De studentenbeweging
heeft de laatste jaren te Leuven een omvang en een diepgang bereikt als
nooit te voren.In de publikatie die nu voorligt, zijn wij voorbijgegaan
aan het oppervlakkige en spektakulaire suksee om de strijdmetodes, de
strategie en de taktiek uit Leuven te analyseren. De enige bedoeling van
deze analyse is, dat het studentensyndikalisme nieuwe metodes en
inzichten zou vinden om de konkrete strijd in de diverse oentra heter te
voeren.
Indien deze publikatie de lezer niet permanent stimuleert om zijn eigen
konkrete situatie en zijn eigen strijd te analyseren, heeft zij haar doel
volledig gemist.
Deze teksten werden niet geschreven tot "revolutionair amusement" van
dat soort lezers dat altijd veilig op afstand staat. Dit boek is niet
zozeer bedoeld om te lezen dan wel om te werken. Eet is zo ingedeeld dat
men telkens in een aantal pagina een onderwerp behandeld krijgt zodat men
deze tekst als basis kan gebruiken voor discussie over de eigen
problematiek.
Deze teksten zijn ontstaan uit uitgebreide en diverse discussies onder
de leden Van de kommissie binnenland van VVS en de werkgroepen van de
Aktieve Universiteit van de Studenten Vakbeweging Leuven.
verantwoordelijke uitgever : VVS - vzw. Koopliedenstraat 20. Brussel
Deel 1 - organisatie inhoud en metode van de syndicale beweging
- Boven
I - DOEL EN METODE
I - TEORIE EN PRAKTIJK
Het lijkt nuttig om hier enkele algemene stellingen neer te schrijven
over onze ervaringen te Leuven tijdens de laatste twee jaar, Uit vele
discussies blijkt duidelijk de noodzaak om de band weer te geven tussen de
konkrete ervaringen die wij lijfelijk hebben meegemaakt en onze teoretiese
inzichten die daar op een of andere manier zijn uit ontsprongen.
De diverse artikelen die in deze publikatie samengebundeld worden zijn
alle ontstaan uit en gebaseerd op konkrete ervaringen. Zij vormen een
refleksie, een siestematisering van en kritiek op de dingen die wij in
Leuven hebben meegemaakt.
Deze siestematisering moet de mensen die na ons in de studentenbeweging
terecht komen, helpen om hun werkelijkheid en strijd beter aan te pakken.
Er kan met niet genoeg nadruk op gewezen worden dat alles wat hier
geschreven staat, vertrekt uit de konkrete strijd, en alleen de efficiëntie
van de konkrete strijd tot doel heeft.
We hopen dat de mensen die na ons in het studentensyndikalisme werken,
inderdaad reële inzichten uit deze diverse teksten kunnen halen. Dat wil
dus zeggen: dat zij, terwijl ze deze paginas doornemen, voortdurend
nadenken en zoeken hoe deze stellingen en feiten ook in hun eigen
realiteiten opduiken, bruikbaar zijn en kunnen toegepast worden.
1. In twee jaar tijd heeft men een evolutie doorgemaakt die wij kunnen noemen:
van konflikt-teorie naar inzicht in de klassenstrijd.
- Wij waren de eerste generatie die werkelijk haar aktie begon met een konflikt-teorie. Reeds bij onze eerste aarzelende akties was
deze konflikt-teorie aanwezig. Wat hield deze teorie in?
"De ware maatschappelijke situatie, dit is de belangen-tegen-stelling
tussen elite en volk, komt in een krizis zeer scherp en duidelijk te
voorschijn. Zolang er zich geen konflikt voordoet, moet de elite niet op
een. direkte manier gebruik van haar macht. Tijdens een konflikt moet ze haar traditionele en
anti-demokratiese macht aanwenden. Zodat de mensen gemakkelijk inzien
welke belangen een machtselite verdedigt en waartegen een demokratiese
groep strijdt.
Tijdens een krizis zullen steeds meer mensen inzien hoe de verhoudingen
zijn en daarom kiezen zij de kant van de progressieve volksgroep.
Tijdens deze krizissen bestaat de taktiek van de heersende groep erin
om precies zó ver toe te geven, dat de toestand "draagbaar" wordt, dat de
progressieven "toch weer een tikketje zijn vooruit gegaan." Men geeft
zover toe, dat de dynamiek uit de krizis is afgeremd.
Men benadrukt schijnproblemen die in de rand van het konflikt te
situeren zijn en lost die pseudo-problemen met veel tamtam op.
Men kan zich afvragen of hier niet teveel aandacht wordt besteed aan
het aspekt macht. Kan dit alles ook niet worden opgelost door dialoog,
door inzicht, door het overtuigen van de machtshebbers?
Wie de macht bezit is meestal bereid elke stumperd met een
dialoogtekstje tot zich te laten komen. Tijdens de dialoog blijven de
verschillen tussen machtshebber en gewone sterveling hun volle draagwijdte
behouden.
Op fundamentele punten kan de ene partij de dialoog steeds met een Njet
afronden."
Hoe was deze teorie nu uit de konkrete werkelijkheid gegroeid?
Onze voorgangers gaven ons de volgende ervaring door: elk jaar
probeerden wij een of ander probleem te forceren. We werden een jaar lang
beloofd en gesust en langs kommissies en proffen aan het lijntje gehouden.
Op 't einde van 't jaar bleek alles dan op een sisser uit te lopen. Het
jaar is echter ten einde en de meeste "studentenleiders" hebben een beurs
voor 't buitenland of een vetbetaald baantje in handen. Deze ervaring
heeft men ons doorgegeven.
Wij vertrokken dus met een ingeworteld wantrouwen tegenover alle
soorten manoeuvers - waarvan wij het resultaat kenden: de zoveelste
sisser.
Wij geloofden helemaal niet meer in de mooie beloften en
geruststellingen, - terwijl bijvoorbeeld het FK dat wél deed.
We merkten hoe de hele studentenpolitiek werd vervalst door persoonlijk
belang en carrière-politiek.
De carrière-lopers losten alle konflikten op door "dialoog". Zo moesten
zij niet vechten voor de belangen der studenten en zo konden zij hun
postuur in de belangstelling van overheid en proffen plaatsen. Het
"oplossen" van konflikten door dialoog bleek dus typerend voor
carrière-makers en al te brave jongens.
De strijd rond 13 mei '66 heeft ons veel geleerd. Het was een heel
harde strijd en er waren veel nieuwe mensen bij betrokken.
Omdat ze nieuw waren hadden ze nog geen carrière-bedoelingen en
baatzuchtige manoeuvers in de mouw.
Zo kreeg men in Leuven plots een nieuw soort "studentenleiders". Mensen
die met de enorme ervaring van 13 mei vertrokken, die met volledig
"idealistiese1 bedoelingen konden starten en die zich niet naar
dialoog met de overheid richtten maar wel tot de massa der studenten zelf.
We stelden vast hoe na 13 mei de feiten siestematies werden vervalst en
scheefgetrokken door de reaktionaire vlaamse pers. Het konflikt werd
gekanalyseerd, afgeleid.
De opgeblazen-kikker-kampagne die rond het volledig
autonome en demokratiese Leuven Nederlands werd gevoerd, was hier symp-tomaties. Men
veranderde niets aan de interne struktuur van de universiteit - maar
stelde het voor alsof de verschijning van de Somer-Leemans de Redding, het
Heil en de Eeuwige Zegepraal betekende.
- Geleidelijk kwamen wij tot inzicht dat onze konflikten-teorie meestal
wel een juiste taktiek bevatte, maar dat zij nog niet de kern van de zaak
blootlegde.
We waren er achter gekomen dat een heel stel leuzen,vulgair bedrog
inhielden.
Alles wat "Vlaams" spreekt, was zalig en gezond. De belachelijkheid van
dit soort stellingen bleek, toen allerhande machthebbers en typen uit de
Hoogste Elite een Vlaams etiquette opzetten. Dit veranderde niets aan hun
funktie, hun slesteem, hun macht.
We merkten hoe allerhande leugens over autonome en demokratiese
universiteit, over dialoog en openheid werden gelanceerd met de bedoeling
de status-quo te handhaven.
De vraag: "waarom is dat zo, hoe kan men dat toch verklaren", kon
alleen worden opgelost door een klasse-analyse. In tegenstelling tot wat
algemeen wordt gekletst, had niemand van ons ook maar iets van Marx
gelezen. We herinneren ons nog discussies van vroeger waarin klassestrijd
en proletariaat als "voorbij" werden beschouwd. Dat waren goedkope,
filosofiese, pseudo-teoretiese discussies van mensen die nog niet op de
werkelijkheid waren gestoten.
Toen we eenmaal midden in de strijd en de konflikten stonden, hebben
wij een anatyse-schema moeten ontwerpen dat op de klassestrijd was
gebaseerd.
Wij zagen in hoe elk maatschappelijk konflikt tussen deze twee polen
wordt getrokken. Aan de ene kant het kapitaal.
Voor ons wou dat zeggen: allen die vechten voor de staties-quo, die
profiteren van het bestaande siesteem, die het persoonlijke winstbejag en
cynisme als hoogste ideaal voeren, die persoonlijk sukses,
prestige en lukse als maatslag voor 'n maatschappij aannemen. De grondslag van deze klasse, de basis waar haar absurde macht
op rustte, was het privé-bezit der produktiemiddelen. Een beperkte klasse
kapitalisten heeft het bezit van heel het industriële produktie-apparaat
in handen,
Aan de andere kant de arbeid.
Voor ons wou dat zeggen: alle mensen die gedwongen zijn in volledige
afhankelijkheid en onderdrukking te leven. Zij die hun arbeidskracht komen
verkopen aan de fabrieksbazen, die hun eigen leven niet kunnen in handen
nemen, die dom en bang worden gehouden, die door manipulaties, leugens en
indoktrinatie worden onderdrukt zonder dat zij dit kunnen inzien en daar
verzet kunnen tegen plegen.
Wij besloten aan de kant van de "dom en bang gehouden" massa te
strijden, voor de reële belangen, voor de reële bevrijding van de gewone
mens.
We wisten met wiskundige zekerheid dat wij daarbij op de meest verbeten
weerstand van allen die aan de kant van de bezittende klasse strijden,
zouden stoten.
Een klasse-analyse gebaseerd op de sociale, ekonomiese en ideo-logiese
positie was noodzakelijk voor elke bepaling van strategie en taktiek.
Waarom moest de Somer, die een enorme dosis persoonlijkheid en lef niet
kan ontzegd worden, vroeg of laat onze tegenstander zijn?
Zijn financiële positie als direkteur van het Rega-instituut en als
protektor vormen zijn ekonomiese basis.
Zijn relaties met parlementsleden, partijen, industriëlen en alles wat
de hogere bourgeoisie bevat, zijn positie die hij binnen de struktuur van
de klasse-universiteit wou opbouwen, bepalen zijn sociale basis.
Het expliciete opportunisme waarmee hij zowel de Vlaamse als de
Katolieke vlag gebruikt, alsook zijn niet minder uitgesproken
individualisme geven zijn ideologies standpunt weer.
2. Uit het voorgaande blijkt reeds enigszins dat het eerste waarmee wij
begonnen de strijd, het reële konflikt was.
Een week straatrevolte na 13 mei, de voorbereiding en de realisatie van
de voettocht, de ideologiese strijd binnen de studentenwereld over
demokratie, pluralisme, arbeiders en negers, de staking voor medebeheer,
de einde- en zinloze rij betogingen voor overheve1ing.
Deze strijd hebben wij konkreet voorbereid en gevoerd, weken en maanden
lang, vóór we tot een analyse van die strijd zelf in staat waren.
Omdat we steeds de belangen van de gewone volksmassa voor ogen hielden,
omdat we alle konflikten binnen de maatschappij wilden aanpakken,
omdat we elk konflikt onderzochten tot in zijn wortels die in de
socio-ekonomiese struktuur steken - om die drie redenen was onze strijd een onderdeel van de klassenstrijd.
Laten we er nogmaals met nadruk op wijzen dat éérst, hals over kop de
strijd kwam en pas veel later de analyse.
Eenmaal wij een analyse hadden gemaakt, bleek voor ons duidelijk dat
wij "tot ter dood" zouden bekampt worden met alle middelen die de
heersende klasse ter beschikking staan. Dat inzicht is ondertussen voor 'n
flink stuk waarheid geworden. Uitsluitingen uit de universiteit,
gevangenis, spionnage en intimidatie door de BOB, laster- en haatkampagnes,
vervalsingen en verdraaiingen in de pers. Een juiste klasse-analyse en een
inzicht in de klassenstrijd bleek dus door de werkelijkheid bevestigd -
een werkelijke bevestiging die ons opnieuw aanzette tot teoretiese studie
en analyse.
Het juiste inzicht wordt door de werkelijkheid bevestigd - een
bevestiging die ons verder brengt op het vlak van de teorie - een
teo-reties inzicht dat opnieuw onze greep op de werkelijkheid sterker
maakt.
Dit is de dialektiek van de vooruitgang van ons inzicht, van de
bewustwording van de klassenstrijd.
We willen hierbij een aantal opmerkingen maken over de metodes van een
syndikalisme dat dit stadium van analyse heeft bereikt.
Het punt waar het om gaat is de reële strijd - zowel op het prak-tiese
als het teoretiese vlak. In een globale maatschappij-analyse zien wij deze
strijd die wij voeren als een objektief deel van de klassenstrijd.
Zodra men een aantal militanten rond een organisatie heeft geschaard
bestaat het gevaar dat men opgesloten blijft in de vertrouwde kring. Men
heeft een genoegdoende konfortabele omgeving, iedereen kent de Grote
Waarheden van de beweging en neemt een soort minachting aan voor de
sukkels die nog in de duisternis staan... De "klassenstrijd" is een
geloofspunt dat beleden wordt op menige drankbijeenkomst. Dit is een
gevaar dat heel wat ouwe linkse groepen is over het hoofd gegroeid en dat
bij elke progressieve beweging dreigt. Het is dus een enorm belangrijk en
dringend punt dat men z'n organisatie voortdurend omvormt en omwerkt opdat
zij permanent aan deze vitale noden zou beantwoorden.
De organisatie moet op zo'n manier opgetrokken zijn dat zij het
maksimale aantal mensen konkreet en voortdurend laat botsen met de
werkelijkheid van de klassemaatschappij.
De aktie-groepen, gebaseerd op een kern vertrouwde en onderlegde
mensen, kunnen hier de bouwsteen vormen.
Onze ideologie, ons inzicht en onze analysemetode worden bepaald door
de manier waarop wij op de werkelijkheid botsen: een progressieve
maatschappelijke praktijk is de voorwaarde voor een juiste teorie.
Het krusiale punt voor het studentensyndikalisme is dus de opgave al
zijn nieuwe mensen op een aangepaste manier aan de aktie te zetten. Wie daar niet in slaagt, zal niet overleven.
De centrale bedoeling van al onze teksten is: de aktie te stimuleren.
We kunnen inzicht verwerven in de noodzaak van planmatige aktie -maar
daarmee is die planmatige aktie nog geen realiteit!
3. We willen wijzen op een belangrijk struktureel onderscheid tussen de
syndikale en de traditionele studentenbeweging. Wij zijn slechts zeer
geleidelijk tot het inzicht gekomen in de betekenis die de struktuur heeft
voor de mensen die erin werken.
Tot voor de opkomst van het studentensyndikalisme in de centra zelf,
hadden alle organisaties het volgende strukturele kenmerk. Alle
organisaties waren verbonden met een parlementaire of extra-parlementaire
belangengroep. Het is volstrekt zonder betekenis of deze binding een
dwingend karakter had of louter "informeel" bleef. Onder het mom van
"noodzaak aan informatie" werd de band steeds gelegd. De band nam toe
naarmate men hoger stond op de ladder van het studentenleiderschap.
De twee,drie officiële leiders hadden nauwe kontakten, het bestuur had
een zekere band met de partij terwijl voor de leden alleen een informele
ideologiese band bestond.
Wij geloven dat het van uitzonderlijk belang is de dwingende
konsekwenties van deze band op de mensen te analyseren.
De vitale verbinding tussen "leiders" en studentenmassa werd radikaal
en onoverkomelijk gebroken.
De eenheid tussen leiders en beweging bestaat maar in het konflikt dat
de studentenmassa in botsing brengt met zijn tegenstrevers. In de aktie,
de strijd voor de belangen van de massa kan men pas over "leiders" gaan
spreken. Door de organisatoriese band tussen de officiële kopstukken en de
beweging was elke konfliktteorie, elke massa-agitatie totaal onmogelijk.
Daarmee was eveneens onmogelijk de zelf-aktie, zelf-organisatie en
zelf-bewustwording van de massa; kortom: elke vorm van reële demo-kratie
was uitgesloten.
Een tweede en nog pijnlijker konsekwentie lag bij de overgang tussen
studentzijn en beroepswerk.
Door de band die tussen studentenverantwoordelijken en partijen bestond
- zelfs al was het maar zeer informeel - werden de mensen gekanalyseerd.
Zelfs diegenen die een revolutionaire werking wilden opnemen, geraakten
onontkomelijk in de greep van hun "bescherm-par-tij". Ze hadden immers
nooit de nood ervaren om voor een eigen organisatievorm te vechten waarin
ze na de universiteit hun idealen konden verwezenlijken. Zo kwamen ze na
de universiteit plots in een hopeloos vakuum te staan waar geen andere
uitweg overbleef dan een gevestigde struktuur.
We willen er terloops op wijzen dat de "officiële machtsstrukturon" die
de dynamiek der studenten hebben uitgeschakeld niet alleen de partijen
waren, maar dat ook de professoren en de overheid deze rol hebben vervuld.
De meeste professoren zijn klasse-gedetermineerd zowel wat afkomst,
financiële positie, beroepssituatie (beheersfunkties en kommissa-riaten)
en ideologie betreft.
De zeldzame uitzonderingen geven hun onmacht tegenover de struktu-ren
onmiddellijk toe.
De dynamiek van heel wat "studentenleiders" wordt opgevangen in de
bufferzone van gezag en ideologie der professoren.
4. De syndikale beweging heeft de laatste twee jaren een avant-garde rol gespeeld. Welke waren de voorwaarden en de middelen van deze
avant-garde?
Men kan maar van avant-garde spreken, wanneer we werkelijk een groep
hebben die voorgaat.
Zo'n groep is niet in één , twee, drie ontwikkeld tot een
duizend-koppige organisatie. De objektieve voorwaarden van de universiteit
laten dit niet toe: de universiteit is een milieu tot langs vele kanalen
door de bezittende klasse wordt beheerst.
In zo'n milieu kan alleen een kleine groep door de aktie tot inzich
komen in de klassemaatschappij.
We hebben een ernstig-studerende, gedisciplineerde en georganiseerde
groep nodig'.
De syndikalisten moeten dubbel zoveel studeren, dubbel zo hard werken
als een vakidioot. Terwijl deze laatste feiten slikt, moeten i»
Hyndikalisten een analysemetode verwerven. Er gaat enorm veel onopgemerkt
en verdoken studiewerk vooraf, men moet enorm veel discussieren en
schrijven voor men werkelijk een "avant-garde",kan bij mekaar hebben.
Een kern van een vijftigtal werkzame, onderlegde en idealistiese mensen
is onze conditio-sine-qua-non.
Voor men daarmee klaar is, moet men nog niet de grote progressieve trom
roeren. Voor men daarmee klaar is, moet men een verborgen levct leiden.
Zo'n getrainde en toegewijde kern is tien keer meer waard dan welke
"partij" ook.
Deze kern heeft een onweerstaanbare aantrekkingskracht op alle ernstige
en idealistiese mensen uit de andere "partijen".
Men kan immers bij alle burgerlijke groeperingen een aantal kenmerken
zien die hun failliet op lange termijn bezegelen.
Het carrièrisme van de
"leiders" stoot de militanten af die een werkelijke inzet aan de zijde van
het gewone volk willen brengen. Het opportunisme dat er alleen op uit is
zoveel mogelijk leden binnen te slepen, stoot alle mensen af die een reëel
persoonlijk engagement centraal stellen.
Het "denken" In allerlei ideologiese konsepten en dogma's stoot de
mensen af die een fundamentele analyse willen.
De burgerlijke partijen weigeren elke dynamiek van de massa van hun
leden: de leden worden niet opgenomen in het ageren, analyseren,
discussieren en plannen van de organisatie.
Tegenover alle ideologiese verwrongen "partijen", zal een werkelijke
avant-garde kern als werkelijk alternatief een onweerstaanbare
aantrekkingskracht uitoefenen.
Om deze aantrekkingskracht te bezitten, volstaat het niet zichzelf tot
avant-garde om te dopen en als een slodderige flodderige bende op te
treden.
Men moet als teoretiese wapen een juiste en afgewogen klasse-analyse
bezitten.
Men moet als organisatories wapen een gedisciplineerde en toegewijde
groep studenten hebben.
Tijdens elk konflikt en elke krizis moet men de eerste zijn die een
analyse maakt.
De analyse die men maakt moet de meest gefundeerde en de meest
diepgaande zijn. Men moet als eerste strijdmetodes voorstellen en akties
uitvoeren.
Wanneer deze vijf voorwaarden niet zijn vervuld, slaat het woord
avant-garde nergens op.
Er bestaat een groot gevaar dat men, eenmaal een aantal avant-garde
suksessen werden behaald, door een gevoel van eigendunk wordt bekropen. We
moeten ons aan een strenge zelfkritiek onderwerpen, wanneer we andere
verenigingen in een noterenswaardige zelfoverschatting "waardeloos"
noemen.
Daar de studentenwereld ideologies een zeer labiele inhoud heeft,
zitten alle verenigingen een aantal mensen die in staat zijn tot een
werkelijk inzicht en een geëngageerde aktie te komen. Het gevaar voor
partij-pretentie is bij ons allen aanwezig.
Men kan maar avant-garde zijn, wanneer men een brede massa der
studenten voorgaat.
Daarom moeten wij een politiek van eenheidsfront voeren met de andere
partijen.
Men moet zelf analyses op lange termijn maken en inzichten en plannen
voor een langere termijn formuleren.
Onze partners in het eenheidsfront zullen die analyses wellicht niet
altijd tot hun volle konsekwenties begrijpen. Daarom start zo'n
eenheidsfront ook op een formeel-bureaukratiese manier. Zo kan men
bevoorbeeld een gezamenlijk platform opstellen over universitaire expansie
is een radikaal-demokratiese vizie. Dit lijkt op het eerste zicht een heel
formele en bureaukratiese onderneming.
Deze aanpak heeft echter bewezen enorm vruchtbaar te zijn. Onze
partners komen zo veel sneller tot een logies en siestematies inzicht in
de problematiek, zodra de kwestie konkreet en aktueel wordt,
II - DEMOKRATIESE HOUDING
Ons doel is de studenten reëel demokratiese vormen en metoden bij te
brengen. Hen te besmetten met een demokratiese mikrobe. Wanneer de mensen
dan later met niet-demokratiese strukturen te maken hebben, zal deze "demokratiese
mikrobe" zich ontwikkelen.
Onze burgerlijke demokratie is nauwelijks nog meer dan een "formele
demokratie". Het parlement is formeel nog een wetgevende macht maar
iedereen weet dat het zwaartepunt van de macht elders ligt. Parlement,
grondwet, justitie: het zijn allemaal "formeel demokratiese" vormen die de
mensen echter afhouden van een inzicht in en een greep op de reële machten
die de maatschappij beheersen.
Het binnenbrengen van "formeel-demokratiese"
vormen binnen de studentenwereld betekent: de studenten voorbereiden op
identificatie met een formele demokratie, dit is:een bedrog-demokratie.
De
"formele demokratie" moet ten gronde bestreden worden, want zij is de
uiterlijke facade die de essentiële krachten van het monopo-liekapitalisme
verbergt. De formele demokratie is een geëigend wapen van het kapitalisme.
In een gemeenschap waarin de ekonomiese macht in steeds machtiger
monopolies wordt gekonsentreerd, het politieke leven steeds verder af
staat van de volksmassa, de volkskultuur door burgerlijke erzats wordt
verdrukt, is de "formele demokratie" een legalisatie van de-ee toestand.
Een toestand die in totale kontradiktie is met de belangen van de
volksmassa.
Öm die toestand te keren kan het volk maar één weg opgaan:
zelforganisatie en zelf-aktie om het harnas van een autoritaire "for-mule-demokratie"
te breken.
Wat Is voor ons demokratie binnen de studentenwereld?
Deze demokratie
zal specifieke kenmerken dragen, omdat wij zijn In-gebet in een
maatschappij die het volk zelf op steeds cynieser wij-ee manipuleert.
Onze demokratie zal dus haar vertrekpunt hebben in een massa die wordt
gemanipuleerd, verblind, mak gehouden!
Tegenover manipulatie, stellen wij zelf-organisatie.
Tegenover
verblinding, informatie en permanente discussie.
Tegenover makheid,
stellen wij agitatie en aktie.
De grondslag van onze demokratie is dus niet: stemrecht voor alle , algemeen stemrecht op algemene vergaderingen. Wij willen
binnen onze organisatie de volgende reële eisen voor ogen houden.
We moeten zeer frequent algemene discussies plannen op basis van
gelijkheid - vrije discussie tot men een gemeenschappelijke basis heeft
uitgewerkt.
Permanente informatie die als rechtstreeks doel heeft agitatie en aktie.
De massa moet konkreet zelf voor haar eigen belangen strijden.
Op basis van vrije discussie een beslissing nemen die konkrete,
militante aktie inhoudt.
Deze regel van demokratie gaat rechtstreeks in tegen elke vorm van
formele demokratie en technokratie.
III - PERMANENT ENGAGEMENT
De direkteur van Kodak heeft ooit deze uitspraak gedaan: "We moeten er
voor zorgen dat er geen intellektueel proletariaat ontstaat. Wanneer
intellektuelen geen plaats bekleden, die met hun verstandelijke ambities
strookt, dan gaan zij zich soms met maatschappijproblemen bezighouden."
Het studentensyndikdlisme moet er in slagen elk jaar 'n paar mensen af
te leveren die van plan zijn zien voor de rest van hun leven met "maatschappij-problemen"
bezig te houden, die de maatschappelijke inzet van de intellektueel aan de
zijde van arbeiders, boeren en beambten, waarmaken.
Alleen permanente studie en aktie zal dit engagement mogelijk maken.
De planmatige strijd voor demokraties onderwijs, tegen kapitalisme en
imperialisme is de enige waarborg dat deze konkrete strijd ook tijdens het
beroepsleven zal worden doorgezet.
IV - PRIMAIRE EN SEKUNDAIRE KONTRADIKTIES
Primaire kontradikties zijn gelegen in de struktuur van de maatschappij
zelf.
De universiteit is een doorgangsplaats, een vormingscentrum in funk-tle
van de maatschappij. Het is vanzelfsprekend dat de kontradikties binnen de
universiteit hun laatste betekenis slechts krijgen wanneer men de
maatschappelijke dimensie erin betrekt.
Voorbeelden
De sociale afhankelijkheid van de student ten opzichte van zijn
professor komt tot uiting in de metode (ex-catedra), in de programma-tie
(door ideologiese en ekonomiese eisen van het siesteem bepaald) in de
examens.
Wie deze kontradiktie op zichzelf aanpakt, zal niet verder gaan dan ••n
opsieren van het siesteem: men ziet een aantal slecht-funktio-nerende
aspekten aan het onderwijssiesteem en wil die veranderen.
De sociale afhankelijkheid aan de universiteit krijgt pas haar ware
dimensie wanneer ze in funktie van de primaire kontradikties binnen de
maatschappij wordt gezien. De sociale afhankelijkheid van de arbeiders ten
overstaan van de bezittende klasse en die klassen waarvan de belangen
dezelfde zijn (bv. managers). De ekonomiese afhankelijkheid werd aangevuld
met een reeks politieke, Ideologie-de, sociale vormen van afhankelijkheid.
Hiertegen is bij de meeste studenten geen revolte: het wordt spontaan
aanvaard. Aldus heeft de sociale afhankelijkheid van de student aan de
universiteit als resultaat dat de sociale afhankelijkheid binnen de
maatschappij spontaan als "normaal" wordt opgevat.
Voorbeeld
De geringe financiering van het onderwijs, is een sekundaire
kontradiktie.
Primaire kontradiktie: de belangentegenstelling tussen bedrijfsleven en
arbeiders. Gevolg: de regering, die een instrument is van de bezittende
klasse als totaliteit, reageert op de noden van het bedrijfsleven, slechts
in geval van "nood" op de noden der arbeiders.
De regering stelt jaarlijks vele miljarden ter beschikking van het
bedrijfsleven (vb. Nationale Maatschappij voor Krediet aan de Nijverheid)
Het gaat hier om gemeenschapsgelden, in de vorm van kredieten, voor-schot,
vrijstellingen, investeringsvoorwaarden aan privé-onderne-uiLngen
geschonken.
Verder zorgt de regering ervoor dat het bedrijfsleven precies het ii.intal
universitairen krijgt die het nodig heeft. "Anders zou het niet ekonomies
verantwoord zijn." Het recht op onderwijs voor Iedereen (•= de belangen
van de arbeiders) wordt aldus de facto ontkend.
Voorbeeld
Veringa, minister van onderwijs in Nederland: "Een te ver doorgedreven
demokratisering, kan niet door de ekonomie gedragen worden."
Men moet de primaire kontradikties binnen de maatschappij analyseren en
bestuderen om de draagwijdte van de universitaire problematiek te kennen.
Men kan dus niet altijd krampachtig vasthouden aan het apriori als zou
men eerst de universitaire problemen moeten aanpakken (en alléén die) om
dan geleidelijk en spontaan (!) tot de maatschappij-problemen te komen,
die als 't ware wat verder liggen. Ze liggen niet op een ander vlak:
dezelfde primaire maatschappelijke kontradikties werken in op de
universiteit.
Het is vanzelfsprekend dat men moet beginnen met het opmerken van
kontradikties. Veel studenten zien geen problemen. We moeten hen
konfronteren met problemen en daarvoor lijken de kontradikties van de
universiteit het best geschikt.
We moeten er echter zorg voor dragen dat we deze sekundaire
kontra-diktie op tijd kunnen "stoferen" met hun wezenlijke inhoud die een
inhoud van maatschappelijke kontradiktie is.
Het gaat hier om een dialektiese beweging: men moet krachten over
universitaire en maatschappelijke problemen afwisselend laten spelen.
Laten wij als voorbeeld de ontwikkeling in Leuven nemen.
- Jaar 1965-1966. Gedurende heel het jaar akties voor Leuven Vlaams.
Overheveling is de officiële sloganj"Walen buiten" de officieuse. Dus een
zuiver universitaire problematiek.
- Jaar 1966-1967. Mei-revolte bewijst het onvermogen om alléén op de
universiteit en de universiteitsproblemen in te grijpen. Nieuwe Temata:
dekonfessionalisering, demokratie, anti-kapitalisme.
Het werkstuk wordt het ideologies-maatschappelijk "hoogtepunt" Dus een
zuiver maatschappelijke problematiek! Men ziet het gevaar opduiken los te
staan van de massa. Op de laatste militantenvergadering wordt de slogan
gelanceerd: alle macht bij de fakultei-ten.
- Jaar 1967-1968. De eerste weken wordt alles op de fakulteiten gezet .
Het gevaar voor inefficiënt, korporalisties "gepraat" duikt op. Nieuwe
ommekeer: beroepsleger, fascisatie van het regime, mono-poliekapitalisme.
Men moet er zorg voor dragen dat men door akties over de universitaire
kontradikties de massa der studenten blijft bereiken. Men moet er zorg
voor dragen dat men die massa steeds zo snel en efficiënt mogelijk tot
inzicht brengt in maatschappelijke kontradikties door politieke aktie.
Voorbeeld
Groepen als Brug (Leuven), Politea (Nederland),links Eenheidsfront
(Gent) hebben allen maatschappelijke kontradikties geanalyseerd: ze konden
alléén een getrainde "kern" ploeg vormen. Een kader zonder massa.
Groepen
als Fakulteitenkonvent, strekkingen in SVB-Nederland hebben alleen universitaire kontradikties durven aanpakken.
Dit leidt tot konformisme, korporatisme, bureaukratisme.
Er zijn veel mensen die alleen oog hebben voor de spektakulaire,
succesvolle massa-akties.
Men loopt hoog op met "krietiese universiteit" "Teach in "
"Volksverzameling" "Solidariteitsdemonstraties met arbeiders" "Zelfbestuur
der studenten".
Men weet echter niet te begrijpen hoe deze successen gedetermineerd
worden door analyse en discussie.
1. Ze zijn maar mogelijk wanneer men de krachten aan de universiteit op
een goede manier heeft geanalyseerd.
Het is zinloos de kontradikties binnen de studentenwereld uit te
spelen: ze zijn niet fundamenteel in zoverre de universitaire wereld geen
levenslange socio-ekonomiese basis is voor de student. Een juiste politiek
bestaat erin een eenheidsfront van studenten, volledig geleid door de
progressieve beweging, op te richten tegen fundamentele tegenstrevers van
buiten de studentengemeenschap.
De leiding nemen van dit eenheidsfront
betekent:
- over het best getrainde, het meest militante en het meest teo-reties
onderlegde kader te beschikken
- als eerste initiatieven en analyses naar voren brengen
- afzien van alle partij pretenties en geprefabriceerde,
geautomatiseerde blokvorming.
2. Naast een goede analyse is een permanente ideologiese discussie
binnen de progressieve beweging noodzakelijk.
Discussies over het monopoliekapitaal, de fascisering van onze regimes,
de burgerlijk-ideologiese diktatuur aan onze universiteiten, de politieke
betekenis van de paedagogiese verhoudingen. Er zijn heel wat progressieve
mensen die deze discussies niet aanvaarden. "Laten wij ons bezig houden
met de konkrete problemen naargelang die voor ons opduiken; als we die
problemen uitwerken komen we automaties tot deze kern-discussies" zeggen
zij. Wanneer zij deze discussies moeten doorvoeren in de progressieve
beweging, dan is dit om ons apparaat voor te bereiden op de komende
konflikten en gebeurtenissen.
Wanneer een arbeider wordt doodgeschoten, kunnen wij dit meteen in zijn
socio-ekonomiese kontekst plaatsen: hoe het kapitalisme de belangen der
monopolies behartigt en die der arbeiders in laatste instanties
kapot slaat, hoe de fascisatie van het regime de monopolies beveiligt en
de arbeiders neerschiet. Hoe de belangen v.m arbeiders en studenten elkaar
raken, als sociaal onderworpen groepen, instrumenten in handen van de
holdings.
Ons apparaat staat klaar om onmiddellijk naar de kern van de z.uik te
slaan: pamfletten, redevoeringen, volksvergaderingen.
Wie dan nog "de
problemen zoals die opduiken moet beginnen te analyseren en uit werken"
komt zeker een week te laat.
Voorbeeld
Zondag 27 november '66 werd te Oudenaarde een landbouwer dood geslagen
door de rijkswacht.
In Gent, Antwerpen, Brussel gebeurde niets omdat ... men het "steriele,
teoretiese" gepraat over de gronden van de maatschappij nog niet had
doorgemaakt.
In Leuven had men onmiddellijk klaar: "een totaal analyse, juiste radikale slogans, een aktieschema, een
beschikbaar apparaat."
Men ging met alle organisaties praten en alle sloten zich aaneen voor
een uitgewerkte aktie.
II - MEDEBEHEER
I - DE FEITELIJKE TOESTAND
1. Aan alle westerse universiteiten stellen wij het verschijnsel vast van de totale desinteresse der studenten tenoverstaan van
kollektieve problemen.
