|
De vakbonds bonzen plonzen!
Mai Karel Heirbaut
Amsab Karel Heirbaut Home
2 april 1989 Kameraad Piet, Ik denk dat ge raar zult opkijken als qe dezen brief opendoet. Ja, het is waar, ik ben het, Sjarel! Ik heb toevallig Jef Sleckx ontmoet in den 'Bokkenhof' in Sint-Niklaas. Hij kwam daar spreken over het verfoeilijke Apartheidsregime in Zuid-Afrika. Piet, ze blijven daar de Zoeloes koejoneren, de blanken denken dat ze geboren zijn om alle negers te doen kruipen. Eerst kwamen de Hollanders en dan de Engelsen. De zwarte mag altijd de schoenen poetsen van meneer en de rug wassen van madam. De zwarten wonen in krotten, de blanken in villa's. Niet alleen daar viert het racisme hoogtij. In de woestijn jagen de Joden de Palestijnen op. Bij ons is het misschien wat beter gecamoufleerd: De werkelozen staan in lange rijen aan het stempellokaal om hun vlees te laten bestempelen. De Turken en Marokkanen die naar hier gekomen zijn als goedkope economische slaven, hokken samen op kleine kamerkes in vervallen steden. Iedereen vindt dat normaal, zo vanzelfsprekend. Zolang ze zwijgen, worden ze geduld. Och Piet, ik begin weer door te draven. Het is hier zoveel beter dan in Afrika. Bij ons is er democratie. De meiden en knechten uit de fabrieken mogen met de bazen in hetzelfde stemhokje om 'onze' volksvertegenwoordigers te kiezen. Eens onze staatsplicht volbracht, gieten de politiekers alles op 'n hoop, roeren eens in de soep van verschillende kleuren en de regering kan weer haar eigen goesting doen. In de fabriek mogen de mensen dan weer springen voor Meneer de Rijkaard. Piet, daarom schrijf ik u eigenlijk niet. Ik hoorde van Jef dat het niet zo goed gaat met uw gezondheid. Ik hoop uit gans mijn hart dat ge vlug weer de oude wordt. Nu dat ge juist kunt gaan genieten van het leven. Gij en ik, wij zijn alle twee als economische werkpaarden uit produktie genomen. Wij lopen te traag, alles gaat er nu veel sneller aan toe, alles verandert en wij kunnen niet meer mee in die waanzinnige wedloop. Kameraad, ik zal nooit vergeten hoe ik u heb leren kennen. Ik las in 'n dikken boek dat er bij Vieille Montagne in Balen, waar meer dan duizend werkende handen koper en lood produceerden voor Meneer de Rijkaard, plots een staking uitbrak op 8 januari 1971. Gij waart daar syndikalen délégé voor de roze vakbond. Ik zie u daar nog altijd zitten op de vergadering van het groot Arbeidscomité: uw karakterkop, dat wit-grijs haar, de pet op uw hoofd zat u als gegoten. Hoe rustig kon ge vertellen over uw staking, zonder 'n dikke nek, zonder veel bla-bla. Ge sprak stil en indringend:'Kameraden, de bazen, de rijkaards bij Vieille Montagne hielden er Middeleeuwse methodes op na. Ze waren baas en rechter, iedereen moest uit hun handen eten. Zij bepalen de lonen, wilt ge neer dan moet ge uw tanden laten zien. Alles is van de fabriek: de huizen waar de mensen in wonen, de school, zelfs het wijwatervat voor de pastoor. De dokters die de mensen gaan verzorgen of controleren, had den baas in zijne zak. Eén ding moesten de mensen zelf betalen: hun doodskist, nadat ze vergiftigd waren door lood- en koperdampen. Da's toch normaal zeker, wie gaat er nu dood van wat giftige danpen uit 'n smeltoven...' Piet, ik zal geen pluim op uwen hoed steken, maar ge waart 'n délégé naar mijn hart. Gij wist wat de zielen der arbeiders beroerde, ge wist wat ze wilden. Ze willen gerespecteerd worden, méér zijn dan een werkpaard en niet verminkt worden door schijnheilige weldoeners die zich God de Vader wanen. Ge waart met uw kameraden terecht gekomen in een 'wilde' staking. Wat een woord! De bazen handelden altijd 'wild', maar zij planden hun barbarisme. Piet, ge staarde u niet blind op uwen eigen navelbuik. Samen met Jef Sleckx ontmoette ik u aan vele fabriekspoorten, overal waar het gepeupel in opstand kwam tegen de heersers over de industriële slaven. Aan de glasfabrieken, aan de staalovens, toen de dokwerkers van Antwerpen en Gent in staking waren. Het was zeker niet onze schuld dat het schorremorrie rebelleerde tegen de heren die liever champagne dronken in plaats van pompwater. Piet, weet ge nog hoe razend kwaad de vakbondsbureaukraten op ons waren? Omdat we solidair waren met stakers uit andere fabrieken, omdat we naar de vele stakerspiketten reden om de mannen aan te moedigen. Zij die hunne mond vol hadden over solidariteit hadden veel liever dat we voor hun voeten doodvielen. Ik begrijp het nog niet. Was het omdat wij hunne nest uittrokken, hun maskers aftrokken? Omdat we hen doorzagen en uitbazuinden dat ze te graag onder één hoedje speelden met de rijke heren? Ik kan het de syndikale bonzen niet kwalijk nemen, ze willen een rustig, ongestoord leventje leiden. Het weze hen gegund. Ik denk nog dikwijls terug aan die zonnige dagen in het volkskamp aan de kust. Alle 'revolutionairen' kwamen daar samen, velen dachten dat ze een bijzondere taak te vervullen hadden in dit tranendal. In dat milieu kon ik volop dromen. Ik dacht dat het vuur van de revolutie elk moment kon toeslaan, dat we bekwaam waren de bazen, bankiers en hun handlangers opzij te duwen. Gij schudde uwe wijze kop, ge wist dat ik doordraafde en toch verloor ge nooit uwe glimlach. Ik zong en riep het uit: Wij willen niet een stuk van de koek, Kameraad, toen Jef Poupehan, de opperbaas van de katholieke vakbond, hoorde dat ik op de Boelwerf anti-bazenliederen zong, werd hij razend. Poupehan was nationaal secretaris van de metaalvakbond en ik was délégé op den Boel, eigenlijk was hij dus mijne syndikalen baas. Hoe het komt dat ik Jef betitel als 'Poupehan'? Ge moet 'n mens altijd de eer geven die hem toekomt. Zoals ge weet, kroop Jef in het Waalse dorpje Poupehan regelmatig in de zakken van Eerste Minister Martens, van bazen en bankiers. Daar bepaalde hij mee de regeringspolitiek. Voor Jef waren bazen en bankiers de onkreukbaren, de alwetenden. De CVP zou wel voor ons alleaal zorgen en waken over de orde en goede zeden. Jef Poupehan liep voor de bazen de benen van onder zijn kont opdat de regering miljarden cadeaus zou doen aan de patroons. Jef hoopte dat de patroons dan wel wat kruimelkes zouden laten vallen voor de werkende mensen. Hij geloofde tot in het krankzinnige in het kapitalisme. Dat was een kip die gouden eieren legde. Zijn délégés mochten de kip nooit pijn doen, u moeder slaat ge toch ook niet! Wie dacht de kip te slachten, kreeg Jef op zijne nek. Daaron was die zo woedend toen ik openlijk anti-bazenliederen zong. Kameraad, het is toch geen schande om te bekennen dat ik vroeger bij de Katholieken was. Mijn grootmoeder, bij wie ik was opgegroeid was diep christelijk en ook ik was 'n pijpeplakker van achttien karaat. Alle dagen las ik 'n paternoster. Hoewel het nu al meer dan tien jaar geleden is dat ik 'n Onze Vader bad, kan ik het nog zo aframmelen, zo diep was het erin gehamerd. In de kerk las ik als lector het Epistel voor. Nadat ik met mijn Boterbloemeke getrouwd was, kwam ik terecht in de Katholieke Arbeidersbeweging. Ik klom daar tot op de hoogste ladder en werd voorzitter van de plaatselijke afdeling, daarna verbondsvoorzitter en tenslotte lid van het nationaal bestuur. Ik moet zeggen, de KWB is de meest democratische beweging die ik ooit gekend heb. Alles is daar gebaseerd op vrij willigerswerk en alle beslissingen worden democratisch genomen, wat niet wil zeggen dat de weinige beroepskrachten niet onder druk werden gezet door vakbondsheren en politiekers. Het is in die KWB dat mijn ogen opengegaan zijn. Er waren daar twee Jezuiten, de paters De Witte en Berghmans. Die kwamen zonder verpinken vertellen: 'Het kapitalisme helpt alles naar de kloten, de pisbloemekes langs de vervuilde waterkant maar ook de mens in de fabrieken. Die bazen steken alles in hunne zak, ze stelen het zweet van de werkman.' Robert De Gendt en Aloïs Moens spraken dezelfde taal. Ge kunt verstaan dat ik effekes moest slikken, zoiets doet pijn. De vier broers van mijn moeder waren pasteibakkers, gewend van op hun eigen benen te staan en dus kleine bazen. Mijn grootmoeder, bij wie ik groot geworden was, was op een machinale blokmakerij ook haar eigen baas. Daarom viel het mij in het begin zo moeilijk te geloven dat bazen eigenlijk gemene dieven waren die ongestraft de vrucht van de arbeid van de werkman konden stelen. Bovendien deden ze ook nog aan belastingontduiking en kregen in veel gevallen nog overheidssubsidies ook. Maar na een tijdje kon ook ik zonder gewetensbezwaren, met de woorden van het KWB-manifest, zeggen: 'Het kapitalisme helpt mens, dier en natuur naar de kloten.' Toen Jef Poupehan dat allemaal hoorde, ontplofte hij. Na 'n tijd begreep ik waarom. Jef was vroeger 'n slechte kleermaker geweest. Hij werd Kajotter en volgeling van de gekende priester Cardijn, 'n goede mens daar geen kwaad woord over. Hij was voor de werkende jeugd, zag met zijn eigen ogen dat de jonge mensen in de fabriek zedelijk en moreel ten gronde werden gericht. De jonge meisjes en jongens moesten de fabriek veroveren voor Christus. Cardijn liet zijn volgelingen zingen: 'Wij zijn geen slaaf, geen machine. Arbeid maakt edel en vrij!' Spijtig dat kardinaal Cardijn niet verder keek dan zijn neus lang was. De rijkaards die de machines bezaten en de jonge mensen tot industriële slaven maakte, liet hij buiten schot.Jef Poupehan , volgeling van Cardijn, voelde zich ook geroepen om leider te worden, zo een die de mensen blindelings moesten volgen, al ging hij door het moeras. In zijn vaandel stond geschreven: 'samenwerking tussen baas-knecht en meid'. Het wordt gevaarlijk als zulke mannekes teveel macht krijgen, en een echt drama als zulke windbuilen vakbondssecretaris worden. Piet, het kon niet anders dan tot botsingen leiden tussen mij, de KWB en Jozef Poupehan. Ik was syndikale délégé op den Boelwerf, hij was nationaal secretaris van de metaalbond. Ongelooflijk, Jef is vijf keer naar Temse gekomen om mij een bolwassing te geven. Zijn aktes van beschuldiging waren meters lang en 'n baksteen dik : 'Gij zijt 'n communist, of op zijn minst toch 'n halve, ene van Amada. Ge leest boeken over Marx en Lenin.' Op dat laatste antwoordde ik zonder blikken of blozen dat het waar was. En ik zei erbij dat ik ook nooit ging biechten. Bovendien Piet, wist hij heel goed aan welke universiteiten ik allemaal had gesproken. Hij riep : 'Wat maakt gij die studenten allemaal wijs? Daarbij, dat ze hun les leren, wat weten die nu van een fabriek, ze hebben ze nog nooit aan de binnenkant gezien!' Ik zei hem dat hij wijze praat vertelde. Toen begon Jef over de dokters 'op blote voeten' Merckx en Leyers. Volgens hem waren het twee Chinese dokters die zeker zoveel over Mao wisten dan over geneeskunde. Ik vroeg Jozef of hij dan misschien het Rode Boekje van Mao had gelezen. Ik dacht dat hij door het plafond zou gaan van colère. En toen schoot ik ook uit mijn krammen : 'Die helden van de ziekenbond hadden zich levend begraven, zeker? Waarom houden ze geen protestbeweging tegen de gangsters uit de Orde van Geneesheren? Waarom lopen die nooit in een betoging tegen de Stinkfabrieken? Ik heb hen nog nooit in een vredes-betoging gezien. De ziekenbond heeft toch ook een preventieve taak?' Piet, gij weet het ook wel, of ge aan zo'n mannen nu uw bloot gat laat zien, die lopen toch met oog- en oorkleppen op. Heersers luisteren niet, ze weten alles al. Als ge niet meedraait, wippen ze u buiten. Jef Poupehan was 'n opgeblazen kikker met teveel macht. Hij had zijn leven willen geven voor zijn verkeerd en misvormd ideaalbeeld. Zo'n type kan gemakkelijk zijn moeder naar de brandstapel begeleiden en dan nog zelf het hout in brand steken. Als ik tegen Poupehan zei : 'Het kapitalisme helpt mens en dier naar de kloten, het vernielt de natuur', begon Jef me met wijwater te besprenkelen alsof ik de duivel in hoogst eigen persoon was. Bij elk conflict tussen Désiré, Jef en mij dacht ik dat hij ging doodvallen van woede. We hadden er verstand van hem op stang te jagen. In zulke ogenblikken ziet ge hoe klein zo'n ventje wel is. Gebrek aan mensenkennis, verliefd op koningen, de paus van Rome en de bazen. Maar uiteindelijk had hij de macht en dus het laatste woord. 