|
Erasme Surlet de Chokier (1769-1839)
Tussen februari en juli 1831 was Surlet de Chokier regent van België. Als tijdelijk staatshoofd van de nieuwe staat verwierf hij de meeste bekendheid. De meningen over zijn optreden liepen uiteen. Nu eens zag men hem als de eenvoudige staatsman die het land door een moeilijke periode loodste; maar meestal werd hij afgeschilderd als een zwakke figuur, zonder leiderscapaciteiten. De gevoelens van erkentelijkheid die hem te beurt waren gevallen bij de troonsbestijging van Leopold I, werden vlug overspoeld door een negatieve appreciatie toen bleek dat het leger in augustus 1831 niet bij machte was het hoofd te bieden aan de Nederlandse opmars. De gebreken in de organisatie van de strijdkrachten werden vooral aan zijn weifelend beleid toegeschreven. Het is nagenoeg onmogelijk een objectief beeld te krijgen van Surlet de Chokier als staatshoofd. Reeds als voorzitter van het Nationaal Congres onthield hij zich van deelname aan de belangrijkste debatten en enkel zijn stemgedrag kon helpen om zijn positie te bepalen. In zijn proclamaties en brieven aan het leger, de bevolking of het Congres was hij vooral als staatshoofd aan het woord en vertolkte hij in de eerste plaats het standpunt van de regering. Los van elk waardeoordeel blijkt alvast dat hij zijn rol als constitutioneel staatshoofd naar de letter van de grondwet en dus in vrij beperkte zin interpreteerde. Het ontbrak hem waarschijnlijk ook aan ambitie en leidersinstinct om meer op de gebeurtenissen te wegen. Als voorzitter van het Nationaal Congres was hij de meest aangewezen figuur om het regentschap te vervullen. Zijn voorgeschiedenis, vooral dan vanaf 1828, toont aan waarom zijn collega's hem in november 1830 het voorzitterschap aanboden. Erasme Surlet de Chokier werd geboren in Luik op 27 november 1769. Hij behoorde tot een oud geslacht van lokale Luikse adel. Zijn vader was ridder van het Heilig Roomse Rijk, heer van Gingelom en gemeenteraadslid van Luik (1). Surlet de Chokier zelf vatte het plan op om geestelijke te worden. Bij het uitbreken van de omwenteling in het prinsbisdom Luik in 1789, liet hij die opleiding voor wat ze was en sloot hij zich aan bij de tegenstanders van prins-bisschop Hoensbroeck. Er is zeer weinig bekend over die faze van het leven van Surlet de Chokier. Hijzelf heeft er ook niet toe bijgedragen daarover opheldering te verschaffen. Hij was eerst adjudant van generaal Donceel (1761-1840), die tot 1789 in Oostenrijkse dienst was, maar die bij het begin van de opstand de zijde van de Luikse patriotten koos. In extremis stapte Surlet de Chokier nog over naar het leger van de Verenigde Belgische Staten, zoals de Oostenrijkse Nederlanden na de uitroeping van de onafhankelijkheid heetten: op 12 oktober 1790 werd hij luitenant van het elfde infanterieregiment (2). Tijdens de restauratie van het bewind van prins-bisschop Hoensbroeck verbleef hij een tijdlang in de Verenigde Provinciën. Na korte tijd keerde hij naar Gingelom terug, maar mengde zich niet meer in de politieke gebeurtenissen. Toch kan hij zich op zijn domein in Gingelom niet helemaal afzijdig gehouden hebben. In het voorjaar van 1797 werd hij door de kiezers van het departement van de Nedermaas tot beheerder van het departement verkozen. Zijn kandidatuur moet ongetwijfeld bekendheid genoten hebben, zeker in kringen van de gematigd progressieve burgerij, die toen de meerderheid haalde en tot welke politieke strekking Surlet de Chokier ook gerekend werd. Het tweede Directoire, dat door de fructidoriaanse staatsgreep van 4 september 1797 aan de macht gekomen was, verhardde zijn standpunt tegenover al wie van sympathie voor het Ancien Régime werd verdacht. Evenals de edelen werden de geestelijken en de gewezen geestelijken automatisch tot die categorie gerekend en uit elke openbare functie geweerd. Surlet de Chokier werd als edelman door die maatregel getroffen. Zijn betoog dat hij reeds voor de vrijheid gestreden had door de wapens op te nemen tegen de prins-bisschop, baatte niet. Op 3 januari 1798 werd hij als lid van de centrale administratie van het departement van de Nedermaas ontslagen. Tijdens zijn kortstondig mandaat was hij vooral betrokken bij de pogingen om een regelmatiger inning van de belastingen te verkrijgen. Hij ging daarbij zeer pragmatisch te werk: hij liet enkele aanstokers van het Maastrichtse verzet tegen de fiscale maatregelen oppakken en verhoren, maar liet terzelfdertijd de troepen uit de stad terugtrekken. De rust keerde weer vóór er van eigenlijke relletjes sprake was. Tijdens het voorjaar van 1798 werden opnieuw verkiezingen gehouden. Surlet de Chokier slaagde er toen niet in zich opnieuw tot lid van de centrale administratie te laten aanstellen (3). Het Consulaat en later het Keizerrijk waren regimes die Surlet de Chokier goed ge/.ind was. Op 29 mei 1800 werd hij tot burgemeester van Gingelom benoemd en op 1 juni daaropvolgend tot lid van de departementale raad van de Nedermaas (4). Er werd positief over hem gerapporteerd ("un des plus laborieux et des plus instruits de ses administrateurs; il a constamment donné les preuves les plus signalés d'un dévouement sincère et desinteresse a la chose publique et ses talens, ses connaissances, sa franchise et la loijauté de toute sa conduite lui ont attiré l'estime générale de ses concitoijens,...") (5) en in 1801 werd hij aangeduid om in Parijs het feest van de republiek bij te wonen als één van de drie vertegenwoordigers van de Nedermaas (6). Hij was rijk genoeg om van meet af aan op de kiezerslijsten voor te komen; zijn jaarinkomen werd op 10 a 12.000 frank geschat. Hij had zijn bezit aan onroerende goederen laten aangroeien door genationaliseerde kerkelijke goederen op te kopen in de streek van Gingelom. Daardoor was hij de vijfde rijkste van het departement geworden (7). Surlet de Chokier verbleef regelmatig in Parijs waar hij, in vennootschap met Kaisson uit Verviers, "quelques affaires de banque" verrichtte, maar hij wierp zich vooral op als specialist van de wetenschappelijk verbeterde methodes op het gebied van landbouw en veeteelt. Hij was niet alleen stichter (in 1805) en voorzitter van de "Société pastorale de la Sénatorerie de Liège pour le perfec-tionnement des laines et la propagation des mérinos", maar hij speelde zelf ook een pioniersrol in de kweek van merinosschapen. Als gevolg daarvan werd hij in 1808 door Binnenlandse Zaken aangezocht om te zetelen in een commissie die het ontwerp van "Code Rural" moest bespreken. Zijn gehele optreden had tot gevolg dat hij op departementaal vlak een toenemende bekendheid genoot. Het leidde er toe dat hij in 1809 kapitein werd van de "Garde Nationale" die gevormd werd toen een Engels leger op Walcheren was geland en dat hij in hetzelfde jaar aangesteld werd tot beheerder van het Centraal Bureau van Weldadigheid en de Burgerlijke Godshuizen van Sint-Truiden. In 1811 zetelde hij in een commissie die, onder voorzitterschap van de bisschop van Luik, in het departement van de Nedermaas het herstel van de kerken en de pastorieën moest regelen (8). Het hoogtepunt van die gestadige opgang kwam in 1812, een verkiezingsjaar. Surlet de Chokier werd verkozen tot voorzitter van de algemene raad van het departement. De vrije keuze van de kiezers was in zo'n mate beperkt, dat de aanstelling van Surlet de Chokier reeds de impliciete goedkeuring van de prefect en van het ministerie van Binnenlandse Zaken moet hebben gekregen. Wat zo vaak gebeurde, geschiedde dit keer ook in de Nedermaas: de kersverse voorzitter werd als kandidaat voor het Corps Législatif voorgedragen. Merkwaardig daarbij was de zeer persoonlijke campagne die Surlet de Chokier daarvoor voerde. Hij liet een brochure drukken waarin hij zijn diensten aan het departement en het rijk vanaf 1797 beschreef. Met dit zeer ongewone optreden boekte hij succes. Het is niet duidelijk waarom hij zichzelf zo uitdrukkelijk aanprees. Twijfelde hij misschien aan zijn verkiezing? Dan moet hij toch