Heerlijk - Over mannelijke homoseksualiteit
John De Wit - Kurt Van Eeghem - Yves Jansen

Met bijdragen van John De Wit, Guido D'Hooghe, Yves Jansen, Kris Leemans, Ivo Moelans, Rob Tielman, Guido Totté, Kurt Van Eeghem, Bob Vanfraechem, Norbert Verbeke, Met een voorwoord van Mare De Koek - KRITAK © 1982 Kritak uitgeverij en  verspreidingscentrum Leuven, Omslagontwerp : John Bogaerts, Vertegenwoordiging voor Nederland: Van Gennep, Amsterdam. Uitlevering: Integraal fonds bij Centraal Boekhuis, Culemborg, D/1982/2393/8 ISBN 90 6303 073 8

Inhoud

Voorwoord (Marc De Kock)
Inleiding (John De Wit)
Mark. Zo zijn of niet zo zijn (Yves Jansen)
Dirk. Wie is van hout ? (Guido Totté)
Speedy Louis. The Deer Hunter (John De Wit, Yves Jansen)
Erik. De heer zij met u (Guido D'Hooghe) Della. Rubbertrutten (Bob Vanfraechem)
Rudy. De volgelingen van Sint-Sebastiaan (John De Wit, Bob Vanfraechem)
André. Gelukkig gescheiden (Yves Jansen)
Roger en Willy. Daar alleen is 't leven zoet (John De Wit, Kurt Van Eeghem)
Peter. De beslommeringen van het anarcho-alcoholisme (John De Wit, Ivo Moelans)
Conrad Detrez. Het zwoele Rio (John De Wit, Kris Leemans)
Van Eeghem contra de soepjurken (Kurt Van Eeghem)
Ecce Homo. Een lijdensweg van discriminaties (John De Wit, Norbert Verbeke)
Homo's en de politieke partijen (Norbert Verbeke)
Homo's en de katholieke kerk (Guido D'Hooghe, Norbert Verbeke)
Naar meer onduidelijkheid. De Vlaamse homobeweging (John De Wit)
De trage verdraagzaamheid. De Nederlandse homobeweging (Rob Tielman)
Een goeie raad van Europa (John De Wit, Norbert Verbeke)
28 september (John De Wit)

Achterblad

*
*   *

Voorwoord - Inhoud

De auteurs van dit boek vroegen de voorzitter van de Belgische Liga voor de Verdediging van de Rechten van de Mens het 'voorwoord' te schrijven. Dit lijkt mij vanzelfsprekend omdat de toestand van homo's en lesbiennes zowat gelijkgesteld kan worden met die van slachtoffers van racisme. Allerhande discriminaties vallen hen te beurt. In ons land gaat het om enkele wettelijke, maar veel meer om feitelijke discriminaties. Ze zijn het gevolg van het 'anders-zijn' of beter nog van het 'anders-aanvoelen' van die anderen, die niet op alle punten zijn zoals jij en ik, misschien.

In bepaalde artistieke middens worden homo's en lesbiennes nogal gedoogd. Kunstenaars zijn dikwijls al deviant en het afwijkende bij afwijkelingen is maar een afwijking te meer. En dan nog, kunstenaars behoren niet tot de ernstige milieus, nietwaar.

Maar laat een lerares zich publiek als lesbienne voorstellen. De stok staat achter de deur om haar uit haar ambt te ontzetten. Laat een jurist, die solliciteert om rechter te worden, op het parket bekend staan als gehele of gedeeltelijke homoseksueel. Het parket zal onmiddellijk ongunstig reageren omdat zijn persoonlijkheid tot voorbehoud aanzet voor het vervullen van een zo gewichtige taak als het spreken van recht. De man kan zijn benoeming gerust als een onrealiseerbare droom gaan beschouwen.

Laat een naar homofiel geëvolueerde vader in het kader van een echtscheidingsprocedure normaal bezoekrecht vragen. Een rechter in kortgeding zal dit gauw gevaarlijk vinden voor de morele en psychische evolutie van het kind dat in een ongezond milieu zou terechtkomen. En laat in een ander dossier elementen naar boven komen waarbij de echtgenoot klachten vormt over een nog niet bewezen lesbische omgang van zijn vrouw: het proces krijgt onmiddellijk assisenallures, wanneer deze vrouw om het bewakingsrecht over de kinderen verzoekt.

En neem dan maar een kijkje bij onze politiemachten, waar homoseksuelen het voorwerp uitmaken van een speciale fichering, omdat zij zich in een criminogene toestand of omgeving bevinden.

Dergelijke voorbeelden liggen voor het grijpen en ieder homoboek wijdt minstens een heel hoofdstuk aan de discriminatie tegenover homoseksuelen, waarvan de goegemeente, die er dikwijls niet wil van weten, geen besef schijnt te hebben.

Informatie op dit punt is broodnodig: wanneer de gemiddelde burger, die met vaste overtuiging democratie en mensenrechten belijdt en zich tegen elke discriminatie verklaart, geconfronteerd wordt met het homo-verschijnsel, heeft hij nog de neiging om het probleem uit de weg te lopen en te denken dat het wel wat overdreven wordt. Daarbij is hij oprecht en onoprecht tegelijkertijd. Intellectueel is hij bereid ook deze discriminatie onder ogen te nemen, maar in zijn onderbewuste loopt hij nog rond met een omvangrijk homoseksueel taboe dat hem belet op zoek te gaan naar het feitenmateriaal om een actieve anti-discriminatie-houding in te nemen.

De aarzelende evolutie van de Europese Mensenrechten-instanties, die in dit boek even nader wordt belicht, is in dit verband tekenend. Ook in onze nationale mensenrechten-instanties valt deze schroomvallige houding op te merken. We veroordelen alle discriminaties op grond van seksuele voorkeur van man of vrouw, maar we gaan toch niet graag met homo's en lesbiennes mee manifesteren want wat zou men toch over ons kunnen denken ? Ik zou wel zeggen dat veel breeddenkende democratische burgers in dit land nog steeds rondlopen met deze tweespalt tussen hun intellectueel bewustzijn en hun onderbewust taboegevoel.

De evolutie ten goede, waarover dit boek het heeft, zal dan ook wel niet zo vlug verlopen, tenzij de onderstroming, die thans aan gang is, erin slaagt een aantal vooroordelen zo uit te hollen, dat de discriminatie tegenover homo's en lesbiennes zonder valse schroom zal kunnen worden aangepakt.

In sommige weekbladen vindt men vragenlijsten die de lezer uitnodigen te bepalen in welke mate hij een goede ouder, een viriel manspersoon, een ideale echtgenoot, en wat weet ik allemaal, is. We zouden misschien ook zo enkele vragen kunnen stellen, b.v. deze aan jan en alleman : 'Denk je dat een homoseksueel leraar aanje zoon les mag geven?' Wanneer je op deze vraag niet volmondig positief antwoordt, dan weet je meteen dat je die leraar wel zou helpen broodroven, alle verklaringen over mensenrechten ten spijt, als je het

voor het zeggen zou hebben b.v. in één of andere bestendige deputatie.

En dan nog een vraag voor juristen : 'Houdt u het voor mogelijk dat homoseksuelen die in hun land van herkomst voor vervolging vrezen wegens hun seksuele gezindheid, in België bescherming vragen op basis van het vluchtelingenverdrag van Genève ?' Deze vraag werd in België nog niet aan de orde gesteld. In Nederland werd ze onlangs positief beantwoord door de Raad van State. 'Geen revolutie,' vond de Nederlandse vertegenwoordiger van de Hoge Commissaris voor Vluchtelingen, Mr. J. Hoeksma, 'maar je kunt het wel zien als een vorm van emancipatie.' {Volkskrant, 12 september 1981). Wanneer in België dergelijke officiële klok zal luiden, zullen wij al een heel eind verder staan.

Daarom aanvaardde ik deze inleiding te schrijven. Omdat dit boek oprechte en objectieve informatie brengt en er aldus toe bijdraagt de duivel van onze onverdraagzaamheid te bezweren.

Mare De Kock
Belgische Liga voor de Verdediging
van de Rechten van de Mens


Inleiding - Inhoud

Nog altijd is homoseksualiteit voor de overgrote meerderheid van de mensen een taboe. Arm in arm lopen of mekaar zoenen op straat levert homo's nog altijd een fluitconcert of een scheldpartij op. Janetten ! Geen wonder dat velen maar schoorvoetend voor hun homoseksualiteit durven uitkomen.

Heerlijk schendt opzettelijk dit taboe van de homoseksualiteit. Als homoseksualiteit een 'probleem' is, ligt dat aan die mensen die er een probleem van maken, zij scheppen de moeilijkheden. Heerlijk weigert de homoproblematiek te psychologiseren : voor het eerst in Vlaanderen ziet dit boek homoseksualiteit niet als een psychisch probleem, een kwestie van zelfaanvaarding. Wij doen niet mee aan het etikettengestrooi: karakterneurose, narcisme, zelfrealisatie... We laten homo's gewoon zelf aan het woord.

Inderdaad, we zochten ze op, verwijfden, macho's, vaste koppels, jagers, maar ook priesters, getrouwde homo's, mensen die het enorm moeilijk hebben om voor hun homoseksualiteit uit te komen. We lieten ze vertellen hoe ze zichzelf en de andere homo's zien, hoe zij hun seksualiteit beleven. We zochten geen verklaring. Omdat homoseksualiteit geen ziekte is die verklaard moet worden. Omdat iedere homo vanuit zijn leefwereld een aantal dingen te vertellen heeft die zeker zo zinvol zijn als het gepsychiatriseer dat dit boek jarenlang heeft voorafgegaan. Onder het starre etiket 'homoseksualiteit' vonden we een ongewone variëteit aan ideeën, houdingen, belevingen, die de klassieke vooroordelen uit mekaar doen spatten.

