Intro: Hieronder wordt het boek van Frank Camberlain over de Oorlogswouten, 2012 integraal gepubliceerd. Ook de aangrijpende en goed gedocumenteerde Documentaire Oorlogswouten van afdeling kultuur, District Deurne, in regie van Jan Weynants & Jan Pandelaers kan langs volgende linken bekeken worden: Trailer en de Documentaire Oorlogswouten. Na twee 'illegale' plaatsingen van Struikelstenen (Stolpersteine, een project van Gunter Demnig) werd de eerste 'officiële' steen gelegd voor de laatste woonplaats van Jan de Ridder, een van de 35 politiekampen die de concentratiekampen niet overleefden. Voor verdere info en vraag om plaatsing struikelstenen in Vlaanderen en Brussel, zie kenwikenwi@gmail.com. Op http://blog.seniorennet.be/mertens/ is nog het restant te vinden van de goed gedocumenteerde webiste van Hugo Mertens, zoon van Guillaume Mertens die nog altijd vermist is na z'n wegvoering naar Gross Rosen. Met de beschikbare downloads kan er een zekere gebeuren - of heeft iemand nog het origineel van Hugo, dan melden aan info@oorlogswouten.be


Oorlogswouten, Frank Camberlain, 2012

Uitgeverij De Krijger Kloosterstraat 83 B-9420 Mere België

tel/fax :+32 53 84 91 13
e-mail : de.krijger@proximedia.be

ISBN 9789058682179 Wettelijk Depot: D/6004/2012/5

Inhoud

- Waarom? - Proloog
- Die Deutsche Wehrlmacht hat einen neuen herlichen Sieg an ihre Fahnen gehaftet
- Het Woutenkorps
- Heinrich Himmler wordt de grote politiebaas
- "Helpt de Twijfelaars gelooven in de goede zaak"
- De heren van de Sicherheitspolizei
- De SIPO aktie in Lier, het begin van het einde
- De arresties van Veerman en Hermans
- En de rest van het korps volgt
- Denkt gij dat ik het nog wat uithoud
- Hij was van Bastogne
- De Apeldoorn case
- En hoe zou het zijn met

- Epiloog

- Politieagenten achtergebleven in de concentratiekampen
- Politieagenten teruggekeerd uit de concentratiekampen
- Burgemeester Alfons Schneider

- Achterfflap

*
*   *

Waarom? - Proloog

Oktober 2007, in het teken van de weegschaal op de scheiding met de schorpîoen.  De herfst omsluit de Antwerpse straten en is naarstig op zoek naar potentiële slachtoffers van lopende neuzen en fluimende hoestbuien.  Egaal grijs is de overheersende kleur.  Een jaargetijde waarin mensen obligaat hun bloempot neerpoten op de zerk van een teerbeminde die ze allang vergeten zijn maar die nu een uitstekende uitvlucht levert om in de brasserie achter het kerkhof  en famille een Brusselse wafel met crème frêche binnen te slobberen. Men vraagt zich af waar al die dichters de inspiratie hebben gevonden om dit bij uitstek verdrietige seizoen te bejubelen, maar daarvoor zijn het dichters, matig tot ernstig gestoord, auteurs van stukjes huisvlijt die door de schoolkinderen voor het bord worden opgedreund.

Het is maandagavond en zitting van de gemeenteraad.  De raad wordt voorgezeten door burgervader Patrick Janssens, via een vorige carrière in de reclamesector uitgegroeid tot een stemmenkanon van de Spa, de Socialistische Partij Anders waarbij “Anders” volgens de hardliners van weleer dient verstaan als liefst niet te links, lichtroze naar het politieke centrum toe, bij voorkeur in het bezit van een universitair diploma en zo mogelijk met habitat in een trendy loft, somewhere in the better part of town. 

De kilte van de herfstavond staat in fel contrast met de broeierige sfeer in de raadzaal.  Daar heeft zojuist de advocaat Claude Marinower het woord genomen. Marinower is de spreekbuis van de joodse gemeenschap in Antwerpen.  Recent werd een studie gepubliceerd met als titel “Gewillig België”.  Daarin staat dat de Belgische gezagsdragers tijdens de Duitse bezetting in W.O. II  niet al te veel aanmoediging nodig hadden om de onderrichtingen van de bezetter na te leven, op sommige plaatsen zelfs veel minder dan op andere.  Antwerpen zou zich, in tegenstelling tot bijvoorbeeld Brussel, met iets te veel toewijding van zijn opdrachten gekweten hebben.  Marinower, zoon van een gedeporteerde jood, verwijst naar de beruchte jodenraffle tijdens de nacht van 28 op 29 augustus 1942 waarbij meer dan 1200 joodse Antwerpenaren werden opgepakt  waarvan slechts een minderheid de Duitse kuuroorden overleefde.  Het Antwerpse politiekorps, zou daaraan actief hebben meegewerkt “zonder dat de Duitsers daarom gevraagd hadden”. Met het oog op het komend internationaal colloqium “De kinderen van Shoa” vindt Marinower dat het stadsbestuur zich moet beraden over een houding die de joodse slachtoffers en hun nazaten  in staat stelt om deze bladzijde om te draaien,  een publieke verontschuldiging dus.  Janssens maakt zich al klaar om te antwoorden wanneer Bart De Wever het woord vraagt.  De gezette NVA-politicus, historicus van opleiding, is genoegzaam gekend omwille van zijn scherpe tong.  De Wever,  uitermate intelligent, waarmee hij zich onderscheidt van menig politiek concurrent, is de verpersoonlijking van het cynisme.  Moet men aan een ongeletterde het begrip “cynisme” verklaren, men plaatse boven de term een foto van De Wever en de kans is groot dat men het geen tweede maal moet uitleggen. 

Premier Verhofstadt heeft zich al verontschuldigd namens alle instanties”, zegt De Wever,  is dat dan niet voldoende ?  Heeft Antwerpen het dan zoveel slechter gedaan dan andere steden in West-Europa?” 

De Wever ziet het duidelijk niet zitten dat Antwerpen alweer wordt voorgesteld als de bakermat van de onverdraagzaamheid. 

Zich voor alles moeten verontschuldigen, dan zullen we nog een tijdje bezig zijn en daar bestaat anno 2007 geen behoefte aan”, voegt hij eraan toe, “en bovendien vraag ik me af of het nog wel enige betekenis heeft om namens mensen die dood zijn verontschuldigingen aan te bieden aan mensen die ook dood zijn”. 

Vooral die laatste woorden die de o zo scherpe tong van De Wever illustreren hebben het effect van een luide scheet tijdens een symposium van geleerden en hoogwaardigheidsbekleders.  Een ijzige stilte daalt neer in de raadszaal en Marinower wijst De Wever onmiddellijk terecht.  De houding van de Antwerpse overheid ten aanzien van de joodse burgers was wel degelijk een unicum, vergelijk maar met Brussel, stelt hij en daarmee wordt de discussie gesloten want door het reglement van de vergadering heeft De Wever geen mogelijkheid meer om te replikeren.  Jammer toch, zo’n reglement dat een potentieel boeiend debat kortwiekt.