Het lijkt dat ons siesteem, dat ekonomies gebaseerd is op de
privé-rechten van een kleine kapitaal-groep, met een soort blinde,
onontkoombare, domme macht een privé-ideologie oplegt aan al haar mensen.
Alleen kwesties van onmiddellijk 'persoonlijk' belang vallen binnen de
kortzichtigheid van de student: zijn kursus en zijn kollege, zijn
amusement en zijn financieel beloftevolle toekomst. We kunnen hier
nogmaals wijzen op de fundamentele kontradiktie tussen de hier aangestipte
door het siesteem opgedrongen "privé-ideologie" en de arbeid, bron van
materiele rijkdom en geestelijke ontplooiing der mensen, die steeds meer
op kollektieve basis verricht wordt.
Samen met de desinteresse, stellen wij de onmondigheid van de
student vast. Geheel de opbouw en de werking van de universiteit gaat uit
van de premisse dat de student onmondig is. Het is een principe waarop de
huidige struktuur en werking zijn gebaseerd. Sociaal gezien, heeft de
student geen enkele reële invloed op de huizenbouw, op het bestuur der
huizen, op het doel en gebruik der mensa's, op het verschijnen van
kursussen of kollegediktaten, op het reglement dat hem door de
universiteit met spontane autoriteit wordt opgelegd.
Binnen zijn fakulteit heeft hij niets in te brengen bij de abnormale
overbelasting der programma's, bij de samenstelling der programma's, bij
de inhoud en metode der eksamens, tegen het verbalisme van het onderricht, tegen het direktivisme van wetten, verordeningen
en eisen, tegen de inhoud en het absolute gezag van de kursus . ..
2. Binnen deze feitelijke toestand kunnen wij twee kontradikties
analyseren, die aanleiding geven tot "bewustzijn" van de doorsnee passieve
student.
- Men wijst er de studenten voortdurend op dat zij de toekomstige
'elite' zijn.de hersenen van het land, de intelligentste 10 7 der jeugd,
de geleerdsten, knapsten, slimsten.
Maar terzelfdertijd blijkt dat deze "slimme 10 %"niet slim genoug zijn
om zelfs maar de elementairste vormen van demokratie in acht te nemen. Op
het vlak van de demokratie, dit is het geheel van de objectieve
verhoudingen tussen de mensen, worden zij als dom beschouwd en daarom ook
dom gehouden. Op het vlak van de menselijke relaties, van de
kollektiviteit - het fundament van de maatschappij als totaliteit - moeten
zij niets weten, worden zij ondersteld niets te weten, wordt hen de kans
ontnomen iets te weten ... en te doen.
Maar op het vlak van de kernfysika, de mikro-ekonomie en de franse
romantiek, vormen zij het Hoge Intellekt van hun generatie. Deze
kontradiktie is fundamenteel en hangt samen met de eisen die het
neokapitalisme aan de universiteiten stelt. De ideologiese en sociale
betekenis van deze kontradiktie werd nog niet genoeg naar voren gebracht
en geanalyseerd.
- De studenten weten dat zij binnen een paar jaar een '"leidende"
funktie krijgen in de maatschappij met een zeker "prestige" en
"verantwoordelijkheid".
Aan de universiteit moeten ze zich echter blijven gedragen als
onderdanige onopvallende konforme knechten.
Uit deze kontradiktie leert men dat er binnen onze maatschappij bazen
en knechten zijn en dat men dit als normaal moet aanvaarden.
Aan de universiteit is de student knecht - de professor en de overheid
is de baas. Binnen een jaar jaar zal de student ook het "recht" verworven
hebben om baas te zijn en de scholieren, arbeiders, klanten worden dan
zijn ondergeschikten. Het model van sociale afhankelijkheid wordt
duidelijk ingeprent en blijkt later een fundament van -de
klassenmaatschappij uit te maken.
3. Uit deze kontradikties komt voor een aantal mensen de noodzaak
oprijzen om "mede te beheren", om zijn intellektuele potentialiteiten ook op het menselijk vlak in te zetten.
Dit bewustzijn is eerst gegroeid bij een minderheid van Studentan.
Daar de overgrote meerderheid der studenten nog niet aan deze
problematiek toe was, konden deze 'voorlopers' zichniettot de
studen-tenmassa wenden, maar namen ze kontakt op met de
overheidsinstanties.
Daar de kontradiktles het eerst werden ervaren langs konkreet ervaren
tekorten om, gingen deze 'voorlopers' zich toeleggen op een aantal zeer
-praktiese realisaties vooral in de sociale en dienstverlenende sektor.
II - POLITIEKE BETEKENIS VAN MEDEBEHEER
Medebeheer heeft niet alleen een prakties-techniese betekenis, maar
bezit ook een politieke inhoud.
De minderheid die zich met medebeheer inliet, werd hier algauw, in de
realiteit zelf mee gekonfronteerd.
Laten wij van die realiteit vertrekken.
In de beheerraad van de Leuvense mensa zijn professoren en studenten
opgenomen. Sommige professoren hebben geen zin om zich grondig met dit
beheer in te laten, de studenten blijken dan ook dikwijls tijdens de
raadsvergadering beter op de hoogte te zijn.
De volgende dag lopen dezelfde studenten echter kollege bij dezelfde
professor, die plots weer almacht en alwijsheid bezit en in een struktuur
die de sociale afhankelijkheid van de student verzekert, optreedt.
De Berlijnse studenten werden opgenomen in de Senaat van de vrije
universiteit. Ze kregen dus de 'hoogste' vorm van medezeggenschap. Vlug
bleek dat zij niets anders deden dan een burgerlijke, reak-tionaire,
mens-vreemde universiteit "mede te beheren". Hun "mede-beheren veranderde
niets aan de struktuur, werkwijze en ideologie der universiteit. Zij
beheerden een universiteit die niet de hunne was; daarom stapten zij over
naar een zelfbeheer van een eigen universiteit, de kritiese universiteit.
Zolang de studenten geen fundamentele punten raken, mogen zij
mee-beheren: dit soort volgzame meebeheren is zelfs nuttig voor de
instandhouding van de reaktionaire universiteit omdat langs het medebeheer
een hele reeks aanvallen op de reaktionaire kern, worden gekanaliseerd.
Wie technies-praktiese problemen als tuchtreglement, huisvesting,
kursussen, gezag van professoren aanraakt, stelt gauw vast dat deze
vervlochten zijn met politieke implikaties.
De universiteit is in al haar onderdelen een klasse-universiteit, die
de struktuur, werking en ideologie aanneemt die de belangen van de
heersende klasse dekken.
Wie langs technies-praktiese zaken om,tot een aanvallen van dazc
"universiteitsopvatting" komt, stoot onmiddellijk op de
scherpste
weerstand.
Zo kunnen we langs een aantal praktiese problemen, de klassebeteknis
van de universiteit bloot leggen. Dan komt het erop alternatief met de klasse-betekenis tegengesteld aan de heersende
klasse, op te stellen en uit te werken. Hiervoor verwijzen we naar het
hoofdstuk over Krietiese universiteit.
Een aantal konsekwenties van dit politieke aspekt, dit klasse-as-pekt
van het medebeheer moeten hier nog aangestipt.
1. In laatste instantie en als struktuur moet de overheid steeds de klasse-belangen der heersende klasse verdedigen. Zij zullen steeds
de ... de "universiteit als domein der heersende bourgeoisie" veilig
stellen, alle progressieve fraseologie ten spijt. Dit houdt in dat radikale en frontale konflikten met de overheid niet zullen kunnen
ontweken worden.
Het konflikt is het krusiale probleem der progressieve studenten. In
een konflikt laten de gezagdragers hun waar gelaat zien, komt gemakkelijk
tot uiting welke klasse-belangen zij (op meestal verborgen manier)
behartigen.
Omdat in een konflikt het klasse-karakter der universiteit, dat anders
niet eens wordt vermoed, tot uiting komt, beginnen een hele reeks
studenten voor "t eerst problemen te zien, na te denken en partij te
kiezen.
In een konflikt moeten wij vooral de kollektieve praktijk der
progressieve studenten benadrukken. We moeten samen met onze kern
pamfletten schrijven, manifestaties en aanklachten organiseren, lijfelijke
aktie voeren. Dit is zeer belangrijk voor de samenhang van de groep en
voor de versteviging van het inzicht van elk van de leden.
Dit prakties agiterende en agerende, lijfelijk optredende, met handen
grijpende aspekt van het konflikt, is het centrale, het noodzakelijke
punt.
2. Het inzicht dat men andere belangen heeft dan de overheid en het
inzicht in de kontradiktie tussen opgedreven rationaliteit en totale
weigering van demokratie, heeft als resultaat dat de minderheid van
"voorlopers" terug naar de massa keert. Alleen door de massa der studenten
te informeren, op te roepen en te laten ageren, kan men iets afdwingen van
de overheid» Alleen wanneer de massa geïnformeerd is en tot konkrete aktie
wil komen, heeft het woord "demokratie" enige betekenis. Demokratie wil
zeggen: door informatie tot aktie overgaan en zo aan inzicht in de
objektieve verhouding tussen de mensen te winnen. Demokratie wi] zeggen:
zelforganisatie van het volk. Daarom is zelfstruktuur ook de limiet waar
wij naar streven. Het model van zelforganisatie van het volk is ideologies
totaal tegengesteld aan het model van sociale afhankelijkheid in het
kapitalistiese stelsel
III - AKTIEVE UNIVERSITEIT
Het begrip K.U. heeft zijn intrede gemaakt in alle nederlandse
Universiteiten, er is geen studentenblad dat zijn inspiratie niet liet
gaan in de richting van de "hiegieniese broedbak" die onze universiteit
thans is.
Wat heeft men in al die drukte kunnen redden van de definitie der
Kritiese Universiteit als de inbouw van een permanente maatschappijkritiek
in de universiteit zelf?
"Kritiese Universiteit" is niets anders dan een proces van
bewustwording. Ontdek het nut van het nutteloze!" - aldus een laatste amsterdamse publicatie die de teoretiese basis verder uitbouwt met de zin:
"Een van de uitgangspunten van de K.U. is dat het iedereen vrijstaat er
zijn ideeën over te hebben; de idee van de Kritiese Universiteit bestaat
dus niet."
Het alternatief van de huidige universiteit kan niet zijn een kritiese
universiteit. Ingebouwd in een klassemaatschappij, draagt de huidige
universiteit noodzakelijkerwijs een reeks klassekenmerken. De
universiteit draagt in al haar verschijningsvormen en uitingen de stempel
van de bezittende bourgeoisie en de bevolkingslagen die dezelfde belangen
hebben.
De klassekenmerken komen tot uiting in de bestemming die de
universiteit aan haar leden meegeeft, in de ideologiese en kulturele
inhouden die zij draagt, in de inhoud en de metodes van het onderricht dat
zij verstrekt.
Het alternatief van een universiteit die door de bourgeoisie wordt
gedetermineerd, kan niet zoiets zijn als een 'kritiese universiteit". Het
enige alternatief is een universiteit die in haar funktie en in haar
ideologie is gericht op de arbeidersklasse en de bevolkingslagen die
dezelfde belangen hebben. Laten we proberen deze stelling uit te werken.
De sociale verhoudingen binnen de maatschappij worden afgespiegeld in
de universiteit en vice versa; de sociale verhoudingen aan de universiteit
bereiden de student voor op het aanvaarden van de verhoudingen binnen de
maatschappij.
Hier moeten we twee kenmerken van de klassenstrijd aanstippen.
Vooreerst de feitelijke opvatting die de mens als produktiefaktor
beschouwt. De uitbuiting van de mens door de mens heeft als ekono-miese
grondslag de mogelijkheid dat de ene mens de arbeidskracht van de andere
opkoopt. Het kapitalisme koopt grondstof, arbeidsmiddelen en
arbeidskracht. Om te konkureren zijn de kapitalisten genoodzaakt de
arbeidsmiddelen en de arbeiders van hogere kwaliteiten te voorzien: de
arbeiders krijgen onderwijs. De arbeiders, als toekomstige produktiefaktor,
worden op een welbepaalde manier voor de produktie klaargestoomd in het
onderwijs. Het onderwijs, als instrument van een klasse, vormt de mens tot een produktiefaktor met
precies die kenmerken die de heersende klasse het best kan gebruiken.
Vervolgens de feitelijke verhouding van sociale afhankelijkheid. De
kontradiktie tussen de klasse die de produktie beheerst en leidt en de
klassen die alleen hun arbeidskracht voor produktie kunnen In zetten,
vormt hier de basis. Het produktieproces is een kollektief geheel waar
honderde mensen aan deelnemen. Het resultaat van dit proces, de produktie
zelf, wordt echter door een privé upper-claBs in beslag genomen. Op dit
model is de politieke afhankelijkheid, de kulturele afhankelijkheid, de
sociale afhankelijkheid gebouwd. "Er zijn nu eenmaal bezitters en
niet-bezitters, machtigen en machtelozen, deskundigen en onkundigen,
professoren die kennis bezitten en studenten die geen kennis bezitten."
Onder deze gebruikelijke kreten wordt de diktatuur van de bourgeoisie
over arbeiders, boeren, beambten en studenten onder woorden gebracht.
Deze twee kenmerken van de klassenstrijd krijgen we ook binnen de
universiteit geprojekteerd.
We kunnen wellicht het beste een aantal konkrete dagelijkse feiten
aanhalen waaruit blijkt hoe de student als een produktiefaktor, als een
machine die aan bepaalde eisen voldoet, wordt beschouwd. Het aanleren van
specialistiese feitenkennis en knepen. Ideologiese en kulturele dwang als
het in acht nemen van bepaalde vormen, kledij, opvattingen. Absenties,
aangewezen plaatsen in auditoria, examens waarbij geëist wordt te
reproduceren welke begrippen de prof. gebruikt, welke indeling hij maakt,
welke uitleg hij heeft gegeven.
We stippen ook een aantal feiten aan waaruit de sociale afhankelijkheid
van de student blijkt.
Het absolute gezag van de kurzus, de afhankelijkheid van een strikt
gedetermineerd programma, de totale afhankelijkheid van de prof (je weet
waar je met hem best niet over praat, hoe je hem moet aanpakken, je weet
dat hij je op het tentamen kan kraken.) het tuchtreglement, de
massa-kolleges waar de prof door de omstandigheden zelf niets anders kan
zijn dan een dirigerend pater familias.
Al deze kleine feiten, die' dagelijks indringen, hebben als resultaat
dat wij spontaan, zonder refleksie of reaktie, de mens als produktiefaktor
zien en de sociale onderworpenheid als normaal aanvaarden .
Laten wij dit wat siestematieser ontleden voor wat de inhouden, de
ideologiese en kulturele sferen en de metodes betreft.
I - DE INHOUD VAN HET ONDERWIJS
1. De inhoud van het onderwijs is er de facto op afgestemd mensen om te vormen tot de meest bruikbare produktiefaktor die men wil
inschakelen in de thans bestaande produktieverhoudingen. We halen hierbij
een tekst aan van H. Tanaka, Het onderwijs in Japan, uit Recherches
Internationales, nr 28 van 1960. "De ontwikkeling der produktiekrachten is
noodzakelijk voor de kapitalisten om hun winsten te verhogen. Zij dienen
dus - alhoewel gedeeltelijk - de kwaliteit der arbeidskrachten als element
van de produktiekrachten, op te drijven. Het belang dat het ministerie van
onderwijs eraan hecht om de kennissen met betrekking tot de
natuurwetenschappen te ontwikkelen, stemt overeen met de noden van de
monopolies in een nieuw stadium van ontwikkeling.
Maar de verbetering van de beroepskwalifikatie is onmogelijk zonder het
verhogen van het algemene opleidingsniveau der arbeiders, wat
onvermijdelijk meteen hun bewustzijn verhoogt en hun mogelijkheden tot
strijd tegen het kapitalistiese regime.
De heersende klasse kan niet anders dan rekening houden met deze
gevaarlijke ontwikkeling. Daarom past zij een onderwijspolitiek toe die
erop gericht is in hoofdzaak noties bij te brengen die nuttig zijn voor de
ontwikkeling der produktiekrachten terwijl het onderwijs op andere
gebieden zodanig wordt georiënteerd dat dit bijdraagt tot de
instandhouding der kapitalistiese produktieverhoudingen."
2. Aan de universiteit leren we "feiten" die ons als stabiele, te boek gestelde "dingen" worden ingepompt om die later bij gelegenheid
weer integraal uit te pompen. Wanneer we "praktijk" leren, gaat het om een
aantal knepen, een aantal automatismen, gedragspatronen.
Wij worden zo tot feiten-mensen gevormd die later in staat zullen zijn
een feiten-techniek te behandelen. Dat wil zeggen dat wij binnen het
bestaande produktiesiesteem, een partiële taak kunnen waarnemen. We hoeven
echter niet in staat te zijn het produktiesiesteem zelf te analyseren en
zijn konsekwenties af te leiden.
"De sociologen werden op een steeds enger
wordend specialistenveld gedrongen. De maatschappij als geheel, waarop de
vroegere grote maatschappij-teoretici zich toelegden omdat zij alle
specialiteiten omsluit, is uit het blikveld van de sociologen verdwenen.
De maatschappij als geheel wordt als vanzelfsprekend vooropgesteld en
geignoreerd." Baran en Sweezy in Monopoly Capital.
De verfeitelijking, de
feiten-specialisatie die de grondslag vormt van geheel ons
onderwijssiesteem, heeft politieke konsekwenties. Deze verfeitelijking
staat tegenover het aannemen van een wetenschappelijke analysemetode.
Tegenover het huidige feitenonderwijs dat abstrakt en dirigisties is,
moeten wij een kollektieve teoretiese arbeid der studenten stellen die
bestaat uit lektuur, konfrontatie en discur.fie en waarbij de professor
als technies raadsman optreedt die de metodologiese geldigheid van de wetenschappelijke stellingen
onderstreept. Een kollektieve teoretiese arbeid die de sociale praktijk
van het beroepsmilieu reeds in zich betrekt.
Een algemene metodologie en
een kollektieve praktijk stellen ons in staat een geheel als
probleem te zien en te analyseren. Ze stellen ons in staat de maatschappij
als struktuur in vraag te stellen en te analyseren. Dit zal door de
heersende klasse - en dus door de staat als haar instrument - bestreden
worden als een bedreiging voor haar voortbestaan.
Jean-Pierre Milbergue in Temps Modernes van april 1965: "De
verfeitelijking van de kennis is slechts een nevenresultaat v.m de
opvatting over de mens als feiten-producent, als arbeidskracht, als
produktiekracht. De verfeitelijking van de kennis is een noodzakelijk
resultaat van een regime dat gebaseerd is op de uitbuiting van de mens
door de mens."
3. De inhoud van het onderwijs zelf, de "wetenschappelijke" kennis heeft veelal reeds een klassebetekenis.
Verder zijn aan het afgeleverde diploma een aantal konsekwenties
verbonden: men is meestal genoodzaakt een beroepspraktijk uit te oefenen
in dienst van de heersende klasse.
Dit klasse-aspekt van de universiteit is reeds voldoende bestudeerd
opdat we hier met een aantal voorbeelden kunnen volstaan. Het "Air Force
and Army Chemical Corps" heeft sinds '62 kontrakten afgesloten met de
universiteiten van Pennsylvenia, Delware, Brown, Illinois, Cornell en Utah.
Scheikundigen en biologen bereiden de chemiese en biologiese oorlog in
Vietnam voor.
Het pentagon heeft een aantal psychologen opdracht gegeven 'de reak-tie
van de publieke opinie te bestuderen in geval van gebruik van
bakteriologiese wapens'.
Sociologen en psychologen worden in grote ondernemingen gebruikt om
revolterende arbeiders op te sporen en uit te schakelen, om elke sociale
arbeidersbeweging te voorkomen.
Bij de studie van talen en litteratuur wordt de kunst van een bepaalde
tijd losgemaakt uit zijn sociale grond. Deze "abstrakte" kuituur boven de
klassen verheven, komt overeen met de metafiesie-se ideologie der
heersende klasse. De kuituur komt wezenlijk voort uit het leven en de
strijd der verschillende klassen. Studenten in de geneeskunde krijgen
patiënten 'voorgeschoteld' die helemaal losgemaakt zijn uit hun sociaal
milieu. Zij worden herleid tot objekten, geldend voor feiten-studie. De
benadering van de mens als objekt, los uit zijn sociaal milieu, is een
burgerlijke benadering die de uitbuiting van de mens door de mens als
basis heeft.
Juristen studeren het recht dat in een klasse-maatschappij niets anders
kan zijn dan de wettelijkheid van de heersende klasse. Opgenomen in het
grote bedrijfsleven moeten zij binnen deze 'wettelijkheid' de paden zoeken
naar de grootste winstmogelijkheden van de heersende klasse.
II - DE IDEOLOGIESE EN KULTURELE KLASSE-INHOUDEN
De ideologiese en kulturele druk die uitgaat van de universiteit drijft
de student naar de bezittende en leidende klassen toe. Ideologie en
kuituur worden meestal als neutraal en 'algemeen menselijk' voorgesteld.
Ideologie en kuituur zijn echter steeds het produkt en de uitdrukking van
een bepaalde klasse. Akademiese plechtigheden, recepties, kongressen,
kontakten met koningen, ministers en industriële leiders. De inrichting
der gebouwen en prive-vertrekken. De akademiese vormelijkheid, houdingen,
taal en verschijning.
Dit alles schept een kulturele en ideologiese sfeer waarin duidelijk is
aan welke kant de studenten moeten staan.
De ekspliciete ideologie van de meeste professoren is de ideologie van
de heersende klasse. Professoren worden rijkelijk betaald door het grote
bedrijfsleven, treden als raadgevers van regering en parlement op, worden
als officiële teoretici van het regime erkend. Dit is de oorzaak noch
gevolg,maar een uiting van het feit dat de meeste professoren zich op het
standpunt van de heersende klasse stellen.
De ideologie van de heersende klasse heeft als basis: de noodzaak tot
rust, passiviteit, gedweeheid van de arbeidende massa. Dit is de
ideologiese voorwaarde tot het in stand houden van een regime van zo goed
mogelijk verholen uitbuiting. Het moet een revelerend eksperiment zijn om
een aantal jonge arbeiders naar de universiteit te sturen waar ze een
gesprek hebben met de rektor, een paar officiële diensten aflopen, een
akademiese plechtigheid bijwonen, een kollege bijwonen volgen, een paar
dagen de ideologie en de kuituur van de universiteit over zich heen laten
gaan. De botsing met hun arbeidersideologie moet totaal zijn.
De ideologie der arbeidersklasse is een ideologie die voorkomt uit de
klassenstrijd, zolang de arbeiders de afhankelijke, uitgebuite klasse
zijn.
De ideologie van de heersende klasse lijkt het soms te halen: de
arbeiders lijken rustig, passief en gedwee. De ideologie der bourgeoisie
kan op een bepaald ogenblik de arbeidersideologie in sterke mate
overvleugelen en onderdrukken. Men kan daar echter nooit uit besluiten dat
de arbeiders de ideologie der burgerij hebben overgenomen. Dit is gezien
hun objektieve materiële positie onmogelijk en dit blijkt ook tijdens
krizissen, recessies en revoltes.
III - METODE ONDERWIJS
De metode van het onderwijs brengt de sociale afhankelijkheid,
bestaande in de kapitalistiese maatschappij, over in de universiteit. De
analyse van de metodes moet dan ook onmiddellijk verwijzen n.i.n het model
der sociale afhankelijkheid dat binnen de maatschappij bestaat.
Zonder dit laatste element blijft men op het vlak van de psycholo giese
revolte en de akties die daaruit voortkomen hebben alleen als doel de
"scherpe kanten' van het systeem af te ronden.
a. Het geinstitutionaliseerd gezagspatroon
Het 'absolute' gezag van de professoren en overheid, tegengesteld aan
het princiep van de vrije discussie op basis van gelijkheid. Dat dit
'gezag' aan de universiteit gemakkelijk kan geprovoceerd worden tot een
'autoritaire macht' werd in zowat alle steden bewezen.
De konflikten spelen zich af tegen een bepaald professor of tegen de
instelling en haar administratie in het algemeen. Deze konflikten zijn
onontkoombaar omwille van het klassekarakter van de universiteit.
We hebben er reeds op gewezen dat de universiteit als instelling en een
groot gedeelte van haar professorenkorps, ideologies en sociaal tot de
heersende bourgeoisie behoren. Zij waken over het klasse-karakter van het
professorenkorps van de universiteit wat ze dan tot uitdrukking brengen
met "akademiese waardigheidsnormen, de mores van de alma mater, het
respekt voor de onaantastbaarheid van het professorenambt."
Het zijn precies deze kenmerken die het ideologies patroon van de
universiteit vormen, een ideologie die de Ideologie van de bourgeoisie is,
ons afstemt op, richt naar en geestelijk opneemt in de Bfeer van de
bourgeoisie.
Dit alles gebeurt niet 'rationeel verwerkt' maar door het feit dat de
universiteit en de meesten van haar professoren een integraal deel
uitmaken van de bourgeoisie kunnen zij onmogelijk 'spontaan' een andere
ideologie verspreiden.
Aldus krijgt het gezag en de autoriteit een politieke dimensie, dat wil
zeggen zij zijn een instrument in handen van een bepaalde klasse tegen de
andere klassen.
We moeten elk konflikt met professoren en administratie tot zijn
uiterste grens drijven: tijdens krisissen krijgt men het ware gelaat te
zien van de heersende klasse die zich anders verschuilt achter een
liberaal-humanistiese woordenschat.
Tijdens konflikten moet men macht gebruiken, moet men zichzelf stellen
tot autoriteit die de ideologiese en socio-ekonomiese positie van de heersende klasse afschermt.
Aldus blijkt dat ook het 'oplossen van konflikten door overleg' een
illuzle of bedrog Is. Dit overleg kan op geen enkele manier de ideologiese
en sociale klasse-positie van de administratie in het gedrang brengen. De
studenten kunnen zich ten hoogste 'eervol' neerleggen bij de
klasse-positie van de universitaire instelling. Een tweede gevaar bij het
aangaan van een konflikt is, dat men alles op het psychologiese vlak
houdt. Gezag en autoriteit kunnen inderdaad een aantal wrijvingen met de
individuele vrijheidszin verwekken. Deze psychologiese reaktie heeft een
sterk model als basis: de gezagsstruktuur binnen het familiekader.
Een zelfde gezagsrelatie zal later teruggevonden worden tegenover het
bureaukraties overheidsapparaat.
Men moet deze psychologiese zijde onmiddellijk doortrekken naar de
politieke en maatschappelijke dimensie van het konflikt: de autoriteit
beschermt, in een refleks van zelfbehoud, de heersende klasse en haar
ideologie waar zij deel aan heeft.
b. Sociale afhankelijkheid
De institutie, de machinerie van de universiteit zelf determineert de
student tot een positie van sociale afhankelijkheid. Iedereen is
afhankelijk van de gedoceerde kurzus, de blinde gestolde Waarheid; het is
een beweging in één richting: van boven uit kurzus of boek wordt kennis
gedropt.
Over het hele jaar wordt een afhankelijkheidssfeer gekreeerd alleen al
door het doel van de studie: het eksamen. Het eksamen dat in onze
struktuur in laatste instantie een totaal willekeurig eenzijdig proces is.
De arbeider wordt bij zijn baas op het matje geroepen, de dorpeling wordt
door zijn pastoor berispt, de burger verschijnt voor een ambtenaar van het
apparaat, de student verschijnt voor zijn prof. Dit zijn uitingen die in
zichzelf zonder betekenis zijn, maar die een duidelijke politieke dimensie
krijgen in een systeem waarin de sociale afhankelijkheid van de werkende
mensen tenover-staan van de leidende klasse een premisse is.
De student is sociaal afhankelijk ten opzichte van zijn prof naar wiens
Absolute Waarheid hij zich moet richten, naar wiens psychologie hij zich
te plooien heeft, wiens ex-cathedrametodes hij als een soort geestelijk
dienaar moet ondergaan.
Men zal dit opnieuw in de psychologiese en personalistiese hoek duwen:
iedereen heeft menselijke gebreken, er zijn fouten die nu eenmaal inherent
zijn aan alle groeperingen van mensen enzovoort. We moeten de nadruk
leggen op de struktuur, op de blinde machinerie van het onderricht met
zijn determinanten: kurzus, eksamen, eks-cathedrametode, een onderricht
dat zijn ware dimensie maar blootgeeft wanneer men het beschouwt in een
maatschappij die helemaal wordt bepaald door strukturen, machinerieën van
afhankelijkheid. We moeten de politieke betekenis van de feiten
analyseren: hoe ze allen dezelfde kant uitgaan, eenzelfde 'instelling' van
de student als gevolg hebben, een instelling die 'toevallig' de
levensnoodzakelijke voorwaarde is van de bestaande kapitalistiese
produktie-verhouding. Deze verhouding is die tussen een bezittende klasse
en de groepen die aan haar belangen zijn gebonden en aan de andere kant
een grote massa die niets anders bezit dan haar arbeidskracht. De
voorwaarde is: politieke, sociale, ideologiese, kulturele afhankelijkheid
van de volksmassa ten overstaan van de heersende klasse.
c. Abstraktie en Fraseologie
Tot de ideologiese uitrusting van de heersende klasse behoort Bindf
eeuwen een spekulatieve abstraherende metafiesiese teorie. Deze
ideologie is steeds een wapen om het bestaande bestel te verdedigen.
Het is de praktijk, de levende aktie, die een bestel kan omverwerpen.
De metafisika, de spekulatie, de mystiek sluiten zich zoveel mogelijk af
van de levende praktijk. Daardoor schakelen zij de stuwkracht voor
maatschappelijke omwentelingen uit.
De teorie wordt losgemaakt van de levende praktijk en wordt aldus de
mogelijkheid van konkrete maatschappelijke omwentelingen ontnomen. De
teorie resulteert in een reeks metafisiese 'eeuwige waarheden' die door
hun 'blijvende' karakter de bestaande orde bestendigen.
De basis voor deze ideologiese bovenbouw is de ekonomiese opsplitsing
tussen de produktiemiddelen bezittende klasse en haar medebestanders en de
massa van het volk die alleen haar arbeidskracht kan te koop aanbieden.
Eenzelfde opsplitsing scheidt- de heersende burgerlijke ideologie en
kuituur af van de levende praktijk van de volksmassa. De siestematiese
vernietiging van de volkskultuur was een noodzaak voor het siesteem. Het
bracht een opgelegde, ontsmette in het bestel geïntegreerde pseudo-kultuur
in de plaats die op de heersende klasse is afgestemd.
Voorbeeld
kultuurcentra, officiële kultuurorganisaties, T.V., magazines. De
vernietiging van eigenlijke kuituur werd vooral bewerkt door de scheiding
tussen totale en partiële rationaliteit. Iedereen loopt tot 16 jaar school
en is in staat gedurende deze tijd een aantal kennissen te verwerven
denkmetodes aan te leren. Geheel deze rationaliteit wordt echter
uitsluitend gericht op partiële onderwerpen, ïotaal-kritiek en
totaal-analyse wordt niet aangeleerd. Het geheel der maatschappelijke
struktuur blijft rationeel 'onderontwikkeld gebied' terwijl deelproblemen
rationeel 'hyperbewerkt' worden.
Wanneer we vastgesteld hebben dat de teorie en de ideologie van de
heersende klasse langs honderd kanalen onze universiteiten determineren,
komt het erop aan de alternative pool aan te duiden.
De specifieke ideologiese uitrusting van de arbeidersklasse bestaat uit solidariteit en
bewustwording door klassenstrijd. Er is geen teorie los van de levende
praktijk. Integendeel, de aktie zelf plaatst de arbeider als uitgebuite en
misleide groep tegenover een siesteem dat door zijn funktioneren zelf de
mens als produktiefaktor beschouwt en de maksimale winst als enig doel
heeft.
De kontradiktie blijft permanent aanwezig en komt soms tot
eksplosie, wanneer een aantal objektieve faktoren meespelen. Deze aktie
zelf resulteert in klassebewustzijn, kuituur ideologie. Dat deze
ideologische momenten moeten uitgewerkt worden door intellektuelen of
intellektueel gevormden spreekt voor zich.
Het bewustzijn van de kubaanse landarbeiders, de teorie van Lenin en
Mao Tse Toeng, de revolutionaire strijdliederen, poëzie, romans, het
opbloeien van volkskultuur: dat alles vormt de ideologie van de
arbeidersklasse, gewonnen uit de praktiese strijd en aktie.
IV - PRAKTIJK
Nadat we uitgemaakt hebben dat de ideologie, metode en inhoud van de
universiteit een klasse-betekenis hebben (uitingen zijn van de burgerlijke
ideologie) proberen we te formuleren wat hun alternatief is binnen de
arbeidersideologie en arbeidersbeweging. We moeten nu in de praktijk
konkrete voorbeelden aanhalen waarin de burgerlijke ideologie speelt en
daartegenover modellen formuleren die hun radikale tegengestelde zijn.
Voorbeelden
De kurzus als Vaste Waarheid, en als ex-cathedra-objekt.
We kunnen voorstellen een aantal wetenschappelijke publikaties op te geven, waar we dan één werk uitkiezen om het in kleine groepen te analyseren en te discussieren. Een assistent of professor, niet altijd dezelfde moet,aanwezig zijn als technies raadsheer, niet als gespreksleider.
Het eksamen dat hierop volgt zou van een heel nieuwe aard moeten zijn.
De student brengt een onderwerp naar voor dat hij speciaal heeft doorgenomen; wellicht kan men ook een klein rapport uitbrengen.
De programnatie zou moeten bepaald worden door professoren,
assistenten en studenten; het programma bevat een kern van verplichte
vakken terwijl de student zelf een aantal willekeurige andere vakken kan
kiezen.
Maatschappijkritiek moet binnen de universiteit gebracht; het
organiseren en uitzoeken van deze kritiek moet echter door de
studentenorganisaties zelf gebeuren.
De studenten maken thans een tesis; daarbij zijn ze reeds
gedetermineerd door hun universitaire opleiding en met name door een
feiten-onderwijs, een afwezigheid van maatschappelijk inzicht en een
individualistiese metode.
Tesissen kunnen gemaakt in collektieve arbeid tussen bv. een
psycholoog, socioloog en ekonoom; men kan een onderwerp nemen dat
maatschappelijke kontradikties raakt.
Een werkgroep van een fakulteit kiest een zeer specifieke kurzus
uit. Men kiest er een die veel elementen insluit: een professor die een
machtspositie bekleedt binnen de politieke of ekonomiese wereld, die zeer
autoritaire onderwijsmetodes gebruikt, die ideolo-gies zeer reaktionair is
gedetermineerd, die een inhoud aan zijn kurzus geeft die de overleving van
het kapitalisme als doel stelt. Deze werkgroep discussieert en schrijft
een kuvzus-kritiek, een uitvoerig dokument waarin zeer siestematies
inhoud, metode, ideologie en maatschappelijke opvatting van de kurzus
wordt geanalyseerd.
Dit rappoort wordt onder alle studenten verspreid en dient als basis
voor discussie onder studenten en met professoren.
Men kan aan de hand van de kurzus ongeveer weten wanneer een prof een
bepaald onderwerp zal behandelen. Soms wordt van een relevant hoofdstuk
een zéér ideologiserende klasseinterpretatie gegeven. Een werkgroep kan
dit hoofdstuk vooraf bestuderen en analyseren. Men kan aldus een
georganiseerde discussie aangaan met de professor, wanneer hij dit
onderwerp in het kollege behandeld.