'Die rotte appels Moeten uit de mand of heel de korf wordt rot.' In 1968 vlogen Désiré en ik dus uit de mand: zonder enige vorm van verdediging afgezet als syndikale délégé. Ge weet, zulke heren beschouwen u als hun lijfeigene, ze mogen u naar willekeur onthoofden. Spijtig voor Poupehan liep hij op 'n gasbek. De scheepsbouwers waren totaal verrast over die onthoofding, maar ze lieten niet in hun schoenen schijten. Ook in de nationale KWB was er grote beroering, uiteindelijk moesten de heren uit Brussel ons voorlopig blijven dulden als délégé. Kameraad, ik moet u niet vertellen dat Jef weerwraak zou nemen. Hij werd nu de grote baas van de katholieke vakbond, volgens mij een nationale ramp. De bazen en bankiers lachten in hun vuistje, dat was nu eens de juiste man op de juiste plaats, wat wilden ze nog meer. Maar toen begon het pas. Het was in 1974. Op vraag van de stiksters van de Lee, die het stuk- en premiestelsel vervloekten, zong het Arbeidscomité aan de fabriekspoorten. Tot groot ongenoegen van vakbondsleiders en bazen zongen de stiksters mee. Wie zingt kan moeilijk werken, een wilde staking brak uit. Toen de opgeblazen Jef Poupehan dat in Brussel te horen kreeg, kookte hij van woede : 'Ik ken die oproerkraaiers wel, ze hebben nog voorgezongen op 't hoogzaal in de kerk. Ha, die willen een wilde staking uitlokken! Ha, die bespelen de gevoelige snaar bij die vrouwen!' Waarom die vrouwen zongen, vroeg Jef zich niet af. Hij stopte zijn oren dicht, maar de vrouwen bleven uit volle borst zingen : 'Weg met de premies, maar zonder loonverlies!' Waarom vloog Jef niet naar Amerika, tot bij de bazen van de Lee, om daar eens te gaan roepen en tieren : 'Smeerlappen, ge maakt die vrouwen kapot door uw stukwerk en premiestelsel. Dat zijn coureurs, geen sprinters!' Ge weet dat Jef voor de bazen is, Piet, die laat hij liefst met rust en grijpt liever naar de kleine. Hij zadelde dus zijn groene paard en vertrok, samen met de nationale voorzitters van het ACV en de KWB. Onderweg schreeuwde Jef voortdurend : 'Ik ken die lafaards wel die de vrouwen doen zingen in de fabrieken. Ik, Jef Poupehan, zal die rebellen een kopke kleiner maken. Sjarel Heirbaut, die witten aap, smijt ik het eerst uit de mand want hij maakt al mijn appelkes rot.' Buiten adem kwam Jef toe in het Gildenhuis van Sint-Niklaas waar hij in een zaal zonder ramen en achter gesloten deuren verklaarde: 'Hij is syndikaal dood, de datum van de begrafenis bepalen we wel achteraf.' Vriend Piet, al enkele jaren liep er op de fabriekskern van de Boelwerf 'n syndikale killer rond, 'n zekeren Buldermans. Die vakondsleider kwam uit Lokeren. Hij werd daar gevreesd door alle militanten, hij kon brullen tot bijna iedereen onder tafel vluchtte. Alle KWB-ers uit de fabriekskern wenste hij naar de hel omdat ze het manifest van de KWB wilden verspreiden en in alle geledingen de democratie wilden doorvoeren. Buldermans zelf had van democratie weinig kaas gegeten. De hogere vakbondsleiders hadden hem een heilige opdracht gegeven: 'Buldermans, ga naar Temse en bevrijd ons van de communisten, de ondermijners van de vakbond. Gij zijt de geroepene, gij kunt die zuivering tot een goed einde brengen. Het nageslacht zal u loven, in de hemel, op aarde en op alle andere plaatsen.' Buldermans wilde het vertrouwen van de organisatiebeesten niet beschamen. Hij las nog eens grondig de verhalen van hertog Alva, de Spaanse bloedhond die de beeldenstormers naar de brandstapel verwees. Hij las hoe bisschoppen de duivel uitdreven bij heksen en hoe afvalligen opnieuw trouw moesten zweren aan de paus van Rome. Kameraad, ik wist rap welk vlees ik in de kuip had. Ik zou nu 'mijn' waarheid verkondigen vanuit de 'galmgaten' van de kerk. Dat wil zeggen, ik was ondertussen opgeklommen tot secretaris van de ondernemingsraad, een job voor heel mijn leven als ik me wat koest wilde houden. Maar dat vertikte ik. Ik schreef rap een klein boekje: 'Vakbondsmisleiding', dat bij de heren Buldermans, Hermans en Poupehan in een verkeerd keelgat schoot. Die heren hebben een zwakke maag en kunnen moeilijk spijkers met koppen verteren. Ik geef u hier de korte versie van dat boekje : 'De sociale verkiezingen die om de vier jaar in de fabriek georganiseerd worden, zijn een ware klucht en hebben niets te maken met democratie. Het industrieel loonslavenstatuut blijft trouwens ongewijzigd en het is meneer de Rijkaard die in de fabriek de plak blijft zwaaien omdat hij de produktiemiddelen bezit. De werknemers blijven ingedeeld in arbeiders en bedienden. Ze krijgen een ongelijk statuut en het gaat dus om een gewilde verdeeldheid. Wanneer komt daar eindelijk een eind aan? Elke sociale verkiezing is een oorlog tussen verschillende stammen. Een gevecht tussen de syndicaten van verschillende kleur, dat tot groot genoegen van de baas die lacht in zijn vuistje : "laat ze elkaar maar te lijf gaan," denkt hij. Waarom kunnen en mogen de aanhangers van het kruis en die van de hamer en sikkel niet samenwerken en onder één dak opereren, ter bevordering van de samenhorigheid? Elke onderhandeling, elke overeenkomst tussen bazen en industriële slaven komt altijd neer op hetzelfde onmenselijke liedje: "De baas wil ons niet meer geven." "Hij kan niet meer afdokken." "Hij gaf ons het onderste uit de kan" "Hoeveel steekt die zweetdief in zijn zakken?" Het protocol van de produktiviteit is de zoveelste overwinning van de heren patroons. Daarin zweren de nationale vakbondsleiders kruiperig dat ze nooit het patronale gezag in de fabriek in vraag zullen stellen. En dat ze in dit harmonieus model willen leven waarin de mensen met poen de lakens uitdelen.' Piet, ge kunt u voorstellen wat er gebeurde toen ze dit schrijven in handen kregen. Ik had net zo goed een tijdbom onder de kont van Buldermans, Hermans en Jef Poupehan kunnen plaatsen. Ze schreeuwden elkaar toe : 'Kijk nu, nu schrijft hij zwart op wit dat hij de vakbond wil opblazen.' Nu was het Buldermans die mij voor de tweede keer in mijnen bloten zette als délégé. Hij onthoofdde mij grondig als militant en ontbond de katholieke fabriekskern Boel. Wie op de kandidatenlijst voor de sociale verkiezingen geplaatst wilde worden, moest trouw zweren aan de leider en hen desnoods volgen tot in de modderpoel. Ze moesten vooral beloven niet solidair te' zijn met Heirbaut en niet neer opstandig te zijn. Piet, ge weet beter dan ik dat de bureaucraten bij elke sociale verkiezing hun macht vergroten, niet tegenover de bazen maar tegenover de militanten. Want kandidaat zijn of verkozen worden, betekent voor vier jaar vast werk. Tenzij de vakbondsleiding u schrapt als lid, dan kunnen ze u voor de patronale wolven gooien. Zo was ik eenzaam in mijn strijd, alleen tegen de gangsters. De katholieke militanten waren bang. De roze militanten dachten aan hun eigen vel want hun leider Barikado had hen eveneens verbod opgelegd om als socialist met mij solidair te zijn. Ik kan u verzekeren, dat kroop niet in mijn koude kleren. Alles werd voor mijn voeten weggemaaid. Meer dan tien jaar lang had ik me op de Boelwerf onverschrokken in de sociale strijd geworpen. Nu stond ik daar in mijn bloot lijf voor de patronale wolven. Ik dacht : 'Wat moet ik thuis aan mijn Boterbloemeke gaan vertellen, die zal rap een distelbloem worden. Maar dat was allemaal nog maar een begin. Ik werd nog meer heen en weer geslingerd. Het was op 'n avond toen ik binnenstapte in café 'De Belgische Leeuw', uitgebaat door den Turk Ismael. Er hing 'n dronkaard aan den toog die tegen mij begon te lullen. Ik had die klootzak nog nooit gezien. 'Wie we daar hebben! Gij zijt toch dien délégé die met zijn klieken en klakken buiten vliegt. Een schone zaak. Ge verdient niet beter! Ik zeg u, als 'n baas u roept na de kiezing is het om uwen dopbrief te tekenen. Was ik het geweest, ik had u d'r nog 'n schop bijgegeven. Kameraad Piet, ik moest op mijn tanden bijten of ik sloeg op zijn vieze smoel. Stel u voor, ik had die stinkaard nog nooit gezien! Ik vroeg aan Ismael wie dat was. Toen viel mijne frank : het was Barikado van de roze metaalvakbond op de Boelwerf. Ze hadden hem in Oostende buiten gesmeten. Nu wilde hij in schoon stro slapen bij de bazen en bij John Van Eynde, de syndikale opperbaas van de roze metaalbond in Antwerpen. Maar er was nog meer. Ik kreeg van een vriend een exemplaar van De Werker waarin Barikado onder de titel 'N.V. Boelwerf, zeer belangrijk bericht', een giftig artikel over mij had neergepend, gedateerd 18 januari 1975. Zonder het mijzelf te vragen, schrijft die lafaard dat ik een militant ben van Amada. Dat ik de vakbond misbruik om mij te beschermen en ondertussen toch het syndikaat afbreek. Dat ik als secretaris van de ondernemingsraad al het nieuws doorgeef aan Marie-Louise Derock, een militante die alle nationale pamfletten voor die partij ondertekende. Dat zijn rode schaapjes zich moesten hoeden en zeker niet in mijn gezelschap mochten verkeren, anders zouden er sancties volgen. De lasteraar was wel zo sluw dat hij in datzelfde artikel tot twee keer toe de lof zwaaide van zijne syndikale baas, John Van Eynde. Piet, toen ik zoveel gemeenheid las in één artikel, draaide alles voor mijn ogen. Dat was bewust liegen, bewust bekladden. Ik ben dat nooit vergeten, hij had me geraakt tot in mijn diepste binnenste, hoewel ik wist dat ik te doen had met een rot en onbetrouwbaar heerschap. Piet, wat moest ik nu doen? Ik liep op de werf rond met schoenen zonder veters en in een vest zonder knopen. Mijn werkmakkers vroegen me: 'Wat gebeurt er allemaal? Waarom laten de andere délégés u vallen?' Piet, toen voelde ik wat het is om geviseerd te worden door de macht. Ze trachten u totaal weerloos te maken, ze zouden willen dat qe weqkruipt van miserie. In hun binnenste hoopten ze dat den baas me rap op straat zou zetten. Zoiets werkt op u in. Haar ge kent mij, ik zou terugslaan met 'n faire slag boven de gordel. Ik schreef 'De opstandige scheepsbouwers TEGEN twee handen op één buik, Boeldirektie en vakbondsdirecteurs'. Kameraad, ik had geen betere titel uit mijn mouw kunnen schudden. Ik was ervan overtuigd dat mijn werkmakkers alles moesten weten. Zij hadden me als délégé gekozen, ze hadden het volste recht om te weten waarom ik aan de dijk werd gezet. Ik voelde me als Don Quichot die tegen windmolens vocht, maar liever vechten dan kruipen voor de macht. Ik zou de vuile was afdraaien in de wasmachine en uithangen op de wasdraad, in het zicht van iedereen die zijn ogen wilde opendoen. Wat had ik te verbergen of te verzwijgen? Niets! In het boekje stonden alle brieven afgedrukt waarmee de vakbondsleiders me gedurende een hele periode hadden bestookt. En ook al mijn replieken die doordrongen waren van peper en pekel. Ik schreef mijn opvattingen over al diegenen die zich verheven voelden boven het voetvolk. Een paar foto's en karikaturen verfraaiden het geheel. Ik ontmaskerde het complot tussen de Boeldirectie en de vakbondsbonzen. Ik wist wat ik deed en was bereid de gevolgen te incasseren. Uiteindelijk verkocht ik vijfhonderd boekjes aan de zaatbonkers.Nee, Piet, ik voelde me geen held. Ik moest dikwijls alléén tegen de stroom inroeien. Er zijn er weinigen die tegen keizers, koningen en andere heersers in opstand komen. De meesten zijn bereid te knielen voor de 'God de vaders'. Ze verwachten van de aardse weldoeners werk of een paar zilverlingen. Ik heb militanten doodsbleek zien worden, bang voor de wraak van 'de leiders'. Al wist ik goed wat ik deed, soms bekroop mij de twijfel, de onzekerheid. Tegelijk was er altijd een stem die mij voortstuwde : 'Als ik het niet neerschreef, wie zou het dan doen?' Vriend, telkens als ik thuis kwam, verwachtte ik me aan een spervuur van vragen waarop ik niet zou kunnen antwoorden. Als mijn Boterbloemeke zweeg, dan pas voelde ik haar onrust, haar onzekerheid. Ze sprak in stille verwijten : 'Vandaag zet de vakbond u aan de deur, morgen smijt den baas u op straat.' Ik zweeg en dacht : 'Ik heb een klein huisje in eigendom, al mijn kinderen zijn getrouwd, ik zal het misschien moeten doen met dopgeld.' Ja, Piet, al die dingen raasden door mijne kop. Buldermans, Hermans en Poupehan hadden zelf geen boekje gekocht, maar het waaide wel bij hen binnen. Terwijl ze het lazen, kwam het schuim op hun bakkes. 