(11) Reeds in 1970 bleek dat de stichtende vennootschappen aanzienlijke delen van hun activa hadden verkocht, o.a. huizen terreinen en het UKEC-portefeuille (electrische centrale Waterschei). Ze hadden eveneens dividenden uitgekeerd, doch ze weigerde een deel van de door verkopen verworven gelden te herinvesteren. De weinige verplichtingen, die de stichtende vennootschappen aangingen in 1967, werden niet eens nagekomen; straffeloos.
(12) Op 29 mei 1970  fusioneerde N.V.  Kolenmijnen van Beringen met S.A. Compagnie Générale des Conduites d'Eau, op 29 juni 1970 fusioneerde S.A. Espérance-Longdoz  (Winterslag)  met S.A. Cockerill-Ougrée-Providence, op 18 december 1975  fusioneerde N.V. COBRACO met N.V. Brussel-Lambert Maatschappij voor Financiën  en Nijverheid.
(13*) "Le Bassin de Campine", CHISP, Courrier Hebdomadaire n° 720, p. 25-29.
(13) Interne documentatie Volksunie.
Interne documentatie A.C.V.
(14) Interne  documentatie A.C.V.
VAN OVERSTRAETEN T.,   a.w.,   p.
(15) Interne documentatie N.V. Kempische Steenkoolmijnen.
(16) DIRECTORIUM VOOR DE KOLENNIJVERHEID,  "Verslag 1968", Brussel, 1969,P.91 
(17) DE CONINCK A., "Mijnstaking Limburg 1970", Brochure van de K.P.B.,  Brussel,   1970,  p.
(18) DE CONINCK A., a.w.,  p. 17
(19) VAN OVERSTRAETEN T., a.w.,   p. 60-62.
(20) DIRECTORIUM VOOR DE KOLENNIJVERHEID, "Verslag 1967", Brussel, 1968, p. 98
(21) DIRECTORIÜM VOOH DE KOLENNIJVESHEID, "Verslag 1967", Brussel, 1968, P. 94.

 

2. De voornaamste oorzaken

"Voor een tijdje kan je alle mensen belazeren, 
sommige mensen kan je altijd belazeren, 
maar je kan niet alle mensen altijd belazeren."
Lincoln A.

(Vrije vertaling)

2.0. Enkele voorafgaande bemerkingen.

2.0.0. Waarom staakten de mijnwerkers?  Dit is de vraag, die we in dit hoofdstuk trachten te beantwoorden. We maken een onderscheid tussen de oorzaken en de onmiddelijke aanleiding, alhoewel beide elementen de arbeiders aangezet hebben tot staken. De oorzaken slaan meer op een algemene toestand en een algemene sfeer, die in de Limburgse mijnwerkersmiddens heersten enkele jaren voor de staking; daar waar de aanleiding betrekking heeft op feiten die zich onmiddelijk voor de staking voordeden. We kunnen dit best vergelijken met de klassieke "laatste druppels die het vat doen overlopen": reeds enkele jaren druppelde het water in het vat; de enkele druppels, die tijdens de maand vóór de staking vielen, deden het vat overlopen.

De aanleiding wordt in het volgend hoofdstuk besproken, omdat we menen dat deze feiten rechtstreeks en onmiddellijk in verband staan met het feitelijk begin van de staking.

2.0.1. Bij de opsporing en het onderzoek van de voornaamste oorzaken maken we een onderscheid tussen objectieve- en subjectieve factoren.  D.w.z. dat we de werkelijke .toestanden onderzoeken en dat we nagaan wat de mijnwerkers denken.  De mijnwerkers kunnen een vaag beeld gehad hebben van de werkelijke toestand, zij kunnen ook een juist inzicht, gehad hebben in de situatie. In dit verband speelt onder andere de informatie, die de mijnwerkers ontvingen tijdans de jaren voor de staking, een grote rol. Wij menen dat de objectief vaststelbare sociaal-economische factoren ten grondslag liggen aan de subjectieve factoren.

Wij bestuderen beide soorten factoren afzonderlijk, alhoewel er een verband bestaat.  De mijnwerkers ervaarden deze oorzaken immers ook als één geheel vóór de staking.  De subjectieve factoren zijn in het kader van deze thesis belangrijker dan de objectieve factoren.

2.0.2. De algemene situatie in de kolennijverheid en de oorzaken.

Er bestaat een duidelijk verband tussen de algemene situatie in de kolennijverheid, zoals we die geschetst hebben in het eerste hoofdstuk, en de voornaamste oorzaken van de staking.  Bij de aanvang van het eerste hoofdstuk stelden we immers dat een inzicht in bepaalde problemen van de Kempische steenkoolnijverheid onontbeerlijk was opdat men de mijnstaking van 1970 zou begrijpen.

De algemene situatie vormt de specifieke basis van de oorzaken.

De kolennijverheid was een nijverheid in crisis; ze werd.afgebouwd.  Men kan verwachten dat zulk een nijverheid in verval volgende kenmerken heeft: werkonzekerheid bij de mijnwerkers wegens dreigende afdankingen en sluitingen, lage lonen, hoog werkritme om de productiviteit op te voeren, lage winsten of verliezen, afzetmoeilijkheden,... .  Deze kenmerken kunnen de oorzaken van een staking zijn.

De mijnstaking van 1966 – behandeld in het eerste hoofdstuk - was een uiterst belangrijke gebeurtenis in de sociale geschiedenis van de mijnwerkers en beïnvloedde de mijnstaking van 1970.

Bij de vraag naar de oorzaken van de staking vermeldden practisch alle bevoorrechte getuigen de staking van 1966. De getuigen, strekking Permanent Komitee, hechten aan deze staking meer belang dan de getuigen, strekking Mijnwerkersrnacht. We verklaren dit uit het feit dat de eersten directer en meer betrokken waren  met staking tegen de sluiting van de mijn van Zwartberg dan de laatsten.

Bij de herklassering van de afgedankte Zwartbergse mijnwerkers werden velen tewerkgesteld in de andere Limburgse mijnen. Deze arbeiders hadden onvergetelijke gebeurtenissen achter de rug en talrijke mijnwerkers hadden tamelijk revolutionaire denkbeelden. Zij hadden gedurende de vier jaar tussen 1966 en 1970 een nieuwe sfeer in de mijnen gebracht.  Vele Zwartbergse miinwerkers vertelden hun werkpakkers dat "de mijnbazen profiteerden van hun werk" en "je op straat gooien als beesten als ze je niet meer kunnen gebruiken", dat "de syndicaten de mijnwerkers verraden" hadden en ze vertelden over de brutaliteit van de rijkswacht. (1) Kortom, er werd een sfeer van ontevredenheid en opstandigheid gecreëerd door vele Zwartbergse mijnwerkers.

2.0.3. De voornaamste oorzaken  van de staking waren het loonniveau en -evolutie en de werkomstandigheden.

   

2.1. De loonevolutie en het loonniveau.

2.1.0. De belangrijkste, directe oorzaak van de staking houdt verband met het loon. We zullen dus ruime aandacht besteden aan deze paragraaf.

Wat bestuderen we?  Ten eerste, gaan we na hoe de mijnwerkerslonen evolueerden van 1960 tot 1969, in vergelijking met de lonen in andere industriën. Ten tweede, zullen we pogen het beeld weer te geven dat de Limburgse mijnwerkers hadden over hun lonen.

Me merken op dat we ethische beschouwingen omtrent het mijnwerkersloon niet in het onderzoek betrekken. We zullen slechts de werkelijke toestand bestuderen, vergelijkingen maken en, indien mogelijk, hieruit conclusies trekken.

We zouden de lezer vooraf willen waarschuwen. Het is zeer moeilijk, zoniet onmogelijk, een degelijke loonvergelijkende studie te maken; vooral omdat

- er zeer weinig informatie beschikbaar is en
- men vergelijkbare gegevens moet vergelijken.

De volle.betekenis van deze waarschuwing zal duidelijk worden als we de lonen in de steenkoolmijnen vergelijken met de lonen in andere nijverheidstakken.

2.1.1. De loonevolutie van 1960 tot 1969.

2.1.1.0. De evolutie van de Belgische mijnwerkerslonen.

De tabel in bijlage 6 geeft de evolutie van de Belgische mijnwerkersionen weer in absolute cijfers en in indexcijfers.  Voor de indexcijfers stellen we 1960 gelijk aan 100.

De gemiddelde bruto-uurlonen der bovengronders bedragen ongeveer twee derden van de lonen der ondergronders.

In de periode 1960-1968 steeg de index der bruto-uurlonen der ondergronders jaarlijks met gemiddeld 7,7%; de gemiddelde jaarlijkse stijging van de index der bruto-uurlonen der bovengronders bedroeg in die periode 6,9%.  Het verschil tussen de lonen der onder- en bovengronders nam dus toe in de tijd.  De loonsverhoging in 1968-1969 was relatief gezien tweemaal zo groot voor de bovengronders dan voor de ondergronders, waardoor het verschil verminderde. De mijnwerkerslonen zijn door sociale prograramaties

- in 1965 gestegen met 3,3% over een jaar,
- in 1966 gestegen met 3,0% over een jaar,
- in 1967 gestegen met 3,45% over een jaar,
- in 1968 gestegen met 3,3% over een jaar,
- in 1969 gestegen met 3,3% over een jaar. (2)

De schets van de evolutie, der gemiddelde bruto-uurlonen is niet veelzeggend, omdat we de evolutie te globaal (gemiddelde lonen, rijksgemiddelden) benaderen en niet in vergelijking met mijnwerkerslonen in andere gewesten of landen of in vergelijking met andere industrietakken.