buiten de waard gerekend hebben. Het gebeurde nooit dat een kandidaat naar voren geschoven en verkozen werd, die niet vooraf de zegen van de administratie gekregen had. Surlet de Chokier zetelde in het Corps Législatif tot 30 maart 1814 en werd in de laatste maanden van het Keizerrijk nog benoemd tot lid van de Raad van State in buitengewone dienst (9). Het lag voor de hand dat Surlet de Chokier met een dergelijke staat van dienst tot de notabelen van de Nedermaas gerekend werd door de tijdelijke administratie die de Zuidelijke Nederlanden in 1814-1815 bestuurde. Het vermoeden van fransgezindheid dat op hem rustte, was daarbij geen bezwaar: "II parait avoir été attaché au système francais, surtout dans les derniers tems... un peu original quelques fois même caustique, plein d'esprit et de moyens, en un mot un homme a employer". Hij werd door Van Panhuysen voorgesteld om in Hasselt de vergadering van de grondwetskiezers voor te zitten. In die hoedanigheid riep hij de opgekomen kiezers op hun goedkeuring aan het grondwetsproject te geven. De meerderheid van de Limburgse kiezers volgde de liberaal geinspireerde Surlet de Chokier nochtans niet (10). De steun van Erasme Surlet de Chokier aan het grondwetsproject werd onmiddellijk verzilverd. De politieke beginselen die aan de basis van de grondwet lagen waren ook de zijne. Alleen had hij ze liever gerealiseerd gezien in een grote Franse staat. Dit belette hem niet om het aangeboden lidmaatschap van de Tweede Kamer te aanvaarden. Hij zag geen enkel probleem in de vereiste grondwettelijke eed en negeerde het "Jugement doctrinal", het mandement waarin het Belgisch episcopaat het afleggen van de eed voor katholieken verbood. .Zijn benoeming tot kamerlid was de bevestiging van zijn provinciaal sterk uitgebouwde machtspositie. Voor Limburg zetelde hij in de commissie die de reglementen voor de provinciale staten moest opstellen. Die werkwijze, waarbij niet de centrale overheid maar wel enkele provinciale notabelen de samenstelling van de provinciale staten regelden, was een poging om de centraliserende tendens binnen het Verenigd Koninkrijk wat te verzachten. Het gaf de notabelen het gevoel dat zij hun eigen zaken beredderden, hoewel de statuten van de onderscheiden provincies niet zo sterk van elkaar afweken. Eén van de belangrijkste verschillen was de verhouding tussen het aantal edelen en het totaal aantal leden van de provinciale staten. Vooral in de zogenaamde landprovincies stond de adel sterk. Ook in Limburg was dit het geval. De reeds genoemde commissie bestond uit 3 edelen en 1 lid van de burgerij. De adel verkreeg één derde van de zetels in de provinciale staten. Haar positie in de eigen provincie werd nog versterkt door de instelling van de ridderschappen. In die instelling werden diegenen opgenomen die hun adellijke titel door de overheid lieten erkennen en die een omvangrijk grondbezit in de provincie hadden. Door dit laatste werd de mobiliteit van de adel beperkt en verzwakte haar positie tegenover het centrale gezag. De adel was daarentegen de enige stand die een aparte vertegenwoordiging had in de provinciale staten: haar leden werden door de gehele ridderschap verkozen. Surlet de Chokier was zoals bekend rijk genoeg om die hindernissen te nemen. In het voorjaar van 1816 werd hij in de ridderschappen van Limburg opgenomen. Mede nog door zijn mandaat als parlementair werd hij aldus één van de belangrijkste woordvoerders van zijn provincie (11). Surlet de Chokier speelde in de Tweede Kamer een merkwaardige rol. Hij viel vooral op door de agressieve en soms bitsige manier waarop hij zijn standpunten in uitvoerige redevoeringen verdedigde. De toon van zijn uitspraken in de Tweede Kamer stond in schril contrast met de air van "bonhomie" die hij in 1830-1831 ten toon spreidde. Tussen 1815 en 1818 was hij op ongeveer de helft van het aantal zittingen aanwezig, wat beduidend minder dan het gemiddelde was. In zijn stemgedrag was hij niet radicaler dan de andere "opposanten". Hij was bij de belangrijkste stemmingen 9 maal afwezig; hij stemde 6 maal in met het regeringsvoorstel, onthield zich één maal en stemde 4 maal tegen. Het was dus vooral om wat hij zei en hoe hij het zei dat hij van meet af aan tot de onafhankelijken in het parlement werd gerekend (12). Tijdens de discussie over de begroting voor 1816 somde Surlet de Chokier de klassieke bezwaren op. De administratie werd te log en enkel door het inkrimpen van de uitgaven kon daaraan verholpen worden. Sommige posten op de begroting waren voor hem overbodig of onbegrijpelijk. Hij betreurde dat de secties van de Tweede Kamer vóór de aanvang van de algemene discussie geen antwoord op hun vragen en opmerkingen hadden gekregen. Normaal gezien zou hij een dergelijke begroting verwerpen, maar gelet op de uitzonderlijke omstandigheden waarvoor de nieuwe staat geplaatst was, stemde hij pro. Hij rekende erop dat de ministers hun rekenwerk de volgende keer beter zouden doen en dat de volgende begroting meer rekening zou houden met de belangen van alle gebiedsdelen. Tijdens de bespreking van de begroting van 1817 was Surlet de Chokier afwezig maar bij die voor 1818 legde hij niet meer de welwillendheid van twee jaar tevoren aan de dag. Hij sloot zich aan bij de bezwaren van de vorige sprekers, maar ergerde zich bovendien hevig aan de invoering van een loterij. Hij was radicaal tegen dit principe gekant, omdat hij verleiding erger vond dan dwang en er vooral een bedreiging voor de lagere sociale klassen in zag (13). In augustus 1816 werd het stelsel van indirecte belastingen besproken. Surlet de Chokier ging met de meeste voorstellen akkoord. Hij stemde enkel tegen de belasting op het binnenlands gedistilleerd, op de steenkolen en op het binnenlands lastgeld. Hij gaf toe dat de schatkist de bijkomende middelen nodig had, maar meende dat de geschatte inkomsten de behoeften overtroffen. Hij pleitte dus voor lagere lasten op turf en steenkool omdat die voor de bevolking levensnoodzakelijk waren en omdat de industrie er grote hoeveelheden van verbruikte. Hij wilde ook lagere lasten op voedingsmiddelen (bv. bier): daardoor zou de omzet en dus ook de totale opbrengst van de belastingen stijgen. Om de landbouw aan te moedigen zou het binnenlands gedistilleerd minder zwaar belast mogen worden en zou het buitenlands gedistilleerd op basis van graan met een invoerverbod moeten worden getroffen. Het is onmogelijk om uit de parlementaire handelingen op te maken of de bewering van Van Lynden van Hoevelaken correct is als zou Surlet de Chokier bereid geweest zijn de oppositie tegen het belastingstelsel te breken indien hij voldoening kreeg in verband met zijn kritiek op de lasten op het bier. In elk geval stemde Surlet de Chokier voor dit onderdeel van de wet (14). Op het einde van 1817 behandelde de Tweede Kamer het wetsontwerp op de successierechten. Surlet de Chokier kantte zich tegen de oprichting van een nieuwe administratie en tegen het feit dat er een boete zou worden opgelegd op de totaliteit van de erfenis indien een gedeelte niet zou worden aangegeven. Het verzet van Surlet de Chokier was ook een uiting van het ongenoegen van de adel over die wet, die zou leiden tot een versnippering van het grondbezit, en over de weigering van de koning om de majoraten opnieuw in het leven te roepen. De adel had tevergeefs gehoopt haar patrimoniaal bezit te beschermen door het herstel van het voorrecht van de eerstgeborene om het familiebezit onverdeeld te mogen erven (15). De tussenkomsten van Surlet de Chokier waren niet enkel ingegeven door de wens de eigen belangen te verdedigen. Uit een aantal redevoeringen bleek ook zijn openheid tegenover de modernisering van de maatschappij. Hij sloot zich aan bij de voorstanders (handelaars, wetenschapslui, kunstenaars, het Hollands Instituut, de regering en de koning) van de invoering van het metriek stelsel en de uniformisering van de maten en de gewichten. Hij betreurde het dat daarnaast de oude benamingen