Maar eens te meer wordt het bewijs geleverd dat deze zaak na 65 jaar  nog altijd zeer gevoelig ligt.  De Wever wordt met pek en veren overgoten, in sommige kringen bijna vergeleken met een adept van het negationisme en  op het internet kan de geïnteresseerde surfer een toen nog volslanke en jeugdige De Wever  aanschouwen, samen op het kiekje met brulboei Jean Marie Le Pen. 

De Wever, die dan aan het begin van zijn politieke carrière staat,  ziet zich verplicht  het boetekleed aan te trekken voor een verzoenend onderhoud met vertegenwoordigers van de joodse gemeenschap.

Janssens gaat in op het verzoek van Marinower.  Hij bereidt een toespraak voor die op video wordt opgenomen – hij vertrekt op handelsmissie naar China – en die wordt afgespeeld op het symposium van het Joodse Forum.

We kunnen vandaag dan ook niet anders dan erkennen dat het stadsbestuur en de politie in die dramatische dagen van de zomer van 1942 een actieve rol hebben gespeeld in de vervolging en arrestatie van de Antwerpse joden.  De mensen die nu verantwoordelijkheid dragen in het stadsbestuur en de politie hebben op zich niets te maken met de tweede wereldoorlog, die al afgelopen was toen zij nog moesten geboren worden.  Toch zijn het de instellingen waarvoor zij verantwoordelijkheid dragen, die mee verantwoordelijk waren voor het lot van vele joodse Antwerpenaren in de tweede wereldoorlog.  Daarvoor bied ik u mijn excuses aan, als burgemeester van deze stad en als verantwoordelijke voor het politiekorps.”

Dixit Patrick Jannssens in zijn slotwoord

Het is een zurige februaridag wanneer  Leo Verholen zijn auto parkeert op de binnenkoer van Fort 2 in Wommelgem, een van de militaire vestingen die vroeger deel uitmaakten van de verdedigingsgordel rond Antwerpen.  Vandaag herbergt dit fort geen soldaten meer, gelukkig maar want wanneer men door de kille gangen van het fort dwaalt is het niet moeilijk zich voor te stellen welke miserie hier doorstaan werd door de dutsen  die in deze vochtige holen hun diensttijd dienden te volbrengen. Verschillende verenigingen uit de vrijetijds- en culturele sector hebben er nu onderdak gevonden, weliswaar met min of meer aangepaste accommodatie en verwarming zodat het onding uiteindelijk nog enig maatschappelijk nut heeft.

Als gepensioneerd politieagent heeft Leo Verholen één grote passie : het provinciaal politiemuseum van Wommelgem waarvan hij, in opvolging van wijlen politiecommissaris Bob Berden, de conservator is.  Door de schaars verlichte gangen van het fort gaat hij naar de spelonk waarin “zijn” museum is ondergebracht.  Daar, tussen de  politieuniformen en – attributen van weleer en nu, zijn tweede thuis naar zijn zeggen, zijn vast domicilie volgens zijn vrouw, drinkt hij zijn eerste koffie van de dag en overschouwt hij met een gevoel van bezadigde voldaanheid het klassement dat een nauwkeurig en rijk gestoffeerd politiearchief omvat.

Een aanzienlijk deel van de documentatie is gerelateerd aan het vroegere politiekorps van Deurne waarin hij diende tot het door de fusie in 1982 werd opgeslorpt door de grootstad..

In de ochtendkrant valt zijn oog op een advertentie waarin de vertoning van de documentaire “Modus Operandi” wordt aangekondigd.  De documentaire handelt over de jodenvervolging in Antwerpen tijdens de Duitse bezetting  en uit de begeleidende commentaar valt reeds af te leiden dat het Antwerpse politiekorps, en bij uitbreiding dus ook dat van Deurne, geportretteerd wordt als een korps dat uitermate welwillend zijn medewerking verleende aan de actieve opsporing en arrestatie van honderden onschuldige joodse medeburgers.  Dat is nu de spreekwoordelijke druppel die de ochtendkoffie van Verholen doet overlopen.  Men moet weten, vader Piet Verholen spendeerde in 1944 ettelijke maanden in de stedelijke gevangenis van de Begijnenstraat, als oorlogsagent verdacht van weerstandsactiviteiten. In vergelijking met het lot dat veel van zijn toenmalige collega’s beschoren was, kan het zijne nog relatief gunstig genoemd worden.  Met als aandenken een blijvend neusletsel, het gevolg van een onbehandelde neusbreuk hem met jeugdig enthousiasme toegebracht door een Vlaamse SS-er tijdens een verhoor, ontsnapte hij door een wonderlijk toeval aan deportatie.  43 van zijn collega’s waren minder fortuinlijk.  Zij werden afgevoerd naar de Duitse kampen en slechts 8 van hen keerden daarvan terug, weliswaar met een geknakte gezondheid.  Tijdens de nacht van 14 op 15 januari 1944 arresteerde de Geheime Feldpolizei onder leiding van de Duitse SD-er en notoir oorlogsmisdadiger Hermann Veit het quasi voltallige Deurnese politiekorps wegens “samenzwering met de vijand”.  43 bleven aangehouden, 35 overleefden hun deportatie naar de kampen niet. Ook dat was een unicum maar dan blijkbaar één dat niet de aandacht heeft getrokken van de makers van de documentaire noch van de auteurs van de historische studie of van de schrijver van de burgemeestersspeech.  Dat de geschiedenis hun actieve rol onderbelicht, tot daar aan toe, het tijdsverloop en het gebrek aan belangstelling van de huidige generaties voor het zelfs vrij recente verleden werken dat in de hand. Maar dit staat voor Verholen vast : ongeacht of verontschuldigingen na al die tijd nog opportuun en zinvol zijn dan wel gratuit, namens de gedeporteerde Deurnese politiemannen moesten ze zeker niet aangeboden worden. En Leo verholen haalt zijn gram ter gelegenheid van een interview in Gazet van Antwerpen waarin hij zich afzet tegen wat voor hem een onrechtvaardige veralgemening is.