We kunnen nu reeds parallel-seminaries inrichten over onderwerpen die niet aan de universiteit worden behandeld.
De studenten nemen zelf een initiatief en vragen de medewerking aan progressieve assistenten en professoren.
Men kan ook een buitenlandse prof of deskundige uitnodigen.
iV - DE SYNDIKALE ORGANISATIEVORMEN
- Boven
I - GRONDSLAGEN
De syndikale aktie komt voort uit het inzicht in de histories bepaalde
kontradiktie tussen de gewone 'werkende' massa en de heersende groep met
zijn eigen ideologie, organisatievorm, schemata. De belangen van de
werkende massa zijn, binnen ons stelsel, radi-kaai onverzoenbaar met
belangen van de heersende upper-class. Laten we een aantal kontradikties
tussen de werkende massa en de heersende upper-class opsommen.
De behoefte aan zoveel mogelijk produkten roor 'de levensvoorziening
tegenover de behoefte aan maksimale winst. De kollektieve arbeid van de
mensen en de private toe-eigening door een upper-class. De behoefte aan
totale mens-ontplooiing tegenover de behoefte aan eng-gespecialiseerde
robotmensen.
De syndikale organisatie is de organisatievorm die de strijd van de
massa voor haar belangen optimaal vorm geeft.
De belangen van de massa zijn radikaal tegengesteld aan de belangen van
de upper-class. Daarom is de organisatie»vorm ook totaal en radikaal
verschillend.
De organisatie van de heersende klasse beoogt een perfekte status-quo,
de stilstand, het stilzwijgen, de onwetendheid, de passiviteit.
Bureaukrat ie,dirigisme, formalisme en formeel-parlementarisme zijn
organisatievormen die het beoogde doel der status-quo perfekt waarmaken.
Organisatories en ideologies behoren deze vormen tot de wapens van de
heersende klasse.
We moeten deze vormen niet alleen afwijzen, maar ook nauwlettend
gadeslaan of ze niet ongemerkt in onze organisatie binnendringen.
Omdat wij in een maatschappij leven waarin bureaukratie, dirigisme,
formalisme en formeel-parlementarisme werkelijk excessieve vormen aannemen, is het zeer moeilijk onze organisatie zuiver te houden. We
moeten ons permanent met zelfkritiek ter' zake bezig houden.
Welke eisen worden nu aan onze organisatie gesteld? Onze organisatie
moet de aktieve mobilisatie van de studentenmassa voor haar eigen belangen
mogelijk maken.
Onze organisatie moet in staat zijn de gronden van de problemen aan te
wijzen in de ekonomiese verhoudingen en hun sociale resultaten.
Daarvoor is een ideologies-getrainde en op de praktijk afgestemde kern
nodig. Een kern die mensen aanspreekt door zijn praktijk,zijn konkrete
aktie en die deze mensen ook teoreties kan aangrijpen door een
fundamentele analyse der verschijnselen.
Wij moeten onze aanhang opbouwen, beetje bij beetje moeten wij een
militante groep formeren. We moeten onze aanhang verwerven, veroveren.
Deze aanhang moet gesmeed worden in de permanente ideolo-giese strijd
binnen onze groep en in de permanente aktie-strijd van onze groep naar
buiten toe.
Deze groep is het sluitstuk en de kern van onze organisatie. Alleen
deze groep zal immers een re'ele betekenis hebben in de later strijd
binnen de maatschappij: het aantal mensen dat inderdaad wil werken aan de
voorbereiding en de analyse van een nieuwe maatschappij zal niet zo hoog
oplopen. We moeten ons geen illusies maken over "duizende" effektieve
aanhangers binnen de studentenwereld.
Strategies stemmen wij onze organisatie dus af op een beperkte
militante of getrainde groep, die een paar honderd mensen kan bevatten.
Strategies, dit wil zeggen in onze algemene, fundamentele plannen,
stemmen wij ons niet af op duizende leden.
Op het vlak van de taktiek' echter is onze eerste en belangrijkste
bekommernis:zo veel mogelijk studenten bereiken.
De verwezenlijkingen, akties, bijeenkomsten naar buiten toe moeten op
alle studenten zijn gericht, we moeten er iedereen proberen bij te
krijgen.
Dit houdt in dat wij afstand doen van alle uiterlijke partij
pretenties. Onze partij op de voorgrond willen plaatsen, steeds op de
eerste rij willen staan, partij-sukses najagen is verkeerd. Dit houdt in
dat wij alle ruzies met andere organisaties vermijden. Wij moeten er dus
angstvallig op letten nooit officieel en struk-tureel in het krijt te
treden tegen andere organisaties. Verkiezingen zijn een struktureren van
partij-ruzies die volmaakt sekundair zijn omdat partijvorming binnen de
studentenwereld niet gebeuren op objektieve, materiële gronden. Waarom is
een "rechtse" SVB-er bij SVB en een "linkse" VNSU-er of NSA-er niet?
Dit houdt in dat wij een aantal akties moeten beginnen die zich tol
de hele studentenmassa richten en hen op de meest sensibele punten grijpen. Het zou verkeerd zijn dit niet te doen "omdat iedereen daaraan
werkt" of omdat dit "geen progressief onderwerp is". Leuven Vlaams,
Beursbezuinigingen en Ontdubbeling Brussel zijn uiterst belangwekkende
voorbeelden.
Naar binnen de organisatie moeten wij zoveel mogelijk kwalitatief
werken: we stellen hoge eisen voor de praktijk der militanten, voor de
ideologiese discussie en voor de persoonlijke teoretiese studie. De
militanten moeten kwalitatief inzake maat schappij-teorie beter geschoold
en getraind zijn dan hun potentiële tegenstrevers.
Naar buiten toe moeten wij zoveel mogelijk openstaan voor nieuwe
mensen, hen aanspreken, meningen vragen, discussieren. We moeten ons, als
militant, zoveel mogelijk op de andere studenten richten.
Het zou kunnen dat de syndikalisten, door een doorgedreven training een
uitgelezen en sektariese groep gaan vormen.
Dit moet voorkomen worden door
deze syndikalisten hun plaats te wijzen in de aktie en diskussie met de
massa.
Op de buitenstaanders maakt deze taktiek de beste indruk:men ziet een
ernstig werkende, teoreties en prakties aktieve groep die wel klein is,
maar toch blijkbaar openstaat voor iedereen; die wel als ekstremisten
worden beschouwd, maar die toch blijkbaar een rationele en beheerste
teorie ontwikkelen; die wel een eigen ideologie opbouwen maar die toch
blijkbaar met iedereen diskussieren zonder dogmatiese hooghartigheid.
Laten we het ontstaan van de syndikale beweging te Leuven als voorbeeld
nemen van de opbouw van een syndikale organisatie.
- Te Leuven had het katoliek vlaams hoogstudentenverbond een 13000 tal
leden, die een ongeordende, ongekende, willekeurige massa vormden. Men
sloot aan om traditionele of sekundaire redenen.
Er kon dus geen sprake zijn van een bewuste lijn, een betekenis, een
gerichte kracht. Het beste was niemand tegen het hoofd te stoten, onder
zijn leden een soort status-quo te handhaven. Bureaukratie en formalisme,
wapens die ook de status-quo van de heersende klasse waarborgen, waren
inherent aan de organisatie.
- In deze struktuur werd een kern opgebouwd van een 6-tal mensen die
een organisatie wilden die militant, radikaal, geëngageerd voor de rechten
van de massa zou strijden.
Deze kern kon een enorme invloed uitoefenen door het feit dat zij de
publikatiemedia in handen hadden en die ook siestematies voor het
verspreiden van hun ideeën gebruikten.
- De oude struktuur verzette zich tegen deze ontwikkeling die
spanningen, discussies, strijd binnen de vereniging teweegbracht en die
dus de status-quo zou doorbreken en het onsamenhangend geheel der 3000
leden zou versnipperen.
- De kern syndikalisten dreef zijn eigen teoretiese onderlegdheid op; ze
bleven uiterst radikale en militante teksten publiceren: ze gingen elk
kompromis tegen en kwamen daardoor in permanente diskussie en teoretiese
strijd terecht.
Het resultaat hiervan was dat een 50-tal "potentiële" syndikalisten
zich sterk aangetrokken voelde door deze manier van handelen; dat een 100
a 200 mensen sympatie hadden voor de radikale "ketters" en dat honderde
studenten zich als gevoelstegenstander van dit soort extremisme opwierpen.
- Waarom kon de syndikale kern niet in het hoogstudentenverbond blijven
om het van binnen-uit te radikaliseren?
De leden van de vereniging blijven bijeengegaard op een zuiver
willekeurige en toevallige basis; het is een verzameling van links en
rechts en die daartussen in. Mensen die radikaal over
maatschappij-vernieuwing willen nadenken en hieraan willen bouwen, kunnen
midden zo'n willekeurige groep geen gunstig klimaat vinden.
De vereniging zou steeds een rem blijven zetten op de vrije
ontwikkeling van de radikaal syndikale beweging. Omwille van een instinkt
tot zelfbehoud, dit is tot behoud van 3000 willekeurige leden, moet de
vereniging telkens opnieuw een kamp beginnen tegen de
ekstreme-syndikalisten.
Voor het instand houden van een heterogene massa-vereniging is het
noodzakelijk bureaukraties en dirigisties te werken. Bureaukratie en
dirigisme sluiten immers discussie, botsing en ideologiese strijd uit. Het
is duidelijk dat een syndikale beweging niet kon leven binnen zo'n
struktuur.
- De syndikale beweging moest zich afscheiden van de oude vereniging om
haar eigen doelstellingen levend te houden.
Waarom heeft die beweging dan sukses gehad?
Vooreerst omdat de kaders een jarenlange permanente strijd achter de
rug hadden zowel op het ideologiese vlak binnen de oude vereniging als op
het praktiese vlak van de massa-mobilisatie naar buiten toe.
Dit is zeer belangrijk. De kaders waren reeds getraind in de praktijk
en hadden in de praktijk een zekere erkenning bij de studenten
afgedwongen. Dit was een absolute voorwaarde voor het sukses. Men moet dus
niet automaties de taktiek van: "afscheuren met de radikale vleugel"
lanceren.
Ten tweede omdat men een aantal zuiver materiële omstandigheden
aanwezig vond .
De radikale syndikalisten hebben steeds de beschikking gehad over een
weekblad waarin ze hun ideeën konden formuleren en laten in-druppen.
De syndikalisten hebben steeds een gemeenschapshuis gehad waar een
permanente kern aanwezig was en waar iedereen bijeen kon komen.
Publicaties en gemeenschapshuizen zijn van uitzonderlijk belang. De
betekenis moet grondig worden ingezien.
Ten derde omdat men tenoverstaan van de vroegere "moedervereniging" een
juiste politiek voerde.
Men heeft zich niet opgesteld tegen deze vereniging maar zoveel
mogelijk een politiek van samenwerking op de gemeenschappelijke
interesse-gebieden voorgesteld. Na een maand had men een perfek-te
samenwerking, die echter gebeurde op een basis die enorm ver verheven was
boven het peil dat men vóór de scheiding bereikte.
"We moeten eerst
definitief uiteengaan, vooraleer we ons verenigen."
Ten vierde omdat men, voor alle problemen die in de studentenwereld
rezen, de meest grondige analyse kon naar voren brengen. Men was
kwalitatief een stap vooruit.
II - ORGANISATIE-SCHEMA
De konkrete organisatie rust op twee pijlers.
De ene pijler wordt gevormd door de fakultaire kernen.
De tweede pijler wordt gevormd door de studie- en aktiekernen.
Fakulteitskernen
We proberen in elke fakulteit een tweetal syndikalisten te vinden. Met
hen wordt gediscussieerd over de grondslagen van de beweging, ze moeten
deelnemen aan een paar konkrete akties.
Daarna wordt hen gevraagd een militantengroep samen te stellen van een
10-tal mensen uit de fakulteit.
Met deze groep nieuwe mensen wordt opnieuw in een vrije discussie van
gedachte gewisseld over de bedoeling van de progressieve
studentenvereniging; deze groep moet onmiddellijk een aantal konkrete
akties formuleren.
1. De meeste mensen hebben een gebrek aan zelfs de meest elementaire
politieke scholing. Dit kan ook moeilijk anders, waar zouden ze die
gekregen hebben.
Daarom moet men bij een eerste kontakt vooral proberen het bewustzijn
te wekken van de sociale afhankelijkheid en sociale niets-waarde
van de student (overladen programma's, gezag van de kursus,
gezag van de prof, reglementen en eisen, nutteloosheid van bepaalde
vakken) Dit kunnen de mensen zelf vaststellen. De kadermensen moeten deze
feiten dan stellen in hun fundamentele dimensie: de kapitalistiese
maatschappij gebaseerd op winst en uitbuiting, sociaal gekenmerkt door
totale afhankelijkheid. Zie hierover de stukken over Krietiese
Universiteit en medebeheer.
Een ander punt dat men moet naar voren brengen is de greep van het
monopolie kapitaal op het onderwijs. Het latere beroepsleven, de
financiële bindingen van de universiteit, de funktie van bepaalde
professoren, de universiteit als dienstcentrum voor de grote industrieën,
kunnen hier als voorbeeld gevonden worden. Van hieruit moet men de sprong
maken naar het monopoliekapitaal als rechtstreekse tegenstrever van de
arbeiders om zo onmiddellijk de gemeenschappelijke tegenstrever van
arbeiders en studenten aan te geven.
2. Men moet de mensen zo snel mogelijk inzetten voor konkreet
mi-litantenwerk.
Verspreiden van pamfletten naar aanleiding van specifieke
fakulteits-toestanden of van meer algemene problemen.
Verkopen van het syndikaal blad: het aanspreken van mensen en hen een
bepaald artikel voorstellen, werkt zeer propagandisties,
3. Bijeenkomsten met de fakultaire kern waarop de basisteksten over
Krietiese Universiteit; politieke betekenis der pedagogiese verhouding;
medebeheer en zelfbeheer worden bediscussieerd en in ak-tie omgedacht.
De beweging van de basis, wordt opgevangen in de fakulteitskernen. In
de fakulteitskernen worden de konkrete problemen die dagelijks bij de
studenten sluimeren, gekristalliseerd. Wanneer de militanten de
basisteksten doornemen, zullen zij plots inzicht krijgen in een reeks
problemen die tot dantoe nog verborgen waren. Hun aktie moet die problemen
ook wakker schudden bij de medestudent.
De algemeen universitaire en maatschappelijke problemen worden langs de
fakulteitskernen doorgeseind naar de basis.
Een hele reeks algemene en
fundamentele maatschappij problemen (vanaf fabriekssluit ing tot
fascisatie van het regime en bezoek van de Sjah van Perzië) worden alleen
door de meest politieke studenten geanalyseerd. Deze problemen moeten
onmiddellijk geschematiseerd en uitgelegd en aan de gehele studentenmassa
ter discussie en ter aktie voorgelegd. De schakel tussen centraal bureau
(politiek) en massa wordt gevormd door de fakulteitskernen.
De fakultaire kern is dus het sluitstuk van de organisatie: hij vangt
de beweging op die bij de basis bestaat, hij geeft de aktie door die de
syndikale organisatie opzet.
Fakulteitskernen en het projekt der aktieve universiteit.
De moeilijkheid voor de werking der fakulteitskernen bestaat erin dat
men geen realisties, konkreet programma kan formuleren. Het projekt der
aktieve universiteit biedt hier een uitkomst op lange termijn.
Het
einddoel van de aktieve universiteit kan als volgt bepaald:
- radikale verandering der onderwijsmetodes in de vorm van kollek-tieve,
niet-gedirigeerde arbeid
- de inhoud moet veranderen, zowel wat de programmatie als de
ideologiese inhoud zelf betreft: vrij te bepalen keuze der vakken en vrije
keuze voor de ideologiese richting vm het vak
- discussie en aktie over de beroepsfinaliteit - maatschappelijke implicaties
- vernietiging van de prestigieuse, pretentieuse en hautaine
klassesfeer die de universiteit bepaalt.
Dit is de eindterm - laten we het beginpunt formuleren en een
sies-tematiese weg uit stippelen tussen begin en einde.
1. We beginnen een pamflet uit te delen per fakulteit over de "zin van het beroep."
De zinledigheid van het later beroep wordt bepaald door maatschappij
strukturen die niet de mens als doel hebben.
We roepen op tot een debat-avond over de"zin van het beroep". Het wordt een algemene discussie
over het geheel der universitaire en maatschappelijke ongenoegens.
Op deze debat-avond (waarop we een 15 tal mensen moeten krijgen)
stellen we voor een rapport over "aktieve universiteit" te bestuderen op
een volgende bijeenkomst.
Dit rapport wordt iedereen een paar dagen vó6r de nieuwe
fakulteits-bijeenkomst bezorgd.
2. Studie en discussie over het rapport "aktieve universiteit"
Zie gelijknamige hoofdstuk.
Op deze bijeenkomst worden 2 nieuwe stappen geformuleerd. Vooreerst
wordt de nadruk gelegd op de noodzaak wetenschappelijke studie te
verrichten, wanneer men de A.U. ernstig wil uitbouwen. Basiswerk:
Monopoolkapitaal van Baran en Sweezy. Verder: "Politieke betekenis der
paedagogiese verhoudingen" van Jean-Pierre Milbergne.
Ook: "Marxisme en psychoanalyse" van Baran.
Studie en discussie van een
tekst wordt voorbereid
Ten tweede: men bereid een uitgebreide publicatie
voor over de konkrete uitbouw van de A.U. Voorbeelden van metode en
inhoud. Deze publicatie wordt door de fakulteitskernen van man tot man
verkocht.
3. Discussie in fakulteitsgroep over de fundamentele maatschappelijke
machten: monopolie-kapitaal; fascisatie van het regime. Zie elders in het
werkboek.
De actie- en studiegroepen
We plannen een konkrete aktie: bevoorbeeld een protestaktie van een
20-tal mensen tegen de vestiging van een beroepsleger. We brengen 20
mensen die min of meer pacifisties of anti-militaris-ties zijn bijeen. Men
moet niet verwachten dat al die mensen de teoretiese achtergrond al
bezitten.
Bij deze eerste bijeenkomst wordt schematies de bedoeling geanalyseerd:
in de discussie zal nog vooral naar voor komen: de rechtstreekse afkeer
van het leger zelf, dus de direkte gegevenheid. Samen plant men de aktie:
wanneer, wat, wie maakt pamfletten, hoe kunnen we best aandacht trekken?
Op de pamfletten die we bij de aktie verspreiden, noteren we speciaal:
vanavond, die plaats, dit uur: vergadering over het militarisme. De 20
mensen die de aktie doorvoeren spreken mensen aan om hen naar de
vergadering te doen komen.
Dit moet men van te voren goed afspreken.
's Avonds krijgt men een 30-tal mensen bijeen.
Nu wordt een grondige analyse gemaakt van het beroepsleger, in het
kader van de monopoliemaatschappij. Men toont aan hoe dit verschijnsel een
uiting is van fascisatie en dat de motor van deze fascisatie de ekonomiese
machtsblokken zijn.
Men laat de mensen in vrije discussie zelf voorbeelden bespreken. Na
het discussie gedeelte, plant men een volgende konkrete manifestatie over
een aanverwant onderwerp.
Het is voordelig om een drie a viertal studie-en aktiegroepen in
werking te zetten.
Men moet 4 onderwerpen nemen die zowat alle terreinen beslaan, zodat
men, wanneer plots iets gebeurt, onmiddellijk een groep^ kan laten
werken die zich al met soortgelijke problematiek heeft beziggehouden.
Een onderwerp uit internationale politiek (Vietnam-Bolivië), één uit de
sociale problematiek (een bedreigde fabriek), één uit de
universiteitswereld (paedagogiese verhouding) en één uit de nationale
politiek - een verschijnsel van fascisatie.
We moeten hierbij wel de opmerking maken dat het geen zin heeft over
Vietnam of Griekenland of fascisme te praten, wanneer we niet de
verbinding weten te leggen met wat in ons eigen land gebeurt. Elke
betoging voor Vietnam, die zich niet tegen de NATO richt, is niet meer dan
een cyniese ontspanning.
Elk artikel over Griekenland, dat niet op eenzelfde
fascisatie-verschijnselen in ons land wijst, is een goedkoop slaapmiddel.
Deel 2 - klasse-analyse -
Boven
INLEIDING
Wij willen>ons bezighouden met een progressieve studentenbeweging. Wie
zich als progressief student opstelt, botst onmiddellijk op een reeks
problemen die de studentenwereld te buiten gaan en thuis horen in wat wij
dan "de maatschappij" noemen.
De scheiding tussen student en maatschappij is dan ook onmogelijk en
wie die scheiding toch wil maken, heeft daar bepaalde bedoelingen mee.
Sommigen beweren : "alléén de student is ons probleem ; we moeten ons niet
inlaten met de problemen van de maatschappij, die heel andere problemen
zijn". Zij houden zich dus niet bezig met het veranderen van de
maatschappij, zij willen de maatschappij bewaren zoals ze nu is. Men heeft
het recht deze optie te nemen : de maatschappij moet blijven zoals ze nu
is. Dit is echter - en daar kan men niet onderuit - een uitgesproken
politieke stelling-name. Zo nemen de studenten die beweren zich alléén met
de student en niet met de maatschappij bezig te houden, duidelijk stelling
voor een bepaald maatschappijbeeld : de maatschappij met haar
machtsverhoudingen, instellingen en doelstellingen zoals die in
West-Europa in de tweede helft van de 20e eeuw is gegroeid.
Kijken we nu eerst hoe de student aan de universiteit reeds primair op
een aantal maatschappij-problemen stoot,
De regering financiert het onderwijs, betaalt soms al eens een beurs
uit, stelt wetten voor de toegang, regelt de universitaire expansie. Een
regering is altijd een orgaan van bepaalde machtsgroepen in een
maatschappij.
Het bedrijfsleven neemt de afgestudeerden in dienst, heeft die
afgestudeerden trouwens nodig en gaat het wetenschappelijk onderwijs dus
steeds sterker financieren, zijn eisen aan het onderwijs steeds scherper
stellen.
Ieder eerlijk student is begaan met de demokratisering van het
onderwijs. Hij stelt vast dat maar 10 % van zijn medestudenten uit de
arbeidersmilieus komen. De arbeiders maken zowat 50 % van het volk
uit. De student die dit vaststelt, komt dus onmiddellijk op een negatieve
manier in kontakt met de maatschappij : voor de helft van de maatschappij
is de studie blijkbaar een ontoegankelijke hemel !
De studie is voor ons allen maar een doorgangspoort die rechtstreeks
uitgeeft op een taak in de maatschappij. Het asu dus absurd zijn onze
studie los te zien van de invloed , de sociale machtspositie of de sociale
afhankelijkheid die ons te wachten staat. De student neemt een bepaalde
houding aan tegenover de verschijnselen in de maatschappij.
Hij keurt die maatschappij goed en wil er dus niets aan veranderen -
ofwel ziet hij een aantal onrechtvaardigheden in die maatschappij en wil
hij vechten voor veranderen.
De progressieve studenten willen een totale verandering van de
bestaande machtsstruktuur : zij zien een hele reeks onrechtvaardigheden tegenover studenten, arbeiders, lagere bedienden en
middenstanders, zij zien de onrechtvaardigheden tegenover de arme landen•
Meestal worden ze door één van deze problemen aangegrepen , zien zij dat
deze onrechtvaardigheden uit de struktuur zelf van onze maatschappij
voortkomen en besluiten zij : deze maatschappij moet veranderen.
Wie zijn echter onze vrienden en wie zijn onze vijanden ? Welke
positie nemen de verschillende groepen der bevolking in ? 'Wat zijn de
ideeën van onze vrienden en hoe onderscheiden die ziah van de ideeën van
onze vijanden ?
De meeste studenten vermogen niet om hier een duidelijk gefundeerd
antwoord op te geven. Wanneer iemand onze vriend is, dan is dat een
gelukkig "toeval" dat ie ons net wil steun verlenen. Als hij vandaag een
idee uitspreekt dat wij hebben dan is hij onze vriend, maar morgen kan die
plots onze vijand zijn. Met andere woorden: onze kriteria zijn meestal
subjektief, dit wil zeggen, gebaseerd op de waarde van een individueel
persoon en op "toevallige" persoonlijke eigenschappen, die draaien en
keren naarmate de "wil" en het "inzicht" van die persoon draaien en keren.
I - HET INTERNATIONALE NEOKAPITALISME
- Boven
Onder het eerste blok beschouwen wij de grote, internationaal werkende
banken en industrieën.
In onze Westerse landen werken een aantal banken en industrieën die
maar bestaan dank zij de reusachtige Amerikaanse kapitalen. We stippen
drie fundamentele kenmerken van dit blok aan.
Ten eerste : het gaat om enorm krachtige groepen, die al hun kleine konkurrenten van de markt hebben gedrukt, en dus monopdi. of
quasi-monopolieposities innemen.
Ten tweede : deze groepen hebben een enorm kapitaal vergaard in eigen
land. Op' een bepaald ogenblik blijkt het verder investeren in eigen land
kleinere winsten op te leveren. Daarom 'voert men kapitalen uit' naar
andere landen waar men 1° goedkopere grondstoffen, 2° betere voorwaarden
voor vestiging, 3° goedkopere arbeidskracht, 4° een nieuwe markt kan
vinden.
Ten derde : deze enorm machtige groepen hebben geleidelijk aan belangen
te verdedigen in de hele wereld. De hele wereld wordt onderling verdeeld
in invloedssferen.
In het Westen is de invloed van het Amerikaans kapitaal steeds sterker
: enorme winsten, die toch gemaakt zijn met het werk van Nederlandse en
Belgische mensen, vertrekken zonder meer naar Amerika. Wij hebben ervoor
gewerkt, maar de machtigste groepen - de amerikaanse maatschappijen, gaan
met de winst van dit werk lopen. Wanneer ge dit uitlegt aan onze mensen
zijn ze rechtmatig verbolgen. "Van die vreemde profiteurs wordt het
Nederlandse en het Belgische volk niet beter", zal zelfs een gematigde
besluiten.
Dit machtige internationale blok heeft alleen oog voor zijn eigen, aan
elke natie onttrokken, belang. Wanneer grote amerikaanse groepen hun
rendement in België en Nederland zien verminderen, vertrekken ze zonder
meer ; de verliezen voor onze landen, de werkeloosheid, laten hen volledig
onverschillig.
Deze internationale machten zuigen niet alleen in onze naties grote
winsten uit het werk van onze mensen.
Diezelfde internationale machten zijn immers ook aktief in de derde
wereld, waar de uitbuiting en de willekeur nog veel neer primaire
ken-merken dragen.
Voorbeelden :
Wat is en hoe werkt dit internationale machtsblok ?
Ten eerste : zijn belangen ontsnappen ons, ze liggen op een
supranationaal vlak ; boven onze naties parasiteren een aantal machtige
groepen die alleen leven om zichzelf te verrijken.
"Shell international Finance NV heeft het voornemen een 6,5 % procent 12 jarige lening van 50
miljoen dollard uit te geven. Beursnoteringen te Londen, Amsterdam, New
York, Genève. N.M. Rotschild and Sons, Morgan and Cie, International S.A.
en I1L11, Samuel an Co ltd hebben de leiding van een internationaal
syndikaat dat de lening zal uitgeven en de plaatsing ervan zal garanteren."
Ten tweede : de grote internationale blokken hebben hun basis meestal
in Amerika. Het amerikaanse kapitaal wordt in onze landen geïnvesteerd en
de winsten vertrekken naar het buitenland. Hoe meer vreemde machtsblokken
zich bij ons vestigen, hoe grotere winsten worden uitgevoerd. Dat noemt
men kolonisatie : de industrie van een land gaan overheersen en de winst
wegslepen.
voorbeeld :
In 1961 bedroegen de amerikaanse investeringen in
België 9 miljard (3.980 miljoen). In 1965 bedroegen zij reeds 16
miljard ! Deze 16 miljard vormen 89 % van de buitenlandse
investeringen.
voorbeeld :
"De vreemde firma's te Antwerpen werken met Belgisch personeel, Belgische technici, vaak ook een Belgische direktie en Belgisch hoger kader. De haven wordt uitgebreid, de gronden verhoogd, water en elektriciteit gelegd (Dit alles gratis!) bovendien krijgen ze nog honderden miljoenen te leen van de Nationale Maatschappij voor Krediet aan de Nijverheid.
Maar een firma als Esso zendt jaarlijks een kwart miljard frank winst naar de USA. Met de winsten van de buitenlandse bedrijven, kon men te Antwerpen de havenwerken royaal financieren".
Ten derde: Onze eigen "hoogste toplaag" de regering en de machtige industrieën
steunen deze Amerikaanse uitzuiging van onze landen. Zij "verkopen" ons
aan de internationale blokken, waarvoor ze naar verdienste worden beloond.
voorbeeld :
Van Offelen, thans minister van ekonomische zaken in België boodt
tijdens een bezoek aan de USA de volgende vestigingsvoorwaarden aan de
Amerikaanse machtsblokken :
- geen belastingen gedurende 5 jaar.
- de Belgische regering waarborgt de infrastruktuur : wegen, kanalen ,
bruggen.
- subsidies die de intrest van het geleende kapitaal gedurende 2 jaar dekken.
- subsidies die de interest van het geleende kapitaal tot aan 5 %
dekken, voor de volgende 3 jaar.
- de regering waarborgt 3/4 van het beginkapitaal.
Voorbeeld:
De lonen in eenzelfde tak, zijn in onze landen ongeveer de helft lager
dan in de U.S.A. Hier dus ook een super-winst voor de Amerikaanse
bedrijven.
Ten vierde: de Amerikaanse industrieën voeren hun krizlssen uit naar
onze landen. Wanneer ze minder bestellingen krijgen, sluiten ze
onmiddellijk hun "dochter-ondernemingen" in Europa.
Voorbeeld:
Amerikaanse breimachinefabriek Scott and Williams, te Brugge opgericht
in 1960. Brugge schonk gratis de grond en de gebouwen; de gebouwen alléén
kostten 20 miljoen B.Fr. Er zouden 500 arbeiders werk vinden.
Het bestuur deelde mede...: Deze fabriek, die overigens nooit meer dan
250 man heeft tewerkgesteld, werd nu gesloten. Het bestuur deelde mede dat
de oorzaak zit in de steeds scherper wordende kon-kurrentie van
Tsjechoslowakije. (Uit Het laatste Nieuws dd. 20.10.67)
Voorbeeld:
De Ford-fabrieken te Genk kennen telkens afdankingen en
loonsverlagingen wanneer de auto-markt wat minder loopt.
II - HET NATIONALE KAPITALISME
- Boven
Onder het tweede blok beschouwen we de nationale, de plaatselijke
industriële en kommerciële groepen.
Deze groepen hebben dezelfde oogmerken als de grote internationale
machten: zoveel mogelijk winst maken; zo laag mogelijke lonen, zo duur
mogelijk en zo veel mogelijk verkopen enzomeer.
Zij bezitten echter niet de drie fundamentele kenmerken van de
in-ternationationale groepen: monopoliepositie; uitvoer van kapitalen;
verdeling van de wereldmarkt.
Hun twee markanste kentrekken zijn de volgende.
Ten eerste: deze kleinere industrieën geraken steeds meer afhankelijk
van de grote geldmachten. Ze hebben leningen nodig, de grote banken geven
geld maar eisen terzelfdertijd toezicht op de hele produktie. Wanneer de
eerste tekenen van zwakheid optreden, grijpt de grote bank in en slokt de
fabriek op. Van zodra ze 'n dergelijke som hebben verleend, hangt het
bedrijf in laatste instantie van hen af!
Voorbeeld:
De bankmaatschappij Eurofinance, gevestigd te Parijs en gevormd door 12
Amerikaanse en Europese banken, bezit 20.000 geheime rapporten over de
preciese toestand in 20.000 Europese bedrijven. Ze weten wat er gebeurt,
wanneer zij het best kunnen ingrijpen... (Het Algemeen Handelsblad d.d.
20.10.67)
Ten tweede: deze nationale en plaatselijke bedrijven hebben steeds meer
te lijden onder de enorme druk van de grote internationale blokken. (Om te
kunnen konkurreren gaan ze soms véél strenger en harder zijn voor hun
arbeiders dan de machtige internationale groepen.)
De dreiging uitgeschakeld te worden laat hen eigenlijk nooit volledig
los.
Voorbeeld:
Het algemeen Handelsblad noteert op 23 oktober dat tijdens de maand
september 224 faillissementen werden geboekt in Nederland.
Voorbeeld:
"Over ongeveer 1400 van de rond de 8.000 aanvragen om hulp bij de
beëindiging van bedrijf zal per 31 december van dit jaar een beslissing
zijn genomen" Het Parool, 19 oktober.
Voorbeeld:
In 1965 werden in België 796 bedrijven bankroet verklaard; in 1966
waren het er 940.
Hoe moeten wij deze groepen nu beschouwen? Welke is onze houding?
1. Deze bedrijven zijn en blijven kapitalistische ondernemingen, willen
dus voor zichzelf zo véél mogelijk winst maken ten koste van de arbeiders.
2. Gebukt onder de druk van de grote internationale machten,hebben deze
bedrijven een enorme afkeer van die grote krachten die zij niet aankunnen. Hoe meer ze bedreigd worden, hoe harder ze de
internationale blokken vervloeken.
3. Hun verwachtingen gaan vooral in de richting van het verleden, toen
die grote internationale machten nog niet bestonden en de nationale bedrijven onderling de nationale markt verdeelden.
Besluit:
We hebben met hen een gemeenschappelijke vijand: het internationale
groot-kapitaal.
In tijden van voorspoed zal sterker naar voren komen dat zij
kapitalistische ondernemingen zijn: ze maken goede winst en keren zich af
van de progressieve beweging.
In tijden van regressie zal sterker naar voren komen dat zij
tegengestelde belangen hebben aan de grote internationale machten en
zullen zij meer welwillend staan tegenover de strijd tegen die
grootmachten.
III - DE KLEIN BURGERIJ
- Boven
Onder het derde blok beschouwen wij allen die zelfstandig, zonder
rechtstreekse loonarbeid aan derden te leveren, in hun levensonderhoud
voorzien. Zij worden meestal "de klein-burgerij" genoemd.
Vallen daar
bijvoorbeeld onder: klein-handelaars, winkeliers, de gewone groep der
intellektuelen (studenten, leraars, kleine dokters en verplegers,de
welstellende boeren, kunstenaars, de dienstsektor.
Ze hebben allen
dezelfde ekonomische basis: ze zijn niet rechtstreeks als lid van een
groep ingeschakeld in de dienst van een fabriek of een instelling, ze
verdienen "zelfstandig" hun brood. Ze hebben allen eenzelfde instelling:
ze hebben een enorme belangstelling voor het individu . De waarde en de
macht van de enkeling zijn hun hoofd-kriterium. Men legt een nadruk op de
psychologische eigenschappen, de intellektuele vermogens, de wil enzovoort
van het individu. Maatschappelijke vooruitgang of regressie beschouwen ze
als het werk van één (of 'n groep) individu(en).
Voorbeeld:
De klein-burgerij zag in Kennedy, de sympatieke, eerlijke
persoonlijkheid, terwijl ze in Johnson eerder een hard en eigengereid
individu ziet.
Uit deze "persoonlijke" eigenschappen, verklaart men de politiek. Men
gaat helemaal voorbij aan het feit dat Kennedy en Johnson beide in
dezelfde mate onderworpen waren aan de ekonomiese eisen van het
Amerikaanse kapitaal.
Voorbeeld:
"We moeten de arbeiders naar de universiteit brengen. Demokratise-ring.