gehanteerd bleven. De invoering van de nieuwe zou minder verwarring scheppen en zou de bewoners van de Nederlanden het gevoel gegeven hebben tot een groter verband te behoren. De integratie van de twee delen van het rijk zou er ook baat bij gevonden hebben. Zijn verzet tegen het wetsontwerp over de paardenposterij was vooral ingegeven door het feit dat het zo sterk afweek van het goede Franse model. Door de geografische ligging en de militaire positie van de Nederlanden zou de paardenposterij ook door buitenlanders gebruikt worden. Het was volgens Surlet de Chokier bijgevolg beter ze op dezelfde voet als de Franse te organiseren (16). Hij mengde zich eveneens in een aantal debatten waarin de constitutionele vrijheden behandeld werden. In januari 1818 verwierp de Tweede Kamer het verzoek van Guyet en Cauchois-Lemaire om de ambtenaar te vervolgen die hen had willen verbannen. Surlet de Chokier onthield zich bij die stemming omdat hij meende dat het aan de Kamer niet toekwam te oordelen of iemand al dan niet voor de rechtbank moest verschijnen. De maand daarop stemde hij tegen het wetsontwerp dat de straffen bepaalde voor het beledigen van vreemde mogendheden. Hij meende dat het niet nodig was een nieuwe wet te maken telkens als er inbreuken gepleegd werden op de bestaande. Bovendien ging het regeringsvoorstel te zeer in de richting van een preventief ingrijpen en werden verdachten haast meteen als schuldigen behandeld. Doordat ook lagere ambtenaren de procedure op gang zouden kunnen brengen, waren er volgens Surlet de Chokier een groter aantal processen te verwachten. De eerste versie van dit regeringsvoorstel werd met 39 tegen 36 stemmen verworpen. Tijdens de discussie en de stemming over de tweede versie (maart 1818) was Surlet de Chokier niet aanwezig (17). Bij de behandeling van de petitie van de Franse journalist Simon, die wegens zijn kranteartikels met uitwijzing bedreigd werd, vroeg Surlet de Chokier om bespreking van de petitie in de kamercommissie. Het ging hem daarbij niet zozeer om de inhoud van de petitie, maar wel over het respecteren van de parlementaire procedure (18). In alle debatten was dit trouwens het stokpaardje van Surlet de Chokier. Hij stond heel sterk op de onvoorwaardelijke uitoefening van de grondwettelijke rechten en plichten van het parlement en kwam daardoor herhaaldelijk in conflict met de regering en de koning. Hij stemde als enige tegen het wetsontwerp betreffende de uitoefening van de geneeskunde op de koopvaardijvloot omdat hij gekant was tegen het systeem van verklikking dat volgens hem geen goed beheer mogelijk maakte. Hij bevocht veel opvallender de grote koninklijke macht in het wetsontwerp over de organisatie van de nationale militie (december 1816). Hij ging er niet mee akkoord dat de koning als het hem goed uitkwam en zonder de Staten-Generaal te raadplegen, het legercontingent mocht aanvullen. Waar zou dat eindigen als een koning aan de macht was die andere bedoelingen dan landsverdediging nastreefde of als het land geregeerd zou worden door een machtsusurpator, zonder dat het parlement nog weerwerk kon bieden (19)? Surlet de Chokier hield er een redeneerwijze op na die niet strookte met de koninklijke visie op de taak van de parlementairen. Voor Surlet de Chokier gold het een blijk van vertrouwen in de koning als hij al zijn motieven opsomde om tegen een wet te stemmen. Daarmee wilde hij de administratie en de uitvoerende macht voorlichten en de aandacht vestigen op die facetten waaraan volgens hem te weinig aandacht besteed was. De koning zag de rol van de parlementairen veel beperkter. Met de constructieve kritiek van Surlet de Chokier was hij niet gediend: hij interpreteerde die telkens als een afkeuring van zijn beleid. Om al die redenen werd Surlet de Chokier in 1818, op het einde van zijn eerste driejarig mandaat, als een lastig element beschouwd. De Limburgse gouverneur de Brouckère kreeg daarom de stille wenk de herverkiezing van Surlet de Chokier te beletten. Hij slaagde in die opdracht, wat in regeringskringen op een zucht van verlichting werd onthaald. Zijn opvolger, Van Aefferden, was een veel volgzamer parlementair (20).
Huldemedaille op Surlet de Chokier (Copyright PMPK, Tongeren).
Satirische medaille op Surlet de Chokier met op de voorzijde een voorstelling van 'De goede herder' (Copyright PMPK, Tongeren).
Achterzijde van de satirische medaille op Surlet de Chokier met de voorstelling van een kaalgeschoren schaap en een afgestorven boom (Copyright PMPK, Tongeren). De geviseerde zelf bleef niet bij de pakken zitten. Hij probeerde zeker niet in de gunst van de koning te komen. Tussen 1815 en 1818 was hij maar een schaars aantal keren aan het Hof verschenen, alleen als hij als parlementair werd uitgenodigd. Na zijn eliminatie kwam hij er helemaal niet meer. Wat hij wel probeerde was in 1821 een vernieuwing van zijn mandaat te verkrijgen. Die poging mislukte evenwel, opnieuw door toedoen van gouverneur de Brouckère (21). Naar aanleiding van het proces-Hennequin verwierf Surlet de Chokier helemaal de reputatie van tegenstander van het regime. Hennequin, de burgemeester van Maastricht, had een bevel van de koning naast zich neer gelegd omdat hij meende dat de vorst daar niet alleen voor bevoegd was, gelet op het speciale statuut van de stad. Hennequin werd afgezet wegens ambtsmisdrijf en in juli 1820 voor het Luikse gerechtshof gedaagd. Hij werd door zijn vriend Surlet de Chokier verdedigd en bekwam de vrijspraak. Niet alleen het vonnis deed stof opwaaien, maar ook het pleidooi van Surlet de Chokier die stelde dat zijn kliënt zijn principes niet verraadde en zijn huik niet naar de wind hing. In regerings-gezinde kringen werd die uitspraak zeer negatief onthaald (22). De verwijdering van Surlet de Chokier uit de Tweede Kamer was op heel subtiele wijze gebeurd. Bewijzen van beinvloeding van het kiezerskorps konden zeker niet op tafel gelegd worden. Het was bijgevolg vermoedelijk met de bedoeling de overheid tot een expliciete stellingname tegenover zijn persoon te dwingen dat Surlet de Chokier in mei 1819 naar een betrekking bij de rechterlijke macht solliciteerde. Op een vroegere poging (maart-april 1817) had hij geen antwoord ontvangen, maar nu werd er negatief geadviseerd. "Der Suppleanten verzoeken kunnen voor als nog, als te vroegtijdig gedaan, geen onderwerp van overweging opleveren" (23). De buitenparlementaire strijd tussen Surlet de Chokier en de overheid werd uiteindelijk in het voordeel van die laatste beslecht. Het verzoek om een betrekking werd afgewezen (1819) en zijn verhoogde populariteit als gevolg van het proces-Hennequin (1820) leidde uiteindelijk niet tot een herverkiezing als parlementair (1821). Surlet de Chokier gooide het daarom over een andere boeg. In maart 1822 richtte hij zich in erg verzoenende bewoordingen tot Falck, de secretaris van staat. In zijn brief betreurde hij de langdurige scheiding tussen Noord en Zuid als gevolg van het despotisme van Filips II. Hij sprak de hoop uit op een langdurige regering van het huis van Nassau en op een voorspoedige toekomst voor beide landsgedeelten (24). De démarche van Surlet de Chokier - of was het een knieval? - had spoedig een positief gevolg. In december 1822 werd hij benoemd tot lid van het amortisatiesyndicaat. Die instelling werd in 1815 opgericht met het oog op de verhandeling van de obligaties die toen uitgegeven werden om de staatsschuld te bestrijden. Gaandeweg werd het amortisatiesyndicaat ingeschakeld in alle financiële operaties waar de koning het parlement niet wilde bij betrekken. Het was de taak van de leden van het amortisatiesyndicaat om jaarlijks de financiële verrichtingen na te kijken en goed te keuren. Doordat ook aan hen maar schaarse informatie werd geboden, was hun invloed en concrete bevoegdheid zeer gering. Voor Surlet de Chokier was zijn openlijke verzoening met het regime misschien wel belangrijker (25). Een volgende stap was zijn benoeming in september 1824 tot schout en in