Overname van www.hertogen.be Overzicht

 

10/06/2017 - De Duitse achtergrond de familie Heinig 
02/10/2017 - Microgeschiedenis Heinig van Hubert 
18/03/2018 - Tentoonstelling Gastvrij Brussel, oa voor Duitsers?
17/02/2018 - Brief van Guillaume Heinig, 08/02/1918, zoals
                     voorgelezen als literaire figuur

17/02/2018
- Waar komt de naam Paula vandaan  
11/11/2022 - Hulpcomité voor Belgen in Alten-Gabrow 
11/11/2022 - Duitse Belgen voor, in, na de oorlog (En)  

Brief van Guillaume Heinig, geschreven de avond voor z'n overlijden, op 17/02/2018 voorgelezen op enkele honderden meter
van z'n woonplaats nav de 100ste verjaardag van z'n overlijden

*
*   *

Laken, 7 februari 1918

“Aan m’n kleinkinderen Paula en Hortense,
 Aan hun kinderen en kleinkinderen



Wilhelm/Guillaume Heinig

Ik was 27 jaar toen ik besloot naar Brussel te trekken. Met m’n beroep van horloge- en juwelenmaker in een kleine landelijke gemeente in Saksen-Anhalt had ik geen vooruitzichten. Ik had m’n legerdienst er op zitten in Maagdenburg, waar m’n vader trouwens van afkomstig was – hij deed in kousen en sigaren – en niets bond me nog aan Köthen, ook niet dat Bach er verblijf gehouden had. In de Lachsfang bewoonden we een klein huisje en velen van m’n broers en zussen waren al uit huis. Of ik op de loop ging voor een onbeantwoorde liefde, of, erger, dat ik niet mocht trouwen met m’n lief, zoals de grootvader van m’n toekomstige schoondochter, Caroline, daar moet ik het nu niet over hebben. De liefde heb ik in Brussel gevonden bij een vrouwelijke nazaat van de adellijke familie Arrazola de Donate, Antoinette Aerts. Zij stamde uit een familie van 11 kinderen en was zoals ik het landelijke Meldert ontvlucht om zich te Brussel, meer speciaal in Sint-Joost-Ten Node, te vestigen. Met m’n eigen zeven broers en zussen en de 10 van m’n vrouw zou er een hechte familieband kunnen ontwikkelen over alle grenzen heen. Maar de kaarten op het wereldtoneel, en in m’n persoonlijke leven, werden anders geschud.
 
Leopold werd als eerste van onze vier kinderen geboren, na hem kwamen Mathilde, Marguerite en Jean-Baptist. Allemaal Frans-klinkende namen, want als echte Brusselaars behoorden we tot België
. Zelf had ik m’n geboortenaam Wilhelm als Guillaume op m’n paspoort laten inschrijven. Elf maanden na de geboorte van Jean-Baptiste stierf echter m’n vrouw Antoinette en bleef ik achter met een baby van 11 maanden, Jean-Baptist, Marguerite was twee jaar en de twee oudsten 3 en 4 jaar. Wat doe je dan? M’n jongste broer Paul was naar Amerika vertrokken in 1880, naar Dakota, en z’n vrouw was hem na de geboorte van haar eerste kindje in december 1881, Alfred Heinig in Köthen, achterna gegaan. Daar heb ik nog een fotootje van.

Paul had al vier kinderen toen hij besliste in 1988 om m’n twee oudste kinderen in Amerika op te vangen. Mathilde, m'n oudste dochter, overleed echter op de bootreis naar Amerika en kreeg een zeemansgraf. M’n broer Paul kreeg daarna, met z’n vrouw Frederike Kurth  nog zes kinderen. Mijn zoon Leopold was dus de oudste van de 11 kinderen van Paul. Van hem, heb ik nog een mooie foto hier bij me liggen, getrokken in Noord-Dakota.
    

  
Zo bleef ik in de Antwerpse Steenweg nr. 208 in Laken alleen achter met m’n twee jongste kinderen en was het kwestie om m’n beroep te ‘verzilveren’ in voldoende geld om te overleven. Marguerite kon een tijdje onderdak vinden in Köthen maar kwam toch terug naar Brussel toen ze wat ouder was. Ze heeft het niet gemakkelijk gehad. Ze kreeg als ongehuwde vrouw op haar 21 jaar een kindje, Stefane, dat in 1904 werd geboren was m'n eerste kleinkind, het is evenwel na een half jaar overleden. Marguerite had toen tot haar huwelijk met Arcoulin haar domicilie in Köthen. Door haar huwelijk werd zejnzoals de geplogenheid was, Belgische. Dat ik als vreemdeling in al m’n doen en laten gevolgd werd door de staatsveiligheid was het lot van alle vreemdelingen, ook van haar. Door Belg te worden was Marguerite hiervan evenwel ontlast. En later zal men haar reilen en zeilen niet meer kunnen volgen, maar dat van mij dus wel.
 