Iedereen gaat ermee akkoord.
Nu men zo op het pad der goede wil is geraakt, stelt men echter een
moeilijkheid vast: de arbeiders willen zelf niet naar "onze" universiteit
komen. Ze voelen zich enigszins minderwaardig, ze moeten een
psychologische drempel overschrijden ze moeten psychologisch rijp worden
gemaakt voor de universiteit. Een kwestie dus van informatie"
Uit het SVB-werkstuk: "psychologische remmingen en informatie" zijn
typisch subjektieve interpretaties en oplossingen.
De klein-burgerij is een groep die tussen twee uitersten in zit en dan
ook naar twee totaal verschillende polen wordt getrokken. De klein-burger
zit altijd tussen twee vuren. Meestal wordt hij gekenmerkt door wankelen
en weifelen, door de "gulden middenweg" tussen de uitersten.
We kunnen drie groepen onderkennen.
Ten eerste. De welstellende klein-burgerij.
Ze verdient geld genoeg om zonder zorgen de meeste van haar verlangens
te voldoen. Daarom kijkt ze %*&&% naar diegenen die veel geld
verdienen: deze groep kijkt steeds naar hogerop.
De rijke burgerij is haar voorbeeld: ze gelooft steevast alle
propaganda van die kant.
Ze aanvaardt de maatschappij zonder meer en wil daarom blijvende
"orde". Ze is dan ook zeer bang voor het gezag, de autoriteit.
Ten tweede. De gemiddelde klein-burgerij.
Men verdient net geld genoeg op de behoeften, die de
welvaartmaatschappij voor ons heeft gekweekt, te voldoen. Men kan de beide
einden wel aaneenknopen maar er blijft niet zo veel over. Deze mensen
laten zich gauw schamper uit over de "welvaart" en beginnen in te zien dat
er veel leugens en bedrog in onze maatschappij zit.
Ze zijn bijzonder gevoelig voor het onrecht der enorme winsten die de
internationale blokken uit ons land wegslepen.
Ze willen zich echter niet met de arbeiders identificeren omdat ze hoe
dan ook hun "zelfstandigheid" willen bewaren.
Ten derde. De lagere klein-burgerij.
Dit zijn de "zelfstandigen" die de komsumpsie van de "welvaartsstaat"
niet meer kunnen bijhouden en die steeds nijpender aanvoelen, dat hun
"zelfstandigheid" afbrokkelt en ze weldra in dienstverband zullen staan.
Ze voelen zich hevig onrecht aangedaan door deze maatschappij en dromen
eigenlijk van een maatschappij van vrijheid en zonder onrechtvaardigheid.
Ze zien hun zelfstandigheid teloor gaan, maar ze voelen zich nog
helemaal niet ingeschakeld in een groot sociaal blok: ze zien een
maatschappij verandering dan ook niet veroverd door een bepaald sociaal
blok, maar door het "socialistische" radikaal progressieve individu.
Ze willen als een nieuw soort Don Quichottes te velde trekken tegen de
overweldigende en dreigende dwang van het grote internationale kapitaal.
De gehele klein-burgerij heeft een verwoede afkeer van de grote
internationale machtsblokken. Hun "persoon" wordt verpletterd onder deze
enorme machten.
De klein-burgerlijke idealen van persoonlijke vrijheid komen in botsing
met een internationaal georganiseerd, geautomatiseerd machtsblok.
Hun dromen van een nieuwe maatschappij zijn gebaseerd op het idealisme
van het individu .
Ze hebben geen inzicht in het reële konflikt tussen de belangen, de
internationale monopolies en de belangen van de werkers.
We moeten hen
daarom steeds verwijzen naar de realiteit. Bij hun optimistiese dromen
merken zij niet de reële machtsblokken die in de strijd zijn gewikkeld.
Bij hun pessimisties ongeloof in de nieuwe maatschappij bemerken zij
niet dat de strijd inderdaad reëel is en dat we niet een onbewogen
status-quo hebben.
IV-DE ARBEIDERSKLASSE
Onder het vierde blok beschouwen we alle mensen die hun arbeidskracht
in dienst stellen van een fabriek, een instelling die deze arbeidskracht
als een soort grondstof "koopt".
Onder deze groep horen dus thuis: de bedienden, het overheidspersoneel,
de ambtenaren, de mensen die in 'n klein bedrijf werken en de
industriearbeiders.
Deze groep is de natuurlijke tegenpool van de grote internationale
blokken en van de nationale machtsgroepen.
Deze fabrieken willen zoveel mogelijk munt slaan uit de arbeiders; de
arbeiders willen zich zo duur mogelijk verkopen.
Deze groep heeft een aantal kenmerken, waardoor het mogelijk is
inderdaad de strijd te voeren tegen de grote financiële machten.
I - SLECHTE SOCIALE TOESTAND
1. Arbeiders en werkers zijn totaal afhankelijk van hun "baas"; ze
hebben zelf niets in te brengen. Ze kunnen zonder pardon aan de deur gezet worden. Een aantal "beschermende" wetten zijn alleen
oogverblinding voor pseudo-progressieven.
Voorbeeld:
Tussen 64 en 66 werden in België 71.376 arbeiders ontslagen wegens
sluiten van bedrijf.
Voorbeeld:
Op 17 oktober werd aan een paar duizend staatsambtenaars uit Den Haag
medegedeeld dat hun departement naar Limburg werd overgebracht en dat zij
dus dienden te verhuizen.
Voorbeeld:
De banken beweren dat er tegenwoordig geen gebrek aan geld is. De
tegenwoordige werkeloosheid wordt bewust door het bedrijfsleven gewild
omdat de lonen,bij een volledige tewerkstelling, veel te snel stegen (Elseviers
Weekblad)
2. De arbeiders vormen "de laagste trap" van de bevolking.
Deze sociale
minderwaardigheid probeert men te maskeren door de komsumpsiedroom" die onze welvaartsmaatschappij ons bijbrengt.
De arbeiders moeten krom liggen om de normale dingen van het leven
(huis, TV, auto) te bezitten en terzelfdertijd worden zij konstant
gekonfronteerd met de gigantiese vormen van weelde van de grote financiële
machten.
Om de sociale welvaart te meten moet men de twee uitersten beschouwen;
alleen de relatie,niet het absolute cijfer geeft de welvaart aan. De kloof
tussen de grote internationale machten en onze arbeiders is de laatste
decennia toegenomen.
"Van die zogezegde welvaart, bemerken wij niet veel" kan men vaak de
arbeiders horen.
3. De arbeiders zijn bij elke krisis, bij elke regressie het eerste
slachtoffer.
Werkeloosheid, prijsstijgingen van verbruiksgoederen, afbraak van de
sociale wetgeving enzomeer.
Voorbeelden:
De Nederlandse minister stelt voor de Kinderbijslag voor het Ie kind af
te schaffen.
De studiebeurzen worden in Nederland gemiddeld 30 % kleiner: vooral de
lagere middenstand en de arbeiders worden hierdoor abrupt de toegang tot
de universiteit ontzegd.
II - KONCENTRATIE EN ORGANISATIE
De strijd tegen de almachtige internationale monopolies kan niet door
losse enkelingen worden gevoerd. Alleen een strijdende massa is in staat
iets te doen.
Door hun noodzakelijke konsentratie vormen de arbeiders een
aaneengesloten, solidaire massa.
Dit kan wellicht niet altijd even duidelijk schijnen; wanneer zich
echter een krisis in om't even welke fabriek voordoet, springt die
solidariteit manifest naar voren.
Voorbeeld:
Een ABVV (algemeen belgisch vakverbond)man vertelde dat hij maanden
onder het personeel van de Brusselse groot-warenhuizen had gewerkt .
Hij stootte op 'n ontgoochelend gebrek aan interesse en solidariteit.
Toen zich echter 'n loonkonflikt voordeed, kwamen honderden bedienden
naar de vakbond toe; het was één golf van solidariteit en strijdbaarheid.
Door hun dagelijkse werk in de grote industriële centra, hebben de
arbeiders een aantal specifieke organisatiekenmerken verkregen. Ze komen
er spontaan toe zich als een deel van het geheel in te schakelen, dit is
de typiese arbeidersdiscipline. Ze zijn bereid een taak uit te voeren, als
"naamloos" onderdeel van een massa, ze zijn bereid ook 'n onmogelijke,
vervelende opdracht uit te voeren. We merken bijvoorbeeld hoe de
klein-burgerij dit niet zo doet: in naam van de"persoonlijkheid" en de
"individuele verantwoordelijkheid" zal men weigeren zich in te schakelen
in een massa en deel te nemen aan de beweging van die massa.
Door haar konsentratie en haar organisatie is de arbeldersgroep altijd
potentieel gevaarlijk: steeds kan hij als een gesloten, gedisciplineerde
en verbeten massa opstaan.
Door hun totale afhankelijkheid, hun slechte sociale positie en door
hun permanente benadeling is een subjektieve uitbarsting van de
arbeidersmassa steeds mogelijk.
Uit dat alles blijkt dat de industrie-arbeiders het beste in staat zijn
om vóór te gaan in de strijd tegen het monopolie-siesteem. De
intellektuelen bevoorbeeld hebben óók veel in te brengen tegen het
internationale monopoliesiesteem; zij kunnen echter maar moeilijk vóórgaan
en zelf als eerste de strijd aanbinden.
De industriearbeiders kunnen wel als eerste de strijd aanvatten tegen
het internationale kapitalisme; dan kunnen de intellektuelen en de
klein-burgerij hen bijtreden, (voorbeeld: De Parijse Commune cfr. Marx).
A - Alle verschijnselen, maatschappijvormen, machten dragen de
kenmerken van één van deze
vier blokken, met andere woorden zijn geboren uit een van deze blokken.
Er is niets wat abstrakt boven deze blokken zou staan en dus in
qe-lijke mate tot de vier blokken zou behoren.
Iets wat ontstaan is uit één van deze groepen en door deze qroep in
leven wordt gehouden, bestaat ten voordele van deze groep en niet ten
voordele van een andere.
Wanneer we iets analyseren moeten we dat dus niet abstrakt boven de
maatschappij verheven beschouwen. We moeten onderzoeken'uit welk blok het
voorkomt en welke funktie het door heeft»
Voorbeeld:
De "demokratisering" van de onderneming: iedere arbeider kan
aandeelhouder worden.
In 1916 lezen we de volgende analyse: "De ondervinding leert dat het voldoende is 40 % van de aandelen van een fabriek te bezitten, om de zaak te kunnen beheren."
In de praktijk is het immers voor een aantal kleine, verspreidde
aandeelhouders onmogelijk algemene vergaderingen e.d. bij te wonen.
De "demokratisering" van het bezit van aandelen, waarvan sommige
burgerlijke ekonomen de "demokratisering van het kapitaal verwachten, is
in feite een manier om de macht van de financiële oligarchie te
vergroten".
"Demokratisering van de onderneming" lijkt dus op eerste zicht een
abstrakt goed. We moeten echter onderzoeken in funktie van de grote
internationale monopolies of in funktie van de arbeiders.
Voorbeeld:
"Het grote belang van het onderwijs voor onze gemeenschap ligt in de
eerste plaats in haar bijdrage tot het funktioneren van de de-mokratie"
uit de onderwijspocket van SVB-Nederland.
In deze zin worden alle verschijnselen, beschouwd als abstrakt, boven
de reële maatschappij verheven.
Men spreekt over "het belang voor onze gemeenschap". Er bestaat echter
niet zo'n soort "belang" abstrakt, boven de verschillende blokken.
Het belang van de internationale monopolies bestaat; het belang van de
gewone arbeiders, bestaat ook.
Maar die belangen zijn tegengesteld zodat men niet kan spreken van "het
belang van de gemeenschap".
Men spreekt over "het funktioneren van de demokratie"
Het gaat dus over
de werking van de verkozen regering»
Zo'n regering bestaat echter niet als
een ongerepte rechter boven de machtsblokken. Ofwel regeert men met en ten
voordele van de internationale monopolies, ofwel regeert men met en ten
voordele van de arbeiders.
Luns behoort tot de trust "Shell" en Zijlstra behoort tot Unilever en
de Algemene Bank Nederland.
Voorbeeld:
Eisaku Sato, eerste minister van Japan, op 8 oktober:
"Voor de welvaart van Japan is de pacifikatie van Azië nodig".
Dit soort"pacifikatie" zal dus welvaart brengen voor de Japanse monopolies.
Deze pacifikatie wil zeggen;de Amerikanen blijven hun 300 (!) bases in Zuid-Azië bezetten, blijven de opstanden onderdrukken en blijven
Zuid-Azië als afzetgebied voor de monopolies beschermen.
Er is een ander soort "pacifikatie", die vrede en vrijheid brengt voor
de gewone Zuid-Aziatiese boeren- en arbeidersbevolking.
Deze pacificatie
wil zeggen: verdrijf de buitenlandse monopolies die hier onderdrukking
brengen en winsten maken; laat het volk zelf zijn industrie en landbouw
optrekken.
Voorbeeld:
De oorlog in Vietnam.
De Amerikanen voeren oorlog ten voordele van hun monopolies (uitgaven
voor deze oorlog in '66: 3,025 miljard B. Frank)
De Vietnamezen voeren
oorlog ten voordele van de eigen arbeiders en boeren.
Voorbeeld:
"Heeft de demokratie ook geen verantwoordelijkheid tegenover zichzelf
wanneer haar beginselen door niet-demokraten worden aangevallen" (Uit De
gazet van Antwerpen die de "demokratie" verdedigt tegen de
rcommunisten").
Met "demokratie" wordt hier onze klasse-maatschappij aangeduid die
volledig in de greep is van het monopoliekapitaal en zijn marionetten:
partijen, regeringen, kommissies, BOB, rijkswacht, leger, kerk. Deze "demokratie"
zal verdedigd worden tegen iedereen die voor 'n rechtvaardige maatschappij
vecht.
B - Wie is de meest fundamentele, de meest ekstreme tegenstrever? Hoe kunnen de progressieven de grootste massa van het volk aan hun kant
scharen in de strijd tegen onrecht en uitbuiting?
Het is duidelijk dat de vier blokken (internationale monopolies;
nationale kapitalisten; klein-burgerij en werkers) onderling een aantal
verschillende belangen hebben.
De nationale en de plaatselijke kapitalisten worden in hun bestaan
bedreigd door het internationale monopoliesiesteem. "Hoe meer ze bedreigd
worden, hoe harder ze de internationale blokken vervloeken" schreven we
hiervoor.
De klein-burgerij voelt haar "persoon" verpletterd onder de
onoverzichtelijke, alles overrompelende macht van het internationale
kapitaal. "De gehele klein-burgerij heeft een spontane afkeer van de grote
internationale machtsblokken" schreven we hiervoor.
De arbeiders, beambten, kleine kaderleden zijn de rechtstreekse
antagonisten van het internationale kapitaal.
Hier zien we de meest
fundamentele kontradiktie.
De monopolies willen hun winst opdrijven, hun investeringen overal ter
wereld uitbreiden zodat er nóg meer winst uitkomt enzovoort. De
grondstoffen kopen ze zo laag mogelijk - dus worden zo laag mogelijke
lonen uitbetaald.
De fabrikatie moet zo goedkoop mogelijk zijn - dus worden zo laag
mogelijke lonen uitbetaald.
Uit de verkoop willen ze zo hoog mogelijke winst - wat ten slotte door
de verbruikers (arbeiders, beambten, kleine zelfstandigen) wordt betaald.
De arbeider en beambte heeft gèèn andere mogelijkheid om in leven te
blijven, dan zijn arbeidskracht te koop aan te bieden. De kapitalist wil
deze produktiefaktor zo goedkoop mogelijk verwerven; de arbeider wil
zichzelf zo duur mogelijk "verkopen".
Wie is dus de meest fundamentele tegenstrever?
Het is duidelijk dat de meest extreme tegenstrever het internationale
monopoliekapitaal is.
Wat zal dus onze taktiek zijn?
In de strijd tegen het internationale kapitaal kunnen wij de grootst
mogelijke massa ven het volk verenigen. Het zijn de industrie-arbeiders
die moeten vóórgaan in deze strijd.
Hieruit volgen een aantal zeer praktiese richtlijnen inzake taktiek
1. Wij moeten de voorrang verlenen aan die konflikten, problemen,
toestanden waarin het "internationale kapitaal" een rol speelt.
2. Wij moeten daarbij telkens expliciet uitleggen hoe ook wij studenten
uit Nederland en België, met deze internationale groepen
te maken hebben.
3. We moeten de problemen die aan de universiteit rijzen, uitleggen
naar hun diepste grond: de macht van het internationale kapitaal.
Voorbeeld: universitaire expansie in België; de nieuwe
"bedrijfsuniversiteit" te Antwerpen; de verhouding universiteit-bedrijfsle-ven in Nederland.
4. We moeten in onze geschriften voorbeelden laten zien van de strijd
tegen het internationale kapitaal.
Hoe overal ter wereld (U.S.A.; derde wereld; Europa) door iedereen
(arbeiders; klein-burgerij; plaatselijke kapitalisten) gestreden wordt
tegen deze enorme belangengroepen.
5. We moeten naar de arbeiders gaan op basis van onze
gemeenschappelijke strijd tegen een gemeenschappelijke tegenstrever: het internationale monopoliekapitaal en zijn politieke resultaat: de
fascisering van onze westerse maatschappij.
C - De klasse der arbeiders, verenigd met de beambten, en kleine zelfstandigen, is de éne
Klasse die voor 'n nieuwe maatschap-pij kan veóhten en die de grondslag
kan zijn van die nieuwe maatschappij . Hoe verhouden de studenten zich nu
tot de arbeidersklasse, wat is de taak van de studenten in het proces van
bewustwording en aktie die naar een revolutionaire omwenteling moet
leiden?
De studenten behoren niet tot een bepaalde klasse omdat zij niet vast
zijn ingeschakeld in het produktieproces.
Men kan niet beweren dat de studenten op het klassestandpunt van de
monopolies of op het klassestandpunt van de arbeiders staan. Toch werken
er een aantal klasse-invloeden op de studenten in! hun klasse-oorsprong en
hun toekomstige klasse-bestemming. Verder de burgerlijke ideologie die tot
uiting komt in de inhoud, metoden en vormen van de universiteit en die dus
duidelijk de ideologie der "hogere" klassen is.
Men kan stellen dat de studenten naar de "hogere" klasse worden
toegedreven door ons systeem.
We stellen anderzijds een aantal krachten vast die spelen in het
studenten- (en professoren-) milieu en die ons naar de tegenovergestelde
klasse, de klasse der arbeiders en der armen, richten.
De student heeft de mogelijkheid in kontakt te komen met de
konse-kwenties, de resultaten van ons monopolie-systeem.
Om psychologiese
redenen of door politieke bewustwording kan de student (en de
professor)het neo-kapitalisme afwijzen en zich op het standpunt van de
arbeiders en van de verdrukte derde wereld stellen.
De student stelt de werkeloosheid, de ongekontroleerde
fabrieks-sluitingen, de ellendige sociale omstandigheden in grootsteden,
het onmenselijke werktempo vast. De student stelt de enorme winsten, de
financiële manoeuvres, het wegvloeien van enorme staatsfondsen in
privé-ondernemingen vast. De student ziet het gewapende ingrijpen ter
bescherming van de monopolies. De Belgen in Congo, de Nederlanders in
Indonesië, de Amerikanen in Vietnam, San Domingo en Bolivië. Hij ziet een
uitgebuite derde wereld in opstand komen. Hij ziet de opstand der Belgiese
arbeiders in 60-'61, de strijd in de negergetto's in Amerika, het verzet
van de Franse landbouwers.
Door dit alles kan de student ertoe gebracht worden aan de zijde van de
arbeiders te gaan staan, met hen samen te vechten voor een nieuwe
maatschappij. Wat is nu het aandeel van de intellektueel in dit gevecht?
"Het socialisties bewustzijn wordt van buitenuit in de arbeidersklasse
binnengebracht."
Objektief gezien, gemeten naar de materiële belangen, is de
arbeidersklasse revolutionair. Dit wil zeggen: ze is tegengesteld aan de
heersende klasse en streeft daarom naar haar vernietiging. Het produkt van
een kollektieve arbeid, wordt door privaat-personen opgenomen.
Dààr ligt het objektieve verschil in organisatie. De kollektieve arbeid
van de arbeiders bevat de kiem van de organisatie van een nieuwe
maatschappij. Een maatschappij waar privé-uitbuiting onmogelijk is omdat
de kollektieve arbeid, volgens de eis: ieder naar zijn bekwaamheid, nu ook
gepaard gaat met zijn noodzakelijk gevolg, het kollektief produkt, volgens het principe: ieder naar zijn behoefte.
De kaste die de produktiemiddelen bezit, heeft als wet: het maximale
profijt. De arbeider heeft alleen zijn arbeidskracht, zijn energie te
verkopen. Hij verkoopt 8 uur van zijn leven per dag. Objektief heeft het
kapitalisme de winst als maatstaf, terwijl de arbeidersklasse het leven
als eerste norm heeft.
Verder kunnen we empiries vaststellen dat de arbeidersklasse sinds anderhalve eeuw voor haar belangen strijd levert.
Alle verbeteringen zijn door strijd afgedwongen en moeten door strijd worden verdedigd.
Deze strijd is altijd en overal latent aanwezig en uit zich in losse
konflikten; op geregelde tijden komt deze strijd klaar en open aan de
oppervlakte en krijgen we een sociale revolte.
Dit periodies uitbarsten
van sociaal ongenoegen is een objektieve wetmatigheid van het kapitalisme;
de burgerlijke socio-ekonomen hebben technieken ontworpen om deze
uitbarstingen te verminderen, in te dijken, te breken, of te zonderen.
Deze metoden om het siesteem op te kalefateren, bij te poetsen zijn tot
mislukken gedoemd omdat de fouten in de kern van het siesteem wortelen.
De Belgiese arbeidersopstand van 60-61, de Franse Boerenrevolte van '67
zijn enkele voorbeelden.
Het is noodzakelijk dat de arbeiders wordt uitgelegd en verklaard hoe
de sociale onrechtvaardigheden rechtstreeks voortspruiten uit ons siesteem.
Het is noodzakelijk dat de sociale uitbarstingen worden gericht tegen
de kern van het siesteem.
1. Uitleggen hoe de wantoestanden voortkomen uit het kapitalisme, dat
in laatste instantie is gebaseerd op de uitbuiting van de mens door de mens.
2. Uitleggen wat de betekenis is van vele maatregelen en "gunsten" aan
de arbeiders. Men geeft voordelen aan monopolies en trusts
en stelt het voor alsof vooral de arbeiders er wel bij zullen varen.
3. Analyseren van de zwakke punten van het regime om de strijd zo
effektief mogelijk te richten tegen de kern van het kapitalisme.
4. Bestuderen en formuleren van de juiste alternatieven, die naar een
maatschappij gaan, gebouwd op de belangen van arbeiders, beambten, kleine
zelfstandigen.
Dit is de taak van de revolutionaire intellektuelen onder de arbeiders.
Deze taak van de intellektuelen is onvervangbaar.
De syndikaten moeten deze "intellektuele voorvechters van de
arbeidersklasse" uitmaken ...
De syndikaten hebben zich echter ontwikkeld tot een bureaukraties
burgerlijk instrument van de bezittende klasse. De syndikaten zijn de
bruggehoofden van het kapitalisme in de arbeidersmassa. Omdat de arbeiders
jarenlang van hun revolutionaire leiders verstoken waren, zijn ze niet tot
effektieve revolutionaire daden gekomen .
"Zonder revolutionaire teorie, geen revolutionaire beweging" Een
revolutionaire teorie geeft de weg aan naar een nieuwe maatschappij en
analyseert hoe die maatschappij, steunend op arbeiders, boeren, beambten,
er moet uitzien.
Een revolutionaire teorie geeft op de tweede plaats de revolutionaire
ervaringen, in de strijd zelf opgedaan, weer en vormt zo een leidraad voor
taktiek en metode.
DOKUMENTATIE I
Wanneer iemend wil dat de massa's hem begrijpen, moet hij met hen tot
een eenheid versmelten en daartoe moet hij het besluit opbrengen een lang
en zelfs pijnlijk proces van omvorming door te maken. Hier wou ik meedelen
hoe mijn eigen mentaliteit werd omgevormd. Ik begon als scholier en nam op
school de houding van een scholier aan. Het leek mij vernederend ook maar
de geringste lichamelijke arbeid voor de ogen van de andere scholieren,
die zelf hun vingers niet vuil maakten, te verrichten . Het leek mij
vernederend, bij wijze van spreken, mijn eigen spullen te dragen.
Ik was toen de mening toegedaan dat de intellektuelen de enige zuivere
mensen ter wereld waren, terwijl de arbeiders en boeren naast hen zeer
smerig voorkwamen.
Ik kon vreemde kledij aantrekken, wanneer ze van intellektuelen kwam:
mij kwam het voor dat zij dan zuiver was. Maar ik was niet bereid geweest
de kleren van een arbeider of landbouwer aan te trekken want die vond ik
smerig.
Nadat ik revolutionair was geworden, leefde ik onder de arbeiders,
boeren en soldaten van het revolutionaire leger.
Beetje bij beetje leerde ik hen kennen en leerden zij mij kennen. Dan
en pas dan maakte ik mij helemaal vrij van de burgerlijke en
klein-burgerlijke mentaliteit, die mij door de burgerlijke school
ingepompt was.
En telkens wanneer ik intellektuelen, die zich nog niet hebben
omgevormd, met arbeiders en boeren vergelijk, begrijp ik dat deze
intellektuelen onzuivere, de arbeiders en boeren echter zuivere mensen
zijn, hun handen mogen dan nog zwart zijn en hun voeten met koemest
besmeurd. Dat alles echter betekent dat ik mij van de ene klasse heb
losgemaakt en in de andere klasse ben binnen*gekomen.
DOKUMENTATIE II
De afzonderlijke, individuele kapitalisten worden omgebouwd tot één
enkele kollektieve kapitalist.
Wanneer de bank de lopende financies van een aantal kapitalisten
afhandelt dan voert zij een louter techniese en alleen maar bijkomstige
handeling uit.
Als deze operatie echter tot een enorme omvang aangroeit, stellen we
vast dat een handvol monopolisten alle operaties - zowel de kommerciële
als de industriële - van de gehele kapitalistiese klasse aan hun belangen
kunnen ondergeschikt maken. Ze oefenen immers een macht uit door hun
bankrelaties, door hun lopende financiële verhandelingen en door alle
vormen van financiële operaties. Een macht om vooreerst de financiële
positie van de onderscheiden kapitalisten eksakt vast te stellen, om hen
vervolgens te kontrolerer en te beïnvloeden door gemakkelijker of
moeilijker kredieten toe te staan en deze kredieten te beperken of uit te
breiden, en om hen tenslotte totaal te determineren, hun inkomen te
bepalen, hen geen kapitaal toe te staan of hun kapitaal snel tot enorme
afmetingen te latqn toenemen.
Terzelfdertijd wordt er als 't ware een persoonlijke brug geslagen
tussen de banken en de grote industriële en kommerciële ondernemingen. Het
vermengen van de enen met de anderen door het verwerven van aandelen, door
het plaatsen van bankdirekteurs in de bestuursraad (of raad van
direkteuren)der kommerciële en industriële ondernemingen en vice versa.
Zes der grootste banken van Berlijn werden door hun direkteuren
vertegenwoordigd in 344 industriële ondernemingen en door hun
bestuursleden in 707 andere, wat een totaal wordt van 751 ondernemingen.
Anderzijds hadden in de bestuursraad van deze zes banken, 51 van de
grootste industriëlen zitting, de direkteur van Krupp en van de
Hamburg-Amerika-line incluis.
De persoonlijke brug tussen de banken en de industrie wordt aangevuld
door de persoonlijke brug, tussen deze beide en de regering. "Men biedt
gemakkelijk een zetel in de bestuursraden aan aan personen met een titel
of ex-regeringsmannen die de relaties met de ovui heid tenzeerste kunnen
begunstigen " schrijft Jeidels.
De export van goederen was typerend voor het oude kapitalisme, toet de
vrije konkurrentie alles voor 't zeggen had. De export van kapitaal is
typerend voor de laatste fase van het kapitalisme, nu de monopolies hun
intrede hebben gemaakt.
Het kapitalisme betekent: de produktie van koopwaren, ontwikkeld t<
zijn hoogste trap, wanneer de arbeidskracht zelf een koopwaar is geworden.
De groei van de interne uitwisseling en speciaal van de internationale
uitwisseling is een karakteristieke kentrek van het kapitalisme. De
ongelijkmatige en onstandvastige ontwikkeling van de individuele
onderneming, van de onderscheiden takken der industrie en van de
onderscheiden landen is onvermijdelijk onder het kapita-listiese siesteem.
Engeland werd een kapitalisties land vóór alle andere en rond het
midden van de negentiende eeuw, toen zij de vrije handel hadden
aangenomen, ging dit land er fier op de "fabriek van de wereld" te zijn
die aan alle landen fabrieksgoederen leverde en in ruil daarvoor door deze
landen van ruw materiaal werd voorzien. Vanaf 1875 was dit soort
monopoliepositie echter reeds ondergraven. De andere landen gingen zich
immers met "protectieve" invoersta-rieven beschermen en ontwikkelden zich
tot kapitalistiese staten. Wanneer de twintigste eeuw aanbreekt, zien we
dat er zich een nieuw soort monopolie vormt.
Vooreerst: monopolistiese associaties van kapitalisten in alle
kapitalisties ontwikkelde landen.
En verder: de monopolie-positie van enkele zeer rijke landen, waar de
akkumulatie van kapitaal gigantiese afmetingen heeft aangenomen. Een enorm
"kapitaal surplus" is ontstaan in de ontwikkelde landen.
Het spreekt voor zich dat er geen sprake zou zijn van "kapitaal-surplus"
indien het kapitalisme de landbouw, die hedentendage overal
verschrikkelijk ver ten achter blijft op de industrie, voldoende kon
ontwikkelen, indien het de levensstandaard van de massa's die
niettegenstaande de verbazende techniese vooruitgang nog overal honger en
armoede lijden, kon op een hoger peil brengen,
(De essentie van deze stelling blijkt nog steeds waar, maar onder
nieuwe vormen. Wat de landbouw betreft: de landbouw in de
ontwikkelingslanden wordt op een schandalig peil gehouden; de landbouwers
in de kapitalistiese westerse landen, blijven nog steeds de meest
uitgebuite klasse - zie de arbeidersopstand in Frankrijk in september '67
en de moord op een landbouwer te Oudenaarde, België op 26 november '67.
Wat de levensstandaard betreft: dit is een relatief begrip dat moet
gezien worden in funktie van de totale rijkdom die 'n land produceert en
in funktie van de akkumulatie van rijkdom binnen de heersende klasse.
Relatief beschouwd is de levensstandaard van de werkende klassen erop
achteruitgegaan!
Wat het kapitaal-surplus betreft: in hun boek 'monopoly capital" tonen
Baran en Sweezy uitvoerig aan dat het kapitaal surplus niet alleen
absoluut maar ook en vooral relatief beschouwd, voortdurend stijgt!)
Indien het kapitalisme deze kontradikties oploste, dan zou het geen kapitalisme zijn.
Een ongelijkmatige ontwikkeling en een bestaan van halve ellende voor de massa's zijn twee fundamentele voorwaarden en permissies van deze produktiewijze.
Zolang kapitalisme blijft wat het is, zal het surplus aan kapitaal steeds worden gebruikt om de profijten van de kapitalisten nóe groter
te maken en dit door het uitvoeren van kapitaal naar de onderontwikkelde
landen, te exporteren: in deze onderontwikkelde landen zijn de profijten
meestal hoog. Het kapitaal is immers schaars, de prijs van de grond
gering, de lonen laag en de ruwe materialen goedkoop.
De noodzaak kapitaal te exporteren komt voort uit het feit dat in een
klein aantal landen het kapitalisme "overrijp" is geworden en het kapitaal
in eigen land geen terrein meer vindt voor "renderende investeringen.
DOKUMENTATIE III
Een manager heeft als eerste bekommernis: de onderneming zo stevig
mogelijk maken. De winst wil hij opnieuw investeren in zijn eigen
onderneming om haar onafhankelijk en technies nieuw te maken en te
voorzien van de beste technici.
Hij heeft dus als doel: weinig winst naar aandeelhouders, de grootste
winst naar de onderneming.
De kleine aandeelhouders willen zoveel mogelijk van hun aandelen
profiteren en vragen dus hoge dividenten.
De grote aandeelhouders bezitten een enorm kapitaal: ze hebben er niets
aan om telkens profijten te worden uitgekeerd die ze toch weer moeten
investeren: ze verkiezen dat hun kapitaal toeneemt door het investeren van
de winst in de eigen onderneming. Deze drie belangengroepen komen tot een
labiel evenwicht.
"Maatschappelijk gezien vormen de 7.000.000 kleine aandeelhouders in de
V.S. een belangrijke groep. Zeer waarschijnlijk zijn zij solide burgers
die de openbare mening en de plaatselijke politiek kunnen bepalen.
Er bevinden zich managers onder de grote bezitters en door hun
strategische plaats doen zij dienst als beschermers en voorsprekers van
het gehele grootbezit. Zij zijn dus helemaal geen klasse apart maar vormen
in werkelijkheid de voortroepen van een klasse.
Om niet tot stilstand te komen moet een maatschappijsiesteem haar
mensen de eerzucht bijbrengen om 'sukses' te hebben - sukses in de lijn
van het siesteem. Onder het kapitalisme is het sukses van de zakenman de
hoogste vorm van sukses en onder het monopoliekapitaal is de hoogste vorm
van het zakenleven de grote kapitaal-onderneming.
In dit siesteem moet het voor een jonge man normaal zijn zich zo Eich
zo dicht mogelijk bij de top van een zo groot mogelijke onderneming, een
plaats te veroveren.
Wanneer hij eenmaal tot een onderneming is toegetreden, wijdt hij Eich
aan een dubbel doel: de ladder van het management op te klimmen en iets te
bereiken voor de betekenis van zijn onderneming in de rangorde van de
ekonomiese wereld.
In de praktijk zijn deze bedoelingen niet te scheiden: de promotie van
de jonge man hangt af van zijn bijdrage om de positie van de onderneming
te verbeteren.
De hoofddoelstellingen van de ondernemingspolitiek - terzelfder-tijd en
dwangmatig de persoonlijke doelstellingen der managers -Eijn: een groot
bedrijf, een steeds groeiend bedrijf en een sterk bedrijf, door de
koerswaarde van zijn akties aangegeven.
De interne fondsen om de expansie van het bedrijf te bewerken, komen
van de winst. Winsten zijn de zenuwen en spieren van de "sterkte" van 't
bedrijf, die op haar beurt de geldbronnen van buiten de onderneming aan
het vloeien brengt zodra het nodig is. Interne expansie, opkopen en
samensmelten: zo groeit een onderneming en groei is de weg naar grootheid.
Aldus is de winst, zoniet einddoel, dan toch het onontbeerlijk middel
om elk doel te bereiken.
Zo wordt de winst het onmiddellijke, enige, kwantitatief bepaalde doel
van de onderneming.
Hier, in de sociaal-ekonomiese struktuur, en niet in de individuele
psychologie, ligt de verklaring voor de "winsthonger".
De eigenlijke kapitalist is tegenwoordig niet langer de individuele
zakenman maar de kapitaal-onderneming.
Wat de zakenman in z'n persoonlijk leven doet, hoe hij over zijn
inkomen denkt en hoe hij het uitgeeft, dat is allemaal irrelevant voor het
funktioneren van het siesteem. Wat telt is zijn werk in het zakenleven,
hoe hij over het inkomen van de onderneming denkt en hoe hij dit uitgeeft.
