|
Inhoud "de fabriek" Dankwoord
Vive Lahaut!, Leve Lahaut!
Pipo is gereserveerd en gesloten, een man van weinig woorden. Twintig jaar kolenmijn hebben ervoor gezorgd dat hij alleen de essentie van gebeurtenissen en gesprekken vertelt. Gedetailleerde toelichtingen en lange uitweidingen liggen hem niet. Dat is weggeveegd. Onze gesprekken verlopen moeizaam, ze zijn gelardeerd met veel stiltes. Omdat ik bij de eerste gesprekken merk dat ik onvoldoende versta wat een mijn is, neemt hij me mee naar Beringen. Daar heeft een groep mijnwerkers onder leiding van ABW-delegee Freddy Bungcncers een kopie gemaakt van een ondergrondse mijn met treinsporen, wagons, een lawaaierige transportband, stinkende oliën, steenstof, hitte. De duisternis wordt enkel doorbroken door signalisatielampen en seinen; er zijn ondersteuningsmaterialen, pikhamers en werkkledij. Geduldig leggen drie mijnwerkers me alles uit. De mijn begint te leven. Ik kan nu beter situeren wat Pipo vertelt, op één stuk uit de puzzel van zijn leven na: zijn frustratie omdat de mijnen nu dicht zijn. Bij elk gesprek is het ter sprake gekomen: 'Ik vind het moeilijk in België te blijven nu de mijnen gesloten zijn, erg moeilijk.' Om dat te begrijpen zou ik moeten weten hoe het is om in een streek te wonen waar alles rond de mijnen draait, en in Limburg kan ik die sfeer niet meer opsnuiven. Wanneer in december 1995 persberichten verschijnen over een grimmige staking in de Franse mijnstreek Lotharingen, is mijn besluit snel genomen. Op 2 januari '96 vertrek ik naar het hart van dit mijnbekken, na een contact met de plaatselijke vakbond cgt. Autostrade Metz-Saarbrücken, afrit Freyming-Merlebach. In dit bebost gebied doemen plots mijnsteden op zoals Wendell, waar de vroegere mijneigenaars verzorgde cités bouwden. Wendell telt meer dan 12.000 inwoners; Beelen, vóór de Tweede Wereldoorlog nog een dorp, is nu een stadje met meer dan 10.000 inwoners. Over de heuvels slingeren warmwaterbui-zen van de mijnen naar de cités om daar gratis warm water te leveren. De cités halen nog andere voordelen uit de mijnen: iedereen krijgt gratis een portie kolen, de streek beschikt over moderne ziekenhuizen en poliklinieken, een brandwondenkliniek. Wie niet in de mijn werkte, zat in de afgeleide industrieën: cokes, carbo-chemie, de elektriciteitscentrale op kolen van Carling. Wouden zijn weggekapt en heuvels afgegraven: de stenen en het zand gebruikt in de mijnen. Het mijngebied is drie keer zo groot als het Limburgse bekken. Maar sinds 1984 werden er geen jonge mijnwerkers meer aangeworven en in 2005 moet hier alles dicht zijn. Decennialang hebben de patroons en later de staat het gebied letterlijk volgestouwd met mijnwerkers, zonder voor de minste diversificatie te zorgen. Dertig jaar geleden werd hier de bouw van een Fordfabriek tegengehouden uit schrik er mijnwerkers aan te verliezen. Anno nu zijn die mijnwerkers overbodig geworden. Jarenlang was er strijd tegen de sluitingen; het gaat hier immers om moderne mijnen, en Frankrijk heeft per jaar nog zo'n 33 miljoen ton kolen nodig. Maar de staat slaagde er in '94 in het vakbondsfront te breken en sloot met drie vakbonden een 'kolenpact' af. Dat pact behelsde een aantal reconversiemaatregelen en de belofte dat de mijnwerkers hun statuut mochten behouden na de sluiting. De cgt wees het pact af. Waarom deze moderne mijnen dicht moeten? Louter en alleen omwille van Maastricht. Niet te geloven wat dat verdrag de arbeiders al gekost heeft. Bovendien, zogauw de mijn gesloten is kan men de naleving van het kolenpact niet meer bevechten. De cgt voert een moeilijke strijd. De staat schrikt er niet voor terug de bond te liquideren, wat al begon onder Mitterrand - Thatcher kwam blijkbaar niet alleen maar dineren in het Elysée. Maar ook de vakbond speelde het hard. Frankrijk voert de benodigde kolen nu in, een praktijk die de bond slechts met lede ogen aanziet. Tijdens de Britse mijnstaking in 1985 hadden ze in Calais kolenschepen voor Groot-Brittannië doen zinken. Begin '90 deden vakbondsmensen dat nog eens over in de haven van Thionville met boten steenkool uit Zuid-Afrika. In één moeite door werden ook de installaties voor de overslag verwoest. In december '95 beginnen de mijnwerkers van Lotharingen opnieuw te staken. Al op de eerste dag, 8 december, kondigt de prefect de staat van beleg af voor de hele streek. 1.000 CRS'ers bezetten alle vitale gebouwen van Freyming. Als de mijnwerkers samenkomen aan het directiegebouw om onderhandelingen te eisen worden ze vanuit helikopters beschoten met traangas. Wanneer ze na een paar charges met traangas willen riposteren wordt er ook echt op hen geschoten. 'Met plastieken kogels', volgens de pers, maar dat tuig kan evengoed dodelijk zijn. Plaatselijke kranten titelen: 'Staat van beleg in Merlebach', 'Taferelen van volksopstand in mijnbekken' (L'Est Républicain, 8 december 1995), 'Merlebach in schoktoestand na politieoptreden', 'Mijnwerkers vechten terug' (Le R épublicain Lorain, 9 december 1995). Er worden traangasgranaten afgevuurd, gevuld met meta-Ic-ii staafjes en nagels: ze verwonden tientallen stakers. Ook wordt traangas afgevuurd dat een luchtverplaatsing veroorzaakt als de granaat neerkomt: mijnwerkers worden zo omvergegooid. Andere granaten zijn gevuld met materiaal dat door je kledij brandt. Een vakbondsdelegee raakt zwaargewond in het gezicht, een andere mijnwerker aan de benen; 69 mijnwerkers worden op 8 december in het ziekenhuis verpleegd en honderden plaatselijk verzorgd. Maar 'a la guerre comme a la guerre'. De CGT-vakbond van de mijnwerkers antwoordt met een arbeidersguerrilla. Op 9 december in de vroege ochtend vorderen 4.000 stakers een vrachtwagen op en breken de centrale werkplaats open. Zo kunnen ze zich bewapenen met lange ijzeren staven en houwelen. Om 8 uur staan ze klaar in slagorde: een haag van mijnwerkers, de houwelen gekruist, en zo trekken ze naar de crs. Ze slaan ritmisch op de bevroren grond terwijl ze de Marseillaise zingen. De vrijgestelde van de cgt: 'Ik had natuurlijk liever gehad dat ze de Internationale zongen, maar bon, "aux armes citoyens" is ook niet slecht.' Uiteindelijk moet de perfect inbinden en loononderhandelingen beloven.Aan het directiegebouw vind ik twee afgevuurde plastieken kogels en massa's metalen staafjes die in de traangasgranaten zaten. Bij de ploegen-wisseling van de mijn La Houve praat ik erover met de mijnwerkers, de gevonden kogels in de hand. Ze zijn geschokt: 'We zijn toch geen honden. Waarom wordt op ons geschoten? Is het een misdaad de mijnen te willen openhouden?' Als ik Freyming verlaat, bedenk ik hoe patroons en regeringen in Europa tienduizenden arbeiders de mijn injoegen om ze dan vijftig jaar later weer op straat te gooien. Wat moet er van hen worden als ze de sluitingen toch niet kunnen tegenhouden? Voor de Franse staat is het eenvoudig: men moet dan maar naar elders verhuizen. Alle veranderingen ten spijt is er sedert het begin van het kapitalisme niet zo heel veel veranderd: toen waren arbeiders rondzwervende loonslaven. Is het nu dan zoveel beter? Maar mijn tocht hierheen is niet voor niets geweest: de frustratie van Pipo is nu een heel stuk duidelijker. De eerste levensjaren: Mechelen Ik ben geboren in Mechelen op 13 januari 1950. Mijn vader is van Moorsel, een dorp bij Aalst. Hij werd er kleermaker, maar omdat hij daarmee slechts moeilijk de eindjes aan mekaar kon knopen werd hij veldwachter en vroeg een overplaatsing naar Mechelen. Ik heb een broer die acht jaar ouder is. Mijn moeder was de veertig al voorbij toen ze mij op de wereld zette. Van de peutertuin tot aan mijn middelbaar heb ik op internaat gezeten, in "t Kindje Jezus' te Wolvertem. Niet dat ik dat erg vond: voor mij betekende het internaatsleven vooral naar hartelust voetballen, spelen, ravotten. Toen ik na het lager onderwijs terug naar huis keerde, was mijn broer al bijna twintig. Van de jaren die volgden herinner ik me thuis vooral de stilte, ieder ging zijn eigen gang. Ik wilde zoals mijn vrienden naar het Sint-Romboutscollege maar mijn ouders stuurden me naar het Atheneum van Mechelen. Ik volgde er Wetenschappen A. Ik was weinig onder de indruk van het gezag. Op een dag beslisten we niet recht te gaan staan als de leraar de klas binnenkwam. Maar toen puntje bij paaltje kwam, was ik de enige die bleef zitten en ik moest naar de prefect. Ik herinner me ook hoe ik eens een verklikker naar de keel gevlogen ben. Ik had hem nogal grondig aangepakt, en zijn ouders stapten naar school. Mijn vader werd erbij gehaald en kreeg te horen dat dankzij het ingrijpen van een leraar een ongeluk vermeden was. Dat was wel gelogen, maar ik kreeg toch twee dagen uitsluiting. Toen mijn vader naar de school ging om voor mij te pleiten, ontdekte hij hoeveel straf ik al had gekregen en hoeveel briefjes ik zelf ondertekend had. Ik had daar zo mijn redenen voor: mijn vader kon behoorlijk woedend worden en had zich dan niet meer in de hand. Het vervolg van de zaak was een flink pak slaag. Mijn hekel voor gezag bleef echter onveranderd, en gaandeweg kreeg mijn protest ook wat inhoud. Ik schreef bijvoorbeeld een verhandeling over het ondemocratisch karakter van het leger. Bij economisch of sociaal onrecht stond ik toen nog niet echt stil, hoewel veel van mijn vrienden arbeiderskinderen waren. Terwijl ik de laatste jaren van de humaniora afmaakte, zaten zij in de technische of de beroepsschool. Ik bleef wel met hen bevriend. We raasden dagen met onze moto rond. Je kent dat wel: zo'n moto die je kilometers ver hoort optrekken en gas geven. Op een bepaald moment kwam er een nieuwe leerling naar onze school, een echte geestesgenoot: Jef Chuffart. Jef en ik verslonden boeken en discussieerden erover. Bertrand Russell, Huxley, Multatuli, Gandhi, Martin Luther King. Alhoewel ik tot dan veel gevochten had, werd ik overtuigd pacifist. Vooral Max Havelaar inspireerde me sterk, door zijn eerlijkheid, zijn verzet en principevastheid. Ik nam me voor later ook naar de Derde Wereld te gaan. In die tijd was ik ook in de ban van de indianen. De gelijkheid in hun maatschappij, hun strijdcultuur en verbondenheid met de natuur trokken mij aan. Ik wilde ook zo leven. Ik zou mee gaan vechten voor het heroveren van de terreinen van de indianen. Maar verder waren mijn voorbeelden allemaal eenzame helden. Einstein werd een passie. Wetenschappen openden zich voor mij als bloemen en ik kon er niet genoeg van krijgen. Mijn schoolresultaten voor wiskunde werden erg goed, ik studeerde nu graag. Mijn vriend deed ook toneel en dictie: mooi, maar niets voor mij. Hij kwam uit een ander milieu, had een andere achtergrond. De studentenrevolte Ik herinner me nog goed hoe we met een paar man van het laatste jaar tijdens de studentenrevolte van '68 naar Leuven trokken. De strijdthema's 'Leuven Vlaams' en 'democratisch onderwijs' zogen vele scholieren aan. We waren echter nauwelijks uit de trein gestapt of politieagenten sloten ons in. We zaten de hele dag vast in die grote garages van de rijkswacht. Ik heb toen gezworen me nooit meer op die manier te laten insluiten door de politie. Langzaamaan begon het protest zich uit te breiden: 'Er is geen democratie op school, er is er geen in het leger. We komen de waarheid over de Derde Wereld niet te weten, alleen die koloniale versie.' Het idee om na mijn studies naar de Derde Wereld te vertrekken, werd sterker en ik besloot biologie te studeren. Leren over het ontstaan van het leven en de oorsprong van de dingen zou me goed van pas komen in de Derde Wereld. Om een of andere reden dacht ik dat men na studies biologie makkelijk kon overstappen naar het Tropisch Instituut. Ik kwam in Gent aan in september 1968. Mei 1968 zinderde nog na en in café Clubke tegenover de Blandijn gonsde het van politieke discussies. De Gentse Studentenbeweging (gsb) was verdeeld in drie groepen: democratisering van het onderwijs arbeiders, studenten: één front en derdewereldbeweging. Ik was bij de derde groep. De Derde Wereld kwam dichter en dichter bij. Op een bepaald moment had ik zelfs plannen om er met Pablo Fransen een film over te maken. Geleidelijk aan evolueerde ik van geweldloos protest en Martin Luther King naar Che Guevara en Mao, dé echte revolutionair. Er waren ook provo's in de Gentse Studentenbeweging. We waren tegen elke gevestigde waarde. We leefden consequent tegen de 'burgerlijke maatschappij' en ook wel wat tegen de 'domme massa'. Een vleugje anarchisme dus. Mijn ideeën over de 'massa' zijn later totaal veranderd. Ondertussen weet ik dat de 'gewone mensen' anders zijn dan je op het eerste zicht misschien denkt. Toen in maart de Blandijn door duizend studenten werd bezet, was ik mee van de partij. Marx en Mao doken op in discussies en muurkranten. Er werd dag en nacht gedebatteerd, ik heb onder andere eens een flinke discussie gehad met Ludo Martens. Via contacten in Leuven had hij de revolutionaire strijd in Latijns-Amerika leren kennen, maar hij voelde meer voor China en de opvattingen van Mao. Ik verdedigde Che. Hij vond dat Che en Castro geluk hadden gehad bij de revolutie. De weg van Mao Tse-Toeng, de langdurige volksoorlog die vanuit het platteland de steden omsingelt, was voor hem een meer solide weg voor de revoluties in de derdewereldlanden. Ik begon erover na te denken: mijn 'helden' waren inderdaad niets zonder het gewone volk. moest ik grote stukken carrosserie aaneen lassen. Zware handenarbeid, en het was heel warm in de fabriek. Ik verging van de grote honger en keek uit naar de pauze van 18 uur, maar zolang wilde mijn lichaam niet meer mee. Ik werd draaierig en het volgende wat ik, 'grote revolutionair', me herinnerde, was dat ik bijkwam tussen een groep bezorgde arbeiders. Ik werd een deel van de ketting. Ik deed de carrousel van de Escort. Zwaar en eentonig werk. 