Wij spreken af in het museum.  Ik ben acht jaar politieman geweest in het korps van Deurne en heb Leo nog goed gekend in actieve dienst. Hij was onze nachtplanton op het wijkbureel van Deurne Centrum, gevestigd in een oud herenhuis op de Venneborglei, waar ik dienst deed als bijzonder agent, een graad die nu een andere titel meekreeg.  Het is nu “hoofdinspecteur” wat al bij al impressionanter klinkt dan het vroegere bijzonder agent, waarbij men zich steevast de vraag kon stellen wat er toch zo bijzonder was aan dat soort van politieambtenaren. Wanneer ik hem, na al die tijd terugzie – ik verliet het korps in 1984 –  vind ik dat de tijd mild is geweest voor hem.  Hij heeft nog al zijn haar, weliswaar grijs, en het gewicht van de jaren heeft zich uitsluitend veruitwendigd in zijn body mass index want zijn spontaniteit, bulderende lach en joviale hartelijkheid zijn volstrekt intact gebleven.

Ik zeg hem dat ik het artikel in Gazet van Antwerpen gelezen heb en dat de zaak mij intrigeert en of ik eens wat naslagwerk mag doen in zijn archieven. Dat wordt me gulhartig toegestaan, meer nog, ik krijg een onbeperkte vrijgeleide tot het museum om me in te leven in die toch bijzonder tragische periode in de geschiedenis van het Deurnese politiekorps die kennelijk volledig uit het collectieve geheugen werd gewist. Ten onrechte, volgens Leo, en ik geef hem gelijk. En hij vraagt zich af of het misschien niet nuttig zou zijn om het verhaal te vertellen van die jongens, die misschien wel een straat naar hen genoemd kregen maar die voor het overige in de vergetelheid zijn beland.

Van het een komt het ander en van het ander komt het een.  Het duurt niet lang of ik ga op de koffie bij nabestaanden, doe opzoekingswerk in het Nationaal Archief van den Haag wat mij dan weer naar SOMA in Brussel voert, kom vervolgens terecht in het Nationaal Archief van Beveren om tenslotte achter de schrijftafel te belanden omdat ik mij, hoe is het in godsnaam mogelijk, in dolle overmoed heb geëngageerd om dat verhaal te vertellen.

En zodoende…

"die Deutsche Wehrmacht
hat einen neuen herrlichen Sieg
an ihre Fahnen gehäftet...”

Eind 1939 is de politieke toestand in Europa uiterst gespannen.  Het triomfantelijk vredesgebaar van Sir Neville Chamberlain die meende Hitler te kunnen paaien door  hem het toenmalige Tsjechoslowakije in de begerige kluiven te stoppen was wishful thinking en Chamberlain krijgt enige tijd later de raad “to buy a bowler hat “.  Hij verdwijnt naar het archief van de moderne geschiedenis, onderafdeling big mistakes, om plaats te maken voor Sir Winston Churchill, een ijzervreter van formaat.  Hitler is van mening dat het Duitse volk dringend lebensraum nodig heeft en dat zullen zijn buren geweten hebben.  Zijn plannen beginnen overduidelijk concrete vorm aan te nemen.  De termen van het verdrag van Versailles worden door de Führer naar de prullenmand verwezen.  Het probleem van de immense werkloosheid in Duitsland is daarmee ook al opgelost.  Iedere man die min of meer gezond is van lijf en leden en nog niet  oud en versleten oefent verbeten de paradepas op een of ander kazerneplein.  Wie geen uniform draagt wordt bij voorkeur ingeschakeld in het oorlogsproductieproces.  Wie dan nog overblijft heeft een job in de partij of zit in een concentratiekamp alwaar de verblijfskosten ook al geen zware last op de staatsuitgaven drukken.  De Franse minister van Oorlog Daladier  ziet de bui hangen en trekt legereenheden samen aan de Frans-Duitse grens.  Duitsland bezet posten aan de Franse en de Belgische grens.  Frankrijk versterkt zijn befaamde maginotlijn.  Er wordt gemobiliseerd en gedemobiliseerd….en terug gemobiliseerd.  Als naar goede gewoonte verschijnen er in de kranten berichten die grotendeels juist zijn, andere die een beetje juist zijn en nog andere die zondermeer voortspruiten uit de ongebreidelde fantasie van een journalist in de hoop zijn nieuwshongerige hoofdredacteur te sussen.  De journalisten hebben alleszins stof genoeg om de mensen zot van angst te maken maar het dient gezegd, de toestand is meer dan ernstig.

Jos Torfs is in dat bewogen jaar politieagent in het korps van Deurne, in die tijd een autonome gemeente.  Zoals vele van zijn collega’s moet hij oproepingsbrieven bezorgen aan onfortuinlijke landgenoten, tenminste tot wanneer hij zijn eigen oproepingsbrief  in handen houdt.  Torfs wordt ingedeeld als lansier in een gemotoriseerde eenheid maar omdat hij politieagent is zal hij slechts in geval van algemene mobilisatie of bij het plots uitbreken van oorlog zijn eenheid moeten vervoegen.

Op 1 september 1939 valt Hitler Polen binnen.  Kort daarop, twee dagen later om precies te zijn, verklaren Frankrijk en Engeland de oorlog aan Duitsland, omdat zij niet anders kunnen, want noch de een noch de ander beschikt over een leger dat in staat van paraatheid verkeert.  De Belgische regering houdt hardnekkig vast aan haar neutraliteitspolitiek maar met de wetenschap dat deze houding in 1914 ook vruchteloos bleek, wordt van dan af  serieus rekening gehouden met een Duitse inval.

Acht maanden later, op 9 mei 1940, om 20u30, verneemt de Belgische militaire attaché in Berlijn, dat een grootschalige aanval elk moment kan plaatsvinden. De volgende dag, vrijdag 10 mei om half vier ’s morgens, start  operatie Fall Gelb en stijgen ondermeer  elf zweefvliegtuigen op van het vliegveld Ostheim ten Oosten van Keulen.  Aan boord bevinden zich 85 commando’s die, onder leiding van luitenant Rudolf Witzig, de groep “Graniet” vormen.  Het doel : het zogezegde oninneembare fort van Eben Emael.  Bijna geruisloos zweven ze boven het Albertkanaal.  Eben-Emael ligt ten zuiden van Maastricht.  Het fort maakt deel uit van de buitenste oostelijk gelegen fortengordel van Luik en het is inderdaad een indrukwekkend complex, een ondergrondse stad met een vuurkracht van 2100 kg munitie per minuut, omgeven door prikkeldraad en anti-tank versperringen, met ondergrondse bunkers en geschutskoepels en met bovenop, op het vlakke plateau, de lange-afstandsartillerie, maar oninneembaar ?  Bijna wekelijks vliegt er een Duits postvliegtuigje naar het havengebied.  Voor de Belgische soldaten, die in hun vrije tijd voetballen op het daartoe zeer geschikte vlakke plateau, is de piloot een regelmatige passant die zij telkens enthousiast toezwaaien.  Zij staan er geen moment bij stil dat de piloot zijn bevindingen even enthousiast deelt met de inlichtingendienst van de Abwehr die er dan ook zeker van kan zijn dat het vlakke plateau niet ondermijnd is en bijgevolg een uitstekende landingsplaats voor de zweefvliegtuigen.

