|
Alvorens te verdwijnen in het bos
vermijt de zon zich aan je wang
en voelen wij ternauwernood de band
waarmee hij rond ons zoenen hangt.
De kamer duikt volledig naakt
in ‘t haardvuur van de ruiten
en ook de houtstronk geeft zijn laatste gensters
af,
voor hij gaat slapen dwars omheen je lichaam.
De schaduw die de muur verlaat
legt zich op heuveltoppen neer
vanwaar hij op de oogsten valt
om in valleien uit te breken.
Alleen geschitter van rivieren rest
onttrokken aan het oog houdt het de beide wimpers open:
het is vandaar dat dagelijks komt kijken
de ochtendzon die
opstaat uit het koren.
|