's Avonds was ik uitgeteld. In de voormiddag deed ik enquêtes en 's avonds waren er vaak nog vergaderingen. Om de veertien dagen veranderde ik van post, moest ik om aan 'de vroege' te beginnen om 5 uur opstaan. Ons studentenleventje kreeg zware deuken. De confrontatie met de arbeiderscultuur was ook niet altijd even gemakkelijk. Op de bus en in de fabriek leerde ik dat zij erg hard konden zijn en iemand konden uitlachen die op een of andere manier anders was. Mij lachten ze ook uit. Ik wist niet goed wat daarvan te denken want ze schenen het te menen. Maar op zeker ogenblik was het gedaan en werden we goede vrienden. Het ging mijn kleinburgerlijk petje te boven, mijn verlangen naar harmonie. Er waren er ook die Alle Macht Aan De Arbeiders (amada) kenden en het voor mij opnamen. 'Ga daar niet op in, Roger.' Of als ik iemand wilde verdedigen: 'Hou je er tussen uit.' Je moet toch te weten komen met wie je te doen hebt. De sprak weinig over politiek in de Ford. Omdat ik zo moe was maar ook omdat wij het eigenlijke revolutionair werk nog altijd buiten de fabriek zagen. Het rondrijden naar alle hoeken van Limburg begon wel te verminderen en als het kon zat ik in de zon de klassiekers van het marxisme en Mao te bestuderen. Vier maanden stond ik aan de lopende band in Ford, daarna werkte ik in de bouw. De bouw was immers ideaal voor ons beurtelings werk: elke dag stapte een van ons in het busje bouwvakkers. De arbeiders vonden dit erg amusant, er werd gewed wie van ons van Heusden-Zol-der zou opdagen. We besloten te blijven Begin 1971 waren er levendige debatten onder de studenten die onder de arbeiders werkten. We vonden dat je in de fabrieken weinig revolutionair werk kon doen. Het werk was zwaar en er waren weinig politieke discussies mogelijk. Als we arbeiders thuis bezochten, ondervonden we veel sympathie voor het jonge amada. We hadden het dan over de strijd tegen de oorlog in Vietnam, over de Black Panthers, over de discriminatie van de vreemde arbeiders in België. We vonden dat we niet alleen de syndicale strijd moesten voeren maar dat we de arbeiders op de eerste plaats nieuwe politieke inzichten moesten bijbrengen. Dat hadden we besloten na de studie van Lenin, hoewel we hem toen nog niet helemaal begrepen. Politieke thema's verbinden aan de dagelijkse uitbuiting, daar waren we nog niet zo sterk in. Hoe moesten we in godsnaam de link leggen tussen de dagelijkse strijd van de arbeiders en maatschappelijke analyse? De oplossing lag nochtans voor de hand. 'De emmer oppakken waar hij staat' had Mao geschreven. Is het snikheet in de fabriekshallen, spreek dan daarover: de kans is groot dat er schokacties tegen de hitte komen. Waarom is een fabriek onder het kapitalisme onveilig? Omdat de winst eerst komt. De dagelijkse strijd van de arbeiders verbinden met een revolutionaire visie op de maatschappij, dat was de kunst. En in april 1971 geraakten we er eindelijk écht uit. We zouden niet langer als studenten leven maar als arbeiders, en arbeidersleiders worden door de rest van ons leven in de fabriek te gaan werken. Ons revolutionair werk lag niet buiten de fabrieken maar binnenin. Ik besefte onmiddellijk en daarna beter en beter hoe beslissend deze discussie was. We evolueerden van een studentenbeweging naar een arbeiderspartij in wording. De discussie veranderde mijn leven. Ik besloot mijnwerker te worden. Ik ging in een logementshuis voor vreemde mijnwerkers wonen. Ik wilde in de late shift van de mijn van Winterslag. Tijdens de staking van '70 was dit de strijdbaarste ploeg van die put geweest. Helemaal zeker van een aanwerving was ik niet want op dat ogenblik waren er bijna geen Belgen in de ondergrond. Het lukte. Ik zou in de mijn van Winterslag werken tot na de sluiting in 1988. Sinds mijn 41ste ben ik gepensioneerd na twintig jaar arbeid in de mijn. Het Limburgse steenkolenbekken Tot 1 augustus 1901 had Limburg de trein van de ontwikkeling gemist. Er was enkel wat industrie langs het Kempisch Kanaal, daar werd lood, zink en arsenicum verwerkt. Maar op die bijzondere eerste augustus werd steenkool ontdekt. Aanvankelijk vonden de mijneigenaars onvoldoende arbeiders. De arbeiders die toen vanuit Borgloon en Tongeren naar de Waalse mijnen gingen, wilden niet afdalen in die gevaarlijke Limburgse putten. De Eerste Wereldoorlog besliste er anders over. Er was hongersnood in Luik, en de 'Waalse' Limburgers moesten nu wel naar de Limburgse putten. Ze leerden de stiel aan de Limburgse 'boerkes'. Na 1929, een jaar met vele ongevallen, braken wilde stakingen uit. In 1932 deinde de strijd van de mijnwerkers in de Borinage uit naar Limburg. De staat van beleg werd afgekondigd, rijkswacht en leger bewaakten de mijnen en in de mijngemeenten was er samenscholingsverbod (Bert Van Doorslaer, e.a., Een eeuw steenkool in Limburg, Lannoo, Tielt, 1992). De mijnpatroons waren pausen in Limburg: 'De directeur-gerant woonde in zijn kasteel van waaruit hij de grote schijven van de schachtbokken kon zien draaien. (...) Hij beschikte over een chauffeur, een hovenier, wachters en loopjongens... Hij was fier op zijn carrière. Hij was de meest gedecoreerde en hij alleen gebruikte een wandelstok. Wanneer griep hem velde, kon hij als 'meester naast God' omwille van zijn rust de omleiding van het verkeer opleggen.' (Ir. Leon Dubois, Lafarge Coppée, 150 ans d'industrie, Parijs, 1988, geciteerd in Een eeuw steenkool in Limburg, p.73.) Zo'n mijn is een reusachtige fabriek, maar dan 600 tot 1.100 meter onder de grond. Hoe dieper je werkt hoe warmer. Langs de schachten komen alle materialen naar beneden en gaan de kolen naar boven. Een ondergronds netwerk van gangen, kilometers lang. In kolenaders zit het zwarte goud. Het transport van arbeiders en kolen gebeurt met treintjes. Er zijn ook fietsen die op de treinrails passen. Daarmee geraak je naar je werkplaats. Maar de hoofdrolspelers zijn de natuurelementen. Water en andere druk op de gangen zorgen ervoor dat er steeds gewerkt moet worden om ze open te houden. Als de gangen onder druk hebben gestaan en de ondersteuningen half dichtgeklapt zijn, kunnen ze ook onder water staan. In sommige gangen kan je niet staan of zitten. Soms moetje kruipen. Soms in 't water werken. In de ondergrond is er overal gevaar. Je moet dat leren hanteren. Zowat overal slingert de monorail zich door de mijn, in de bakken wordt allerlei materiaal getransporteerd. Er is de lopende kolenband. Vaak werkje op kilometers afstand van de lift. Op het einde van de shift ben je doodop en dan spring je op de transportband van de kolen. Het is verboden, het is gevaarlijk. Je moet alle geluiden van het gesteente kunnen onderscheiden. Instortingen kondigen zich aan. Je moet dat geluid kennen. Je leven kan ervan afhangen. Ook de bakken van de monorail moetje horen aankomen. In de mijn is het pikdonker, seinen is dus dé boodschap. Je moet een goede fysiek hebben. Voor de veiligheid moet je op elkaar kunnen rekenen, hoewel de ene mijn gevaarlijker is dan de andere. Er gebeuren vele kleine en ook grotere ongevallen. Migranten doen het ongeschoold werk, ook als ze een diploma hebben. De pikhamer wordt aangedreven door perslucht. Overal stof. Omwille van de hitte wordt het stofmasker vaak niet opgezet, het schuift van je gezicht door het zweten. Je moet je volledig aanpassen daar in de buik van de aarde. Bij de sluiting waren er journalisten en politici die stelden: 'Zo'n gevaarlijk werk, goed dat ze de mijnen sluiten.' Arbeiders bekijken dat anders. Voor arbeiders hangt de werkonzekerheid als het zwaard van Damocles steeds boven hun hoofd. Elke job telt dus. Is werken in de mijn in Zuid-Afrika of in de usa dan niet gevaarlijk? Is honger niet veel gevaarlijker en ongezonder, en kernenergie is dat veilig? Dat antwoorden de mijnwerkers daarop. De eerste stappen in het donker Ik woonde in een logementshuis in de Vennestraat waar ik een kamertje deelde met een Spaanse Marokkaan. In andere logementshuizen werd een kamer soms door vier tot zes Marokkanen gedeeld. Soms werd hetzelfde bed aan twee personen verhuurd! Ik wilde toch een beetje ruimte om te leven en te studeren. Mijn Spaanse makker en ik begonnen op dezelfde dag. De eerste dag lieten ze ons boven wat rondlopen maar de tweede dag was het al met de lift naar beneden. De hitte was overweldigend. We moesten oude gangen van een meter hoog weer dieper maken: steen scheppen dus, en dat is wat anders dan een hoop los zand! Met de pikhamer de stenen losmaken. De gevulde bakken moesten we met de hand omhoog trekken en aan de monorail hangen. En dat alles in een ruimte waarin je niet rechtop kon staan en we de hele dag in een verkrampte houding moesten werken. Die eerste werkdag hebben we afgezien. En er zat de hele dag een chef op ons te kijken, een man met een geplette hand. De Spaanse Marokkaan had genoeg gezien, hij kwam nooit meer terug. Zo zijn er veel geweest; na een dag was het van: 'Dit doe ik nooit meer.' Maar er waren er ook die geen keuze hadden en die steeds de grens verlegden: het één jaar uithouden, twee jaar, zeven jaar... tot aan het pensioen na dertig jaar. Anderen vertrokken na enkele jaren naar de Ford. Maar er was niet veel anders in Limburg, vooral niet voor Marokkanen en Turken. Als migrant vond je geen ander werk dan in de mijn, het zwaarste werk dat de Belgen niet meer wilden doen. Na negen maanden werd ik in de ochtendploeg gezet. Ik kocht zo'n Chinese wekker die veel lawaai maakt bij het aflopen. Die verbond ik dan nog eens aan een platte batterij. Zo zou ik wel wakker worden. Vergeet het maar! Na twintig minuten rinkelen sliep ik nog. Iemand van het logementshuis die de bel wel hoorde, kwam me wakker schudden. Als student had ik nooit met een uurwerk geleefd, nu zat ik in de wereld van arbeid en kapitaal en daar wordt gevochten voor elke minuut meer of minder werken, meer of minder slapen. In die eerste periode stond mijn hoofd volledig 'op nul'. Ik was zo uitgeput dat ik enkel aan het werk kon denken. Thuis was het lezen en vooral slapen. Ook het enorme lawaai onder in de mijn moest ik gewoon worden; veel mijnwerkers zijn niet voor niets doof. Wat een verschil met de stilte in de universiteitsgebouwen en bibliotheken! Sommige studenten konden het niet gewoon worden. Ze wilden het leven van de unief aanhouden en tegelijk in de fabriek werken, maar dat is een onmogelijke combinatie, zeker in de mijn. Je moest je echt op alle vlakken harden. De veiligheid De eerste twee jaren in de mijn had ik vier ongelukken. Daarna had ik geen ongevallen meer, op een paar kleinere kwetsuren na. Ik was nieuw en zag geen gevaar. Mijn eerste ongeval was meteen ernstig. Ik moest materiaal transporteren met een oudere arbeider, bergop, bergaf door de mijngang. Maar op die kar stond natuurlijk geen rem, en op een bepaald moment kon mijn makker de vracht niet meer houden. Ik liep als gek bergaf met die kar achter mij. Nergens was er plaats om uit te wijken. Onderaan de helling stond water en lagen oude rails. Ik schoof uit en kreeg alles over mij. Ik was zwaar toegetakeld. Mijn hoofd moest genaaid worden. Later wist ik dat je in zo'n geval op de transportband voor kolen moet springen, alhoewel die in tegengestelde richting gaat. Een andere keer liep ik per ongeluk op een kabel die overal op de grond ligt om de kolenwagons naar de liften te trekken. Hij greep me en ik werd eerst tegen het plafond gekeild en daarna op de vloer gesmakt. Toen de kabel eindelijk stilgelegd was moest ik wel wat bekomen van die helse rodeo. Maar ik leefde nog. Volgens de patroon waren er zoveel ongevallen omdat de arbeiders te dom of te lui waren om de veiligheidsvoorschriften te volgen. Maar er was gewoon veel te veel niet in orde. In de infirmerie werd bijna alles gedaan door verplegers. Alleen als het heel erg was, kwam er een dokter. Onder die verplegers had je echte beulen. Die schrobden bijvoorbeeld het kolenstof van de wonden met een stalen borstel. Ze gaven je wel een plaatselijke verdoving maar dat hielp niet. Bovendien, als er kolenstof in de wonden bleef, kreeg je zwarte littekens. Ik heb er zo'n boven mijn oog, op mijn achterhoofd en aan mijn knieën. Gekwetsten moesten vaak kilometers afleggen naar de ziekenboeg op de bovengrond. Een zwaar gekwetste werd op de transportband voor kolen gelegd. De machinist zette de band dan in kleinste versnelling en haalde de gekwetste van de band. Er was ook een probleem met de röntgenapparatuur. Die was zo verouderd dat kleine breuken niet te zien waren op de foto's, en zo had je dan geen recht op 'kleine invaliditeit'. Duizenden mijnwerkers zijn zo bedrogen. Wij hebben een ware pamflettenslag gevoerd over de veiligheid. Want de veiligheid, dat is een psychologische oorlog om de geesten. Wie is verantwoordelijk, zij of wij? Die strijd moesten wij winnen. Ik raadde iedereen aan om naar een ziekenhuis te gaan. Daar werden fatsoenlijke röntgenfoto's genomen. Voor een geplette vinger kreeg je dan toch een kleine vergoeding. Ik weet het, dat was nog geen revolutie, maar het mijnpatronaat heeft op die manier toch ettelijke miljoenen moeten ophoesten, en voor een arbeider telt elke frank. De dokters van Geneeskunde voor het Volk van Genk zijn ook een tijd in de mijnen komen werken, zo ook Harrie Dewitte. Die werd afgedankt, niet omdat hij zijn werk niet goed deed, maar toen er vlak bij hem een zwaar ongeval gebeurde, reageerde hij instinctmatig als dokter. Zijn 'cover' was weg. De mijnwerkers waren blij verrast, ze vonden het fantastisch. Het ging dan ook als een vuurtje rond: 'een dokter onder in de put!' De patroon dankte hem af 'wegens dringende redenen'. Intellectuele pottenkijkers konden gemist worden als de pest. De maandag was de gevaarlijkste en zwaarste dag omdat de mijn dan een weekend had leeggestaan en er veel druk op de gangen zat. Soms was het zo erg datje naar het kolenfront moest kruipen en ingezakte galerijen weer moest open