'Dat wordt zijn dood,' schreeuwde Poupehan, 'hier schrijft hij zwart op wit dat hij de vakbond wil opblazen. Hij heeft de vuile was buiten gehangen. Ik schrap hem als lid van 'mijne' vakbond.' Het was Buldermans die tot voorzichtigheid aanmaande : 'We moeten oppassen. Als wij hem gewoon buitensmijten, komt hij langs 'n andere vakbond gewoon weer binnen. Zo zal meneer den Boelbaas het ook zien : wordt hij lid van 'n andere vakbond, wordt hij daar weer tot délégé verkozen.' Maar Jozef Poupehan stelde hem gerust : 'Laat mij dat zaakje maar klaren. Ik zal alle betrokkenen telefoneren.' Zo is dan den telefoondans, het wapen der bureaucraten, begonnen. Den blauwen Kasiers, beloofde plechtig aan Buldermans : 'Bij ons wordt hij nooit lid. Meneer Saverijs heeft me aangemoedigd.' Den rozen René Barikado had er nog minder moeite mee: 'In onze vakbond kunnen we herrieschoppers missen als de pest. Ik heb met den Boelbaas getelefoneerd, hij feliciteerde me met mijn moedige daad. Ik ben er zelf ook trots op. ' Die telefoondans wierp duidelijk vruchten af. Zover was het gekomen : zelfs geen lid meer van de vakbond, ik werd gewoon voor de patronale wolven gegooid. Door al dat gedoe was er ook buiten de zaat heel wat deining ontstaan. En niet alleen in linkse blaadjes, in alle progressieve kringen. Daardoor was Jozef Poupehan verplicht in De Volksmacht, het weekblad van de christelijke arbeiders, een verantwoording te schrijven. Voor wie aan de macht is, is zo'n artikel belangrijk aangezien meer dan de helft van de schapen hun herder volgen. Het artikel 'Klaarheid op NV Boelwerf' besloeg een volle bladzijde. Dat vond ik positief, maar waarom kreeg ik geen bladzijde, waarom werd mijn visie niet gepubliceerd? Die heren hadden van democratie geen kaas gegeten. Piet, vergeet het maar, de wereld valt niet stil omdat ik uit de vakbond werd getrapt. De zaatbonkers bouwden in sneltempo schepen. Ik bouwde buizenstellingen rond de scheepsrompen en bleef hoog in de lucht anti-bazenliederen zingen. Toen op de werf de strijd losbrak tegen de privé-politie Intergarde die den Boelbaas trachtte binnen te loodsen, was het motto : 'Intergarde buiten!' Samen met andere stellingbouwers stond ik in de vuurlinie. Een jaar later, in 1977, werd er gestaakt voor meer loon. Het begon met schokstakingen, maar meneer Saverijs werd dat beu en sloot zijn poorten zodat wij de straatstenen konden gaan tellen. Lock-out noemen ze dat. Al mijn werkmakkers ontvingen stakersgeld, ik kon op mijn kin kloppen want ik was geen lid van de vakbond. Hoe kon ik dat uitleggen aan mijn boterbloemeke? Ze vroeg : 'Wie gaat de gas- en elektriciteitsrekening betalen? Gaat gij de radiotaks en de brandverzekering betalen? Gij zijt zot, twintig jaar zijt ge als vrijwilliger voor de KWB en als syndikaal militant alle avonden uit uw kot geweest. Allemaal voor niets! En wat doen zij nu voor u, niets! Zijn dat katholieken, die 'n mens uithongeren, echte muilentrekkers, ja!' Ik stond daar met mijn mond vol valse tanden want ik wist dat mijn Distelbloem gelijk had. Enkele vroegere militanten en vrienden trokken naar Buldermans. 'Ge moet de Sjarel stakersgeld uitbetalen, ge kunt hem toch niet zonder 'n frank en zonder eten zetten?' Met een Sint-Antonius gezicht zei Buldermans : 'Het is zijn eigen schuld, hij heeft het zelf gezocht. Ik kan iemand die geen lid is van de vakbond geen stakersgeld betalen. Dan had hij maar op mijn lijn moeten lopen.' Het hart van die hypocriet was versteend. Hij bleef stom en doof terwijl hij verder bad tot de Heer van het kruis die hem de rug toekeerde. Vriend Piet, ik kan u geruststellen, ik ben tijdens de staking niet verhongerd. Mijn Boterbloemeke hielp ons uit de miserie, ze had alles verteld tegen dokter van Poucke, onze huisdokter. Die was verontwaardigd : 'Noemen die zich christenen? Ik zou beschaamd zijn. Dat is wraakroepend! Ik weet wat uwe Sjarel allemaal gedaan heeft voor de werkman, zeg hem maar dat hij me eens komt opzoeken.' Hij schreef me op de ziekenkas tot de laatste dag van de staking. Ik was die man dankbaar en had een grote bewondering voor hem. Hij had dit niet hoeven doen, maar hij deed het. Kameraad, het werd nog beter. De staking duurde al vijftien weken toen ik, na een betoging, binnenkwam in het Volkshuis in Temse. Freddy Willockx kwam met mij een klapke doen. 'Sjarel, ik moet u bewonderen, wat ze met u gedaan hebben, is niet juist. Ge zijt geen lid van de vakbond en toch militeert ge op de scheepswerf als den beste militant. Ik moet mijn mening herzien : als ge wilt, kunt ge in onze vakbond komen. We willen u ook stakersgeld betalen, zonder verplichtingen.' Piet, als ge zoiets hoort na zoveel jaren interne strijd waarin ge steeds maar heen en weer geslingerd wordt, is het alsof ge rode engelkes hoort zingen. Ik moest eens slikken en zei toen : 'Freddy, zoiets hoor ik graag. Na de staking kom ik bij het ABW want waar ze me éénmaal als een hond buiten gesmeten hebben, kom ik niet meer binnen. Maar het stakersgeld kan ik niet aannemen, in uwe vakbond heb ik nog geen bijdrage betaald.' Dat ik geld trok van de ziekenkas wist hij niet. De roze René Barikado die meeluisterde, was blij uit berekening, bij Freddy kwam het uit zijn hart. Toch sloot ik stilzwijgend vrede met Barikado, wel in gedachten houdend wat een gevaarlijk kereltje hij was. Na de staking kon mijn Boterbloemeke voorlopig al op één oor slapen. Er was veel werk op de werf zodat de baas moeilijk alleen mij kon ontslaan, hij wilde zijn handen niet opvallend vuil maken. Maar toen kwamen de donkere dagen, er hingen afdankingen in de lucht. De personeelschef stuurde aangetekende waarschuwingen naar enkele zaatmannen. Protest, een vergadering en een afvaardiging van de actievoerders trok naar de personeelsdienst. Om mijn woorden kracht bij te zetten, trok ik eens aan de personeelschef zijne plastron. Gevolg : enkele maanden later werd ik, samen met 128 werkmakkers, afgedankt. Dat was in 1981. Twee jaar later daagde Saverijs mij voor de rechter wegens 'doodsbedreigingen aan zijn persoon'. Ge ziet, Piet, mijn palmares mag gezien worden. Mijn aanpassing binnen de roze vakbond verliep vlot. Ik werd militant, schoof door naar het metaalbestuur, wandelde daar binnen in de top en werd lid van het gewestelijk bestuur van het ABVV. Het was alsof ze me de kans wilden geven om ook deze arbeidsorganisatie te leren kennen. Ik gaf mijn ogen dan ook de kost, mijn tong nog scherper dan voordien. In die tijd schreef ik een aantal boeken over het leven van de scheepsbouwers. Ik moest me niet vermommen, geen valse baard dragen om een soort 'Ik, Ali' neer te pennen. Ik had het allemaal van dichtbij meegemaakt. Ik moest het altijd hebben van de onderlaag die graag een pint dronken na de vergadering. Kortom, ik beleefde veel schone jaren met al die vakbondsleden en militanten. Barikado volgde ik met Argusogen, op tijd en stond riep ik hem tot de orde. Dat kon niet blijven duren. Op een bestuursvergadering beschuldigde ik hem voor de zoveelste keer in het openbaar : dat hij te roekeloos en te onbezonnen te werk ging op een stakerspiket, dat hij bovendien aan de jeneverfles zat, dat hij beter wat minder zou vechten in de cafés, dat hij erop uit was de groep in twee te splitsen om zijn eigen spel te kunnen spelen. Toen kreeg ik de deur op de neus. Laf zette hij me uit het bestuur. Dat betekende meteen het einde van mijn syndikale activiteiten. Noodgedwongen moest ik op dat terrein de wapens neerleggen. Omdat ik al vijf jaar niet meer op de scheepswerf werkte, was mijn weerstand klein. Maar mijn syndikale trip was boeiend en verrijkend geweest, hij had me heel wat inzicht verschaft. Ik mag tevreden zijn, het is weinigen gegeven dat allemaal zo intens mee te maken. Ik ben alle militanten, roze zowel als groene, dankbaar voor de leerschool. Maar het meest heb ik geleerd van de zaatbonkers onder het vlak van het schip. Daar was het echt, daar was het onvervalst, vechten voor onze dagelijkse boterham en voor onze gezondheid want elk ogenblik loerde daar een ongeval of zelfs de dood. Piet, ge moet niet denken dat ik me geen vragen stelde rond mijn eigen optreden. Ik kwam altijd langs de voordeur binnen en vloog altijd langs de achterdeur naar buiten. Het deed me genoegen dat ik in opstand ben gekomen tegen die paljassen, tegen de 'Weldoeners van de Mensheid', tegen die verdomde engelen die zich God de Vader wanen. Het bedrog en de schone schijn op deze wereld doorboor ik graag. Ik behoor tot de gevallen engelen die in de vuurpoel terecht komen. We hebben dan toch de vreugde van de opstandigheid geproefd. Zonder rebellie tegen de valse goden komt er nooit verandering. Vakbondsleiders helpen mee aan het in stand houden van het industrieel slavendom en de verloedering van de natuur. Piet, ik zal deze brief ook eens sturen naar Jef Sleckx, onze vriend en volksvertegenwoordiger. Hij is nu op kruistocht voor een betere wettelijke bescherming van de syndikale délégés in de fabrieken. Ik zal hem mijn opvattingen over deze kwestie eens meedelen op papier. Geen fantasie, maar beleefde feiten die op de werkelijkheid gebaseerd zijn. Hij is wijs genoeg om te weten wat hij daar mee kan doen en wat niet. Vriend, ik had nooit gedacht dat deze brief bladzijden lang zou worden. Ik hoop uit de grond van mijn hart dat uw ziekte rap tot het verleden zal behoren. Misschien kom ik u wel eens bezoeken, maar, zoals ge weet, bekijk ik het leven vanop mijne velo. Als Jef eens een ommetje maakt als hij uit het parlement komt en mij meevoert tot in Balen, ziet ge me zeker verschijnen. Ik weet het, ziek worden is voor elke mens en zijn familie een vervelende