En hier kan er geen twijfel over bestaan dat het bereiken en akkumuleren
van winsten dezelfde betekenis heeft als vroeger.
deel 3 - politieke analyse -
Boven
I - FASCISATIE VAN HET REGIME
In geheel de Westerse 'vrije' wereld treden verschijnselen op die
wijzen op een toenemende fascisatie van het regime. Deze fascisatie treedt
op in alle facetten van de maatschappij. Zij komt voort uit de
fundamentele kontradiktie der kapitalistiese ekonomie: de produktie
gebeurt steeds meer en algeheler in kollek-tief verband terwijl de
toe-eigening van de produktie door een steeds geprononceerder upper-class
gebeurt. Deze kontradiktie leidt tot steeds meer opgedreven spanningen die
alleen kunnen opgevangen worden door de heersende klasse door fascisatie
van het regime: een "kleine "kern konoentreert alle macht en dringt de
massa door een doorgedreven indoktrinatie, een welbepaalde weg te volgen.
De indoktrinatie neemt voornamelijk twee vormen aan: vooreerst richt
men de energie en de haat van het volk, tegen een gekreëerde geza-melijke
tegenstrever.
Men stelt de kommunisten (soms ook de Chinezen of de 'negers') voor als
gevaarlijke agressieve bruten waartegen het gehele volk zich verdedigen
moet.
We kunnen hier tussen twee haakjes opmerken dat alle amerikaanse
wetenschapsmensen aannemen "dat de Sovjet-strategie altijd defensief" is
geweest (D.F.Fleming) en dat "het kommunisme in vrede bloeit, daarom vrede
wil en in vrede triomveert" (William S.Schlaum). Toch heeft men de
kommunisten-haat-kampagne steeds intenser doorgevoerd, om de opstandige
elementen binnen de kapitalistiese maatschappij als kommunist te kunnen
aanwijzen en uitschakelen. De Griekse student N. Pericles: "Voor een
fascist is iedereen die een volksopstand kan leiden, een kommunist."
Paul Daels en Maurits Van Haegendoorn en met hen de Vlaamse
Volksbeweging en de Volksunie (allen behorend tot de burgerlijk
progressieve middenstand) worden door Europe Magazine beschreven als
"Communisten, Leninisten, Marxisten, Maovisten".
Tijdens arbeidersonlusten in Zwartberg waren "buitenlandse
commu-nistiese agitatoren"aan het werk.
Toen het warenhuis innovation door de nalatigheid van de trust zelf.de
dood van 300 mensen veroorzaakte, waren de schuldigen "kommunisten". Het
resultaat van dit alles is in Griekenland te zien: 10.000 mensen werden
grofweg voor kommunist uitgemaakt, wat reden was om hen in
concentratiekampen op te sluiten.
De tweede vorm van indoktrinatie bestaat erin een abstrakt ideale "Uebermensch"
te kreëren die appeleert aan het individualisme en de hoogmoed van elk van
ons.
Indien we allen echte mannen, supermensen, werden zou de maatschappij
een ideaal paradijs zijn. Het is niet de klassenstruktuur van de
maatschappij die moet veranderen, maar de mens zelf!
Het inzicht in de klassenstruktuur wordt zoveel mogelijk verhinderd: begrippen van
klassenmaatschappij worden siestematies geschrapt.
De indeling van de maatschappij is een indeling in sociale klassen,
steunend op de funktie in het ekonomiese produktieproces en op de sociale
waardenschaal die dit proces meebrengt.
Men houdt de mensen af van de analyse van de struktuur, de
maatschappelijke machinerie, om hen af te houden van
struktuur-veranderingen.
Het alternatief: de indoktrinatie van de edele, ideale, geposlijste
figuur.
"Het nationale gevoel en de nationale fierheid edelt de gewone man en
kan hem uit het zompige moeras van het proletariaat verheffen" aldus Pater
Brauns.
Zie ook James Bond, Bonanza en Dokter Kildare.
De steeds meer gemonopoliseerde massa-media als indoktrinatie
instrumenten.
- Pers, radio en T.V. worden monopolies, ideologies en financieel eng
verbonden met de heersende klasse.
Zij indoktrineren dan ook de ideologie van de heersende klasse.
Elementen van klassestrijd worden zoveel mogelijk gemeden. In Oudenaarde
werd een landbouwer doodgeslagen, de T.V. had het niet gemerkt; een film
over de 2 vermoorde arbeiders van Zwartberg werd lang verboden; over de
bestiale oorlog der amerkikanen komt slechts een onbetekenend deel op T.V.;
anti-kommunistiese "feuilletons" in kranten; pers en T.V.schenken aandacht
aan koninklijke feesten, regeringsplechtigheden, akademiese gebeurtenissen
enzomeer - over de problemen en het leven van de gewone werkende mensen
verschijnt geen letter en geen beeld; amerikaanse T.V. feuilletons met de
"redelijke, gladgeschoren, altijd volgzame en getrouwe" middelmaat.
- Sensatielitteratuur, magazins en romans zijn in handen van enkele
grote trusts die alleen hun eigen ideologie uitstralen.
De ongevaarlijke doorsnee, die door 'n soort moreel-ireligieuze
trouwheid tot held en heldin wordt. Het heldhaftige, het ideaal ligt op de
middenweg. Het individualisme, het maatschappelijk succes, de ideologiese
opvattingen en uitspraken wijzen alle de richting aan van de heersende
klasse.
De indoktrinatie heeft ook een repressief karakter. Wetten op de
ordehandhaving, anti-stakingswetten, demonstratieverbod, verbod van
"beledigende" uitspraken, wetten tegen gezagsondermijnende de tot opstand
aansporende publicaties.
Al deze wetten hebben een fascisties karakter omdat zij erop berekend
zijn om, bij de naderende sociale revoltes, de fascisatieve
machtsconcentratie van de heersende klasse te legaliseren. Ook op het vlak
van de 'officiële' politiek beginnen de kontradik-ties duidelijk te
blijken.
Onze huidige politieke struktuur (parlement is wetgevend, regering is
uitvoerend enzomeer) werd voortgebracht door de ekonomiese struktuur zoals
die zich een 100 I 150 jaar geleden voordeed. De politieke struktuur, was
het geschikte instrument waarmee de klasse der individuele kapitalisten
hun belangen konden verdedigen.
Het kapitalisme heeft zich tot het neo-kapitalisme ontwikkeld. De
individuele ondernemer is niet meer de kern; de grote onderneming als
eenheid heeft z'n plaats ingenomen (vb. Bell-Telefone, Phi' lips, Gevaert)
De konkurrentie is niet langer de motor, maar de monopolievorming. De
ekonomie wordt thans gedomineerd door 'n beperkt aantal monopolies; die
monopolies zijn niet te herleiden tot één of meer individuen, het zijn
"belangenkernen " geworden. Het monopoliekapitaal brengt twee
kontradikties mee. Vooreerst heeft het monopoliekapitaal het
regeringsapparaat nodig om een ekonomiese planning door te voeren, om het
wetenschappelijk onderzoek in funktie van de monopolies te regelen, om
"goedkoop" in> vesteringskapitaal te verkrijgen.
Deze eis komt in botsing met een aantal oude liberale tendenzen binnen
de heersende klasse, die nog vasthouden aan de vrije konkurrentie.
Deze eis is vanzelfsprekend radikaal tegengesteld aan de belangen van
de werkende massa.
Een tweede kontradiktie komt voort uit het feit dat deze gigantie-se
concentratie van macht op het ekonomiese terrein, er naar streel haar
macht ook op het politieke en ideologiese vlak waar te maken. Zij wijden
per slot van rekening hun beste krachten aan de ekonomie, de grote
('welvaartsbron" voor het volk;
Het is dus maar vanzelfsprekend dat ze bij alle beslissingen die het
volk betreffen "iets" in te brengen hebben.
De monopolies krijgen het regeringsapparaat in handen; ze breiden hun
macht over heel de maatschappij steeds verder uit.
Honderden feiten kunnen deze vaststelling staven.
- Van Den Boeynants: "De grote concerns zullen steeds meer betrokken
worden bij de ekonomiese planning van België."
- De amerikaanse industrie plus de universiteiten van Pensylvenia,
Delaware, Brown, Illinois, Cornell en Utah werken sinds '62 samen met "Air
Force and Army Chemical Corps" om chemiese en bio-logiese wapens voor
Vietnam te ontdekken en uit te voeren.
- "Is het parlement ten dode opgeschreven?" - De Standaard. "Heeft het
parlement nog een zin?" - La Libre Belgique.
De parlementairen zijn "technies" maar nauwelijks meer op de hoogte van
wat over hun hoofden door de partijen en de regering beslist wordt.
- In België werden aan de regering "volmachten" toegekend. Honderd
pagina beslissingen werden genomen buiten het parlement om.
- Van Audenhove (liberaal) "Zonder volmacht is het land niet meer te
regeren." Daarmee verkondigt hij perfekt het standpunt der monopolies.
- Alle beslissingen worden voorbereid in commissies, waar de macht!
groepen op een meer verdoken manier kunnen beslissen.
- Men stelt volksreferenda vast. Dit houdt in: de grote belangengroepen
stellen de formulering op en kunnen meteen een nationale indoktrinatie-kampagne op zetten langs pers, radio, T.V. en speciale
publicaties. Aan deze reklame-diktatuur is niet te ontkomen.
- Hervormingen van het kiesstelsel worden voorbereid in Nederland en
Duitsland om de kleine partijen uit te schakelen.
- We hebben een sterke man nodig die kan afrekenen met de anarchie, de
opstandigheid, de jeugdmisdadigheid, de geloofsafval, het gebrek aan orde
en discipline.
De regering wordt een steeds adequater instrument van het
monopolie-kapitaal. Dit feit wordt in tijden van schijnbare sociale rust
gemaskeerd door een ronkende fraseologie over demokratie, vrijheid en
gelijkheid.
In kritieke situaties wordt echter duidelijk wiens belangen de
regeringen nu eigenlijk inkarneren.
Alle Westerse landen breiden hun onderdrukkingsapparaat de laatste
jaren uit.
Het leger wordt steeds sterker met fascisme doordrongen. In Duitse
Kazernes wordt nazi-litteratuur verspreid; de hollandse matrozen slaan
"het werkschuwe gespuis" in elkaar; in België wil men een beroepsleger
nadat in Wallonië en Zwartberg bleek dat de gewone soldaat niet zomaar
bereid was op de arbeiders te schieten.
De geheime diensten houden zich steeds bezig met het nagaan en noteren
van de politieke houding van de burgers.
Iedereen die zich "in het openbare leven" stort, krijgt een uitgebreid
rapport bij de geheime diensten. Wat daarmee aangevangen kan worden moet,
na de Griekse katastrofe, voor iedere progressief duidelijk zijn: uit de
rapporten der geheime diensten wordt opgemaakt wie voor het fascistiese
regime gevaarlijk kan zijn.
In één nacht kunnen ze alle naar een concentratiekamp worden afgevoerd.
. .
De gendarmerie heeft een uitbreiding genomen in manschappen en
materiaal. In "66 werd het budget van de rijkswacht in België verhoogd; na
de Amsterdamse relletjes kreeg de marechaussee als beloning nieuw
materieel.
Het sluitstuk van het fascisatieproces in Europa, wordt echter
uitgemaakt door de NATO, het best uitgeruste onderdrukkingsleger dat door
vreemden wordt gekommandeerd.
Onder impuls van de NATO en de CIA werd in Griekenland een fascistiese
diktatuur ingesteld, in uitvoering van een plan zoals dat voor alle landen
waar ter wereld ook bestaat...
De laatste jaren werden een aantal plannen onthuld o.m. voor Japan,
Zuid-Korea, Italië en Panama. We weten dat bv. voor België een zelfde
projekt kant en klaar is onder de naam Prometheus. In september '66 kwam
een geheim akkoord België - USA aan 't licht. "Ingeval van een
binnenlandse omwenteling kan de wettige regering een beroep doen op de
amerikaanse strijdkrachten". Dat wil zeggen: wanneer de fascisatie nog
verder wordt doorgevoerd en wanneer de arbeiders, boeren, beambten en
studenten daartegen in opstand komen, kan de "wettige" fascistiese
regering alle onderdrukkingsapparaten in 't werk laten treden.
Griekenland is 'n land dat ekonomies totaal van de V.S. afhangt. Het
heeft sinds de oorlog een sterk fascisties getinte regering gehad met als
exponent het koningshuis.
Papandreou kwam aan 't bewind met een centrum-rechts partij. Hij
veroorzaakte echter een bepaalde volksbeweging, beroering. Er werden
enkele gematigde ekonomiese hervormingen voorgesteld in 't belang van de
nationale industrie.
Dit volstond voor het amerikaanse imperialisme om 10.000 mogelijke
volksleiders gevangen te nemen, een militaire diktatuur in te stellen en
een algemene ideologiese indoktrinatiekampagne onder het volk door te
voeren.
De bourgeois-ideologen uit onze rechtse en "linkse" bureaukratieè'n
halen hun enorme fraseologie over anti-demokrat ie en vrijheid en
gelijkheid boven, zodat blijkbaar niemand verder kan gaan in de aktie
tegen het fascisme.
klle frasen over Griekenland moeten wij als lafheid en bedrog afwijzen,
wanneer zij niet tevzelfdertijd uitdrukken hoe precies hetzelfde de andere
vrije landen staat te wachten. Wij weten dat binnen tien jaar in alle
Westerse landen een fascisties regime zal zijn ingevoerd: de progressieven
hebben thans nog de mogelijkheid om de konsekwenties te trekken uit wat in
Griekenland is gebeurd. Alhoewel het vanzelfsprekend makkelijker zal zijn
om vanuit concentratiekampen over verzet en weerstand te filosoferen.
Nu hebben we nog de tijd om alle beslissingen die een verdere stap op
de weg der fascisatie betekenen aan te klagen* meer mensen te laten inzien
wat ons te wachten staat en meer mensen aktief in de strijd tegen een
siesteem dat noodzakelijk tot fascisme voert, te betrekken.
Deze aktie 's moeten de progressieve studenten bovenaan hun programma
stellen.
II - FUNDAMENTELE KONTRADIKTIES
- Boven
De wereld wordt heden te dage beheerst door 4 fundamentele kontradiktles.
Elk van deze kontradlkties Is fundamenteel niet tot een andere te herleiden, onontkoombaar en blijvend werkzaam.
- De kontradiktie in onze landen tussen de heersende kapitalistiese
klasse en de werkende massa's van het volk, de arbeiders, bedienden,
intellektuelen en kleine zelfstandigen.
- De kontradiktie binnen de heersende klasse zelf: de grote monopolies
der verschillende landen staan tegenover elkaar.
- De kontradiktie tussen de hoog-ontwikkelde kapitalistiese landen en
de nationale bewegingen in de derde wereld, die zich verzetten tegen de
uitbuiting van hun volk.
- De kontradiktie tussen het kapitalisme met zijn profijt en
winst-jacht en het socialisme dat een maatschappij wil opbouwen met de
volksbelangen als maatstaf.
Deze vier kontradikties zijn echter volledig met elkaar verweven.
Manneer ergens ter wereld een volk de revolutie kan doorvoeren en zijn
nationale zelfstandigheid veroveren, dan wordt die overwinning mede
bepaald door het feit dat de tegenstander ook op andere plaatsen aan
kontradikties en strijd gebonden ligt. Dat is het internationalisme dat
alle nationale vrijheidsbewegingen bepaalt. Voor elk land ter wereld is
één van deze kontradikties de hoofdkon-tradiktie; de andere drie
kontradikties versterken die. In België wordt de strijd tussen de
heersende klasse en het gewone volk versterkt, geïllustreerd, gesteund
door de strijd van de derde wereld tegen onze heersende klasse die daar
haar belangen heeft, door de strijd tussen de Belgiese en Amerikaanse
monopolies en door de strijd van het socialistiese volk van Vietnam tegen
de kapitalistiese belangen die door de Amerikanen worden verdedigd.
De
volgende tekst uit US News and World Report geeft goed de kontradiktie aan
tussen de amerikaanse en europese monopolies alsook tussen het kapitalisme
en de derde wereld. Terzelfdertijd toont hij aan dat het amerikaanse
kapitalisme zijn aktieveld over de hele wereld uitbreid om méér winst te
maken terwijl de behoefte aan meer produkten en voorzieningen voor het
amerikaanse volk zelf er niet bij komt kijken.
" Deze zakenlui zijn er steeds meer van overtuigd dat de markten in het
buitenland - en niet de markten van ons eigen land - de grootste
mogelijkheden tot uitbreiding bieden. Het gevoel neemt toe dat de US-markt
wel groot is, maar toch relatief verzadigd blijkt. De overzeese gebieden
worden door de zakenlui beschouwd als grote en onontsloten markten met
honderden miljoenen klanten die alle soorten goederen en diensten verlangen en daar steeds beter voor betalen
kunnen.
Om deze markten te veroveren zijn de US-firma's van plan overal ter
wereld werken te beginnen en uit te breiden. Sinds 1958 werden alleen al
in West-Europa door 2100 amerikaanse groepen een nieuwe onderneming
opgezet.
Alle takken van de industrie - van auto's tot babyvoeding - gaan op de
buitenlandse markten een schitterende toekomst tegemoet zegt L.E. Spencer,
Algemeen direkteur van Goodyear Tire and Rubber Company of Canada "De
markten in het buitenland zullen zich in de volgende jaren vele malen
sneller ontwikkelen dan de binnenlandse markten."
En C.C. Smith, vice-president van IBM, World Made Corporation: "Voor
iedere hoofdtak van onze produktie in de groei op onze buitenlandse
markten groter dan in de USA. Wij verwachten dat het volume met de tijd
dit van de USA zal overtreffen."
Luister naar de kommentaar van een bestuursman van de Colgate-Palmolive
Company: "We hebben hier in de USA een verzadigde markt die alleen door
nieuwe produkten kan worden uitgebreid. In het buitenland zijn er elk jaar
miljoenen mensen die in hun kulturele, sociale en ekonomiese ontwikkeling
een stadium bereiken waarop ze in staat zijn onze zeep, tandpasta en
andere produkten te kopen."
Onomwonden spreekt Fred. J. Borck, algemeen direkteur van de General
Electric Corporation, de profetie uit: "Ongeacht alle ekonomiese en
politieke komplikaties zullen de snelst groeiende markten zich in het
buitenland bevinden."
Tegen deze achtergrond kunnen we de volgende hoofdtrekken aanduiden
voor de US-firma's:
1. De omzet in het buitenland van de US.-ondernemingen neemt veel
sneller toe dan de omzet in het binnenland.
Dikwijls is de aangroei in procent uitgedrukt drie tot vier maal
groter.
2. De winsten zijn in het buitenland meestal hoger dan bij
gelijkaardige ondernemingen in de USA,
Vele firma's halen een winst die tweemaal zo hoog ligt als in Amerika.
De meesten voeren hiervoor de lagere loonkosten aan - en ook de geringere
konkurrentie.
3. De markten in het buitenland kunnen meestal veel beter ingenomen
worden door ter plaatse zelf aan 't werk te gaan dan wel door te exporteren.
Door in het buitenland zelf te werken ontloopt men de invoerrechten en
andere handelsbarrières."
Einde van het citaat uit US-News and World Report.
We geven hierna een uitwerking van de 4 fundamentele kontradikties die
op dit ogenblik de evolutie bepalen.
Het gaat niet om een akademiese beschrijving maar om een
allernoodzakelijkste en allerbruikbaarste metode van inzicht.
Een inzicht in de onontkoombaarheid en de verbondenheid van deze vier
kontradikties is noodzakelijk omdat dit ons de zekerheid geeft dat het
kapitalisme naar zijn histories einde gaat. Dit inzicht bepaalt ons geloof
in de overwinning, het wijst ons de metodes om te vechten, het maakt
begrijpelijk dat wij voor een rechtvaardige zaak strijden en dat wij de
overwinning kunnen behalen wanneer wij ons ten volle toeleggen op studie,
aktie, discussie en strijd.
I - DE KONTRADIKTIE TUSSEN HET KAPITALISME EN DE ARBEIDENDE MASSA'S
- Boven
Welke is de fundamentele kontradiktie binnen het kapitalistiese (en
neo-kapitalistiese) siesteem?
Veel mensen hangen nog vast aan een uiterst oppervlakkig en lang
voorbijgestreefd beeld» Ze denken dat de eigenlijke kontradiktie in de 19e
eeuw, bestond tussen arm en rijk, tussen honger en miserie aan de ene en
welvaart en rijkdom aan de andere kant. Deze "kontradiktie" is weggevallen
en dus is de fundamentele kontradiktie weggevallen. Deze kontradiktie
bestaat nog wel tussen de westerse "rijke, welvarende" wereld en de derde
wereld met honger en armoede. Daaruit vloeit logies voort dat de
progressieven in het westen als enige progressieve daad kunnen stellen:
hulp bieden aan de derde wereld.
Geheel deze "teorie" die trouwens nogal in gebruik is bij vele "progressieven"
steunt op een volledig vals beeld van de fundamentele kontradiktie binnen
het kapitalisme. Men is dogmaties blijven vastzitten aan de uiterlijke
vormen van het kapitalisme uit de vorige eeuw, en is niet in staat het
kapitalisme te zien als een historie-se periode met revolutionaire
opkomst, bloei waarin de kontradikties rijp worden en tengronde gaan aan
de interne kontradikties.
Tijdens de middeleeuwen beschikte men over primitieve produktiemiddelen. De boeren produceerden net genoeg om zelf te eten en nog wat landbouwprodukten over te houden die ze ruilden voor dingen die ze zelf niet konden maken.
De "arbeiders" beschikten over hun eigen middelen om te produceren: ze maakten met eigen werktuigen, produkten die ze dan ruilden voor levensmiddelen.
Tijdens de 17e en 18e eeuw deed zich een eerste techniese revolutie
voor: men kon produktiemiddelen vervaardigen die vele malen produktiever
waren dan de werktuigen waarover de afzonderlijke "arbeiders" beschikten.
Alleen de allerrijksten konden deze machines aanschaffen.
De afzonderlijke arbeider kon niet konkurreren en ging werken in het
"atelier" van iemand die de nieuwe produktiemiddelen bezat. Dit was de
revolutionaire daad van het kapitalisme: het produktie-proces werd een
gezamenlijk proces van vele mensen, dat veel produktiever was dan het
afzonderlijke proces.
De manier van produceren, was nu totaal nieuw; de manier van toeeigenen
der produktie bleef echter zoals in de middeleeuwen: de arbeider had in de
middeleeuwen zijn produkten in bezit, omdat hij ook de werktuigen en de
grondstof had.
Hetzelfde blijft onder het kapitalisme: de eigenaar van de
produk-tie-middelen eigent zich ook de produkten toe.
Dit was reeds in de vorige eeuw de fundamentele kontradiktie van ons
ekonomies siesteem: de produktie gebeurde steeds meer gemeenschappelijk;
maar de toeeigening der produkten bleef privé.
De progressieven redeneerden toen als volgt: er is een meer rationele
en rechtvaardige maatschappij mogelijk: ook de produkten moeten
gemeenschappelijk worden en op de noden van de gemeenschap worden
afgestemd.
Let wel: deze redenering was alléén mogelijk dank zij de revolutionaire
bijdrage van het kapitalisme: het proces van de produktie tot een
gemeenschappelijk proces maken.
Deze fundamentele kontradiktie is thans, door het overrijp worden van
het kapitalisme, veel duidelijker en zichtbaarder geworden. Er is wel
niemand die zal ontkennen dat het produktieproces steeds méér
gemeenschappelijk gebeurt, dat elk gebruiksvoorwerp het resultaat is van
het gezamelijke werk van een steeds groter aantal mensen.
Een braadpan is het resultaat van het werk van wetenschappelijke
laboratoria, van de zware nijverheid, van de verwerkende industrie en van
de dienstverlenende sektor...
Er is wel niemand die zal ontkennen dat de koncentratie van
produktiemiddelen - en dus de toeeigening door een beperkte klasse -steeds
voortschrijdt in steeds sterkere monopolieblokken.
De produktie is gemeenschappelijk, de toeeigening privé. Deze
fundamentele kontradiktie kunnen we nog anders uitdrukken. De arbeiders,
middengroepen, intellektueel gevormden hebben als direkte behoefte:
produkten en voorzieningen om het leven te verbeteren.
De produkten zijn het belangrijkste omdat eigenlijk het leven zelf
centraal staat.
Het kapitalistiese siesteem - als machine onafhankelijk van de wil
der kapitalisten zélf - heeft als bestaansbehoefte, als
bestaansvoorwaarde: winst, maksimale winst en aangroeiende winst.
De krizissen die permanent binnen het kapitalisme dreigen, hebben als
grondslag het verschijnsel dat er te veel geld is in handen van de
ondernemingen, er zijn dus geen investeringsmogelijkheden genoeg met andere woorden: men kan dit geld niet winstgevend genoeg
investeren.
Laten we dit illustreren.
- In Amerika kan men, door enkele technologiese vernieuwingen in te
voeren, de hele staalproduktie en verwerking met 100 % verhogen. Om
deze hoeveelheid kwijt te krijgen, zouden de monopolies hun prijzen moeten
dalen; daar de monopolies hun prijzen vastzetten op het voor hen
gunstigste peil, zou het voor hen ongunstig zijn de prijzen te doen dalen.
Daarbij komt nog dat de investeringsmogelijkheden in de
staalnij-verheid sterk zouden afnemen bij zo'n produktieverhoging. Men
weet dat investeren het krusiale punt is van onze ekonomie: de reuzachtige
hoeveelheden kapitaal zo inzetten, dat ze genoeg winst opleveren.
- De kapitaalondernemingen investeren in het buitenland, wanneer dit
meer winst opbrengt.
Zo stijgt de winst van het siesteem, terwijl de produktie van de mensen
in het eigen land niet toeneemt.
- We hebben al vastgesteld dat de kapitaalondernemingen te veel
kapitaal hebben en zoeken naar winstgevende investeringen. Daarom oefenen
zij een permanente druk uit op de regering om de uitgaven voor militaire
doeleinden op te drijven.
In '66 werden in Amerika officieel 74 miljard dollar aan het leger
besteed; enorme investeringsmogelijkheden voor het Amerikaanse bedrij
fslevers. 10 % van de Amerikaanse arbeiders verdienen hun brood in
de oorlogsindustrie.
- Om de investeringen en winsten op peil te houden, heeft het
bedrijfsleven een machtig wapen gevonden in de reklame "De rekla-me - het
beuken op de deur tot men koopt - is een noodzaak voor het funktioneren
van onze wel bijzonder "vrije samenleving"Mc Graw-Hill-ekonomiese afdeling.
Kwaliteitsprodukten worden vervangen door produkten met
"verkoopskwaliteit"
De behoefte wordt vervangen door de kunstmatige, onontkoombare
reklame-druk.
De produkten zijn er op afgestemd om vlug te slijten, zodat de
onderneming aan 't werk blijft...
Dit zijn een aantal voorbeelden waaruit duidelijk blijkt dat er tussen winst en produktie een onoverkomelijke afgrond gaapt. Men werpt soms de bemerking op dat "de mens niet werkt zonder winstprikkel".
Achter deze bemerking steken een aantal valse definities.
Iemand die werkt, krijgt als resultaat niet zoiets als "winst" - hij krijgt een aantal produkten (of hun ruilwaarde). Zo iemand heeft behoefte aan méér produkten - zowel voor privaat gebruik als voor kollektieve voorzieningen. :
Waar zit de winst dan wel?
Bij de bezitters van de ondernemingen zelf en dit zijn: de
kapi-taalgroepen. Zij investeren bijvoorbeeld in een nieuwe onderneming,
waardoor hun kapitaal met 15 % aangroeit, wat ze wéér proberen te
investeren.
De manager van de onderneming in kwestie, kan helemaal niets bezitten.
..
Hij leeft dan volledig van het loon dat de onderneming hem toestaat.
Zo'n manager wordt door de struktuur van het kapitalistiese stelsel, door
de wetten van winst-maksimeren en kosten-dalen gedwongen, buiten zijn
"vrije" wil om, op een bepaalde manier te handelen. Wanneer hij sukses wil
hebben, hogerop klimmen dan moet hij zo goed mogelijk handelen volgens de
wetten van het kapitalisme. Het siesteem eist winst, maksimale winst en
groeiende winst.
We stippen nog enkele verdere kenmerken van de fundamentele
kontra-diktie aan.
" Een steeds groter wordend deel der produkten van de
monopool-maatschappij is, gemeten naar de werkelijke behoeften van de
mensen, nutteloos, verspillend of destruktief zonder meer. Het
duidelijkste voorbeeld hierbij vormen de tientallen miljarden dollar voor
goederen en diensten die elk jaar in de muil van de legermachine worden
gesmeten met geen ander doel dan de volkeren van de wereld ervan af te
houden hun problemen op de enig mogelijke manier op te lossen: door
revolutionair socialisme.
Hetzelfde kan men in onderscheiden mate zeggen van de andere arbeiders
die goederen en diensten die niemand nodig heeft, produceren en er de
behoefte naar wekken. De sektoren en takken van de ekonomie zijn zozeer
verstrengeld dat iedereen op de een of andere manier met deze
tegenmenselijke arbeid te maken heeft. De boer die de troepen die tegen
het Vietnamese volk vechten, moet voeden; de ingenieur en arbeider die aan
de gekompliceerde machinerie van een nieuwe auto werken; de arbeiders die
papier en inkt en TV apparaten maken en wiens produkten gebruikt worden
voor de kon trole en vergiftiging van de mensen.
"Er is volledige tewerkstelling" zegt Paul Goodman "maar er zijn
hoelanger hoe minder taken die nodig en nuttig zijn en die een mens kan
verrichten zonder zijn eer en waarde te verliezen," Dit is van belang voor
de verklaring van de vervreemding van de arbeid, voor de verkaring van het
cynisme en de korruptie die in elke hoek en plaats van het
monopoliekapitalisme doordringen en die iemand met histories inzicht als
kenmerken van een maatschappij die totaal in verval is geraakt, zal
beschouwen". Baran en Sweezy.
- 10 % van de arbeiders uit de V,S. zijn werkzaam aan militaire
pro-jekten. Nutteloos werk.
- Reklamebureaus kreëren behoeften om zo de produkten van hun
opdrachtgever kwijt te raken. Men brengt "nieuwe" produkten op de markt
die in niets essentieels van de oude verschillen. Men fabriceert de
produkten op zo'n manier dat ze zéér snel versleten of verouderd zijn;
gloeilampen en geneesmiddelen.
Nutteloze produkten, zinloze "nieuwe"produkten, kortstondige produkten.
Dit brengt massa's nutteloos werk mee.
- De mensen die in de reklame zelf werkzaam zijn, behoeften kreëren,
opdrijven en uitbuiten, leveren nutteloze arbeid.
- We kennen konstant 7 % werklozen en de industrie werkt met
over-kapaciteit, d.w.z.: men kan veel méér produceren dan men efektief
doet.
- Wat is het nut van absurd-grootse kantoren en buildings met hun
overdreven "klanten-service"? Dubbeldiensten, van benzinestations tot
overlappende onderwijsnetten.
De kontradiktie tussen het kollektieve produktieproces en de private
winst toe-eigening is fundamenteel. Deze kontradiktie werkt overal door.
- Bij een kollektief produktieproces hoort een kollektieve kuituur, een
gemeenschaps-kultuur. Deze behoefte wordt bij de jeugd sterk ervaren maar
wordt afgeremd door de wetten van ons siesteem dat privé-toeëigening
vertaalt in privê-kultuur (of elite-kultuur).
- De privé-toeëigening staat in fundamentele kontradiktie tot de manier
van produceren. Het siesteem heeft er alle belang bij deze kontradiktie te
verdoezelen. Dit gebeurt door het a.h.w. met geweld verspreiden van een
burgerlijke ideologie a la James Bond en the Untouchables. Dit gebeurt
door het siestematies vervalsen, verdraaien, achterwege laten, insinueren
bij alle "nieuwsmededelingen" inzake fundamentele ekonomiese, politieke en
sociale problemen.
- De individuele psychologie wordt naar twee polen getrokken: er is een
verscheurdheid tussen kollektiviteit met als basis de produk-tiewijze en
kunstmatig aangehouden privé-kultuur. In alle kultu-rele en ideologiese
uitingen is de mens "vervreemd" van zijn produktiebasis, een kollektief
proces. Een detailstudie van een wijk in New-York bewees aan dat 74 % van
de mensen revelante psychiese storingen vertonen.
Uit al het voorgaande blijkt dat een meer rationele en rechtvaardige
maatschappij mogelijk is op basis van de materiele ontwikkeling van onze
ekonomie.
Alles gebeurt steeds meer op basis van kollektieve arbeid. Een groot
deel van het ondernemingskapitaal, is afkomstig van de staat, die deze
gemeenschapsgelden ter beschikking stelt van privé-ondernemingen.
De "managers" van de onderneming zijn geen*bezitters meer, maar (zeer
goed gesoigneerde ...) loontrekkenden.
De technologiese revolutie heeft een enorme produktie mogelijk gemaakt
... die in het kapitalistiese regime niet maksimaal kan worden aangewend.
De "winst" die vroeger een revolutionaire faktor was, is thans een
remming voor de produktie en voor de menselijke ontwikkeling. Men kan de
produktie véél sterker opvoeren dan de winst; véél pro-dukten en een
kleinere winst is in onze ekonomie een vloek. Men produceert minder om z'n
winst hoger te houden.
De technologie is "nuttiger" aan 't worden voor de winst-maximering dan
de mens. Het gekende voorbeeld van "featherbedding". De technologie heeft
de spoorwegen zo ontwikkeld dat de stokers op de loko-motieven nutteloos
zijn: toch rijden ze mee en worden ze betaald zonder iets uit te richten
en dit om werkeloosheid te voorkomen...
De historiese en materiële voorwaarden zijn vervuld om een nieuwe
maatschappij op te bouwen waarin de gemeenschappelijke produktie-wijze nu
van haar noodzakelijk komplement wordt voorzien.
- De ekonomie wordt in dienst gezet van de maksimale oroduktie voor het
gehele volk - en niet van de maksimale winst van een klasse. Er wordt een
planning gemaakt om de produktie stelselmatig op te drijven op die
plaatsen waar er onmiddellijke behoefte bestaat -om de kollektieve
voorzieningen onderwijs, woningbouw, ontspanning en kuituur, in dienst van
het hele volk te zetten.
II - KONTRADIKTIES BINNEN DE KLASSE DER KAPITALISTEN
- Boven
Ook binnen de klasse der kapitalisten bestaan talrijke kontradik-ties
die deze groep innerlijk uiteenrijten.
Er zijn al heel wat "teorieën" opgebouwd met als stelling: de
monopolies zullen wereldomvattende afspraken en overeenkomsten maken,
zodat een versterking van hun positie zal optreden. De grote monopolies
staan tegenover de kleine ondernemingen. De amerikaanse monopolies staan
tegenover de Europese monopolies -Ie défi américain.
De Franse monopolies staan beurtelings tegenover de Engelse en de Duitse.
Monopolies en kleine kapitalisten
- De atoomenergie - de "energie van de toekomst" - zal alleen door de
grote ondernemingen kunnen gebruikt worden.
- Alleen de grote ondernemingen profiteren van het wetenschappelijk
onderzoek der universiteiten en zijn in staat dit onderzoek door eigen
research toe te passen. (Zie tekst van Knoppers over onderwij
s-regering-bedrij fsleven)
- In september '67 noteert Nederland 227 faillissementen. België in '66
telt er 940.