maken. Enkel dankzij de stielkennis en de solidariteit van de mijnwerkers gebeurden er niet nóg meer ongevallen. May May verscheen in het leven van Pipo net nadat ze haar studies politieke en sociale wetenschappen aan de kul stopgezet had om onder de arbeiders te gaan werken, in de mijnstaking van begin '74. Daarna volgde ze een herscholingscursus bij de rva en van '74 tot '79 werkte ze in de textielfabriek Berghaus. Pipo zelf kan zich niet meer herinneren wat May in die staking deed, behalve dan dat ze zijn koersfiets leende en ermee uit de bocht ging. Tegen het eind van dat jaar werden ze een koppel. Bij de geboorte van Chrisje vonden ze een appartement in de cité. Na de geboorte van Tashunka in november '78 verhuisden ze naar een huisje in de cité van Houthalen, waar ze nu nog altijd wonen. Tijdens stakingen als die van '86, toen de stakingsleiders niet thuis konden slapen, was dat voor Chrisje en Tashunka geen probleem: ze wisten via May waar papa mee bezig was. Chrisje en Tashunka benadrukken dat zij altijd achter hun vader stonden. Ze zijn fier op hem. Migranten in de mijn Eerst vanuit Centraal-Europa. In 1930 was 41% van de mijnwerkers van buitenlandse afkomst. Belgische mijnwerkersvrouwen hadden immers gezworen: 'Dochter of vrouw van een mijnwerker, tot daar. Maar moeder van een mijnwerker. Nooit. We hebben genoeg miserie gehad.' Duizenden gastarbeiders zetten de stap naar de donkere mijn uit armoede of omdat ze op de vlucht waren voor het fascisme in hun vaderland. In Zwartberg vormde zich een communistische kern, die in februari 1930 een staking organiseerde. De kern was verbonden met de Waalse communistische mijnwerkers vakbond van Julien Lahaut. Er was ook een afdeling van de Internationale Rode Hulp, een 'Cultuurvereniging' voor Polen en Hongaren, en de 'Lega Italiana Antifascista'. Rijkswacht en gerechtelijke diensten stelden alarmerende rapporten over hun activiteiten op. Vele van deze migranten werden België uitgezet. Voor de 'kolenslag' na de Tweede Wereldoorlog waren er opnieuw onvoldoende mijnwerkers. In 1946 sloot de Belgische regering een akkoord met Italië dat voorzag in de levering van 2.000 Italiaanse mijnwerkers per week in ruil voor twee a drie miljoen ton steenkool per jaar. Zo kwamen er tussen '46 en '56 28.035 Italianen aan. Velen van hen waren niet ingelicht over de mijnarbeid en voelden zich bedrogen. Ze pleegden contractbreuk en werden door de vreemdelingenpolitie opgespoord. (Bert Van Doorslaer, e.a., Een eeuw steenkool in de Limburg, Lannoo, Tielt, 1992, p.170) 'Wie weigerde terug af te dalen, werd als ontslagnemend beschouwd. Dezen werden aangehouden, in de plaatselijke gevangenis geplaatst tot ze bijeengebracht werden in de kazerne van Het Klein Kasteeltje vanwaar ze terug naar Italië gestuurd werden.' (Anne Morelli, Geschiedenis van het eigen volk. De vreemdeling in België van de prehisorie tot nu, Kritak, 1993). Augustus 1956: Marcinelle: de mijn Le Bois du Casier werd het graf van 261 mijnwerkers. Bijna de hele ploeg. De Italianen telden 136 doden. 'Moord' wisten de arbeiders. In heel het Waalse mijnbekken weigerden Italiaanse mijnwerkers aan het werk te gaan. De Belgen en alle andere nationaliteiten waren solidair: weken werd er niet één gevulde wagon bovengehaald. Alle Europese mijnwerkers waren in diepe rouw en in Italië werd er fel betoogd. Kort na de brand van Marcinelle werden de Italiaans-Belgi-sche akkoorden stopgezet. De regering sloot nu akkoorden met Spanje en Griekenland. Vanaf '60 werden vooral Turken en Marokkanen voor het 'beloofde land' geronseld. In 1989 vormden de Turken 9,2% van de migrantenbevolking in ons land, een derde van hen woonden aan de steenkoolmijnen. (Uit Bert Van Doorslaer, e.a., Een eeuw steenkool in Limburg, Lannoo, Tielt, 1992, p.110-120.) Turkse doden, bezette mijnen Vooral veel Turkse arbeiders kregen ongelukken. Echt verwonderlijk was dat niet, want zonder de minste voorbereiding of opleiding werden zij in de put gedropt. Gebeurde er wat, dan was het antwoord: 'Die Turken zijn te lomp om te helpen donderen.' Maar voor ons was het duidelijk dat de patroons een grote verantwoordelijkheid droegen, vooral na de opdrijving van het ritme na de oliecrisis. Op 25 augustus 1975 viel de zevende dode van het jaar in de Limburgse mijnen, een Italiaan van 22. Een steen viel uit het dak, gebroken nek, dood. Hij werkte pas vier weken in de mijn. Echt alle veiligheidsvoorschriften bleken toen overtreden en we riepen op tot verzet. We eisten een degelijke opleiding voor elke mijnwerker die ondergronds ging. De maat was pas echt vol toen een mijndokter in april 1976 een Turk met hartproblemen dwong terug af te dalen. Een paar uur later stierf die man tijdens het werk. De Turken van Beringen legden woedend het werk neer. Op 11 mei vonden zij een even efficiënt als eenvoudig drukkingsmiddel: de badzaal werd bezet. Het werd geen louter Turkse aangelegenheid, de Belgen staakten solidair mee en de strijd werd geleid door een stakingscomité van Turken, Italianen, Polen en Belgen. De mijn bleef drie dagen bezet. Mijnwerkers bewaakten de badzaal met het houweel in de hand. De directie deed de actie af door te zeggen dat ze georganiseerd was door amada met als gevolg dat de Turken daarna enkel nog met de AMADA-mijnwerkers wilden onderhandelen. Op 15 mei schreef De Standaard: 'Deze Turken zijn jonge messenvechters en dan nog opgejut door AMADA-militanten.' André Maes, een vriend die zowel bij het acv als bij amada militeerde, werd omwille van zijn leidende rol in de bezetting uit de Acv-militantenkern gezet. Maar de acties hadden wel resultaat. Belgische syndicalisten feliciteerden: 'Wat wij al twintig jaar met onderhandelen proberen, hebben de Turken nu met de bezetting bereikt: controle op de dokters.' Wat later was Waterschei aan de beurt: op 15 november bezetten Turkse en Vlaamse mijnwerkers de badzaal. Hier ging het om onrechtvaardige beslissingen tegen zieke mijnwerkers én om willekeurige afdankingen. De strijd van de Turkse mijnwerkers verdient een plaats in de geschiedenisboeken over de Belgische klassenstrijd. Na deze bezettingen was het gedaan met de 'domme Turken' of 'het is de schuld van de mijnwerkers'. Hun strijd was moedig, ze namen risico's en waren een tijdlang ook succesvol. Ze hadden de rijkswacht weerstaan evenals dreigingen van de Turkse consul. De Turkse mijnwerkers in Limburg namen wraak voor de massamoord die Marcinelle voor elke mijnwerker is. Of voor de mijnramp in Courrières in Frankrijk, waar in 1906 1.099 mijnwerkers door een grauwvuurontploffing werden gedood. En nadien bleken de Turken ook solidair met wie hen gesteund had. Verschillende amada-kameraden hadden tijdens deze bezettingen hun nek uitgestoken en sommigen werden afgedankt. Eén afdanking werd dankzij de Turken verhinderd. Jaarlijks verlof... af en toe een dag slapen Na de Tweede Wereldoorlog, gedurende de fameuze kolenslag van Achilles 'Charbon' Van Acker, wisten de mijnwerkers een aantal voordelen af te dwingen. Om het land opnieuw op te bouwen waren er kolen nodig en de mijnwerkers werden opeens 'de ereburgers van het land'. Daardoor was er ook geld voor gunstige woonkredieten, gratis treintickets en een speciale verlofregeling. Bovenop de tweeëntwintig dagen wettelijk betaald verlof kreeg een mijnwerker er twaalf extra, én hij kon nog twaalf dagen onbetaald verlof krijgen. De vierendertig betaalde dagen waren vrij te nemen, niet drie weken ineens zoals in andere fabrieken. Dat verlof was geen overbodige luxe. Onder in de mijn moest je voortdurend je fysieke grenzen overschrijden om een shift te beëindigen. Als het delven goed ging dan was je tegen etenstijd zo gebroken dat je niet kon eten. En werkte je in een nis zonder verse lucht dan was het pas echt erg. Iedereen werkte in zijn ondergoed. Vele mijnwerkers begonnen dan water te drinken, maar eens je daarmee begon, kon je niet meer stoppen. Dan dronk je op een dag makkelijk vijf, zes liter. Je moest echt alles geven, voortdurend over je grenzen gaan. Veel arbeiders namen dus regelmatig verlofdagen op, verspreid over het jaar. Het beeld zit in mijn hoofd gebrand: sterke mannen, klaar om af te dalen, moesten 's morgens terug naar huis. Ik zie ze nog zitten, reeds omgekleed, hun mijnlamp op, wachtend op de lift om af te dalen. Dan vielen ze gehurkt in slaap, schrokken weer wakker en beseften dat ze niet in staat waren veilig te werken. Zwijgend stonden ze dan recht, trokken hun werkkleren uit en haastten zich naar bed! In juli of augustus bleef er amper verlof over; alles was opgebruikt om de uitputting wat weg te slapen. De vreemde arbeiders, Turken, Marokkanen, Italianen, Spanjaarden, konden dat niet. Die hadden het verlof nodig voor hun jaarlijkse reis naar de achtergebleven familie. Ik ken veel migranten die door de mijnarbeid gebroken zijn. Ik herinner me een Turk, Halil. Hij was niet groter dan ik, maar breder, steviger. Hij kon alles tillen. Nog voor zijn twintig jaar onder de grond was hij er volledig aan. Hoewel ik ook soms rechtsomkeer maakte om te gaan slapen, heb ik dat zelf toch zoveel mogelijk proberen te vermijden. Ik wilde in het verlof gaan klimmen. Volgens May zoek ik die fysieke uitdaging ter compensatie van m'n werk in de buik van de aarde, maar gelukkig deelt ze wel mijn passie voor het alpinisme. Er gingen trouwens ook telkens kameraden mee. Met één kindje kon May nog mee en Chrisje zat dan in een rugzak. Maar toen Tashun-ka geboren was bleef May regelmatig lager met de kinderen. In Frankrijk klommen we in het Pare National des Écrins, nabij Grenoble. In Italië deden we de Gran Paradiso, in Griekenland de Olympus, en ik stond ooit op de top van de Mont Blanc. Tussendoor gingen we kanovaren of valschermspringen en in de winter gingen we vaak skiën. May beweert dat 'hoe gevaarlijker iets is en hoe groter de uitdaging, hoe liever ik het doe'. Ze zegt dat ik zelfs niet normaal kan fietsen: 'Je vliegt overal tussen'. En het is waar, ik houd ervan gevaren te overwinnen, mijn grenzen af te tasten. Ik durf ook al eens zonder de skiliften naar boven, dat is goedkoper en ik doe alles graag wat gevaarlijk is. In de mijn was dat wel anders, daar ben ik steeds voorzichtig geweest. Een van de vrienden die regelmatig meeging was André Maes, waarmee ik een sterke band had. Hij was ook van de eerste lichting die onder de arbeiders was komen werken. Wat ons het meeste bond was onze afschuw voor het fascisme: bij elke antifascistische activiteit kon je ons vinden. We zijn nog samen karate begonnen in een periode waarin de vmo ons aanviel, we vonden dat we ons moesten kunnen verdedigen. André werkte ook in de mijn, in de vaste nachtploeg, maar hij had het extra moeilijk omdat hij allergisch was voor bepaalde stoffen. Hij was het gezicht van de pvda in Beringen, in hart en ziel een toegewijde revolutionair. Ik zag hem niet zo heel veel omdat we in een andere mijn werkten en in een andere shift stonden. Maar de vriendschap bleef. Na tien jaar verliet hij de mijn om zijn geneeskundestudies terug op te pakken. Daarna kwam hij als dokter in GVHV-Genk werken. Op zaterdag 24 november 1990 was hij van wacht en werd dringend bij een patiënt geroepen. Onderweg kreeg hij een zwaar verkeersongeval, en hij overleed. Ik ben toen naar hem gaan kijken, ik kon niet anders. Ik moest denken aan alles wat we samen gedaan hadden, aan alles waarin hij voor mij voortleeft. Ik dacht vooral terug aan een actie die hij mee op het getouw had gezet. De fascisten hadden in 1975 een nationale manifestatie aangekondigd in Leuven, ze zouden 'dat Rode Bolwerk eens neerhalen'. Overal in het land werden er ploegen gevormd door amada om die optocht te beletten. We kregen meer dan 2.000 mensen op de been. Er was een ongeziene rijkswachtontplooiing, maar we hebben de vmo toen alle hoeken van Leuven laten zien. Harrie Dewitte maakte een afscheidstekst bij zijn begrafenis, met daarin onder andere deze zin: 'Hij had geen comfort, maar hij had een schatkamer aan boeken.' Wat mis ik hem! We hadden nog zoveel te doen. De mijn in kaart gebracht Tijdens mijn jaren in de mijn heb ik de meest diverse jobs gehad. Ik begon met het verbreden van toegeklapte gangen. Later deed ik het materiaaltransport. Daarna werd ik magazijnier: pikhamers nakijken en oliën. Als magazijnier kwam ik met veel arbeiders in contact, kreeg ik pas echt zicht op de manier van doen en denken van arbeiders. Een mijnwerker in de steen, bleek anders te denken dan een koolouvrier, een magazijnier weer anders dan de arbeiders van de 'reprise matériel'. En een chef in de mijn is anders dan een baas bij Ford omdat hij in de mijn acht uren bij de arbeiders is terwijl zijn collega bij het kaderpersoneel zit. Ik was een PVDA-mijnwerker, openlijk. Niet moeilijk: aan de poort verkocht ik elke week onze krant. Na een aantal jaren was ik gekend door alle mijnwerkers, en wist ik op welke manier ik het best te werk kon gaan. Je moet bij arbeiders niet met idealistische of dogmatische standpunten afkomen. Je moet weten hoe ze denken en je politiek antwoord moet in hun denkwereld gegoten zijn. Ik leerde dat arbeiders die provocerende vragen stellen over het socialisme meestal het meest begaan waren met die materie. Ik heb een arbeider gekend die me vaak 'jende' omdat ik communist was maar die me bij stakingen uit de handen van de politie hielp. En zelf rake klappen kreeg. Dit alles noem ik de 'massalijn': de arbeiders aanspreken op het niveau van hun gedachten. Daarmee bedoel ik niet dat hun niveau van denken laag zou zijn. Wél dat je zélf hun taal moet leren, dat je hun gevoeligheden moet leren kennen, hun omgangsvormen begrijpen. Met de jaren kreeg ik echt zicht op de gedachtewereld van de arbeiders. Ik ontdekte dat ze eigenlijk erg flexibel zijn in hun denken, niet zomaar alles aanvaarden. Ik kon bijna voorspellen wanneer ze zich zouden schikken in hun lot en wanneer niet. Bij het begin van de acties is de sfeer totaal anders dan wanneer de strijd neergeslagen is of tijdens rustige periodes. Ik voelde bijna aan wanneer de arbeiders verandering wilden. Ik wist van iedereen hoe hij twee maanden geleden sprak. Ik zag dat evolueren, en op een bepaald moment voelde ik: 'Ze gaan het niet meer nemen, ze gaan er hoe dan ook de blok opleggen.' Ik kende de arbeiders die het makkelijkst een staking mee op gang trokken en de mannen die het laatst in actie kwamen; die met de grootste mond en degenen die de deur van het syndicaal bureel platliepen. Ik kreeg ook zicht op de standpunten en tegenstellingen in de vakbond. En ik kende de mannen die de PVDA-krant kochten. Zo zat langzaamaan heel de put in mijn gedachten. Tegen '79 kon ik zo de hele mijn in kaart brengen. Ik wist dan of de tijd rijp was om de mijn stil te leggen of niet. Allemaal door mijn ideeën over de massalijn, de combinatie van goed luisteren, goed beoordelen en goed ingeplant zijn. Sommige dele-gees begrijpen dat niet, zij zien alleen een statische massa. 