Naast onze interviews hebben we geprobeerd een beeld op te hangen van de homobeweging, zoals die nu in Nederland en België functioneert, in artikels over 372 bis, over het COC, de Federatie Werkgroepen Homofilie, de Rooie Vlinder. En omdat we in eerste instantie een bijdrage willen leveren aan de emancipatie van de homoseksuelen zelf formuleerden we ook voorstellen om de homodiscriminatie op te heffen en informeerden we naar de politieke haalbaarheid daarvan.

Heerlijk gaat uitsluitend over mannelijke homoseksuelen, omdat de problematiek van homo's en lesbiennes zo verschillend is, net als hun strategie trouwens. Bovendien zijn de Vlaamse en Nederlandse lesbiennes ons voorgegaan met het Lesbies prachtboek en Het Vlaamse Heksenboekje, waarin ze over henzelf en voor henzelf schreven. Het zou pedant zijn dat 'm Heerlijk nog eens dunnetjes over te doen.

Heerlijk is een onafhankelijk boek. Het wordt niet geplugd door een homo-organisatie. De Federatie Werkgroepen Homofilie weigerde zelfs expliciet haar medewerking. De Rooie Vlinder wilde wel meewerken, ondanks het feit dat de groep een apart boek over homoseksualiteit op de markt brengt. Aan Heerlijk werkten verschillende mensen mee, Nederlanders en Vlamingen, homo's en hetero's, leden van de Federatie (uit eigen naam) en ex-leden van de Rooie Vlinder, politiek gemotiveerden en mensen die een vriendendienst wilden bewijzen. Een allegaartje, dat het over één ding eens was: open en vrij over homoseksualiteit praten én aan een wetgeving sleutelen die zoiets in de toekomst vergemakkelijkt.

Ik wens alle mensen die dit project mogelijk gemaakt hebben te danken. Alle auteurs voor hun stiptheid en enthousiasme, maar ook iedereen die informatie doorspeelde of teksten becommentarieerde. In het bijzonder bedank ik Myriam Michiels, die mij als wereldvreemde wetenschapper wat journalistieke bagage toestopte, en Guido D'Hooghe, die in alle bescheidenheid bergen werk verzet heeft om dit project te realiseren.

Een boek over homoseksualiteit op de markt brengen in volle crisisperiode lijkt een luxe. Terwijl de regering de index afbreekt en de inflatie welig tiert, houdt een stelletje geobsedeerden zich bezig met seksuele fantasmen. Toch is Heerlijk belangrijk, precies omwille van de economische crisis. In zo'n periode gaat men op zoek naar zondebokken, mensen die men uit naam van de moraal veroordeelt en verkettert. Hitler vond de joden. De homo's zouden wel eens de nieuwe Joden kunnen zijn. Heerlijk is geschreven om zoiets te vermijden. De heersende onwennigheid en schroom tegenover homoseksualiteit kan agressie in de hand werken. Door homoseksualiteit te tonen zoals ze is in al haar facetten, willen we daaraan verhelpen. Eerlijk duurt het langst.

Klopt dat wel als brutale macht in het spel komt ? Het is ook nodig dat homo's overal voor hun homoseksualiteit uitkomen, thuis, op hun werk, op straat. En dat de organisaties zich solidair opstellen met elkaar en beletten dat interne vetes en persoonlijke rancunes de beweging verzwakken. Niemands rechten komen uit de lucht vallen, iedereen moet ervoor vechten.

John De Wit (coördinator)

...

Conrad Detrez - Het zwoele Rio - Inhoud

Detrez is een Belgisch romancier, in eigen land totaal miskend. Hij werd in 1937 in de bietenstreek van Haspengouw geboren en studeerde theologie te Leuven.

Dan trok hij naar Brazilië, waar hij aansloot bij het verzet tegen de militaire dictatuur. Hij trok op met castristische actiegroepen, werd gevangen genomen, gefolterd en veroordeeld. In 1969 moest hij het land definitief verlaten. Zijn politieke opvattingen zijn een hutsepot van marxisme en libertair anarchisme.

In Rio beleefde Detrez zijn homoseksuele coming out. Mannen gaan er totaal anders met elkaar om dan in het koude westen. Minder krampachtig, meer ontspannen. De Latijns-Amerikaanse seksbeleving is voor hem van onvervangbare waarde gebleven.

Detrez woont nu bijna vijf jaar in Parijs. Een appartement op de veertiende verdieping, met een prachtig panorama op de Lichtstad. Hij leeft er met een student uit West-Afrika, op wie hij na twee jaar nog steeds verliefd is. Hij legt zich hoofdzakelijk toe op zijn werk als romancier. De man van de actie werd een man van het woord. Zijn werk is sterk autobiografisch. Religie, politiek en seksualiteit zijn de bindthema's van zijn oeuvre. In 1978 kreeg hij de Renaudot-prijs voor Dor Gras.

Op je negentiende ben je naar het seminarie getrokken. Je wou priester worden. Hoe kijk je daar nu tegen aan ?

Dat was een illusie. Ik had net een ongelukkige liefde achter de rug, een onbeantwoorde kalverliefde. En romantische ziel als ik was, meende ik mij verlaten door de mensheid en zocht ik soelaas bij God. Trouwens, ik kende niets anders dan mijn katholiek dorpje op het platteland. Een roeping was zowat de enige uitweg. Door seminarist te worden weigerde ik ook de wreedheid van de grote-mensen-wereld. Vader was slager en hij nam mij geregeld mee naar de slachthuizen van Tongeren. Ik kwam er iedere keer misselijk van terug. In Le Dragueur de Dieu schrijf ik daarover. Als kind was ik ook erg geschokt door het oorlogsgeweld : daar heb ik het dan weer over in mijn eerste roman, Ludo. Mijn vroegste ervaringen van de wereld waren wreed. Ik geloofde dat de Liefde de enige vorm van troost was die je als mens kon aanvaarden.

Op dat vlak werd ik dubbel ontgoocheld. Ik had een platonische verhouding tot een meisje van mijn dorp. Die verhouding was niet wederkerig, want ze was het vriendinnetje van een andere jongen. Op een dag betrapte ik haar terwijl ze zich door hem in een wei achter de haag liet bepotelen. Dat betekende voor mij een emotionele aardverschuiving. Ik was helemaal in de war. Dan had ik nog een intense vriendschapsrelatie met een klasgenoot uit het college van Herstal. Na een jaar was het ook met die relatie afgelopen.

Op het einde van de humaniora moesten we in retraite gaan. Aan de priester biechtte ik mijn scepticisme omtrent het menselijk geluk op. Hij nam het wel licht op en zei gewoon : 'Als het menselijk geluk onbereikbaar is, kan je alleen geestelijk gelukkig worden'. En ik met mijn bang hartje knikte van ja. Ik heb me dan met mystiek beziggehouden. Ik ben nieuwsgierig van aard en dat hielp. Maar het liep weer verkeerd : de mystiek streeft immers het Absolute na en dat was erg moeilijk binnen het instituut waar ik dat moest beleven : de Kerk, met haar rigoureuze discipline, haar morele code, haar machtswellust. Wat mij nog het meest ergerde was de nauwe medeplichtigheid van de Kerk met reactionaire politieke krachten.

In 1962, na vier jaar seminarie, eerst in Sint-Truiden, daarna in Leuven, besloot ik naar Brazilië te vertrekken. Ik was op het seminarie nogal wat geradicaliseerd op politiek gebied. Daar speelde trouwens van alles in mee dat niets met de katholieke wereld te maken had: de oorlog in Algerië, de revolutie op Cuba, de dekolonisering van Afrika. Ik wist hiervan door de stiekeme lectuur van linkse katholieke blaadjes uit Frankrijk(Témoignages Chrétiens, Esprit). Die mocht je op het seminarie eigenlijk niet lezen. Men had er een obsessionele angst voor het communisme. Alles wat niet strookte met de officiële doctrine van de christen-democraten werd afgeraden. Maar in Leuven studeerden ook buitenlanders. Zij hebben mij politiek bewust gemaakt, vooral de mensen uit Latijns-Amerika, de groep rond Camillo Torres. Ik leerde de problemen van de derde wereld kennen, en ik vroeg me af of het wel zin had om alleen voor spirituele waarden te leven. Was mijn religieuze roeping wel mijn ware roeping ?

Ik moest er wat anders op verzinnen. Eigenlijk had ik toen mijn militaire dienst moeten doen. Ik had immers mijn theologiestudies onderbroken én het seminarie verlaten. Maar ik wist wel beter. Ik wilde helemaal niet in een leger dat in de NAVO geïntegreerd was. De mogelijkheid bestond nog altijd dat Belgische troepen naar Kongo gezonden zouden worden, zelfs nog na de onafhankelijkheid van dat land. De zaak Lumumba illustreerde dit wel. Dus kon ik alleen maar uitwijken.

Uitwijken was allesbehalve een heldhaftige beslissing. Ik wilde gewoonweg uit het bekrompen België, met zijn achterlijkheid op affectief en seksueel gebied en zijn debiele taalrellen. Uitwijken was trouwens een generatiefenomeen. De mensen van mijn leeftijd, zoals Regis Debray, meenden dat de wereld zou veranderen vanuit de ontwikkelingslanden. In Europa viel niets meer te beleven. Wie had de koloniale oorlogen gevoerd? Europa. Wie had twee wereldoorlogen op zijn actief? Europa. Wat kon men nog van Europa verwachten? Niets. Tenminste, zo dachten wij toen.