- De regering bevoordeligt fusies en opslorpingen. Voorbeeld in
staalsektor "Maatregelen werden genomen om fusies en konsentraties aan te
moedigen. In 1966 ontstonden in België twee belangrijke staalgroepen: de
ene door fusie, namelijk Cockerill-Ougrée met Providence; de andere in de
vorm van verregaande samenwerkingsakkoorden nl. tussen Espérance-Longdoz,
Hainaut-Sambre, Phénix-Works en de Franse maatschappij Aciéries et
Tréfileries de Neuves-Maisons".
Weekberichten van de Kredietbank 25 nov. '67.
De enorme druk vernietigt vanzelfsprekend alle kleine kapitalisten
Kontradikties tussen de grote monopolies
Tijdens de recente krizis in het midden-oosten konden de 5 grootste
Amerikaanse petroleumproducenten hun winst met 15 % opdrijven ten
koste van de Engelse maatschappijen. (Algemeen Handelsblad).
De Duitse industriëlen hebben hun bezorgdheid uitgesproken over de
industriële achteruitstelling van Duitsland die in het kernstopver-drag
zit vervat. De kernmogelijkheden kunnen de kern-energie voor industriële
doeleinden toepassen, terwijl Duitsland niet de kans heeft te
experimenteren (De Standaard)
Euratom-gemeenschappelijk onderzoek wat kernenergie betreft in Europa
is uiteengevallen onder druk van de nationale monopolie-belangen .
Duitsland zal samenwerken met Nederland en België. Frankrijk doet het zelf
en Engeland eveneens.
De mijnen worden in Europa gesloten omdat men de steenkolen die nodig
zijn, goedkoper kon krijgen uit Amerika»
Nu de meeste Europese mijnen aldus door konkurrentie druk gesloten zijn,
moet men in Amerika marginale mijnen, die reeds gesloten waren, opnieuw
ontginnen om de vraag van Europa te voldoen... en meteen moet de prijs
omhoog.
De monopolies hebben de staat nodig als financier, opdrachtgever en
ordeschepper. De staat is in Amerika een noodzakelijk instrument van de
monopoliemaatschappij. Dit noodzakelijk instrument dat de monopolies kan
steunen, bestaat niet in Europa. Er bestaat een Europees ekonomies
monopolienet, maar men kan niet rekenen op de voordelen en privilegies
door de staat geboden, zolang er geen "Europese" staat is. Dit is een
groot nadeel voor de"konkurrentie" met Amerika.
"Hoe groter de ekonomiese macht en de sociale erkenning van de
monopolies wordt, hoe meer de fiderale regering hen dienstbaar wordt, hoe
meer ze afhankelijk wordt, hoe meer ze ertoe neigt hen met privilegies,
bescherming en staatssteun te begunstigen",
Walter Adams en Horace M. Gray - New-York- The government as promo-ter.
III - KONTRADIKTIES TUSSEN
KAPITALISME EN DERDE WERELD
- Boven
De leidende monopolies uit de V.S. richten hun ekonomiese aktivi-teiten
steeds meer op de derde wereld. Goedkope grondstof, goedkope
arbeidskracht, een grote markt en vrijwel geen konkurrentie: door al deze
faktoren is de winst die de amerikaanse monopolies in de derde wereld
maken zowat vier keer zo groot als normaal.
Nemen we als voorbeeld Jersey Standard, de grootste koncern van
Amerika, op petroleumindustrie gebaseerd.
Vermogen van deze koncern in '62 = 11.488 miljoen dollar. Profijten in
hetzelfde jaar: 841 miljoen.
De VS en Canada: 67 % van dit vermogen - 34 % van de profijten. Latijns
Amerika: 20 % van het vermogen - 39 % van de winst.
Laten we de totale winsten die Amerika uit het buitenland trok, nagaan.
We beschouwen de periode tussen '50 en '63.
Amerika investeerde 17,3 miljard dollar - waar ze 29,4 miljard uithaalde
en naar het moederland stuurde: 12 miljard winst. Terzelfdertijd had men
ook een deel van de brutowinst die men in 't buitenland maakte, opnieuw in
die industrieën geïnvesteerd. Dit bezit groeide aldus aan van 11,8 miljard
in '50 tot 70,6 in '63. Een aangroei van 28,8 miljard.
Winst en kapitaalaangroei in 't buitenland samen tussen '50 en '63: 70,8
miljard dollar! (Surrey of Current Business - Ministerie voor Handel-US)
Om deze wereld-belangen te verdedigen, heeft de amerikaanse regering in
het buitenland 275 hoofdbasissen en 1400 gewone basissen ten dienste. In
1957 alleen werden 41 militaire missies naar La-tij s Amerika gestuurd.
"Heden ten dage neemt Washington met nadruk maatregelen om beperkte
oorlogen te voeren, overal waar dit nodig is.
Om voor deze akties uitgerust te zijn, moeten de VS overal ter wereld over
voldoende basissen beschikken." Sulzberger in New York Times.
Staatssekretaris R. Bunch in US news and World Report "De oorlog in
Vietnam heeft tot doel te bewijzen dat de revolutie de moeite niet waard
is, niet lonend kan zijn.
Indien het vrije westen er niet in slaagt deze revolutie te onderdrukken,
moeten wij ons verwachten aan nieuwe revoluties in Afrika en Zuid-Amerika
en zelfs in Europa."
Een half miljoen Amerikaanse soldaten hebben het laatste jaar 65.000
Vietnamezen vermoord, meer dan 200.000 gewond, 280.000 hektaren rijst
verwoest, tientallen dorpen ontruimd en met de grond gelijk gemaakt,
tweemaal zoveel bommen gegooid als in de hele laatste wereldoorlog boven
heel West-Europa.
De akties werden sporadies uitgebreid tot Laos en Cambodja. In Thailand en
Birma zijn eveneens guerilla-troepen verschenen.
"Minister Sato moest onder druk van socialisten en kommunisten gegevens
verstrekken over twee plannen, genaamd "Drie pijlen" en "Vliegend Wiel".
Deze geheime plannen hielden gezamenlijke militaire akties in van Japan en
de U.S.A. tegen Noord-Korea, die later tegen China moesten uitgebreid
worden.
Het geheim plan 'Drie pijlen' was de basis. Het bevat 171 bladzijden en het voorbereidende werk werd gesuperviseerd door Roswell
Gilpatric,onder-secretaris voor defensie van de U.S. Hij voorziet het
gebruik van atoomwapens tegen China en Korea, gekoppeld aan
ontschepingsakties.
Het plan "Vliegend Wiel" raakte bekend in het parlementaire debat van
29 oktober '65. Het gaat om een "defensief" plan dat de militaire
maatregelen tijdens de 30 dagen voorafgaand aan het begin der
vijandelijkheden, gedetailleerd beschrijft" Wilfred Burchett in zijn
nieuwste boek "Opnieuw Korea?"
Kongo is het krusiale punt van Afrika, waar de Amerikanen de Bel-giese
kolonialisten hebben aan de deur geschopt.
Sinds '63 organiseert Pierre Mulele de guerilla vanuit het distrikt
Kwiler.
De guerillero-strijders blijken het beste georganiseerd in de Portugese
gebieden. In Mozambique, Angola en Guinea heeft geregeld een treffen
plaats.
De moord op Che Guevara bracht de guerilla in Zuid-Amerika genoegzaam
in het nieuws. Bolivië, Columbie, Venezuela, Guatemala, Peru, Brazilië ...
overal zijn revolutionaire volkslegers op komen duiken.
Ben Barka - Marokko:
"We vinden dat de strijd tegen het imperialisme één is: in Vietnam,
Kongo en San-Domingo vinden we dezelfde vorm van agressie, hetzelfde
Noord-Amerikaanse imperialisme onder drie vormen. Onze solidariteit moet
klaar, precies en georganiseerd zijn want solidariteit heeft niets te
maken met spontaan gevoel,"
Kim II Sung - Noord-Korea:
" De volkeren van Azië, Afrika en Zuid-Amerika hebben gezamelijke
belangen en hun strijd tegen het imperialisme is verbonden door hun
onderlinge steun. Als Afrika en Zuid-Amerika niet vrij zijn, kan Azië het
ook niet zijn, en wanneer de imperialisten van de VS» uit Azië zijn
verjaagd, zal dit de bevrijdingsstrijd van de volkeren in Afrika en
Zuid-Amerika bevoordeligen".
IV - DE KONTRADIKTIE TUSSEN HET SOCIALISME EN HET KAPITALISTIESE BLOK
- Boven
Voor de Kubaanse revolutie bezat de Standard Oil of New Jersey
raffinaderijen en verkoopscentra die een vermogen van 62 miljoen dollar
betekenden.
Ze voerden petroleum in op Cuba vanuit ... hun eigen petroleumvel-den
van Venezuela en dit tegen de hoge prijs die de monopolies vaststelden.
"Tijdens de Cubaanse revolutie werden de bezittingen van het concern in
Kuba zonder vergoeding genationaliseerd. In één slag gingen 60 miljoen
dollar aan investeringen en drie bronnen van permanente winst (verkoop van
ruwe petroleum aan Kuba, verwerking, verkoop der eindprodukten) verloren.
En dit alles zonder dat de export en import van de Verenigde Staten ook
maar enigszins werden beïnvloed."
Na de revolutie kon de handel tussen Amerika en Cuba blijven
voortbestaan... maar dan hadden de monopolies de konkurrentie van de USSR
moeten doorstaan.
"Om op de Kubaanse markt te blijven, had Jersey op z'n minst zijn
prijzen moeten verlagen en betere kredietvoorwaarden geven. Dit had echter
niet alleen een geringere winst in Kuba betekend, maar tevens een
aantasten van de overeengekomen prijsstruktuur der monopolies."
Indien de Amerikanen de blokkade opheffen, kunnen zij het grootste deel
van de handel met Kuba opnemen.
"Maar daarvoor hebben de multinationale mammoet-koncerns, die de
Amerikaanse politiek beheersen, geen interesse.
Wat ze willen is het volgende: de monopole kontrole over buitenlandse
verkoopscentra en markten, waardoor zij in staat zijn bij de verkoop en
inkoop bijzonder voordelige voorwaarden af te dwingen, opdrachten van de
ene dochterfabriek op de andere over te brengen, het een of het ander land
te bevoordeligen naargelang het ekonomie-se en financiële gunsten
aanbiedt. In één woord: ze willen hun zaken naar eigen wensen beredderen.
En daarvoor hebben zij geen handelspartners nodig maar "verbondenen" en
afnemers die hun wetten en maatstaven aan de eisen van de amerikaanse
grootindustrie aanpassen.
Tegen deze achtergrond kunnen wij vaststellen dat Kuba's misdaad erin
bestond zijn onbeperkte rechten te laten gelden om over zijn eigen
hulpbronnen te beschikken in het belang van zijn eigen volk. Dat bracht de
beperking en - in de strijd die daarop volgde - de totale afschaffing van
de rechten en privilegies met zich mee die de muiti-nationale
mammoet-koncerns tot dan toe in Kuba genoten hadden. Daarom en niet wegens
het uitvallen van de handel, maar laat staan wegens een soort irrationele
angst of vooroordeel, reageerden de Koncerns en hun regering in Washington
zo heftig op de Kubaanse revolutie.
Nu zou men kunnen aannemen dat de heftigheid van de reaktie niet in
verhouding staat met het geleden verlies - aangezien Kuba toch een heel
klein land is.
Maar zo kan men nog het belangrijkste uit het oog verliezen. Wat Kuba
zo machtig maakt is dat het zo klein is en in de vlakke buurt van de
Verenigde Staten ligt. Wanneer Kuba de "Vrije Wereld" afvallig kan worden
en ongestraft tot het socialistiese kamp toetreden, dan kan ieder ander
land dit doen.
En wanneer Kuba door zijn nieuwe opbouw tot bloei komt, dan zullen alle
onderontwikkelde en uitgebuite landen ter wereld dit voorbeeld willen
volgen.
Het gaat er hem, met geval Kuba, niet eenvoudig om de mogelijkheid een
klein land uit te buiten, maar om het bestaan of niet-bestaan van de
"vrije wereld" zelf met andere woorden: om het hele systeem der
uitbuiting.
Deze stelling heeft de Kuba-politiek van de Verenigde Staten bepaald.
De taktiek bestaat erin de Kubaanse ekonomie op alle mogelijke manieren te
schaden en te verzwakken en dit met een drievoudig doel. Vooreerst hoopt
men dat het Kubaanse volk zijn revolutionaire stemming vroeg of laat moe
zal worden en zo de bodem zal klaarmaken voor 'n suksesrijke
kontrarevolutie.
Ten tweede wil men de onderontwikkelde landen inprenten dat de
revolutie de moeite niet loont.
En ten derde wil men de last, die de hele socialistiese wereld en
speciaal de Sovjet-Unie als ekonomies ontwikkeld bondgenoot, te dragen
heeft, zo zwaar mogelijk maken. Het resultaat daarvan moet zijn dat de
socialistiese landen ertoe gebracht worden hun invloed aan te wenden om
nieuwe revoluties te verminderen die hun reeds zo zwakke ekonomie verdere
last zou opleveren." Baran en Sweezy - Monopolkapital.
deel 4
-
na de revolte van 13
januari -
Boven
I - VVS MANIFEST -
Boven
I - V.V.S. MANIFEST UNIVERSITAIRE EXPANSIE
In Leuven is opnieuw een beschamend reaktionair diktaat gevallen. De
Vereniging van Vlaamse Studenten stelt vast dat dit diktaat niet alleen
een verdediging inhoudt van de elite-universiteit der francofone
Brusselaars te Leuven, maar dat het tevens het gehele universitaire
onderwijs van ons land wil dirigeren. De reaktionaire richting waarin de
hele univ. expansie moet evolueren, wordt in dit diktaat aangegeven: zo'n
diktaat moet in alle universiteiten de meest radikale en bewuste aktie
ontketenen. Zullen onze universiteiten in dienst staan van de Waalse en
Vlaamse arbeiders en van het Waalse en Vlaamse volk, of zullen zij
beheerst worden door een financiële machtselite? Dit is de vraag waar de
Vlaamse studenten zich voor geplaatst zien.
De vereniging van vlaamse studenten roept op tot de meest harde aktie
van alle studenten ter verdediging van de demokratie. Deze harde aktie zal
geen blinde aktie zijn. Onze aktie wordt geschraagd door een analyse van
het Leuvense diktaat en de problematiek der uni versitaire expansie.
1. De Vereniging van Vlaamse studenten stelt vast dat het diktaat van de Université Catolique een openlijk verloochenen is van elke
demokratiese besluitvorming, dat het een ontkenning inhoud van dt
parlementaire demokratie en dat het van een volstrekt autoritaire
mentaliteit getuigt.
a. "De akademiese raad heeft talrijke vergaderingen gewijd aan de expansie van zijn afdeling en kwam tot eenparige konklusies. Hij
gelooft dat hij vandaag deze konklusies moet meedelen aan de leden van het
akademiese korps, aan het Wetenschappelijk personeel en aan de publieke
opinie in 't algemeen. "
Zestien personen, nauw verbonden met het Brusselse grootkapitaal, nemen
op volstrekt autoritaire wijze beslissingen over de toekomst van de jeugd
van ons land. Hun diktaat delen ze mee "aan de publie~ ke opinie in 't
algemeen"! Er is geen sprake van dat men het volk zelf zou bewust
maken van de problemen en dat men de verlangens en de noden van het volk
zelf zou tot uitdrukking brengen.
b' "Wij weigeren twee universiteiten in aanmerking te nemen in ons land, zelfs als de realisatie financieel en politiek mogelijk zou
zijn!" "Nooit zal de overheid van de franse afdeling erin toestemmen dat
de standpunten van de akademiese raad door de politieke maaht worden
afgewezen."
Hier wordt uitdrukkelijk gesteld, dat men de besluiten van de
parlementaire demokratie als waardeloos en volstrekt te verwaarlozen
beschouwt.
2. De Vereniging der Vlaamse Studenten stelt vast dat de Belgiese universiteiten tot een instrument worden gemaakt van de Brusselse
financiële en industriële groepen.
Dat de Vlaamse en Waalse arbeiderskinderen en het Vlaamse en Waalse
volk, het weerloze slachtoffer zullen worden van een belangenpoli-tiek der
monopolies inzake hoger onderwijs.
a. "Op regeringsvlak hebben onderhandelingen plaatsgevonden over de aankoop van het oefenveld te Brussel voor de Vrije Universiteit van
Brussel en de openstelling van Brabant voor de Vrije Universiteit en de
Katolieke Universiteit van Leuven. "
"De noodzaak voor de Kat. Univ. Leuven aktief deel te nemen aan de
vierde cyclus (vervolmakingsoyolus) door haar nader te brengen bij het
centrum waar de meeste kaders in België worden ingezet. " "De noodzaak
voor de grootste Belgiese universiteit aanwezig te zijn in de hoofdstad
die vele informatie-organen en nationale en internationale
beslissingsmachten konoentreevt.
We stellen in België tegenwoordig een overgang vast naar een
neo-kapitalisties regime. De ekonomie wordt beheerst door een beperkt
aantal gekoncentreerde, gestruktureerde monopolies. Een klein aantal
monopolies heeft alle financiële en ekonomiese macht tot zich getrokken.
Zij worden beheerd door een zeer uitgelezen elite die op geen enkele
manier haar onbeperkte macht moet verantwoorden tegenover de arbeiders en
het volk. Daar hun macht over het financiële en industriële terrein
onbeperkt is, kunnen zij hun wil opleggen aan alle andere instellingen,
van regering tot parlement en universiteit.
Deze uiterst machtige monopolies koncentreren zich steeds meer rond
Brussel. De omgeving van Brussel wordt bezet door "nationale en
internationale beslissingsmachten". Deze monopolies willen armslag hebben
en zullen daarom heel Vlaams Brabant bezetten! Brussel en Vlaams Brahant
worden bezet door Amerikaanse en Belgiese monopolies.
De verbinding tussen deze monopolies en het diktaat van de elite der 16
is licht te maken. Woitrin en Schot bijvoorbeeld, 2 opstellers van het
diktaat, zijn beheerders van de Société Générale. De grote monopolies
hebben behoefte aan hoog-gevormde technokraten. Ze hebben managers nodig
om hun concern te beheren, rationeel de kosten te drukken, om de winsten
te doen stijgen. Ze hebben psychologen en sociologen nodig die de
ontevredenheid der arbeiders versluieren. Ze hebben matematici nodig om
het concern tot een rationele machine om te vormen. Ze hebben fysici,
chemici nodig om nieuwe, goedkopere produkten op te zetten. Al deze 'intellektuelen'moeten
trouwe en makke volgelingen zijn in hun systeem, zonder inzicht in de
maatschappelijke konsekwenties en het lot van arbeiders en werkende
bevolking. Deze intellektuelen, volgzame en dikbetaalde dienaars van het
monopoliesysteem, zal men vormen in Brussel en Leuven. Brussel en Leuven krijgen de "openstelling van Brahant". In Vlaams Brabant
zullen zij de intellektuele man-power voor de amerikaanse en belgiese
monopolies, in Vlaams Brabant gevestigd, leveren.
b. "Studie en geleidelijke oprichting van een gedifferentieerd net van Complementaire katolieke instellingen van het hoger onderwijs in de
franse taal. Zo kan de universiteit beantwoorden aan de grote behoefte aan
beroepsvorming en sociale promotie. " "Indien men deze verschillende
funkties weigert te onderscheiden, moeten wij de eisen van het
universitair onderwijs lager stellen zodat het toegankelijk wordt voor de
massa. "
"60.000 studenten komen uit alle landen der bevolking en krijgen een
universitair gedifferentieerd werkmilieu."
Leuven en Brussel worden twee elite universiteiten in dienst van de
amerikaanse en belgiese financiële groepen. Hun studenten kunnen op
standing, rijkdom, aanzien, kortom, "promotion sociale" rekenen. Gent
en
Luik worden verwaarloosde, "vulgaire volksscholen". Het geld wordt immers
allemaal naar de "grote" universiteiten ge-draineerd. Gent en Luik moeten
de lagere kaders die de industrie nodig heeft, leveren^ zij worden'scholen
voor beroepsvorming"!, gaan de studenten van Gent deze ontwikkeling nemen?
Zij weten nu wat de universitaire expansie voor hen zal inhouden. Ze
krijgen geen geld genoeg, worden als tweederangs aanzien, en worden kalm
gehouden opdat ze niet tot bewustzijn zouden komen hoe benard hun situatie
is. De Gentse studenten zullen tot bewustmaking, agitatie en radikale
aktie overgaan om een volwaardige demokratiese universiteit op te bouwen.
De studenten van Antwerpen krijgen een konkrete aanwijzing waar hun
universiteit naar toegaat. De universitaire expansie wordt opnieuw het
voorwerp van ideologiese frasen, waarachter financiële belangen
schuilgaan.
De arrogante, diktatoriale klemtoon die in de zinnen van het diktaai
doorklinkt, bewijst genoeg. Antwerpen gaat een lokale schoolstrijd, een
lokale belangenstrijd ten koste van de jeugd en het onderwijs zelf
tegemoet. De Antwerpse studenten zullen radikale aktie voeren voor een
volwaardige universiteit te Antwerpen. Het diktaat van Leuven bewijst
verder dat de universiteiten ten dienste worden gesteld van de financiële
upper-class. Antwerpen gaat een zelfde weg op. In Antwerpen zal men de
getrouwe, geïndoktr: neerde dienaar van de opkomende Antwerpse industrie
worden. De Antwerpse studenten moeten een volwaardige universiteit
opbouwen ten dienste van de vlaamse arbeiders en het vlaamse volk, en niet
ten dienste van de Amerikaanse monopolies die zich te Antwerpen vestiigen.
Het diktaat van Leuven is een Brussels diktaat. Onze vrienden in
Brussel kampen tegen precies dezelfde krachten, als de Leuvense studenten.
Tegen elite universiteiten in handen van de Amerikaanse en Belgiese
monopolies. Daarbij wordt hun strijd nog moeilijker omdat zij nog niet een
eigen universiteit hebben afgedwongen.
Hun strijd zal daarom des te harder zijn. Zonder financiële en
strukturele ontdubbeling blijft de Vlaamse afdeling te Brussel een grap.
De instellingen van het niet universitair hoger onderwijs krijgen ook hun
beurt in het diktaat.
We lezen "60.000 studenten komen uit alle klassen
van de bevolking en worden tewerkgesteld in een uiterst verseheiden
werkmilieu."
Van deze 60.000 studeert de helft in het N.U.H.O. Er is een groot
percentage arbeidskinderen bij.
Het N.U.H.O. wordt totaal verwaarloosd, krijgt geen financiën, is
ongeordend, bezit soms niet eens wettelijke garanties, wordt vaak
gekenmerkt door semifeodale strukturen. Dat wordt voor de arbeiders
voorbehouden. Een verwaarloosd reservaat voor minder begoeden. Op een
cynische manier reserveert men dit hoger onderwijs voor de laagste
klassen.
De studenten uit het NÜHO zullen zich stelselmatig verzetten tegen deze
diskriminatie. Zij zullen volwaardig demokraties onderwijs eisen.
De studenten aan de universiteiten zullen zich, mede door het Leuvense
diktaat, bewust worden van hun noodzakelijke solidariteit met het NUHO.
3. De Vereniging der Vlaamse Studenten stelt vast dat het diktaat van de Leuvense frankofone elite, een uiterst reaktionaire ideologie
uitstraalt. Men hanteert de "vrijheid voor de hogere klasse" en misbruikt
het katolicisme als een macht, in handen van deze hogere klasse.
a. "De noodzaak, in het kader van de demokratisering van het onderwijs,
aan talrijke kandidaten de toegang tot de universiteit waarborgen volgens de vrije keuze der instelling" Men eist de
vrijheid voor de financiële bourgeoisie om te kiezen tussen katolieke en
vrijzinnige instellingen te Brussel zelf. Ze hebben niet genoeg met één
elite-universiteit, ze willen de keuze hebben tussen twéé
luxe-universiteiten. Voor de arbeiderskinderen, die er zelf nooit aan
kunnen denken te studeren, is dit soort "vrij-heidsideologie" een
beschamende kaakslag. Voor degene die in het N.U.H.O. terecht komen,
bestaat er geen vrijheid om een univ. opleiding te kiezen, wanneer ze daar
de bekwaamheid toe hebben.
b. "Een gedifferentieerd net van komplementaire instellingen van
katoliek hoger onderwijs te Namen, Mons, Charleroi, Mont-sur-Meuse, St. Lamberts Woluwe, en Otteignis geïnspireerd door de franse
sektie van de katolieke universiteit te Leuven. " Men zaait een reeks
kandidatuurtjes over heel Wallonië. Slechts 20 % van Wallonië is katoliek.
Het resultaat wordt onvermijdelijk een nieuwe schoolstrijd op universitair
niveau.
De Brusselse machtsgroepen willen een schoolstrijd wagen onder
katolieke vlag, om hun machtsgreep uit t;e breiden. Deze belangenstrijd
zal gebeuren ten koste van het onderwijs en de vorming van de gehele
Vlaamse en Waalse jeugd. Alle studenten moeten zich verzetten tegen deze
dreigende schoolstrijd die de vorming en ontwikkeling van alle studenten
aan alle instellingen zal schaden.
4. De Vereniging van Vlaamse Studenten stelt vast dat de belangen van de Waalse arbeiders en van het Waalse volk op beschamende wijze
werden verwaarloosd. De strijd van alle demokraten voor overheveling is
een strijd voor een demokratiese universiteit ten dienste van de Waalse
arbeiders en het Waalse volk, gelegen in het hart van Wallonië.
- De beslissing over de franse katolieke universiteit werd genomen door
de Brusselse bourgeoisie ten dienste van de Belgische en Amerikaanse industrie rond Brussel.
- De Waalse demokraten hebben niets te maken met deze beslissing: ze
hadden geen enkele inspraak, ze werden nergens geraadpleegd, en nog erger: met de belangen en behoeften van het Waalse volk werd
nergens rekening gehouden.
- De Waalse bevolking is het grootste slachtoffer van de huidige
politiek der universitaire expansie. De bourgeois-universiteit te Brussel kan door niemand worden beschouwd als een Waalse univcr
siteit. De énige universiteit die Wallonië bezit, bevindt zich te Luik:
door de huidige ontwikkeling wordt deze univ. gedeklasseerd tot een
tweederangsuniversiteit. Verder wordt Wallonië voorzien van een netwerk
van onbetekende katolieke kandidaturen, minderwaardige
derderangsinstellingen.
Dit katolieke net zal noodzakelijkerwijs een nieuwe schoolstrijd
meebrengen, waarvan de waalse jeugd opnieuw het eerste slachtoffer wordt.
De Vlaamse studenten zijn er zich van bewust dat sommige reaktionaire
kranten hun aktie voor demokratie willen kompromitte-ren door hen de kreet
"Walen buiten" in de mond te leggen. De Vlaamse studenten weten dat
slechts 28 % van de studenten der UCL uit Wallonië komen, zij weten ook
dat de Waalse arbeiders en het Waalse volk het eerste slachtoffer zijn van
de huidige evolutie.
De strijd voor demokratie in Vlaanderen is komplementair aan de strijd
voor demokratie in Wallonië.
KONKLUZIE.
Leuven en Brussel worden elite-universiteiten van de Belgiese en
Amerikaanse financiële groepen rond Brussel.
Vlaams Brabant wordt ingepalmd door deze zelfde monopolies. De
overheveling naar het hart van Wallonië wordt van de hand gewezen. Gent en
Luik worden minderwaardige tweederangsuniversiteiten. Antwerpen wordt
bedreigd én door een lokale schoolstrijd én door de inpalming door de
amerikaanse industrie.
Het niet universitair onderwijs wordt op beschamende manier
achter-uitgesteld en als "reservaat voor het werkvolk" uitgebouwd. Een
nieuwe schoolstrijd dreigt alle instellingen mee te sleuren. De uitbouw
van pluralistiese en demokratiese universiteiten wordt radikaal afgewezen.
Tegen dit gehele pak van onrechtvaardigheden, achteruitstellingen en
klassebelangen zullen alle vlaamse studenten op de meest radi-kale, de
meest harde en de meest bewuste manier reageren.
Voor volwaardige, demokratiese universiteiten ten dienste van het
gewone volk!
II - MONOPOLIE-KAPITAAL
- Boven
Waarom dit stuk na de revolte?
1. In het manifest door de franstalige akademiese raad gepubliceerd,
zijn twee verschillende strekkingen te onderkennen. De meeste "Vlamingen"
zijn niet in staat gebleken die twee strekkingen te ondertekenen.
Vooreerst hebben we de reaktionaire katolieke strekking vol
middeleeuwse religieuse kreten en met veel aristokratie en unitarisme. Het
zijn de reaktionaire katolieke frankofonen uit Brussel, het soort van de
Libre Belgique.
De meeste Vlamingen zijn hevig van leer getrokken tegen deze groep. We
merken echter een tweede strekking op, die meer koel, berekend en
funktioneel is. Hier vallen te noteren de heren Woitrin en Schot,
beheerders van de Société Générale. Zij zien de struktuur van de
universiteit volledig aangepast aan de behoeften van het groot-kapitaal.
We zouden een "korte cyclus" krijgen die de studenten snel klaar-stoomt
voor de industrie. En we zouden een "lange cyclus" krijgen die
wetenschappelijker is en waar de jongeren uit de hogere burgerij terecht
komen. Tenslotte zou er een "volmakingscyclus" komen voor de "besten" uit
de lange cyclus, dat wil zeggen voor het financiële puik uit de hogere
burgerij. De volmakingscyclus zorgt voor de hoogste top-funktionarissen
van de industrie. Aldus krijgen we een universiteit, funktioneel in dienst
gesteld van de neo-kapitalistiese ekonomie.
Daarom moeten wij na de
revolte een analyse maken van dit neokapitalisme.
2. Het probleem van de overheveling is een deel van de problematiek der universitaire ekspansie. Vlaams Brabant wordt bezet door de
Belgiese en Amerikaanse grote monopolies.
De universiteiten van Leuven en Brussel worden in dienst gesteld van
deze monopolies: zij zullen de techniese elite vormen. De universiteiten
van Gent, Antwerpen en Luik worden vormingscentra voor de "lagere technici
en lagere funktionarissen". Het NUMO blijft een kweekstal voor technies
volgepropte "volksjongens"." Geheel de universitaire Expansie wordt in het
teken gesteld van het neo-kapitalisme. Voorbeelden:
- Akademiese Raad Leuven-Frans: Woitrin en M. Schot, beheerders van de
Société Générale.
- Raad van Beheer Brussel.
Leblanc , voorzitter van de raad, zetelt ook in fabrimetal en Banque
Lambert.
Solvay van de groep Solvay
Boel van de groep Boel
Bernheim,
direkteur van de Innovation
De Gillet van de Nationale Maatschappij voor Krediet aan de Nijverheid.
- Verzoeningskommissie Leemans
Collin, direkteur van de Kredietbank
Godeaux van de Banque Lambert
- Beheerder Leuven-Nederlands: Declercq van de Banque Lambert.
- De volksunie plaatst Lode Claes van de Banque Lambert, op haar lijst
voor de kamer...
3. Het probleem van de overheveling kan dus alléén in volgende termen
worden gesteld: zullen wij toestaan dat de universiteiten verder ten
dienste worden gesteld van de neo-kapitalistiese industrie?
De huidige struktuur van de universitaire expansie, voorgesteld door de
franstalige akademiese raad, gaat die weg op. Ook de inwendige struktuur
van de afzonderlijke universiteiten, blijkt ten dienste te staan van het
monopoliesiesteem. Zie daarvoor de Aktieve Universiteit.
In deze termen gedacht, zijn overheveling en interne demokratise-ring
gedacht.
Ook daarom moeten wij, na de revolte, de monopoliestruktuur als eenheid
van het neo-kapitalisme, analyseren.
Historische situering
We moeten een monopolie-onderneming zien in de historiese groei van
kapitalisme naar neo-kapitalisme.
1. klassieke kapitalisme.
Dit kent zijn hoogtepunt rond 1850. Duizende bezitters hebben een eigen
fabriek opgetrokken. De gebouwen zijn een soort hangars, de machines zijn
eenvoudig en niet zo duur, de arbeiders vormen uiterst goedkope
werkkrachten. Dit alles wordt ingezet om zo goedkoop mogelijk te
konkurreren. Het is een meedogenloze strijd. Door de konkurrentie wordt de
tegenstrever uitgeschakeld waardoor de eigen markten en winsten groter
worden. Sommige ondernemingen groeien kwantitatief boven de anderen uit:
zij stellen tienduizende arbeiders te werk. Kwalitatief is er niet zoveel
verschil: wat de manier van produceren betreft en het techniese peil, is
er niet zo'n enorm verschil.
2. Het financie-kapitaal.
Kent zijn hoogtepunt rond 1900 - Dit is de bloeiperiode van de banken.
Eerst verrichten zij "neutraal" de financiële verhandelingen van de
ondernemingen, ze zijn een tussenpersoon. Later kregen zij echter een kijk
in de "inwendige keuken" van elk bedrijf en konden zij speculeren door hun inmenging in die bedrijven: steunen,
bevoordelen, uitschakelen wie zij het voordeligste achten.
De grote banken
vormden het zwaartepunt van de ekonomie: ze lieten de ene onderneming
vallen en steunden een andere wanneer dit voor hen financieel voordelig
was.
3. Het monopolie-kapitaal.
Hoogtepunt rond 1950. De grootste ondernemingen hebben zich los gemaakt
uit de greep van de banken. Het mammoet-concern staat op eigen benen.
- Het is een gigantiese onderneming met een nationale of internationale
monopolie positie.
De onderneming is helemaal op zichzelf uitgebouwd, dus onafhankelijk
van andere financiële belangen: de winsten worden voortdurend in de eigen
onderneming ingezet.
- De onderneming is zeer sterk gestruktureerd, hierarchies en rationeel
georganiseerd.
Basis
"Op wetenschap gebaseerde industrie" zo noemt de amerikaanse literatuur
de meest moderne industrietakken die ook de meest moderne monopolievormen
kennen. Het gaat hier vooral om elektronika, elektrotechniek en
machine-bouw.
Voorbeelden:
IBM, Philips, General Motors en Clayson.
Om een monopolie positie te verwerven moet de onderneming de enige ter
wereld zijn die een bepaald produkt of een bepaalde techniek bezit. Zo'n
nieuw produkt of een nieuwe techniek worden door de wetenschap veroverd.
Vandaar de term: op de wetenschap gebaseerd. De onderneming heeft een hele
staf geleerden nodig die door fundamenteel en toegepast onderzoek nieuwe
produkten ontwerpen of nieuwe technieken vinden.
Om die monopolie positie te bewaren dient men dit onderzoek kon-stant
op hoog peil door te voeren.
Wetten
De prijzen worden op een bepaald peil vastgezet en niet meer veranderd.
Ze worden vastgezet op het niveau dat de hoogste winst levert. Bij lagere
prijs, verkoopt men iets meer, maar met lagere winst per stuk. Bij hogere
prijs heeft men hogere winst per stuk, maar men verkoopt veel minder. Bij
de vastgestelde prijs maakt men enorme winsten. Men duit niet dat iemand
onder deze prijs verkoopt.
Wie het wel zou doen, wordt door de grootste
monopolies onmiddellijk met dood-concurreren bedreigd. De grootste
monopolies (vb General Motors voor auto-industrie) hebben inderdaad
reserves genoeg om alle kleinen uit te schakelen; deze laatsten hebben er dan ook alleen
belang bij zich naar do wil van de groten te schikken.