1974: oude en nieuwe stakingsleiders Begin 1974 hing er een stakingsklimaat in de putten. We riepen de mijnwerkers op tot acties voor een goede, nieuwe cao. We waren overigens niet de enigen: de Vriendenkring Zwartberg (vzl) riep op tot een 24-urensta-king. Eigenlijk was dat een corporatistische vereniging. Ze was antisyndi-caal en stond een samenwerking voor van arbeiders en patroons ten voordele van de kleine groep Vlaamse en Duitse carbochemiepatroons. Hun strijd was gebaseerd op een rechtse Vlaams-nationalistische visie. Sommige mijnwerkers zagen dat niet. Al in Zwartberg had de vzl een belangrijke rol gespeeld, en in de staking van 1970. Ook nu hadden ze aan alle putten een 'permanent comité'. In Winterslag werd het geleid door Gerard Sleghers. Toen nu deze staking uitbrak, wilde de vzl ze zelf in handen houden. Wij stelden voor een eenheidscomité te kiezen en zo geschiedde. Daarop aarzelde de vzl, ze wou de staking stopzetten, maar dat lukte niet meer. Ontgoochelde mijnwerkers, tot dan lid van de vzl, kwamen op 12 januari met het nieuws dat Sleghers weigerde nog met amada samen te werken. De aanwezige arbeiders van het stakingscomité zegden dat het gedaan moest zijn met die verdeeldheid, en iedereen ging akkoord behalve Sleghers. Uiteindelijk bleek de staking van 1974 het begin van het einde voor de vzl. In Winterslag had ik in samenspraak met de strijdbaarste arbeiders de put stilgelegd. De Standaard titelde op haar voorpagina: 'Staking aan de Limburgse mijnen. Gerard Sleghers ondervindt concurrentie van amada-leden.' Daarop publiceerden wij documenten waaruit bleek dat de vzl met uiterst-rechts samenwerkte in haar eis voor carbochemie en de arbeiders slechts nodig had als 'harde werkers'. Dat overtuigde een groot deel van de mijnwerkers. In 1975 dreven we hen nog verder achteruit omdat wij ijverden voor een strijdbare delegatie van de beide vakbonden. Terwijl het anti-syndicalisme van de vzl steeds 'anarchistisch' was overgekomen bij de arbeiders, konden we nu uitleggen dat ze tegen de vakbonden waren omdat ze eigenlijk tegen de arbeidersbeweging waren. Tegen 1976 was het er echt mee gedaan en in de staking van 1979 kon Sleghers aan de stakingspiketten zelf vaststellen dat hij niet meer welkom was. Vakbondsafgevaardigde? Ik was lid en militant van het acv en gaf de vrijgestelde van de bond te kennen dat ik delegee wilde worden. Tot mijn verbazing stelde die vast dat ik geschrapt was als lid. Was het omdat ik de staking van '74 had geleid? Sil-vano Grossi van het acv bezwoer me dat er een fout gebeurd was, maar hij wist duidelijk meer. Ik vroeg tekst en uitleg, de arbeiders stonden duidelijk achter mij, en na enkele weken kon hij niet meer om de hete brij heen: 'Ge weet toch wie ge zijt? Dat gaat toch niet, acv en amada bijeen.' Ik antwoordde: 'Het ene is een partij, het andere is een vakbond, dat is geen klein verschil. Zijn er dan geen cvp'ers in het acv?' Ik speelde het ook onderhands: ik ging naar het acv in Hasselt en zei de loketbediende dat er een 'administratieve' fout gebeurd moest zijn. Nietsvermoedend bracht hij mijn lidmaatschap opnieuw in orde. Ze konden me nu moeilijk opnieuw schrappen, het risico op protest was te groot. Ik kreeg goede contacten met sommige delegees van Winterslag en met de Acv-jongeren. Dat is altijd zo gebleven. Maar ik wilde zelf delegee worden. Bij de verkiezingen van '79 vroeg ik het opnieuw. Er was echter net een staking achter de rug waar een groot deel van de Acv-dele-gatie eigenlijk tegen was geweest. En omdat ik zelf wel actief had meegedaan, kon ik het weer vergeten. Het duurde overigens zowat eenjaar voor de ACV-hoofddelegee, Carlucci, opnieuw normaal met me omging. In 1983 probeerde ik opnieuw. Een voorval leek mijn kansen een gunstige duw te geven. Ik werkte met een makker in de pijler, en we gingen goed vooruit. Nu werd er steeds met krijt aangeduid hoeveel meter het werk gevorderd was. Een chef zei dat we geknoeid hadden met de krijtlijnen en hij nam ons premiegeld af. Bovendien moest ik naar een kersverse ingenieur die me gewoon afdankte! Ik zei hem nog: 'Hola man! Zo gaat dat hier niet in Winterslag.' Maar die man wist echt niets van de mijn. Ik bracht eerst Carlucci op de hoogte in het syndicaal lokaal, daarna de arbeiders. Actiebereidheid: honderd procent. Carlucci zei dat hij bereid was voor mij 'heel de weg' te gaan, maar hij drong aan op een regeling in der minne: we werden niet afgedankt, er kwam geen enkele sanctie, maar ons premiegeld van die dag waren we kwijt. We aanvaardden het compromis. Opnieuw had Carlucci gemerkt hoeveel invloed ik had gekregen onder de arbeiders. Ik bood hem aan vakbondswerk te doen, en hij gaf zijn fiat. 'Maar je moet wel nog naar Canini.' Die maakte er blijkbaar ook geen probleem van: mits een aantal voorwaarden wou hij me verkiesbaar stellen. En omdat die voorwaarden redelijk leken, kon ik daarmee akkoord gaan. Mijn droom leek waarheid te worden. Tot Acv-nationaal me plots verweet dat ik mij niet aan de afspraken had gehouden. Ze hadden gewoon een spelletje gespeeld. Mijn relatie met het acv was nu totaal verziekt. Toen ik op een dag naar de militantenbijeenkomst van de vakbond wilde gaan, werd ik opgewacht. Ik mocht niet naar binnen. Toen ik probeerde hen te passeren, werd ik met geweld tegengehouden. Ik vocht eerst nog terug, en een bevriend Acv'er wilde me nog verdedigen, maar ik moest stoppen: dit waren arbeiders. Dit soort van tegenstellingen mag niet met geweld afgehandeld worden. De mijnwerkers waren geschokt. Er was veel beroering maar staken vonden ze niet nodig. Het was een rustige periode en ze wisten dat ik hen toch zou blijven leiden, met of zonder delegeestatuut. Ook in 1983 stond ik dus niet op de Acv-lijst. En een tijdje later vonden ze een aanleiding om me definitief aan de kant te zetten. Eind '83 was het roerig in de mijnen. Op 31 oktober 1983 was er een 24-urenstaking in alle putten. Twee weken later stonden er verontrustende uitspraken over sluiting en afdankingen in Het Belang van Limburg. Waterschei ging in staking, een tweede mijn volgde. In Winterslag was de nachtpost verontwaardigd dat wij, de meest bedreigde mijnwerkers, nog niet meestaakten. Ik nam mijn plicht op als Acv-militant: we staakten nu ook in Winterslag, voor de eisen van het gemeenschappelijk vakbondsfront. Maar het acv vond dat ik 'eigenmachtig was opgetreden' en ik werd afgezet als Acv-militant! Deze keer richtte ik me wel tot de massa van de mijnwerkers. Ik maakte een open brief waarin ik de inzet van mijn afzetting aan de mijnwerkers voorlegde en ik maakte een petitie. De petitie werd razendsnel ondertekend door 1.073 mijnwerkers van de ondergrond van Winterslag, ongeveer de helft van de mijnwerkers. Voor Acv-nationaal veranderde dat twee keer niks. Van de 'reprise matériel' naar het kolenfront De directie dacht dat ik op een andere plaats minder politiek werk zou kunnen doen: ik moest naar de 'reprise matériel'. Die ploeg moest de ondersteuningsmaterialen weghalen waar de productie gedaan was. Gevaarlijk werk, want daarbij stortte alles in. Dat gaf veel steenstof, dus meer kans op steenstof in de longen. Soms was een gang zo dichtgeklapt en onder water gelopen dat we de kaders enkel konden wegkrijgen door ernaar te duiken. Meestal was er geen luchtaanvoer meer. Het werk was bovendien slecht betaald vanwege 'geen productie'. Gelukkig kwam ik terecht in een strijdbare groep. Ik heb met hen ook een staking georganiseerd. We hebben toen wel geen onmiddellijke overwinning behaald, maar nadien kregen we toch opslag. In '78 besloot ik toch kolenfront te doen. Daar heb ik gewerkt tot de mijn van Winterslag dichtging. Ik heb feitelijk alles gedaan in de mijn. Ik ben zelfs naar de mijnschool voor chefs geweest, maar ze presteerden het daar mij buiten te gooien hoewel ik 92% behaalde. Migranten en Belgen één mijnwerkersstrijd De verschillende nationaliteiten en de Belgen in de mijn zijn steeds overeengekomen. Zolang de mijnen open waren is het Vlaams Blok in Limburg ook niet van de grond gekomen. Het harde leven in de put maakte een goede samenwerking immers onontbeerlijk. Zo spraken Italianen, Grieken en Spanjaarden Italiaans onder elkaar omdat de meesten van Italiaanse afkomst waren. Ik ben die taal ook gaan studeren maar ik leerde vooral veel in de put. Die Italianen waren meestal strijdbare arbeiders; de generatie voor hen, vaak overtuigde communisten, was dan ook het fascisme van Mussolini ontvlucht. In de jaren '70 was de eerste generatie al gepensioneerd en kwamen jonge Italianen in de mijn. Helemaal probleemloos verliep de confrontatie niet. In het begin haalden de nieuwe contingenten vreemde arbeiders bijvoorbeeld de lonen naar omlaag, daar moest zo snel mogelijk met een klassenstandpunt op gereageerd worden. 'Worden de lonen naar beneden gehaald? Dat doen de patroons altijd. Het hangt af van de arbeiders of dat gebeurt of niet. Wij moeten vechten voor dezelfde lonen.' In de jaren '70 bleek bovendien dat zij de meest strijdbare arbeiders waren. Ze hadden veel geleerd van de Italianen en de Grieken. Ook bij de Grieken zaten veel linksen, en samen brachten ze de Turkse en Marokkaanse kameraden veel syndicaal bewustzijn bij. Je kan rustig stellen dat de migranten, Turken en Marokkanen inbegrepen, gezorgd hebben voor het strijdbaar klimaat van 1970 tot 1980. In 1979 zouden alle lonen herbekeken worden; het kolenfront kreeg bijvoorbeeld 6% loonopslag. Maar er brak toch een staking uit, eerst in Beringen en Waterschei, daarna in Winterslag. Vooral de Turkse arbeiders waren erg strijdbaar, bij hen barstte de opgekropte woede los tegen jaren van uitbuiting. Bij hun ronseling in Turkije was België hen als een paradijs voorgesteld, ze hadden er have en goed voor achtergelaten. Zoveel jaren later hadden ze te veel doden moeten begraven, ze voelden zich uitgeperst en bedrogen. Ze wisten met hun woede geen blijf. Ik zegde hen wel honderd maal dat ze hun gezicht moesten bedekken bij acties. Maar er was geen houden of geen richting geven meer aan. Ze staken bussen in brand waarmee ratten vervoerd werden. Maar ze hadden niet gezien dat die bussen vlakbij een benzinestation geparkeerd stonden. Levensgevaarlijk. Dat was blind vechten, en dan nog zonder hun gezichten te bedekken. De politie had foto's en de repressie was verschrikkelijk. Ze zochten vooral Yuksel, die heeft ondervonden wat de rijkswacht is! Veroordelingen en afdankingen. Achteraf waren velen van hen behoorlijk kwaad op mij, wat ik versta, ik was voor hen degene die de strijd leidde. Ze vonden dat we niet genoeg deden tegen die repressie. We waren nochtans erg actief, bezorgden achteraf ook advocaten om hen te helpen. Halverwege de jaren '70 stelde zich dan weer een ander probleem: na 1975 kwamen veel illegalen in de mijn werken, iets waar de Belgen over begonnen te mopperen: 'Die onhandigen worden aangeworven terwijl ondertussen zoveel Belgen werkloos zijn.' Wij probeerden die ontevredenheid tegen te gaan door erop te wijzen dat het probleem elders lag: een Turk van vijftig jaar moest handje contantje 50.000 frank aan een bepaalde chef betalen om te kunnen beginnen. Wie tweeënvijftig was betaalde 52.000 frank. Misdadig gewoon. Deze Turken kwamen van de boerenbuiten holderdebolder de jaren '70 ingetuimeld, sommigen hadden nog nooit een fiets gezien: in een bocht reden ze rechtdoor. En onder in de mijn moesten ze met die gevaarlijke machines werken. Dat was zowat de enige optie als zo'n groep illegalen binnenkwam: erop wijzen dat die mensen zelf daar niets konden aan doen. In 1980 kwamen er opnieuw veel meer Belgen in de mijn werken. De Belgen wisten zeer goed dat er meer positieve kanten aan het samenwerken met migranten waren. Het waren dan ook vooral de cheffen die racistische opmerkingen maakten. Politieke visies kunnen veranderen Mijn eerste jaar in de mijn had ik vooral geluisterd en geleerd van de arbeiders. In het begin was ik toch wat overmand door de zwaarte van het werk. Daarna voerde ik vele politieke discussies, onder andere over de werkloosheid. Tot in de jaren '80 hadden de meeste mijnwerkers nog nooit gedopt, ze kenden het probleem dan ook niet. Vooral in de nasleep van de petro-leumcrisis was dat een gevoelige materie: 'Saeys, die werklozen, dat zijn toch luie honden. Neem nu al die vrouwen die doppen.' Dan kon ik beginnen: ik kende hun manier van redeneren en ik antwoordde als arbeider, maar met mijn intellectuele kennis op de achtergrond. Door die vele discussies werd de sfeer helemaal gekeerd. Maar als één punt opgelost was, kwamen ze met het volgende probleem. Ook over de ussr en het socialisme werd veel gepraat. Het was hoogoplopend: 'Een vriend van mij is net in Oost-Europa geweest, is dat nog socialisme, Saeyske?' De