Zo ben ik, tot ik hier in de Kerkeveldstraat kwam wonen twaalf maal van woonst gewisseld in de Brusselse grootstad, en telkens werd door de veiligheidsdiensten een attest gemaakt van de gemeente waaruit ik vertrok en die waar ik naar toe ging. Drie maal naar Molenbeek, ook naar de Gentse Steenweg, maar het mooiste was toch het Van Goriksplein nr 21, gedurende de eerste drie jaar nadat wij getrouwd waren en waar Leopold en Mathilde geboren werden voor we naar de Antwerpse Steenweg verhuisden.

Wat ik moet zeggen is dat Jean Baptist, nadat z’n broer en zus de grote oversteek maakten naar Amerika, me altijd als trouwe gezel gevolgd heeft tot hij in 1911 trouwde met Caroline Steens, die hij enkele jaren vroeger leerde kennen in de rue Massui nr 70, op honderd meter afstand van waar wij toen woonden in de Regatastraat 14. We zijn toen wel verhuisd naar de Harmoniestraat 27 een beetje verderop maar voor Jean-Baptist geen probleem,  hij zou met Caroline een eigen stekje hebben en kon terecht in het grote gebouw in de rue Masui, waar hij meteen een atelier opzette want hij was sleutel- en stovenmaker. In 1903 was Jean-Baptist trouwens Belg geworden, de oudste zoon van een vreemdeling kon bij eenvoudige verklaring Belg worden, en dat heb ik mee ondertekend op de gemeente.

En zo kwam er, zoals bij alle grootvaders het geval is, licht in m’n leven. Een eerste kleindochter werd geboren op 12/12/2012 en de vraag was welke naam zij zou krijgen. Langs mijn kant kwamen niet direct vrouwen in beeld tot Jean-Baptist zei dat Paula misschien wel een mooie naam was, en daarmee werd ook de band gelegd naar z’n nonkel Paul uit Amerika die de oudere broer van Jean-Baptist opgevangen had. En daarmee was de andere kant van de familie ook content, want Paul Steens was de toen al overleden vader van Caroline, m’n schoondochter. Zo bleven de twee kanten van de familie in een naam verenigd. Als volgende namen kreeg Paula Marie, van haar grootmoeder Marie Leysen, de familiekant van moederszijde dus – Paula verwees dan toch wel naar de vaderskant -  en ook nog Françoise. Die naam komt haar peter, Franciscus van Bever, de man van Fien Leysen, de halfzus van Maria Leysen, de moeder van m’n schoondochter Caroline. Fien was zoals Maria Leysen ook naar Brussel gekomen, evenals haar zussen Trees en Rosa. De zoon van Fien en Franciscus is later als soldaat gesneuveld in 1915 in Noordschoote. Wat kon ik nog zeggen als troost?

De donkere wolken stapelden zich dus op, tot in Sarajevo het startsein gegeven werd voor de oorlog. Als Duitse inwijkeling had ik tot dan toe geen problemen ondervonden, integendeel. Maar toen m’n zoon Jean Baptist, die z’n legerdienst gedaan had, werd opgeroepen in 1914 in de kazerne van Schaarbeek om er te dienen bij 5de Linie wist ik dat het hard ging worden. Duitsland viel in augustus 1914 België binnen en alle Duitse burgers moesten zich melden en ik mocht de gemeente Laken niet meer verlaten, want ik woonde toen al in de Kerkeveldstraat 32.

Intussen was ook m’n tweede kleinkind geboren, Hortense, op
15/05/1914 . Nu was het de beurt aan moederskant om de naam te geven, nl. Hortense, de zuster van Paul Steens zaliger, de vader van m’n schoondochter. Paul Steens, was zoals ik, een horloge- en juwelenmaker, maar in 1900 was hij al op 47 jarige leeftijd overleden, ik heb hem dus nooit gekend. Spijtig, want samen met z’n broer heeft hij ooit nog aan cabaret gedaan. Bij een proces-verbaal in 1916, omdat ik ruzie met iemand gekregen had, werd een pv opgemaakt dat zonder gevolg geklasseerd werd, maar waar ook opstond dat ik 'horlogemaker-cabarettier’ was. Als peter van Hortense werden namen uit dezelfde familiekant gekozen, nl. Maximilien en dit op mijn aandringen. Maxim, zoals wij hem noemden, was de man van Leonie Steens, de zus van de reeds overleden Paul Steens. Voor de Duitse inwijkelingen en hun afstammelingen zag het er toen al niet goed uit, en Duitse afkomst, dat wist men toen wel, was te mijden. De derde naam Marie komt dan weer van Hortenses grootmoeder Marie Leysen.