juli 1825 tot burgemeester van Gingelom (26). De toenadering vanaf 1825 tussen katholieken en liberalen, als reactie op het beleid van Willem I, zorgde weer voor een verwijdering tussen Surlet de Chokier en de regering. De Limburgse edelman voelde zich nu meer verwant met de unionistische principes. Of gebruikte hij het ongenoegen bij de politiek bewuste bevolkingslagen om opnieuw in de Tweede Kamer te geraken? Hij bespeelde in elk geval die gevoelens van onvrede toen hij zich in juni 1828 kandidaat stelde. Net als in 1812 prees hij zijn eigen verdiensten voor de kiezers en beloofde hij hen te strijden voor de grondwettelijke vrijheden en de nationale rechten. De kritiek op de uitvoerende macht was al in zo'n mate toegenomen dat gouverneur de Brouckère faalde in zijn pogingen om de verkiezing van Surlet de Chokier te beletten. De gouverneur nam onmiddellijk ontslag na die nederlaag (27). Het was een totaal andere Surlet de Chokier die in oktober 1828 in het parlementaire halfrond verscheen. In het zittingsjaar 1828-1829 was hij op elke vergadering in Brussel aanwezig en het jaar daarop in Den Haag ontbrak hij maar op 12 zittingen van de 74. Hij voerde het woord bij de bespreking van alle hete hangijzers, en dat waren er in die maanden nogal veel (28). Een eerste aangelegenheid betrof de bespreking van de talrijke petities die aan de Tweede Kamer werden gericht. Surlet de Chokier verzette zich krachtig maar tevergeefs tegen de mening van de meerderheid als zouden de provinciale staten niet het recht gehad hebben petities naar het parlement door te sturen. De provinciegouverneurs hadden de instructie gekregen om tegen dit voornemen van de provinciale staten hun veto uit te spreken. Voor Surlet de Chokier was dit in tegenspraak met de grondwet en was het een poging om de werkelijkheid voor de koning verborgen te houden. Het resultaat was dat de Tweede Kamer zelf door petities overspoeld werd. Onafhankelijk van de inhoud van de petities meende Surlet de Chokier dat het parlement er de nodige aandacht aan moest besteden, want: "L'opinion publique est la souveraine du monde". Hij betreurde dat de overheid die verzoekschriften als een blaam op haar beleid interpreteerde. Ze waren integendeel bedoeld om de realiteit te leren kennen en waren een interessante aanvulling bij de statistische informatie van de overheid. Surlet de Chokier meende dat de Staten-Generaal zich niet mochten storen aan het verbod dat hun was opgelegd om de petities naar de regering door te sturen. Hij viel ook het systeem aan waarbij de (afzetbare) vrederechters werden ingeschakeld om de lokale politici uit te horen om te weten wie aan de petitie-acties deelnam. Zijn harde woorden deden zijn noordelijke tegenstanders hem als "Surlet de Choquant" betitelen (29). De pogingen van de overheid om de wetgeving in verband met de "beteugeling van hoon en laster" te wijzigen, vonden in Surlet de Chokier een te duchten tegenstander. Hij meende in november 1828 dat er geen sprake was van een politieke crisis die een ingrijpen in de wetgeving van 1815 en 1818 kon rechtvaardigen. De voorgestelde maatregelen namen de nadelen van de bestaande wetgeving niet weg en onder het mom van liberalisme bleven ze zeer vaag waardoor ze de kloof tussen vorst en volk nog vergrootten. Het was volgens Surlet de Chokier verkeerd te doen alsof het land voor een burgeroorlog stond. De politieke en burgerlijke vrijheden werden in gevaar gebracht door de regering zelf, die alle onafhankelijke opinies wilde onderdrukken, en door de regeringsschrijvers, die wel persvrijheid genoten en door hun geschriften ten gunste van een absolute monarchie, verantwoordelijk waren voor de politieke tweedracht. Surlet de Chokier kloeg in mei 1830 ook de bekendmaking aan van de persoonlijke correspondentie tussen Bartels, De Potter en Tielemans. Tegen ondermeer die journalisten werd een vervolging ingesteld omwille van de publikatie op 31 januari 1830, in 17 kranten tegelijk, van een oproep tot vorming van een steunfonds ten gunste van parlementairen die door overheidsbesluiten in hun inkomsten werden getroffen. Vooral De Potter werd geviseerd omdat hij op 1 februari 1830 in de "Courrier des Pays-Bas" een projekt van "confédération patriotique" lanceerde. Naar aanleiding van hun proces, waarbij zij tot verbanning werden veroordeeld, was hun gehele briefwisseling openbaar gemaakt, ook die stukken die niets met het proces te maken hadden. Voor Surlet de Chokier was dit een ontoelaatbare inbreuk op de persoonlijke vrijheid. Om dezelfde redenen kantte Surlet de Chokier zich expliciet tegen het voorstel tot wijziging van de pers wet (30). In december 1829 stemde hij tegen het door de regering ingediende begrotingsontwerp. Hij ging tijdens de discussie niet in op de rubrieken en de cijfers van dit budget, maar wel op de weigering van de regering om de grieven in te willigen. De ministeriële verantwoordelijkheid achtte hij een absolute noodzaak. Vrijheid van onderwijs weigeren uit vrees voor de invloed van ultramontanen en jezuieten was voor hem een drogreden: de geesten werden voor die invloed rijp gemaakt precies door de politiek van de regering. Hij speet hem ten zeerste dat de regering het verwerpen van de begroting beschouwde als een stap naar de omverwerping van het regime. Niets was minder waar volgens hem: "... il est bon que l'on sache que jamais, non jamais, je ne consentirai a donner par mon vote une apparence de légalité a aucun acte tendant a changer la forme actuelle de l'Etat... quels que soient les événements et quelle que soit ma destinée, ma dernière pensee, mon dernier vceu, mon dernier soupir, seront pour la gloire du roi constitutionnel et pour la prospérité de la patrie" (31). Net zoals in de periode 1815-1818 was Surlet de Chokier tussen 1828 en 1830 een groot voorstander van de vrijwaring van de rechten van het parlement. Het voorgaande overzicht bewees dit al, en het bleek ook nog in andere aangelegenheden. In december 1828 stemde hij tegen het verstrekken van een lening van vijftien miljoen gulden aan de Nederlandse kolonies. Hij ging niet in op de vraag of die maatregel noodzakelijk was, maar had na het parlementaire debat teveel onopgeloste vragen. Er was geen begroting voor de kolonie, het parlement bezat geen mogelijkheid tot controle, er was tegenspraak in de cijfers en het Ministerie van Koloniën weigerde informatie te verschaffen. Het antwoord was voor Surlet de Chokier zeer duidelijk: "...sortans une bonne fois de ce système de générosité et de compliments. Avant de donner des fonds, examinons la chose, comme un prêteur examine la solvabilité de son emprunteur". De regering had geen oren naar dit verzoek dat voor haar van een verregaande bemoeizucht getuigde (32). Surlet de Chokier had dus kritiek op nagenoeg alle facetten van het regeringsbeleid. Hij verklaarde er steeds bij dat hij de overheid slechts wilde helpen en voorlichten, maar dit liberale standpunt zinde de regering helemaal niet. Hoewel de (aalpolitiek van de koning hem persoonlijk niet raakte, was zijn standpunt daartegen toch heel duidelijk. Het verplicht invoeren van het Nederlands was voor hem een vergissing: de streektaal van Gingelom was toch maar bargoens en op zijn leeftijd was hij niet meer bereid een tweede taal aan te leren. Hij bezat voldoende durf om dat standpunt aan Willem I duidelijk te maken op de laatste van de twee audiënties waartoe hij als parlementair tussen 1828 en 1830 werd uitgenodigd (33). Door de koning en de regering werd Surlet de Chokier wegens zijn "allerschan-delijkste en zelfs revolutionaire taal" (34) als één van de belangrijkste vijanden van het regime beschouwd. Die opvatting was maar ten dele juist. In vergelijking met andere parlementairen, ook met diegenen die tot de oppositie werden gerekend, nam Surlet de Chokier inderdaad geen blad voor de mond. De gebeurtenissen in Brussel in de zomer van 1830 toonden echter aan dat hij lang niet tot de meest radicale strekking behoorde. Van meet af