concurrentiepositie bijvoorbeeld, aanleiding tot zowat de moeilijkste politieke discussies in de mijn. De Limburgse putten zouden niet meer rendabel zijn. Dan moet je de tegenvraag durven stellen: 'Moet een mijn wel rendabel zijn?' Het werkt echt verhelderend als je zegt dat dit hun probleem niet is, maar een probleem van de tegen hen gerichte klasse. Door aan te tonen dat de Société Générale enorme winsten maakte ondanks de verliezen in 'hun' mijn, kon ik het klassenbewustzijn versterken. Door te laten zien dat het gegoochel met termen als 'productiviteit', 'competitiviteit' en 'rentabiliteit' alleen maar dient om sluitingen of afdankingen aan te kondigen, en handig is om de lonen te kunnen bevriezen of verouderd materiaal niet meer te moeten vernieuwen, beseften de mijnwerkers dat dit termen waren van de vijand. Er moesten arbeiderstermen tegenover komen. Een arbeider is geïnteresseerd in tewerkstelling, werkomstandigheden, loon en toekomst: geen sluitingen dus, geen enkele werkplaats weg, de Generale moet betalen, vernieuwing van de werkmaterialen. Daarmee konden we dagen voort. Ik kon goed samenwerken met Rich van het abvv van Winterslag, een goeie kameraad. In '86 en '87 leidde hij mee de stakingen. Herhaaldelijk moest ik opnieuw uitleggen hoe je naar arbeiders moet luisteren, wat je moet onthouden. De beste ideeën centraliseren, je mening over de arbeiders niet laten bepalen door de minst strijdbare standpunten. De zaak op gang trekken door de beste standpunten te veralgemenen. Niet treuren om een staking die voorbij is. Die verwerken, er nieuwe inzichten uithalen om het volgende gevecht voor te bereiden. Te lang blijven hangen bij een voorbije staking geeft de patroon een voorsprong. Na een staking is er een terugslag van de gedachten. De arbeiders denken tijdens een staking volledig anders: heel klassenbewust en politiek. Maar na een staking zijn ze tevreden omdat ze een overwinning behaald hebben of uitgeput en teleurgesteld. Ze hebben het een tijdje moeten rooien met minder inkomsten en ondertussen hebben de media ook flink op hen ingewerkt. Op de vergadering van de mijnwerkers die met de pvda meewerkten, bespraken we eerst de dagnota's over wat in de mijn of aan het piket leefde, maar daarna trokken we genoeg tijd uit om de kranten te bestuderen. Het Belang van Limburg was de krant van Gheyselinck, dus: Het Belang van Gheyselinck. De regering verkocht haar standpunten in haar kranten. Die waren hetzelfde dan die van Gheyselinck, ook al verwoordde Martens het anders dan de patroon. Je moet hen leren van antwoord dienen want er kan er maar een zijn dat de arbeiders ook echt overtuigt. Het is dus erg belangrijk dat de meest revolutionaire arbeiders de kranten leren analyseren. Op momenten dat wij veel invloed hadden, durfden ze bijvoorbeeld enkel over afvloeiingen en niet over sluitingen spreken, hoewel dat steeds hun doel bleef. Als militant mag je je daar dan ook niet door laten misleiden. De discussies in de mijn waren zeker niet makkelijker dan in een andere sector, ik zou zelfs het tegendeel durven beweren. Heel België 'wist' dat de putten 'verlieslatend' waren, en dan haalden wij het nog in ons hoofd om te staken. Ook daarover moetje het hebben of je verliest terrein aan de vijand. Ik herinner me een resolutie van de pvda over competitiviteit: dit was de zaak van de arbeiders niet. Acv-jongeren gingen met die resolutie akkoord. Maar tijdens de staking in '86, stonden die onder druk van het acv dat de drie mijnen van 't oosten had opgegeven. Dan kon je opnieuw grondig praten met die Acv-jongeren. Na een aantal weken staking kwam er een nieuwe discussie: 'Afdankingen en sluitingen mogen we niet toelaten maar "Geen afvloeiingen" kun je toch niet blijven eisen.' En bij de volgende staking begonnen we opnieuw: 'We kunnen winnen, we kunnen open houden, alles hangt af van de krachtverhoudingen.' Bij elke belangrijke staking heb je psychologische 'oorlogsvoering'. Je moet die dagelijks voeren. Ik mis die discussies verschrikkelijk. De Britse mijnwerkersstaking: Scargill als leermeester We probeerden zoveel mogelijk internationale contacten uit te bouwen met mijnwerkers en mijnwerkersvakbonden. Zo hadden we goede relaties met mijnwerkers van de Nederlandse putten. In Frankrijk zijn we actief geweest rond de sluiting van de mijn van Ladrecht in 1980. Die mijnwerkers daar hadden hun mutatiebrieven verbrand en hielden de put bezet. In juni van dat jaar begonnen ze zelfs kolen te winnen in eigen beheer. Ze werden voor de rechtbank gedaagd wegens 'diefstal en heling', maar na dertien maanden wonnen ze deze strijd. We zijn daar met mijnwerkers naartoe gegaan in de verlofperiode. We hadden een omhaling aan de vijf Limburgse putten gedaan en er was gul gegeven. Een jaar later trokken we in de zomer naar een Spaanse mijn in Asturië, waar ook een strijd aan de gang was tegen de sluitingen. En toen in 1984 in Wallonië de laatste mijn sloot, de Roton bij Charleroi, hebben we ook daar een omhaling voor gedaan en zijn we hen gaan bezoeken. Ook hadden we in verschillende derdewereldlanden contacten met marxistische mijnwerkers, en we bezochten ook heel wat mijn-musea. Maar onze belangrijkste ervaring was misschien wel Groot-Brittannië. In de zomer van '83 zijn we met een busje vol mijnwerkers de num, de National Union of Mineworkers, van Scargill gaan bezoeken. Die waren de staking aan het voorbereiden die Groot-Brittannië een jaar lang in de ban zou houden. Onze betrokkenheid was dan ook zeer groot toen ze begin maart '84 de strijd aangingen tegen de sluiting van hun mijnen. De 140.000 mijnwerkers zouden het een vol jaar uitzingen, tot 5 maart '85. De principiële opstelling van Scargill en de num 'Coal, not dole' was ons 'Geen enkele mijn dicht, de Generale moet betalen'. De mijnwerkers konden de hele staking volgen in Solidair en in de vele pamfletten. Syndicalisten als Jan Grauwels en Luc Cieters bestudeerden de werkwijze van Scargill en bouwden de mijnwerkerscentrale van het abvv uit tot een strijdbare burcht. Maar onze solidariteit met de num ging verder. Met de pvda stuurden we 29 keer een solidariteitsdelegatie naar de stakerspiketten, en we ontvingen tientallen mijnwerkersdelegaties. Voor de kinderen van de stakers organiseerden we vakanties in België. En op de solidariteitsmeetings haalden we steungelden op voor de num, alles bij mekaar een goede drie miljoen. En dat is zonder de grote omhalingen van de ABW-mijnwerkerscentrale gerekend. Sluiting twintig jaar tegengehouden Al sinds 1965 lagen de sluitingsplannen voor de Limburgse mijnen op tafel, slechts tijdens de petroleumcrisis heeft men er even aan gedacht de boel open te houden. In Zwartberg is dan het gevecht begonnen om die plannen tegen te houden, een strijd die tot 1985 met succes gevoerd zou worden. Die strijd werd overigens niet zonder reden gevoerd. In 1967 was de NV Kempense Steenkolen (ks) opgericht die het beheer van de kolenwinning zou waarnemen. De Generale bleef tot het laatste moment vette winsten opstrijken. Ze bleef immers eigenaar van alle gronden, klinieken, gebouwen en huizen die met de mijn verbonden waren. Geschatte waarde: acht miljard. Ks moest voor miljoenen huurgeld betalen aan de Generale, zuivere winst. Intussen liet de Generale voor haar elektriciteitscentrales steenkool invoeren uit Zuid-Afrika en betaalde voor de afname van steenkool uit de ks minder dan de kostprijs! En wie daar de immoraliteit niet van ziet en de mond vol heeft over reconversie en afscheidspremies, kan zich warmen aan het voorbeeld van Nederlands-Limburg. In 1965 moesten daar de twaalf putten dicht. De vakbonden besloten er zich inschikkelijk op te stellen. Het resultaat is een rampgebied. Zogauw alle mijnwerkers de poort uit waren, bleef de reconversie achterwege: 45.000 mijnwerkers stonden domweg op straat, en 25.000 werkplaatsen vielen weg in de toeleveringsbedrijven. De werkloosheid ligt er nu bij de 50% in Heerlen, Venlo en Dodewaard, de provincie heeft recordcijfers qua criminaliteit en druggebruik; het aantal echtscheidingen en zelfmoorden ligt er boven het Nederlandse gemiddelde. We hadden daar goede contacten die herhaaldelijk de Belgische mijnwerkers kwamen waarschuwen: 'Wij hebben te laat beseft dat je voor je job en zelfs voor reconversie moet vechten.' Hun woorden vielen niet in dovemansoren. Door onze strijd hebben wij de mijnen twintig jaar langer dan voorzien kunnen openhouden. Reken eens uit hoeveel gezinnen al die tijd een menswaardig inkomen, hoeveel arbeiders een job hadden, hoeveel kinderen elementair onderwijs genoten. Dat is ons realisme, dat van de arbeidersbeweging. De spanning rond de mijnen nam voortdurend toe. J. Baeyens van het abvv en A. Cuyvers van het acv maakten eind 1984 nog een historisch pamflet. 'Vandaag ik, morgen gij', met een belangrijk principieel standpunt: 'Behoud van de 20.000 arbeidsplaatsen in de mijnen. Werk voor de 75.000 werkzoekenden in Limburg.' En in november 1985 werd dan iets als een voorhoedegevecht geleverd, een staking vanuit de basis. De leiding van de twee vakbonden had een 24-urenstaking nog als voorbarig afgedaan en wilde de regeringsonderhandelingen afwachten. Maar de staking was algemeen in de vijf mijnen. Na een staking van drie dagen nam de regering schijnbaar wat gas terug ('Het moment is niet rijp om te beginnen aan de sluiting'), om amper een maand later de druk toch weer op te voeren. René Lamy, de gouverneur van de Generale, verklaarde in Knack van 14 december 1985: 'Vlaanderen staat nu voor het probleem van de Kempische steenkoolmijnen. Men had volgens mij dezelfde politiek moeten doorvoeren als in Wallonië, een stapsgewijze sluiting. Deze lijn werd daarentegen om louter politieke redenen onderbroken in Vlaanderen.' Lees: door onze strijd waren de mijnen een explosieve politieke materie geworden. Maar blijkbaar niet explosief genoeg. De toenmalige regering Martens voelde zich sterk genoeg om mijnheer Lamy in zijn streven te steunen. Martens kon in ieder geval op SP-kopstuk Willy Claes rekenen, de man die beweert Limburg 'ontwikkeld' te hebben: 'De vrees voor een herhaling van Zwartberg was weinig aanwezig omdat ik pertinent wist dat van ABW-zijde de middelen totaal ontbraken om wat dan ook te doen. Ten tweede was het zeer waarschijnlijk - maar wij zullen het nooit kunnen bewijzen - dat de eerste minister de stilzwijgende goedkeuring gekregen had van de acv-voorzitter, die op de een of andere manier wel het middel zag om de ACV-mijnbond onder controle te houden. Je moet toegeven dat de strijdbaarheid van de arbeidersbeweging van België op een laag pitje stond. Er was ontmoediging in de rangen zowel in Vlaanderen als in Wallonië. Die argumenten brengen mij tot de stelling dat het voor de regering het juiste moment was waarbij het Zwartberg-risico tot een minimum herleid was' (Chris Nelis en Fred Vanhinsberg, En toen was er niets meer, de Limburgse mijnsluitingen: ieder zijn waarheid, Boek bvba, Zonhoven, 1989, p.57). Hij legt ook uit waarom hij zich met de sp niet aansloot bij het Onder-steuningscomité voor de Limburgse mijnen: 'Het was niet de aanwezigheid van Agalev of Doorbraak die me hinderde, wel die van de pvda. Er zijn limieten die je niet overschrijdt als je tenminste nog een frank wil geven voor je leven en je eigen toekomst.' (Chris Nelis en Fred Vanhinsberg, op. cit., p.27) Het is uiteindelijk SP-minister Norbert De Batselier, de progressieve 'sienjaal'-man, die de mijnen van het westen vervroegd gesloten heeft. De staking van '86 Onze driedaagse staking was dus niet voldoende geweest om de sluiting van de politieke agenda te halen. Begin '86 bleek er meer op het spel te staan: de regering zou in conclaaf gaan om een zoveelste besparingsronde uit te dokteren, het befaamde Sint-Annaplan. Nog voor ze zich terugtrok voor onderhandelingen met de vakbonden lekte uit dat het om 200 miljard besparingen ging. Grote ongerustheid in arbeidersmiddens. Verschillende bonden maakten zich op voor protest. In april werd een mijnwerkersbetoging gepland in Hasselt. De spoormannen en grote delen van de openbare diensten stonden klaar om op 6 mei een verwittigingsstaking te houden van 24 uren, de christelijke onderwijsbond staakte op 2 mei. We zetten toen alles op alles voor een algemene nationale staking met de mijnwerkers als locomotief, en dat wilde men koste wat het kost vermijden. Le Soir schreef het zo: 'Onweerswolken stapelen zich boven het regeringsconclaaf op. De druk van een hernieuwd gemeenschappelijk vakbondsfront in de openbare diensten, met vitale hefbomen als transport en verkeer. Die de steun hebben van de stakende Limburgse mijnwerkers, die ook een kanon gericht hebben tegen de budgettaire besparingspolitiek.' (13 april) De nationale ABW-lei-ding plande een betoging voor 31 mei. We moesten proberen het zolang uit te houden. De betoging in Hasselt trok meer dan 20.000 man, behalve mijnwerkers en familieleden, ook syndicalisten van het hele land. De mijnwerkers barstten van de energie en trokken arm in arm vooruit, in dicht opeenvolgende rijen. Van de vele acties en strijd heeft deze betoging me het meest ontroerd. We beseften toen hoe strijdbaar we geworden waren. Slogans en ordewoor-den konden niet misverstaan worden. De idee dat de mijnen moesten openblijven met het geld van de Generale had de harten en de hoofden van de mijnwerkers veroverd. 'Geen enkele mijn dicht!' 'De Generale moet betalen!' en 'Algemene staking nu!' 