zaak. Haar voor de werkmens kan het een financiële ramp worden. Is het niet wraakroepend? Wij, de werkers, brengen miljarden samen in de kas van de ziekteverzekering. De gieren uit de geneesmiddelenindustrie gaan met ons geld lopen en verrijken zich op schandalige wijze. De pillendraaiers kopen huizen, villa's, jachten en zijn lid van beleggingsclubs. De heren specialisten weten met hun geld genen blijf, terwijl de zieke uitgemolken wordt als een koe. Ons mensen moeten bang zijn om ziek te worden. De ziekenbonden, de heren Klaas en Heuvel met hun aanhang, sluiten zich op in grote gebouwen en laten de miljarden door hun handen glijden. Ik zie ze nooit de straat opgaan tegen de Orde van geneesheren, ik heb ze nog nooit gezien als we protesteren tegen de stinkfabrieken. Ik liep in de Scheldetocht 'Red de Schelde', drie weken langs de zieke en dode stroom. Geen heren uit de ziekenbond te zien. Ze waren er wél in de grote anti-rakettenbetoging in Brussel, die dag bleef maar heel weinig volk thuis. Ik dacht dat de ziekenbond een preventieve taak had. Haar ze wachten liever tot de mensen ziek zijn, dan kunnen ze doktersbriefjes uitbetalen. Alle machtigen op lemen voeten houden de heren uit de ziekenbond liever te vriend want bij hen zit de poen. Ze hopen dat die met geld over de brug zullen komen om hun verkiezingscampagnes te financieren, het grootse moment waarop de straten en pleinen ontsierd worden door grote en kleine foto's van smoelentrekkers van elk formaat. Ik kan me moeilijk voorstellen dat er morgen iemand het parlement binnenstormt en begint te roepen : 'Hé, slaapkoppen, ze zijn weer aan 't vissen in de Schelde.' Inderdaad, onze volksleiders zouden wakker schieten en onmiddellijk beginnen tieren : 'Bewakers, pakt die man op, die is zo zot als een deur, een gevaarlijke krankzinnige! Wat hij zegt, kan niet, mag niet. In deze moderne tijd zijn alle rivieren en beken voorbestemd als openbare riolen.' Ja, Piet, het abnormale is al lang normaal geworden. Als die vernieling nog enkele jaren op dit tempo doorgaat, zijn er geen rampenplannen meer nodig, dan is België één rampengebied, goed voor tonnen nucleaire afval en honderd maal de Hoge Haai. Ik heb jarenlang maar één ding geloofd en dat had ik in de KWB geleerd : 'Het kapitalisme maakt de mens kapot.' Kameraad Piet, mijn beste groeten. Ik stuur deze brief ook door naar Jef Sleckx en wat ik hem schrijf, zal ik u ook sturen, waarom zouden we geheimen hebben voor elkaar. Ik beloof het u, het wordt een soort thriller zonder remmen. Misschien kunt ge de ontknoping al raden... Kameraadschappelijke groeten, Karel Heirbaut * Drie jaar later, 1 augustus 1991 Lieve Piet, Toen ik terugkwam uit Turkije lag uw doodsbrief op de kast. Uw dood kwam voor mij niet als een verrassing. Enkele maanden voordien had ik onze vriend Jef Sleckx ontmoet in de Stadsschouwburg van Sint-Niklaas. Met de parlementaire delegatie waartoe hij behoorde, was hij door het stadsbestuur uitgenodigd om het schrijnend probleem toe te lichten van de Iraakse Koerden die naar Turkije waren gevlucht. De delegatie was juist terug uit Diyabakir. Tijdens de onderbreking vertelde Jef me : 'Het gaat bergaf met Piet, die geraken we kwijt.' Vriend, toen ik uw doodsbrief las, moest ik een glimlach onderdrukken. 'Piet Poppeliers lid van de koninklijke duivenmaatschappij De Reisduif in Lommel, gepensioneerde van de NV Vieille Hontagne' Hierin herkende ik onmiddellijk de stijl van onze vriend Jef die de brief opgesteld had. Vriend, kameraad, eenvoudiger en menselijker kon het moeilijker uitgedrukt worden : 'Piet, duivenmelker in Lommei'. Nochtans hadden uw kinderen niet moeten zoeken om een reeks ronkende titels te laten afdrukken zoals : 'Meneer Poppeliers, syndicaal délégé, sociaal voorman, vredesactivist, bestuurslid hier en daar, stichter van...' Niets van dat alles. En ik las door. 'Piet, duivenmelker, de man met de pet, de vriendelijkheid uit de Kempen, de laatste socialist, godsvruchtig overleden op 14 juli 1991 gesterkt door het sacrament der stervenden ' Dat was juist de dag waarop de Amerikaan Greg Lemond in de Ronde van Frankrijk zijn gele trui definitief verspeelde aan de Spanjaard Indurain. Vriend, we zijn allemaal internationalisten. Ook gij want de duiven worden ook in Bordeaux gelost, en Jef, die vorig jaar voedselpaketten naar Roemenië bracht, nu de Koerden had bezocht en misschien straks naar uitgehongerd Afrika reist. Piet, laat me even doordenken. Dus gij zijt dood, dus gij zijt hier niet meer maar zweeft nu rond in de kosmos. Raar. Toch blijft ge in mijn gedachten als de laatste socialist die katholiek werd begraven. Op de dag dat uw kinderen en honderden vrienden u naar uw laatste rustplaats brachten, was ik op bezoek bij Sammy in Kartel, een dertigtal kilometer voorbij Istanbul. Sammy, mijn Turkse vriend, werkte in onze ploeg op de scheepswerf Boel. Samen bouwden we buizenstellingen rond de romp van het schip. Bestaat het toeval? Op de dag van uw begrafenis stonden Sammy en ik voor een gesloten fabriekspoort, temidden van een groep stakers. Mede door de oorlog tussen Saddam en Bush zagen de Turkse cementarbeiders hun koopkracht snel dalen. Ze eisten loonsverhoging en werklozensteun. In Turkije was het nog altijd zo : wie geen werk had, moest niet eten. Vriend, Sammy en ik hebben toen 'ons' Stakerslied gezongen : 'Hand in hand, kameraden, de strijd gaat door! Geen woorden maar daden, we strijden tot de dood!' Piet, dat was een pakkend moment, ik kreeg er kippevel van. Gij die nu in de kosmos rondzweeft, hebt ge ons niet horen zingen? Hebt ge meegezongen? Of waart ge met uw duiven aan 't spelen? De Turkse stakers trachtten nu stap voor stap de vakbondswerking van de grond te krijgen. Hun eerste bekommernis was uit de klauwen van de militairen te blijven. Hier was niemand die zich afvroeg of ik nu een katholiek, een moslim of een socialist was en of ik als délégé wettelijke bescherming genoot. Het deed me denken aan onze vriend Jef, die in het parlement zo zijn best doet om de syndikale délégés meer wettelijke bescherming te geven. Voor mij hoeft dat allemaal niet! Délégé zijn is een roeping, ten dienste staan zonder eigen voordeel. Waarom moeten délégés een beter statuut hebben dan andere werknemers, we zijn toch geen luxepaarden? Wij leven in een gemakkelijkheidscultuur, veel te slap en veel te vaak gewiegd. Toen ze me ontsloegen, gooiden de vakbondsdirecteurs me tot twee keer toe voor de patronale wolven. Ze dachten zeker dat ik toen op mijn moeder zou gaan roepen? Toen op de Boelwerf strijd werd geleverd tegen Intergarde, had ik dan aan de kant moeten blijven staan omdat ik niet wettelijk beschermd was. Er brak een staking uit voor loonsverhoging, wettelijk beschermd of niet, we moesten alle dagen de stakerspiket versterken. Vriend, ik kwam in Engeland tijdens de mijnstaking. Honderdduizend stakers tegen de Britse regering die meer dan de helft van de mijnen dichtsmeet. De staking duurde twee dagen minder dan een jaar. Ik heb daar niemand horen zeggen : 'Ik ben wettelijk beschermd.' Iedereen wilde werken, maar er was geen werk. De koolputters vochten tegen politie, regering en koolbarons, die in weelde leefden en dankzij het bloedgeld en zweet van de mijnwerkers goeie zaken deden. Piet daar in de kosmos, ik moet 'n ouwen aap als gij geen muilen leren trekken. Na de grote Boelstaking van 1981 zette de katholiek Buldermans 28 militanten aan de dijk die niet naar de pijpen wilden dansen van de heren in Brussel. Maar de socialisten waren geen haar beter. Na de dokstaking in 1973 onthoofde de rode potentaat Dolf Vervliet alle syndikale délégés die hadden deelgenomen aan de stakerscomités, dat waren er meer dan twintig. En hoeveel koppen zijn er niet gerold in de Luikse staalfabrieken? Piet, ik ga nu een paar triestige moppen vertellen over mijn ervaringen in de socialistische vakbond. Ik, met mijn katholiek zieltje, kwam bij de rooien. Ik dacht dat ik toen van het socialisme in al zijn geuren en kleuren zou kunnen proevon. Mijn ogen zaten nooit in mijn zak, mijn tong zat nogal los en mijn handen hielden graag een pen vast. Ik moest mezelf niet vermommen om de gekste toestanden mee te maken. De eerste die ik als betaald syndicaal délégé ontmoette, was Barikado. Ik wist hoe zwaar hij woog, dus ik was dubbel op mijn hoede. Hij heeft een groot hart maar een rotslecht geweten en een karakter om beton mee te malen. Hij is een echte karnavalssocialist. De 1-mei processie is voor hem een hoogtepunt, dan deelt hij rode halsdoeken rond en op zijnen bult draagt hij een bord met 'CMB Waasland'. Barikado droomde ervan een syndicaal keizerrijk te stichten waar hij alles alléén kon controleren. Al de solidaire vlaggestokken die hij gedurende het jaar hier en daar had gebroken, trachtte hij in de stoet te lijmen, 't is te zeggen, hij bond de gebroken stokken samen met een verroeste ijzerdraad. Naast hem liepen twee megafoonblazers. Hij zorgde ervoor dat hij een behoorlijke pree verdiende en dat zijn lief kon eten uit de vakbondskas onder het motto : 'Wie voor zichzelf zorgt, zorgt voor een goede vriend.' Piet, ge kent de mannen die hard kunnen roepen : 'Luister naar mijn woorden, kijk niet teveel naar mijn daden.' Het was in 1985. De Boelbaas dankte duizend zaatbonkers af om 'economische redenen'. Dat betekent dat hij volgens de akkoorden ondertekend door Barikado en soortgenoten, délégés zonder pardon kon en mocht afdanken. De rode militanten kwamen samen nadat de baas vijf délégés had afgedankt. Dat zijn pijnlijke momenten, ge zit rond de tafel met afgedankte en niet-afgedankte délégés in ene groep, ge voelt onbewust die kloof die er vroeger niet was. Toen gebeurde het. Harteloos zei Barikado : 'Al de délégés die afgedankt zijn, waren helden, sociale voorvechters. Ik zal hen blijven erkennen als délégé.' Ik kon dat onderschrijven voor vier van de vijf. Haar toen werd Barikado hatelijk en ongenietbaar : 'Wie de patroon niet heeft afgedankt, zijn slappelingen, ze zijn het niet waard om nog langer als délégé erkend te worden.' Piet, ik dacht dat het gebouw instortte, met welk recht durfde die lafaard zoiets te zeggen. Ik vloekte en sprong recht zoals in de tijd van het groot arbeidscomité. 