De kosten moeten voortdurend gedrukt worden. Als de prijs konstant is,
en de kosten dalen, krijgt men grotere winst. Diegene die zijn kosten het
meest doet dalen, heeft de grootste winst
1) Daarmee kan hij beter en uitgebreider wetenschappelijk onderzoek (de
basis van de monopolies!) verrichten
2) Daarmee kan hij de beste wetenschappers en technici uit andere
bedrijven aantrekken
3) Daarmee kan hij aan zijn klanten de beste service, de hoogste luxe,
de beste betalingsvoorwaarden geven
4) Daarmee kan hij de grootste reklame maken.
Dit zijn vier wapens van de konkurrentie - aangezien de prijzen
vastgezet worden heeft men immers geen prijzenkonkurrentie meer. Wanneer
men de kosten sterk doet dalen, heeft men alle voordelen op de markt, wie
de kosten niet doet dalen, wordt uitgeschakeld.
Mensen
1. De spil waar delmonopolie onderneming om draait is de manager.
Meestal komt hij uit de hogere klasse maar algemeen kan men zeggen dat hij
niet veel met het kapitaalbezit van de onderneming zelf te maken heeft.
De kapitalist uit de jaren 1870 "bezat" zijn fabriek; de manager uit
1960 leidt en organiseert de onderneming.
De manager is verplicht door een interne noodzaak van het sisteem de
wetten van het sisteem in acht te nemen. De onderneming zelf legt
dwangmatig haar wetten op. De vrije wil van de manager, zij humanitaire of
religieuze gevoelens doen niets ter zake. Hij moet met alle hem ten
dienste staande middelen de kosten drukken. Dit is de enige wet, de rest
is proza. Het lot van de manager, zijn sukses of zijn val hangt hiervan
af. Wanneer hij niet erin slaagt de kosten te drukken, raakt zijn
onderneming achterop: een zwakke onderneming brengt prestige verlies mee
voor het management. Wanneer hij wel erin slaagt de kosten te drukken,
stijgt zijn aanzien en dat van de onderneming. Prestige en promotie naar
een grotere onderneming zijn het loon.
2. Nieuwe produkten uitvinden, nieuwe technieken ontwerpen, rationeler
produceren, rationeler de markt bestuderen. Dit zijn de voorwaarden voor een monopolie ondernemingI die haar kosten doet dalen
om haar positie te behouden.
Fysici, chemici, biologen en matematici werken in de laboratoria aan
nieuwe produkten.
De grootste laboratoria ter wereld (Bell bijv.) werken met twee
ploegen. De ene is voortdurend bezig met algemeen basis onderzoek, de
tweede werkt de konkrete opdrachten van het management uit. Sociologen en
psychologen hebben als opdracht de kollektieve opstandige bewegingen on
der de arbeiders te voorkomen, de psychologische traumata ten gevolge van
het arbeidsritme en de arbeidsvoorwaarden te versluieren, de arbeiders die een opstandigheid organiseren
en argumenteren uit te schakelen.
Matematici en psychologen moeten het ritme, de afwisseling en de
ordening bestuderen waarbij de arbeiders het meest renderen. Ekono-men en
matematici bestuderen de markt: uitbreiding, kosten, maximaal renderende
prijs.
Psychologen en sociologen, geholpen door "kunstenaars en literatoren"
ontwerpen de reklame die de mensen met de hoogst mogelijke dwang tot
nutteloos kopen brengt. Politici houden de koloniale markten in het oog.
3. Wie in een grote succesvolle monopoolonderneming werkt is superieur
aan wie elders werkt.
Men kan jarenlang de ladder van het management beklimmen: de volstrekt
hiërarchische struktuur waarin het prestige en het sukses afhangen van de
bijdrage tot het kosten drukken. Zoveel mogelijk wordt het hiërarchische
verschil tussen managers, hogere kaders, lagere kaders en bedienden,
geschoolden en ongeschoolde werkers in stand gehouden.
Het hiërarchische onderscheid tussen mensen wordt door de struktuur en
de werking van een monopolie concern bijgebracht. Het model van
afhankelijkheid en minderwaarde dat de kapitalistiese maatschappij overal
kenmerkt, vindt hier zijn grondvorm. De afhankelijkheid van professoren,
overheid, staat en familie zijn verdere uitingen.
MONOPOOLKAPITAAL IN BELGIË
Probleem
De monopoolonderneming zoals hierboven beschreven, typeert het
ame-rikaanse neo-kapitalisme. Deze monopolies palmen de hele wereldmarkt
in en dus ook de Belgiese markt.
België wordt nog gekenmerkt door een traditionele kapitalistiese
ekonomie: men "ziet in" dat men in spoedtempo moet overschakelen op een
zelfde monopool-struktuur wanneer men gelijke voet wil houden met Amerika.
Inderdaad: Wanneer men de wetten van het kapitalisme aanvaardt, dan moet
men de superioriteit van het monopolie-sies-teem aanvaarden. De Nationale
Raad voor Wetenschapsbeleid publiceerde een rapport "Wetenschap en
Ekonomie" waarin stapsgewijze uiteengezet wordt hoe men op een
monopolie-maatschappij moet overschakelen.
Toestand
1. De monopolie-ekonomie is gebaseerd op de wetenschap. Zonder sterke
wetenschappelijke ontwikkeling geen monopolies. In de VS heeft de staat de wetenschap ( en de monopolies) opgetrokken door enorme
projekten voor ruimtevaart en militarisme.
Dit jaar wordt 278 miljard dollar ter beschikking gesteld voor
militarisme. Daarmee kunnen de monopolies risiko's nemen, experimenten
doen die toch allemaal door de staat worden betaald. Zo ontdekt men nieuwe
grondstoffen, nieuwe technieken, nieuwe metaalsoorten, brandstoffen
enzovoort. Zo krijgt men uiterst ervaren research-mensen.
Dit alles brengt een verdere superioriteit mee tegenover buitenlandse
konkurrenten.
België heeft relatief beschouwd maar 1/5 van het wetenschappelijk
personeel van de VS. Het bedrag aan wetenschappelijk onderzoek besteed,
bedraagt 1/10; de staatstussenkomst is in België 4 %, in de VS bedraagt ze
56 %.
"Wetenschappelijk en technologies is België even sterk achterop bij de
EEG als de EEG achterop is bij de VS." Rapport NRWB.
2. Het rapport van de NRWB vermeldt dat de ekonomiese struktuur van
België totaal verouderd is.
Het grootste deel van het kapitaal steekt in de traditionele
nijverheden die door de koncurrentie van de derde landen geen toekomst
meer hebben. De grote banken hebben veel belangen in deze industrietakken
(België kent nog een banken-kapitalisme uit de jaren 1910). De
belangen-inertie en de kapitaal-inertie hebben als resultaat dat de nieuwe
industrietakken nauwelijks op gang komen. Wie voor miljarden belangen
heeft in takken van de industrie die geen vitale toekomst meer hebben, is
niet zomaar bereid al die kapitaalgoederen te laten uitschakelen.
Hij zal bij de regering druk uitoefenen om die takken verder te
financieren en te laten draaien.
Nochtans weet men dat de vitale toekomst in andere industrietakken
ligt: elektronika, elektrotechniek en machinebouw.
"In deze takken is een op wetenschap gebaseerd monopolie vaak
voorkomend, zijn de prijzen zeer hoog en de markt uitgebreid aangezien de
derde wereld dit niet kan produceren" aldus de NRWB.
3. "De Belgiese ondernemingen vertonen niet voldoende dynamisme om de
strukturele problemen het hoofd te bieden. Daarom is een staatsplanning noodzakelijk." NRWB.
De kapitalisten zijn zelf niet meer in staat een monopolie-siesteem uit
te bouwen. De staat zal zich (zoals altijd) ontpoppen tot het instrument
van de bezittende klasse, dat de globale belangen van de
kapitalistiese klasse verdedigt.
De staat zal de gemeenschapsgelden ten dienste stellen van
privaatondernemingen om hen verder in staat te stellen winsten te maken op
het ogenblik dat zij er alleen niet meer toe in staat zijn.
In de VS steunt de regering de monopolies door miljardenopdrachten voor
ruimtevaart en militarisme. In België wordt gemeenschapsgeld in
privaatondernemingen gestopt langs de Nationale Maatschappij voor Krediet
aan de Nijverheid.
De Nationale Investerings Maatschappij bezorgt onder zeer gunstige
voorwaarden geld aan die ondernemingen die een internationale
mo-nopoolpositie kunnen verwerven.
Van vrijstelling van belastingen voor vennootschappen tot vrijere
kredietverlening, aftrekbaarheid van verliezen en onderzoekskosten en
voordelen bij fusies van bedrijven.
Al deze voordelen werden door de vierde trein der volmachten verleend...
We kunnen samenvatten:
wetenschappelijk en technilogies zijn we onderontwikkeld, de struktuur
van de ekonomie is verouderd en de ondernemingen zelf hebben geen enkele
voldoende dynamisme. De staat probeert de ineenstorting van het Belgiese
kapitalisme tegen te gaan.
Voorbeelden:
Uit de "Weekberichten van de Kredietbank" van 10 februari '68 noteren
wij het volgende.
1. "De druk op de nettowinst was vooral groot voor de industriële
ondernemingen. Er was een daling van 23 % t.o.v. voorgaand jaar.
Er wordt echter gewezen naar de betere resultaten die worden bekomen
door de ondernemingen in de nieuwere sektoren die met een groter
expansietempo aktief zijn. Deze laatste bevinden zich meestal onder
buitenlandse kontrole. In '66 beliep de netto winst van de 50 grote
bedrijven die geheel of gedeeltelijk onder buitenlandse kontrole staan, F.
2,1 miljard. Dit is bijna de helft van de netto winst van alle industriële
ondernemingen waarvan de aandelen ter beurze staan genoteerd."
2. "Rendabiliteit der genoteerde ondernemingen zonder steenkool,
vergeleken met de ondernemingen onder buitenlandse kontrole."
1965 13,6 17,9
1966 13,4 15,8
De rendabiliteit van de buitenlandse ondernemingen ligt dus zowat 30 %
hoger!
3. De staat stopte in 1966 zowat 2,454 miljard in de steenkoolmijnen.
De laatste rationaliseringen in deze sektor hebben bewerkt dat alle deficitaire takken van de mijnen in één groep werden
samengebracht en dat alle winstopbrengende takken ook afzonderlijk werden
genomen (elektriese centrales, bouwmaatschappijen, verzekeringen). De
staat betaalt alle verliezen, de winst gaat verder naar de kapitalisten!
Onderwijs
We stipten reeds aan dat België nog in een vroegere fase van het
kapitalisme vastzit en krampachtige pogingen doet om het neo-kapi-talisme
der monopool-maatschappij te bereiken.
Men "wil" neo-kapitalisme maar de industrie blijft traditioneel
gericht. Men "wil" neo-kapitalisme maar het onderwijs is er niet voor
aangepast. Neo-kapitalisme houdt in: rationeel opgebouwd onderwijs waarin
iedereen op een eng specialistenterrein wordt getraind. Het droombeeld is
de nette, keurige, volgzame technoloog die zijn vakgebied afspeurt zonder
zijn neus in de maatschappij te steken. Het Belgiese onderwijs telt enorm
veel kontradikties en overblijfselen uit vroegere perioden.
De uitbouw van een religieus en niet-religieus onderwijsnet voor het
sekundair onderwijs. De volslagen anarchie in het niet-univer-sitair hoger
onderwijs. Het voortbestaan van de vrije universiteiten, stammend uit de
bloeitijd van het liberale kapitalisme. Dat zijn allemaal kontradikties
die het moeilijk maken om het onderwijs echt ten dienste van het
neo-kapitalisme te stellen.
4. Investeringen in '66.
Industriële Belgiese ondernemingen - uitgezonderd steenkolen -volledig
bedrag: 14,5 miljard.
Investeringen onder amerikaanse kontrole: volledig bedrag: 11,3
miljard.
5. The New-York Harold Tribune van 16 februari vermeld in een klein
stukje wat geen enkele Belgiese krant durfde publiceren.
Na de maatregelen van Johnson tegen kapitaalvlucht, heeft de regering
V.D.B, aan de amerikaanse ondernemingen 100 % van de nodige kapitalen
gewaarborgd plus het betalen van de interest door de Belgiese regering
voor 5 jaar!
De Amerikanen krijgen dus zowat gratis het nodige kapitaal, ze werken
met ons geld en onze mensen. Het enige wat zij brengen in hun "knowledge"
hun "know-how"!
Waarom verzet?
Waarom moeten wij ons verzetten tegen het feit dat de amerikaanse
monopolies de nieuwe takken van de industrie in België bezetten? Is het
niet om 't even of een fabriek Amerikaans of Belgies is? Ze werken toch op
dezelfde manier? Zij zorgen toch evenzeer voor tewerkstelling en dus voor
welvaart?
1. We hebben reeds uitvoerig beschreven hoe de wetenschappelijke research een machtig wapen is dat beslist over de ekonomiese toekomst
van een land.
Al het wetenschappelijk onderzoek - fundamentele wetenschap, allerhande
toepassingen, alle mogelijke rand-ontdekkingen - blijven in Amerika; wat
ook in Amerika blijft is de ervaring, de handigheid, de wetenschappelijke vorming van de onderzoekers zelf. De V.S. voeren
alléén maar formules uit en dit door middel van patenten en oktroolen.
De aktieve wetenschapsbeoefening blijft volledig in VS.-handen en
daardoor neemt onze afhankelijkheid van de V.S.hoe langer hoe dwingender
vormen aan.
2. Het weinige wat wij aan wetenschappelijk potentieel bezitten, wordt
nog opgeslorpt door de V.S.! Als machtigste neo-kapitalistiese natie zijn ze in staat alle suksesvolle laboratoria en
onder-zoeksmensen uit ons land op te kopen.
De V.S. hebben alle rechten om alle mogelijke ontdekkingen die gedaan
worden in de laboratoria Janssen uit Antwerpen afgekocht. Interessant
detail: deze firma, die dus volledig voor de V.S. werkt, kreeg verleden
jaar 10 miljoen subsidies van onze staat!
3. De regering stelt het nodige kapitaal ter beschikking van de
Amerikaanse firma's en heeft nu zelfs besloten ook de interesten van dit kapitaal op zich te nemen.
Een V.S. firma werkt dus met ons geld, met onze technici, met onze
arbeiders. Het énige wat zij ons bieden is hun know-how: hun patenten en
hun doorgevoerde rationalisering van de produktie. Alle kapitaal,
produktiemiddelen en mensen zijn echter van ons, zijn "Vlaams"... De
winsten komen in V.S.-handen terecht. Esso Antwerpen kan elk jaar een 500
miljoen overhevelen...
De V.S. kan die winsten, door onze mensen geproduceerd, investeren waar
ter wereld ook ... en dat doen ze op die plaatsen waar ze maksimaal
profijt uit kunnen zuigen.
De winst die wij produceren, dit is onze ekonomiese toekomst, hebben de
V.S. in handen.
4. Wanneer in de V.S. een recessie plaats grijpt, wentelen zij die af
op ons. Wanneer er overproduktie is dan worden de fabrieken die zij bij ons hebben, het eerste gesloten.
Onze mensen krijgen de sociale ellende van hun recessies.
5. We noteerden dat de V.S. de hele wetenschappelijke toekomst in
handen heeft alsook de winsten van onze ondernemingen, dit is: onze ekonomiese toekomst.
België is voor het gehele terrein der nieuwe industrie volstrekt
afhankelijk van het Amerikaanse kapitaal. Daar het Amerikaanse kapitaal
hier enorme belangen heeft, is het "normaal" dat dit beveiligd wordt door
de Amerikaanse militaire machine, die het etiquette draagt van NATO.
Politiek, ekonomies en militair zijn wij volledig in de macht van de
V.S.
Militair: er worden kernwapens opgeslagen in België waarover de V.S.
het alleen zeggenschap hebben; in geval van krizis wordt "ons" leger
bevolen door V.S.-generaals; in geval van binnenlandse omwentelingen mag het Amerikaanse leger in België ingrijpen volgens
een Amerikaans-Belgies verdrag.
Politiek: op het vlak van de buitenlandse politiek zijn onze ministers
de slaafse, kruiperige marionetten van de Amerikaanse belangen. Ekonomies:
Claeys uit Zedelgem moest een bestelling van 1250 pik-dorsers ter waarde
van 1 miljard uit Cuba weigeren. Deze fabriek staat immers onder kontrole
van de V.S. die elke levering aan Cuba verbiedt 1
MONOPOLIE EN MAATSCHAPPIJ
Probleem
We hebben een monopolie-onderneming beschreven als een uiterst
rationele en gekonsentreerde machine die zoveel mogelijk op zichzelf
bestaat en daartoe haar kosten steeds sterker drukt. Een maatschappij waar
dergelijke monopolies het zwaartepunt van uitmaken, noemen wij:
neo-kapitalisties.
Welke kenmerken draagt de neo-kapitalistiese maatschappij, waarom is
zij verwerpelijk?
Konsekwenties
1. Werkeloosheid en over-kapaciteit.
- De prijzen worden op een bepaald peil vastgezet terwijl de wetenschap
met alle mogelijke macht de prijzen moet laten dalen. Dit heeft als
resultaat dat de winst steeds groter wordt.
- Laten wij de notie "Surplus" invoeren. Het surplus is het verschil
tussen de vitale konsumptie en de totale produktie.
Surplus wordt dus "geakkumuleerd", verwerkt in produktiemachines,
uitrustingen, voorraden, goudreserves.
Door de enorme vooruitgang van techniek en kennis wordt de
pro-duktiekapaciteit steeds meer opgedreven. Men produceert thans enorm
veel meer dan in 1860. Nochtans is het aandeel wat aan de arbeiders
toekomt procentsge-wijze sinds 1860 niet gestegen!
Daarmee gaat samen dat het surplus-gedeelte thans veel groter is dan in
1860.
De krizissen in het kapitalisme vloeien voort uit het feit dat de
kapitalisten niet in staat zijn dat enorme surplus rendabel te investeren.
Men wil alleen investeren wanneer er winst kan uitgetrokken worden.
Daar het aandeel dat de arbeiders van de produktie krijgen niet meer is
gestegen sinds honderd jaar, is de konsumptie in niet voldoende mate
toegenomen. M.a.w. de reële vraag is niet groot genoeg opdat men het enorme surplus op winstgevende manier zou kunnen
inzetten. Als het kapitalisme geen winst kan maken, investeert het niet
meer. Dit betekent: werkeloosheid. Elk jaar komen immers hon-derddulzende
arbeidskrachten vrij uit oude of voorbijgestreefde takken; elk jaar neemt
het totale aantal arbeidskrachten met 1 % toe; elk jaar stijgt de
produktiviteit met 1,5 % alléén maar door het vervangen van de versleten
produktiemiddelen. Wanneer investeringen uitblijven, krijgt men dus
werkeloosheid. Het uitblijven van investeringen komt voort uit de
winstekonomie.
- We hebben er reeds op gewezen dat het surplus steeds maar stijgt en
dat men moeilijkheden kent om dit surplus "winstgevend" in te zetten.
Een konsekwentie hiervan is dat het kapitalisme voortdurend werkt onder
zijn kapaciteit. Omdat de kapitalisten het surplus niet "rendabel" kunnen
verwerken, produceren zij het niet. Surplus is het verschil tussen vitale
konsumptie en produktie. Men produceert minder dan men eigenlijk kan -
zodat het surplus ook kleiner is en dus minder moeilijkheden oplevert.
Het geheel van de Amerikaanse industrie buit ongeveer 65 % van haar
kapaciteit uit ...
Waarom produceert men geen 100 %? Omdat dan de prijzen sterk zouden
moeten dalen, omdat de winst geringer zou zijn... Ons siesteem heeft dus
de objektieve mogelijkheid om 30 % meer produkten aan de mensen te geven -
en dit met dezelfde arbeid. Het heilig beginsel van prive-bezit en
prive-winst maakt dit onmogelijk: daarom is in deze periode het
prive-bezit van de produktiemiddelen een rem op de historiese vooruitgang.
In dezelfde lijn ligt de vernietiging van fruit te St-Truiden verleden
najaar, de vernietiging van granen in de V.S. en van koffie in Brazilië.
2. Reklame
We hebben gewezen op de moeilijkheid voor het neo-kapitalisme om
"winstgevend" te investeren.
Men forceert kunstmatige investeringsmogelijkheden. Een enorm
endoktrinatie-mechanisme treedt in werking om onbestaande behoeften te
kreëren die dan door opgedreven konsumptie worden bevredigd.
De reklame is een uiterst rationeel bestudeerde, psychologies
onweerstaanbare macht geworden die de mensen manipuleert zonder dat een
mogelijkheid tot weerstand bestaat.
Het cynies-geraffineerde misbruik van de mens, de kunstmatige en
baatzuchtige manipulatie van de mens zijn peilers geworden waar onze
"welvaartsbeschaving" op rust.
3. Militarisme.
Er is een "teveel" aan surplus.
Men kan het niet "winstgevend"
investeren in konsumptie-produktie omdat de vraag te klein is.
Investeringen in militaire uitrusting bleken de oplossing te zijn voor
het Amerikaanse kap!Lul Isme.
Men kan enorme hoeveelheden surplus "winstgevend" verwerken, zonder dat
de konsumptieproduktie toenam.
Het militarisme is een noodzaak geworden voor de surplus-verwerking en
dus voor het mechanisme van het neo-kapitalisme zelf. De begroting van de
V.S. voor militarisme bedraagt 788 miljard dollar - 10 % van de
Amerikaanse arbeiders "verdienen hun brood" in deze vuile industrie.
4. Een monopolie steunt op nieuwe produkten en nieuwe technieken.
Er komen een eindeloze rij nutteloze of pseudo-nieuwe produkten op de
markt.
Om de produktie - en de winst! - hoog te houden moet men elk jaar
"noodzakelijkerwijs" een nieuw auto-model op de markt brengen -wat enorm
veel nutteloos werk meebrengt.
In het centrum van de steden trekken de grote monopolies enorme
buildings op voor reklame en public-relations.
Deze buildings brengen enorme nutteloze kosten mee. De steden
worden lelijk, overvol en chaoties. De buildings zelf vormen in de stad
een onaangenaam werkmilieu.
Gelijkaardige (maar konkurrerende.•.) fabrikaten worden siestema-ties
"pseudo-verschillen" bijgebracht - wat enorm veel nutteloos werk
meebrengt.
Men bestudeert en vervaardigt de produkten zodanig, dat ze snel
versleten zijn - gloeilampen, kledij. Nutteloos werk. Het nutteloze
werk van de reklame-bureaus die nutteloze produkten aansmeren.
Al deze arbeid is alléén nuttig voor het prive-bezit dat hier "winm en
profijt" mee kan maken. De reële bekommernis om de mens en de menselijke
samenleving is uit dit siesteem verbannen naar het ronkende terrein van de
burgerlijke fraseologie.
5. In de V.S. zelf heeft het neo-kapitalisme moeite om zijn surplus
rendabel te verwerken.
Het kapitaal wat "te veel" is, wordt uitgevoerd naar de derde wereld
waar het binnen de kortste tijd moet renderen. In die derde wereld wordt
precies datgene geproduceerd, wat nuttig is voor de
monopolie-ondernemingen.
Met de objektieve behoeften yan het ontwikkelingsland wordt in genen
dele rekening gehouden. Dat Guatemala een gelijkmatige, stapsgewijze en
gediversifieerde industrie nodig heeft, kan The United Fruit Company niet
schelen.
United Fruit beheerst 75 % van de in- en uitvoer van Guatemala. Daarom
zal Guatemala, zolang het onder de voet van United Gruit ligt niets dan
fruit spuwen.
De baatzuchtige winst-politiek van de monopolies heeft dus als recht
Streekse en logiese konsekwentie: de ellende van Guatemala, Indonesië,
Irak en heel de derde wereld. De managers van United Fruit kunnen daarbij
diep voelende en religieuze individuen zijn: zij zijn genoodzaakt, door de wetten van het
siesteem zelf, op die manier te handelen.
Zij moeten de kosten met alle mogelijke middelen drukken, de
internationale markt zo rationeel en siestematies mogelijk uitbaten.
6. Teveel aan kapitaal dat men niet meer "winstgevend" kan inzetten,
over-kapaciteit, enorme verspillingen voor militarisme en reklame.
Dit is de ene zijde van de welvaartsmaatschappij der V.S.. In die
maatschappij waar blijkbaar van alles te veel is, stellen we
terzelfdertijd vast dat, volgens Amerikaanse statistieken, 35 % van de
bevolking armoede kent, 10 % in slechte woningen, krotten en getto's leeft
en permanent tussen 5 en 7 % mensen werkeloos zijn. "Een percentage
werkeloosheid van +_ 5 % is het beste middel om inflatie tegen te gaan:
dit is een pijnlijke maar behartenswaardige werkelijkheid"( Business
Week^.
7. Binnen de struktuur van een monopolie-onderneming is alles berekend,
rationeel gepland, streng geordend en gedirigeerd. Een monopolie is één blok rationaliteit.
Maar de maatschappij als geheel - waarin dit blok staat, wordt aan
volslagen irrationaliteit en wanorde overgelaten. Onvoldoende goede
woongelegenheid, ontbreken van aangepaste ontspanningsmogelijkheden,
onvoldoende en duur openbaar vervoer, geen urbanisatie, geen sociale
gezondheidsdienst, minimale sociale voorzieningen, jeugdwerkeloosheid,
gejaagde en belachelijke "rekonversie" van de werklozen, delen van het
land die achterlijk en arm gehouden worden en delen waar de monopolies
miljarden uithalen. De maatschappelijke irrationaliteit tussen belachelijk
opgeschroefde lukse en armoede, tussen de ellende en uitbuiting van de
derde wereld enerzijds en de kapitaal-ophoping in de V.S. anderzijds.
8. Het vernietigende konflikt tussen opgedreven rationaliteit in de
onderneming en de irrationaliteit van de maatschappij drukt een stempel op alle mensen.
De gelijkmatige en evenwichtige ontplooiing van de mensen wordt
onmogelijk gemaakt - een levende kreatieve, kollektieve kuituur wordt
uitgeroeid.
Konform aan het siesteem komt daarvoor in de plaats: massa-manipulatie
en massa-opwinding.
Burgerlijke magazines, sensatie-kranten, sex-romannetjes,
sport-kriterie, potsierlijke Shows en misdaad-feuilletons waar> de Yankees
grote goeie helden zijn.
Samenvatting
Dit zijn de rechtstreekse konsekwenties van ons monopoliesiesteem:
werkeloosheid en produktie bij onvolledige kapaciteits-uitbating,
militarisme en dwangmatige reklame, nutteloze arbeid en zinloze
kon-sumptie, uitbuiting en massamoord in de derde wereld en armoede binnen de monopolie-maatschappij zeil. Het ontbreken van elke vorm van
maatschappelijke verantwoordelijkheid, van aangepaste kollektieve
levensvormen, van bekommernis om de mens. "' En de konsekwentie voor ieder
die meeloopt in het raderwerk van de monopolie-maatschappij: door
indoktrinatie, door reklame en loor enge specialisatie wordt hij volledig
blind en doof en ongevoelig voor alle afschuwelijke konsekwenties van dit
siesteem.
III - DE UNIVERSITEIT IN DE GROEP VAN HET MONOPOLIE-SIESTEEM
- Boven
I - HISTORIESE ANALYSE
gemaakt in Caen en Dyon, goedgekeurd op het 56e kongres van UNEF te Lyon, juli '67.
De universiteit was niet noodzakelijk voor de ontwikkeling van de
liberale ekonomie. De "vrije onderneming" hield zich voornamelijk bezig
met de beroepsvorming terwijl het techniese peil geen hoge bekwaamheid
vereiste voor de meeste arbeidstaken.
Aan de universiteit werden afzonderlijke onderzoekingen "ingekleed" in
een algemene teorie; de universiteit was vooral de bewaarster van een
kultuur-patrimonium, ze bracht de studenten de overtuigingen en de
"waarden" van de bourgeoisie bij, zowel door de inhoud van het onderwijs
als door de metode.
Haar belang voor de ekonomie was gering, maar zij was van het hoogste
belang voor de verspreiding van de ideologie van de heersende klasse, de
liberale bourgeoisie.
Aan de universiteit kreeg men niet zozeer een beroepsvorming dan wel
een "vrijgeleide" voor een carrière.
Deze funktie van de universiteit bleef bestaan, zolang als de
eko-nomiese struktuur dezelfde bleef.
De ekonomiese struktuur is veranderd door de technologiese evolutie, de
ontwikkeling van het monopoliesysteem, de tussenkomst en de planning van
de staat in funktie van deze monopolies.
De ekonomiese grondslag is
veranderd en dus ook de funktie van de universiteit.
De wetenschappelijke vooruitgang, de grote vernieuwingen hebben een
stijging van de produktiekosten meegebracht, door de noodzaak van
research, vorming en techniese uitrusting.
Deze ontwikkeling van de produktiekrachten liet de
produktieverhou-dingen totaal ongewijzigd. De fundamentele kontradikties
van het kapitalisme blijven bestaan: kontradiktie tussen de
produktiekrachten (arbeiders en beambten) en de produktieverhoudingen
(totale afhankelijkheid en ondergeschiktheid van de arbeiders en de
beambten) ; kontradiktie tussen de kollektieve produktie (een produkt is
het resultaat van 't werk van honderde arbeiders) en de privë-toe-eigening
van de winsten.
De ondernemingen willen hun wlnsi Inhouden en de techniese
vernieuwingen invoeren om te kunnen konkurreren.
De techniese vernieuwing hangt af van het wetenschappelijk onderzoek en
van de wetenschappelijke vorming.
De industrie moet dus kontrole hebben op onderzoek en vorming. In deze
zin maakt de wetenschap een integraal deel uit van het pro-duktieproces.
Men kan de wetenschap dus niet onafhankelijk van de produktiewijze
beschouwen.
Het kapitalisme streeft ernaar de wetenschap als produktiekracht te
kontroleren; wetenschap betekent immers meer-waarde.
Het kapitalisme grijpt op de universiteit in, waar het de
wetenschappelijke ontdekkingen wil gebruiken.
Voor het kapitalisme is het echter eveneens noodzakelijk in te werken
op de struktuur van de maatschappij.
Dit komt tot uiting op het niveau van de kader-vorming, de plaats van
de technokraat in de onderneming, de rol van de sociale wetenschappen, de
aanpassing van de sociale hiërarchie. Deze sociale hiërarchie wordt
geregeld naar de ideologiese en ekonomiese eisen van het kapitalisme.
Op het huidige ogenblik kan de universiteit de behoeften van het
bedrijfsleven niet voldoen: research, jonge technokraten, hoog
gekwalificeerde onderzoekers.
De universiteit verspreidt nog steeds de "haute culture" ze is nog
steeds bepaald door de liberale ideologie uit het vorige ekonomiese
stadium.
Om de aanpassing door te voeren, heeft de staat het initiatief genomen
om de struktuur van de universiteit te wijzigen. De staat is het
instrument, waarmee de monopolie-industrie haar behoeften tot norm stelt
voor 'n nieuwe universiteit.
II - DE BANDEN TUSSEN ONDERWIJS - REGERING - BEDRIJFSLEVEN WORDEN
STEEDS NADER TOEGEHAALD
Onder het "bedrijfsleven" moeten wij hier opnieuw de grote
internationale trusts beschouwen. Een tiental grote concern hebben de
ekonomiese macht van ons land in handen. Daardoor hebben zij ook een
onontkoombare greep op de regeringen en partijen.
De grote concern worden de dominerende, de heersende, de oppersLo macht
in onze westerse landen, een macht die alle terreinen van <l< maatschappij
beslaat.
De universiteiten komen meer en meer onder de direkte kontrole van deze
concerns te staan. Het techniese kader en de leidende funkties in de
concerns worden bekleed door universitairen; de betekenis van deze
universitairen en het produktieproces, wordt steeds groter en daarom
worden de eisen die de concerns stellen, de kontrole die zij uitoefenen op
de universiteiten, steeds gedetailleerder.
Hierna volgen een reeks feiten die de greep van de concerns op de
universiteiten aantonen. Iedereen die aan een universiteit studeert heeft
ermee te maken, of hij dat bewust inziet of niet. Dit onderwerp toont ons
goed aan hoe radikale maatschappijkritiek noodzakelijk moet volgen op het
inzicht in universitaire problemen. Onze hele maatschappij raakt steeds
meer in de macht van een tiental internationale financiële groepen: we
krijgen een uiterst se-lekte financiële oligarchie die enorme winsten
opbouwt met de arbeid van onze mensen. Negentig procent van de bevolking
staat volstrekt buiten deze financiële blokken, ze hebben geen enkele
mogelijkheid tot inzicht en geen enkele mogelijkheid tot kritiek of
inbreng in deze enorme internationale financiële bastions. Zelfs van een
schijndemokratie kan geen sprake zijn, wanneer men de internationale
koncentratie van kapitaal ziet.
Daarbij stellen we vast dat de toestand van de arbeiders in alle
Westerse landen slechter wordt. Wie zijn ogen wil openen zal in het
sprookje der "welvaartsmaatschappij" en der "great society" nog alleen
maar een paar spookfiguren zien.
Wanneer we de rol van "onze" internationale concerns in de
ontwikkelingslanden zien,stellen we vast hoe de uitbuiting en de
winst-roof daar tot absurde proporties zijn uitgegroeid. De ekonomische
diktatuur die de Europese en Amerikaanse concerns over de derde wereld
uitoefenen, brengt honderde miljoenen mensen op de rand van de
uithongering.
De politieke diktatuur die "onze" Europese en Amerikaanse concerns over
Azië, Afrika en Zuid-Amerika uitoefenen langs een reeks
marionet-regeringen om, berooft honderde miljoenen mensen van de
elementairste vrijheden en rechten.
En de militaire diktatuur die wordt uitgeoefend wanneer er iets
misloopt met de ekonomische of politieke hegemonie, kost elk jaar het
leven aan een paar honderdduizende mensen.
Dat is de nationale en internationale betekenis van "onze"
internationale machtsgroepen. Vele mensen hebben een "neutrale" inhoud
voor ogen als ze aan het woord "concern" denken: ze zien een soort zeer
grote onderneming. Wij moeten ons echter steeds konkreet de reële
konsekwenties van het monopoliesiesteem voorhouden: machtskonsentra-tie en
totale afbraak der demokratie, achteruitgang bij de middenklassen en
nauwelijks verholen miserie bij vele arbeiders in de westerse,
kapitalistiese landen zelf; in de derde wereld alle vormen van uitbuiting
en diktatuur. Dat zijn onze internationale concerns .
En het zijn die concerns die thans hun greep op de universiteiten
definitief bevestigen.
Wanneer deze "concerns" zich in onze universiteiten planten, moeten wij
hen niet neutraal bekijken: we moeten weten wat hun nationale en
internationale betekenis ie.
Wanneer deze "concerns" aan de universiteit komen, spreken ze over
efficiëntie van het onderwijs, maatschappelijke rentabiliteit van de
wetenschappen, herstrukturering van de universiteit. Wat zullen de jongens
die alleen "progressieve aktie" willen voeren voor strikt universitaire
problemen daartegen inbrengen? Wij kunnen ons hier alleen stellen op het
vlak van de totale maatschappijkritiek: deze internationale concerns
brengen onrecht in onze landen en uitbuiting in de derde wereld, deze
concerns zijn het dominerende element in de laat-kapitalistiese, westerse
maatschappij. Zo'n maatschappij is rot en we moeten vechten om die te
veranderen.