'Geen afdankingen!' Op deze aprildag gingen we ervoor en ik dacht aan die beelden van betogers in Soweto, het was een lopende betoging. Het werk van de jaren zeventig was een basis geweest voor de strijd die we nu zouden voeren. De vakbondsleiding zag de betoging van april 1986 als een drukkings-middel voor de onderhandelingen. Voor de arbeiders was dat echter niet genoeg. Overal werden nu stakingscomités opgericht met de meest strijdbare arbeiders en met de afgevaardigden die trouw bleven aan de strijd tegen de sluitingen, mensen als een Luc Cieters in Beringen, Jan Grauwels in Waterschei, Tony Ventura in Zolder, allen ABW'ers. In Winterslag leidde ik het stakerscomité, de afgevaardigden lieten het afweten. De strijd om de staking te laten voortduren was er ook zwaarder, met harde stakingspiket-ten. Na een tijd erkende de vakbondsleiding de staking wel, maar dat bleek slechts een maneuver om ze terug in handen te krijgen. Een paar dagen later eiste ze de ontbinding van de stakingscomités, en na 1 mei wilde ze de staking helemaal stopzetten. Er was geen sprake van zomaar inbinden, we wilden nog steeds een algemene staking. We trokken naar andere fabrieken voor solidariteitsacties. We gingen met 300 mijnwerkers naar de ACOD-cvcc-meeting spoor in Brussel, we bezetten de sporen om ons te verbinden met de spoormannen, we gingen naar de FN-stakers in Luik. Over actieordewoorden Om de staking terug in handen te krijgen bedacht de vakbondsleiding acties als het bezetten van het klaverblad in Lummen en van het sas van het Albertkanaal. Dat lijkt wel sensationeel, maar voor de strijd was dat waardeloos. Te ver van de fabrieken en de massa's van de werkers. Wij gingen dus door met onze mobilisatie: we trokken met meerdere duizenden mijnwerkers naar vestigingen van Ford en Philips, bij onze bezoeken aan de vakbondslokalen pakten we de Generale Bank in Hasselt aan, we bezochten vele scholen in Limburg en we organiseerden een paar betogingen in Brussel. Wilfried Martens wilde de mijnwerkers absoluut van de straat. In de salons van de burgerij was er zenuwachtigheid, men wou koste wat het kost een algemene staking tegen de 200 miljard besparingen van het Sint-Anna-plan vermijden, zeker met de mijnwerkers aan het hoofd. Daarom verklaarde de regering dat er geen collectieve ontslagen zouden komen, maar dat was helemaal onze eis niet. We wilden zwart op wit dat de 20.000 arbeidsplaatsen bij de ks zouden behouden blijven. De vakbondsleiding was daarmee tevreden en betaalde niet langer stakingsgeld uit. Strijdbare vakbondsafgevaardigden en militanten werden zwaar onder druk gezet. Maar de stakingscomités bleven werken, we staakten verder. In de staking van 1986 zetten we alles op het losweken van een algemene nationale staking, met de mijnwerkers als locomotief. Waarom? In september 1983 werd er al negen dagen massaal gestaakt tegen de regeringsbesparingen in de openbare diensten. In 1984 waren er in Wallonië en in de hele privé-sector opnieuw stakingen tegen de besparingen. In 1986 ontstond er grote beroering rond het Sint-Annaplan waarmee de regering 200 miljard wilde besparen. De kans op een algemene staking zat erin als de mijnwerkers het volhielden tot de anderen in staking gingen. De spoormannen en grote delen van de openbare diensten stonden klaar voor een 24-urensta-king op 6 mei. De christelijke onderwijsbond staakte op 2 mei. Alle syndi-calisten wilden reageren. Maar de ABW-leiding zette haar betoging wél héél laat: op 31 mei. De journalist Walter De Bock verklaarde voor de Nederlandse televisie half mei: 'De mijnstaking moest opgekuist worden vooraleer acties tegen het Sint-Annaplan losbraken. De situatie was potentieel vergelijkbaar met '60-'61.' Op 31 mei gingen we naar de ABW-betoging in Brussel. Een van de grootste betogingen van na de oorlog. 200.000 man. De streek van La Lou-vière was dan al twintig dagen in algemene staking. Maar de ABW-top zag de betoging als een eindpunt. Wij hebben met de mijnwerkers de kop van die betoging getrokken, zéér tegen de zin van de vakbondsleiding, maar we kregen overal felicitaties. Al onze ordewoorden stonden in het perspectief van die algemene staking. Daarom trokken we naar de acod-cvcc-meeting in Brussel, daarom bezetten wij de sporen en gingen we naar de FN-stakers in Luik. De mijnwerkers wilden de locomotief van de staking zijn. Ook in de ordewoorden tegenover het rijkswachtoptreden komen de keuzes naar voren. Je zou kunnen kiezen voor het militair winnen van een staking. Systematisch en militair tegen de rijkswachtrepressie ingaan. Je gaat dan met een paar honderd man een militaire tactiek uitstippelen. Arbeiders zijn daartoe bereid. Er zijn wel militaire acties geweest. Wij hebben de politie en de rijkswacht geregeld doen zweten voor hun maandwedde. Als dat gebeurde, waren er daarna altijd meer stakers aan de piketten. Arbeiders zijn voor een actieve staking en dat betekende voor de mijnwerkers ook confrontaties met de rijkswacht. Door de mijn-arbeid zijn wij even lenig, snel en fysiek getraind als de rijkswacht. We hadden wel niet hun uitrusting. Als we terugsloegen tegen hen, was dat gedisciplineerd en om onze tanden te laten zien. We waren niet op doden uit. We kozen niet voor de militaire confrontatie, maar voor de algemene staking. Een ander voorbeeld van zo'n ordewoord en de strijd errond komt uit de staking van '87. Toen we naar personeelsdirecteur Foblets gingen om de afdanking van Posikata en Vermeulen, twee syndicale militanten, ongedaan te maken. Dan had je de keuze: daar bezetten tot heropname of onderhandelen. De meerderheid was voor onderhandelen. Of eveneens in '87: de keuze tussen naar het westen te gaan werken of de afdankingspremie van 800.000 frank aannemen. De stakingsleiders riepen op voor het westen, maar dit ordewoord werd niet gerealiseerd. In een staking zijn ordewoorden een uitdrukking van waar je naar toe wil met de strijd, een uitdrukking van je politieke visie. Om de juiste ordewoorden te vinden, moeten een aantal voorwaarden vervuld zijn. Je moet om te beginnen klaar zien in de strijd, basisvoorwaarde om de juiste eisen te kunnen formuleren. Ten tweede moet je ervoor zorgen dat dit ordewoord het haalt van andere standpunten. Tegelijkertijd moet je ook de eenheid in de strijd voor ogen houden: heb je een juist ordewoord maar is een deel van de leiding ertegen dan gaat de eenheid boven dat ordewoord, anders zetje een stap achteruit. Dan moet je zien dat dit ordewoord gedragen wordt door de brede massa van de arbeiders en niet alleen door de meest militante. En tenslotte moet het ordewoord ook nog uitgevoerd worden. Rijkswachtterreur in Limburg Omdat de vakbondsleiding ons niet onder controle kreeg, kreeg de rijkswacht de opdracht de staking te beëindigen. En zij speelden het zeer hard. Het optreden was zelfs voor de betrokken rijkswachters zo zwaar dat ze hun klopjachten maar konden uitvoeren met behulp van een behoorlijke dosis jenever. Er werd voortdurend gechargeerd, Turkse mijnwerkers werden tot in de winkels achtervolgd. Het rijkswachtoptreden was zo brutaal en racistisch dat de Liga voor de Rechten van de Mens ter plaatse een onderzoek kwam uitvoeren en rapporteerde: 'Het rijkswachtoptreden is onwettelijk, racistisch... met de kenmerken van folterpraktijken.' De Liga kwam tot de conclusie dat dit optreden van hogerhand geïnstrueerd werd met de bedoeling de staking te breken. Ook de stakingsleiders moesten het ontgelden. De rijkswacht probeerde ons op te pakken, iets wat hen door toedoen van vele mijnwerkers niet gelukt is. We probeerden het vol te houden tot de andere stakingen begonnen, maar de terreur van de rijkswacht was te hevig. Zolder ging als eerste door de knieën. Syndicaal was dat de minst sterke mijn en dus concentreerden onze tegenstrevers zich vooral daarop. Daarna was het de beurt aan Eisden en Beringen. Twee mijnen staakten nu nog verder. Maar op de algemene vergadering van 19 mei lieten de Italiaanse vakbondsmilitanten verstaan dat de staking stilaan onhoudbaar werd. 90% van de aanwezigen stemde nog voor een verderzetting, maar op 21 mei werd de staking opgeschort. We waren gestrand op amper tien dagen van de grote ABW-betoging. We gingen terug aan de slag en zouden ons in de mijnen beraden over verdere strijd. Achteraf is mijn balans van onze staking van 1986 wel positief. Gedurende zes weken beroerden we de andere werkers met onze principiële opstelling tegen de mijnsluiting, tegen elke afdanking en afvloeiing en voor het openhouden van de vijf mijnen met het geld van de Generale die in '85 alleen al 2,821 miljard winst maakte, en een kapitaalsverhoging van 5,7 miljard had doorgevoerd! We leverden ook een flinke bijdrage in de strijd tegen het Sint-Annaplan. De staking van 1987 Op 17 december 1986 ontvouwde Gheyselinck zijn sluitingsplan voor de drie mijnen van het oosten, Winterslag, Waterschei en Eisden. De mensen die er werkten konden kiezen tussen een sluitingspremie — initieel 400.000 frank bruto — of een overstap naar de twee resterende mijnen in het westen. Het plan Gheyselinck werd door de mijnwerkers en door alle strijdbare delegees verworpen, ook nadat het door de regering was goedgekeurd op 31 december. In januari 1987 begonnen we aan de voorbereiding van een nieuwe staking. Op 3 maart was het zo ver: Waterschei begon. Onder leiding van Jan Grauwels kwam een grote stakingspost de middagpost in Winterslag overhalen mee te staken. Ik riep het stakingspiket op om de mensen van de nachtploeg buiten te halen, maar de politie zat in het mijngebouw en er werd geduwd en getrokken. Op een bepaald moment werd ik door de politie in de rug geduwd, en mijn arm kwam in gebroken glas terecht. Ik bloedde, maar stond er niet echt bij stil, ik dacht enkel aan de staking. Het was een komisch zicht: met mijn ene hand over mijn bloedende arm liep ik druk over en weer om iedereen te overhalen het werk neer te leggen, en ondertussen liepen er een paar ingenieurs achter mij aan om me in de opgeroepen ambulance te stoppen. Een stevig bloedspoor achtervolgde me. Pas toen de staking een feit was, liet ik me door de ambulance naar een ziekenhuis brengen. Twee pezen en een zenuw bleken blijvend overgesneden. De volgende morgen heb ik mezelf ontslagen uit het ziekenhuis. Ik móést naar dat piket, mijn arm in het gips of niet. Die arm heeft heel de staking pijn gedaan, die zenuw. De eerste avond was er een stakingscomité voor de twee mijnen samen opgericht, een verzwakking van de stakingsleiding, maar ik kon er niets meer aan doen. De staking van '87 ging rond dezelfde eisen als de staking van '86, we moesten proberen de regeringsbeslissing ongedaan te maken. Met het aanbod van de sluitingspremie vond het acv dat er geen reden tot staken meer was en ze betaalden geen stakingsgeld uit. Daarom trokken we met meer dan duizend mijnwerkers naar het Acv-gebouw in Hasselt. De mijnwerkers stonden in de gangen, niet iedereen kon binnen. Opeens kwam de rijkswacht om het gebouw te bezetten. De Acv-leiding had de rijkswacht ontboden! We werden door de vakbondsleiding uit het huis gezet dat betaald was met onze bijdragen, we werden uit ons eigen huis gezet. De arbeiders waren razend. De rijkswacht verdween ijlings. Journalisten schreven dat een bloedbad op 't nippertje was vermeden; ik kan dat enkel beamen. Na vijf a zes weken werd de sluitingspremie verhoogd tot 800.000 frank bruto. Later werd dat 800.000 frank netto. Gheyselinck zei dat elke mijnwerker vrij was te kiezen tussen die 800.000 frank of de overstap naar het westen in de overblijvende mijnen, Zolder en Beringen. Tegen 29 april moest er een keuze gemaakt worden. Maar wij wilden nog steeds het volle pond: de mijnen in het oosten moesten open blijven. De sfeer werd dan ook steeds grimmiger. Op 6 april slaagde een groepje stakingbrekers erin Jan Grauwels te raken aan het hoofd. Op 't eerste gezicht leek hij er gelukkig niet al te erg aan toe. Diezelfde dag doemde een deurwaarder op aan de sta-kingspost met een ontslagbrief voor Harry Posikata en Herman Vermeulen, militanten van het abvv. Men wilde duidelijk de strijd onthoofden. Grauwels wilde beginnen speechen maar de slagen van 's morgens waren toch te veel geweest. Hij werd voor meerdere dagen in het ziekenhuis opgenomen. 's Avonds trokken de mijnwerkers in betoging naar het ziekenhuis: met lichtjes in de zwarte lentenacht. Eén stakingsleider in 't ziekenhuis en twee afgedankt, de vijzen werden steeds zwaarder aangedraaid. Delegeeverkiezing in staking: een intens geluk Amper drie dagen later grepen de sociale verkiezingen plaats, goed tien dagen voor de keuze tussen premie of overstap. De uitslag van de verkiezingen was echter een duidelijk uitspraak over de sluiting en de stakingen van 1984 tot 1987: alle verraders van de strijd tegen de sluiting werden afgestraft. De stakingsleiders werden met vlag en wimpel herkozen: - Jan Grauwels, abvv Waterschei: 1.270 voorkeurstemmen of bijna 51% van