'Barikado, gij smeerlap. Als ge vindt dat den baas geen délégés mag afdanken om economische redenen, moet ge met het patronaat maar andere akkoorden afsluiten. Het welk recht durft gij de kameraden hier verdelen in twee groepen? Samen hebben die mannen jaren geknokt op de scheepswerf, jaren hebben ze hun vel geriskeerd in de sociale strijd terwijl gij aan den toog hing en een dikke pree opstreek. De kameraden die de baas heeft afgedankt, waren inderdaad moedige militanten. Maar hetzelfde durf ik zeggen van onze vrienden die niet zijn afgedankt. Vijfentwintig jaar stonden al die kameraden naast mij in de vuurlinie bij vele sociale conflicten.' Piet, in de vergaderzaal was de spanning te snijden. Tegen de niet afgedankte délégés zei ik : 'Vrienden, ga naar de scheepswerf, de zaatmannen verwachten u daar. Doe uw plicht als syndicaal militant, het zal niet gemakkelijk zijn, maar ga!' Piet, ze zijn gegaan. Ik zie het nog gebeuren als de dag van gisteren. Dat zijn dingen die bijblijven... Twee jaar later weigerde Barikado de lijst voor de sociale verkiezingen in te dienen bij de Boeldirectie met het argument : 'Die slappelingen zijn het niet waard!' Op de dag van kerstavond mobiliseerde ik in zaal Bokkenhof de top van het ABVV Waasland en zei hen: 'Indien Barikado de kandidatenlijst niet indient, zal ik zijn 'heldendaden' eens uit de doeken doen in een zwartboek, voor héél de syndikale wereld!' Op die bijeenkomst heb ik zijn chantagemethodes, zijn manipulatietechnieken, zijn onsolidaire houding duidelijk aan de kaak gesteld. De AVV-leiding van het Waasland heeft hem toen gedwongen de lijst in te dienen. Maar zijn haat tegenover délégés die in moeilijke omstandigheden hun taak uitvoerden, bleef onverminderd duren. Piet, toen kwam de klap op de vuurpijl. Ik kreeg thuis telefoon van Hare Vercauteren, secretaris van de ondernemingsraad op de Boelwerf. Hij vertelde : 'Sjarel, hij heeft het uiteindelijk gedaan. Barikado heeft ons als délégé afgezet. Haar we zullen terugslaan, we gaan in het verzet. Het zal hem zijne kop kosten, we laten niet langer op onze kop schijten!' Ik was blij met dien telefoon en dat krachtig verzet. Ik werkte al vijf jaar niet meer op de werf, en toch belde Hare me op. Ik, die al op laffe wijze uit het metaalbestuur gezet was door Barikado, zei tegen Hare : 'Kameraad, nu zal het hard zijn! Als hij die ontslagen niet intrekt, zal hij hangen...' De poppen gingen aan het dansen. Ik reed met de velo naar het bureau van Freddy Willockx, onze burgemeester en voorzitter van de socialistische beweging. Ik sloeg met mijn vuist op tafel, maar hij lachte rustig : 'Ik weet wel wat ge komt doen. Wees gerust, dat laat ik niet gebeuren. Als Barikado die ontslagen niet onmiddellijk intrekt , zal de hele socialistische beweging zich tegen hem keren.' Nu was het mijn beurt om te lachen, ik zag al 'n gepluimden Barikado voor mij staan. Hij is op 't matje moeten komen en als 'n geslagen hond is hij afgedropen. De ontslagen werden ingetrokken. Piet, laat ons het daar voorlopig bij houden. Ik zocht verder naar het socialisme. Ik zocht en wist al dat ik bij die rode syndikale heren niet teveel zou vinden. Gij vriend, waart geboren in de Stille Kempen waar nu veel auto's razen. Gij wist dat leven en sterven op één lijn liggen. Ge zag elke lente alles groen schilderen en de heidebloemen staken geel af. Rond de Mariakapelletjes snoof ge de geur van lindebloemen. Tegen zo iemand kan ik vrijuit spreken. John van Eynde, de rode metaalbons van de provincie Antwerpen, is wel de schoonste syndikale nar die ik op mijne weg heb ontmoet. De militanten, die voor hem beefden, noemden hem plezant 'den John'. Hij deed zich voor als een vaderfiguur, maar in feite was hij 'n opgeblazen kikker, 'n alleenheerser. Zijn boterhammeke gaan bedelen langs de straat moest hij niet doen, 'n senator wordt dik betaald en als provinciaal syndicalist stak hij meer dan 100 000 frank netto in zijne zak. Plus de onkostenvergoeding voor vliegtuigreizen, hotels en noem maar op. Piet, John was 'n zeer handige kerel. Al manipulerend bouwde hij zijn syndicaal keizerrijk uit met rond zijnen troon een kring van dik betaalde vakbondsbaaskes. Knipte meneer de senator met zijn vingers dan liepen ze elkaar omver om aan de grillen van de heerser te kunnen voldoen. Hij was het die de délégés aanstelde in de fabriek en hij koos dan ook de meest kneedbare. Zijn vertrouweling was waakzaam, als 'n anderen délégé een verkeerde scheet liet, sprong hij naar de telefoon : 'John, hij deed dit! John, hij zal dat gaan doen! John, hij spreekt over staken en ik heb hem gezegd dat gij dat niet wilt.' Vriend Piet, de bazen van Bell-telefoon kenden John zijn zwakke plekken. Om hem voor hun kar te spannen, nodigden ze hem geregeld uit op diners en recepties. Op tijd eens een studiereisje naar Amerika. John nam dan altijd 'n délégé mee die goed paste in het 'harmonisch bazenmodel' en leerde hem de problemen kennen van patroons en bankiers. Hij goot er altijd wel een rood sausje over, dan zei hij: 'Kameraad, ik doe dat allemaal voor de werkgelegenheid.' Zo suste John zijn geweten. John had nog andere kwaliteiten, hij was 'n uitdagende stakingsbreker. In de maandendurende staking op de Boelwerf in 1981, kwam hij twee keer naar een stakersvergadering in Temse. Ik zie hem nog naar de open micro stappen. Hij, 'n olifant verkleed als heer. uitdagend stond hij voor de micro : 'Dag, nog altijd aan 't staken? Proficiat, misschien kunt ge uw vroeger record verbeteren. Ziet maar dat ge niet met uwe kop tegen de muur loopt. Maar ik zal u niet tegenhouden, van mij moogt ge gerust verder staken.' In de zaal riepen de stakers hatelijke woorden. John reageerde : 'Hoort dat af, dat zijn dan democraten en ze laten 'n mens niet eens uitspreken. Goed, ik kom na het verlof nog wel eens terug.' Meneer verliet het podium zoals 'n boer zijn akkerland. Aan de fantasie van John kwam geen einde. De staking duurde al twintig weken toen John besloot in Temse een studiedag te beleggen. Niemand minder dan hijzelf zou les geven. Zijn roze militanten konden eerst aan de scheepspoort hun solidariteit betuigen aan de stakers en daarna trokken ze allemaal naar de sporthal, stakers en rode vlaggendragers. Studiemeester John begon met een veeg uit de pan voor het dagblad De Morgen : 'Kameraden, die mannekes van De Morgen zijn solidair met de stakers en verkopen dan ook veel gazetten aan de stakers. Eigenaardig, die vragen nooit aan den John wat hij denkt van deze staking. Ik zal nog verplicht zijn met een nieuwe gazet te starten.' In de zaal was er onder de stakers heel wat gebrom te horen, naar dat deerde hem niet. 'Kameraden, ik denk dat deze staking geschiedenis gaat maken. Gaat ge nog niet stoppen? Geef eerlijk toe, de minister heeft een schoon voorstel gedaan : hij wil alle 128 afgedankten in een 'werkcel' stoppen, zonder 'n klop te moeten doen, ontvangen ze 90% van hun 'loon.' Vanuit de zaal werd er gebruld : 'John, gaat zeveren in Antwerpen, Saverys moet alle afgedankten terug binnen pakken.' En dan is den John aan zijne show begonnen. Achter zijne micro deed hij met veel zwier zijn vest uit, deed een paar danspasjes en wat schijnbewegingen met zijn vuisten, precies 'n bokser. Toen verklaarde hij plechtig : 'Kameraden, dat is hier geen stakersvergadering, da's hier 'n studiedag.' Nu weerklonk er één dreigend gehuil in de richting van de studiemeester. Jaurez en ik stonden niet ver van het podium verwijderd. We deden net als John ons vest uit, ik sprong op het podium en imiteerde zijn danspasjes. Ik stak mijn hand in de lucht, niet tot overgave bereid. Op dat teken werd het stil in de heksenketel. Ik zei : 'John, mag ik u iets vragen? Hoeveel krijgt ge om deze staking te breken? Waarom speelt ge zo laf in de kaart van Saverijs?' De studiemeester koos het zekere voor het onzekere. Hij deed teken naar zijn Antwerpse rode vlaggen die op het afgesproken teken naar buiten wandelden. Einde van John zijne studiedag. Ik zie dat walgelijke gedoe nog zo voor mijn ogen. Een olifant die rondtrappelde in een porceleinewinkel. Piet, gij had 'n zuivere geest, gij moet niet bang zijn van het Laatste Oordeel, maar John was een ander paar mouwen. Toen ik aan mijn Boterbloemeke vertelde wat er in de sporthal gebeurd was, vroeg ze : 'Moet ik voor die klootzaak alle maanden mijn vakbondsgeld opzij leggen?' En ik heb haar nog meer verteld. John zijn droom en streven was heel zijn verdere leven in een senatorszetel te kunnen tronen. Dan kwam zijn geschilderd portret in de galerij van ministers. Daarom vocht hij bij elke parlementsverkiezingen, tegen de andere jagers in het bos, zo verbeten voor een zetel in de senaat. Maar zijn droom draaide op niets uit. Hij had zijn eigen ruiten ingegooid, bij de staking op de Boelwerf in 1981 had hij te diep in de ogen van de baas gekeken. Als verkiezingspropaganda organiseerde hij wel geregeld kaas- en wijnavonden maar zonder veel volk, de meesten stuurden hun kat. Hij liet zijn foto ophangen aan alle reclamborden aan de Grand Bazar. Zoiets kost geld maar dat was voor John geen probleem. Hij passeerde langs de vakbondskas met het argument : 'Ik vecht voor mijne senatorszetel in het belang van onze leden.' Dergelijke schandalige praktijken houdt men verborgen voor het volk. Toen ik het echter doorgaf aan mijn Boterbloemeke leek het alsof ze door een wesp gestoken was. Maar ik zei : 'Da's nog niet alles. Als John of één van zijn kornuiten op pensioen gaat, geven ze zichzelf, met ons geld, 'n Mercedes cadeau. Ze kunnen dat schoon verantwoorden : "Ons leden mogen ook eens iets doen voor ons, wij hebben voor hen jaren de nagels van onze vingers gewerkt." ' Mijn Boterbloemeke kon me eerst niet geloven, maar toen er geen zwart kruis op mijn voorhoofd verscheen, zei ze beslist : 'Als gij met pensioen gaat, vraagt dan maar een paar velobanden, al zijn ze versleten tot op den draad!' Piet, in het licht van de dood ziet 'n mens misschien veel helderder. Binnenkort zweef ook ik rond in de kosmos. Met onzen ex-senator had ik eventueel nog 'n boomke willen kaarten, naar d'er is ene klootzak die ik daar nooit wil ontnoeten : Willenkes, de opvolger van John. Willenkes was eigenlijk een ventje van niets met veel macht over 'n hoop nensen. Klein, zo mager als een strootje maar met 'n dikke nek als van een stier met pretentie. Als zulke gedrochten aan de top van een organisatie konen, loopt het grondig verkeerd. Die nietsnut was nog naar juist aangesteld of hij moest al meer pree verdienen dan zijn doorluchtige voorganger, hij moest immers de pree van senator missen. De jeneverdrinker zei zonder schroom : 'Die opslag is toch geen probleem, een groot deel kan in het zwart uitbetaald worden, 'n Belg die geen belastingen ontduikt is gene goeie vaderlander.' Dat werklozen, gepensioneerden en arbeiders dat niet kunnen, stoorde hem niet. Willenkes had ook veel geld nodig. Voor zijn stoeipoes huurde hij in het weekend 'n mercedes. De tortelduifjes reden elk apart naar de kust en logeerden daar in een huis van den bond. De rekening schoof Willenkes door naar de vakbondskas. Waarom zou 'n mens op zo'n kleinigheid spreken, hij die alle dagen in dienst stond van zichzelf. Het nieuwe opperhoofd kreeg het hoog in zijne koker. Hij zou een werkbezoek brengen aan het metaalbestuur van Sint-Niklaas om de puntjes op de i te zetten. Ik zie dat scharminkel nog altijd binnenkomen in de vergaderzaal. De dikke nek sprak bombastisch : 'Ik ben hier de man van den dag. Voortaan deel ik hier de lakens uit, er kan in het metaal niets meer gebeuren zonder mij. Ik, en niemand anders, stel de délégés aan en zet ze aan den dijk als ze niet willen mee marcheren.' Piet, ik was al veel gewoon. Ik keek de vergaderzaal rond en zag de gesloten gezichten van de bestuursleden. Ze waren precies versteend, bang, verland. 'Zou hier nu werkelijk niemand reageren, we zijn toch allemaal grote mensen?' dacht ik. Niemand deed zijn mond open. Toen ging die fascist in de aanval tegen de werklozen in het metaalbestuur. 