Ik koos Brazilië. Er zijn in de wereld drie klassieke landen waar je makkelijk en gratis naartoe kan: Australië, Canada, Brazilië. Brazilië was hiervan het enige derde-wereld-land.

In Brazilië is mijn politiek bewustzijn verder gerijpt. Ik militeerde er in een revolutionaire organisatie die zich door Cuba liet inspireren. Ook mijn seksuele lust werd wakker. Stel je voor: je komt aan in een tropische stad als Rio de Janeiro. De mensen zijn er heel mooi, heel sensueel. Ze lopen er bijna naakt rond. Je moet al een droogstoppel zijn om niet in vervoering te raken. Maar ik was toen nog katholiek, en deze aardse drift zorgde voor zware gewetensconflicten. Uiteindelijk haalde het leven het op de dood.

De katholieke moraal is er één van zombies; je hoort beschaamd te zijn voor je lichaam, je moet bang zijn voor plezier. Dat gaat heel ver terug, tot de grote theologen Paulus en Augustinus, die trouwens een pak verdrongen homoseksualiteit in zich droegen. Zij maakten van de nood een deugd. Hun lustangst vormden ze tot theologische waarden om. De katholieke theologie cultiveert van oudsher een afkeer voor het lichaam: er zijn zelfs teksten van theologen die afraden je al te vaak te wassen, je zou kunnen verleid worden jezelf te strelen. En op het college douchten wij in zwembroek. Als je deze wereld vergelijkt met het leven in Rio, met zijn frivole karnavals, met zijn samba's, met zijn cultus van de lichamelijke liefde... Is deze sensuele atmosfeer, deze diffuse seksualiteit die je in Dor gras zo mooi beschrijft, typisch Braziliaans ?

Latijns-Amerika is veel erotischer en panseksueler dan West-Europa. De mensen beleven de wereld veel directer, er zijn minder tussenschakels. Brazilië verschilt dan nog van de andere Latijns-amerikaanse landen, waar men puriteinser is. Sensualiteit maakt er deel uit van de volkse cultuur die zeer diep in de mensen geworteld is. Dat heeft te maken met de kolonisering. De Portugezen waren geen theologische haarklievers zoals de Spanjaarden. Portugal heeft nooit grote theologische scholen gekend, zoals die van Salamanca. Het was een land van zeevaarders en wereldreizigers, veel meer dan Spanje. Toen ze Brazilië koloniseerden, hadden ze ook al gauw door dat zo'n immens gebied niet zo eenvoudig onder controle te houden was voor zo'n klein landje. Lissabon adviseerde de kolonisten daarom zoveel mogelijk kinderen te maken bij zoveel mogelijk vrouwen. Voor de kerk trouwde men met een blanke, maar men neukte met Indiaansen en zwarten om Portugese staatsburgers te verwekken. Polygamie werd oogluikend toegestaan, zelfs als politiek geplugd. Er bestaan teksten van Portugese bisschoppen die de priesters aanraden de ogen maar te sluiten : 'Het belangrijkste is ervoor te zorgen dat Brazilië Portugees blijft, dan behoort het Christus toe.' Van dan af is de katholieke moraal gespleten, en aanvaardt men ook sneller allerhande andere vormen van seksualiteit.

Er is ook de Indiaanse traditie. In bepaalde stammen is de inwijding homoseksueel. Deze tradities bleven bewaard. Niet alle Indianen werden uitgeroeid, en door de mestiezen werd deze seksuele tolerantie van generatie op generatie overgeleverd.

Brazilië is ook nog een paradijs in een andere zin: je treft er mensen van allerlei ras of slag. Alle kleuren zijn aanwezig. Je coming out heeft ook iets met fantasmen te maken. Iedereen kan er zijn fantasmen bevredigen want het is er een ware smeltkroes.

Ik had daar al vlug erotische avontuurtjes. Eerst met meisjes, wat

normaal was, gezien mijn opvoeding. Ik had mij nooit de vraag gesteld of ik speciaal kon zijn op seksueel gebied. Ik dacht dat seksualiteit mij niet interesseerde omwille van mijn priesterroeping. Ik groeide meer en meer weg uit de religieuze leefwereld en kwam in een politieke sfeer terecht. Door mijn engagement tegen de militaire dictatuur, voerde ik in feite een oorlog tegen de maatschappij. Ook tegen de kerk, die deze bloedige dictatuur steunde. Wanneer je dan op politiek gebied de oorlog met de maatschappij hebt aangevat, wordt het ook makkelijker om op andere terreinen de samenleving in vraag te stellen. De ene vorm van subversie vergemakkelijkt de andere. Voor mij plaatste mijn politiek engagement dan ook een levensgroot vraagteken achter de traditionele moraal waarin ik was opgevoed.

Toch verliep dit niet zonder problemen. De militanten met wie ik omging, waren macho en puriteins. Mijn homoseksuele geaardheid hield ik voor hen verborgen.

Spreek je nu jezelf niet legen ? Eerst heb je het over een tolerante Braziliaanse cultuur, daarna stel je dat je politieke vrienden puriteinse macho's waren. Het waren toch ook Brazilianen ? Deze tegenspraak is toch maar schijnbaar. De Braziliaanse cultuur is een macho-cultuur. Maar de Braziliaanse macho is niet puriteins of onverdraagzaam. Wat hem interesseert is zijn mannelijkheid bewijzen met vrouwen öf met mannen. Hij heeft er alle belang bij om alle vormen van seksualiteit te aanvaarden, precies om de cultus van zijn fallus hoog te houden. Er is overigens een spreekwoord dat zegt 'wanneer een man een andere man neukt, is hij tweemaal man'. De onverdraagzaamheid ontstaat pas wanneer een strakke, anti-homo-seksuele ideologie, de katholieke of een marxistisch-leninistische, zo'n macho assimileert. De macho is dan niet langer de verdraagzame bon sauvage die hij vroeger was. Hij wordt een cultuurfallocraat: zijn religieuze of politieke indoctrinatie doet hem pas echt repressief optreden. Het is helemaal niet zo moeilijk om met een Lumpenprole-tarier uit de sloppenwijken van Rio te vrijen, hoewel dit toch ook macho's zijn. Maar vrijen met een castristisch militant, dat was geen sinecure. Politiek leek voor deze militanten een middel om hun mannelijkheid te bewijzen. Een mannelijkheid die dan wel in heteroseksuele termen gesteld werd. Deze 'guerillero'-cultuur komt uit Spanje, het woord zelf trouwens ook. Ze is beïnvloed door de mannelijke kijk die men in Spanje op het katholicisme had. De grote figuren zijn mannen : daar leefde de cultus van de Chef. Christus is er niet het slachtoffer, de gekruisigde, maar de triomfator, Christus-Koning. Daarnaast vind je ook wel de filosofie van de martelaar, maar de martelaar verzet zich tot de laatste snik. In de castrische beweging vond je dat terug in de cultus rond 'Che' Guevara, die als een soort revolutionaire Christus werd voorgesteld. Daar kwam nog eens de invloed van het stalinisme bij. Homoseksualiteit werd gezien als een vorm van burgerlijke decadentie, het 'proletarische' gezin was de norm, en er bestonden blijkbaar enkel heteroseksuele proletariërs...

Dezelfde elementen liggen aan de basis van de homofobe sfeer in Cuba, het land dat dan toch model stond voor de revolutie. Cuba is het Latijns-Amerikaanse land bij uitstek waar de Spaanse erfenis wortel heeft geschoten. Castro zelf is opgevoed bij Jezuïeten met een Spaanse vorming. Hij en een groepje kleinburgers dat later communist werd, waren getekend door de meeste rigiede en repressieve vorm van katholicisme. De invloed van het stalinisme deed zich vooral vanaf de Amerikaanse blokkade voelen. Men moest om economische redenen een beroep doen op Sovjethulp. Met die hulp kwam ook een culturele en ideologische bagage mee. De vervolging van homoseksuelen heeft ook met Cuba zelf te maken. Onder Batista's dictatuur was Cuba een goedkoop bordeel van de Verenigde Staten. Amerikanen zakten bij bosjes af om er zich een jongen te betalen, zoals nu op de Filippijnen. De bevolking vereenzelfdigde homoseksualiteit met prostitutie. Na de val van Batista, bond men rigoureus de strijd aan tegen de prostitutie en dus ook tegen homoseksualiteit.

Dat men op Cuba homo's vervolgde, heb ik pas later geweten. Na vijfjaar Brazilië werd ik in 1967 uit gewezen. Ik trok naar Parijs. Daar vernam ik dat op Cuba homo's in heropvoedingskampen gestopt werden. Dat voelde ik aan als een enorm schandaal. Tot dan toe had ik in een dubbele clandestiniteit geleefd: politiek in de guerrilla, seksueel tegenover mijn politieke vrienden. In Parijs ontdekte ik dat het autoritaire socialisme met stalinistische stempel verantwoordelijk was voor de homovervolging. Ik ben naar mijn castristische kameraden toe gestapt en heb hen gezegd: 'Kijk eens aan jongens, ik ben seksueel helemaal niet zo orthodox. Wat jullie de seksualiteit van het proletariaat noemen, dat bestaat gewoon niet. Onder het proletariaat vindt je ook homo's net zoals onder alle lagen van de bevolking. Deze mythologie van de proletarische seksualiteit (het gezin dat vele kinderen produceert) is slechts een omzetting van het meest traditionele katholicisme. Dat interesseert mij niet. Ik zoek wat anders.'