De groep Graniet heeft 2,5 ton springstof mee, een nieuwe soort, de holle lading, die de explosiekracht concentreert op één punt.  Op die manier wordt een kracht samengebald die in staat is om een bepantsering van 25 cm staal te doorboren. Om twintig voor vijf is het fort bijna volledig onschadelijk gemaakt.  De 1200 Belgische militairen die het fort bemannen krijgen een  voorsmaakje van de blitzkrieg.  Tegelijkertijd worden alle Belgische vliegvelden gebombardeerd en overal dalen parachutisten neer. De regering verklaart België in staat van beleg en de algemene mobilisatie wordt afgekondigd.

Die vrijdagmorgen krijgt minister van buitenlandse zaken Paul Henri Spaak het bezoek van de Duitse gezant von Bulow-Schwante. Met stijgende verbazing leest de geroutineerde politicus het memorandum dat von Bulow-Schwante hem overhandigt en dat, volgens een artikel in de “Vooruit” van 10 mei 1940, als volgt luidt :

Ten einde den inval van België, Holland en Luxemburg, voorbereid door Engeland en Frankrijk voor te zijn, inval ten stelligste gericht tegen Duitschland, ziet de Duitsche regeering zich verplicht de neutraliteit van deze drie landen te verzekeren door de wapens.

Daarom zal de Duitsche regeering een zeer groote legermacht in lijn stellen, ten einde elken weerstand nutteloos te maken.  Het Duitsche rijk waarborgt het Europeesch en koloniaal bezit van België en ook zijn vorstenhuis, voor zoover geen weerstand wordt geboden.  In tegenovergesteld geval stelt België zich bloot aan de vernieling van het land en het verlies van zijn onafhankelijkheid.  Het is dus in het belang van België een oproep tot de bevolking en het leger te richten om elken weerstand te doen ophouden en de noodige bevelen aan de overheid te geven, opdat deze zich in verbinding stelle met den Duitschen militairen bevelhebber. “

Dit is zondermeer een staaltje van 18- karaats cynisme : de Duitsers die de onafhankelijkheid van België zullen beschermen tegen een Engelse en Franse inval. Overigens, de geschiedenis herhaalt zich en Spaak, die als geen ander het politiek verleden van zijn land kent, heeft op slag een déjà vu effect.  Op 1 augustus 1914 kreeg België van het Duitse Rijk nagenoeg dezelfde boodschap mee.  Bij monde van zijn gezant von Below liet keizer Wilhelm België toen weten dat zijn troepen het grondgebied van België zouden moeten betreden om zo te verhinderen dat de Fransen via Namen tegen Duitsland konden oprukken.  Vanzelfsprekend zou zijne majesteit de Keizer het diep betreuren mocht België dit als een daad van vijandelijkheid beschouwen…  Geef toe, in 1940 wordt het warm water opnieuw uitgevonden, weze het dan dat de Duitsers er nu nog meer vaart achter zetten.  In 1914 kreeg België voor de inval een ultimatum voorgeschoteld waarover de regering nog even kon broeden, nu,  in 1940 zitten de Duitsers al binnen wanneer de gezant zijn boodschap aan Spaak overhandigt, het is dan al un fait accompli.

Slechts enkele uren na de Duitse aanval ontstaat er een enorme chaos in ons land.  Onder de bevolking heerst een ware angstpsychose temeer omdat het barbaarse optreden van het Duitse leger tijdens W.O. I nog vers in het geheugen ligt.  Moemoe en vava weten nog maar al te goed dat nonkel Sander door een feldgraue met een bajonet in zijn kont werd gestoken tot het bloed eruit liep !  En dan tante Fien, die verkracht werd door een hele compagnie ulanen, of was het nu een regiment… De angst van de bevolking voor den Duitsch neemt dan wel onredelijke proporties aan, helemaal ongegrond is de vrees toch niet.  In 1914 werden duizenden onschuldige burgers door de Duitsers geëxecuteerd en werden verschillende steden en dorpen op zijn middeleeuws gebrandschat.  De reacties van de overheid en de berichten in de kranten zijn niet van aard de gemoederen te bedaren, integendeel.  De zotste maatregelen worden genomen, de ene al dwazer dan de andere. Zo worden overal leden van “de vijfde colonne” gesignaleerd. Parachutisten zouden zich vermommen als priesters en nonnen.  Men bleef dus als pastoor of non maar beter binnen de veilige muren van pastorie of klooster kwestie van niet ten prooi te vallen aan een ongeorganiseerde heksenjacht van zelfverklaarde spionnenjagers.  Reclameborden van Pacha-Chicorei, maar liefst 34.608 stuks, worden vernietigd omdat volgens de staatsveiligheid onder de verf van deze plakkaten richtlijnen staan voor Duitse parachutisten.   De boekhouder van de firma schrijft een verliespost van 1.275.000 BF in, voor die tijd een enorm bedrag.  Nadien zou blijken dat de zogenaamde richtlijnen aanwijzingen waren voor degene die de reclameborden moest plaatsen. Veel gezinnen slaan holder de bolder op de vlucht en maken daarbij gebruik van alles wat wielen heeft – tot zelfs een lijkwagen toe - om een deel van hun inboedel te vervoeren,  uiteraard met als gevolg dat de troepenbewegingen van ons leger ernstig worden verstoord.  De verkeersopstoppingen die daardoor onvermijdelijk ontstaan vormen een uitstekend doelwit voor de piloten van de aanvliegende stuka’s die er een spelletje kleiduifschieten van maken.  Het blijkt nog maar eens dat wij een volk van gezellige bierdrinkers en kletswijven zijn maar zin voor organisatie zit kennelijk niet in ons genetisch materiaal.  Dat kan alleszins niet gezegd worden van de Duitsers die systematisch en nauwgezet hun strategie uitvoeren.  Bovendien, en in schril contrast met de gruwelen die gepaard gingen met de inval in 1914, gedragen de feldgrauen zich uiterst gedisciplineerd tegenover de lokale bevolking.  Dat ondervindt bijvoorbeeld ook Stan Vercammen die onderweg is met een Minerva, het pronkstuk van de Belgische automobielindustrie.  Stan vervoert haast zijn voltallige familie, acht stuks in totaal, de chauffeur niet inbegrepen . Stan is herenchauffeur, althans dat zegt hij zelf altijd wanneer hij aan de toog staat.  In werkelijkheid is hij arbeider in het fabriekje van een welstellend advocaat die hem op zon- en feestdagen voorziet van een kepi en witte handschoenen om voor chauffeur te spelen.  Zijn baas is als reserveofficier gemobiliseerd en heeft hem grootmoedig toegestaan om met de Minerva de vlucht te nemen. Maar waar naartoe, dat is de prangende vraag ?  Stan zweet van zenuwachtigheid en zijn onrust neemt danig toe wanneer hij vaststelt dat het chassis van de auto door het overgewicht zo nu en dan tegen de weg schuurt.  “Allemaal uw voeten van de vloer”, brult Stan, in de ijdele hoop om zo aan het euvel te verhelpen.  Daar hebt ge het al, een wegversperring van een Duitse eenheid.  Een feldwebel komt hem rustig tegemoet en vraagt waar de rit naartoe gaat en bovendien, hoe komt het dat Stan niet in soldatenplunje steekt ? 