Het begrip "gemiddeld bruto-uurloon" is bovendien een slechte parameter.  Er zijn 12 categoriën en drie leeftijdsgroepen in de lonen der ondergrondse mijnwerkers: I, II, III, IV, V, VI, VII, Vllbis, VIII, IX, IXbis, X, 20 jaar, 19 jaar, 18 jaar; waarbij categorie X de hoogste is.  Het loon van een ondergronder bedroeg per 1/8/1969 voor categorie X 72,7E F/u; voor categorie I 48,65 F/u en voor leeftijd 18 jaar 39,91 F/u; het gemiddeld bruto-uurloon bedroeg 76,02 F/u.  Er zijn zeven categoriën en zeven leeftijdsgroepen in de lonen der bovengrondse mijnwerkers: 0, I, II, III, Illbis, IV, ophaalmachinist, 20 jaar tot 14 jaar; waarbij ophaalmachinist de hoogste is.  Het loon van een bovengronder bedroeg per 1/8/1969 voor ophaalmachinist 47,81 F/u; voor categorie IV 43,89 F/u; voor 18 jaar 32,43 F/u; het gemiddeld bruto-uurloon bedroeg 53,99 P/u. (3)

De belangrijkste vraag is: hoeveel mijnwerkers ontvangen een loon van categorie I, categorie IV of categorie X?  Dat weten we niet.  M.a.w. we moeten de spreiding of de frequentieverdeling van de mijnwerkersionen kennen; en die kennen we niet. Een andere vraag is: welk beroep of welke functie hoort bij welke categorie?  Het is bijvoorbeeld mogelijk dat twee mijnwerkers identiek dezelfde functie uitoefenen, doch dat de één het loon van categorie III ontvangt in de mijn A. Dumont en dat de ander het loon van categorie IV ontvangt in de Charbonnages d'Argenteau. Hierover zijn eveneens geen gegevens beschikbaar.

Dit zijn enkele redenen waarom we het begrip "gemiddeld bruto-uurloon" met enige reserve moeten benaderen. We menen toch dat we erin geslaagd zijn een degelijk beeld op te hangen van de loonevolutie en het absoluut loonniveau der mijnwerkers.

Naast het uurloon ontvangen de mijnwerkers ook premies en voordelen in natura.  Laat ons even deze bijkomende bezoldigingsbestanddelen beschouwen. De voornaamste bezoldigingsbestanddelen buiten het loon zijn: de verstrekking van gratis kolen en de toekenning van minstens twee jaarpremies, nl. de eindejaarspremie en de vergoeding voor werkkledij. Voor 1961 was er geen eindejaarspremie. In 1962 werd de eindejaarspremie van 1961 uitgekeerd.  Hij bedroeg 3000 F .  Deze premie verhoogde geleidelijk. In maart 1968 werd de eindejaarspremie van 1967 uitgekeerd: 5.000 F .  De premie van 1968 en 1969 bedroeg 6000 F . (4)

De Nationale Gelengde Mijncommissie besloot op 4 juni 1965 een vergoeding voor werkkledij van 500 F toe  te  kennen. In  1967 werd deze  jaarlijkse premie op 1000 F  gebracht. In 1968 en 1969 werd eveneens 1000 F uitgekeerd. (5)

De verstrekking van kosteloze  steenkolen werd geregeld door de overeenkomsten van 15/4/1920 en 1/6/1961. De voordelen van gratis kolenverstrekking  zijn kleiner-dan de voordelen uit premies.(6)

2.1.1.1. De loonevolutie in België en andere EEG-landen.

De mijnwerkers meenden dat hun lonen veel te laag waren in vergelijking met het buitenland, voornamelijk in vergelijking met Duitsland. Ze hadden vernomen dat de mijnwerkerslonen in West-Duitland, eind 1969, gestegen waren met 14%. (7) De twee werknemerssyndicaten gebruikten dit feit ook als rechtvaardiging voor de looneis die ze later zouden stellen.  De tabel in bijlage 7 geeft een overzicht van de gemiddelde bruto-uurlonen van ondergrondse- en bovengrondse mijnwerkers in België, Duitsland en Frankrijk voor de periode 1963-1968.

We merken een duidelijk verschil tussen enerzijds het loonniveau in België en Duitsland en anderzijds de lonen in Frankrijk: de uurlonen in Frankrijk liggen 10 F à 15 F lager dan in België en Duitsland.

De loonstijgingen waren in België en Duitsland in 1966 en 1967 groter dan in Frankrijk.  Tijdens het tweede semester van 1968 werd een poging gedaan om het Franse uurloon op peil te brengen.  Het Belgisch uurloon steeg in de periode 1963-1958 sneller dan het Duitse: tot 1966 lag het Belgisch loon lager dan het Duitse, vanaf 1967 was het omgekeerde waar.  De Belgische mijnwerkerslonen hadden dus in 1968 een lichte voorsprong op de Duitse.  Eind 1969 werden de Duitse lonen echter met 14% verhoogd, d.w.z. tot 71,30 F/u. Deze loonsverhoging omvatte: 

- een aanpassing aan de indexstijging (sinds eind 1967): ongeveer 5%,
- een vooruitlopen op de toekomstige indexstijging,
- een reëele loonsverhoging.

Door indexaanpassingen waren de Belgische mijnwerkerslonen in de loop van 1969 eveneens gestegen en ze bedroegen in november 1969 ongeveer 70,15 F/u. De Duitse lonen hadden dus eind 1969 een kleine voorsprong.  Deze voorsprong was echter niet van zodanige aard dat de Belgische lonen eveneens met 14% dienden toe te nemen om op gelijk niveau met Duitsland te blijven. (8)

We dienen echter deze loonvergelijking te relativeren, omdat er talrijke ongekende factoren zijn, die het loonniveau bepalen. Met deze factoren hielden wij geen rekening. We sommen volgende onvolmaaktheden op:

a. We  gebruiken  het begrip "gemiddelde uurlonen". 
b. De   loonverschillen  kunnen  gebaseerd  zijn  op verschillen  in de  nationale welvaart.
c. De verschillen kunnen gebaseerd zijn op de omvang van de ondernemingen.
d. De verschillen kunnen gebaseerd zijn op productivi.teitsverschillen.               .               ...
e. De verschillen kunnen gebaseerd zijn op de aard of  soort der voortgebrachte  steenkolen.
f. De verschillen kunnen gebaseerd zijn op de vereiste scholingsgraad der mijnwerkers.

In de  logica van burgerlijke  economen spelen de laatste drie factoren een belangrijke rol en kunnen ze de  loonverschillen verrechtvaardigen.Deze factoren kunnen dus een verklaring voor de loonverschillen zijn.

2.1.1.2. De loonevolutie in het Kempens Bekken en de Zuiderbekkens.   

De Limburgse mijnwerkers meenden dat hun lonen lager waren dan de mijnwerkerslonen in de Zuiderbekkens. De Volksunie legde vanuit communautaire overwegingen de nadruk op deze loonverschlllen.

We beschouwen de loonevolutie in de Zuiderbekkens en de Kempen. De tabel in bijlage 3 geeft een overzicht van de evolutie der jaargemiddelden van de mijnwerkersionen in de Zuiderbekkens en de Kempen tijdens de periode 1952-1969. De gemiddelde brutolonen zijn uitgedrukt per dienst. (9) Er wordt een onderscheid gemaakt tussen kolenhouwers, ondergronders, bovengronders en ondergronders + bovengronders. .Naast de absolute cijfers hebben we de indexen berekend.

Welke conclusies kunnen we trekken uit de tabel?
 a. In de periode 1962-1969 lagen de gemiddelde bruto-lonen 
- der kolenhouwers in de Kempen lager dan in de Zuiderbekkens,
- der ondergronders in de Kempen lager dan in de Zuiderbekkens,
- der bovengronders in de Kempen hoger dan in de Zuiderbekkens,
- der onder- en bovengronders in de Kempen hoger dan in de Zuiderbekkens, behalve in 1962, 1963,
1964 en 1965.(10)

b. In de periode 1962-1969 stegen de gemiddelde bruto-uurlonen
- der kolenhouwers minder snel in de Kempen dan in de Zuiderbekkens,
- der ondergronders, bovengronders en onder- en bovengronders sneller in de Kempen dan in de Zui-
derbekkens.

c. Tussen 1962 en 1969 lagen de gemiddelde bruto-lonen
- der kolenhouwers en ondergronders in het Kempens bekken beneden het rijksgemiddelde,
- der bovengronders in het Kempens bekken boven het rijksgemiddelde.

d. Tussen 1962 en 1969 stegen de Kempense gemiddelde bruto-lonen
- der kolenhouwers minder snel dan het rijksgemiddelde,
- der overige categoriën sneller dan het rijksgemiddelde.

e. In 1968 lagen de gemiddelde bruto-lonen
- der kolenhouwers in het Zuiden 6,44% hoger dan in het Kempens bekken,
- der ondergronders in het Zuiden 0,09% hoger dan in het Kempisch bekken,
- der bovengronders in het Kempisch bekken 7,13% hoger dan in het Zuiden,
- der onder- en bovengronders in het Kempens bekken 3,14% hoger dan in het Zuiden.

In 1969 lagen de gemiddelde bruto-lonen
- der kolenhouwers in het Zuiden 11,17% hoger dan in het Kempisch bekken,
- der ondergronders in het. Zuiden 1,48% hoger dan in het Kempisch bekken,
- der bovengronders in de Kempen 7,41% hoger dan in het Zuiden,
- der onder- en bovengronders in de Kempen 2,19% hoger dan in het Zuiden.

f. Er zijn duidelijke loonverschillen tussen de drie Zuiderbekkens.  In het Bekken van Luik worden practisch over gans de beschouwde periode voor de vier categoriën hogere lonen uitgekeerd dan in de twee andere bekkens in het Zuiden. Dit heeft een groot effect op het totaal der Zuiderbekkens.  In het algemeen zijn de bruto-lonen in het Bekken van Charleroi lager dan in het Bekken van Luik, maar hoger dan in de Borinage-Centre, dat duidelijk achter staat t.o.v. het Luikse Bekken.

Het lijkt ons nuttig de lonen te vergelijken tussen het Kempisch Bekken enerzijds en Luik (het sterkste Zuiderbekken) en Borinage-Centre (het zwakste Zuiderbekken) anderzijds.

In de periode 1962-1969 lagen de gemiddelde bruto-lonen 
- der kolenhouwers hoger in Borinage-Centre dan in het Kempisch bekken,
- der ondergronders en bovengronders lager in de Borinage-Centre dan in het Kempisch bekken.

g. De jaarlijks gemiddelde bruto-lonen der bovengronders waren hoger in het Kempens bekken dan in de Zuider­bekkens en het Bekken van Luik.  De gemiddelde bruto-lonen der ondergronders waren lager in het Kempens bekken dan in de Zuiderbekkens en het Bekken van Luik.  Globaal beschouwd, haalt Luik de hoogste- en Borinage-Centre de laagste loonscore onder de vier Belgische steenkoolbekkens. Het Bekken van Charleroi en het Kempens Bekken nemen een tussenpositie in.