aan was hij voorstander van een administratieve hervorming van het Verenigd Koninkrijk. Door de snelle radicalisering in de maand september leunde hij plots meer aan bij het orangisme dan bij het Belgisch patriottisme. Toen Surlet de Chokier merkte dat het Verenigd Koninkrijk ten dode was opgeschreven, zag hij het meeste heil in de aanhechting van het Zuiden bij Frankrijk. Het is bij dit alles niet verwonderlijk dat hij met de meest uiteenlopende etiketten werd bedacht. Op 3 september 1830 bevond Surlet de Chokier zich in Brussel en samen met andere Zuidnederlandse parlementairen ondertekende hij de proclamatie die de Brusselse bevolking bij het vertrek van de prins van Oranje opriep om het dynastieke status-quo te bewaren terwijl de kroonprins de Belgische eisen aan zijn vader ging voorleggen. Hij maakte op 7 september 1830 ook deel uit van de delegatie van parlementairen die bij prins Frederik ging aandringen om de administratieve scheiding meteen af te kondigen. De deputatie was van oordeel dat er onvoldoende tijd restte om alle juridische bezwaren naar de letter van de wet op te ruimen. Uit die interventie blijkt dat die deputatie, waaronder Surlet de Chokier, de hete adem van de radicalen in haar nek voelde. De mogelijke reacties daarop waren zeer uiteenlopend, maar Surlet de Chokier hield vast aan zijn voorkeur voor een snel doorgevoerde administratieve scheiding. Hij besefte voldoende de ernst van de situatie en wist dat hij met zijn opvatting tussen hamer en aambeeld kon terechtkomen. Voor zijn vertrek naar Den Haag, waar hij de buitengewone bijeenkomst van de Staten-Generaal ging bijwonen, maakte hij dan ook zijn testament op. Tijdens die extra-zittingen sprak hij zich uit voor het behoud van de dynastie en voor een gemeenschappelijk beleid inzake financiën, landsverdediging, buitenlandse zaken, marine en koloniën. Justitie, onderwijs, eredienst, beheer van water, bruggen en wegen moesten zoveel mogelijk gescheiden worden en ambtenaren en militairen zouden steeds uit eigen streek gerecruteerd moeten worden (35). De terugtrekking van het leger uit Brussel, de vorming van het Voorlopig Bewind en de uitroeping van de Belgische onafhankelijkheid maakten dat de stellingname van de Staten-Generaal zeer snel achterhaald was. Inspelend op de nieuwe situatie zond Willem I de prins van Oranje naar Antwerpen met de opdracht het bestuur over de trouw gebleven gedeelten van het Zuiden tijdelijk over te nemen. Hij werd daarin bijgestaan door drie (gewezen) ministers en door een raad van Zuidnederlandse parlementairen die op dat ogenblik (4 oktober 1830) het nieuwe regime in Brussel niet wilden erkennen. Die raad had als belangrijkste opdracht de verzoening met Brussel te bepleiten en stemde in met de administratieve scheiding die de prins van Oranje onmiddellijk afkondigde. In een poging om de sympathie van de Antwerpse kiesgerechtigden te winnen en in de hoop een paar aanhangers in het Nationaal Congres te krijgen, gaf de prins van Oranje op 16 oktober 1830 toestemming aan Antwerpen om aan de verkiezingen deel te nemen. Voor alle leden van de Raad was dit een legitimering van de opstand en was die beslissing in tegenspraak met hun eed van trouw aan de koning. Ze namen bijgevolg allen ontslag uit de Raad van de prins van Oranje en vroegen aan de koning om van hun verplichtingen tegenover zijn dynastie ontheven te worden. Beide wensen werden ingewilligd en als juridisch "vrije" burgers keerden die leden naar Brussel of naar hun politieke domicilie terug. Vanaf dat ogenblik achtte Surlet de Chokier, die in de Raad had gezeteld, maar er geen woord had gesproken, zichzelf volledig vrij om al dan niet met het Belgische regime mee te werken (36). Het was vrij logisch dat hij in het arrondissement Hasselt voor het Nationaal Congres verkozen werd. Als parlementair had hij naam en faam verworven en het Belgische kiezerskorps gaf aan die figuren de voorkeur boven de meer radicale leiders van de revolutie in Brussel. Voor de Limburgse vertegenwoordigers in het bijzonder gold dat de adel sterk vertegenwoordigd was, dat het geen pioniers inzake patriottisme waren en dat ze niet tot een kordate anti-Hollandse politiek maar wel tot onderhandelingen met Oranje geneigd waren (37). Gewassen tekening (1822) van baron Charles S.A. de Wal (1791-1872) met zicht op het kasteel van Gingelom vanuit het park. Tijdens de eerste zitting van het Nationaal Congres, op 10 november 1830, werd Surlet de Chokier tot voorzitter verkozen. Er waren drie stemronden nodig en de beslissing in zijn voordeel viel toen de Gerlache, die de steun van de rechterzijde genoot, uitdrukkelijk verklaarde geen kandidaat te zijn voor het voorzitterschap. Surlet de Chokier profiteerde bij die verkiezing van de centrumpositie die hij altijd had ingenomen. Hij was onder Willem I opposant geweest, maar was toch niet radicaal anti-Oranje. Hij stond links van het ideologische centrum, leunde bij de liberalen aan maar was praktizerend katholiek. Voor de enen was hij te links, voor de anderen te rechts, maar voor allen aanvaardbaar. Congresleden van alle opinies waren over het algemeen tevreden met zijn leiding, hoewel zijn gebrek aan kordaatheid, dat soms tot lange debatten aanleiding gaf, bekritiseerd werd (38). Als voorzitter van het Nationaal Congres kwam Surlet de Chokier herhaaldelijk in de debatten tussen, maar dan alleen voor administratieve mededelingen. Hij hield geen toespraken waaruit zijn houding kon blijken tegenover de belangrijkste politieke stemmingen. Uit zijn stemgedrag was ook niet bijster veel af te leiden. Als voorzitter stemde hij steeds als laatste en nam als stelregel aan om met de meerderheid mee te stemmen. Hij streefde naar een goede verstandhouding met alle Congresleden en dat leek hem moeilijk vol te houden indien hij in een beslissende stemming de zijde van de minderheid zou hebben gekozen (39). Tegen zijn overtuiging in stemde Surlet de Chokier op 24 november 1830 voor de uitsluiting van de Nassaus van de Belgische troon. Om rellen tussen voor-en tegenstanders te vermijden meende hij dat er een zo groot mogelijke meerderheid gevormd moest worden. Op het vlak van de staatsinrichting was hij gewonnen voor het erfelijk koningschap waarbij maar een beperkte macht aan de vorst zou worden toegekend. Aan de koning mocht niet het recht gegeven worden de senatoren te benoemen; dit kwam de kiezers toe. Hoewel Surlet de Chokier voorstander was van de oprichting van een senaat, wenste hij van die vergadering toch geen al te elitaire bijeenkomst te maken. De patentbelastingen moesten volgens hem meegeteld worden in de samenstelling van de kiescijns (40). Op 25 januari 1831 diende Surlet, samen met 51 andere leden van het Nationaal Congres, een voorstel in om de hertog van Nemours tot koning van België te verkiezen. Tijdens de stemming van 3 februari 1831 steunde hij diens kandidatuur en gaf daarmee zijn voorkeur voor een vorm van "burgerlijk" koningschap te kennen. Als voorzitter van het Congres leidde hij ook de delegatie die naar Parijs vertrok om aan Louis-Philippe de kroon voor zijn zoon aan te bieden. Surlet de Chokier had voldoende politieke ervaring om aan te voelen dat het Franse getalm de voorbode van een afwijzing was. Nog vóór het definitieve negatieve antwoord bekend was, liet Surlet de Chokier het Congres al weten dat Parijs bevreesd was voor een Europese oorlog, dat het België met alle andere middelen zou steunen, dat de Franse regering het apprecieerde dat de hertog van Leuchtenberg (de kandidaat van de Bonapartisten) niet verkozen was en dat de terugkeer van de Oranjes nu definitief onmogelijk was (41). Toen het voorlopig onmogelijk bleek om een algemeen aanvaarde kandidaat voor de Belgische troon te vinden besloot het Congres, in toepassing van de pas functionerende grondwet, een regent aan te wijzen. Surlet de Chokier werd om verscheidene redenen tot dit ambt geroepen. Er was allereerst het prestige dat hij als congresvoorzitter had verworven. Ten