Het drama blijft natuurlijk dat Cuba het enige land van Latijns-Amerika is waar iedereen kan lezen en schrijven, waar iedereen gratis toegang heeft tot medische verzorging, opvoeding en cultuur. Op materieel gebied is men er correct. In deze zin blijf ik pro-Cuba. Maar op het vlak van de individuele vrijheid (en hiermee bedoel ik niet alleen de seksuele vrijheid maar ook de vrijheid van meningsuiting, van organisatie) verafschuw ik het regime. Wat de homokwestie betreft : je moet er wel genuanceerd tegen aankijken. Men begint op Cuba zelf te zien dat men geblunderd heeft. Ondanks de repressie, ondanks de heropvoedingskampen en de marginalisering, blijven er homo's bestaan. Men ziet in dat homoseksuele jongens en meisjes van 18 van 20 jaar die toch helemaal in een proletarisch regime opgevoed zijn niet zomaar als een produkt van de westerse decadentie kunnen gebrandmerkt worden. Men begint zich nu wel vragen te stellen.

Dan heb je met het marxisme gebroken. Was dit wel zo evident: je kan toch ook het stalinisme laten vallen, zonder het marxisme vaarwel te zeggen.

Ik heb niét met het marxisme gebroken, ik heb slechts het leninisme verworpen. In Brazilië engageerde ik mij samen met de marxist-leninisten omdat zij de enigen waren die zich op een efficiënte manier tegen de dictatuur georganiseerd hadden. Ik was dus leninist om redenen van efficiëntie, niet uit enthousiasme, en nog minder uit overtuiging. Wat ik van het marxisme behouden heb, is de klassenstrijd. Die bestaat overduidelijk, de bourgeoisie wéét dat en het patronaat past haar toe. In Parijs leerde ik de theorieën van Wilhelm Reich kennen. Ik nam actief deel aan mei 68 en kwam zo in contact met het gedachtengoed van de Franse 'utopische' socialisten, Proudhon en Fourrier. Zij stonden wel open voor seksuele vragen.

Daarom heb ik met het marxisme-leninisme gebroken. Het was voor mij een tweede Kerk geworden, die even onverdraagzaam en dogmatisch was als de katholieke.

Je spreekt over Reich. Die is toch ook niet erg bevrijdend waar het homoseksualiteit betreft: de mythologie van het perfecte (heteroseksuele) orgasme, homoseksualiteit als ziekte. Choqueerde je dat niet ? Natuurlijk, maar je moet Reich in zijn tijd zien. Je mag niet vergeten dat Reich zijn ideeën ontwikkeld heeft tijdens de opkomst van het stalinisme. Ik had me jarenlang achtervervolgd gevoeld door puriteinse marxist-lenisten. En dan is de lectuur van Reich toch wel verfrissend : je leert dat je én marxist kan zijn én tegelijkertijd bezig met seksuele bevrijding.

In augustus 68 keerde ik naar Brazilië terug. Na eenjaar moest ik vluchten, omdat een aantal vrienden vermoord waren en ik zelf met de dood bedreigd werd. Ik ben dan naar Algiers getrokken omdat daar het hoofdkwartier van de verbannen Brazilianen gevestigd was. Ik werkte er als journalist in de oppositiepers, maar ik was ook leraar Frans, gewoon om iets op de plank te hebben. Wat vaak bij langdurige bannelingen gebeurt, gebeurde ook daar : er ontstonden steeds grotere spanningen onder de Brazilianen. Dan heb ik bij mezelf gezegd : het is niet aan mij om Braziliaanse onenigheid op te lossen, dat potje moeten ze zelf maar koken. In 1971 ben ik naar België teruggekomen.

Ik ging in Brussel wonen. Een droevige stad is het, heel kleinburgerlijk. Ik heb me er praktisch uitsluitend met mijn romans beziggehouden. Het uitgaansleven is er erg saai, en als homo kan je er weinig beleven. Heel anders is Antwerpen, daar is men toleranter. Waarschijnlijk omdat het een havenstad is, maar ik heb ook de indruk dat Vlamingen altijd seksueel losser waren dan Walen. Je hebt al van oudsher een erg erotische schilderkunst en je moet er de mystieken maar eens op na lezen. Ik ben er vast van overtuigd dat een Vlaming seksueel veel gelukkiger is dan een Waal.

Brussel was voor mij dus een sombere ervaring. In 1974 ben ik als RTB-correspondent naar Lissabon vertrokken. Ik wilde de Anjerrevolutie van dichtbij meemaken en hield ook van mijn werk als journalist. Ik ben zo'n twee jaar in Portugal gebleven en woon nu sinds vier jaar in Parijs...

Je woont nu opnieuw tien jaar in Europa. In deze periode ontstonden zo wat overal bevrijdingsbewegingen rond homoseksualiteit, in Frankrijk had je de FHAR met Guy Hocquenghem als Meester-Denker. Heb je daar wat van opgestoken ?

Nee, voor mij was alles al beslist. De grote beslissingen zowel politiek als seksueel, heb ik tussen mijn vijfentwintigste en mijn dertigste genomen, in de zestiger jaren dus.

Ik heb natuurlijk wel de boeken van Hocquenghem gelezen. Hij steunt op de Franse libertaire traditie. Uiteindelijk is hij een fourrierist. Hij zegt wel interessante dingen, maar wat mij stoort is zijn exhibitionisme en zijn provocerende stijl. Als homo provoceren is makkelijk voor een kleinburgerlijke intellectueel. In het Quartier Latin staat het zelfs chic. Ik zie de homo's van Boulogne-Billancourt dat nog niet zo direct doen. De arbeiders van Renault zouden er aanstoot aan nemen en de homo's zouden in elkaar worden getimmerd. Provoceren en schandaliseren lijkt me geen geslaagd politiek wapen. Er zijn ook enkele implicaties van Hocquenhems theorie die mij niet bevallen. Hij verwerpt de solidariteit van homo's met de vrouwenbeweging, en met de arbeidersbeweging. Ik meen echter dat alle mensen die tegen vervreemding strijden de handen in elkaar moeten slaan. Ze moeten samen vechten, van welke aard hun vervreemding ook is, economisch, politiek, moreel of seksueel. Frankrijk evolueert positief op dat vlak. Al voor de verkiezingen die Mitterand aan de macht brachten, sprak een groot aantal linkse partijen zich uit voor de rechten van de homo's. Onder meer de uiterst linkse PSU en de trotskistische LCR, maar ook de socialisten van Mitterand. De PS pleit zelfs voor seksuele meerderjarigheid op 13 jaar. Ze wil ook alle fichering van homo's vernietigen. De communisten vinden dat homoseksualiteit een privé-aangelegenheid is. Ze nemen geen standpunt in. Rechts blijft angstvallig zwijgen. Van vakbondszijde staan vooral de CFDT, maar ook bepaalde secties van de CGT positief. Het is van het grootste belang dat deze partijen de standpunten van de homobeweging overnemen.

Hocquenghems ideeën zijn ook gevaarlijk. Hij cultiveert het getto en zo'n getto is gevaarlijk, vooral omdat het verarmend werkt. Als je je opsluit in een circuit van homobars, dan kijk je altijd maar op dezelfde gezichten, je vertelt dezelfde verhaaltjes, en op de duur word je paranoïde. Je hebt de indruk dat je erg bevrijd leeft, maar het tegendeel is waar. De grote hoop van deze mensen is bang om in de gewone wereld te komen, de wereld van de trein, van het alledaagse werk. Na verloop van tijd weten ze ook niet meer hoé deze gewone wereld eigenlijk in elkaar zit. Het getto stompt af en staat ten langen leste de bevrijding van de homo's in de weg. Daar komt nog bij datje je meer blootstelt aan allerhande vijandigheden als je je opsluit. Iedereen weet je immers te vinden.

Hocquenghem heeft ook positieve dingen gedaan. Ik ben het volledig met hem eens dat de homo's het heteroseksuele model niet moeten kopiëren. Homohuwelijken zijn ronduit belachelijk. Ze apen de hetero's na, en daar functioneert het huwelijk al erg krakke-mikkig. Er zijn geen universele modellen, voor niets, en voor niemand. Iedereen moet zijn levensstijl maar verzinnen, voor de enen zal dat het koppel zijn, voor de anderen de voortdurende jacht, de libertijnse stijl. Laat duizend bloemen bloeien.

Heb je na je terugkeer in Europa verschillen vastgesteld in de beleving van homoseksualiteit ?

Enorme verschillen. In 1962 ging ik uit Europa weg. Toen moest je je schamen over seks, en vöör je met iemand ging maffen had je een lange aanloop nodig. Wij durfden elkaar nauwelijks aanraken. En we sublimeerden dat onder de vorm van affectiviteit, van tederheid voor elkaar. De jongeren van nu zijn helemaal niet meer bang van seks, ze staan er veel serener tegenover, 'losjes in de blouse', hé? Dat is een grote vooruitgang, maar daar mag het niet bij blijven. De jongeren van nu stellen zich met het louter fysieke tevreden. Sublimering is een vies begrip geworden. Ze blijven ongelukkig omdat ze affectiviteit en tederheid missen. Daar zijn twee redenen voor: het is wat té gemakkelijk geworden om met elkaar te vrijen. Er is nog maar weinig uitdaging aan, het gaat allemaal heel simpel. De meesten zijn daar tevreden mee, alleen al uit gemakzucht. Aan de andere kant mag je toch niet verhelen dat de familiale en sociale dwang nu veel kleiner geworden is. Ouders laten hun kinderen alles toe en men neemt een loopje met discipline. 'Doe maar op.' Dat heeft zijn positieve kanten, maar dwang leidt ook tot sublimatie. En de positieve kanten van de sublimatie in de affectiviteit zijn nu met het badwater piee^espoeld. Hierdoor blijven de meeste jongeren ook eenzaam. Ze hebben de slinger te ver in de richting van het fysieke geslagen. Misschien is het aan een volgende generatie om het evenwicht te vinden.