In deze loonvergelijking ztten, evenals in de vorige, enkele onvolmaaktheden:

a. We hanteren weer het begrip "gemiddeld loon".

b. De loonverschillen kunnen gebaseerd zijn op verschillen in de industriële structuur van een gewest. Luik is bijvoorbeeld een grote industriepool in vergelijking met het Genkse.

c. De loonverschillen kunnen gebaseerd zijn op de grootte der steenkoolmijnen. We vergelijken hier uitsluitend grote mijnen (Kempisch Bekken) met een groep relatief kleine en grote mijnen (Zuiderbekkens).

d. De verschillen kunnen gebaseerd zijn op productiviteitsverschillen. We vergelijken een kolenbekken met een hoog stijgend rendement (Kempen) met een bekken met een lager, dalend rendement (Zuiderbekkens) .

e. De verschillen kunnen gebaseerd zijn op de verschillen in kolensoort. We vergelijken mijnen met uitsluitend vette kolen (Limburg) met een aantal mijnen, die magere anthraciet en vette kolen produceren (Wallonië).

f. De loonverschillen kunnen gebaseerd zijn op verschillen in geschooldheid. We maakten geen onderscheid tussen geschoolde en ongeschoolde arbeiders, 

g. Tenslotte willen we opmerken dat bij vergelijkingen de lonen van kolenhouwers en onder- en bovengronders minder betekenisvol zijn dan de lonen van ondergronders en bovengronders.

2.1.1.3. De loonevolutie in de steenkoolnijverheid en een aantal andere nijverheldssectoren.

De Limburgse mijnwerkers waren ervan overtuigd dat hun lonen lager lagen dan in andere industriën en in de evolutie achter gebleven waren in vergelijking met de andere sectoren.  De mijnwerkers hadden sinds de tweede wereldoorlog geen noemenswaardige loonsverhoging gehad.  De idee dat de mijnwerkerslonen een achterstand hadden op de lonen van andere industrie-arbeiders leefde reeds .geruime tijd onder de Limburgse mijnwerkers.  Sommige bevoorrechte getuigen zeggen dat ze dat idee hadden sinds 1950, anderen gaan terug in de tijd tot 1960. Doch gedurende al die tijd beseften de mijnwerkers dat ze in een zeer zwakke sector tewerkgesteld waren en behoud van werk was voor hen een dringender kwestie dan loonsverhoging. Dit was vooral een standpunt dat zeer sterk leefde in de grote middengroep der mijnwerkers. De bevoorrechte getuigen van het Permanent Komitee en Mijnwerkersmacht gaven het standpunt der voorhoede-arbeiders weer:  de vakbondsleiders hadden de mijnwerkers 25 jaar lang verraden en er was gedurende die periode een anti-syndicale stemming aan het groeien in de Limburgse mijnen.  De CVM stelde eind 1969 in elk geval de 15%-looneis. Onder druk van de basis of op persoonlijk initiatief der vakbondsleiders? De grote massa der mijnwerkers stond volledig achter deze looneis.

Laten we nagaan of er een achterstand van de mijnwerkerslonen t.o.v. de andere arbeiderslonen bestond. Zo er een achterstand was, hoe groot was die dan in 1968-1969?

De tabel in bijlage 9 geeft een overzicht van de gemiddelde bruto-uurlonen in zes nijverheidssectoren gedurende de periode 1960-1969.  De absolute cijfers in BF geven de maandgemiddelden in oktober weer voor elk jaar.  Daarnaast werden indices berekend.

Om een zinvolle vergelijking te kunnen maken moeten we vergelijkbare lonen vergelijken.

De lonen der ondergrondse mijnwerkers zijn niet vergelijkbaar met om het even welke lonen, uitgekeerd in andere industriën. We hebben nu twee mogelijkheden.  Ten eerste, we vergelijken de lonen der ondergronders niet met andere lonen en laten ze buiten beschouwing.  Dan doen we geen uitspraak over het loonniveau.  D.i. de gemakkelijkste en misschien ook wel de beste oplossing.  Ten tweede, we maken toch een vergelijking, maar dan op een andere basis.  In een nota van de VU aan de regering wordt gesteld dat in het loon der ondergronders een gevaarpremie van 25% geïncorporeerd werd (d.i. eigen aan alle lonen in de extractieve n ijverheid).  Als we deze gevaarpremie aftrekken van het bruto-loon der ondergronders, dan bekomen we een herberekend loon, dat wel enigszins vergelijkbaar is met andere lonen. Dit is "a second best solution". We verkiezen de tweede oplossing.

Het herberekend gemiddeld bruto-uurloon (aftrek van gevaarpremie) bedroeg 
in oktober 1960 33,44 F ; in oktober 1961 34,71 F ;
in oktober 1962 38,01 F ; in oktober 1963 39,73 F
in oktober 1964 44,00 F ; in oktober 1965 46,67 F ;
in oktober 1966 49,89 F ; in oktober 1967 52,60 F ;
in oktober 1968 55,52 F ; in oktober 1969 57,64 F .

De gemiddelde bruto-uurlonen der onder- en bovengronders samen zijn niet vergelijkbaar met de andere lonen.  We laten deze lonen buiten beschouwing. De petroleumraffinaderijen zijn gekend om hun hoge lonen.  De scholingsgraad is hoger in de petroleumsector dan in de steenkoolnijverheid (bovengrond), het werk is echter zwaarder op de bovengrond der mijnen.  De vereiste scholingsgraad in de auto- en ijzer- en staalnijverheid is groter dan in de mijnen. Het werk in de ijzer- en staalnijverheid is minstens even zwaar dan op de bovengrond der mijnen. De cokesbedrijven en vooral de bouwnijverheid zijn typisch vergelijkbare sectoren.

Wat kunnen we besluiten uit de tabel in bijlage 9?

a. De lonen der bovengronders waren tussen 1960 en 1969 lager dan de lonen, uitgekeerd in de andere nijverheidssectoren.  In deze periode stegen de lonen ook nog minder snel dan in de bouwnijverheid en de petroleumraffinaderijen.

b. De herberekende lonen der ondergrondse mijnwerkers waren in de periode 1960-1969 lager dan de lonen uitgekeerd in de andere nijverheidssectoren. Een uitzondering hierop vormt de bouwnijverheid in 1960, 1961, 1962 en 1963.

In deze periode stegen de gemiddelde bruto-lonen ook minder snel dan in al de andere nijverheidssectoren.

Omwille van de bijzondere aard van het werk in de kolenmijnen zou men verwachten dat de mijnwerkerslonen toplonen zijn.  Het tegenovergesteld is waar: de mijnwerkerslonen, zowel van boven- als ondergronders, waren de laagsten en stegen het minst vlug in de periode 1960-1969.

c. In 1968 lagen de gemiddelde bruto-uurlonen der bovengrondse mijnwerkers 
- 69,11% beneden de gemiddelde lonen in de petrolemraffinaderijen,
- 40,41% beneden de gemiddelde lonen in de ijzer­ en staalindustrie,
- 27,63% beneden de gemiddelde lonen in de autonijverheid,
- 14,96% beneden de gemiddelde lonen in de bouwnijverheid.

In 1968 lagen de herberekende gemiddelde bruto-uurlonen der ondergrondse mijnwerkers
- 59,64% beneden de lonen in de petroleurciraffinaderijen,
- 32,55% beneden de lonen in de ijzer- en staalindustrie,
- 20,48% benden de lonen in de autonijverheid,
- 8,52% beneden de lonen in de bouwnijverheid.

d. In 1969 lagen de gemiddelde bruto-uurlonen der bovengronders
- 68,75% beneden de lonen in de petroleumraffinaderijen,
- 45,81% beneden    de lonen in de ijzer- en staalindustrie,
- 31,84% beneden    de lonen in de autonijverheid,
- 14,45% beneden    de lonen in de bouwnijverheid.

In 1969 lagen de  herberekende gemiddelde bruto-uurlonen der ondergronders
- 63,10% beneden de lonen in de petroleumraffinaderijen,
- 40,93% beneden de lonen in de i jzer- en staalindustrie,
- 37,43% beneden de lonen in de autonijverheid,
- 10,62% beneden de lonen in de bouwnijverheid.

Hieruit kunnen we besluiten dat de looneis van 15% op zijn minst verantwoord was.

Ook in deze loonvergelijking zitten een aantal onvolmaaktheden:

a. Evenals in voorgaande vergelijking zijn we genoodzaakt het begrip "gemiddelde lonen" te gebruiken, wegens gebrek aan degelijke gegevens. Een frequentieverdeling is niet gekend.

b. We hebben geen gegevens over een andere typisch zwakke nijverheidssector, zoals de textielnijverheid.

c. De loonverschillen kunnen gebaseerd zijn op de grootte der ondernemingen.

d. De loonverschillen kunnen gebaseerd zijn op verschillen in scholingsgraad.

2.1.2. Wat dachten de mijnwerkers over de loonevolutie?

Na de bestudering van de objectieve toestand volgt hier een korte beschrijving van de "subjectieve toestand", die minstens even belangrijk is.  Het is moeilijker de subjectieve denkbeelden van de mijnwerkers te onderkennen en weer te geven dan de objectieve toestanden.  We steunen ons op de interviews met bevoorrechte getuigen.

Uit de interviews met bevoorrechte getuigen van alle strekkingen blijkt dat de mijnwerkers sinds het begin der zestiger jaren een loonachterstand t.o.v. andere industrietakken aanvoelden. Ze hadden geen precies idee over deze achterstand.  De toenemende industrialisering van Limburg gedurende de jaren zestig vergemakkelijkte loonvergelijkingen.  In mijnwerkersmiddens werrd regelmatig gepraat ever de loonachter stand en over een eventuele staking. Het is pas in 1969 dat de mijnwerkers concrete eisen formuleren.  In het algemeen wordt de eis van 15%-loonsverhoging, die door de CVM gelanceerd werd, overgenomen. Onmiddellijk voor en tijdens de staking worden de arbeiders beter geïnformeerd, zodat ze hun concrete eis ook kunnen rechtvaardigen.

