|
Hun ogen
volgen zwaluw's verre vlucht,
De een met bleek gelaat en gitzwart haar
De ander blond, een roze huid en een peignoir
Rond haar gewikkeld als een nevelzucht.
En alle twee, met affodilles land'righeid,
Door maan beschenen die ten hemel ging,
Genoten zij bij avond de bevrediging
Van weemoed voor getrouwe harten toebereid.
Hun heupen flink omklemd door klamme handen,
Dromend op 't balkon, het vrouwenschoon
Dat zich voor anderen tot medelij vermande,
Met diep in
't achterhuis verborgen,
Als melodrama, staat het bed, de troon,
Onopgemaakt, nog geurig van de morgen.
|