Er is momenteel in de homoscène, vooral in de VSA, maar ook in Amsterdam, een macho-trend. Hardere vormen van seksualiteitsbeleving, sadomasochisme...

Dit machisme is een masker en een karikatuur. Trutten met de snor. Deze ontwikkeling is typisch angelsaksisch : dat bestaat haast niet in de Latijnse landen. In Brazilië is het onbekend en in Frankrijk gaat het om een paar geïsoleerde groepjes die elkaar in bars treffen.

In New York zag ik deze macho's bezig, ik heb er zowat alles bezocht wat te bezoeken viel. De nieuwe macho weigert affectiviteit. Ik zou zelfs stellen dat het om een nieuwe vorm van impotentie gaat. Ze hebben allerhande tuigen, kettingen, leer en ringen nodig om nog aan een orgasme toe te komen. Het is een seksmachine-filosofie, waaruit alle tederheid is gebannen. De prijs is eenzaamheid. Als je seksualiteit loskoppelt van affectiviteit werkt dat vernietigend. Pasolini heeft dat schitterend aangetoond in Salo of de 120 dagen van Sodoma. In de zuivere seksualiteit is de andere een beest waar je je meest perverse lusten kan op botvieren. De partner is geen menselijk wezen meer. Al die kettingen, zwepen en poppers, ik vind het een gruwel. Het is belachelijk en infantiel. Maar dat geldt voor de meeste vormen van seksualiteitsbeleving in Amerika. Zo vertelde mij onlangs nog een Italiaanse journaliste, die toch een vrij gediversifieerd seksleven had, dat twee derde van de mannen die zij ontmoet had, slechts konden vrijen als de t.v. aanstond. De stilte maakte hen bang, ze moesten drukte om zich heen hebben. Zo ontvlucht je je verantwoordelijkheid, je ontvlucht tederheid omdat je er niet meer toe in staat bent. In de stilte en in de duisternis ontdek je dat er nog heel wat anders is dan zuiver machinale seks. Maar de nieuwe macho's noemen het sadomasochisme een spel, zij zien er een karikatuur in, een invraagstelling van autoritaire rolpatronen... Des te beter voor hen. Ik moet er in ieder geval niets van hebben. Ik betwijfel trouwens of zij die SM werkelijk zo leuk vinden. Ik kan me niet van de indruk ontdoen dat de meest eenzame homo's in het macho-milieu te vinden zijn. Dat heeft misschien meer te maken met de commercialisering van de seks dan met sadomasochisme. De harde seks is voor mij het resultaat van het huwelijk van kapitalisme en seksualiteit: seks tot object herleid. Ik zou dat soort louter materialistische relaties vlug beu zijn. Ik blijf nog altijd behoefte hebben aan iets supplementairs, iets transcendents, iets wat de mens de indruk geeft dat hij zichzelf overstijgt. Je kan dit beleven in de liefde, in de artistieke schepping of in de godsdienst. Misschien is dat wel mijn ouwe heimwee naar iets wat de mens te boven gaat... In je romans komt zeer vaak het thema van de verboden liefde voor, en ook van de eenzijdige, niet wederkerige liefde. Heeft dat ook niets masochistisch ?

Ja, maar je moet toch een onderscheid maken tussen liefde en passionele verliefdheid. Passie bestaat omdat de liefde voorlopig nog onmogelijk is, ze hééft iets masochistisch in zich, omdat het liefdesobject nooit bereikt kan worden, zoals de verliefde dat wel zou willen. De passionele verliefdheid kan nooit blijven duren, ze is vernietigend. Liefde kan maar groeien wanneer je partnerzich aan je geeft, en tussen de partners een evenwicht groeit. Het thema van de niet gedeelde liefde komt inderdaad veel in mijn romans voor. Dat heeft met mijn persoonlijke ervaringen te maken, vooral met deze in Brazilië. Het was als militant in die castristische organisaties relatief moeilijk een stabiel liefdesleven uit te bouwen : je was immers telkens weer bang van repressie en gevangenis. Ik schrijf daar trouwens over in Les noms de la tribu. Een jongen die ik 'L' noem, omdat ik zijn naam niet mag vermelden, heeft mij op een bepaald ogenblik voor de keuze gesteld, blijven militeren, of met hem een liefdesrelatie hebben. Dat is me meerdere malen overkomen. In Dor gras beschrijf ik ook zoiets over een meisje dat ik Sonja noem.

In je jongste roman Le dragueur de Dieu beschrijf je de Parijse homoscène. Heb je daar veel in rondgehangen ? Als ik het Parijse homoseksuele getto beschrijf, dan doe ik dat als journalist, als iemand die waarneemt en hierover schrijft. Ik heb niets verzonnen. Je hebt in Parijs drie circuits. Je hebt eerst het christelijke milieu. Dat bestaat zelf weer uit vele stukken. Zo heb je Arcadie, officieel neutraal, maar de stichter is een ex-priester. Je hebt ook David et Jonathan, een officieel christelijke groep. En dan heb je ook nog de groep rond Pater Luc Doucé, die onder meer voor homohuwelijken pleit. Een tweede milieu is het heidense milieu, daar bedoel ik al de bars en cabarets mee. En dan heb je natuurlijk ook nog de parken (Jardin des Tuileries) waar getrimd wordt. Dat zijn de drie takken van de homoseksuele stam. Ik heb dat gewoon uit nieuwsgierigheid allemaal bekeken, maar ik blijf er niet aan vastplakken. Eens mijn nieuwsgierigheid bevredigd, stap ik eruit. Bovendien leef ik als schrijver in verschillende werelden. Ik ben een nomade, zelfs binnen één specifieke stad.

Je bezoekt het homomilieu alleen maar als journalist, en hoe vind je dan je partners ?

Dat gebeurt toevallig. De beste ontmoetingen zijn niet gepland. Ik kom overal homo's tegen, op straat, in de metro... Als je er op let gebeurt overal wel wat, en je moet natuurlijk niet bij de pakken blijven zitten, je moet voortdurend op je qui-vive zijn.

Het probleem blijft iemand vinden waar je kan bij blijven. De jongen waarmee ik nu samenwoon heb ik domweg in de metro ontmoet, op de lijn Porte de Clignancourt-Porte d'Orléans. Ik kwam net terug van Brussel en toen ik de coupé binnenging was het gebeurd. Als er verschillende plaatsen leeg zijn ga je sowieso tegenover de mooiste jongen zitten. We begonnen te kletsen, en sindsdien hebben we elkaar niet meer verlaten. En dat loopt uitstekend, we vullen elkaar prima aan.

Natuurlijk is het niet alle dagen prijs in de metro, en je moet vaak honderd personen proberen voor je er een vindt met wie het echt goed klikt. Ik ben op dat gebied nogal actief, ik ben eigenlijk zeer ongeduldig.

'Iedereen zijn model,' zeg je. Welk is het jouwe ? Ik heb zeer verschillende relaties met diverse personen. Voor mij telt het contact, en je kan maar met iemand echt in contact komen als je bepaalde gevoelens deelt. Zo kan je politiek op dezelfde golflengte zitten : dan is het gevoel broers te zijn erg groot. Maar het kan ook om heel andere gevoelens gaan: intellectuele, morele... Je kan dan eventueel met deze mensen ook de liefde bedrijven, maar dat hoeft niet. Zo vind ik het erg prettig om in bed te lezen samen met iemand die ook boekjes leest. Dan hebben we het over onze lectuur, we discuteren over politiek en ondertussen vrijen we midden in de boeken. Ik vind dat subliem.

In mijn gevoelsrelaties speelt heel sterk een pedagogisch element mee. Als iemand me iets leert, of me ontroert met iets, kan ik me niet alleen voelen. Ik denk dat dat liefde of vriendschap is.

Er zijn twee types die mij vooral fascineren : jongens van twintig en vrouwen van meer dan veertig. Ik begrijp niet goed waarom (daarom schrijf ik waarschijnlijk) maar zij boeien mij het meest.

Zo'n veertigjarige vrouw vind ik pathetisch en diep ontroerend. Ze is een wezen dat twijfelt, omdat ze haar jeugd verloren waant. Ze is emotioneel duidelijk superieur aan mannen van haar leeftijd. Een veertigjarige man is een functionaris, die op seksueel gebied nog steeds op jacht gaat. Hij stelt niets in vraag, wel integendeel. Een vrouw van veertig (tenminste als ze haar liefdesleven ten volle geproefd heeft) twijfelt aan zichzelf, ze is depressief omdat ze haar krachten voelt afnemen. Zo'n vrouw is een beetje mijn lerares, ik kan er van alles van opsteken, want ze heeft een zeer ruime ervaring.

En dan heb je de jongetjes van om en bij de twintig. Je voelt bij hen een zekere fataliteit, in de Griekse betekenis van het woord. Ze hebben nog weidse horizonten voor zich én de wil om deze te ontginnen. Heel de toekomst en het geluk ligt nog voor hen open, en ze voelen nog de kracht om het waar te maken. Ze hebben iets van een ontdekkingsreiziger die begeesterd alsmaar nieuwe paden wil bewandelen. Ze symboliseren de vrijheid voor mij. Bij hen voel ik duidelijk een 'vraag'. En ik geef dan ook 'les', ik wijd ze in de geheimen van het leven in.