“Ich bin krank in den kopf” stamelt Stan in een soort Suske en Wiske Duits, waarmee hij dan aan de feldwebel duidelijk wil maken dat hij werd afgekeurd vanwege onstoken synussen, de zogenaamde synusitis, een chronische kwaal.

“Ja, das sind wir alle”, antwoordt de feldwebel die kennelijk een vooruitziende blik heeft, zo’n vijf jaar ver, en hij gebaart Stan om rechtsomkeer te maken, terug naar huis.  En zo zijn er velen, die beleefd maar kordaat verzocht worden om terug te keren vanwaar ze gekomen zijn en de verplaatsingen van de militairen niet verder te bemoeilijken bitte. Er is daarbij geen sprake van willekeurige executies of gijzelnemingen, nu nog niet althans.

Op amateuristische wijze probeert men de Duitse troepenbewegingen te saboteren door de verkeerswijzers in de verkeerde richting te draaien met als enig resultaat dat het niet de Duitsers zijn die verkeerd rijden – want die vertrouwen uitsluitend op hun uitstekende stafkaarten – maar wel de Belgen.

Die ochtend van 10 mei wordt ook Jos Torfs uit het echtelijk ledikant gerukt door het lawaai van aanstormende vliegtuigen en ontploffingen.  In politieuniform spoedt hij zich naar het commissariaat van Deurne, gehuisvest in het toenmalige gemeentehuis op het Cogelsplein.  Daar krijgt hij de opdracht om zich naar de wijk “zuid” te begeven.  Op het bureau zuid heerst een chaos die vergelijkbaar is met de warboel die zich op de verkeerswegen afspeelt.

Officieren en agenten lopen mekaar van de zenuwen bijna omver.  “ Ze zijn hier allemaal hunne kop kwijt” bromt een oudere kwartieragent.  Op dat moment wordt de luchthaven van Deurne gebombardeerd.  Een nerveuze officier van wacht krijgt de melding dat er bommen zijn gevallen op huizen in de Boekenberglei en de Drakenhofstraat, vlakbij de luchthaven.  Met het destijds gebruikelijke politievoertuig, de fiets, rijdt Torfs naar de plaats van het onheil.  In de Boekenberglei, ter hoogte van de Cruyslei, moet hij van de fiets wanneer een Junker Ju-87 een aanval in duikvlucht uitvoert op al wat beweegt. Gierend komt de stuka naar beneden om zijn bom te droppen. Op 50 meter van zijn schuilplaats ziet Torfs zijn eerste dodelijk slachtoffer.  Het lijk is doorboord met granaatscherven.  Op de hoek van de Boekenberglei – Drakenhofstraat heeft de luftwaffe een ravage aangericht.  Op straat liggen verschillende doden en gewonden.  Samen met hulpvaardige burgers zorgt Jos Torfs ervoor dat de gekwetsten zo snel mogelijk afgevoerd worden.  De laatste patiënt is een beroepsmilitair die in de rug werd getroffen door granaatscherven.  Het slachtoffer wordt op een geïmproviseerde draagbaar naar een nabijgelegen dokterswoning gebracht.  De dokter moet thuis zijn, ziet Torfs, want zijn auto staat op de oprit.  De vrouw des huizes is nochtans niet bijzonder toeschietelijk.  In de gang staan de valiezen al klaar voor een haastig vertrek.  De vrouw probeert Torfs met zijn vrachtje te lozen.  Aan de voordeur ontspint zich een pittig gesprek tussen de hautaine doktersmadame en de potige, volkse Jos Torfs.  Terwijl Torfs zijn gemoed lucht verschijnt het hoofd des huizes in vol militair ornaat van legerarts en officier.  Hij denkt er niet aan de gewonde binnen te laten, laat staan hem te verzorgen want “hij is onderweg naar zijn eenheid”.  Torfs trekt zijn pistool en bijt de arts toe dat hij de gekwetste onmiddellijk zal verzorgen zoniet zal hij zijn eenheid zeker niet vervoegen.  Achteraf zou blijken dat de arts tijdens de bezetting in dienst trad van de Werbestelle met als taak zoveel mogelijk mannen goed te keuren voor verplichte arbeidsdienst in Duitsland.  Hij vervulde deze opdracht met zoveel dienstijver dat hij na de bevrijding werd vervolgd door de Krijgsauditeur.  In de gebombardeerde huizen zoekt Torfs naar overlevenden en binnen de kortste keren ziet hij eruit als een bouwvakker die zich een week niet gewassen heeft.  Het ergste is nog dat hij de enige politieman ter plaatse is.  Er valt geen enkele collega-agent of officier te bespeuren.  Als Torfs nadien het politiebureel Zuid vervoegt wordt hij overstelpt met vragen. In overeenstemming met de toen heersende mentaliteit – onderdanig ontzag voor wie eigendom heeft en volstrekte onverschilligheid voor wie geen nagel heeft om zijn kont te krabben, als dat nu al anders mocht zijn – wordt geen informatie gevraagd over de slachtoffers maar wel wordt  aan Torfs gevraagd verslag te doen over het aantal getroffen panden en in het bijzonder aan wie deze toebehoren.  De licht ontvlambare Torfs krijgt daarop een woedeaanval die normaal gesproken een tuchtsanctie tot gevolg zou hebben maar waarvan de officier van wacht wijselijk geen melding maakt. Kwestie van niemand op het idee te brengen hem de pijnlijke vraag te stellen waarom hij dan zelf niet ter plaatse is gegaan.