'In het bestuur is geen plaats voor werklozen, werklozen zijn alleen goed om een vakbondsbijdrage te betalen. Werklozen hebben in de werking van de vakbond niets te zien. Daarbij, voor wie wil werken is er werk genoeg...' Piet, mijn keel kneep dicht, het begon bij mij te kriebelen. Langzaan stond ik recht en traag liep ik op de kerel toe die achter de tafel zat. Kaarsrecht bleef ik voor hen staan en keek in zijn dronkemansogen. Ik bracht hen 'n onvervalste Hitlergroet. Ik riep het bijna : 'Fascist, krapuul! Koopt u een paar zwarte laarzen, ge zou best passen als leider in een nazi-concentratiekamp. Voor u dikke pree mogen de werklozen wél bijdragen, zeker!' In de vergaderruimte was het pijnlijk stil. Dat kreng voor mij was zijn tong verloren, 'n mond vol valse tanden.' Enkele maanden later brak er een syndikale oorlog uit tussen Antwerpen en het Waasland. De kanonnen schoten eikaars stellingen aan diggelen. De oorzaak van het conflict was een vroeger lid van de katholieke vakbond die in de militantengroep van de Boelwerf door iedereen aanvaard werd. Dat was niet naar de zin van de racist en katholiekenhater Willenkes, die militant moest uit de groep verwijderd worden. Wij lachten om die belachelijke houding en Werner, de sociaal bewogen lasser, bleef bij ons. Willenkes, die papieren tijger, liet zijn tanden zien, stompzinnig liet hij zijn macht gelden. Eerst ontsloeg hij alle militanten uit de fabriekskern Boel, daarna gans het metaalbestuur vanwege hun solidariteit met Werner. De stierennek wilde oorlog. Hij kon die krijgen. Freddy Willockx, de rode leider, mobiliseerde zijn troepen. Vriend Piet, ik kan u verzekeren, als Freddy op zijn vingers fluit, komen zijn mannekes en meisjes uit hun schelp. Barikado mag de hele dag op zijn vingers fluiten, dan komt er geen kat op straat. Hij mist die geloofwaardigheid. De syndikale oorlog was hard en zou weken duren. De kanonnen bulderden en vele bruggen werden opgeblazen. Willenkes had zich grof misrekend, voor die 'boerkes' van het Waasland moest hij in het zand bijten. De stierennek kon bij zijn stoeipoes gaan uithuilen. De Wase metaalbond rukte zich los van Antwerpen. Het niemendalleke Willenkes verdween enkele jaren van het toneel. Met de regelmaat van een klok goot hij zijn mager lijf vol jenever. Later nagelde de kistenmaker het deksel stevig dicht. Een syndicaal misbaksel was gelukkig verdwenen in de mist. Piet, toen mijn Boterbloemeke dit allemaal hoorde, kon ze haar oren niet geloven. 'Dat is gene vakbond, da's een maffiabende! Moet ik daar mijn centen aan geven? Wanneer gaat gij die stal eens uitnesten, moet het nog harder gaan stinken? Gebruikt maar veel ontsmettingsniddelen!' Ik dacht dat het ergste nu voorbij was, het kon niet rotter naar : 'zo denken de ketters, naar zij dolen!' Onze metaalbond zou zich aansluiten bij Gent. Piet, ongelooflijk naar we kwamen van de drop in de gutsende regen. In de Gentse syndikale wereld heerste een zekere meneer Canipel die versierd was met twee titels : die van provinciale syndikale baas en die van senator. Die slokop was niet tevreden met zijn rijke pree. In de loop van de jaren grabbelde hij veertig miljoen mee uit de vakbondskas. Wonder boven wonder had niemand uit zijn omgeving dat willen zien, Canipel kon rekenen op de syndikale baasjes die hem omringden, ze zwegen laf in ruil voor wat kruimels in de vorm van meer pree. Mijn grootmoeder zei altijd : 'Duren is een schone stad, maar blijven duren is de schoonste.' Op zekere dag moest de schatbewaarder boven water komen met een lege schatkist. Waar was het geld naartoe? Wat een ambetante vraag voor Canipel. De syndikale peetvader wist te zeggen : 'Ik heb nooit een wasmachine gekocht voor mijn vrouw, maar stoeien met madeliefjes is een dure hobby. En voor mijn toekomstige kiezers heb ik bakken whisky en champagne besteld. Meedoen aan de parlementaire fotowedstrijd is onbetaalbaar en ik moest het opnemen tegen rijke rivalen De Clerq en Martens, zijn dat geen verzachtende omstandigheden?' Piet, ge hebt het later zelf in de gazet gelezen. Uit eerlijke schaamte hebben ze de syndikale peetvader uitgekleed als vakbondsdirecteur en als senator. Maar daarna klonk weer hetzelfde liedje van de macht : 'Laat ons dat potje maar gedekt houden, we moeten de vuile was niet buiten hangen.' Er stelde zich wel een klein probleempje : wie ging nu de lege vakbondskas vullen? Opeens schoten de syndikale metaalbazen wakker : 'Wat een stomme vraag, de werklozen en de arbeiders natuurlijk. Boterbloemeke en haar soort moeten dat doen! Wij zullen wel zingen hoe onmisbaar onze vakbond is...' Piet, zo is het gebeurd, die laffe bloedzuigers spelen vals in op onze gevoelens. In een democratische organisatie zou zoiets niet mogen gebeuren. Maar onze verfoeilijke bureaucraten beheersen de telefoon, de schrijfmachine en de dienstverlening. Wat moest ik doen? Ik kon wel roepen en tieren : 'Smeerlappen!' maar tegen wie? Tegen dovemansoren. Deze weg, de weg van schoelies die op 1 mei met een dronkenmansstem de Internationale zingen, loopt dood. Piet, het is hard dat allemaal te moeten zeggen als syndicalist. Met u, Piet, verdwijnt de laatste socialist. Heel uw leven hebt ge u belangeloos ingezet. Ik ben fier dat ge mijn vriend waart. Ik geloof niet in de leiders die met een rode vlag zwieren tot eigen glorie en voor hun eigen carrière, die in duistere holen leven zodat het volk hun handen niet ziet. Zij hebben de socialistische moraal verbannen. Vriend, wij hebben de muur van Berlijn zien vallen en dansten van vreugde . Al jaren vervloekte ik de Muur, alle muren in de wereld. Met de muur stortte alles in : één voor één zagen we alle socialistische regimes vallen. Oost-Europa, het rode arbeidersparadijs, was een pertinente leugen geweest. Die landen kenden geen socialisme voor de gewone mensen. De leiders zwaaiden met rode vlaggen en lieten zelfs roze slogans schilderen op de mensen hun bed. De bureaucraten dweepten slaafs met Lenin en Marx. De heren uit het rode paradijs leefden op de rug van het proletariaat, zoals hier bij ons Canipel, John, Willemkes, Barikado en André Cools uit Luik. Piet, ge hebt nog wat meegemaakt voordat ge vertrokken zijt naar de eeuwig jachtvelden van ruimteschepen en satellieten. De mensen kregen den daver op hun lijf toen den oorlog tussen Bush en Saddam uitbrak. In het begin was het mij allemaal duister. Eerst hadden Frankrijk, Rusland, Engeland, Duitsland, Nederland en België Irak, de onvolprezen held uit het Midden-Oosten, volgestampt met wapens. Ze leverden gifgas en raketten, geproduceerd door de Russen en verfijnd door de Duitsers. Want Saddam moest vechten tegen de fundamentalisten uit Iran, de duivel, het Islamitische gevaar. En dan opeens sprongen de oud-kolonialen op een ander been. Want opeens stond de olie op het spel. Toen Saddam Koeweit binnenviel, kwamen de oliebronnen in gevaar. De oud-kolonialen waren woedend en schreeuwden: 'Aan de Koeweitse Emir zijn zakken mag niemand raken. Wacht maar want onze profijten liggen daar ook!' Bush, 'n privé-oliebaron, voelde zich opeens de god van rechtvaardigheid, de god van vergelding. Hij haalde zijn trukkendoos boven en sprak : 'Saddam is een bruine duivel, juist uit de hel ontsnapt. Hij is veel gevaarlijker dan Hitler.' En Bush-Al Capone-Nero begon de ballon op te blazen : 'Saddam is een gevaar voor de wereld, zijn leger is een supermacht. Hij zal alle landen onder de voet lopen. Dat wangedrocht moet verdelgd worden!' Terwijl Bush zelf rustig met zijn golfkarretje over het golfterrein reed, schakelden de maffiabazen uit het Witte Huis het ondemocratisch Uno-instrument in. De vijf atoomlanden zwaaien daar de plak, ze halen regelmatig hun vetorecht uit de kast. De Verenigde Staten lieten resoluties stemmen aan de lopende band zodat ze konden doen wat ze wilden namelijk het land uit de Derde Wereld volledig vernietigen. Bush zond een half miljoen coca-cola drinkers naar de woestijn. Technologische moordwapens werden overgevlogen. De 'Woestijnstorm' kon beginnen. De hele operatie werd overgoten met een heerlijk sausje : 'Wij doden voor vrijheid en democratie!' Ze volgden het voorbeeld van Godfried Van Bouillon uit de twaalfde eeuw. Toen sloegen de barbaren met een kruis op hun rug genaaid, de hoofden van duizenden moslims en arabieren af met een zwaard. Ze riepen : 'Wij zijn de beschermers van het Heilig Graf, die heidenen moeten dood!' Vriend Piet, sinds de twaalfde eeuw is er nog niet veel veranderd. In heel Europa stonden de stembussocialisten klaar voor de 'Heilige Oorlog'. Britse en Franse wapenfabrikanten sprongen rap op de kar van Bush-Al Capone, de vredesapostel en beschermer van ons cultureel erfgoed. De oud-kolonialen stuurden soldaatjes naar het woestijnzand. Gonzales en Miterrand stelden een breed menselijk gebaar : ze stelden hun bommenwerpers ter beschikking van de Amerikaanse B-52 bommenwerpers die alles trefzeker konden plat smijten in Irak : huizen, waterleidingen en zeker alle bruggen en wegen. Piet, we kennen de Europese barbaren, ze hebben in de loop der tijden over hun eigen continent dood en vernieling gezaaid. In deze eeuw scheerde hun barbaarsheid echter hoge toppen. Op de radio hoorde ik vertellen over generaal Schwarzkopf en zijn 'precisiebombardementen', hij kon de Iraakse doelwitten zelf uitkiezen. Het televisiemonster CNN bracht ons alle dagen rechtstreekse beelden van het vuurwerk. Ik dacht aan de voorbije oorlogen in Europa waarin miljoenen mensen koelbloedig werden vermoord. Nu kregen we beelden te slikken van een 'clean war' zonder doden. Ik huiverde en hield mijn hart vast. Voortaan zou CNN zijn leugens brengen tot in mijn woonkamer. Piet, wat kon ik doen? Ze beweerden dat de duivel Saddam de schuld was van alles. Maar welk land en volk zullen ze morgen vernietigen? De vredesengelen bazuinden het uit : 'Het monster moet dood, in het Eeuwig Vuur met Hem!' En de Irakezen dan? Piet, ge waart hier nog toen de broekschijters van onze regering, zoals zovele regeringen, rap de hand kuste van peetvader Bush die met een zure smoel zei : 'Kleine jongens, stuurt maar vlug een paar mosselschuiten naar de Golf. Laat snel een paar mirages in Dyiabakir landen, bij mijn Turkse democraat Özal. Stuurt ge geen oorlogsmateriaal dan sturen wij achteraf toch wel een gepeperde rekening. Kijk maar eens terug naar de tijd van Nero of Julius Cesar, toen moest ook iedereen meebetalen aan de rooftochten. Hoe wilt ge dat ik anders als god van gerechtigheid en vergelding die opstandelingen ga verdelgen? Leven en dood ligt toch in onze handen? Voortaan bepaalt het Hitte Huis waar we gaan vechten.' Het zaad van Bush-Al Capone viel in goede aarde. De christen-democraten hadden er geen moeite mee, de stembus-socialisten dachten aan de tijd vóór de Eerste Wereldoorlog toen de socialisten tegen elke oorlogsbegroting stemden. 'Zand erover, dat is verleden tijd.' De Volksunie van 'Nooit meer oorlog!' stemde toe met neerhangende oortjes. Major, de Britse eerste minister, stelde een ambetante vraag aan onze hoog verheven regering. 