Met deze twee types is alles mogelijk. Meestal leef ik natuurlijk maar met één specifieke persoon samen, vaak om praktische redenen. Maar naar de toekomst toe ligt niets definitief vast. Ik heb buien gehad waarin ik de seksuele vrijbuiter speelde omdat ik niemand vond die interessant genoeg leek om bij te blijven. Maar nu ben ik al twee jaar bij iemand die ik uitzonderlijk intelligent en gevoelig vind. Hij is ook mooi en charmant... Zit je nu niet je eigen beleving te projecteren ?Jk kan me voorstellen dat je je levenservaring terugvindt bij zo'n vrouw van veertig, en je 'viriliteit' en intellectuele nieuwsgierigheid in twintigjarige jongens... Ongetwijfeld, en dat komt omdat ik mij androgyn voel. Ik apprecieer zowel het 'vrouwelijke' als het 'mannelijke' in mij. Iedere kunstenaar is androgyn, niet noodzakelijk in zijn seksueel leven, maar op emotioneel en karakterieel gebied. Andere schrijvers hebben trouwens ook over hun androgynie gepraat: Mauriac, Gide, Baudelaire...

Is dat geen narcistische visie ?

Ja, maar wie is niet narcistisch ? Een schrijver is het altijd, want hij houdt niet op over zichzelf te praten. Iemand die iets schept is uiteindelijk verliefd op zichzelf. Als schrijver moetje al je neigingen ontwikkelen, dus ook je narcisme.

Maar je moet ook uit jezelf kunnen treden, afstand kunnen nemen van jezelf, anders kan je nooit wat scheppen. Het narcisme van de schrijver loopt derhalve niet over rozen, het vereist een diepe ascese, waardoor je tot meer universele dingen doordringt, leder mens heeft iets universeels in zich en het is de taak van de schrijver dit te ontdekken. In feite is dit al een oude platoonse idee, die ik hier vertel. Als ik het heb over narcisme, dan bedoel ik daar niets negatiefs mee, geen vernietigende kracht, zoals Christopher Lasch. Ik heb het veel meer over een verrijkend narcisme, waarbij je op zoek gaat naar het diepste wezen van de mens. Daarom moet je je eigen ervaringen minitieus in kaart proberen te brengen, want uiteindelijk kan je jezelf beter begrijpen dan iemand anders.

John De Wit, Kris Leemans

Belangrijkste werken van Conrad Detrez

Essays :

Pour la libération du Brésil, Seuil, 1970
Les mouvements révolulionnaires en Amérique latine, Vie Ouvrière, 1972
Les noms de la tribu, Seuil, 1980

Romans :

Ludo, Calmann-Lévy, 1974
Les plumes du coq, Calmann-Lévy, 1975 ; Nederlandse vertaling De veren van de haan. Arbeiderspers
L'Herbe a brûler, Calmann-Lévy en Livre depoche, 1978 ; Nederlandse vertaling Dor Gras, Arbeiderspers
La lutte finale, Balland, 1980
Le dragueur de Dieu, Calmann-Lévy, 1981
La guerre blanche, Calmann-Lévy, 1982

...

Een goeie raad van Europa - Inhoud

Hitler moordde in zijn concentratiekampen 220.000 homo's uit. Europa heeft daar nauwelijks lessen uit getrokken: de Europese Commissie voor de Rechten van de Mens weigerde vijfentwintig jaar langde klachten van homo's ontvankelijk te verklaren. Pas de laatste twee jaar is daar verandering in gekomen. Volgens de Europese Commissie mag homoseksualiteit boven de 21 niet meer bestraft worden en het parlement van de Raad van Europa heeft een antidiscriminatiewetgeving voor homo's opgesteld. Het verhaal van een ontvoogding onder impuls van Joop Voogd.

De Raad van Europa: Europa's more/e geweien

De Raad van Europa werd opgericht op 5 mei 1949. Oorspronkelijk bedoeld als een soort Verenigde Staten van Europa, is de Raad uiteindelijk maar een adviserend orgaan gebleven, dat geen enkele macht heeft om de leden tot iets te dwingen. De Raad van Europa heeft niets met de EEG te maken. De Raad heeft een eigen parlement, dat ook in Straatsburg zetelt, maar dat niet rechtstreeks verkozen wordt. Het bestaat uit vertegenwoordigers van de lidstaten en doet aanbevelingen aan de Raad van Ministers. Dit zijn de ministers van buitenlandse zaken of hun vertegenwoordigers. Zij maken die aanbevelingen over aan hun regeringen, maar er bestaan geen sancties voor staten die de aanbevelingen naast zich neerleggen.

De Raad telt 21 leden: Noorwegen, Cyprus, Malta, IJsland, België, Nederland, Zwitserland, Griekenland, Turkije, Zweden, Luxemburg, Oostenrijk, Portugal, Spanje, Frankrijk, Ierland, Groot-Brittannië, Italië, Duitsland, Denemarken, Liechtenstein.

De belangrijkste creatie van de Raad was de Europese Conventie voor de Rechten van de Mens, ondertekend op 4 november 1950 in Rome. Die conventie trad in werking op 3 september 1953 en bevat een aantal klassieke liberale vrijheden, die ook in het UNO-Charter opgenomen zijn : het recht op leven, het recht op privacy, het recht op een fair proces, op veiligheid, enzovoort. Wat is er dan nieuw aan deze Raad van Europa'.'Nieuw is dat —vanaf 1955 — een individu in beroep kan gaan op Europees niveau tegen zijn of haar eigen staat. Nieuw is ook dat elke staal tussen beide kan komen ten voordele van onderdanen van andere staten als hun rechten geschonden zijn. Om klachten te beoordelen werd een Europese Commissie geschapen en in 1959 ook een Europees Hof. Ieder individu kan bij de Europese Commissie een verzoekschrift indienen tegen de staat die zijn of haar rechten schendt. Wel moet die persoon eerst in eigen land alles geprobeerd hebben wat juridisch mogelijk is en moet hij of zij zich op ieder moment van de procedure op de Conventie van de Rechten van de Mens beroepen.

Als de Commissie het verzoekschrift ontvankelijk verklaart, probeert ze een minnelijke schikking tussen de partijen te treffen. Lukt dat niet, dan maakt ze het dossier over aan het Ministercomité van de Raad van Europa of aan het Europees Hof van de Rechten van de Mens. De Europese Commissie verstrekt dan een nieuw advies dat meer op de grond van de zaak ingaat.

De Europese Commissie is het centrale orgaan. Zij oordeelt of een klacht ontvankelijk is of niet. Als ze dat niet is, wordt de zaak definitief gesloten want er is geen beroep mogelijk.

Homo's die menen dat hun rechten geschonden zijn kunnen dus in Straatsburg een verzoekschrift indienen bij de Europese Commissie.

De Europese Commissie: na dertig jaar kwam Dudgeon

De Europese Commissie heeft de rechten van de homo's vijfentwintig jaar lang naast zich neergelegd. Een korte historiek maakt dat duidelijk.

Op 10 oktober 1955 diende een Duitse homo een klacht in tegen zijn land. Hij was veroordeeld op basis van artikel 175 van het strafwetboek, dat homoseksueel verkeer tussen mannen strafbaar stelde. Hij vond dat strijdig met artikel 8 uit de Europese Conventie, dat het recht op privacy waarborgt, in zoverre de veiligheid en de gezondheid van anderen niet geschaad wordt, en met artikel 14, dat een niet-discriminerende behandeling waarborgt. Op basis van je geslacht, je afkomst, je ras, je rijkdom... mag je niet anders behandeld worden. Je kan je nooit alleen op artikel 14 beroepen : het geldt maar tegenover de andere artikels van de Europese Conventie, en niet tegenover het recht in het algemeen. Volgens de Duitser was er duidelijk sprake van discriminatie: discriminatie tussen hetero's en homo's, want dat hetero's mogen vrijen is vanzelfsprekend: én discriminatie tussen mannelijke homo's en lesbiennes: artikel 175 bestrafte alleen mannelijke homo's.

De Europese Commissie verklaarde de klacht zonder veel omhaal onontvankelijk. Volgens haar mocht iedere staat homoseksualiteit als een misdrijf beschouwen, omdat het een bedreiging van de volksgezondheid zou zijn en omdat mannelijke homo's het duidelijk vooral op jongeren gemunt zouden hebben. Ook artikel 14 kon om dezelfde redenen niet ingeroepen worden. Lesbiennes waren volgens de Commissie duidelijk veel verstandiger en minder gevaarlijk in hun seksuele voorkeur.

De Duitsers bleven niet bij de pakken zitten: nieuwe klachten volgden in 1956, 1957, 1959, 1961 en 1965, maar ze werden alle zonder veel poeha onontvankelijk verklaard. Nochtans was er een nieuw argument in de discussie. Eén van de klagers was na een gevangenisstraf van dertig maanden opnieuw veroordeeld tot een straf van onbeperkte duur. De rechter vond dat het om een 'gewoontemisdadiger' ging, die alsmaar jonge knaapjes de nest in lokte. Volgens de klager overtrad die rechter artikel 3 van de Europese Conventie, dat iedere vernederende vorm van bestraffing verbiedt. De Commissie verwierp het verzoekschrift.