Hoe worden de banden tussen universiteit, regering en bedrijfsleven
steeds nauwer aangehaald?
1. Door personen.
Een individu kan, van hoogleraar tot minister en van minister tot
konmissaris van een concern worden; het kan ook omgekeerd en met alle
mogelijke variaties op dit thema.
Voorbeeld:
Prof. Kuin doceerde sociologie aan de Gemeentelijke Universiteit te
Amsterdam. Hij werd "benoemd" bij Unilever Rotterdam. Zijn opvolger werd
prof. Zahn, die overkwam van ... Unilever Londen. De specialiteit van
prof. Zahn is ekonomische planning, toch doceert hij sociologie.
(Informatie Vrij Nederland 13.2.'65).
Voorbeeld:
Prof- Verrijn Stuart van de ekonomiese fakultiet te A'dem. Als
buitengewoon hoogleraar had hij nog 20 commissariaten te behartigen. ..
Hij was o.m. betrokken bij de leiding van de AMRO-bank. Zijn opvolger werd
dan ook dr. Jongman, direkteur van de studiedienst van AMRO ... (VN.
13.2.'65)
Voorbeeld:
"Curatoren van de Ned. ekon. hogeschool te Rotterdam (o.m. de H. Van Moorsel, oud-direkteur Unilever) en de direktie van de N.V. Kon. Ned. Petroleummaatschappij hebben de stichting bedrijfskunde opgericht.
Doel: het geven van post-doktorale cursussen in bedrijfskunde en het verrichten van speurwerk ten aanzien van bedrij fsproblemen." (Nieuwe Rotterdamse Courant dd. 17.6.'65)
Voorbeeld:
"Verscheidene hoogleraren zijn uit het bedrijfsleven afkomstig en
treden ook als adviseur van grote ondernemingen op. Een dergelijke binding kan uitgroeien tot min of meer vaste kontakten op bepaalde
velden van onderzoek. Uitvindingen die worden gedaan kunnen leiden tot
officiële oktrooi-aanvragen.
"We hebben prettige relaties met de Koninklijke Zout en Vredestein"
aldus prof. Vlugter van de T.H. Twente (Twents Dagblad Tubantia dd.
30.6.'66).
Voorbeeld:
Bij de vestiging van de techniese hogeschool te Dienerlo, heeft
minister Cals de nadruk gelegd op de mogelijkheid kontakten tot stand te
brengen met industriële bedrijven.
Deze samenwerking, vooropgesteld dat beide partijen iets te bieden
hebben, kan gemakkelijker tot stand komen naarmate de afstand tussen
hogeschool en bedrijfslaboratorla, geringer is, aldus de minister. (Twents
dagblad Tubantia 30.6.'66).
Voorbeeld:
"Prof. Breedveld merkt op dat ook stages, werkbezoeken enz. als
kontakten kunnen worden beschouwd.
Prof. Breedveld, die zelf adviseur is van Philips NV, merkt op dat vrij
veel hoogleraren relaties hebben bevoorbeeld met Stork, TNO, de
scheepsbouw, lucht-en ruimtevaart." (Twents dagblad 30.6.'66).
2. Bij planning.
Commissies die een planning moeten maken voor de toekomst van het
Wetenschappelijk Onderwijs, krijgen meestal een aantal "deskundigen" uit
de groot-industrie of uit de bankwereld mee.
Voorbeeld:
De Sociaal-Ekonomiese raad gaf aan 'n kommissie opdracht rapport uit te
brengen over het onderwijs en het onderzoek inzake bedrijfsleiding.
Leden: prof. Meyj, prof. Pruyt en de h. A.W.J. Caron, lid van de Raad
van Bestuur van Unilever in '65 met speciale opdracht naar Japan,
Australië en Zuid-Azië. Rapport uitgebracht 7 feb. '65.
Voorbeeld:
De commissie Leemans die een verzoekingsprocedure moest uitwerken voor
de Leuvense Universiteit, kreeg de h. Collin, direkteur van de kredietbank
en de h. Godeaux van de Banque Lambert mee.
Voorbeeld:
Toespraak door Dr. Knoppers.
"Met het onderzoek gaan natuurlijk reuzachtige bedragen gepaard, die
maar weinig Europese firma's kunnen opbrengen. Het percentage van
de winst die in Amerika aan research wordt besteed, ligt echter hoger dan
in Europa, het is een kwestie van bedrij f sfilosof ie" Aldus dr.
Knoppers.
Dit verschil in filosofie uit zich ook in de nauwe samenwerking tussen
regering, universitaire wereld ai industrie, die een integratie van de
drie opeenvolgende fasen van onderzoek - die van de ideeën, de toetsing en
ontwikkeling, en tenslotte de praktiese toepassing heeft mogelijk gemaakt.
(In Nederland worden bedenkelijke gezichten getrokken als Philips een
cyclotron aan de Techn. Hogeschool te Eindhoven geeft!) Zelfs al zouden we
ons - als door een wonder - op Europese schaal organiseren, dan nog zouden
we niet automaties het klimaat verkrijgen dat zo essentieel is geweest (en
nog is) bij het bereiken van de Amerikaanse suksessen.
Dr. Knoppers ziet echter wel kansen voor Nederland dat "altijd het
verschijnsel van multinationale en internationale firma's heeft gekend".
(Koninklijke Zout, Unilever, AKV, Philips, Ketjens-zout en S t aat smij
nen)
"Misschien kan Nederland daarom het initiatief nemen om een Europees
equivalent op te zetten van een Massachusetts Institute of Technologie
(M.I.T.) of van de Bell Laboratoria." Het idee om een Europees, of
Atlanties, wetenschappelijk instituut in Nederland te vestigen zit
blijkbaar in de lucht. (Deze schitterende samenvatting danken we aan de
N.R.G. dd. 22.6.'66)
IV - REVOLTE
- Boven
Wat kunnen wij uit de recente Leuvense "revolte" leren over de
mogelijkheid van een "revolutie" in België? Hoe zullen wij de volgende
revolte voorbereiden, welke zijn de kansen op langere termijn?
EVOLUTIE
De revolte van mei '66 was een loutere straatrevolte, die zich tegen
zeer oppervlakkige "tegenstrevers" keerde (Bisschoppen-Walen) en dus ook
niets kon uithalen.
Het fascistiese Vlaanderen was de mening toegedaan dat "Vlaanderen" wel
zou overwonnen hebben, indien wij maar hard en lang genoeg hadden geklopt
op alles wat niet gezond "vlaams" was. De zogenaamde linksen hadden de "Aktie"
gebroken.
Het is zo dat aktie om de aktie niet lang standhoudt en dat een aantal
mensen gingen zoeken naar meer fundamentele tegenstand. De revolte van
januari '68 kwam daardoor in haar straatuitingen zelf reeds op een hoger
peil te liggen: men viel de Société Générale, kerk en kapitaal, de
brusselse bourgeoisie en de regering aan. Het is onze taak deze revolte nu
siestematies te ontleden om ons niveau van aktie en bewustzijn weer hoger
te brengen.
ALGEMEEN
In alle kapitalistiese landen stelt men een gelijkaardige
machtskon-centratie vast.
De ekonomiese en politieke macht wordt door dezelfde belangengroepen
gekontroleerd - een kontrole, die zich verder uitstrekt over alle
massa-organisaties, kommunikatiemedia, tijdschriften. De beperkte klasse,
die de macht heeft over de ekonomiese en financiële middelen van een land,
determineert in laatste instantie alle terreinen van het maatschappelijk
leven.
Deze machtskoncentratie heeft er belang bij alle politieke
bewustwording, politieke opvoeding, alle massa-aktie te voorkomen. Van
demokratie als bewustwording en aktie der massa is hoe langer, hoe minder
sprake.
Dit is de grond-kontradiktie tussen machthebbende klasse en volk,
tussen oligarchie en demokratie, steunend op de ekonomiese kontra-diktie
tussen arbeidende en bezittende klasse.
TYPIES BELGIË
De kontradiktie tussen kapitaal en arbied bestaat in alle westerse
landen min of meer versluierd.
In België echter stellen wij vast dat de kapitalistiese klasse bij het
besturen van het land op een onoverkomelijke reeks bijkomende
kontradikties stoot. De bezittende klasse moet een land besturen dat wordt
uiteengereten, kapotgescheurd door allerhande kontradikties.
Het zijn kontradikties, die in heel het volk doorwerken: de bezittende
klasse is niet in staat haar eigen belangen door te drijven en
terzelfdertijd de kontradikties in het volk op te lossen. Wij hebben hier
de kern van de mogelijkheid tot fascisme: de machthebbers kunnen de
kontradikties niet oplossen. Het gevolg is dat de bevolking haar
ongenoegen en haar eis tot het oplossen van de problemen op straat
manifesteert. De bezittende klasse is niet in staat de fundamentele
belangen van het volk uit te werken: zij rept met geen woord over het
probleem zelf, werkt niet een oplossing voor de massa uit, maar roept als
haar eerste en enige taak uit: 'ordehandhaving'.
Terzelfdertijd hebben wij hier de kern van de mogelijkheid tot een
volksrevolutie: de machthebbers kunnen de kontradikties niet oplossen.
Welk probleem binnen de volksmassa ook opduikt, de kapitalistiese
klasse is niet in staat een demokratiese oplossing voor te stellen.
Oplossingen ten voordele van de massa zijn immers kontradiktories aan de
belangen van een beperkte klasse.
Wij bereiken een revolutionair stadium wanneer de bezittende klasse
helemaal in het onvermogen is tot handelen.
Wanneer de kontradikties in het volk zo nijpend zijn geworden dat
allerhande bevolkingslagen in opstand komen tegen eenzelfde "macht". En
wanneer daarbij de kontradikties binnen de bezittende klasse zo groot zijn
dat de bezittende klasse zelf wordt verscheurd in vijandige tegengestelde
belangengroepen.
Alleen op zo'n moment kan van "revolutie" sprake zijn. Dit houdt dan in
dat er een georganiseerde revolutionaire kern bestaat bij alle lagen der
bevolking - dat deze revolutionaire kernen zeer nauw samenwerken met de
massa en dat zij een zeer hoge discipline en training achter de rug hebben
op theoreties en prakties terrein.
VOORBEELD LEUVEN
Bovenstaande teorie lijkt ons volledig te stroken met de feiten, die
zich tijdens de Leuvense revolte hebben voorgedaan. Het totale onvermogen
om ook maar één zinnige stap naar een oplossing te zetten is duidelijk
gebleken. "Ik herhaal dat de normale procedure zal worden gevolgd", aldus
VDB op de vraag of het probleem niet zeer nijpend was. "Un dernier cri
d'alarme" schreef La-Libre Belgique op de eerste pagina.
In een totaal onvermogen zagen wij de heersende klasse uiteenvallen in
een rij machteloze kliekjes.
De Somer en de akademiese raad zegden géén woord over het probleem maar
keurden geweld en staking af'. De raad van beheer ging uiteen zonder enig
akkoord over maar het geringste onderwerp. De regering wijst krampachtig
alles af als "een zaak van de inrichtende macht". De bisschoppen zijn
sinds anderhalf jaar niet meer bij machte geweest openbaar in te grijpen.
De partijen zijn inwendig verscheurd: 'er bestaan nu 2 CVP's ... die niet
in staat zijn tot besluiten te komen. Men richt verzoeningskommissies op,
die twee dagen later uit elkaar springen. Zelfs binnen al deze frakties
komen persoonlijke kontradikties de toestand nog verder uiteenrijten: De
Somer contra Van Windekens contra De Jonghe contra Derine.
Het totale onvermogen van de heersende klasse kan niet duidelijker
geïllustreerd. Het gaat hier nog om een beperkt probleem, maar toch ziet
men reeds een ontelbare reeks kontradikties oprijzen, die de heersende
klasse onmogelijk kan oplossen. Welke problemen kwamen in Leuven aan bod?
- De kontradiktie tussen waals en vlaams.
- De kontradiktie tussen katolieke en vrijzinnige universiteiten en
machten.
- De kontradiktie tussen het vrije elite-onderwijs en de verwaarloosde
officiële universiteiten.
- De kontradiktie tussen de "officiële katolieke" instelling en de
antiklerikale houding van de meeste studenten.
- De kontradiktie tussen de liberale mentaliteit en de behoeften van
het neo-kapitalisme.
- De kontradiktie tussen de belangen van Wallonië en de belangen van
het Brusselse kapitaal.
- De kontradiktie tussen de aktivlteit van de massa en de fascis-tiese
ordemaatregelen, noodzakelijk voor het gezag.
En dit hele kluwen van Leuvense kontradikties bracht over het hele land
nog andere problemen los:
- De kontradiktie tussen een ongeordend en paternalisties onderwijs en
de behoeften van de studenten uit het NUHO.
- De kontradiktie tussen de jeugd en een opvoedingssysteem van dwang en
onderdrukking.
VAN REVOLTE NAAR ...
Het is noodzakelijk dat wij drie elementen uit de revolte inzien:
1. Dat het kapitalisme in België door honderd kontradikties wordt
uiteengescheurd.
2. Dat de bezittende klasse op kritieke momenten volslagen machteloos
staat.
3. Dat de organisatie, bewustwording en aktie van de massa onze enige
steun en hoop uitmaken.
Wanneer wij dynamies leren denken, kontradikties en
machtsverschuivingen zien, kunnen wij een revolte voorbereiden en leiden.
Het geloof in de revolutie - of liever: het inzicht in de historiese
noodzaak dat wij een revolutie tegemoet gaan - is de absolute voorwaarde
tot goede voorbereiding.
Wie niet door analyse tot inzicht is gekomen in de noodzakelijke
aaneenschakeling van revoltes in ons kapitalisties stelsel, zal steeds
'verrast' zijn door de revolte en niet in staat zijn de te volgen weg aan
te geven.
Wij moeten vooral steevast aan ons alternatief gaan werken. Ons
alternatief voor een klasseregering is de bewustwording en aktie van de
massa zelf. Wij moeten een revolutionaire kern uitbouwen, die deze
bewustwording en aktie kan bewerken en die blijvend in nauw kontakt met de
massa staat. Alleen uit deze metode kan, na jarenlange strijd,een
maatschappijstruktuur groeien, waarin het volk zoveel mogelijk zijn eigen
problemen voor zijn eigen welzijn oplost.
BELGIESE KONTRADIKTIES
Van belang is nu dat wij, aan de hand van de krisis om Leuven, die wij
zelf hebben bijgewoond en beleefd, tot inzicht komen in de fundamentele
kontradikties, die België uitéénscheuren.
Het Belgies kapitalisme heeft met een aantal objektieve hindernissen af
te rekenen: België is klein, oud en afhankelijk.
- België is klein: zijn industriële ondernemingen en zijn
landbouw-eenheden hebben meestal een veel te kleine dimensie om met het
buitenlands kapitaal te kunnen konkurreren. Vandaar de roep om Europese
eenheid: Europese koncentraties en fusies zouden het Belgies kapitalisme
redden.
- België is oud: meer dan één miljoen gepensioneerden: niet meer
produktief, sociaal achteruitgesteld, zonder voldoende aangepaste
woningen.
Onoverkomelijke problemen voor een winst-klasse. De ekonomiese
uitrusting is verouderd: de oude takken van ver-bruiknijverheid en
basisindustrie hebben nog de klemtoon. Zij staan onder zware
konkurrentiedruk van de derde wereld.
- België is afhankelijk: het is een centrum, een kruispunt voor
internationale ontmoetingen en diensten. Het Europese neo-kapita-lisme,
ook EEG genoemd, heeft er zijn vestingsplaats genomen. Het Amerikaanse
imperialisme heeft er het hoofdkwartier van de NATO gevestigd.
Laten wij de kontradikties, die België uitéénscheuren, nader
beschrijven.
Al deze kontradikties - en het immobilisme van de gevestigde macht
tegenover al deze kontradikties - bewijzen telkens en overal weer dat onze
maatschappij niet langer kan bestuurd worden door een ka-pitalistiese
klasse.
Elke uitbarsting van woede bij het urgent worden van één van deze
kontradikties bewijst het onvermogen en de onmacht van het kapitalisme en
mobiliseert de massa voor zelfbewustwording en zelfakti-viteit.
A. Kontradikties, die de bezittende klasse zelf verscheuren
1. De kontradiktie tussen de klassieke liberale ekonomie en de noodzaak aan neo-kapitalistiese strukturen. Het grootste deel van het
Belgies kapitaal steekt in de traditionele verouderde industrietakken. Dit
zijn enorme belangen, die met hand en tand verdedigd worden. Nochtans weet
men met wetenschappelijke zekerheid dat men deze takken moet verlaten om
de gespecialiseerde technolo-giese takken aan te pakken en monopolies op
te bouwen (elektroni-ka, elektrotechniek en machinebouwtakken der chemie
en farmacie)
Dit is: een neo-kapitalisties siesteem optrekken.
2. De kontradiktie tussen het Belgiese kapitaal en de amerikaanse
belangen, gelegen in de amerikaanse monopolies, die zich hier vestigen.
Er is een permanente dreiging voor werkloosheid. Men weet dat er alleen
nieuwe werkgelegenheid te vinden is in de nieuwe industrietakken - in de
uitbouw van monopolies. Deze nieuwe werkgelegenheid, deze nieuwe fabrieken
worden voor 54 % door amerikanen verzorgd... Dit brengt kontradikties mee
tussen het belgiese en het amerikaanse kapitaal.
De amerikanen kunnen zich elk ogenblik terugtrekken en een enorme 'put'
achterlaten, de grootste winsten verdwijnen naar Amerika, het
intellektuele en wetenschappelijke werk blijft in Amerika. Een voorbeeld
van deze kontradiktie werd ook in Kongo geleverd. De belgiese plunderaars
werden er zonder skrupules door de amerikaanse monopolies aan de deur
getrapt.
Een ander uitvloeisel van deze kontradiktie is de bezetting van België door het amerikaanse leger. Het NATO-hoofdkwartier - het grootste door
Amerika gekontroleerde troepenpotentieel ter wereld -werd zonder
raadplegen van volk en parlement in ons land ingeplant. Het U.S.-leger
maakt gebruik van 24 bases in België, stapelt zijn atoomwapens bij ons op,
en heeft het recht tot interventie bij omwentelingen in België.
3. De kontradikties tussen het reaktionair liberaal deel van de
bourgeoisie en de rationele funktionele groep der neo-kapitalisten.
De ideologie der neo-kapitalisten: gespecialiseerd technologies werk,
funktioneel en rationeel op het winst-doel afgestemd. Hun maatschappij
wordt gedomineerd door het beeld van een georganiseerde sterke
monopool-onderneming en van de zakenman. Alle maatschappelijke fenomenen
moeten rationeel en funktioneel op de monopolieindustrie afgestemd zijn.
De ideologie der liberale kapitalisten: de groten uit het verleden:
aristokratie, klerus en humanisme. Overblijfselen uit feodaliteit en
konkurrentieperiode van het kapitalisme. Persoonlijke vrijheid voor de
bourgeoisie, adel en metafysika.
De hogere klerus en de liberale bourgeoisie maken in België nog een
groot stuk van de hogere klasse uit, vooral omdat hun greep op de
middenstand en klein burgerij aanzienlijk is. Zij verzetten zich op vele
terreinen tegen de 'revolutie 'van het neo-kapitalisme. Voorbeeld:
tegengestelde visie op het parlement.
B. Kontradikties tussen de heersende klasse en de brede lagen der
volksmassa.
1. De 'boeren' horen niet meer thuis in de rationele gekonsentreerde monopolie-maatschappij. Om de omschakeling, de menselijke
voorwaarden en de toekomst van tienduizenden landbouwers heeft het
kapitalisme geen bekommernis. De omschakeling naar monopolies is noodzakelijk voor de winst-ekonomie en de talrijke landbouwers, die het
slachtoffer zijn van deze omschakeling, moeten zichzelf maar redden.
2. De staat schenkt enorme financiële voordelen aan de kapitalisten om
hen te helpen bij de overschakeling op een neo-kapitalisties monopoolsiesteem. Staatstussenkomst is noodzakelijk daar de belgie-se
kapitalisten zelf het dienamisme niet meer opbrengen (aldus het
NRWB-rapport). Financiële voordelen bij fusies, financieren van
wetenschappelijke research, verlenen van bijzondere kredieten. Vele van
deze maatregelen werden bij volmacht genomen. Dezelfde volmachten bewerken
de afbraak der sociale voorzieningen - van verzekering tot onderwijs!
Om de overschakeling te bewerken moet men de kapitalisten voordelen
geven. De rekening zal dus betaald worden door de lagere klassen.
Spoorwegen, verbruiksartikelen, 'luxe-taksen-, belastingsverhogingen voor
kleine zelfstandigen.
3. De kontradiktie tussen het unitarisme - een van de ideologiese
peilers van het belgiese kapitaal - en de belangen van het waalse en het vlaamse volk.
4. De kontradiktie tussen een steeds meer optredend belgies
gezagsapparaat en de afkeer van alle bevolkingslagen tegen dit gezag.
5. De kontradiktie tussen een streng en reaktionair opvoedingssies-teem
en de aspiraties van de jeugd (Zie de opstand van het middelbaar onderwij
s).
C. Verdere kontradikties
1. De kontradiktie tussen vlaams en waals. Deze kontradiktie kan
misschien objektief als "pseudo" beschouwd worden; wij moeten erkennen dat zij subjektief bestaat.
De rechtervleugel van de Volksunie ( en groepen als were di, VMO)
beschouwen alles wat 'vlaams' is als goed; groepen uit de PLP en de FDF
zien alleen maar 'waals'.
2. Kontradikties in het onderwijs, die een uiting zijn van
klasse-belangen en klasse-invloeden.
+ het absurde naast elkaar bestaan van 2 sekundaire netten.
+ de totaal verouderde inhoud en metode van het sekundair onderwijs.
+ de feodale en liberale overblijfselen der 'vrije' universiteiten.
+ de anarchie en verwaarlozing van het NUHO.
Iedere wetenschapper (en iedere neo-kapitalist) kan meteen een
alternatief voor deze absurde kontradikties formuleren. De kontradikties
binnen de bezittende klasse houden deze toestand echter in evenwicht.
3. De kontradikties tussen de noodzakelijke rust in België en de strijdtradities van de waalse arbeiders, sommige vlaamse werkers en de
vlaamse middenstand.
België heeft, als centrum van de amerikaanse belangen en troepen in
Europa, een absolute rust nodig.
WIJ MOETEN LEREN:
1. Dat al deze kontradikties vroeg of laat tot een uitbarsting zullen
leiden.
2. Dat het kapitalisme niet in staat is deze kontradikties in het
belang van de massa op te lossen aangezien het per definitie de financiële belangen van een bepaalde klasse verdedigt.
3. Dat de heersende klasse bij elke revolte, voortkomend uit deze
kontradikties, een slag wordt toegebracht.
4. Dat de heersende klasse maar zal vernietigd worden door een
ge-koördineerde en siestematiese en bewuste aktie van de volksmassa.
Wij moeten leren bij elk konflikt aan de kant van de massa te gaan
werken aan bewustwording en aktie.
Uit dit werk zal een revolutionaire kern worden gekristalliseerd, die
in de massa en met de massa tegen de bezittende klasse kan strijden en een
nieuwe maatschappij kan veroveren.
V - VOLKSOPPOSITIE
- Boven
Tijdens de voorbije revolte zijn een ontstellende hoeveelheid feiten
aan het licht gekomen. Het feitenmateriaal inzake politieke struktuur van
het land vereist wel enige siestematisering, vooral omdat het ons toelaat
belangrijke strategiese konkluzies te trekken. Onze tesis laat zich kort
als volgt definiëren: alle gevestigde partijen en strukturen hebben zich
tijdens de krizis ontmaskerd als gelijke verdedigers van eenzelfde
grondprincipe; als komplementai-re verdedigers van het regime, hebben zij
zich aan de kant van de heersende klasse geschaard en laten blijken dat
zij de belangen van het volk op elk ogenblik willen verraden.
Een alternatief dringt zich op: een algemene volks-oppositie,
geor-ganizeerd vanuit de massa, buiten elke bestaande struktuur om.
Laten we een historiese evolutie schetsen, de konkrete
standpuntbepaling aangeven en de eerste kontouren van een volksoppositie
trekken.
De betekenis van het parlement is steeds veranderlijk geweest in
funktie van de ekonomiese ontwikkeling.
1. Bij de oorsprong van het kapitalisme kon alleen de bezittende klasse
stemmen. Het parlement was dus manifest een klasse-instrument. Het was de
tijd van de ongeordende wilde konkurrentie.
Het parlement was het instrument waarin zich alle leden van de
bezittende klasse, met hun tegengestelde belangen, verenigden tegen de
andere klassen.
Het parlement was zowat de enige plaats waar ze solidair bijeen waren;
de beurs was de plaats waar diezelfde mensen bijeenkwamen om mekaar te
bekonkurreren.
2. De Periode 1900 - 1920 werd gekenmerkt door een
kapitaalkon-centratie rond een aantal grote banken, die het zwaartepunt
gaan vormen van de kapitalistiese ekonomie.
Het is een periode van enorme sociale spanning die bijna in alle landen
in opstanden uitbarst. Van de aardappeloproer in Nederland, over opstanden
in België, Hongarije en Duitsland tot de revoluties van 1905 en 1917 in
Rusland.
In Rusland slaagt het proletariaat erin alle strukturen kapot te slaan
en te starten met het fameuze "wij zullen nu beginnen met de nieuwe
socialistiese orde".
In alle andere westerse landen heeft men het revolutionair élan echter
weten op te vangen, in te palmen in de buffer die Parlement heet.
De macht lag bij de banken, het parlement had niet meer de taak van
ontmoetingsplaats der bezitters. De vakbonden en revolutionaire partijen werden toegelaten tot een parlement dat zijn betekenis aan 't
verliezen was, werden erin gevangen, gestrikt en opgeborgen.
3. Het huidige tijdperk van het neo-kapitalisme wordt door een nieuwe
omwenteling gekenmerkt.
De grote monopolie-ondernemingen maken de kern uit van de ekonomiese en
politieke macht.
Een monopolie-onderneming is een rationeel gekonstrueerde machine,
gebazeerd op doorgedreven wetenschappelijk onderzoek en sterk hiërarchies
opgebouwd.
Het Belgies kapitalisme heeft in deze ontwikkeling een achterstand op
Amerika. De regering treedt daarom op als ordinator, en als financier: de
staat stimuleert met alle mogelijk middelen de monopolie-ondernemingen.
Deze steun komt langs techniese kommissies, wetenschappelijke raden en
volmachten. Voorbeeld uit laatste volmachten: financiële voordelen bij
samensmelten van bedrijven. Wie het kapitalisties siesteem aanvaardt, moet
ook zijn wetten aanvaarden: tegenover een monopolie-maatschappij als
Amerika moet België alles in 't werk stellen om monopolies op te bouwen,
moet de regering door volmachten de evolutie stimuleren ten voordele van
de grote ondernemingen,moet zij hen speciale financiële gunsten verlenen,
moet zij de universiteiten funktioneel ten dienste stellen van de
monopolies!
Wie het kapitalisme aanvaardt, aanvaardt dat alle macht zich meer en
meer bij de monopolies konsentreert en dat de regering ten dienste staat
van deze monopolies.
Het parlement heeft hoe langer hoe minder te maken met de reële
machtsuitoefening. La Libre Belgique schrijft over "De krizis van het
parlementair siesteem".
Iedereen die in dit parlement werkt, aanvaardt de bestaande "Ordnung".
De partijen die met de mond beweren dat zij het regime willen omverwerpen
maken hier geen uitzondering op. Zij gaan als leeuwen vechten in het
parlement - maar weten dat het parlement geen enkele autonome macht
uitmaakt.
Men stelt dus de massa valse strijd-objecten voor. Dit kan niet anders
dan ontgoocheleld en demoralizerend werken.
Het meest markante van de politieke krizis om Leuven was de
eensgezindheid die plots een hele stapel "tegengestelde belangen" opeen
dreef. De "progressieven" in België verdedigen "De belangen der Arbeiders
in dit Systeem".
In normale omstandigheden komt vooral tot uiting dat zij de arbeiders
verdedigen, maar in kurzussen blijkt dat zij dat willen doen binnen DIT
systeem - en dat zij zich dus opwerpen tot verdedigen van het siesteem.
We stellen dus vast hoe de officiële "strukturen" met hun jongens van
diverse pluimage, allemaal de verdediging van het siesteem opnemen,
wanneer dit laatste in gevaar komt.
Op 5 februari, twee dagen voor de val van de Regering van de Nieuwe
Koers, legden Lefèvre en Van Acker twee markante verklaringen af.
Beide jongens behoren tot de zogenaamde "linkse, travaillistiese" oppositie.
Ze hebben beide in gelijke bewoordingen op de noodzaak van een sterk gezag gewezen.
Suenens zou een week later verklaren dat alle gezag solidair is. En de
PW zou het verlangen naar een sterk gezag en een sterke man onder woorden
brengen. Het kan moeilijk op schrijnender wijze worden aangetoond hoe al
deze Groten der Politiek de dienaars, de knechten en de mikrofoons zijn
van eenzelfde anti-volkse machtsklasse.
Het alternatief van vele linksen op deze ruk naar het fascisme, is op
z'n minst armzalig. Het weekblad"Links"wil snel een arbeiders-programma
opstellen: de katolieke en socialistiese arbeiders verenigen en een
parlementaire meerderheid halen.
Een programma wordt gemaakt in een jarenlange strijd, de vereniging der
arbeiders vraagt jarenlange mobilisatie en de parlementaire meerderheid
geeft ons "medezeggenschap in een marionetten-teater" maar geen greep op
de ware machten van dit land.
Het beeld hierboven van de "Politiek" geschetst, geldt ook in enige
mate voor de"Studentenpolitiek".
De officiële leidersfiguren uit FK en KVHV zijn de eersten om als hazen
op overheid, parlementairen en Somers af te rennen en een kompromis te
sluiten waar ze zelf eer van halen maar waarbij de struktuur van de
universiteit niet wordt aangetast, de zelf-orga-nisatie en zelf-aktie van
de studenten niet wordt bevoordeligd.
Tijdens een revolte, waar de aktie en het bewustzijn van de massa zelf
rechtstreeks aan bod komen, zijn deze markante leidersfiguren nergens
aanwezig. Het is hun betrachting deel te hebben aan de gevestigde Ordnung.
Het is niet hun bedoeling met de massa zelf te gaan discussieren,
informeren en ageren, zij willen niet gaan vechten onder de massa en voor
de massa.
Daarom wordt dit soort leidersfiguren door de aktie en de strijd zelf
op zij getrapt en weggeveegd.
De demokratiese vormen van organisatie en strijd zijn naar voren
gekomen en hebben de plaats ingenomen van de bureaukratiese
leidersfiguren.
Op lange termijn zal dit wellicht het meest positieve zijn uit de
revolte. Een groot aantal studenten hebben ingezien dat het er inderdaad
op aankomt informatie te krijgen, daarover te discussieren zichzelf te
organiseren en aktie te voeren.
Reeds een honderdtal nieuwe mensen uit de kandidaatsjaren zijn op de
dagelijkse discussie om 8 uur in de Vlaamse leergangen geweest. Het
verwerven van een gefundeerde analysemetode voor maatschappijkritiek
vereist een stevige inzet. Het komt er nu op aan een gepaste organisatie
op te bouwen die geen star, bureaukraties en ivoren gewrocht wordt zoals we er al een ho Ie
rij in Leuven zien "staan".
Het moet een organisatie zijn wiens mensen informatie doorgeven, met
iedereen discussieren, tot aktie oproepen en deze aktie juist en hard
helpen uitvoeren.
De volksvergaderingen zijn een eerste vorm waarin deze demokratiese
opgaven een kans maken.
De algemene fakulteitsvergadering - een soort volksvergadering voor de
fakulteit - moet zo snel mogelijk overwogen worden. Het is onze enige
macht om programma's en eksamens radikaal te wijzigen, zelf initiatieven
te nemen, professoren en strukturen effektief aan te vallen.
Deze demokratiese veroveringen in de studentenwereld geven ons richting
aan van een radikale volksoppositie.
We stellen vast hoe alle partijen, organismen en officiële strukturen
de verdediging van het regime opnemen.
Een regime met zijn klasse-onderwijs, zijn kudde indoktrinatie, zijn
vergiftigende reklame, zijn werkeloosheid, zijn hautaine hiërarchie, zijn
achteruitstelling en uitbuiting van de 30 t armen, zijn wanorde in
urbanisatie, zijn op straat gooien van de boerenklasse, zijn
onderdrukkingsmetodes tegenover de jeugd, zijn valse en baatzuchtige
informatie, zijn sociale lasten voor de arbeiders.
Al deze onrechtvaardigheden komen vroeg of later tot uitbarsting binnen
de volksmassa.
Deze aktie der volksmassa voert het bewustzijn en de strijdbaarheid op.
Men heeft echter behoefte aan een bewuste kern die in het volk het inzicht
en de aktie siestematies te richten op de eigen belangen van het volk.
Opdrijven van informatie, discussie en bewustwording van de volksmassa.
Opdrijven van de mogelijkheid tot aktie en strijd van de volksmassa. En
door de strijd en het inzicht groeien vormen van organisatie binnen het
volk (Zoals door strijd en inzicht in Leuven volksvergaderingen,
fakulteitsvergaderingen, dagelijkse discussie bijeenkomsten zijn gegroeid
en kern-werking zijn gegroeid).
Deze opgave voor bewustmaking en organisatie van de volksmassa is een
levenstaak. Wanneer we over volks-oppositie spreken dan laat dit alle
klein-burgerlijke gefluit over "elektorale druk" en over "aan de hoogste
top komen om dat te hervormen" ver achter zich.
De opgave: bij de massa zelf te gaan werken, discussieren en
organiseren laat geen enkele "hoop" op goedkoop sukses, prestige en
karrière toe.
Deze opgave sluit in dat men zal tegengewerkt, geboycot en afgezonderd
worden - waarbij alleen de solidariteit van allen die voor dezelfde
idealen vechten een tegenkracht vormen.
Welke waarborgen heeft de student dat hij deze opgave zal aankunnen? De
éne waarborg dat wij levenslang voor hetzelfde zullen werken, ligt in de
totale inzet in aktie en strijd, die wij thans, tijdens de studententijd,
voeren.
Bladwijzer: Ervaringen uit twee jaar strijd te Leuven
Inleiding
Deel 1 - Organisatie, inhoud en metode van de syndikaie beweging
I. Doel en metode
II. Medebeheer
III. Aktieve universiteit
IV. De syndikale
organisatievormen
Deel 2 - Klasse-analyse
I. Het internationale
kapitalisme
II. Het nationale kapitalisme
III. De klein-burgerij
IV. De arbeidersklasse
Deel 3 - Politieke analyse
I. Fascisatie van het regime
II. Fundamentele kontradikties
1. Kontradiktie tussen het
kapitalisme en de arbeidende massa's
2.
Kontradikties binnen de klasse der kapitalisten
3. Kontradikties tussen kapitalisme en
derde wereld
4. Kontradiktie tussen het socialisme en het kapitalisme
Deel 4 - Na de revolte van 13 januari
I. V.V.S.-manifest
II. Monopolie-kapitaal
III. De universiteiten in de
greep der monopolies
IV. De revolte en de belgiese kontradikties
V. Volksoppositie
Offset Acco Leuven

Verloren: De bezittende klasse, die anders op zo vernunftlge en
sluwe manier haar eigen belangen doordrijft onder allerlei demagogiese
kreten,is nu niet meer in staat haar eigen belangen te verdedigen.
|