de stemmen; Het acv werd afgestraft. In Waterschei waren er zes ABVV-verkozenen, vijf van hen kwamen uit het stakingscomité. In Winterslag haalden de leden van het stakingscomité de meeste stemmen. Een intense overwinningssfeer. Er was geen andere interpretatie mogelijk. Duizenden mijnwerkers hadden gestemd voor onze ordewoorden: 'Geen enkele put dicht' en 'De Generale moet betalen'. De staking was nog niet voorbij, de strijd ging voort. Maar met Grauwels in het ziekenhuis en Posikata en Vermeulen nog steeds afgedankt moesten we eerst terug kopstukken hebben. Er werd druk gedebatteerd. Dezelfde dag nog reden we met honderden mijnwerkers in een autocaravaan naar directeur Foblets. Groene en rode vlaggen getuigden van de eenheid in de strijd. Het getoeter werd met gejuich beantwoord. Foblets deed wel beloftes maar gaf geen garanties op papier. Ik was toen voor een echte bezetting tot we die garanties kregen, maar dat standpunt heeft het niet gehaald. Ik koos voor de eenheid en we hielden het bij een symbolische bezetting. De delegeeverkiezingen werden een echte volksraadpleging. Hier was geen interpretatie mogelijk. Duizenden mijnwerkers hadden gestemd voor 'Geen enkele put dicht' en 'De Generale moet betalen'. Hun principieel oordeel over de stakingen van 1984 tot 1987 gaven ze met de sociale verkiezingen van 1987. De verkiezingsuitslag en de actie naar Foblets bewezen dat de strijd niet gedaan was. Dat het juist was op te roepen om naar het westen te gaan werken en de afdankingspremie af te slaan. De massa stond nog sterk op deze 9de april 1987. Op die sterkte kon verder gebouwd worden. Eens in het westen was het veel moeilijker geweest. Dit blijven verdedigen in discussies is de klassenstrijd verder voeren. Dit moetje doen, anders winnen de andere standpunten veld. Gheyselinck interpreteerde de uitslag van de verkiezingen op dezelfde manier: 'De zege van de stakingsleiders is begrijpelijk omdat de mijnwerkers hierdoor konden zeggen dat ze het niet eens zijn met de herstructurering. Maar de geldverschaffer heeft altijd het laatste woord.' {Het Belang van Limburg, 11 april 1987) In Knack verklaarde hij later absoluut niet zeker te zijn van de uitkomst. Hij was niet zeker over het aantal mijnwerkers die voor de 800.000 zouden kiezen. 800.000 of naar 't westen! Net als in 1986 werd de spanning nu opgedreven. Er werden 650 rijkswachters uit Wilrijk en Brussel ingezet en op 13 april viel de rijkswacht aan over de hele lijn. Met hun lange matrakken probeerden ze de piketten uiteen te slaan, acties waar verschillende gewonden bij vielen. En ook nu weer was er blijkbaar flink wat drank geschonken: dronken rijkswachters vielen vrouwen lastig op straat. Ze drongen zelfs een moskee binnen midden in een gebedsdienst; de vijfhonderd aanwezigen werden uit de moskee verdreven nadat alle schoenen van de gelovigen op het dak waren gegooid. En toen de imam de pers zijn bloedend gezicht liet zien en wilde protesteren tegen de brutaliteiten, lachte de verantwoordelijke van de rijkswacht hem gewoon uit. Reactie in Het Volk op 15 april: 'In de rijkswachter moet men de mens kunnen zien. Zeker in deze paasweek.' Het was een goed doordachte en nationaal opgezette aanpak om de staking te stoppen en de arbeiders te zeggen dat de rijkswacht de macht heeft in dit land. Luitenant Goos van de rijkswacht drukte het in De Morgen van 15 april zo uit: 'Nu is het aan ons. Het is tijd om de zaak op te ruimen.' En net als in '86 slaagde de rijkswacht in haar opzet. De staking van '87 was gedaan. Maar Gheyselinck besefte datje de geesten nog niet gewonnen hebt door arbeiders met de matrak naar binnen te slaan. Op 22 april, zes dagen voor de einddatum van de keuze tussen de 800.000 of het westen, gaf hij een nieuwe uppercut via een artikel in Het Belang van Limburg: 'Als er meer dan 9.000 kiezen om in het westen te gaan werken... zullen ook daar afdankingen komen. (...) die zullen zelfs die 800.000 frank dan niet meer krijgen. (...) wie deze zaak boycot, wordt op een afdankingslijst geplaatst'. De pvda en de strijdbare stakingsleiders stelden dat 800.000 frank niets was in vergelijking met een job, in vergelijking met een strijdbare arbeiderscultuur. Naar het westen gaan werken betekende verder vechten, en gezien de afgelopen twintig jaar leek dat een haalbare kaart. Maar op dat moment voelden de mijnwerkers zich alleen gelaten, verraden door de burgerlijke partijen en door hun vakbondsleiders. Ze hadden het hard te verduren gekregen, ze waren geslagen en opgepakt door de rijkswacht. Het racistisch rijkswacht-geweld woog ook zwaar op vele Turkse en Italiaanse mijnwerkers. Het tegen hen ingezette geweld was de druppel waardoor de mijnwerkers dachten: 'We kunnen niet winnen. De tegenpartij is té machtig. We staan alleen. We tekenen voor de 800.000.' De krachtsverhoudingen waren dus in het voordeel van de burgerij, en een grote meerderheid, zelfs sommige stakingsleiders, kozen voor de premie. Naast een kleine groep strijdbare mijnwerkers gingen er veel ratten en cheffen naar het westen. Er bleef enkel de strijdbare mijnwerkersgroep van Beringen met Luc Cieters en Freddy Bungeneers aan het hoofd. Jan Grauwels, Herman Vermeulen en ikzelf tekenden voor het westen maar zouden er nooit kunnen beginnen door een 'njet' van Gheyselinck. We hadden gelijk toen we stelden dat er nog niets verloren was. Maar het was op dat moment ook voor de pvda een ongelijk gevecht. Mondeling, met pamfletten, door lange discussies in groepjes, man per man overtuigen is niet hetzelfde als de vele kanalen die de burgerlijke krachten konden bespelen met hun boodschap: 'Je staat er alleen voor, en in het westen zal het nog erger zijn. De mijnen zijn dood.' Vandaag zouden vele mijnwerkers wat graag die beslissing ongedaan maken. Op 20 april '96 ging er een strijdfeest door, tien jaar na de staking van '86. Weken van tevoren hadden we de schacht van Winterslag met een metershoge groen-rode vlag getooid. Suleyman Akkoc, een ex-mijnwerker die bij Multicolores van het ABW-Limburg werkt, verklaarde: 'Op mijn zitdagen hoor ik elke dag dramatische verhalen van werkloze ex-mijnwerkers, veel migranten, en dan klinkt het bijna unaniem: "Was de mijn nog maar open! Hadden we maar harder gevochten".' Strijdbare arbeiders vergeten niet snel vriend en vijand. En de mijnstaking blijft vandaag als voorbeeld fungeren, dus moeten we haar wezen zélf beschermen. Vakbondsmoord: fase één Gheyselinck kende sinds 28 april het standpunt van de mijnwerkers, hij had ook grotendeels zijn slag thuisgehaald over de sluiting in het oosten, hij moest zich enkel nog verzekeren van een gematigd syndicaal klimaat in het westen. Daartoe bedacht hij een duivelse strategie. De mijnwerkerscentrale van het abvv moest geliquideerd worden. Grauwels, Vermeulen en ikzelf werden afgesneden van de mijnwerkers omdat we niet mochten overkomen naar de resterende mijnen. Nu wilde hij nog de overblijvende mijnwerkers van Beringen en Zolder provoceren tot hun revolutionaire strijdwil gebroken was. Het sluitstuk was de benoeming van Michel Dijlst, de voorzitter van de Verbroedering van mijnopzichters, tot nieuwe stakings'Ieider', hoewel veel cheffen het daar niet zomaar mee eens waren. Ook binnen de mijn-centrale van het abvv had Gheyselinck pijnlijk genoeg een bondgenoot gevonden: nationaal voorzitter Olyslaegers. Terwijl wij in de waan waren dat hij steun ging ophalen bij andere centrales en bij de nationale leiding, zette hij overal een boom op over de pvda die 'de mijnwerkerscentrale had overgenomen'. Stilaan werd duidelijk dat Olyslaeghers liever géén mijnwerkerscentrale had dan een strijdbare, uiteindelijk zou hij ze zelfs opdoeken. Op 24 oktober 1987 vierde de Verbroedering haar vijfentwintigste verjaardag. De voorzitter bedacht de 800 aanwezige cheffen met een verrassing: 'Elk jaar nodigen wij een gastspreker uit, die door zijn kennis en beroepsbekwaamheid deze samenkomst positief beïnvloedt. Ks-manager, de heer Thyl Gheyselinck heeft onze uitnodiging aanvaard om ons vandaag toe te spreken.' (Mijn-Info, jaargang 2, nr.8, p.12) In zijn speech maakte Gheyselinck zijn plan bekend om de verlofregeling af te schaffen: 'om de luieriken eens goed aan te pakken.' Hij maakte ook duidelijk dat hij de resterende mijnen zo snel mogelijk wenste te sluiten en verklaarde dat Jan Grauwels nooit zou toegelaten worden in het westen. De vergadering van 800 cheffen noemde hij 'een ideaal forum en de belangrijke schakel voor de communicatie met de arbeiders'. Een regelrechte oorlogsverklaring aan de mijnwerkers die gebleven waren, aan hun nieuw gekozen delegees en aan de militanten en de voormannen van de stakingscomités. Er werd rijkelijk alcohol geserveerd en de meeste cheffen applaudisseerden toen Gheyselinck zei dat Grauwels niet meer in de put kwam. De mijnwerkers die pas overgekomen waren van Waterschei naar Beringen pakten onder in de mijn de cheffen woedend aan: 'Waarom heb jij geapplaudisseerd voor Gheyselinck? Wie zijn jullie om Jan zonder broodwinning te zetten?' De cheffen moesten inbinden. Met Michel Dijlst was Gheyselinck echter zeker van zijn zaak. Dijlst verklaarde op diezelfde 24 oktober: 'Ik ga vandaag geen pleidooi houden pro of contra deze drastische sluiting (van de oostelijke zetels, nvdr), iedereen heeft daar wel zijn eigen mening over. (...) Het toezichthoudend personeel, de directeurs, de ingenieurs en de opzichters, zij zijn de spil van de onderneming, zij bepalen het werkklimaat, zij bepalen het ritme en zij liggen aan de basis van het rendement. Zij zijn voor hun omvangrijke achterban de voormannen en worden door hen in de meeste gevallen in hun volledig doen en laten onbewust gevolgd. (...) Als de leider lacht, lacht de achterban. Als de leider weent, weent de achterban. Als de leider werkt, werkt de achterban. Als de leider gedemotiveerd op zijn achterste zit, zit de hele achterban gedemotiveerd op zijn achterste. Wij moeten in de eerste plaats zorgen dat de demotivering van de laatste jaren ophoudt te bestaan en omslaat naar zin voor productie en zin voor rendement.' De mijnwerkers weten dat dit de terugkeer betekende van de 'kolenboe-ren', een aantal failliete zelfstandigen die een tijdlang aangetrokken werden om als chef in de mijnen te komen werken. Hun mentaliteit van 'hoe meer kolen, hoe beter voor de patroon en dus ook voor de mijnwerkers' botste tegen een verworvenheid van de mijnwerkers, namelijk dat productiviteit niet de zaak van de arbeiders is. Als arbeider moet je goed werken. Maar je moet er ook voor zorgen veilig in leven te blijven. Maar op het terrein waren we nog erg sterk. Er werd met succes een petitie gelanceerd om Jan Grauwels, Vermeulen en mij toch nog te laten overkomen naar 't westen. Het leek erop dat we het gevecht nog konden winnen. Begin 1988 gingen we in de aanval tegen de afschaffing van de verlofregeling. In Beringen stond de staking ijzersterk onder leiding ABW-delegees Luc Cieters en Freddy Bungeneers. Grauwels, Vermeulen en ik namen onze verlofdagen op om de staking aan Zolder mee te gaan leiden met delegees als Tony Ventura. Na zes weken staking kwam Gheyselinck met een betaalde lock-out uit de hoek, een echt duivelse streek om de vakbond te liquideren. De delegees werden gepasseerd. Gheyselinck richtte zich schriftelijk tot de mijnwerkers: ze moesten aan ks laten weten of ze terug aan het werk wilden gaan. Wie positief reageerde, kreeg een stakingsweek door Gheyselinck uitbetaald. In Zolder werd zo de staking gebroken. In Beringen wilden de mijnwerkers de strijd tegen de nieuwe verlofregeling verder zetten in de mijn, maar wanneer de mijnwerkerscentrale van het abvv liet weten geen geld meer te hebben om haar leden uit te betalen, was de staking gebroken. Dat was ook het feitelijk einde van de mijnwerkerscentrale. De delegees van Beringen en Zolder probeerden nog wel een centrale ondernemingsraad bijeen te roepen om te kunnen protesteren, maar de directie 'zag daar het nut niet van in' en ze ontbond de centrale ondernemingsraad. De sociale inspectie verklaarde zich in deze zaak 'onbevoegd'. Een vakbondsmoord zonder voorgaande in ons land. Gheyselinck kon zijn 'plan Dijlst' bovenhalen. Dijlst vanuit arbeiders standpunt bekeken Plots was dus Michel Dijlst de nieuwe 'stakingsleider'. Er is zoveel verdachts aan die man. Sommige journalisten schreven dat hij een agent van de Staatsveiligheid was, anderen dat de acties van 1989 opgezet spel waren van Dijlst, Gheyselinck en de rijkswacht. Zeker is dat Michel Dijlst tijdens de stakingen van 1986 en 1987 in Zolder als eerste terug begon te werken. Volgens de ABW-delegees van Zolder braken Dijlst en de cheffen zelfs door het piket met stokken. Als je dan ook nog uit een familie komt met een gekende fascistische vader, een broer die met de verboden fascistische VMO-militie in de Voerstreek actief was en je daar nooit publiek afstand van neemt! Bovendien waren de acties van Dijlst echt vreemd. Ineens was er geld genoeg. Sterker nog, de arbeiders werden betaald om te staken: ze tikten en gingen daarna de straat op. Toen wij in '86 wilden gaan betogen kregen wij geen frank voor de bussen en in '87 kregen we geen treinen vast, maar nu was er ineens ook geld voor de treinen naar Brussel. En toen het daar tot enorme gevechten kwam, liet de rijkswacht begaan... terwijl wij zoveel klop kregen, werden opgedreven en gezocht door de rijkswacht en afgedankt werden. Een Marokkaanse delegee werd afgedankt 'om zwaarwichtige redenen' maar Dijlst kon zomaar de rijkswachtpaarden te lijf gaan. Bepaalde bronnen zeggen dat ook de 'raid op Hasselt' georkestreerd was. Tobback zou in Hasselt geweest zijn om de rijkswacht te leiden die opmerkelijk liet begaan. Achteraf hoorden we dat de rijkswachters er zelf niets van begrepen. Ook is bewezen dat Gheyselinck geld gaf aan de organisatie van Dijlst. Ivo Van de Kerckhove doet het hele verhaal in De miljarden van de ks. Men kan rustig stellen dat de mijnwerkers schandelijk misbruikt zijn door Dijlst. De staking van 1988 kon ik mee leiden door veel verlofdagen te nemen en er naartoe te gaan wanneer we niet moesten werken. Maar toen Dijlst begon met zijn betaalde acties werden de revolutionairen van de pvda en syndicalisten als Jan Grauwels onherroepelijk afgesneden van de massa. Ik heb nog meegedaan aan de acties die door de Verbroedering van Dijlst werden georganiseerd op 31 maart en 1 april' 89. Ik liet me niet doen. maar onze invloed was te sterk afgenomen. Toen de laatste steenkool in Winterslag werd bovengehaald tijdens een ceremonie met de burgemeester wou ik het woord nemen. De micro werd gewoon afgezet. Hoe de acties onder leiding van Dijlst in '89, '90, '91 te beoordelen? De overblijvende mijnwerkers waren geen avant-garde arbeiders, er waren veel ratten en cheffen bij. Maar toch, hun ontgoocheling over het bedrog van Gheyselinck was groot. Dat verklaart waarom de mijnwerkers bleven vechten. Voorhoede-arbeiders hadden door dat er veel niet klopte, een groep heeft zijn woede laten zien en geweld gebruikt. Het was echter ongericht geweld, enorm verschillend met de strijd van de jaren ervoor. Het was een strijd