Hoe onvermurwbaar de Commissie wel was, bleek uit een zaak die in 1961 door een Oostenrijker was aangebracht. Hij was wegens homoseksueel verkeer tot vijf maanden zware opsluiting veroordeeld. En alsof dat nog niet genoeg was, moest hij twee dagen vasten én twee dagen op de grond slapen. De man beweerde dat hij nooit met zijn partner gevrijd kon hebben, omdat hij tijdens de oorlog zö gewond was dat hij niet meer kon vrijen. De Oostenrijkse rechter weigerde dit door een dokter te laten onderzoeken, omdat de man vroeger al voor homoseksueel verkeer veroordeeld was. In hoger beroep werd de straf nog verzwaard tot een jaar zware opsluiting en één nacht op de groi.d slapen per trimester. De man ging naar

'Straatsburg' en oordeelde dat o.a. artikel 6 van de Europese Conventie geschonden was: dat artikel voorziet in een eerlijk en rechtvaardig proces voor iedereen. De Commissie bleef erbij dat homoseksualiteit de volksgezondheid kan schaden en ging niet op de klacht in.

Komisch genoeg veranderden zowel Duitsland en Oostenrijk hun wetgeving op dit terrein. En dit terwijl de procedure in Straatsburg nog lopende was. Daarmee stelden ze de Commissie de facto in het ongelijk.

In 1975 veranderde er toch iets. De Commissie verklaarde de klacht van een Duitser weliswaar onontvankelijk, maar vond wel voor het eerst dat de opvattingen over volksgezondheid aan een onderzoek toe waren. Moest de jeugd zonodig nog beschermd worden tegen homo's ?

Maar het feit blijft dat tot 1975 nog geen enkele klacht van een homo ontvankelijk was verklaard. Dat zou pas gebeuren in de zaak Dudgeon. Deze Noord-Ier diende in 1976 een verzoekschrift in bij de Commissie. In Noord-Iederland kan je voor kontneuken nog levenslang krijgen, terwijl elders in Groot-Brittannië elk homoseksueel verkeer boven de 21 is toegestaan. Na veel vijven en zessen verklaarde de Commissie de klacht ontvankelijk. Ze vroeg zich af of de staat nog wel kon ingrijpen in het privé-Ieven van zijn homoseksuele onderdanen omdat de volksgezondheid of de nioraal in gevaar zou zijn. Ze wou dit toetsen aan de veranderde opvattingen ter zake. Verder wou ze onderzoeken of er inderdaad sprake is van discriminatie van homo's tegenover hetero's en van mannelijke homo's tegenover lesbiennes. Pas in 1980 bepaalde de Commissie de grens voor homoseksueel verkeer op 21 jaar. Haar argument bleef dat jongeren tussen 18 en 21, die homoseksueel verkeer hebben, blootstaan aan een sterke sociale druk die hun gezonde ontwikkeling in de weg kan staan. Als een staat beperkingen oplegt aan homo's boven de 21, zo vond de Commissie, wordt hun privacy geschonden. Op basis van die overtreding van artikel 8 van de Europese Conventie werd de zaak doorverwezen naar het Europese Hof. De Europese Commissie had de jarenlange minachting van homo's achter zich gelaten en maakte homoseksualiteit voor het eerst bespreekbaar.

Deze geschiedenis leert ons veel over de opvattingen die de Europese Commissie heeft over democratie. Voor haar is democratie een formeel probleem : wat de meerderheid beslist moet kost wat kost gevolgd worden. Als de meerderheid de homo's in de hoek wil drummen, dan is dat maarzo. Als er een zekere tolerantie groeit, dan hinkt de Commissie ook mee. Zelf neemt ze echter nooit een initiatief om minderheden te beschermen. Want dan zou ze moeten uitgaan van democratie als een inhoudelijk probleem : een democratie vereist dat alle minderheden zich vrij kunnen ontplooien voor zover ze anderen geen manifeste schade toebrengen. Daarom moeten ook homo's beschermd worden, opdat ze niet zo maar door toevallige meerderheden platgewalst worden. Hitler had ook de meerderheid achter zich, maar hij stond niet aan het hoofd van een democratie, dachten wij.

Een tweede opmerking nog: de Europese Commissie herleidt de zaak van de homo's tot het vaststellen van een leeftijdsgrens. Zo beperkt ze hun rechten aanzienlijk. Een echte bescherming van hun positie vereist een anti-discriminatiewetgeving.

Op 22 oktober 1981 oordeelde het Europees Hof dat de Noordierse wetgeving in strijd is met het recht op privacy, met artikel 8 van de Europese Conventie. Deze uitspraak betekent ongetwijfeld een overwinning voor de homobeweging.

Het Hof spreekt zich niet uit over homoseksualiteit op zich, maar het meent dat strafsancties nodig zijn als de goede zeden gekwetst worden. Voor minderjarigen acht het een bescherming nodig tegen corrumperende invloeden. Opvallend is dat het Hof zich niet uitspreekt over de leeftijd waarop deze wettelijke bescherming ophoudt.

De ontvoogding

Het parlement van de Raad van Europa zou de stier stevig bij de horens pakken. De Commissie Sociale Zaken en Gezondheids-kwesties stoomde een rapport klaar waarin ze zich uitsprak tegen iedere discriminatie van homoseksuelen in de 21 lidstaten van de Raad van Europa. Ze stelde het volgende voor: - een hervorming van de wetgeving in die landen waar homoseksueel verkeer tussen volwassenen boven de 21 wordt vervolgd (Cyprus, Ierland en Noord-Ierland) ;

- een gelijke behandeling van homo's inzake werk, vergoeding en arbeidszekerheid ;

- een verbod van iedere verplichte behandeling bedoeld om de homoseksuele neigingen van mannen te wijzigen ;

- de vernietiging van de fiches van homo's bij gerechtelijke en politionele diensten ;

- de wijziging van artikel 14 van de Europese Conventie van de Rechten van de Mens: naast een verbod op discriminatie op grond van ras, religie, huidskleur, rijkdom, sekse, zou zo'n verbod op grond van 'seksuele voorkeur' ingelast worden ;

- een verbod op de beperking van het hoede- of bezoekrecht van ouders tegenover hun kinderen op basis van hun homoseksualiteit;

- een dringend verzoek aan gevangenisdirecteurs of andere verantwoordelijke oversten om waakzaam te zijn in verband met het risico van verkrachtingen of andere gewelddaden tegenover homo's in gevangenissen.

De rapporteur van de Commissie Sociale Zaken en Gezondheids-kwesties, de Nederlandse socialist Joop Voogd, had nog verder willen gaan. Hij bepleitte ook een financiële vergoeding voor homo's die omwille van hun homoseksualiteit in de concentratiekampen gezeten hebben. De homo's zijn immers de enige vergeten broertjes uit Hitlers kampen. Verder wilde Voogd dat de Wereldgezondheidsorganisatie in haar internationale classificatie van ziektes elke verwijzing naar homoseksualiteit zou schrappen. Die organisatie rekent homoseksualiteit onder de geestelijke stoornissen, classificatienummer 302.2. De meeste homo's hebben daar wellicht weet van via Torn Robinsons hit Glad to be gay, de evergreen die iedere homofuif afsluit en die opgedragen is aan de Wereldgezondheidsorganisatie. Met haar classificatie importeert de Wereldgezondheidsorganisatie een nieuwe 'ziekte' in allerlei ontwikkelingslanden waar homoseksualiteit niet als probleem bestaat.

Deze twee punten haalden de ontwerpresolutie niet die aan het Europees parlement werd gepresenteerd. Evenmin werd een leeftijd voor homoseksuele meerderjarigheid voorgesteld, al was daar maandenlang over gepalaverd. In de Europese lidstaten blijft dan ook de grootste verwarring bestaan : in Engeland kan je als homo ongestoord vrijen vanaf je eenentwintigste, in België, Oostenrijk, Luxemburg en Duitsland vanaf je achttiende. In Griekenland ben je met zeventien oud genoeg, in Zwitserland met zestien, in Zweden met vijftien. Nederland, Denemarken en Italië zeggen gewoon niets over homoseksualiteit in hun strafwetgeving. Door het amendement Elmquist werd wel het voorstel in de ontwerpresolutie opgenomen om de verschillen weg te werken tussen leeftijd voor homoseksuele en heteroseksuele meerderjarigheid, die in de meeste landen nog bestonden.

Het parlement aanvaardde de voorstellen van Joop Voogd, op één na, met 61 stemmen voor, 22 tegen en 5 onthoudingen. Op 1 oktober gebeurde dat. De discriminatie op grond van 'seksuele voorkeur' werd niet ingelast in artikel 14 van de Conventie. Die term 'seksuele voorkeur', zo werd geargumenteerd, zit al vervat in de discriminatie op grond van 'sekse'. Juridisch is dit zeer aanvechtbaar en in ieder geval heeft de Europese Commissie nog geen enkele klacht ontvankelijk verklaard op basis van deze toch wel ruime interpretatie. Nu is ze echter gewaarschuwd : ze kent de interpretatie van de wetgever. Toch zou de inlassing van de term 'seksuele voorkeur' het voor de homo's makkelijker gemaakt hebben bij de Europese Commissie iedere discriminatie aan te klagen.

Na deze stemming in het Europees parlement is het nog wachten op de voorstellen van de ministers van de lidstaten om in hun land de wetgeving te veranderen.

De IGA: op naar 1983

Aanbevelingen van de Raad van Europa kunnen heel fraai zijn, maar geen enkel land is verplicht om ze in wetten om te zetten. Die wetten komen er maar als de homo's zich degelijk organiseren en opkomen voor hun eigen belangen.