tweede was hij zowel voor links als rechts een aanvaardbaar compromisfiguur. Op het internationale schaakbord werd op zijn verkiezing ook instemmend gereageerd: hij deelde niet in de negatieve reputatie van de harde nationalistische fractie. Tenslotte kreeg hij ook de stemmen van een groot deel van de Belgische adel dat absoluut wilde vermijden dat Felix de Merode via het regentschap een gooi naar het koningschap zou doen. Surlet de Chokier was in hun ogen veel minder ambitieus en dus minder gevaarlijk (42). De regent begon zijn bewind in een kritieke faze van de revolutie. Het enthousiasme van de eerste weken en maanden was geweken en de belangstelling voor de werking van het Nationaal Congres was, na de goedkeuring van de grondwet, flink gedaald (43). Surlet de Chokier zou vooral op zijn daden en niet op zijn beloften beoordeeld worden. De weigering van Louis-Philippe om zijn zoon koning van België te laten worden, had bovendien twijfels doen rijzen over de leefbaarheid van de jonge staat. Grégoire en Van der Smissen probeerden in februari en maart 1831 een orangistische staatsgreep, wat dan weer aanleiding gaf tot de oprichting van de nationalistische "Association Nationale". Op binnenlands vlak trad er dus radicalisering op, maar ook internationaal waren de verhoudingen gespannen. De keuze van Nemours en de aanstelling van Surlet de Chokier werden door Groot-Brittannië als belangrijke toenaderingspogingen tot Frankrijk geinterpreteerd. Op sociaal-economisch vlak werd een toename van de levensduurte gekonstateerd. Die werd in grote mate aan het beleid van het Voorlopig Bewind toegeschreven. Binnen het kader van al die spanningen moest Surlet de Chokier proberen zijn grondwettelijke functie te vervullen. Bovenaan stond het bewaren van het territorium, maar over de grenzen daarvan bestonden geen internationale afspraken. Uit respect voor de grondwet volgens de enen, uit onbekwaamheid en laksheid volgens de anderen, interpreteerde Surlet de Chokier de koninklijke prerogatieven op minimalistische wijze. Dit was ook aanleiding om hem nu eens van orangisme, dan weer van reunionistische sympathieën te beschuldigen. Wat er ook van zij, Surlet de Chokier drukte geen al te persoonlijke stempel op zijn bewind (44). Het beeld van de regering werd vooral door de ministers gevormd. Op internationaal vlak probeerden die te schipperen tussen Frankrijk en Groot-Brittannië. In dit licht moet de proclamatie van Surlet de Chokier aan de inwoners van Luxemburg geinterpreteerd worden (4 maart 1831). Hij stelde daarin, gedekt door de regering en gesteund door het Congres, dat België Luxemburg nooit zou loslaten, ondanks de protocollen van de conferentie van Londen. Frankrijk was verplicht om zich van die stellingname te distantiëren, wilde het Pruisen niet voor het hoofd stoten. De Belgische overheden moesten daarop ook inbinden. Daardoor groeide de toenadering tot Groot-Brittannië en meteen ook de kansen van Leopold van Saksen-Coburg (45). Surlet de Chokier vond die evolutie niet gunstig omdat ze niet strookte met zijn pro-Franse ingesteldheid. Door de orangist Morel de portefeuille van Financiën aan te bieden, wat niet doorging, probeerde de regent een soort regering van nationale eenheid te vormen en zo aan de binnen- en buitenlandse druk te weerstaan. Bij die gelegenheid liet hij zich ontvallen dat zijn politiek niet speciaal ingegeven was door een voorkeur voor of afkeer van de Oranjes, maar vooral door zijn weerstand tegen anarchie, de dreigende burgeroorlog en de invloed van het gepeupel ("la populace") en het Nationaal Congres (46). Na enkele maanden regentschap was Surlet de Chokier duidelijk aan het einde van zijn talenten als bemiddelaar. Het wekte dan ook weinig verwondering dat in mei 1831 geprobeerd werd het huis van Surlet de Chokier te plunderen en dat daarbij kreten ten gunste van de prins van Oranje en van de republiek en tegen de regent gehoord werden (47). De regent wees om dezelfde bovengenoemde redenen de idee van de hand om hem het koningschap aan te bieden. Hij was de kandidaat van diegenen die de kroon aan een Belgisch edelman wilden toevertrouwen om aldus de diplomatieke klippen van de koningskeuze te omzeilen. Door zijn weigering lag de weg voor Leopold van Saksen-Coburg volledig open (48). Tijdens de beslissende stemronde van 4 juni 1831 behaalde Surlet de Chokier uiteindelijk nog 14 stemmen. Die waren vooral afkomstig van republikeinen die pragmatisch genoeg waren om aan de stemming deel te nemen, maar die in Saksen-Coburg toch te veel de kandidaat van de restauratie zagen (49). Gedurende enkele weken heerste er nog onzekerheid over het feit of de verkozene de troon wel zou aanvaarden. In navolging van de Engelse regering stelde Leopold van Saksen-Coburg immers als voorwaarde dat België de protocollen van de Conferentie van Londen zou aanvaarden. Het Nationaal Congres stemde pas op 9 juli 1831 in met het verdrag der 18 artikelen. In de tussenliggende maand was de regent zeer pessimistisch gestemd over de toekomst van het land. Hij stak zijn mening niet langer onder stoelen of banken en in zijn correspondentie met de politieke leiders van het ogenblik verklaarde hij voor de toekomst van België nog enkel heil te zien in een vereniging met Frankrijk. Indien het Congres de 18 artikelen zou verwerpen, dan was een Europese oorlog onvermijdelijk. Eén van de gevolgen zou volgens de regent heel zeker het einde van de Belgische onafhankelijkheid geweest zijn. Maar ook als het Congres het verdrag zou aanvaarden en Leopold koning zou worden, dan nog had Surlet de Chokier weinig hoop dat België lang zou overleven (50). Op korte termijn verliep alles veel positiever dan de regent had verwacht. Ondanks heftige weerstand aanvaardde het Congres het verdrag van de 18 artikelen en kon Leopold van Saksen-Coburg op 21 juli 1831 als koning ingehuldigd worden. Surlet de Chokier werd voor zijn bewezen diensten uitvoerig bedankt en geloofd en werd met een pensioen van tienduizend gulden per jaar bedacht (51). Illustratie 1 toont één van de medailles die bij die gelegenheid geslagen werden. Zijn populariteit kreeg zeer vlug een ongenadige klap. Op 2 augustus 1831 viel het Nederlandse leger België binnen en het kon bijna zonder weerstand oprukken. De militaire organisatie bleek totaal ondoeltreffend en Leopold I was nog maar te recent aan de macht om daar de verantwoordelijkheid voor te dragen. Als gewezen staatshoofd werd Surlet de Chokier met de vinger gewezen (52). De satirische medaille, afgebeeld onder de nummers 2 en 3, illustreert deze gewijzigde ingesteldheid overduidelijk. De kritiek op zijn beleid kwam dan pas goed op gang en in het algemeen werd hem verweten, hetzij uit gebrek aan capaciteiten, hetzij uit gebrek aan geloof in de overlevingskansen van België, een te passieve politiek te hebben gevoerd. Een jaar eerder was Willem I precies het tegengestelde verweten. Met Franse hulp werden de Nederlandse troepen teruggedreven en kwam een einde aan de "Tiendaagse Veldtocht". De wetgevende verkiezingen, gepland voor eind augustus 1831 konden bijgevolg normaal doorgaan. Surlet de Chokier werd voor het kiesarrondissement Brussel voorgedragen voor de senaat, maar behaalde amper 287 stemmen. De absolute meerderheid bedroeg 810 stemmen. Die lage score was ongetwijfeld beinvloed door de voorafgaandelijke verklaring van Surlet de Chokier dat hij zijn eventuele mandaat zou weigeren en ook door het feit dat hij het aanbod afsloeg om een permanente zetel in de senaat toegewezen te krijgen. Het geringe stemmenaantal was anderzijds ook een weerspiegeling van zijn plots gedaalde populariteit (53). De weigering van Surlet de Chokier om nog verder aan het politieke leven deel te nemen had tot gevolg dat hij volledig uit de politieke actualiteit verdween. Tot aan zijn overlijden in 1839 leefde hij teruggetrokken op zijn kasteel in Gingelom, dat hij nog steeds als burgemeester bestuurde (54). Hij was enigszins beladen met de spot dat hij geschikter was voor het hoeden van merinosschapen dan voor het landsbestuur.L. François. (1) J. GRAUWELS, Het testament van Erasme Surlet de Chokier, in: Limburg 46, 1967, hl/.. 