Enkele dagen later, op 15 mei, vervoegt Jos Torfs zijn regiment, het derde lansiers.  Op diezelfde dag neemt de als rabiaat anti-fascist bekend staande Camille Huysmans de wijk naar Frankrijk, en met hem verschillende schepenen van het Antwerpse stadscollege.  De katholieke havenschepen Delwaide wordt waarnemend burgemeester.  Zijn beleid – dat toegegeven, geen toonbeeld van hardnekkig verzet was - zal na de bevrijding worden afgekraakt door degenen die bij het uitbreken van het oorlogsgeweld niet wisten hoe rap ze zich uit de voeten moesten maken.  En nog op diezelfde verdoemde 15de mei worden op regeringsbevel 78 “verdachten” vanuit Brugge met bussen naar het noorden van Frankrijk gedeporteerd.  Onder hen Joris Van Severen, leider van Verdinaso (Vereniging van Dietsche Nationaal-Socialisten). Zij komen uiteindelijk terecht in Abbeville.  Dit transport kaderde in de naar schatting vijf- tot tienduizend arrestaties van Belgen die volgens de staatsveiligheid verdacht werden van samenspanning met de vijand.  Onder de gearresteerde Belgen bevonden zich communisten, gewezen vrijwilligers van de Internationale Brigaden in Spanje, Vlaams-nationalisten, Rexisten, Verdinaso-leden en zelfs Vlaamse oudstrijders en cultuurflaminganten. Het mag nog de verbazing wekken dat de bezitters van een Duitse herdershond ongemoeid werden gelaten. Sommige van die arrestaties waren duidelijk het gevolg van de buitenproportionele angst voor spionnen, geen enkel valabel juridisch argument valt er voor te bedenken en een onderzoeksrechter die vandaag dergelijke aanhoudingsmandaten zou afleveren zou terecht de afzetting riskeren. 

Met een goederentrein bereikt het regiment van Torfs de Westhoek.  Het is daar een wanordelijke bende van Belgische, Franse en Engelse soldaten.  De Belgen en de Fransen worden verondersteld om de aftocht van het Britse expeditieleger van Lord Gort te dekken. De Fransen en Engelsen, door de pers nog bejubeld als de heroïsche krijgers die onderweg zijn om België “ter hulp te snellen”, blijken nog slechter bewapend dan de Belgische soldaten en dat wil wat zeggen.  Zo worden op een gegeven moment, tijdens de gevechten aan het kanaal van Gent-Terneuzen, de kanonlopen van het luchtafweergeschut platgelegd om de Duitsers te beschieten !

De bewindslieden hebben bovendien, niet gehinderd door enige realiteitszin, om van gezond verstand nog maar te zwijgen, langs de radio een zondermeer desastreuse oproep verspreid.  Alle mannen tussen 16 en 35 jaar moeten zich via Roeselaere naar Frankrijk begeven om daar te worden voorbereid op de strijd tegen Duitsland. In oorlogstijd geldt of gold in België de dienstplicht namelijk vanaf  16 jaar. In die zin kon de oproep van de overheid dan ook als een consigne worden beschouwd.  600.000 jongens, waarvan velen amper zestien jaar, ze hadden nog maar pas hun laatste tutter aan Sinterklaas afgegeven, kregen zo de instructie om zich naar de Centres de Recrutement de l’Armée Belge te begeven.  Vandaar dat  deze jongeren al snel de “Crabs” werden genoemd.  Het merendeel van de Crabs kwam terecht in tijdelijke opvangcentra, d.w.z. in kampen waar ze honger leden en  onder de luizen zaten als gevolg van de erbarmelijke hygiënische omstandigheden.  Bij hun thuiskomst achteraf  waren ze naar het schijnt niet echt te spreken over de Franse gastvrijheid.

Massa’s vluchtelingen, stukken Belgisch, Frans en Engels leger, dutsen van 16 en 17 jaar met slobkousen die  gevolg hebben gegeven aan de ondoordachte oproep van de overheid, ze drummen daar allemaal samen in de Westhoek.  In dergelijke omstandigheden spreken van een “tactische terugtocht” of  van “krachtige weerstand van onze troepen” zoals sommige kranten blokletteren is dus in zijn algemeenheid bekeken een enigszins overdreven voorstelling van de feiten. 

Het derde lansiers trekt richting Frankrijk tot Abbeville.  Tiens, het is ook daar dat Joris Van Severen met zijn 77 lotgenoten arriveert.  Jos Torfs wordt ingedeeld bij een Frans regiment en vertrekt met weeral een andere beestenwagen naar Zuid-Frankrijk.  Joris Van Severen wordt, samen met twintig anderen,  op bevel van de dronken Franse luitenant Caron kapot geschoten.  Caron, die daarvoor door de Duitsers in 1942 wordt berecht en terechtgesteld, krijgt als postuum ereteken voor zijn heldhaftig optreden een straat die naar hem wordt genoemd. De 21 van abbeville krijgen een plek op de armengrond van het plaatselijk kerkhof.   Of hoe grillig het verloop en in het bijzonder de uitkomst van de geschiedenis wel kan zijn.

Tegen de oprukkende Duitsers is geen kruid gewassen.  De groep van Torfs blijft niet in Abbeville en verkeert naar alle waarschijnlijkheid  ook in het ongewisse over de slachtpartij die Caron wat later zal aanrichten.  Via Rouen, Le Mans, Nantes en Pau, over Carcasonne, Bézières en Montpellier komt het zootje ongeregeld aan in Lunel, de voorlopige eindbestemming.  Lunel ligt niet ver van Nîmes, in Zuid-Frankrijk.  Uit verschillende legereenheden wordt daar een nieuw regiment gevormd onder leiding van majoor Prins de Ligne.  En dan wordt het 28 mei, België capituleert.  Koning Leopold III, die een zinloze slachting van zijn soldaten wil vermijden, legt zich neer  bij de onvoorwaardelijke overgave.

“Die Belgische Armee hat damit am heutigen Tage die Waffen niedergelegt und zu existieren aufgehört” meldt een Duits legerbericht van 28 mei.

Zowel in Engeland als in Frankrijk wordt de capitulatie van Leopold uitermate slecht onthaald. Op 4 juni zal Winston Churchill in het Lagerhuis verklaren dat Leopold zich “zonder voorafgaande afspraak, met de kortst mogelijke verwittiging, zonder het advies van zijn ministers in te winnen, heeft overgegeven en de enige uitweg voor onze eigen soldaten naar zee onmogelijk heeft gemaakt”.

De Franse minister-president Reynaud gaat nog een stap verder en beschuldigt Leopold zelfs van verraad.  De ministers, van wie Leopold zogezegd verzuimde het advies in te winnen, vergaderen in Limoges, achter het front.  Volgens “Het Algemeen Nieuws” van 30 mei beslist het ministerie Pierlot zich “op dezen grooten historische dag niet bij de overgave neer te leggen”. 

Eerste minister Hubert Pierlot en zijn regering distanciëren zich daarmee van de Koning en zij zullen “de strijd verderzetten”.  Dat zullen zij dan doen vanuit het relatief veilige Engeland, waar weliswaar veel bommen vallen, maar waar toch geen repressaillemaatregelen van een bezettingsleger te duchten zijn. Vanuit die positie de strijd verderzetten en de bezette landgenoten aansporen hetzelfde te doen is zo ongeveer hetzelfde als vanop een caféterras uitgeputte marathonlopers toe te roepen niet op te geven.