De mijnwerkers rechtvaardigden hun looneis onder meer met het feit dat de Duitse mijnwerkers een loonsverhoging van 14% gekregen hadden.  Onder 2.1.1.1. werd uiteengezet dat deze vergelijking niet helemaal opging. Vooral onder invloed van Vlaamsnationalisten werd onder de mijnwerkers de idee verspreid dat hun lonen een achterstand vertoonden t.o.v. de lonen in de Zuiderbekkens.  Uit 2.1.1.2. blijkt dat de gemiddelde bruto-lonen der bovengronders in de Kempen zelfs hoger lagen dan in het Zuiden.  Er is een gering voordeel voor het Zuiden m.b.t. de lonen der ondergronders en een uitgesproken voordeel voor de kolenhouwers. De algemene looneis van 15% kwam ongeveer overeen met de werkelijke loonachterstand, zoals blijkt uit bijlage 9 onder 2.1.1.3. De bouwnijverheid is volgens ons de best vergelijkbare sector met de steenkoolnijverheid. De lonen der bovengronders liggen 14,45% beneden de lonen uitgekeerd in de bouwnijverheid.  Als de mijnwerkerslonen werkelijk toplonen zouden moeten zijn, dan was de 15%-looneis een te lage eis.  De gemiddelde lonen in de ijzer- en staalnijverheld lagen 45,65% en de lonen in de petroleumraffinaderijen lagen 68,75% hoger dan de :nijnwerkerslonen.

 

Noten

(1) Interview met Slegers Gerard.
(2) RUBENS A., "Informatie en toelichting betreffende het sociaal conflict in de Ketnpische steenkoolmijnen", 1970, p. 3
(3) Document van het Ministerie van Arbeid en Tewerkstelling uit de interne documentatie van de VU.
(4) CVM,   "Bedrijvigheid van de Centrale  1968-1972",  p.  74-75
Officiële loonstudie van maart 1970,  p. 8
(5) CVM,   a.w.,   p.   145
(6) CVM,   a.w.,  p.   32-84
(7) In West-Duitsland werd inderdaad een loonsverhoging van 14% toegekend, in rekening te brengen tussen september 1969 en januari 1970.
(8)  Interne documentatie VU.
(9) Eén dienst is gelijk aan 8 uur voor de periode 1962- 1967. In 1968 en 1969 is één dienst ongeveer 8 uur, doch hier zijn variaties mogelijk.
(10) Het begrip "gemiddelde bruto-lonen der onder- en bovengronders" heeft geen practische betekenis, omdat deze lonen in werkelijkheid niet uitgekeerd worden. Dit begrip heeft slechts een minieme betekenis van theoretische aard.

   

2.2. De arbeidsomstandigheden.

2.2.0. De voornaamste oorzaken, die niets of weinig te maken hebben net de mijnwerkerslonen, worden onder dit deel van het tweede hoofdstuk behandeld. Onder arbeidsomstandigheden verstaan we de algemene situatie, waarin de arbeider werkt, leeft en denkt. Ook het loonniveau is een factor, die de algemene situatie van de mijnwerker beïnvloedt. De loonproblematiek werd echter afzonderlijk behandeld, omdat die problematiek de voornaamste, de meest directe oorzaak van de staking was en bijgevolg een uitgebreidere studie verdiende.

We zullen enkele oorzaken aangeven en bondig bespreken. We beogen geen grondige analyse van de oorzaken. Onder een eerste punt schetsen we het algemeen klimaat, dat onder de mijnwerkers heerste. Het klimaat werd op het einde der zestiger jaren vooral beheerst door de permanente werkonzekerheid, de houding van de vakbonden, de woelige periode van contestatie en stakingen tijdens de hoogconjunctuur, het probleem van de gastarbeiders en een groeiend bewustwordingsproces.

Onder het tweede punt bespreken we de werkvoorwaarden. Deze hebben direct betrekking op de arbeidssituatie en omvatten arbeidsongevallen, individuele afwezigheden, personeelsverloop. We planden een bespreking van individuele klachten van mijnwerkers bij de vakvakbonden onder deze paragraaf.  We hebben echter niet over de klachtendossiers kunnen beschikken. Op het ACV werd dit geweigerd, omwille van het vertrouwelijk en soms zeer persoonlijk karakter van deze klachten.  Bij het ABVV hebben we geen verzoek gedaan, omdat we onze kansen op succes hier nog geringer schatten.

2.2.1. Het algemeen klimaat. 

2.2.1.0. Werkonzekerheid.

De steenkoolnijverheid was een zwakke sector, waar mijnsluitingen, productieverminderingen, rationalisering en personeelsbesnoeing regel waren. Uit tabel 2 van hoofdstuk 1 blijkt dat de productie tussen 1950 en 1970 daalde van 27 320 000 ton tot 11 362 000 ton, het aantal ontginningszetels viel van 156 terug op 24 en het totaal aantal mijnwerkers daalde van 135 851 tot 37 396 eenheden.  Deze cijfers hebben echter betrekking op het rijk.  We zullen hier meer gedetailleerde gegevens m.b.t. het Kempens steenkoolbekken geven om de zwakke positie, van de kolennijverheid te illustreren. Deze gegevens werden samengevat in de tabellen van bijlage 10.

Uit de tabel met gegevens m.b.t. de gemiddelde productie per werkdag blijkt dat de toestand in het Kempens bekken bijlange niet zo kritiek was dan voor het rijk.  In 1966 lag het productiepei1 nog hoger dan in 1960. De productie in de Kempen daalde na 1966 vooral als gevolg van de mijnsluiting van Zwartberg. De sluiting van de mijn van Houthalen in 1964 had vrijwel geen invloed op de productiecijfers. We merken op dat de productie in de mijnen van Waterschei, Helchteren-Zolder-Houthalen en Winterslag in 1969 hoger lag dan in 1960.

Hoe vertaalde deze geringe productiedaling van 10,25% over 10 jaar zich in personeelsveranderingen? Hoe voelden de mijnwerkers deze daling aan? 

De tweede tabel in bijlage 10 toont de evolutie van het aantal gebezigde arbeiders tussen 1960 en 1968 (voor 1969 zijn deze gegevens niet beschikbaar).  Met de productiedaling van 10,25% ging een personeelsvermindering van 35,63% samen. Tijdens de periode 1960-1968 werden 9.196 mijnwerkers afgedankt. In alle mijnen werden grote besnoeingen doorgevoerd; de mijn van Waterschei werd het minst getroffen. Ook het Kempens bekken werd door mijnsluitingen getroffen, alhoewel in mindere mate dan de Zuiderbekkens. In 1964 werd de mijnzetel van Houthalen gesloten en de mijn werd samengevoegd met de mijn van Helchteren-Zolder. De operatie ging gepaard met rationalisaties en het personeelsbestand verminderde met een duizendtal eenheden. Bij de mijnsluiting van Zwartberg in 1966 waren een 3.000-tal arbeiders betrokken.  Begin 1967 werd de sluiting van de mijn van Eisden aangekondigd. Mede door de aktie en druk van het Waakzaamheidskomitee Maaskant en het Aktiekomltee Maasland in Nood (1) werd van deze sluiting afgezien. Eind 1969-begin 1970 hadden de Kaaslandse mijnwerkers nog geen vertrouwen in de situatie en wandelde het spook der mijnsluiting nog in hun geesten.  De mijnwerkers van de andere Kempense mijnen verwachtten geen sluiting van de mijn waarin ze werkten.

Resumerend menen we te kunnen zeggen dat er enerzijds een sfeer van betrekkelijke werkonzekerheid en anderzijds een situatie van relatieve werkzeker­heid heerste. In 1964 en 1966 werden twee Limburgse mijnen gesloten, waardoor ongeveer een 4.000-tal arbeidsplaatsen verloren gingen.  Verder werden nog meer dan 5.000 mijnwerkers werkloos als gevolg van rationalisaties en productievermindering.  De mijnwerkers van de Maaskant leefden onder de permanente dreiging van de mijnsluiting.  Ondertussen werden in de Zuiderbekkens en de buurlanden meerdere steenkoolmijnen gesloten.  Deze feiten verklaren de sfeer van relatieve werkonzekerheid. We nemen aan dat de mijnwerkers in deze situatie gemakkelijk prikkelbaar waren.

Toch moeten we ook de sfeer van betrekkelijke werkzekerheid niet uit het oog verliezen. Rond 1970 bevonden we ons in een periode van hoogconjunctuur, die de steenkoolnijverheid positief beïnvloedde. Het merendeel der mijnwerkers werd niet rechtstreeks geconfronteerd met sluitingen. Alhoewel de Limburgse arbeidsmarkt ongunstige tekenen vertoonde en een systematische aanpak van het plaatselijk reconversieprobleem nog op zich liet wachten, was de toestand van de Limburgse mijnwerkers zeker niet rampzalig te noemen.

De betrekkelijke werkzekerheid - die er toch was- schiep een vrij goede sfeer, waarin de mijnwerkers oog konden hebben voor de ongunstige karakteristieken van hun arbeidssituatie.  Hun strijdwll werd niet direct afgeremd door het gevoel van angst en onbehagen, dat er heerst bij een situatie van volledige werkonzekerheid.

2.2.1.1. Een periode gekenmerkt door een toename van werkstakingen.(2)  

Dit punt behandelen we aan de hand van de stakingsstatistieken, die weergegeven zijn in bijlage 11, 12 en 13.

Na de grote staking van 1960 kende België op het eind der zestiger jaren een aanzet tot een nieuwe stakingsgolf.

Na 1960 was het aantal stakingen fel gedaald in vergelijking met de periode vóór 1950, zoals blijkt uit de tabel in bijlage 12.  Dit wordt verklaard door de invoering van sociale programmatie-akkoorden, die stakingen a.h.w. overbodig maakten. Uit de tabel in bijlage 11 kunnen we volgende vaststellingen afleiden:

1. Beschouwen we de periode 1951-1959.  Sinds 1965 noteren we een duidelijke stijging van het aantal stakingen. Het aantal betrokken ondernemingen steeg eveneens sinds 1965 en groeide naar een piek in 1968 en 1969.  Vanaf 1966 daalt het aantal werkstakers. Het aantal conflicten stijgt dus en treft vooral kleinere ondernemingen. De stakingen duren gemiddeld langer dan een week. 