3. In deze bijdrage worden volgende afkortingen gebruikt: A.N.: Archives Nationales, Parijs. A.R.A.B.: Algemeen Rijksarchief, Brussel. A.R.A.H.: Algemeen Rijksarchief, 's-Gravenhage, K.H.A.: Koninklijk Huisarchief, 's-Gravenhage. (2) Naast talloze oudere biografieën, citeren we vooral: Th. JUSTE, Les fondateurs de la monarchie beige (Bruxelles, 1867), II, passim; Th. JUSTE, Erasme Louis Surlet de Chokier, in: Biographie Nationale, dl. IV (Bruxelles, 1873), kol. 78-93; L. DE LICHTERVELDE, Le Congres National de 1830. Etudes et portraits (Bruxelles, 1922), blz. 72-76; P. HYMANS, Quel homme était donc le baron Surlet de Chokier?, in: Les Cahiers historiques, 3e série, 1963, 24, blz. 52; R. DEVULDERE, Biografisch repertorium der Belgische parlementairen, 1830-1.8.1965 (Gent, R.U.G., onuitgegeven licentiaatsverhandeling, 1965), I, blz. 1826; M. MAGITS, De Volksraad en de opstelling van de Belgische grondwet van 7 februari 1831. Een bijdrage tot de wordingsgeschiedenis van de Belgische konstitutie (Brussel, V.U.B., onuitgegeven doctoraatsverhandeling, 1977), II, blz. 201. (3) A. ROYER, Les hommes politiques de la Belgique (Bruxelles, 1835), blz. 75; J. DARIS, Histoire du diocese et de la principauté de Liège (1724-1852), (Liège, 1873), IV, blz. 35-36, 57; L. DE LANZAC DE LABORIE, La domination francaise en Belgique (1795-1814), Directoire - Consulat - Empire (Bruxelles, 1895), I, blz. 118, 149; P. VERHAEGEN, La Belgique sous la domination francaise, 1792-1814 (Bruxelles-Paris, 1929), II, blz. 379; A. REMANS, Relletjes te Maaseik in 1797 en... Surlet de Chokier, in: Limburg 35, 1956, blz. 73-75; L. ROPPE, e.a., Rapporten van de commissarissen in het departement van de Nedermaas (1797-1800) (Hasselt, 1966), blz. 13, 104-105, 128, 156. (4) Th. VANDEBEECK en J. GRAUWELS, De Boerenkrijg in het departement van de Nedermaas (Leuven, 1961), blz. 38. (5) A.N., F 1 c III. Esprit public et élections, Dyle 4, n° 3, Hubar, lid van het Corps Législatif, aan Binnenlandse Zaken, 21 fructidor VIII (8.9.1800). (6) P. VERHAEGEN. o.c. IV, blz. 187. (7) A.N., CC, Sénat Conservateur. b. 28, An IX, Liste de notables du Département de la Meuse-Inférieure, An IX: G. LEMAIRE, Historische gegevens betreffende de leidende klasse van Sint-Truiden (1790-1840) (Gent, R.U.G., onuitgegeven licentiaatsverhandeling, 1960), blz. 184. (8) Archief Ministerie Buitenlandse Zaken Brussel, Papieren Surlet de Chokier, b. 10.146 II, 1830-1844, 20.2.1812; A. ROYER, o.c, blz. 75. (9) A.N., CC, Sénat Conservateur, b. 30, Liste des Candidats pour Ie Corps Législatif..., Meuse-Inférieure, 1811; P. VERHAEGEN, o.c, IV, blz. 472, 643; V, blz. 29. (10) A.R.A.B., Papieren Van Gobbelschroy, II, juni 1815, 137 v° - 138 r°; Archief Ministerie Buitenlandse Zaken Brussel, Papieren Surlet de Chokier, b. 10.1461, 1815-1830, document 1, toespraak van Surlet de Chokier, augustus 1815; F. PRIMS, De stemming van 18 Augusti 1815 volgens Membrede, in: Bijdragen tot de geschiedenis 22, 1931, blz. 218-220; M.K.J. SMEETS, De notabelen-vergadering in de arrondissementen Hasselt, Maastricht en Roermond — de latere provincie Limburg - in 1815, in: Bijdragen tot de geschiedenis der Nederlanden 20, 1965, blz. 38-39, 58-59; F.G.C. BETERAMS, The high society Belgo-Luxembourgeoise (avec celle des arrondissements de Breda, de Maestricht et de Ruremonde), au début du Gouvernement de Guillaume Ier, roi des Pays-Bas (1814-1815) (Wetteren, 1973), blz. 438, 447 (11) A.R.A.H., Staatssecretarie, b. 197, 16.2.1816, nr. 62; Binnenlandse Zaken - gewoon, b. 55, 27.9.1815, nr. 43; b. 154, register juli-september, 27.9.1815, nr. 43; b. 155, register oktober-december, 5.10.1815, nr. 17; 28.10.1815, nr. 71; 16.12.1815, nr. 38; W. D'ABLAING VAN GIESSENBURG, De ridderschappen in het Koningrijk der Nederlanden... ('s Gravenhage, 1875), blz. 174; C. BRONNE, L'amalgame. La Belgique de 1814 a 1830 (Bruxelles, 1948), blz. 121-122; A.J.H. VAN ETTE, Onze Volksvertegenwoordigers 1815-1849 ('s Gravenhage, 1952), blz. 50; D. VAN DEN BOSCH, De adel en de vorst in de eerste jaren van het Koninkrijk der Nederlanden, Staatsvormingsprocessen in Europa en Azië na 1750 ('s-Gravenhage, 1985), blz. 82. (12) J.J. THONISSEN, La vie du comte Ferdinand de Meeus (Louvain, 1863), blz. 244; J. DE BOSCH KEMPER, De staatkundige geschiedenis van Nederland tot 1830 (Amsterdam, 1868), blz. 496, 526; P. BERGMANS, Etude sur Véloquence parlementaire beige sous Ie régime hollandais (1815-1830), in: Mémoires de l'Académie royale de Belgique 46, 1891, blz. 3, 9, 20; W.F. PRINS, Tien jaren uit onze parlementaire geschiedenis, in: De Gids 11, 1937, 4, blz. 48; C. BRONNE, o.c, blz. 109.
(13) J.J.F. NOORDZIEK, Verslag der handelingen van de Staten-Generaal ('s-Gravenhage, 1862), I, blz. 73-74; III, blz. 98-101, 194. (14) J.J.F. NOORDZIEK, o.c, I, blz. 205-209; H.T. COLENBRANDER, Gedenkstukken der algemeene Geschiedenis van Nederland ('s-Gravenhage, 1905), VIII, 2, blz. 61. (15) J.J.F., NOORDZIEK, o.c, III, blz. 116-117; J. VLAMINCK, De publieke opinie te Gent (1814-1819) (Gent, R.U.G., onuitgegeven licentiaatsverhandeling, 1964), blz. 76; D. VAN DEN BOSCH, o.c, blz. 88. (16) J.J.F. NOORDZIEK, o.c, I, blz. 157-161; II, blz. 166-171. (17) J.J.F. NOORDZIEK, o.c, III, blz. 148-149, 159, 260-265; W.F. PRINS, o.c, blz. 63-65. (18) J. DE BOSCH KEMPER, o.c, blz. 510; W.P. SAUTIJN KLUIT, Dagbladvervolgingen in België, 1815-1830, in: Bijdragen voor Vaderlandsche Geschiedenis, 3e reeks, 6, 1892, blz. 334-337, 343-347. (19) J.J.F. NOORDZIEK, o.c, I, blz. 137-138, 181-183, 205-209; II, blz. 68-69; III, blz. 58-60, 253-255; P. POULLET, Les premières années du royaume des Pays-Bas (1815-1818) (Bruxelles, 1896), blz. 42; H.T. COLENBRANDER, o.c, VIII, blz. 469, 540. (20) A.R.A.B., Correspondentie de Stassart, nr. 1827, J. Tarte Cadet, Uittreksel Journal de la Belgique, 29.6.1818; H.T. COLENBRANDER, Gedenkstukken der algemeene Geschiedenis van Nederland van 1795-1840 ('s-Gravenhage 1905), VIII, 2, blz. 194-195, 384; W.F. PRINS, o.c, blz. 46, 65; E. NUYENS, De staatkundige geschiedenis der provincie Limburg vanaf haar ontstaan tot aan haar uiteenvallen in 1839, Limburgs Geschied- en Oudheidkundig Genootschap, II, 1956, blz. 96. (21) K.H.A., Archief koning Willem I, A 35, b. X - 12, Stukken betreffende uitnodigingen ten Hove, 1816-1828 en z.d.; Archief Hofcommissie Brussel, Register der verleende audiënties, maart 1816 - januari 1823; J.J. THONISSEN, o.c., blz. 2-3; H.T. COLENBRANDER, o.c, VIII, 2, blz. 219; W.F. PRINS, o.c, blz. 46. (22) J. DE BOSCH KEMPER, o.c, blz. 558; H.T. COLENBRANDER, o.c, VIII, 2, blz. 516, 528; E. WAISVISZ, Regeeringsoptreden tegen ambtenaren onder koning Willem I, in: De socialistische Gids 19, 1934, blz. 69; F. JACOBS, De Belgische Revolutie, augustus - september 1830. De leden van het Belgische Establishment (1830-1834) in deze revolutie en eerste organisatie van België (Gent, R.U.G., onuitgegeven licentiaatsverhandeling, 1970), blz. 135-136, 181-183. (23) A.R.A.H., Staatssecretarie, b. 810, 20.5.1819, nr. 53; Binnenlandse Zaken - Gewoon, b. 173, index 1817, p. 522, 15.3.1817, nr. 22; p. 633, 25.4.1817, nr. 5e. (24) A.R.A.H., Verzameling Falck, nr. 34, Surlet de Chokier aan Falck, brief 1, 24.3.1822. (25) A.R.A.H., Staatssecretarie, b. 1575, 10.1.1823, nr. 70; H. RIEMENS, Het amortisatiesyndicaat. Een studie over de staatsfinanciën onder Willem I (Amsterdam, 1935), blz. 239; P. DEMEYERE, Het amortisatiesyndicaat (1822-1840) (Brussel, 1986), blz. 88. (26) A.R.A.H., Staatssecretarie, b. 2059, 27.9.1824, nr. 91; b. 2280, 28.7.1825, nr. 125. (27) Ch. POPLIMONT, Révolution beige. La Belgique depuis 1830 (1830-1848) (Bruxelles, 1852), blz. 17; J. DE BOSCH KEMPER, o.c, blz. 660; H.T. COLENBRANDER, o.c, IX, 2, blz. 940-941; M. MAGITS, o.c, I, blz. 76; RW. MEERTS, Kamerleden 1815-1830. Een onderzoek