Na de capitulatie verandert de houding van de Franse bevolking drastisch.  De Belgen worden er letterlijk uitgespuwd en van bevoorrading is geen sprake.  Jos Torfs en de zijnen moeten zich in allerijl omscholen tot gewiekste fruit- en kippendieven om hun honger te stillen.  Majoor de Ligne houdt een toespraak en deelt zijn soldaten mee dat hij zich naar de demarcatielijn zal begeven om voor hun repatriëring te zorgen.  Misschien is de Ligne onderweg gevallen op het veld van eer, dat weet men niet, maar hoe dan ook, feit is dat Torfs  de majoor niet meer terugziet en van de beloofde repatriëring komt dus niets in huis.  Op eigen initiatief, vergezeld van een dertigtal man, geraakt hij uiteindelijk in Châlon sur Saône, in bezet Frankrijk.  Daar heeft Torfs voor de eerste maal rechtstreeks contact met de Duitsers.  Op hun borst hangt een ovaalvormig schild met gotisch opschrift “Feldgendarm”, in het militair jargon herdoopt in kettinghond.  Het zal niet de laatste keer zijn dat Torfs zo’n schildendrager op zijn weg vindt. Ingevolge de Flamenpolitik maken de Duitsers onmiddellijk een onderscheid tussen Walen en Vlamingen.  De vlamingen mogen huiswaarts vertrekken, de Walen moeten blijven. Torfs sukkelt naar Parijs waar men hem verwijst naar de Wintervelodroom. Daar zal hij er tenslotte, samen met een gezelschap streekgenoten, in gelukken om, met enige doortastende argumenten hem eigen,  een autobus te charteren die hen thuis zal brengen.

Reeds op 18 mei, terwijl Jos Torfs nog druk doende was oorlog te voeren, heeft de Duitse bezetter Antwerpen ingenomen en werd door De Duitse legerleiding een zegebulletin verspreid

“ Durch schnellen Angriff ist die Festungsfront von Antwerpen durchbrochen, Deutsche Truppen sind in das Stadtinnere eingedrungen.  Die Deutsche Kriegsflagge wäht auf dem Rathaus von Antwerpen.  Damit hat die Deutsche Wehrmacht einen neuen herrlichen Sieg an ihre Fahnen gehäftet.”

Op het stadhuis wordt Stadtkommissar Herr Dr. Delius geïnstalleerd die de komende jaren het Antwerpse stadsbestuur van oorlogburgemeester Delwaide scherp in de gaten zal houden.  De rantsoeneringszegels doen hun intrede en duizenden vrouwen en kinderen van nog niet teruggekeerde krijgsgevangenen schuiven aan bij de Commissie van Openbare Onderstand voor steungeld.  Zwarte en feldgraue uniformen paraderen door de straten. Alle verkeer wordt verboden tussen 11 en 5 uur.  Wehrmacht-wegwijzers verschijnen in het straatbeeld.  De politie krijgt opdracht de namen van al de joden in de stad te verzamelen…

De verordeningen van het Duitse militaire opperbevel worden afgekondigd.  De eerste blijkt al te dateren van 10 mei waaruit dient afgeleid dat de Duitsers wel erg zeker van hun zaak waren.  De “Verordening betreffende het bezit van wapens in het bezette gebied” verordonneert dat

1. Alle vuurwapens en munitie, handgranaten, explosieve stoffen en ander oorlogstuig moeten worden afgeleverd.  De aflevering moet geschieden binnen 24 uur aan den veldcommandant, die het dichtst bij zit of aan den commandant ter plaatse, zooverre niet bijzondere afwijkingen voor de betreffende gemeente worden bepaald.  De burgemeesters (hoofden van de gemeenten) zijn ten volle verantwoordelijk voor de stipte uitvoering.  De troepen-commandanten zijn gemachtigd uitzonderingen toe te staan.

2. Wie – in strijd met deze verordening vuurwapens, munitie, handgranaten, explosieve stoffen of ander oorlogstuig in bezit heeft, wordt met doodstraf of met tuchthuisstraf, in lichtere gevallen met gevangenisstraf gestraft.

3. Wie in het bezette gebied gewelddaden van een of andere aard jegens de Duitsche Weermacht of haar leden pleegt, wordt met doodstraf gestraft.

Oppercommandant des Legers

Deze verordening hangt al aangeplakt op het politiecommissariaat van Deurne dat Jos Torfs op 16 augustus, slechts een dag na zijn terugkeer uit Frankrijk, vervoegt.

Het leven van alle dag komt terug op gang, maar hoe ?

Het woutenkorps

Op 23 mei 1940, Antwerpen is dan reeds bezet, buigt de gemeenteraad van Deurne zich over de kwestie van het nijpend personeelsgebrek in het korps als gevolg van de oorlogsomstandigheden.  Burgemeester Alfons Schneider trekt een zorgelijke frons. Van de 59 effectieven zijn er nog 18 op post met inbegrip van commisaris Hendrickx.


Het gemeentehuis van Deurne

Tot wanneer alle politiebeambten terug het korps kunnen vervoegen wordt dan maar gezocht naar een noodoplossing die erin bestaat dat een aantal werkloze vrijwilligers wordt gebombardeerd tot “territoriale wachters” tegen de vergoeding van 40 frank per dag.  Geleidelijk aan vervoegen de gedemobiliseerde manschappen  hun respectievelijke burelen en eind 1940 kan het korps zich terug verblijden in een min of meer normaal organigram.  Het commissariaat is ondergebracht in het gemeentehuis, Cogelsplein 44, en staat onder leiding van korpschef  Hendrickx. In de Hertstraat nummer 2 is het hulpbureel centrum gevestigd waar de dienst wordt uitgemaakt door de adjunct-commissarissen Wolles en Bouhon.  Bouhon zal later waarnemend commissaris worden en na de oorlog afgezet op vordering van de krijgsauditeur. Wolles is ter beschikking gesteld wegens gezondheidsredenen en wordt vervangen door dienstdoend adjunct-commissaris Leopold Gillis, die later afgedeeld wordt naar Borgerhout. 


De 'Drie Torrekens' aan de Lakborslei te Deurne

Het hulpbureel noord is gehuisvest in de Lakborslei nummer 198 en wordt geleid door de adjunct-commissarissen De Witte en Saerens.  Tenslotte is er nog het hulpbureel zuid, gelegen aan de Waterbaan nummer 54, waar de adjunct-commisarissen Versmissen en Jans het bevel hebben.  Die twee vormen  van meet af aan een huishouden dat op gespannen voet leeft want Versmissen is erg anti-Duits gezind terwijl zijn collega de bezetter  zeer toegenegen is.  De loyauteit aan de Belgische wetten en instellingen bij de enen en de afkeer van diezelfde instituten bij de anderen  was net zoals bij de plaatselijke bevolking een bron van verdeeldheid.  Het is dan ook niet verwonderlijk dat verschillende politieagenten en officieren, zoals Jans, lid worden van tal van Duitsgezinde diensten zoals De Vlag, de SS Flandern, de Zwarte Brigade enzovoort, allemaal groeperingen waarvan het lidmaatschap door de betrokkenen bij de bevrijding hardnekkig zal ontkend worden.  Meestal  tevergeefs want door de Duitse administratieve nauwgezetheid kwam bij de bevrijding, in zoverre de dossiers niet vernietigd waren, zwart op wit vast te staan wie waarvan lid was.  Bovendien  waren er voldoende wraakzuchtige getuigen voorhanden om eventuele hiaten in te vullen.  Zwart en wit, het zijn niet zomaar twee kleuren, zij symboliseren de twee kampen die ook het Deurnese politiekorps als een splijtzwam verdelen. 