'Ladies en gentlemen, ge behoort tot onze coalitie, verheug u! Ik wil u beleefd doch dringend verzoeken gratis een lading FN-kogels te leveren. Ze worden geprezen door alle huurmoordenaars, onze jongens kunnen ze uittesten in Irak...' Onze regering zat nu met de aangebrande pattaten want ze voelde al de verhitte adem van de vredesmanifestanten in haar nek. Onze regering hing aan de telefoon : 'Meneer Major, vindt u het ook goed als we een geldbedrag sturen ter waarde van onze FN-kogels?' Major vroeg in oorlogstijd altijd raad aan Neil Kinnock van de Labour-partij. Tijdens de mijnstaking had Kinnock op een congres van de socialisten verklaard : 'Ik veroordeel alle geweld, zowel dat van de politie als dat van de stakers.' Zo spaarde dat heerschap geit en kool. Nu zei hij aan Major : 'Ik zou dat miljard van de Belgskes maar aannemen.' Meteen was onze regering uit haar benarde situatie gered. Maar na het Iraakse avontuur moest ons regering wél bezuinigen want, zoals mijn grootmoeder altijd zei, 'n frank kunt ge maar ene keer uitgeven. Op de rug van de mensen zonder centen werd er tien miljard bespaard op de sociale zekerheid. Vriend, toen ons land in oorlog was met Irak waart gij aan uw ziekbed gekluisterd en stapte ik met de vredessmanifestanten mee op door de stad van Manneke Pis. Piet, ge weet beter dan gelijk wie dat wij ook niet voor Saddam waren, die generaal, die dictator, die windhaan. Hij is geen haar beter dan Shamir of de Emir van Koeweit. Duizenden vredesduiven werden losgelaten en de manifestanten scandeerden : 'Geen bloed om olie!' Eigenaardig, die slogan viel niet in goede aarde bij Mia, de leidster van de roze vakbond. Ze liet haar stem horen op radio en televisie : 'Ik moet u waarschuwen, de vredesmanifestanten laten zich leiden door duistere krachten. Het is nu 't moment niet om voor vrede te betogen, laat ons liever als één man en één vrouw achter de coalitie staan.' De verbazing was groot. Er waren zelfs rode rammen die steigerden en wél mee opstapten met de vredes duiven. Wat Mia, onze rode kleuterleidster, niet zei maar wel dacht en er ook naar handelde, was het feit dat, als FN geen wapens meer kon verkopen, de fabriek er onderdoor zou kunnen gaan. Dat zou haar hartje doen bloeden. Ze was van oordeel dat we de vredesengel Bush te vriend moesten houden want in Antwerpen zijn veel Amerikaanse multinationals die we nog wel eens nodig zouden kunnen hebben. Piet, er is een spreekwoord dat zegt : 'Omwille van het smeer likt de beer de kandeleer'. Waarom zouden we geen gaskamers en gifbommen^ leveren, dat brengt werkgelegenheid mee, zelfs voor de kistenmakers. In de rode schapestal werd heel wat geblaat, Mia haar oortjes werden warm. Beste duivenmelker, eerlijke socialist, in de woestijn zijn nu alle woestijnratten dood. De verschrikkelijke oorlog is voorbij. Kort maar hevig. De nasleep ervan lang en dramatisch. Onze coalitiepartners zijn tevreden, de god van rechtvaardigheid en verdelging heeft het onkruid vernietigd. Jammer, de duivel bleef leven. Vierhonderd helden van de coalitie vielen in het woestijnzand, wat een eer! Het Amerikaanse moordarsenaal is er in geslaagd honderdduizend Irakezen een kopke kleiner te maken, zoals in den tijd van de kruisvaarders. En dat allemaal voor de nieuwe wereldorde. De heren in het Witte Huis juichden Bush-Al Capone-Nero toe terwijl rond het Witte Huis daklozen, aidslijders, drugkinderen aan hun lot overgelaten worden. En de coalitie zag dat het goed was! In Irak zijn alle waterleidingen kapot en er is geen geld om fleskes coca-cola te kopen. De mensen mogen daar stikken van den dorst. Morgen komt de cholera misschien op bezoek. Ook in Afrika sterven miljoenen mensen van honger, voor hen is er geen geld. Dat is bestemd om moordwapens aan te kopen bij de wapenbarons. Dat is de nieuwe wereldorde.Gewezen strijdmakker, ik zou bij dat alles wanhopig moeten worden, gelukkig kan ik dat niet. Haar een bom laten vallen op Hirosjiia is geen kunst, in enkele seconden vernield een atoombom zo'n stad en alle leven is dood, onschuldig vermoorde vrouwen, kinderen en soldaten. Duizenden kreupelen roepen om hulp. Dat allemaal herstellen duurt langer dan een mensenleven. In Vietnam vergiftigden de Amerikaanse vredesengelen de grond en het water met dezelfde 'redelijke' argumenten. Als ik thuis de vloer vuil maak, begint mijn Boterbloemeke te grollen tot ik 'n borstel pak en kuis. De Amerikaanse president ligt echter niet wakker van een vergiftigde bodem. Piet, is het waar dat ge alleen kunt dromen over dingen die u bezighouden. Ik droomde over een huis, een heel hoog gebouw midden in de woestijn, langs een weg waar Hercator passeerde. Het heette 'Het Textielhuis'. Op de zolder zag ik mensenkinderen zitten nietsen. Ze hadden geen werkstatuut en niets was echt, alles was nep. Doelloos zaten ze met hun vingers te draaien. Enkelen bladerden in een reclameboekje om niet in slaap te vallen, er stond ook wat 'arbeiderscultuur' in. Ze hadden elk een telefoon voor zich staan, genoeg telefoons on een multinational te doen blozen. Haar de telefoons zwegen en ze bereikten geen volk. Daarvoor waren ze te bang, ze durfden niet meeroepen : 'Redt de Schelde!' Als ze opgetrommeld werden door geallarmeerde stemmen die scandeerden : 'Weg met de stinkfabriek!', keken ze angstig rond of dit de stembussocialisten niet zou mishagen. Toch spraken ze over een arbeiderscultuur zonder pickels en azijn. Een verdieping lager was de werklozendienst, rijpe vrouwen met een echt bediendenstatuut die langs een achterpoortje betaald werden door de regering. Als tegenprestatie moesten ze de papieren voor de werklozen invullen. Redelijk licht werk, ze waren tevreden en leefden netjes naast elkaar. Voor hen schijnt de zon, ze voelen zich veel beter dan die op de zolder. Op het gelijkvloers zetelden de vakbondsdirecteurs met vurig rode dassen, zij vertegenwoordigen de vakcentrales. De heren kookten liever elk hun eigen potje en hielden de deur voor elkaar gesloten. Ze probeerden van elkaar zoveel mogelijk leden te roven, tot eer en glorie van hun keizerrijk. Niemand in het huis hoeft te weten welke pree de syndikale heren opstrijken, die van de zolder zouden misselijk worden, die van de eerste verdieping zouden met grote ogen toekijken. De syndikale bazen bewaakten ook angstvallig hun eigen stakerskas, ze verfoeiden één centrale stakerskas. Ik passeer voorbij een lege, kille, grote zaal en het zweet breekt me uit. Alle stoelen liggen vol stof en zijn onbezet. Waar zijn al die mannen en vrouwen gebleven? Hebben ze dan niets meer te zeggen tegen hen die dik betaald worden? Waarom willen of durven ze niet meer luisteren naar de aanklachten uit de fabrieken waarin verteld wordt hoe de maatschappij aftakelt en onleefbaar wordt? Alle oren en harten zijn gesloten, er wordt niet meer naar elkaar geluisterd. De kloof van ongeloof en wantrouwen groeit met het uur. Piet, ik vloek en ik huil als ik voorbij die lege zaal ga. Hier brandde vroeger de lamp, het vuur van de strijdlust. De lamp is nu uitgedoofd en iedereen is in duisternis gehuld. Gij, ik, wij allemaal moeten het licht gaan zoeken in de woestijn. Dat doet me pijn, vriend! Nu de muur van Berlijn gevallen is en Gorbatjov uitverkoop heeft gehouden van 'zijn' socialisme, zal 'Het Textielhuis' en andere stenen gebouwen zonder hart overspoeld worden.Honderd meter verder op de weg van Mercator staat een stenen hut in het mulle zand. Op de gevel prijkt in reuzenletters : 'CMB Waasland'. Dat bord verwijst naar een periode dat Barikado dacht zijn syndicaal keizerrijk te kunnen stichten. Het was gegrondvest op mul zand, het gebouw zakte weg. Hij heeft nu alle tijd om in alle eenzaamheid zichzelf te chanteren en manipuleren. Verder weg bevindt zich het rode huis van de ziekenbond. Niemand van de syndikale heren wilde in een gemeenschappelijk huis wonen. Nu is er alleen nog een uitbetalingsmechanisme met dienstverlening. De vurige geest van opstandigheid die ten voordele van zieken en gehandicapten ten strijde trekt tegen de gangsters uit de geneesmiddelenindustrie en de zakkenvullers van de Orde der Geneesheren, is er ver te zoeken. Vriend, de vader van Freddy Willockx was 'n duivenmelker zoals gij. Die hebben een goed hart. Als jonge man speelde Freddy biljart en stapte elke zondag naar het voetbalplein. Hij zal het niet nalaten zijn rode meubelen rond hem te verzamelen. Maar na hem komt een diepe kloof, de houtworm zit in de meubelen. Ondertussen behaalt de katholieke vakbond de ene overwinning na de andere bij de sociale verkiezingen. Daar zal wel een verklaring zijn. Daar is nog meer vertrouwen, meer samenhorigheid. Daar zijn nog heel wat witte raven die geloven in en hopen op een betere wereld, zij steken de handen uit de mouwen. Uit welke hoek komen de meeste vredesactivisten, denkt ge? Duivenmelkers als gij komen samen in duivenlokalen, daar is het volk. Bij ons waren de volkshuizen nog echt huizen voor de man met de pet en de vrouw met de blauwe voorschoot. Dat is voorbij, voltooid verleden tijd. Alle volkshuizen zijn nu gesloten, verhuurd of verkocht. Het rode hart klopt daar niet meer. Vriend, dat is misschien het voordeel van de doden: over hen komt rust, de levenden kennen geen rust. Ik wil u nog eens iets vertellen over wat ik meegemaakt heb, het zal u zeker interesseren. Ik ben eens gaan luisteren naar Louis Toback, onze Minister van Binnenlandse Moeilijkheden. Als stembussocialist niet te onderschatten. Hij heeft een scherpe toot en weet wat hij wil. Hij kan in een debat van die mokerslagen uitdelen om een boer van zijn paard te slaan. Kortom, hij is geen katje om zonder handschoenen aan te pakken. Ik mag hem wel. In de oorlog tegen Irak koos hij zonder verpinken de kant van de coalitie. Het weze hem vergeven, hoewel, het is niet moeilijk om de kant van de macht te kiezen. Op een zachte avond waaide Lowie over naar Sint-Niklaas. Hij behandelde zijn geliefkoosd thema : de kleine criminaliteit. In de zaal waren heel wat politiemensen en rijkswachters aanwezig verkleed als deftige burgers. Ik zou nooit of nooit met woorden willen duelleren met onze minister. Hij is 'n praatkampioen en als politiekers in het nauw komen, durven ze met u de vloer aanvegen, ik was dus op mijn hoede en zei : 'Louis, ik zal eens iets zeggen, ik verwacht geen antwoord want dan kan ik er weer geen speld tussen krijgen.' Hij was schijnbaar akkoord met mijn eigenaardige manier van doen. 'Ik hoor dat ge graag de kruimeldieven zoudt aanpakken. Wie in de Grand Bazar een pakje boter steelt, moet daar voor boeten en wie een bejaarde berooft moet voorbeeldig gestraft worden. Niets op tegen. Maar ik zou wel graag hebben dat ge jacht zou maken op grote dieven. Ik begrijp wel, dat is minder eenvoudig maar ik heb de indruk dat de grote boeven zowat vrij spel krijgen in ons dierbaar Belgenland. De drughandelaars kunnen hun geld witwassen, dan worden alle ogen dichtgeknepen. Er was eens 'n zekere meneer de Clerq van de Beaulieu-groep, die heeft in Sint-Niklaas een tapijtenfabriek. Meneer moest voor de rechtbank van Kortrijk verschijnen omdat hij weigerde overheidsgeld terug te betalen. Hij was dan ook specialist in het ontduiken van belastingen en het opstellen van valse balansen. De rechter deed echter een rare en scheve uitspraak : "Om sociale redenen kan ik deze tapijtenfabrikant niet veroordelen, hij stelt duizenden mensen te werk." Meneer de minister, toen ik dat las, kreeg ik een appelflauwte, ik was ontgoocheld in onze kromspraak. Louis, ik maak u geen verwijt. Toch vraag ik met aandrang wanneer die bende van Nijvel eindelijk eens achter slot en grendel gaat? De moordenaars van de achttien slachtoffers zijn gekend. Mogen de ministers van de 'roze balletten' de mooie meiskes zomaar laten verder dansen? Zullen ze de moordenaar vinden van André Cools, die zich jaren heeft verkleed als socialist terwijl hij niets minder was dan 'n maffiabaas? Zal de onderwereld hier weer vrij spel krijgen? Wat moet ik stilaan gaan denken van onze magistraten? Zijn het dan alleen diegenen die zonder achterlicht rijden die een proces aan hun been gelapt krijgen? Zeg het mij, zodat er licht komt in de duisternis.' Louis bleef aandachtig luisteren dus bleef ik vrijuit spreken zoals het past in een democratisch land. 