naar de sociale en politieke achtergrond van de personen die zitting hadden in de Staten-Generaal van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden (1815-1830) (Leiden, 1977), blz. (28) J.J.F. NOORDZIEK, o.c, 1828-1829 en 1829-1830, XIV en XV; E. DISCAILLES, Charles Rogier d'après des documents inédits (Bruxelles, 1893), I, blz. 137-138. (29) JJ.F. NOORDZIEK, o.c, 1828-1829, XIV, blz. 77-79, 126-129, 428-432; 1829-1830, XV, blz. 286-289, 370-373; H. DE MERODE, Souvenirs du comte de Merode-Westerloo (Bru-xelles, 1864), II, blz. 181; H.T. COLENBRANDER, o.c, IX, 1, blz. 186-188; C. GERRETSON, Groen van Prinsterer. Schriftelijke nalatenschap, 2e deel, Briefwisseling, Ie deel, 1808-1833 ('s-Gravenhage, 1925), blz. 221. (30) JJ.F. NOORDZIEK, o.c, 1828-1829, XIV, blz. 73-74, 584-585; 1829-1830, XV, blz. 496-503, 560-563; W.P. SAUTIJN KLUIT, o.c, blz. 368-371, 374-383. (31) C. DE BECOURT, La Belgique et la révolution de Juillet (Paris, 1835), blz. 73; A. BARTELS, Documents historiques sur la révolution beige (Bruxelles, 1836), blz. 188-195; Ch. POPLIMONT, o.c, blz. 17; J.J.F. NOORDZIEK, o.c, 1829-1830, XV, blz. 178-180; H.T. COLENBRANDER, o.c, IX, 1, blz. 138; C. BRONNE, o.c, blz. 301; Ch. DE LEUTRE, Histoire de la Révolution beige de 1830 (Bruxelles, s.d.), I, blz. 58-59. (32) J.J.F. NOORDZIEK, o.c, 1828-1829, XIV, blz. 231, 243. (33) K.H.A., Archief Hofcommissie Brussel, Audiëntiën, oktober 1820 - oktober 1821 en 1826-1829; H. VAN HERBERGEN, Coup d'ceil sur Ie royaume des Pays-Bas en 1829 (Bruxelles, 1829), blz. 68-73; H.T. COLENBRANDER, o.c, IX,"2, blz. 598; C. GERRETSON, Groen van Prinsterer. Schriftelijke nalatenschap. Bescheiden 1810-1876, eerste deel ('s-Gravenhage, 1951), blz. 306-307. (34) C. GERRETSON, Groen van Prinsterer..., Briefwisseling,... blz. 293-294. (35) A.R.A.H., Staatssecretarie - Kabinet, b. 6190, Van der Smissen, Mémoire van Van der Smissen; E. DE GERLACHE, Histoire du royaume des Pays-Bas depuis 1814 jusqu'en 1830,... (Bruxelles, 1842), III, blz. 228-232; S. BALAU, Soixante-dix ans d'histoire contemporaine de la Belgique (1815-1844) (Bruxelles, 1888), blz. 16; O. DE KERCHOVE DE DENTERGHEM, Les Préliminaires de la Révolution beige en 1830, in: Revue de Belgique, 2e série, 28, 1896, 18, blz. 217; C. BUFFIN, Documents inédits sur la révolution beige (Bruxelles, 1910), blz. 95, 100; A. SMITS, 1830: Scheuring in de Nederlanden, I, Holland stoot Vlaanderen af (Brugge, 1950), blz. 220, 272; J. GRAUWELS, Het Testament van Erasme Surlet de Chokier, in: Limburg 46, 1967, 1-2, blz. 3-21. (36) A.R.A.H., Staatssecretarie - Kabinet, b. 6189, Proces-Verbal des séances de la Commis-sion consultative, nr. 31, 8-14;10. 1830; P.J. BLOK, De prins van Oranje te Antwerpen in October 1830 (Gent, 1909), blz. 10; C. GERRETSON, Groen van Prinsterer... Briefwisseling..., blz. 349-351; F. DE LANNOY, Histoire diplomatique de Vindépendance beige (Bruxelles, 1930), blz. 45-47; P. DE GERLACHE, Gerlache et lafondation de la Belgique indépendante (Bruxelles-Paris, 1931), blz. 139-141; C. SMIT, De Conferentie van Londen. Het vredesverdrag tussen Nederland en België van 18.4.1839 (Leiden, 1949), blz. 42; M. MAGITS, o.c, I, blz. 101-102. (37) Th. JUSTE, Le Congres National de Belgique, 1830-1831 (Bruxelles, 1880), I, p. 85; L. DE LICHTERVELDE, o.c, blz. 31-32, 40-42; F. JACOBS, o.c, blz. 125; M. MAGITS, o.c, I, blz. 156-159; II, blz. 243. (38) E. DE GERLACHE, o.c, II, blz. 90; E. HUYTTENS, Discussions du Congres national de Belgique (1830-1831) (Bruxelles, 1844), I, blz. 104, 110-113, 121; A. SIMON, Le cardinal Sterckx et son temps (1792-1867) (Weiteren, 1950), I, blz. 134-135; P. DE GERLACHE, o.c, blz. 152-153; M. MAGITS, o.c, I, blz. 304-305. (39) H.T. COLENBRANDER, o.c, X, 4, blz. 469-488; M. MAGITS, o.c, I, blz. 325. (40) A. BARTELS, Les Flandres et la Révolution beige (Bruxelles, 1834), blz. 393-396; E. HUYTTENS, o.c, I, blz. 159, 319, 500-501, 524, 531, 537, 542, 553-555; E. DE LAVELEYE, Le Sénat beige. Etude politique (Bruxelles-Gand, 1851), blz. 61-62; Th. JUSTE, Le Congres..., I, blz. 92; M. JOSSON, De Belgische Omwenteling van 1830 (Tielt, s.d.), I, blz. 200. (41) M. NOTHOMB, Essai Historique et Politique sur la Révolution beige (Bruxelles, 1833), blz. 84; E. HUYTTENS, o.c, II, blz. 258, 285-286, 453, 504-505; III, blz. 617; Th. JUSTE, Le Congres..., I, blz. 256, 263, 273; J.-B. VAN MOL, Les élus d'Anvers depuis 1830 (Anvers, 1889), blz. 72; H.T. COLENBRANDER, o.c, X, 3, blz. 457-461; E. DISCAILLES, Un diplomate beige a Paris de 1830 a 1864 (Bruxelles, 1908), blz. 75-78; M. JOSSON, o.c, I, blz. 6, 236, 255, 266. (42) E. HUYTTENS, o.c, II, blz. 551-553; F. DE LANNOY, o.c, blz. 181-182; F.-L. DU BUS DE WARNAFFE, Physionomie du Congres National d'après la correspondance de Fran-(Ois-Louis du Bus, Membre du dit Congres (Bruxelles, 1930), blz. 117-118; F.-L. DU BUS DE WARNAFFE, Au temps de l'unionisme (Tournai-Paris, 1944), blz. 62; L. HYMANS, Bruxelles à travers les Ages (Bruxelles, s.d.), I, blz. 22-23 (43) M. MAGITS, o.c, I, blz. 312. (44) Th. JUSTE, Le Congres..., II, blz. 46-47; H.T. COLENBRANDER, o.c, X, 2, blz. 199-200; X, 3, blz. 466-469; C. BUFFIN, Mémoires et documents inédits sur la révolution beige et la campagne de dix jours (1830-1831) (Bruxelles, 1912), II, blz. 348-351; C. BRONNE, Léopold Ier et son temps (Bruxelles, 1942), blz. 52; J. STENGERS, Sentiment national, oran-giste et francais a l'aube de notre indépendance, in: Revue Beige de Philologie et d'Histoirv 28, 1950, 3-4, blz. 1023-1024; H.J. ELIAS, Geschiedenis van de Vlaamse Gedachte, 1780-1914, (Anlwerpen, 1970), I, blz. 376; C. BRONNE, Climat de Bruxelles 1840: les derniers velléités des Orangistes et des Républicains, in: Les Cahiers historiques, 1971, 4, blz. 42; M. JOSSON, O.C, M, blz. 10-11. (45) Ch. POPLIMONT, o.c, blz. 263-264; Th. JUSTE, Le Congres..., II, blz. 48; H.T. COLENBRANDER, o.c, X, 2, blz. 196-199; X, 4, blz. 446-449; C. BUFFIN, Mémoires..., II. hl/ 365-367; F. DE LANNOY, o.c, blz. 154-157; C. SMIT, o.c, blz. 107. (46) A.R.A.B., Fonds Nothomb, nr. 117, biografie Surlet de Chokier; H.T. COLENBRANDER, o.c, X, 4, blz. 469-488; H.T. COLENBRANDER, De afscheiding van België (Amsterdam, 1936), blz. 140-141. (47) A.R.A.H., Staatssecretarie-Kabinet, b. 6165, Morel, Morel aan Staatssecretarie, april 1831; J.C.C. DEN BEER POORTUGAEL, De Londensche Conferentie in 1830 en 1831, in: De Tijdspiegel 2, 1906, blz. 175; A. EENENS, Les conspirations militaires de 1831 (Bruxelles, 1875), supplement III, blz. 17-29. (48) Th. JUSTE, Le Congres..., II, blz. 222-223; H.T. COLENBRANDER, Gedenkstukken..., X, 4, blz. 467-469, 506; F. DE LANNOY, o.c, blz. 182. (49) A. BARTELS, Les Flandres..., blz. 506-511; E. HUYTTENS, o.c, III, blz. 270; J.-B. VAN MOL, o.c, blz. 73;E. DISCAILLES, Un diplomate..., blz. 100-101;A. SIMON, Leopold Ier (Bruxelles, 1963), blz. 31-32; A. FALISE, Les représentants du Namurois 1796-1831. Contribution a une histoire des structures politiques (Louvain, U.C.L., mémoire de licence inédite, 1968), blz. 221-222; L. HYMANS, o.c, I, blz. 31. (50) E. DE GERLACHE, o.c, II, blz. 199; Th. JUSTE, Le Congres..., II, blz. 236-238, 263, 274; L. DE BETHUNE, L'élection du premier roi des Belges, in: Revue générale 82, 1905, blz. 525; C. BRONNE, Lettres de Leopold Ier, premier Roi des Belges (Bruxelles, 1943), blz. 84; M. JOSSON, o.c, II, blz. 67. (51) E. DE GERLACHE, o.c, II, blz. 211; E. HUYTTENS, o.c, III, blz. 574; Ch. POPLIMONT, o.c, blz. 308; Th. JUSTE, Le Congres..., II, blz. 320, 327, 338-340, 342, 356, 361-366; A. SIMON, Le Cardinal..., blz. 171. (52) A. SIMON, Leopold Ier, blz. 36-37. (53) H. DEPESTER, 1830. Grandes figures (Bruxelles, 1931), blz. 114-117; J. STENGERS, e.a., Index des Eligibles au Sénat (1831-1893) (Bruxelles, 1975), blz. 415; L. HYMANS, o.c, I, blz. 62, 64-65. (54) E. DE GERLACHE, o.c, II, blz. 223; H. WOUTERS, Documenten betreffen,!,- ,1, geschiedenis der arbeidersbeweging, 1831-1853 (Leuven-Parijs, 1963), blz. 1222-1223. |