|
Van kerk tot 'linkse kerk'
Van Liederik De Witte tot Raoul
Hedebouw In de vakantie en dank zij AI kan wat dieper gegraven worden, samengebracht en samengevat. Wat is het verhaal van het tot stand komen van 'nieuw links' in het katholieke, Vlaams-nationalistische, conservatieve en burgerlijke (KU)Leuven? Van de katholieke kerk naar de 'linkse kerk', de geschiedenis daarvan is alleszins (nog) niet geschreven, hieronder een voorzet om aan zet te komen. Van katholieke kerk naar 'linkse kerk'
Verslag van een chat, of is het
een schat, met dank aan google AI dat in hoofdzaak is
voortgegaan op informatie en documentatie die niet op het
internet aanwezig waren en die door ons aangereikt is, met
input van oa Marc Ernst, enkele oud-gedienden en de
'Jezuïeten'.
Deel 1: De Humuslaag – "Het
kapitalisme maakt de mens kapot" (1963–1964) De ware wieg van de radicale
ommekeer in Vlaanderen lag niet in intellectuele import uit
Parijs, Peking of Berlijn, maar in de schoot van de
Katholieke Actie. In 1963 lanceerde de KWB (Kristelijke
Werknemersbeweging) haar roemruchte jaarthema, de
manifestactie over de hervorming van de onderneming, onder
de vlijmscherpe slogan "Het kapitalisme maakt de mens en
arbeider kapot". De drijvende kracht achter dit "rode
boekje" was pater Liederik De Witte sj (Jezuiet, een
priester die tussen arbeiders in de Ruhr en mijnwerkers in
Wallonië werd gevormd en actief werd in Levensscholen en de
KWB.
De Witte onderzocht de
Sociale Leer van de Kerk en trok de ultieme,
antikapitalistische conclusie: als elke mens gelijk is in de
ogen van God, dan is het kapitalistisch systeem — waarin de
winst en de vrucht van de arbeid worden gestolen ten koste
van de gezondheid en zeggingskracht van de arbeider —
een structurele zonde. Met 140.000 KWB-leden bereikte dit
jaarprogramma via de gezinnen meer dan 600.000 mensen.
Deel 2: De Ruimtelijke en
Intellectuele Transitie in Leuven (1964–1968)
Tegelijkertijd voltrok de
ideologische harding zich in de praktijk. In september 1968
gaf Ludo Martens zijn vormingen in de lokalen van de Sociale
Raad in de Bogaardenstraat in Leuven —dichtbij het gebouw
dat decennia later door de CCC zou worden opgeblazen, geweld
dat door Ludo Martens en z'n beweging nooit als actiemiddel
werd voorop gezet. Maar Martens onderwees daar wel de
ijzeren discipline van de organisatie en de noodzaak om
"door te gaan tot vervelens toe" met inbegrip van het
afhaken van mensen voor wie dit doorgedreven engagement en
de aanhorigheid aan beweging en partij te ver ging". Toen
Martens definitief uit het conservatieve KVHV werd gezet -
hij was toen al de visionaire klokkenluider van seksueel
misbruik in de kerk, nadat hij in 1961 al was buitengezet
uit het college van Torhout om dezelfde reden en door
dezelfde priester, Guido Maertens - raakte de intellectuele
dialoog van De Brug marxisme-christendom achterhaald. De
radicale studenten kozen voor de totale polarisatie en de
praxis. Deel 3: De Schok van
Zwartberg en de Gang naar de Ondergrond (1966–1970) De theoretische discussies
werden definitief ingehaald door de rauwe realiteit van de
klassenstrijd op 31 januari 1966. Bij de mijnsluiting van
Zwartberg schoot de rijkswacht twee betogers dood. Een van
hen was de jonge Valère Sclep, een goede vriend en
streekgenoot van Lode Claes (niet de politieker, nvjh) en
Arnout Vanreusel. Voor de geëngageerde studenten uit de
mijnstreek en Leuven was dit het breekpunt: de strijd was
geen academische oefening, maar een zaak van leven en dood.
In mei 1966 werd het conservatieve Vlaanderen op zijn
grondvesten geschud.