2. De stakingsgolf breekt definitief door in het begin van 1970. Alhoewel de cijfers slechts op de eerste zes maanden van 1970 slaan, ligt het aantal conflicten en het aantal betrokken ondernemingen reeds zeer hoog. De cijfers i.v.m. het aantal stakers en het aantal verloren arbeidsdagen breken alle records.  Hieruit blijkt dat 1970 een uitzonderlijk jaar was wat stakingen betreft. Zelfs als we de cijfers i.v.m. de Limburgse mijnstaking elimineren, dan blijven de gegevens nog ver uitstijgen boven datgene wat in de voorgaande jaren werd bereikt.

3. Het aantal stakingseisen rond "arbeidsduur" en "arbeid" - dit kunnen we catelogeren als eerder kwalitatieve eisen - wint aan belang. Deze vaststelling is alleen juist als het aantal daardoor veroorzaakte verloren arbeidsdagen een representatieve maatstaf is. Het is volgens ons daarenboven moeilijk na te gaan wat deze categoriën juist betekenen. 

Voor de tabel in bijlage 13, die de evolutie der werkstakingen in Limburg weergeeft, is de onregelmatigheid typerend.  We kunnen er geen duidelijke ontwikkelingslijn in onderkannen en het is bijgevolg moeilijk besluiten te trekken.  Eén conclusie is alvast dat er geen regelmaat in de evolutie zit. Het aantal ondernemingen, waarin gestaakt werd tijdens de beschouwde periode, ligt overwegend laag, met pieken in 1964, 1966 en vooral 1969. De stakingen waren meestal van korte duur.

We komen tot volgende globale vaststellingen. In 1968-1969 begon zich een stakingsbeweging te ontwikkelen in België, die toen Limburg nog niet bereikte. Deze sluimerende stakingsgolf zal begin 1970 wel in Limburg losbarsten.

Het belang van deze toename van het aantal stakingen in België op het einde van de jaren 60 mag niet onderschat worden. Stakingen werken soms aanstekelijk op arbeiders. We willen dit illustreren met enkele feiten. Het is bv. gekend dat de staking tegen de eenheidswet pas goed van de grond kwam na een nieuwsuitzending op TV. Bij de nieuwsberichten werden stakende arbeiders van enkele Waalse fabrieken getoond, die in betoging met spandoeken tegen de eenheidswet door de stad trokken. 's Anderendaags werd in vele fabrieken het werk neergelegd.  In hetzelfde opzicht is het eveneens illustrerend dat de PVV zich verzet tegen "overdreven aandacht voor" en beelden van sociale conflicten bij de nieuws­uitzendingen op TV.

Met deze toename van het aantal stakingen ging een groeiend bewustwordingsproces en een algemene sfeer van contestatie en oproer onder studenten en scholieren samen.  Sinds het einde van de tweede wereldoorlog is de studentenoproer nooit zo groot geweest. Dutschke en Cohn-Bendit zijn onvergetelijke namen uit die tijd. Indien zij geen direct gevaar voor het kapitalistisch systeem betekenden, dan stelden zij hun nationale regeringen toch wel voor grote moeilijkheden. Mei 1968 zal alleszins niet vergeten worden in deFranse geschiedenis.  Deze studentenbeweging streefde er doelbewust naar de arbeidersklasse aan haar kant te krijgen en schiep een prerevolutionair klimaat in sommige grote Europese landen. Extreem-linkse groeperingen - anarchisten, maoisten en trotskisten - jubelden. Op het einde der zestiger jaren herleefde de revolutie in West-Europa. En niet alleen in West-Europa, maar in gans de wereld. Vooral in de landen van de Derde Wereld was er grote beroering.  Zuid-oost-Azië en Zuid-Amerlka stonden op hun kop. De guerillabewegingen rezen als paddestoelen uit de grond en China en Cuba werden de lichtpunten van de revolutie en de volksoorlog. Het Amerikaans imperialisme werd danig in moeilijkheden gebracht: het werd niet alleen van buitenuit bestreden, de binnenlandse negerbevolking kwam ook in opstand.

De vurige speeches van Cohn-Bendit en de schoten van de Tupamaros werden eveneens in België gehoord. De strijd voor Leuven-Vlaams werd een strijd tegen Kerk en Kapitaal en de slogan "Walen buiten" werd door een groot deel van de studenten omgevormd tot "Bourgeoisie buiten".

De toename van de arbeidersstrijd viel min of meer samen met de beroering aan de universiteiten en scholen. In een sfeer van groeiende bewustwording rijpte de slogan "Studenten-arbeiders: één front".

2.2.1.2. Het probleem van de gastarbeiders.

In de steenkoolnijverheid zijn veel gastarbeiders tewerkgesteld. De hiernavolgende vaststellingen kunnen we afleiden uit de tabellen in bijlage 14 en 15.

Ongeveer de helft der mijnwerkers in België waren vreemdelingen; in 1964, 1965, 1966 en 1967 lag dit procentueel aandeel der vreemdelingen in het totaal zelfs lager dan 50%.  Het aantal gastarbeiders tewerkgesteld in de kolennijverheid steeg gestadig tussen 1962 en 1964; vanaf 1964 valt een vermindering van het aantal gastarbeiders te noteren, zowel in de Kempen als in het rijk.  Het procentueel aandeel der gastarbeiders in het totaal daalt eveneens na 1964 in de Kempen en het rijk.

Dit gebeurde als gevolg van het Belgisch immigratiebeleid.  In de mijnen van Beringen, Helchteren-Zolder en Houthalen werden relatief minder gastarbeiders tewerkgesteld dan in de andere Limburgse mijnen; vooral de mijn van Zwartberg en in mindere mate die van Winterslag en Eisden slorpten veel gastarbeiders op. In de ondergrond werkten overwegend meer gastarbeiders dan op de bovengrond. Ongeveer 25-30% der vreemde mijnwerkers in de Kempen zijn Italianen.  Hun procentueel aandeel verminderde tussen 1960 en 1970. Deze arbeiders leven sinds geruime tijd in België, zijn in hoge mate geïntegreerd en verlaten dan de mijnen om in andere nijverheidssectoren te gaan werken. Tamelijk veel arbeiders uit de Oostbloklanden, Rusland en Yoegoslavlë werkten in het Kempens kolenbekken. Vooral de Polen waren goed vertegenwoordigd. Ook arbeiders uit buurlanden (Nederland, Duitsland en Frankrijk) maakten deel uit van de mijnwerkers in het Kempens bekken (tesamen vormden ze tussen 5% en 10% der vreemde arbeiders in Limburg). Spanjaarden en Grieken vormden meer dan 10% der vreemdelingen.  Een grote, groeiende groep vormden de vreemdelingen van "andere nationaliteiten": op het einde der zestiger jaren behoorden 40% à 50% der gastarbeiders tot deze groep.  We veronderstellen dat vooral Turken en Marokkanen deel uitmaakten van deze categorie.(3)

"De positie van de gastarbeider wordt fundamenteel bepaald door tweeslachtigheid: hij is arbeider en relatief rechteloze vreemdeling." (5)

Door de ongelijkmatige economische ontwikkeling in de wereld migreren arbeiders vanuit arme streken of landen naar rijke landen. Deze migratie wordt ingegeven door economische motieven.

Daarmee hangt het socio-politiek en psychologisch motief van de "klassedoorbreking door migratie" nauw samen. Het is echter niet zo dat alleen de gastarbeiders motieven hebben om naar België te emigreren. De geïndustrialiseerde wereld heeft ook haar motieven om gastarbeiders aan te trekken.  De kapitalistische economie heeft een soort arbeidskracht nodig, die zeer mobiel is, die kan aangetrokken worden in een periode van hoogconjunctuur (om op de schaarse arbeidsmarkt de lonen te drukken) en kan afgestoten worden in een periode van laagconjunctuur.  Zulk een arbeidskracht is de gastarbeider.  De positie van de gastarbeider in zijn arbeidssituatie en zijn maatschappelijke situatie wordt bijgevolg beheerst door een practisch permanente onzekerheid van werk en verblijf.  Deze dreigende onzekerheid moet zich uiten in het gedrag en het handelen van de vreemdeling op het werk en in de maatschappij. Sociologisch gezien vormen deze vreemdelingen een niet-geïntegreerde groep in de maatschappij.  Zij komen uit een vreemd land met "hun" cultuur en levenswijze naar België. Hier vormen zij een sociologische minderheid, een groep marginalen. Hun taal, gewoonten, godsdienst en levenshouding is vreemd aan hun huidige leefgemeenschap. Zij hebhen een vreemdelingenstatus, die hen vaak tot minderwaardigen maakt.  De gastarbeider zou een gans integratieproces moeten doorlopen, dat over drie fasen verloopt: conflict-, accomodatie- en assimilatiefase. Doch hoevelen hebben zich practisch onherroepelijk vastgebeten in de conflict-of accomodatiefase?

Het vreemde cultuurpatroon brengt voor de gastarbeider moeilijkheden met zich mee in zijn leef- en werksituatie.  Zo kan een vreemde mijnwerker bv. niet promoveren als hij geen goede kennis heeft van de Nederlandse taal.

Ook zijn er grote verschillen tussen de gastarbeiders. De gastarbeiders uit de EEG-lidstaten hebben een grote verblijfszekerheid en hun cultuurpatroon verschilt niet zo erg van het onze. De vreemdelingen uit de Oosteuropese landen, die hier sinds de tweede wereldoorlog verblijven, zich vlot aanpassen en ook Europeanen zijn, zijn meestal vrij goed geïntegreerd.  De vreemdelingen uit niet-EEG-landen, vooral Turken en Marokkanen en in mindere mate Grieken en Spanjaarden, hebben een totaal verschillend cultuurpatroon en practisch geen verblijfs- en werkzekerheid.  Dit is een aanzienlijke groep binnen de vreemde mijnwerkers in Limburg.