zonder duidelijke eisen. Mijnwerkers verklaarden dat ze gedwongen werden mee te doen aan de acties van de opzichters. In feite heeft Dijlst de woede en de ongerustheid, de vraag naar klare wijn van mijnwerkers misbruikt om Gheyselinck de kans te geven de mijnen sneller te sluiten. De acties van '89 hadden niets met gericht en revolutionair geweld te maken. Het was geweld van losgeslagen elementen die vrij spel kregen van Dijlst. Wij zouden ze geen kans gegeven hebben. In de voorbije jaren hadden we het beste in de mijnwerkers bovengehaald. Dijlst deed net het tegenovergestelde. Het kwam niet zelden voor dat mijnwerkers die onder leiding van Dijlst door Hasselt, Leuven en Brussel trokken, de vrouwen op straat lastigvielen, zaken die niet kunnen geduld worden in de arbeidersstrijd. Maar net als overal zijn het in de arbeidersstrijd de resultaten die tellen. En in dit geval kunnen ze tellen. Door onze strijd, door de strijd van 20.000 mijnwerkers bleven de mijnen twintig jaar langer open. Die 20.000 mijnwerkers hadden al die jaren werk en een degelijk inkomen, relatieve bestaanszekerheid voor hun gezinnen, een toekomst. Die hele gemeenschap was aan elkaar gehecht, multicultureel en solidair. Vele duizenden arbeiders waren actief in jarenlange strijd. Ook de verdubbeling van de sluitingspremie in '87 is een resultaat van deze strijd. De resultaten van Dijlst? Voor de cheffen bekwam hij zeer hoge afscheidspremies uit de miljarden reconversiegeld. Maar zijn grote verdienste ligt elders: door zijn toedoen kon Gheyselinck zijn plan 'actualiseren'. Dat betekende: de rest sluiten, nog liever gisteren dan vandaag. Dat betekende jaren minder werk en inkomen voor duizenden mijnwerkers. Zonder Dijlst zouden Zolder en Beringen veel langer opengebleven zijn. Mijnwerkers van en rond de pvda De pvda mag dan wel vaak verguisd worden, dat de mijnen zolang opengebleven zijn, is in niet geringe mate te danken aan haar en aan al de arbeiders die op een of andere manier steunden. Doorheen de jaren werkten zij op veel verschillende manieren mee met de pvda. Er waren er die mee de stakingen leidden, zoals dat lid van de vriendenkring dat vaak speechte. Anderen waren misschien minder hevige stakers maar gingen binnen het piket de discussies aan, en dat is even essentieel werk. Die mensen zag je groeien door wat ze bij ons hoorden of lazen en daarna gebruikten ze de gegeven argumenten aan de piketten. Veel leden van onze vriendenkring zaten in het stakingscomité. En iedereen had zijn taak, dingen als het ontvangen van de solidariteitsdelegaties van de andere fabrieken en hen uitleg geven aan het piket. Hun activiteiten werden besproken op de vergadering. Het moeilijkste vond ik als er een mijnwerker uit de pvda ging. Rond de vriendenkring had je een grotere groep sympathiserende mijnwerkers die vooral op de syndicale strijd gericht waren, in Winterslag waren dat een veertigtal. Ook als er geen staking was, was de vriendenkring actief. In '86 bijvoorbeeld hielden de vakbonden een petitie tegen de sluitingen. In de putten waar de vakbondsafgevaardigden dat deden werd er vlot getekend maar bij ons in Winterslag wou de delegatie niet met die petitie rond gaan. Dat werk werd dan gedaan door leden van de vriendenkring. Wekenlang hadden zij grondige discussies met iedereen in de badzaal en beneden in de mijn. De mijnwerkers wisten heel goed dat wie er bij ons mee rondging aanleunde bij de pvda. Maar dat belette hen niet zich aan te sluiten bij de eisen tegen de sluiting. Op een of andere manier heb ik een invloed gehad op alle mijnwerkers. Er werkten lang meer dan drieduizend mijnwerkers in Winterslag. Als je ervan uitgaat dat die groep zich drie keer vernieuwde, kom je aan tienduizend. Dat wil nog niet zeggen dat zij nu na tien jaar nog dezelfde standpunten hebben als toen. Maar het was toen toch een strijdbare groep. Er waren er die regelmatig Solidair kochten, anderen lazen de krant als er iets over de put in stond, er waren ook de oudere migranten die niet goed Nederlands lazen maar die wel openstonden voor discussies. Dat waren niet allemaal communisten, maar met de meesten had ik een organische band. Al bij al werkte ik nauw samen met een goeie honderd mijnwerkers. Ik zat al sinds 1971 in de mijn en was gekend als communist, en van 1974 tot 1988 leidde ik alle acties in de mijn van Winterslag. Als ik een oproep deed, stonden ze achter mij. Ik kon ook rekenen op mijnwerkers die me fysiek beschermden. Als een rechtse tiep me aanviel vlogen de mijnwerkers erop. Dat is een keer of drie gebeurd. Op een middag werd ik bij een stakingspiket besprongen door de flikken. Direct sprongen een paar mijnwerkers mij ter hulp. Ik lag helemaal onderaan en moest naar adem happen. De politie heeft me niet kunnen oppakken. Nooit. Bij zo'n gevecht klonk het dan van: 'Hé, raak niet aan Saeyske!' En achteraf waren diegenen die me beschermd hadden fier: 'Hé, Saeyske, ik was daar ook bij.' Dat heeft me altijd ontroerd. Het zijn zij die ervoor gezorgd hebben dat we nooit zijn opgepakt. En als je weet hoe fel het geweld van politie en rijkswacht was, kan dat tellen. In de stakingen moest ik me ook nooit zorgen maken over provocateurs. We kenden iedereen, een provocateur of BOB'er had geen schijn van kans. De mijnwerkers hadden veel aan de krant Solidair. Daarvan verkochten we aan de poort van Winterslag een aantal jaren een honderdtal losse nummers en we hadden een twintigtal abonnees, ikzelf verkocht tussen de 54 en de 87 nummers. Aan de poort was het soms grappig. Ik wist met wie ik in de week ervoor een harde discussie had gehad. Kwam die aan, dan vroeg ik: 'Weet je nog van vorige week? Daar staat een artikel over in Solidair. Lees het eens en dan kunnen we er in de put over praten.' En die discussies kwamen er dan ook. Ik wist wie ik moest aanspreken en bij wie ik geen moeite moest doen. Om de klassenstrijd politiek te kunnen leiden moeten er volgens mij één op tien arbeiders de krant van de marxisten kopen, en dat was bij ons ongeveer het geval. De mijn heeft me hard veranderd Ik ben eigenlijk geen groepsmens. In een bepaald opzicht ben ik een typische kleinburger gebleven. Voor mij is dat een overblijfsel van onze 'roots': niets willen te maken hebben met de burgermaatschappij. Wij waren in '68 op een idealistische manier tegen de burgermaatschappij, en dus ook tegen 'de domme massa'. May beweert dat ik spontaan alles doe wat andere mensen niet doen. En dat klopt ook: ik zoek graag nieuwe uitdagingen, ik probeer voortdurend mijn eigen grenzen te verleggen, in zekere zin zoek ik zelfs het gevaar op. Ik vind dat je alles moet durven. Die houding zal me misschien nog van pas komen in een andere periode van de strijd, maar in zekere zin staat zo'n persoonlijkheid wel haaks op wat ik twintig jaar lang in de mijn gedaan heb. De massalijn toepassen was zeker niet mijn sterk punt toen ik in de mijn begon. Langzaam maar zeker heb ik het echter geleerd. Niet dat mijn karakter fundamenteel veranderd zou zijn, maar ik ben toch wel meer een groepsmens geworden in die zin dat ik heb leren luisteren naar mensen. Dat had ik vroeger niet en dat is totaal en onomkeerbaar veranderd. In de put heb ik ook nooit gevaarlijke 'stunts' gedaan, hoewel het terrein er zich bij uitstek toe leent. In mijn militantenwerk ben ik een collectivist geworden: dat zou ik in mijn studentenjaren nooit gedacht hebben. Als je op school of aan de unief protesteert dan is dat individueel protest. Maar je bent vooral met je eigen ideeën bezig. Je probeert wel je vrienden mee te trekken maar als die niet meedoen, wel, tant pis. Dat kan niet in de mijn, daar moet je je eerst inleven in de situatie van de arbeiders. Op basis daarvan ga je standpunten innemen en verdedigen. Je kan maar acties voeren als de arbeiders ertoe bereid zijn. In de fabriek volstaat hel niet een grote mond op te zetten. Op school kan je dat, en dan kan je in het slechtste geval van school vliegen, maar dat gebeurt toch niet zo snel. In de fabriek reageer je ofwel samen of helemaal niet. Want als je alleen optreedt, word je zonder pardon op straat gezet. Het is ook zo datje het democratisch standpunt moet verdedigen in een staking of een actie. Dat is niet altijd je eigen mening, maar de mening die best bevonden wordt voor de strijd. Als de mensen willen slaken, zijn ze overtuigd door de voorafgaande discussies. Ook is er altijd iemand die met de staking moet beginnen, op dat vlak moetje dan wel zeil, soms zelfs individueel, je verantwoordelijkheid nemen. Je moet juist weten wat de mensen willen. Je neemt veel risico's, je staat altijd onder spanning. Je moet goed inschatten hoever de massa staat. Begin je te vroeg dan sta je alleen en loopt je kans om afgedankt te worden. Neem je de leiding op het gepaste moment niet op, dan zullen ze je dat ook verwijten. En als je dan een staking leidt, sta je daar niet de held uit te hangen maar je neemt je verantwoordelijkheid op. Ik ben bijvoorbeeld geen goeie spreker, als het moet doe ik het toch. We konden de mijnen niet openhouden Sommige stakingen worden gewonnen, andere verloren. Maar in elke staking worden arbeiders even uit de dictatoriale situatie van het dagdagelijkse fabriekswerk gehaald. In zo'n dagen speelt de kadaverdiscipline van de fabriek niet. De arbeiders krijgen dan met andere zaken te maken en doen snel inzichten op. Maar een staking kost ook veel, zowel psychologisch als materieel, ook voor hun gezinnen. Een staking verliezen is niet dodelijk. Maar je vertrouwen in de toekomst van het revolutionair proces verliezen, dat is wel dodelijk. Fouten maken is normaal. Het is erg voor de strijd die bezig is, maar het is normaal. De psychologische oorlog over de stakingen tegen de mijnsluitingen duurt nog steeds voort. Eerste thema: de mijnwerkers stonden vanaf '87 niet meer achter de strijd, ze kozen voor geld in plaats van voor werk. Maar de delegeeverkiezingen van 1987 waren een striemend antwoord daarop. Tweede thema: met het reconversiegeld zullen méér werkplaatsen geschapen worden dan het aantal jobs in de mijnen. Maar van dat 'toekomstcontract voor Limburg' is niks in huis gekomen. Moest Limburg dezelfde werkloosheidsgraad als de rest van Vlaanderen hebben, dan zouden er 13.127 werklozen minder moeten zijn. En van de nieuwe banen zijn er dan nog veel deeltijds. Vooral voor de migranten ziet het er slecht uit. De mijnwerkers hadden dus gelijk te vechten voor hun job en voor de toekomst van hun kinderen. Leven na de mijnsluitingen Nu ik niet meer in de mijn werk is niets nog hetzelfde. Ik ben mijn massabasis kwijt. Ik word dagelijks geconfronteerd met de vraag: 'Wat had ik nog allemaal kunnen doen in de mijn?' Dat is een risico van elke sector eigenlijk. Je moet er lang werken om er serieuze invloed te krijgen. Maar uiteindelijk beslist het kapitalisme of een bedrijf gesloten wordt. Toch is het moeilijk om na twintig jaar werken onder arbeiders zonder werk te zitten. Ik vond mijn draai in de arbeidersbeweging niet meer. Ik twijfelde geen minuut aan de revolutie of aan mijn overtuiging maar ik twijfelde aan mijn verdere rol in de Belgische arbeidersstrijd. De Derde Wereld kwam opnieuw dichter bij. Ik ben ook beginnen reizen. In '89 ging ik met May naar de Filipijnen. We bezochten er mijnen. De woonomstandigheden voor de mijnwerkers zijn er onmenselijk. Ze moeten leven in barakken van een aantal vierkante meter, dikwijls met vijf kinderen. We zijn toen ook naar bevrijde gebieden gegaan, bevrijd door de npa (National People's Army). We praatten en leefden er een tijdje met mensen in bevrijd gebied en met guerrillero's. Het jaar daarop leidden May en ik een groepsreis naar China: een budgetreis van de reisorganisatie Contact en Cultuur. Voor zestien mensen ter plaatse eten en slapen vinden, een manier van reizen die mij heel goed lag. De laatste week kon ik het toch niet laten om een bezoek aan een mijn, een fabriek en een landbouwcoöperatie aan te vragen. De mijn was even modern als onze westerse mijnen, maar er werd gelet op de veiligheid en de mijnwerkers kregen beneden in de put een warme maaltijd! In april '92, net na mijn pensioen, ben ik naar Peru gegaan, video-opnames maken in bevrijde zones. We werkten er samen met mensen van het Britse Channel Four. We trokken op met de guerrillero's van de communistische partij van Peru (Sendero Luminoso). Eigenlijk was ik graag daar gebleven. Het lag me goed, dat primitieve leven in de bergen. Het was er wel erg koud omdat de guerrilla zo hoog zat, maar dat leven paste me. Ook het voedsel smaakte me, al was het maar een kom bouillon met een stukje lamavlees erin. Ik ben gek op die eenvoudige zaken. In de Filipijnen at ik eens gebakken varkenstandvlees, een delicatesse. Ook slang en hond smaken me. Ik begon meer en meer te denken dat je moet meewerken aan de revolutie op de plaats waar je je het beste voelt. Toen bovendien de boeren ook nog eens in hun indiaans dialect vroegen daar te blijven, omdat ze zagen dat ik het er voor een westerling goed van af bracht, viel het me zwaar deze mensen te verlaten. 'Hoe primitiever hoe liever je het hebt', zegt May. Ik geef dat toe. In 1995 bezochten we Cambodja. Zou ik hier in België nog ooit kunnen aarden? Maar de laatste twee jaar ben ik opnieuw erg actiefin de arbeidersbeweging hier. Ik ben actief in stakingen op plaatsen waar nog geen, of slechts een beperkte PVDA-werking is. Zo heb ik ook de arbeidersstrijd van Wallonië leren kennen. Deze praktijk van de laatste twee jaren heeft de doorslag gegeven om te beslissen hier te blijven. Ik kijk uit naar elke discussie met jongeren die overwegen dezelfde weg op te gaan als ik. Ook al was ik bijna in Peru gebleven, ik weet nu dat er nog leven is na de mijnen. Zoals voor alle ex-mijnwerkers trouwens. Ons leven en onze strijd gaan door. Link naar "de fabriek" (in voobereiding) |