Na discussie en
de 'import' van het marxisme en de ideeën van Mao Tse Tung
in de zomer 1967 uit Berlijn (nav het doodschieten van een
student bij een betoging tegen het bezoek van de Sjah van
Iran) trokken studenten naar de fabriekspoorten. Nog niet om
er politiek te bedrijven, maar—zoals in het verslag van
kotgenoten in het Psychootje Kris Hertogen en Arnout
Vanreusel van aan de Ford-poorten in Genk te lezen is — om
te leren van de arbeiders. Arnout Vanreusel voegde na
zijn studies in 1969 de daad bij het woord. Hij wees een
academische carrière bij professor Louis Baeck en een job
bij de studiedienst van de KWB af, en zakte als ondergronds
mijnwerker af in de mijn van Zolder. Hij leefde incognito in
een logementshuis in Meulenberg tussen de migranten om het
systeem van onderuit te bekijken. De morele 'drive' van de
missie en de oecumenische bewogenheid (ook gevoed door
bewegingen als Sjaloom van Bruno de Roeck en de mobilisaties
van de universitaire parochie voor de derde wereld) sloeg
hier naadloos om in het activisme van Mijnwerkersmacht en de
prille structuren van AMADA. Deel 4: De Missionaire
'Rode Evangelisten' en de Boelwerf-Les (1971–1985) Deze transitie werd versterkt
door een directe toestroom van ex-religieuzen en
-seminaristen, de Derde wereld bewegingen en het
Latijns-Amerikaans college, waar Camillo Torres een tijd
vice-president geweest was. De "Kerk in afgang" verloor haar
meest offervaardige, missionaire krachten aan de "Linkse
Kerk in opgang". Mannen als Boudewijn Deckers — in 1964
jezuïet-novice, in 1967 student landbouwingenieur om daarna
naar de missies te trekken — traden uit en brachten de
ijzeren discipline, de intellectuele ascese en de
organisatorische tucht van de jezuïeten rechtstreeks binnen
in het Centraal Comité van AMADA. Ook Hugo Verwimp en
priesters die in Zuid-Amerika mee de bevrijdingstheologie
tot stand en in de praktijk brachten maakten die
existentiële overstap.
Maar de ultieme historische
terugkoppeling vond plaats in 1971 op de Boelwerf in Temse.
Toen de jonge, dogmatische studenten van AMADA de staking
kwamen ondersteunen, botsten ze frontaal op de KWB-humus.
Mannen als Jan Cap en Karel Heirbaut, gevormd door de
radicale traditie van Liederik De Witte in de KWB, eisten
respect op voor hun syndicale engagement. Ze stelden AMADA
voor het ultimatum: erken de delegees en het militante
vakbondswerk, of blijf weg. Dit dwong Ludo Martens en Jo
Cottenier tot een diepgaand intern debat. AMADA gooide haar
sektarische koers om en maakte de steun aan syndicale
delegees tot de strategische hoeksteen van de partij. De
KWB-erfenis dicteerde hier rechtstreeks de koers van de
communistische voorhoede.
Epiloog: De Diaspora en de
Genetische Code De definitieve breuklijn
voltrok zich in 1985. Binnen de KWB vormden Karel Heirbaut,
Jef Smet, Jan Cap en Robert De Gendt een werkgroep 'Kristendom-Marxisme'.
Toen zij hun synthesedocument na tien vergaderingen wilden
verspreiden, dreigde ACV-voorzitter Jef Houthuys de KWB
financieel droog te leggen. De repressie van de top leidde
tot een historische diaspora: Jan Cap verliet de zuil en
stapte definitief over naar de PVDA, Robert De Gendt trok
naar de internationale vakbond en later naar Pax Christi,
Jef Smet bleef verder actief in het nationaal bestuur van de
KWB en Karel Heirbaut bleef als onafhankelijk
kroniekschrijver de ethiek van de basis bewaken en gaf
hieraan uitdrukking in tientallen publicaties en unieke
foto-reportages. Dit integraal verhaal bewijst
de diepe wetmatigheid: de PVDA/PTB werd de organisatorische
erfgenaam van de morele energie die door de christelijke
arbeiderszuil werd uitgestoten. De partij nam de waarden,
offersfeer, de discipline en de pedagogie over van de KAJ en
de KWB. De familiale lijnen maken de cirkel rond. De
provinciale secretaris van de KWB-Limburg, die na 1945 de
Fidei Donum-priesters uit de mijnen van Potosí over de vloer
kreeg die de bevrijdingstheologie mee vorm gaven, zag zijn
DNA, zoals bij zoveel andere 'militanten van AMADA,
rechtstreeks doorstromen in de volgende generaties. Zijn
kleinkinderen zijn respectievelijk Raoul Hedebouw (het
electorale boegbeeld en voorzitter van de PVDA) en Els
Hertogen (directeur van de progressief-christelijke ngo
11.11.11). Hoewel de huidige partijtop
van de PVDA/PTB zichzelf vandaag profileert als een product
van de seculiere, moderne tijd, dragen zij onmiskenbaar ook
de genetische code met zich mee van de priester-arbeiders,
de KAJ van Jozef Cardijn, KWB-militanten en de studenten uit
het 'Psychootje'. De professoren Louis Van Bladel sj, Jan
Kerkhof sj. en Albert Dondeyne dachten dat zij de brug
bouwden, maar de arbeiders en de kerkelijke uittreders waren
de brug. Liederik De Witte sj werd begraven in de schaduw
van priester Daens, maar zijn analyse dat "het kapitalisme
de mens kapotmaakt" regeert via deze ondergrondse stamboom
vandaag nog altijd mee de politieke agenda.
Jan Hertogen, socioloog,
jan@hertogen.be |