De gastarbeiders staan dus in feite bloot aan een dubbele verdrukking, zowel in hun werk- als leefsfeer. Hun positie maakt hen bijgevolg bijzonder kwetsbaar en vaak opstandig.

2.2.1.3. De vakbonden.

Onder de vorige punten van 2.2.1. bespraken we de oorzaken van de staking.  Hier willen we zoeken naar een verklaring van de wilde staking.  We menen dat de verklaring moet gezocht worden in de houding van de vakbonden.  Volgens de vakbonden  zelf was de werking van "maoistische commando's" de oorzaak van de wilde staking.  Revolutionnaire groeperingen zouden elke mogelijke schermutseling uitbuiten on de massa's op te ruien tegen het kapitalisme. Deze uitleg dient volgens ons niet verworpen te worden. De maoisten geven het graag toe.  Hun doelstelling is de arbeidersstrijd los te werken, te activeren en naar de gewelddadige omverwerping van de kapitalistische staatsmacht te leiden, waarna de diktatuur van het proletariaat zal ingesteld worden.

Wij zien echter de aanwezigheid en agitatie van deze revolutionnaire organisaties niet als een oorzaak maar als een onmiddelijke aanleiding van de wilde staking. De oorzaak was de houding van de syndicaten. Deze houding - die we hieronder zullen bespreken - schiep wel een gunstige voedingsbodem voor de werking van de uiterst-linkse bewegingen.

Twee kenmerken waren bepalend voor de houding van de syndicaten tijdens de jaren vóór de staking; nl. de afstand tussen basis en leiding en de integratie van het syndicalisme m.b.t. de sociale programmaties.

Het feit dat er wilde stakingen ontstaan duidt in eerste instantie op het feit dat er een afstand of zelfs tegenstelling bestaat tussen de basis en de leiding van de syndicale organisaties.

Hoe is het mogelijk dat er in een organisatie dergelijke afstand groeide of was?  Om deze vraag te beantwoorden kunnen we verschillende hypothesen formuleren. 

1°. Er is een belangentegenstelling tussen de syndicale leiders en de arbeidersmassa aan de basis.

De syndicale leiders zijn geen arbeiders. Het zijn managers van de vakbond, die connecties hebben met spaarkassen, verzekeringsmaatschappijen, reisbureau's en zelfs holdings en privé-ondernemingen. Indien de leiders zelf geen kapitalisten zijn, dan hebben z.ij toch een burgerlijke levens- en denkwijze. De leiders van de arbeidersorganisaties zijn verburgelijkt en staan vreemd t.o.v. de arbeiders.  De klassentegenstelling tussen arbeiders en burgerij in de maatschappij weerspiegelt zich in alle maatschappelijke organisaties, zoals bv. de vakbonden. Lenin spreekt over de "arbeidersaristocratie": de vakbondsleiders zouden door de burgerij omgekocht zijn om de arbeidersbeweging en -strijd binnen de perken van het bestaande kapitalistisch systeem te houden.  De tegenstelling tussen basis en top in de vakbond zou dus een klassentegenstelling zijn. 

2°. De vakbonden zijn geïntegreerd in het maatschappelijk systeem. Door de technologische ontwikkeling worden de ondernemers en de overheid geconfronteerd met complexere sociale en economische problemen. Als gevolg van de grotere macht der arbeidersorganisaties, worden zij erkend als sociale partners en uitgenodigd om samen met de regering en de werkgeversorganisaties deze problemen op te lossen. De arbeidersbeweging nam belangrijke verantwoordelijkheden op met een politiek karakter i.v.m. economische programmatie en -ontwikkeling, de controle over verschillende sectoren (vb. steenkoolnijverheid, staalnijverheid, electriciteit). Syndicale leiders worden door het dragen van deze verantwoordelijkheden "notabelen" van de maatschappij. Bij alle belangrijke beslissingen worden zij geconsulteerd. Sommigen worden parlementair of minister, anderen zetelen in de beheerraden van grote parastatalen en overheidsinstellingen.  De vakbondsleiding is geïntegreerd in de strategische beslissingen. De complexiteit en de verscheidenheid van hun taken bemoeilijken de communicatie met de basis. En het gevaar wordt groot dat de leiders zich geleidelijk gaan afscheiden van de basis.

3°.De omvang van de vakbond is te groot geworden. Tengevolge van de groei van de syndicaten kwam een gigantisch, gecentraliseerd administratief apparaat tot stand. Dit veroorzaakte een afstand enerzijds tussen de leiders en de vrijgestelden en anderzijds tussen de leden en de werknemers. De syndicale functies en diensten werden gediversifieerd, de hiërarchische niveau 's uitgebreid en de controle gecentraliseerd. De nationale leiders beschikken over bestuursorganen en studiebureau's, financiën, technische hulpbronnen, publiciteits- en communicatiemiddelen. Dit maakt het mogelijk informatie door te geven aan de basis en dat is verdienstelijk. Zoals ook de vele diensten, die de vakbond verleent, verdienstelijk zijn. Zij zijn zelfs zo belangrijk dat de verhouding werknemer-vakbond veel gelijkenis vertoont met de relatie klant-verzekeringsmaatschappij.  Er gebeurt eveneens een ledenwerving d.m.v. syndicale premies, die via de CAO's-alleen aan gesyndiceerden toegekend worden. De leden zijn onverschillig.

Door de groei van de vakbond en de manier van ledenwerving groeide een afstand tussen basis en top. Dit zou nochtans grotendeels kunnen ondervangen worden door een organisatiereglement dat de democratie en het centralisme in de vakbond waarborgt. 

4°. Er zijn communicatiestoornissen tussen de basis en de top. De syndicale informatie gaat slechts in één richting, nl. van de top naar de basis. Via het vakbondsblad worden de verwezenlijkingen, waarschuwingen en oproepen van de leiding aan de basis overgemaakt.  In een democratisch georganiseerde arbeidersbeweging moet er ook een informatiestroom van de basis naar de top zijn.  Zoniet, bereikt de kritiek die de basis op de organisatie heeft, de leiding niet. Dit kan onder bepaalde omstandigheden leiden tot een scheuring tussen leiding en basis of tussen organisatie en leden.  Het gebrek aan participatie van de basis in het beleid en de strategie van de vakbond kan dus leiden tot wilde stakingen.

Anderzijds ondergaat de informatie, die de basis krijgt van de leiding, een toenemende concurrentie van de massamedia (TV, radio en pers). Op deze belangrijke informatiebronnen kan de vakbondsleiding slechts een gedeeltelijke en onrechtstreekse controle uitoefenen. De ' berichten', die de arbeiders ontvangen worden talrijker en zijn partijdig en onvolledig. Indien de vakbond een monopolie bezit van zijn eigen pers en er een plaats kan weigeren aan de oppositie, dan is dit niet het geval voor andere communicatiemiddelen. Zo staan de arbeiders kritischer tegenover de syndicale informatie en de vakbond.

Het tweede kenmerk, dat bepalend was voor de houding van de vakbonden tijdens de jaren voor de staking, was hun integratie in het planningsysteem van de bedrijven d.m.v. sociale programmaties

De technologische ontwikkeling leidde tot grotere rationaliseringen en investeringen.  Dit vereiste een kennis van de productiekosten inzake lonen, want hoe groter het kapitaalaandeel in de productiekosten wordt hoe zwaarder de kosten van een staking doorwegen.  Vermits de arbeiders een duurder productie-apparaat lam leggen moeten de ondernemers een geprogrammeerde kennis hebben van de eisen. De kapitalist kan echter vanwege de grote syndicale macht zijn loonkosten niet meer plannen door werknemers te vervangen volgens behoeften. Vandaar de noodzakelijkheid (vooral voor de ondernemers) van sociale progranmaties. De sociale programmatie-akkoorden in België zijn er gekomen naar aanleiding van de grote staking van 1960, toen bleek dat een apparte syndicale strijd een gevaarlijke bres kon slaan in het arbeidersfront. Door de programmaties op nationaal vlak kan elke vakorganisatie haar zwakke punten (zwakke sector, zwak gewest) verbergen en de centralisatie van de organisatie versterken.

Het systeem van de sociale programmaties, die op nationaal sectorieel vlak overeengekomen worden, houdt echter meerdere nadelen en gevaren in; in het bijzonder voor de arbeiders.

1°. Door de programmatie-akkoorden is het syndicalisme in zoverre geïntegreerd dat het een sociaal-economisch beleid moet helpen bepalen binnen het kader van het huidig maatschappelijk systeem. De sociale programmatie is een neerslag van de krachtsverhouding tussen patronaat en werknemers op een bepaald ogenblik.  De programmatie wordt aangegaan voor een bepaalde duur (1 of 2 jaar), alhoewel de krachtsverhouding ondertussen kan veranderen. Dit is het fundamenteel probleem bij de akkoorden.  Deze situatie kan aanleiding geven tot wilde stakingen. We merken op dat het programmatie-akkoord echter niet voor beide partijen onveranderlijk vastgesteld wordt voor een bepaalde duur.  Voor de werknemers is de situatie voor de duur van het akkoord omlijnd.  In de meeste gevallen - en dit blijkt uit de voorhande zijnde gegevens hieromtrent (6)  - heeft de werkgever intussen heel wat speelruimte om via rationalisaties veranderingen in de arbeidssituatie door te voeren. Er worden practisch steeds grote wijzigingen aangebracht in classificaties, productievolume, arbeidsritme en rendement.  Het is dan niet verwonderlijk dat sociale prograramaties door de arbeiders vaak als een éénrichtingsovereenkomst gezien worden.

2°. De sociale programmaties, die op nationaal vlak worden afgesloten, zijn onaangepast aan de groeiende verscheidenheid van de arbeidersbelangen. Door de technologische evolutie, die het kader en de inhoud van de arbeid diversifieerde, werden bijkomstige arbeidersbelangen versnipperd (de fundamentele belangen bleven hierdoor ongewijzigd). De nationale akkoorden hebben geen of weinig oog voor deze heterogeniteit en verstrakken de voorwaarden en regels van de syndicale actie.

3°. De beïnvloedingsplicht, die de vakbonden hebben, houdt grote gevaren in.  Omdat de arbeiders meerdere informatiebronnen hebben, is het moeilijk voor de vakbonden om de arbeiders te doen geloven dat "hun akkoord het maximum is" of dat "het onderste uit de kan werd gehaald".