Vanuit dit idee werd in 1978 de IGA {International Gav Association) opgericht onder impuls van het Nederlandse COC en de Britse CHE (Campaign for Homosexual Equa/ity). De bedoeling is een soort Amnestv International voor homo's te organiseren : één grote internationale organisatie die de rechten van de homo's waar ook ter wereld verdedigt. Al in 1951 had het Nederlandse COC het initiatief genomen voor zo'n orgaan : 1CSE {International Committee for SexualEquality), een commissiedie tot 1958 bestond en een vijftal congressen organiseerde. ICSE wou vooral een forum zijn om meningen uit te wisselen en deed nog niet aan politieke belangenbehartiging. In 1978 lag dat anders: de Engelsen zochten internationale steun voor hun acties voor een wetswijziging en de Nederlanders vreesden een vertroebeling van hun tolerant klimaat door zure oprispingen van conservatieve buren. Met zijn dertig waren ze in Coventry, uit ongeveer tien landen in Europa, uit Australië en Nieuw-Zeeland. Via een internationale nieuwsbrief zouden ze voortaan informatie uitwisselen. Ook besloot men eikaars acties te ondersteunen door telegrammen te sturen en door effectief mee te betogen indien nodig.

Inmiddels bestaat de IGA een viertal jaar en zijn er op een aantal vlakken problemen.

De samenwerking tussen mannen en vrouwen verloopt niet ideaal. In Coventry was er geen enkele vrouw aanwezig, op latere bijeenkomsten was er wel een minderheidsvertegenwoordiging van hun kant. In Barcelona (1980) richtten de lesbiennes een eigen deelconferentie op: het ILIS (International Lesbian Information Seeretariat). En op het Turijnse congres in 1981 voltrok zich de definitieve afscheiding. Wel blijven samenwerkingsvormen mogelijk, maar dan op gescheiden basis. Vermelden we toch dat de meeste organisaties aangesloten bij IGA zowel mannelijke homo's als lesbiennes vertegenwoordigen, zoals de Belgische FWH.

In 1981 bestond de IGA uit een tachtigtal organisaties van heel divers pluimage. Het Nederlandse COC met zijn 6000 leden is de grootste, maar de meeste groepen zijn vrij klein. Alle aangesloten organisaties beschikken over twee stemmen, individuen kunnen lid worden zonder stemrecht. De grote diversiteit stelt nogal wat problemen. Naast traditionele integratiegerichte organisaties als de FWH vind je binnen IGA radicaal-militante organisaties zoals het Italiaanse EUORI, een club die verbonden is met de f ar ido Radicale en zo zelfs af en toe een zetel in het EEG-parlement bezet. FUORI schuwt geen provocerende acties: Enzo Francone liet zich eens aan de Kremlinpoorten vastketenen om de Russen duidelijk te maken dat homo's ook wel wat te vertellen hadden. Even goed ging hij in Teheran piotestëren tegen de executies van homo's vanwege de ayatolla's.

De ondersteuning van homo-acties over de hele wereld coördineren is geen peulschil. Het IGA-sccretariaat is versnipperd — informatie moet je in Dublin halen, de financies worden beheerd in Amsterdam — en de structuur is erg losjes. De Britten pleiten wel voor een strakke centrale organisatie, maar het Nederlandse COC en de kleinere groepjes hebben het tot nu toegehaald met hun opvatting dat de groepen zelf alle beslissingen moeten nemen en dat de IGA enkel een contactmogelijkheid moet bieden.

De IGA heeft nog steeds geen consultatieve status bij de UNO of bij de Raad van Europa, wat voor Amnesty International en de Liga voor de Verdediging van de Rechten van de Mens wel het geval is. Zo'n status heeft nogal wat voordelen : naast prestige kan hij ook subsidies opleveren. Bovendien zou de UNO de IGA wellicht moeten raadplegen voor het nemen van belangrijke beslissingen die homo's aanbelangen. Maar om die consultatieve status te bekomen moet de IGA kiezen voor een centrale organisatie, waarbij een internationaal secretariaat bepaalde beslissingen kan afdwingen. Dat zou ook voorkomen dat het IGA-beleid afhangt van toevallige meerderheden. In 1982 vindt het IG A-congres in Washington plaats. Wat zal er gebeuren als de Amerikaanse homo-organisaties massaal toetreden ? Zal de IGA helemaal in Amerikaans vaarwater geraken ? Een van de vele vragen waarmee de jonge organisatie zit.

Maar één ding staat vast: de homo's moeten hun eigen rechten zelf afdwingen. De laat-maar-waaien-politiek werpt geen vruchten af. Zonder voortdurende actie en waakzaamheid wordt 1983, het internationale jaar van de homo, een jaar voor niets.

Norbert Verbeke John De Wit

Met dank aan Joop Voogd, Michel Vincineau, Leo Neels, Liam Fitzpatrick en Wil Kuypers

28 september - Inhoud

En dan was er nog die opmerking van Speedy Louis. 'Nu wil de IGA weer dat alle homo's overal op één en dezelfde dag betogen. Op 28 juni, omdat de Amerikaanse homo's op die dag in 1969 in Christopher Street voor het eerst de flikken in elkaar timmerden. Maar dat is toch zot, hun bommen wijzen we af, maar hun homodagen nemen we over. Waarom kiest ieder land zijn eigen dag niet uit, dan kunnen we overal naar toegaan. Als de betogingen tegen de kernraketten ook overal op één daggeweest waren, dan hadden ze veel minder volk gehad.'

Er valt veel voor te zeggen. Waarom moeten wij de hoogdagen van de Amerikaanse homo's meevieren? Niemand heeft zich ooit die vraag gesteld. Men nam de Amerikaanse homodagen gewoon kritiekloos over: cultureel imperialisme, precies of de Amerikanen de homo hebben uitgevonden. Terwijl op de Amerikaanse homobevrijding nogal wat aan te merken valt. Zo hoor je wel eens iets over het homoparadijs San Francisco. Meer dan 120.000 homo's in een stad van 715.000 inwoners. En allemaal samengetroept in de buurt van Castro Street. Maar zo progressief gaat het er daar beslist niet aan toe. Homo's kopen er wijken van zwarten en andere minderheidsgroepen op en zetten de bewoners gewoon op straat. Er wordt homogeld gefa riceerd, dollars waar ze dan gay money op drukken. En alles gebeurt ter plekke, als homo moetje het getto niet meer uit. De werkgever en de werknemer samen in één homovakbond. Margareth Thatcher kon het zich niet mooier dromen. En ze lijken ook allemaal zo op elkaar, kort haar, snorretje, turnpantoffels en jeans. Men spreekt smalend van Clone City. Moeten wij deze soap opera hier opvoeren ? Kunnen wij niet wat creatiever zijn, en zelf een homodag bedenken, een symbolische dag voor Vlaanderen ?

Op 28 september 1654 werd de beeldhouwer Hieronyms Duques-noy verbrand op de Gentse Koornmarkt. Hij was terechtgesteld wegens sodomie. Duquesnoy was de jongste beeldhouwer in een reeks van drie met deze naam. De oudste maakte Manneken Pis in Brussel. Hieronymus verwierf bekendheid met het nooit afgewerkte

praalgraf voor de Gentse bisschop. Triest heette de man, zijn naam symboliseert de houding van de kerk tegenover homo's. Triest was een groot mecenas, hij promootte de barok en richtte de Bergen van Barmhartigheid op. Hij heeft nog geprobeerd Duquesnoy van de brandstapel te redden, maar liet de wind maar waaien toen dat op het eerste gezicht niet wou lukken.

Duquesnoy werd veroordeeld omdat hij in de Sint-Baafs-kathedraal met een paar jonge jongens gestoeid en geneukt had. Dezelfde Sint-Baafskathedraal, waar het Festival van Vlaanderen niet mag optreden met profane stukken, die volgens Van Peteghem het heiligdom zouden ontwijden. De katholieke boer Bavo knijpt de katjes nog steeds in het donker.

28 september is voor de Vlaamse homo's een symbolische dag, een dag om een fakkeltocht op de Koornmarkt te organiseren. In tijden van regionalisering en reorganisering gaat het niet meer op de Amerikaanse visie op homoseksualiteit over te nemen, zeker niet hun toeterparades en hun platvloerse modes.

28 september, in het teken van de Weegschaal, situeert zich op de keltische zonnewende, als de druïden in Bretagne takjes gaan rapen. In België verandert het zomeruur in winteruur.

28 september, als de rentree volop bezig is en niemand nog popelend op vakantie zit te wachten. En wanneer er toch nog een mooie nazomer kan zijn.

Misschien wenst u uw ouwe homodag te behouden, maar probeert u toch maar eens 28 september. Hij wast de Amerikaanse vlekken mooi wit. Witter kan het niet. U zal hem niet meer willen omruilen als Speedy Louis u op een dag opwacht met twee dozen van een ander merk.

John De Wit

Achterblad - Inhoud

Als er al over homo's gesproken wordt — want het taboe is nog springlevend — valt er weinig opwekkends te beluisteren. De man of de vrouw in de straat raakt niet weg uit de vooroordelen over het kont-gewiegel van verwijfde janetten, de wetenschapper bekleeft homo's kwistig met medische en psychiatrische etiketten. Heerlijk doet iets anders: het laat het psychiatrische verhaal voor wat het is en geeft homo's zelf het woord. En als de macho, de homo-twijfelaar, de priester-homo, de verwijfde, het homokoppel, de jager vertellen hoe zij hun homoseksualiteit beleven, dan spatten de stereotiepen uit mekaar. De auteurs schetsen bovendien de geschiedenis van de Nederlandse en Vlaamse homobeweging, klagen diverse discriminaties aan, formuleren voorstellen om ze uit de wereld te helpen en ze nemen poolshoogte in politieke en religieuze kringen: dat maakt van Heerlijk een nog bruikbaarder boek in de strijd tegen de homoverdrukking.