'Minister, ik ben bang dat ons land een slechte reputatie krijgt in binnen-en buitenland. De laatste tijd zaten er twee ex-eerste ministers op de beklaagdenbank? Ze werden bovendien gestraft, ook al werden ze omringd door een zwerm advocaten om hun daden goed te praten. Van den Boeynants werd veroordeeld voor schriftvervalsing en fraude. Moest ik daar één honderdste van gedaan hebben, kwam ik voor de rest van mijn leven niet uit de gevangenis. Leburton had geknoeid met miljarden uit de ziekenkas. Hij is gestraft, de andere betrokkenen niet, die waren nog slimmer en handiger dan hij. Toch was het naar een lichte straf. Mijn grootmoeder zei altijd : "Manneke, ge komt altijd slimmer van de markt dan dat ge er naartoe gaat. Voor mij is het nu duidelijk : als er parlementsverkiezingen op komst zijn en ik zie al die glimlachende smoelen hangen in de straat, dan weet ik dat het geld van de ziekteverzekering daar voor een deel aan besteed wordt, meneer de minister, door al die praktijken verliest 'n mens zijn vertrouwen in de politici. Ik verkoop hier gene rechtse praat, ik leq alleen de vinger op de zere wonde.' Vriend, onverwacht kreeg ik van de aanwezige rijkswachters en burgemeester een warm applaus. Onze Minister was zo wijs rustig te blijven, dat getuigt van wijsheid. Piet, enkele maanden later ontmoette ik hem in Beveren. Daar had hij het over 'Het rampenplan', een interessant thema. Ik wist dat hij daar tegen wil en dank specialist in was dus ging ik mijn oren openzetten. Louis deed het uitstekend. Hij stelde : 'Elke gemeente is verplicht bij mijn ministerie een rampenplan in te dienen, bij een catastrofe moeten we onmiddellijk kunnen optreden.' Ik kon hem heel goed volgen, hij had groot gelijk. Een goed rampenplan is meer dan nodig» al zijn het dan achterhoedegevechten. Bij nader toezien is elk rampenplan immers een genaaide lap op een versleten broek. Vriend waar gaat dat naartoe? Over onze wegen razen tankwagens vol brandstof of gif, er is altijd gevaar dat ze omkantelen. Er gaat geen week voorbij of er wordt wel een fabriek de lucht ingeblazen, de gifgassen verspreid tot in de woonkamers. Wat zal er gebeuren als de kerncentrale van Doel opensplijt zoals in Tsjernobyl? En na elke ramp worden de mensen belogen en bedrogen dat het sap uit hun oren springt. 'Het is gelukkig niet zo erg. Onze diensten hebben alles onderzocht en ze hebben niets schadelijks ontdekt voor de mens, alleen voor 't konijn.' Als Bayer een nieuw chemisch product klaarstoomt, zullen ze niet aan de neus van de syndikale délégé hangen hoe gevaarlijk dat goedje wel is. De directie zal het wel vertikken hun syndikale délégés in te lichten als ze hun smerig goedje in de Schelde gaan dumpen. Voor de vissen in de Schelde is er geen rampenplan meer nodig, die zijn allemaal al dood, daar moeten we ons dus geen zorgen meer over maken. Toch zie ik een lichtpuntje aan de horizon, al komt het dan uit Holland. In de sociaal woelige jaren zeventig was ik in Amsterdam, waar betoogd werd tegen de levensduurte. Een progressief theatergezelschap speelde op de Dam : 'Ik pik dat niet!'. De vakbondsleider' van de FNV Wim Kok sprak de manifestanten toe. Hij zei wel tien keer: 'Ik pik dat niet! Niemand mag aan de lonen en aan de sociale verworvenheden raken.' Ik vertrouwde hem maar half, de plastron was te vurig rood, het hemd te wit, zijn maatpak aan de dure kant. Hij zag er echt uit als een carrièremaker. Ik luisterde naar de geslepen tong, ongelooflijk hoe hij de mensen met woorden rond zijne vinger kon winden. Vele jaren later zag ik hem op het televisiescherm. Jenny wist me te vertellen dat Wim Kok zich geroepen voelde om Joop den Uil op te volgen als partijvoorzitter van de PvdA. Het lukte hem wonderwel, achter premier Lubbers staat hij nu zelfs op de eerste plaats. En toen, Piet, kwam de Golfoorlog om olie, de wedstrijd Bush-Saddam, de oliebaron tegen de dictator. De Hollandse koningin was klaarwakker. Zij had immers haar rijkdommen te danken aan de moordpartijen en rooftochten in de overzeese gebieden, in de naam van het Huis van Oranje. Zoiets vergeet ge nooit. De Minister van Buitenlandse Zaken, de kontlikker van Bush Van den Broeck, werd woordvoerder van de koningin in de Tweede Kamer. Hij zei met tranerige stem: 'Ik keur die agressieve daad van Saddam af. Ik schaar me onmiddelijk onder de vleugels van de vredesapostel Bush. Maar laat het niet bij woorden blijven. Laat ons soldaten vertrekken naar de Golf, ons mijne vegers, ons patriotten.' Wim Kok zat voortdurend goedkeurend te knikken. Op een bepaald ogenblik werd het hem te machtig en hij riep: 'Leve de coalitie, leve de nieuwe wereldorde!' Vriend, na de oorlog moest ook Wim Kok zijn begroting klaarstomen. Hij moest dringend bezuinigen want oorlog voeren kost geld. Aan de winsten van de wapenbarons durfde hij niet te raken en de winsten van de bedrijven afromen zou hem niet in dank worden afgenomen. Hoewel Kok in het begin zijn politieke taart met een roos sausje overgoot, zou hij dan maar fors bezuinigen op de WAO-ers, de arbeidsongeschikten. Hun inkomen zou met dertig procent verminderd worden. De regering wenste hem proficiat met zoveel moed, wat een moedig staatsman! Alle ministers konden nu met een gerust gemoed op vakantie. En toen gebeurde er iets verheugends. De WAO-ers en alle normaal denkende mensen konden hun ogen en oren niet geloven. 'Is die krankzinnig geworden? Wim Kok zegt toch van zichzelf dat hij een socialist is, en die zet de zwakken zonder eten!' Met aandacht volgde ik het radio- en televisienieuws uit Holland, het spel zat op de wagen. Vrij Nederland spuuwde zijn gal uit in 'Grijs'. Normale mensen en normale socialisten waren woedend : 'Schande, duizend maal schande!' Partijleden gaven hun ontslag en stuurden onvriendelijke brieven naar Wim Kok. Ik hoorde een woordvoerder uit Friesland verklaren : 'Dat heeft niets meer met socialisme te maken.' Piet, ik weet niet hoe ze er zullen uitkomen maar één ding is verheugend : ze komen tot verzet, ze zullen wel ontdekken dat de weg van Wim Kok en zijn soortgenoten doodloopt. Vriend, laat me toe dat ik terugkeer naar het begin. Ik las uw doodsbrief, dat zijn van die momenten dat 'n mens eens moet nadenken over zijn leven. Dus gij zijt hier niet meer! Ge stierf terwijl ik in een speciaal gebied rondzwierf, in het land langs de Syrische en Iraakse grens waar eens de wieg van onze cultuur heeft gestaan. Palestina, het Heilig land, is altijd in mijn oren blijven klinken. In mijn jeugd werden daarover wonderschone bijbelse verhalen opgedist. Daarom misschien ben ik in de herfstjaren van mijn leven gaan zwemmen in de Rode en de Dode zee. Daarom misschien heb ik dit jaar mijn voeten gewassen in de Tiger. Was het toeval dat ik juist terecht kwam in Haren, daar waar onze aartsvader Abraham het levenslicht zag? Hij zwierf daar met zijn schapen door de groene vlakten van Messopotamiè. Van dat groen heb ik niet veel gemerkt, alles was dor en stoffig. Ik zag Haren liggen vanop een heuvel : een bruin dorp met kegelvormige lemen huizen, een oord waar veel verschoppelingen wonen en dat nog bitter weinig te maken heeft met het Beloofde Land. Als foto jager zag ik twee vrouwen in lange, kleurige kleren vóór hun armtierige woning paardestront kneden. Ze maakten er ronde, platte schijven van, die ze opstapelden en in de brandende zon te drogen legden. Dat tafereel heb ik niet gefotografeerd, het was een vernederend werk voor de vrouwen, zo dacht ik tenminste. Toen ik bij mijn vriend in Kaltar kwam, vertelde hij me over zijn belevenissen in Haren : 'Sjarel, ik ben daar twee jaar soldaat geweest. Ik dacht echt dat ik mijn familie nooit meer zou terugzien, dat ik daar zou sterven. Het klimaat is daar verschrikkelijk, in de winter dertig graden onder nul en in de zomer veertig boven. De geur van verbrande paardemest stonk uren in de wind. In dat dorp was niets, zelfs geen stukse stoofhout. Piet, mijne vriend Sammy is 'n diepgelovige Moslim : vijf keer per dag bidt hij tot Allah, vijf keer per dag wast hij zijn oren, neus, voeten en handen. 'Moslims zijn propere mensen,' zegt hij vol overtuiging. Ik, die gedoopt was, ging alle dagen onder de douche. Dus in Haren was ze begonnen, de Joodse godsdienst, later de christelijke en nog later de Islamitische. Sammy zei gewoon : 'Wij aanbidden allemaal dezelfde God.' Misschien dacht hij er stillekes bij : 'Maar den onzen is den besten!' Wat kon ik daar op antwoorden als wankele gelovige. Ik heb er geen problemen mee dat er een God zou bestaan. Dat geeft voor miljoenen mensen zin aan hun leven, ze hopen dat er hierna nog wat is in het Hiernamaals. Wat mij wel bezig hield was iets dat Sammy aan tafel zei : 'Dit jaar wil ik in Turkije zijn voor het Schapenfeest.' Ik vroeg hem naar de diepere betekenis van dat feest. Ik wist dat Joden veel van schapen houden. Het werd stil tussen Sammy en mij en toen zei hij : 'Aartsvader Abraham was een godvrezend man. Op een dag werd hij op de proef gesteld : hij moest zijn zoon Isaak offeren aan de Heer. Abraham, tot alles bereid, nam een mes en strekte zijn had om zijn zoon te gaan slachten. Juist op dat moment klonk er een stem uit de hemel : "Abraham, niet doen, doet dat manneke geen pijn. Ik weet nu dat ge godvrezend en gehoorzaam zijt, ge zoudt zelfs uw eigen zoon niet sparen." Toen slachtte Abraham een schaap als offer. En daarom houden Joden en Islamieten zo van schapen, een schaap is rein, een varken is onrein.' Daar had ik het moeilijk mee, ik zei : 'Sammy, maar bij ons in Vlaanderen eten de mensen veel varkensworst en hesp.' 'Ik nooit!' zei hij beslist. Zijn krachtdadig antwoord deed me nadenken. Piet, als katholiek wil ik niet meer door het leven gaan, dat stinkt teveel naar de Paus van Rome, die marionet in een grote poppenkast. Met de basis van het evangelie heb ik geen moeite, net zo min als met de basis van het socialisme. Waarom houden de katholieken meer van varkens dan van schapen? Zouden ze dat in Vlaanderen niet moeten herzien? Vroeger, in mijn jeugd, zong ik vol overgave : 'Waar men gaat langs Vlaamse wegen, kom ik Maria tegen.' Nu zou ik misselijk moeten zingen : 'Waar ik qa langs Vlaamse wegen, overal kom ik varkens tegen.' Miljoenen varkens in hun koten verpesten de lucht, de varkensdrek dringt in het akkerland en vergiftigt het water. De 'boerenminister' heeft het warm water uitgevonden : hij gaat strontbanken oprichten, akkers opkopen en de stront daar zomaar op uitstrijken. Misschien zouden we beter terug overschakelen op het schaap, zoals onze aartsvader Abraham. Kameraad Piet, dat zijn een paar van de vele bedenkingen die ik mij maakte na het lezen van uw doodsbrief. Ik kom u zeker bezoeken, daar in de kosmos. Dat wil niet zeggen dat ik ons tranendal hier zo graag zou verlaten, ik ben hier goed, maar aan elk lied komt een eind. Ge hoeft mij de geheimen van de dood niet te onthullen, dat heeft nog nooit iemand gedaan. Vriend, laat mij hier afsluiten met de woorden van de Libanese schilder en dichter Kahil Gibran: 'Indien je de geest van de dood aanschouwen wilt, open dan wijd je hart voor het lichaam des levens. Want leven en dood zijn één, zoals de rivier en de zee één zijn.'
|