4°. De vredesplicht pacifieert de industriële verhoudingen (7) en leidt tot een demobilisatie van de massa, die het sterkst aangevoeld wordt door de sociaal actieve elementen. We menen dat - in het belang van de arbeiders en de syndicale macht - de staking niet zou geweerd of uitgesloten mogen worden, omdat de programmatie-akkoorden niet alles kunnen voorzien. Zij kunnen zeker de evolutie van de krachtsverhouding tussen arbeiders en burgerij niet voorzien.

5°. De programmaties en de clausule van de sociale vrede versterken het gevoel van onmacht bij de arbeiders en veroorzaken een toenemende vervreemding. De arbeider beslist niet meer over zijn eigen lot; of die indruk heeft hij alleszins. Vakbondsleiders en patroons beslissen over zijn lot in Brussel. Alles lijkt geprogrammeerd voor hem. Hij staat vreemd t.o.v. de grote bedrijven en multinationals, t.o.v. gans het economisch machtsapparaat en ja zelfs t.o.v. de vakbondsleiding. De werknemer meent dat zijn leven steeds meer wordt geprogrammeerd, niet door hemzelf, maar door anderen. Zelfs de verdediging van zijn belangen en zijn mogelijkheden tot het stellen van eisen zijn geprogrammeerd, zonder dat hij rechtstreeks kan tussenkomen.

Hoe zouden de arbeiders in deze vervreemdende maatschappij, voor al deze programmerende en centraliserende instellingen hun lust tot contestatie tegen beslissingen, die boven en buiten hen om worden genomen, kunnen blijven onderdrukken?

2.2.2. De werkvoorwaarden.

Onder dit punt bestuderen we twee aspecten van de werkvoorwaarden, nl. de veiligheid en de arbeidssatisfactie.  Het onderzoek naar deze twee aspecten zou best gebeuren aan de hand van enquêtes met mijnwerkers, die tussen 1960 en 1970 in de verschillende mijnen werkten. Dit is echter onmogelijk in het kader van deze thesis wegens tijdgebrek. Daarom zochten we naar intermediaire indicatoren om de mate van arbeidssatisfactie en veiligheid te meten. Als maatstaf voor de veiligheid nemen we het aantal arbeidsongevallen en als indicatoren voor de arbeidssatisfactie nemen we het personeelsverloop en het aantal individuele afwezigheden.

2.2.2.0. De veiligheid.

In de tabel van bijlage 16 zijn de gegevens i.v.m. de arbeidsongevallen samengevat. Hieruit kunnen we volgende vaststellingen afleiden:

1. Het aantal ongevallen ligt relatief gezien lager in de Kempen dan in het rijk.  Dit wordt o.i. verklaard door de betere geologische omstandigheden en het hoger rendement in de Kempen in vergelijking met het Zuiden.

2. Het procentueel aantal ongevallen in de Kempen kende een dalende tendens in de periode 1963-'69, met uitzondering van 1966. Voor het rijk was deze evolutie minder duidelijk, alhoewel we een daling noteren sinds 1966.

3. Het aantal ongevallen ligt hoger in de ondergrond dan op de bovengrond.

4. Ongeveer de helft van het totaal aantal ongevallen in de Kempen waren dodelijke ongevallen. Voor het rijk ligt dit percentage over het algemeen lager.

Hieruit kunnen we concluderen dat er zich een gunstige evolutie voordeed m.b.t. het aantal ongevallen in het Kempens bekken. Toch zouden we dit nogal optimistisch besluit enigszins willen relativeren. Zowel relatief als absoluut gezien blijft het aantal ongevallen - en in het bijzonder het aantal dodelijke ongevallen - erg hoog liggen.  De steenkoolnijverheid is na de, of soms gelijk met de bouwnijverheid de sector met het hoogste aantal ongevallen. Tengevolge van de technische ontwikkeling en de toenemende mechanisering in de mijnen werd de kans op ongevallen groter en groter. Ondertussen werden de veiligheidsmaatregelen en -voorschriften echter beter uitgewerkt, zodat het aantal ongevallen toch nog daalde. Vele arbeiders, met wie we informele gesprekken voerden, bekloegen zich over de slechte toepassing van de veiligheidsvoorschriften door de mijnbazen.

Niettegenstaande de gunstige evolutie, werkten de mijnwerkers in één der gevaarlijkste nijverheidssectoren en dit is zeker niet bevorderlijk voor de goede werksfeer.

2.2.2.1. De arbeidssatisfactie.

Uit de tabel in bijlage 17 blijkt dat het gersoneelsverloop in de Kempen in absolute cijfers afnam tussen 1964 en 1968, en relatief gezien eveneens afnam sinds 1964. Het personeelsverloop lag lager in de Kempen dan in het rijk.  In vergelijking met andere sectoren lag het personeelsverloop relatief hoog in de steenkoolnijverheid.

Uit de tabel in bijlage 18 blijkt dat de afwezigheden in de Kempen lager lagen dan in het rijk.  Na een daling van het aantal afwezigheden in de zestiger jaren, noteren we een stijging voor de Kempen sinds 1968.

Het is moeilijk een besluit te trekken uit de evolutie van deze indicatoren.  Met grote onzekerheid evenwel zijn we geneigd te zeggen dat de werksfeer in de Kempense mijnen niet zo best was.

Tot daar de opsomming en bondige bespreking van de voornaamste oorzaken van de staking, die niet tot de loonproblematiek behoren.

  

Noten

(1) Zie hoofdstuk 4.

(2) Voor een uitvoerige, gedetailleerde en toch algemene bespreking met een overvloed aan statistische gegevens verwijzen we naar de Courrier Hebdomadaire n° 677-573, 28/3/1975 van CRISP, "Données relatives aux grèves en Belqique de 1947 a 1971".
(3) Voor een uitgebreidere bespreking van het gastarbeidersprobleem, verwijzen wij naar volgende werken: BINGEMER, MEISTERMANN-SEEGER, NEUBERT, "Leben als Gastarbeiter.  Geglückte und missglückte Integration", Westdeutscher Verlag, Köln, 1970, p. 135.
HEEMSKERK C., "De gastarbeid", Nesbic-bulletin, Amster­dam, 1971, p. 144.
MARTENS A., "25 Jaar wegwerparbeiders.  Het Belgisch immigratiebeleid na 1945", K.U.L., Leuven, 1973, p. 326.
(5) HEEMSKERK C, "De (gast)arbeid", Nesbic-bulletin, Amsterdam, 1971, p. 3.
(6) De gegevens zijn ontleend van de statistieken der "Mijnannalen", gepubliceerd in de jaarboeken van de LER tussen 1960 en 1970.
BLEECKX F., a.w.
(7) Dit blijkt uit de tabel in bijlage 12.

    

3. De staking

 

"Vrij onverwacht,
  goed doordacht
  werd Limburg in opschudding gebracht.
  De mijnwerkers staken
  om aan hun trekken te raken.
  De staking was vrij algemeen
  en van toegeven sprak er geen.
  De mijnwerkers vragen rechtvaardigheid
  en voor Limburg een beter streekbeleid.
  Hier heeft het kapitaal nog macht,
  maar de vijftien procent moet van kracht!
  Voor geen overheidsdruk zullen ze buigen,
  gedaan nu met hen zo uit te zuigen.
  Ze moeten in slechte omstandigheden werken
  en toch wil "men" hun vergoedingen beperken.
  Zij offeren hun gezondheid op
  maar dulden rond hun nek geen strop.
  Daarom trekt heel Limburg ten strijde,
  zolang er van onze mensen onrecht lijden."

 Eddy Vos (15 jaar), 1970

 

 

3.0. Inleiding

6 weken lang hebben 23.000 mijnwerkers, met de steun en solidariteit van personen uit alle bevolkingslagen en van bewegingen van alle slag, gestreden tegen regering, vakbonden en patroons.

Dit hoofdstuk wordt een boeiend, doch dramatisch verhaal over de heldhaftige strijd van de stakers, verenigd met de revolutionaire studenten. De uithongeringpolitiek van de regering en het ongenadig optreden van de rijkswachters werden tenslotte de mijnwerkers en hun leiders te machtig.

Toch mogen de arbeiders fier zijn op deze staking, die een mijlpaal betekent in de arbeidersstrijd van België.

In dit hoofdstuk hebben wij uitgepluisd wat er dag na dag gebeurde zowel aan het stakingsfront, als in Brussel bij de regering. We hadden voorzien dat er na de feitenreconstructie nog een evaluatie van de feiten zou gebeuren. Maar gezien de omvang van de thesis nu al de spuigaten uitloopt, hebben we dit laten vallen. Ook wel omdat het duidelijk blijkt uit de feiten wie aan de kant van de stakers stond en wie niet en daar gaat het tenslotte om.

Toch vinden we het spijtig dat de vakbonden niet afzonderlijk belicht worden. Want iedereen die zich een objectief beeld wil vormen over de vakbonden, moet zeker hun houding en rol in deze staking nagegaan en hiermee rekening houden. Het is belangrijker dan de theoretische brochures en de teksten in hun weekbladen, omdat het een beeld geeft van de vakbond, uit de praktijk.

We kunnen dan ook niet nalaten in deze inleiding een paar staaltjes hiervan te geven. Het zijn twee feiten over het ACV, zoals er honderden gebeurden voor, tijdens en na de staking.

Het weekblad "Radikaal" betoogde op 29 januari 1970 dat "als de staking tot resultaat kon hebben dat de vakbeweging zonder aan macht te verliezen tot een inwendige ommekeer komt, dan wordt de mijnwerkersstaking DE STAKING". Ward Bosmans, hoofdredacteur van Radikaal en schrijver van het artikel in kwestie, werd meteen door zijn werkgever, de Kristelijke Centrale van Metaalbewerkers, verzocht naar ander werk uit te kijken.