En het ging van kwaad naar erger. Jean-Baptist werd na een hopeloze verdediging van Tienen en een terugtrekken
van het Belgisch leger naar Antwerpen geïnterneerd met ander Belgische soldaten in Nederland. Maar hij kon het daar niet houden en ondanks de streng bewaakte grens geraakte hij terug in Brussel op 12/05/1915 bij z’n vrouw en kinderen. Hij was zogezegd het interneringskamp ontvlucht, 'évadé'. De jongste, Hortense was nog geen half jaar oud toen hij gemobiliseerd werd. En m'n zoon Jean-Baptist was zeker ook erg bekommerd om mijn lot. Hij is ook even binnengesprongen, het was misschien de laatste keer dat we elkaar zagen. En het ergste gebeurde, Jean-Baptist werd op 07/09/1915 door Duitse soldaten in Brussel opgepakt en tot nu toe heb ik hem nooit meer teruggezien. Ik hoorde wel dat hij in Alten Grabow in krijgsgevangenschap was, op een 70 km van m’n geboortestad Köthen. Het is me ook ter ore gekomen dat m’n schoonzoon, François Arcoulain, de man van m’n dochter Marguerite dus, ook krijgsgevangene was in het zelfde concentratiekamp. Dat stelde me enigszins gerust, ze zouden elkaar helpen te overleven. Maar zelf kon ik niets meer voor hen doen.

Bij de geboorte van Hortense was er al sprake geweest van wat er zou gebeuren met mij, met Jean-Baptist en vooral ook met de kinderen van Jean-Baptist als de Duitsers België zou
den binnen vallen. En vooral ook, wat er zou gebeuren als de Duitsers de oorlog zouden verliezen, wat toch zeker ging gebeuren en wat ik hartsgrondig wenste. Niet dat alle contacten van mij met de familie Steens diende verbroken te worden maar ik vond het toch beter dat zij niet meer langs kwamen, zeker nu het Duitse bestuur in Brussel met de Generaal Gouvernement de Duitse afstammelingen meer en meer begon op te eisen. Het stelt me voor een moeilijke keuze. Moest ik m’n kleinkinderen het risico laten lopen, dat zij, na de oorlog, met mij, m’n zoon en m’n dochter Marguerite zouden moeten vertrekken naar Duitsland, of zou ik maar beter uit de familiegeschiedenis verdwijnen?

Vandaag is het 7 februari 1918. Al maanden heb ik niemand van de familie meer gezien, ook m’n dochter Marguerite niet. Af en toe ga ik in het café om de hoek iets eten. Het gaat niet goed met mij. Het is koud en ik heb een hardnekkige hoest die maar niet overgaat. Voor Duitsers zoals ik is er geen compassie, naar een dokter hoef ik niet te gaan en ik zit al jaren om werk verlegen. Ook de Openbare Onderstand kan ik niet aanspreken. Ik ben beetje bij beetje aan het vergaan, ik zeg het zoals het is, deze brief kost mij veel krachten.

In december 1917 viel er een verordening
van het Duitse gouvernement van Brussel in de bus: “Iedereen van Duitse afkomst  … moet zich melden bij het Pasbureau in zijn gemeente in de vier weken na 13 januari 1918… Al deze mensen van Duitse oorsprong moeten ook hun verplaatsingen melden bij de Duitse overheid.” Morgen 8 februari 1918 verstrijkt deze termijn van vier weken. Moet ik mij melden bij de bezettende overheid in Brussel en administratief doen acteren dat ik als Duitser contact had met het Gouvernement Generaal van Brussel en zo eventueel de toekomst van m’n kleinkinderen discrediteren?” En dan stopt dit schrijven.

Op 8 februari om 5h30 in de morgen overlijdt Guillaume Heinig in z’n woning in de Kerkeveldstraat 32 te Laken. Aangifte wordt pas een dag later gedaan op 09/02/1918 om 10h door twee jonge arbeiders, van 26 en 27 jaar, een mecanicien en een sleutelmaker, hetgeen er op wijst dat Guillaume Heinig, 67 jaar, z’n dood.alleen tegemoet heeft moeten zien.

Jan Hertogen,
achterkleinkind van Wilhelm Heinig,
9 februari 2018.