"Brief van het ACV aan de Turkse Mijnwerkers" (26 januari 1970)

"Wij geven U de raad, degenen die staken vallen buiten de wet. Het stakingskomitee is niet wettelijk toegelaten. U bent vreemdeling. U verstaat de situatie niet, ook niet de Belgische wetgeving. Daarom moet U gaan werken en mag U er zich niet toe lenen aan de megafoon te spreken om de andere vreemdelingen op te roepen tot staking. Wanneer er vergaderingen en manifestaties doorgaan moet U thuis blijven. Wanneer U toch solidair wilt zijn, kom dan geen werkwilligen tegenhouden, maar nog eens ; blijf thuis ! U bent een wilde staking begonnen maar de syndikaten zijn hier niet mee akkoord. Maar denk daarom geen slecht over de syndikaten. Wanneer U inderdaad tegen de syndikaten bent, hebt U het verkeerd voor. Wanneer wij  zeggen dat deze staking verkeerd is bent U verplicht dit van ons aan te nemen. U bent nu al vier weken in staking, maar de syndikaten hebben de eerste week al gezocht naar een redelijke oplossing. De eerste week tijdens de Nationale Arbeidskonferentie hebben wij naar oplossingen gezocht en zijn tot  het besluit gekomen dat er geen waren. Vandaag hebben we nog onderhandelingen gevraagd met het Parlement en de Ministers. Naar alle Turken zullen we een cheque sturen van 3 000 fr. Binnenkort zullen we aan iedereen stakersgeld uitbetalen en aan de niet-gesyndikeerden dopgeld. Alvorens deze nota te besluiten zeggen wij U nog dit : U MAG NIET SOLIDAIR ZIJN MET HET STAKINGSKOMITEE, WANT ALS VREEMDELING HEBT U GEEN RECHT TOT STAKEN, u mag niet vergeten dat wij altijd met U zullen zijn, voor iedereen en voor alle moeilijkheden." (1)

Dit was het ACV op zijn best. We hebben de andere informatie en documentatie over de vakbonden opzijgelegd.

We hopen dat dit hoofdstuk je iets kan bijbrengen en je zal boeien.

 

Noten

(1) Letterlijke vertaling, verschenen in "Derde Wereldbeweging", 14- daags informatieblad, 1e jaargang nr. 8+9 1970.

3.1. Aanleiding.

De "Centrale der Vrije Mijnwerkers" van het ACV stelde op 15 juli 1969 officieel volgende eisen bij het Kolendirectorium :

- een programmatie van een jaar
- en tijdens dat jaar een inkomensverhoginq van 15% globaal, met voorrang voor de laagste loonkategoriën.

Men nam 15% omdat men de mening was toegedaan dat in de laatste jaren ingevolge de sociale programmaties die het accent op andere zaken (o.a. werkduurverkorting met behoud van loon) hadden gelegd de mijnwerkerslonen een zekere achterstand hadden opgelopen tegenover soortgelijke lonen in andere sektoren.

Het ABVV was mindereisend: het vroeg eerst 8%, over 20 maanden , nadien 10% over 18 maanden, verder arbeidsduurvermindering van 1/4 uur voor de bovenqrond en verhoging van de premie voor werkkledij met 500 fr. Het kolendirectorium deed op 30 september 1969 na veel wikken en wegen een voorstel van 8% en nadien van 10% over twee jaren. (1)

Op 18 oktober...stond in de "Volksmacht", weekblad van het ACV, te lezen: "Onze Centrale eist alleen voor 1970 een loonsverhoging van 15%, aanpassing met de anciemiiteit met schijven van 500 fr. per vijf jaar anciënniteit. We steunen onze belangrijke looneis op de achterstand van de mijnwerkerslonen ten opzichte van de lonen in andere basisbedrijven."

Drie weken voordat de nieuwe K.A.O. zou afgesloten worden voegde de Volksmacht er een duidelijke waarschuwing aan toe : "Het is nu reeds enkele maanden geleden dat we onze eisen hebben ingediend voor de sociale programmatie. Ze komen neer op een loonsverhoging van 15% over 2 jaar en de aanpassing van de eindejaarspremie. Dit zijn de standpunten zoals ze gegroeid zijn uit de gevoerde besprekingen. Zoals de onderhandelingen nu staan zijn we ervan overtuigd dat we met besprekingen ons gestelde doel niet zullen bereiken. Indien we de ons voorgestelde resultaten .willen bereiken, zullen we dit moeten doen met andere middelen.Die andere middelen zijn niets anders dan staking." (2)  Zo werd de stakingsstemming voorbereid. Verder werd aan delegues en militanten gevraagd deze stemming voor te bereiden. De houding van de socialistische vakbond was veel minder radikaal.

Eind november (24-11-69) had dan een uiteenzetting plaats van de Heer Lycops, directeur-generaal van de Kempense Steenkolenmijnen voor het Directkomité van de L.E.R. Spreker stelde dat het behoud van K.S. noodzakelijk is geworden voor lands bevoorrading in nijverheidskolen en dat de venootschap een budgetair evenwicht kan bereiken, diensvolgens onafhankelijk kan gesteld worden van staatstoeslagen, indien er onmiddellijk wordt voldaan aan de rechtmatige eisen qua verkoopprijzen en qua aanwerving van personeel. Concreet betekent dit een prijsverhoging van 240 fr. per ton cokeskolen en de toelating 500 jonge mijnwerkers aan te werven en door overheveling en aanwerving een ideale personeelsbezetting te behouden met als gevolg een vermindering van het verlies van 57 fr. de ton. Zoniet is het te laat en is het op korte termijn gedaan met deze nijverheid, die op 31-10-69 toch nog 22.837 mensen tewerkstelde.

Als oorzaken van de angstwekkende situatie in de mijnnijverheid haalde spreker aan het gebrek aan energiebeleid zowel in binnenland als in de landen van de E.G.K.S., het gebrek aan vertrouwen met als gevolg een bestendig afvloeien van de personeelsbezetting, die leefbare zetels in gevaar brengt, de ongunstige verkoopprijzen, die thans nog lager liggen dan in 1957 als wanneer inmiddels lonen, sociale lasten, grondstoffen bestendig bleven stijgen. Andere minder belangrijke oorzaken zijn gebrek aan eigen research en de concurrentie van andere energiebronnen, maar deze zijn op korte of middellange termijn minder invloedrijk. Hij eindigde zijn rekwisitoor als volgt: "Normale prijzen - Amerikaanse of Duitse- en de K.S. is budgetair in evenwicht en in staat het hoofd te bieden aan gewettigde en gerechtvaardigde sociale eisen. Anders verspelen wij volgend jaar 310 fr. per ton en blijven de staatstoelagen - de 2 miljard die ons aangewreven worden - constant - waarvan trouwens 1,8 miljard terug in de staatskas komt langs taksen en cotaties. Maar wat men verzuimt te zeggen is het volgende: door de Staatstoelagen toegekend aan K.S. wordt de staalnijverheid gesubsidieerd. Misschien zou ik verder moeten gaan en zeggen dat een groot gedeelte van de winsten van de Belgische Staalnijverheid op de rug van de K.S., dus van de gemeenschap worden geboekt.

Exuseer dit rekwisitoor. Als Direkteur Generaal sta ik in dienst van 23.000 kostwinners en families en moet ik de openbare opinie wakker schudden." (3)

Deze toespraak was natuurlijk niet van aard om de gemoederen te benaderen. Vooral de Volksunie is hier opgesprongen en heeft dit bekendgemaakt.

Heel het verhaal bereikte dan zijn hoogtepunt op 4 december 1969. Die dag heeft het feest van de mijnwerkers plaats, zij vieren dan St Barbara, hun patroonheilige. Dan wordt ook de jaarlijkse ACV- toespraak gehouden. Spreker Ooms stelde i.v.m. de Sociale Programmatie dat zijn Centrale de laatste jaren steeds de nadruk heeft gelegd op de ver­mindering van de arbeidersduur. Nu is volgens hem bij een grondig loononderzoek gebleken dat de lonen in mijnnijverheid enigzins achterop zijn geraakt. Het Nationaal Hoofdbestuur van de C.V.M, heeft in juli dit probleem onderzocht en er werd beslist dat de sociale programmatie uitsluitend diende te handelen over de verhoging van de lonen. Hij schetste dan verder het verloop van de onderhandelingen. Hij vermeldde dan het voorstel van de Minister van Economische Zaken, wat neerkwam op een loonaanpassing van 12,1% voor 1970-71. Hierbij merkte hij op dat het laatste woord hierover nog niet gezegd was. Hij beloofde dat de C.V.M, alles in het werk zou stellen om aan het gestelde loonprobleem een gunstige en aanvaardbare oplossing te brengen. Verder rekende hij erop dat de richtlijnen, welke gegeven zullen worden, stipt zullen worden nagekomen. Hij besloot dat alleen een geordende aktie vruchtbare resultaten kan opleveren en dat de  mijnwerkers zeker niet benadeeld mogen worden omdat zij nu toevallig werken in een nijverheid die economisch zwak is. Het gaat volgens hem niet op het bestaan van enkele mijnen trachten te verlengen door het betalen van lage lonen.

Enkele andere beschouwingen waren dat:

-  het dringend tijd wordt dat de verantwoordelijke instanties een welomlijnd kolenprogramma opstellen en dit zeker wat de cokes- kolen betreft.
- een ernstig gebrek aan de nodige arbeidskrachten zich meer en meer doet gevoelen in de mijnen en waar blijven de voor de hand liggende maatregelen.
- de sluiting van de mijn van Eisden geleidelijk en geordend moet doorgevoerd worden.
- de besluiten om een vervroegd pensioen te kunnen bekomen bij mijnsluitng dringend moeten verschijnen. (4) 

Zo werden de mijnwerkers nogmaals voorbereid op een mogelijke staking, indien men niet meer zou toestaan. De besprekingen duurden tot 15 december 1969. Toen werd de volgende sociale programmatie afgesloten :

- duur der.programmatie: 18 maanden.
-  inkomensverhogingen:
 
a)  alle categoriën 10% verhoging
    - 4% op 1- 1- '70
    - 2% op 1- 10- '70
    - 2% op 1- 4- '71
    - 2% op 1- 7- '71
b) 0,6 % bijvoegen voor eindejaarspremie, verhoogde alzo met 1.000 fr. (van 4.450 tot 5.950 fr.)
c) 0,3 % bijvoegen voor de vergoeding der werkkledij, verhoogde alzo met 500 fr. (van 1.000 fr. tot 1.500