Het politiebureau aan de Waterbaan

Op alle politieburelen prijken Duitse propagandabladen die het lidmaatschap van deze of gene club aanprijzen, zeer tot ongenoegen van de vaderlanders onder de collega’s die er elke dag tegen heug en meug mee geconfronteerd worden.  Adjunct-commissaris Achilles Rogiers, die later als dienstoverste zal muteren van de Antwerpse 11° wijk naar het korps van Deurne, lost de samenlevingsproblematiek in zijn korps op door met veel gepruts en gevloek een dienstrooster samen te stellen zodanig dat een Duitsgezinde agent nooit op ronde hoeft met een patriot.  Zoals nog zal blijken was dergelijke maatregel een zegen voor de weerstandactiviteiten die in het korps stilaan beginnen te ontluiken.  Vanaf 1 januari 1942 wordt het korps door Groot Antwerpen opgeslorpt.  Groot-Antwerpen bestrijkt in die periode de gemeenten Deurne, Berchem, Borgerhout, Hoboken, Merksem, Mortsel, Wilrijk en een deel van Ekeren. Voorlopig wordt er nu een einde gesteld aan het autonoom bestaan van de Deurnese politie en worden alle beleidsbeslissingen genomen door De Potter, korpschef en hoofdcommissaris van politie Antwerpen.

In die moeilijke periode is het korps, alsof er niets aan het handje is, belast met de routinematige opdrachten van wat zo keurig onder de noemer “bestuurlijke en gerechtelijke politie” valt.


Op de foto klikken voor een vergroting,
sluiten of swipen om terug te keren

Bovenste rij: Van Camp, Van Bladel, Hermans, Raeymakers, Gilis, Van Reeth, Lins-sen;
3e rij: Cauwenberghs, Mertens, Stenten, Veerman, Hellemans,
Strobbe, Van Rillaer,
De Ridder, De Jongh, De Geest, De Backer, Bollansee, Bodson;
2e rij: Van Dyck, Neys, Wuyts, Fahy, De Smet, Wouters,
Berckmans, Van Den Eynde, Smits, Vandewoude;
1e rij: De Bakker, Voet, Commissaris Michiels, Commissaris
Hendrickx, Burgemeester Craeybeckx, Thyssen, Clabots, Versmissen, Bouhon

Het hoeft geen betoog dat een flink deel van de opdrachten van bestuurlijke politie worden uitgevoerd op vordering van de Duitse overheid. Het gaat hoofdzakelijk om bewakingsopdrachten aan lokalen of vestigingen van de bezetter, of nog erger, aan lokalen van Duitsgezinde groeperingen.  Zo dient er vanzelfsprekend permanent toezicht uitgeoefend aan de luchthaven van Deurne.  Daarvoor wordt door de Fliegerhorstkommandantur onmiddellijk personeel opgeïst.  De luchthaven van Deurne fungeert tot het voorjaar van 1941  als één van de uitvalsbasissen voor de slag om Engeland.  Het eskadron van Hauptmann Otto Pilger, de Gruppe Finsterwalde, voert aan boord van zijn Dorniers DO 17 Z’s en Junkers JU87B menige vlucht uit naar de Engelse steden Eastchurch en Rochester waar zich onder andere de Short-vliegtuigfabrieken bevinden.   Wanneer duidelijk wordt dat Engeland niet door de knieën gaat en Hitler zijn zinnen zet op Rusland, zal Deurne hoofdzakelijk gebruikt worden als teststation voor de proefvluchten van de Messerschmitt-Jägers die gereviseerd worden in de Erla-Machinewerke in Mortsel.  De bewaking van de luchthaven wordt dan verdergezet door de hulpagenten Petrus Verholen, Florent De Beuckelaer, Vital Claes en Corneel Delcroix.

Albert Spitaels, ziet zich, samen met enkele collega’s-agenten, aangesteld als blokchef die moet nagaan of de bewoners van de hem toegewezen wijken de verduisteringsvoorshriften van de bezetter naleven. 

Bovendien staat het korps ook in voor het toezicht op de sluikhandel en de verdeling van de bevoorrading onder de bevolking.  Voor de verdeling van de steenkoolvoorraden bestaat zelfs een aparte dienstnota, in casu nummer 204, waaruit blijkt hoe belangrijk die bevoorrading destijds was :

“ Het toezicht op het kolenvervoer wordt voortgezet door agenten op ronde.  Dagelijks zullen 4 agenten van de wijk Noord van dienst zijn op de Koolkaai (Statie Schijnpoort).  Zodra aldaar een lading kolen voor Deurne bestemd geladen wordt, zal één hunner, te beginnen met de jongste in dienst, het voertuig naar zijn bestemming begeleiden.  De kolen in het magazijn in beslag nemen, dubbel voor een kolenhandelaar laten en het verslag bij einde dienst overmaken aan Ajunct Hellemans.  Ingeval slechts 1 agent nog ter plaatse is terwijl de andere voertuigen convoyeren, dan moet die agent wachten en met hem den betrokken voerder, totdat één zijner collegas (sic) terug op de statie toekomt.  De dienst loopt van 7 tot 17 uur, aflossing ter plaatse op de Koolkaai statie.”

De propagandadiensten van “De Vlag” nemen hun intrek in het pand Turnhoutsebaan 40, voor de bezetting gekend als het “Liberaal Huis”, op nota bene 75 m van het politiecommissariaat.  Het is daar een komen en gaan van Duitsgezinden ter gelegenheid van allerlei festiviteiten en vergaderingen en Jos Torfs staat al uren op wacht voor dat “zwarte kot”.  “Ik moet mijn gevoeg doen”, gromt Jos maar een toilet is niet voorhanden en de aflossing laat nog wel een tijdje op zich wachten.  Dan maar in het keldergat, recht onder het uitstalraam met de schreeuwerige affiches die aanzetten om lid te worden van dit of dat.  Zijn voorbeeld krijgt veel navolging en in plaats van de vervulling van een menselijke behoefte wordt het een bescheiden verzetsactiviteit.  Agenten op ronde komen ’s nachts met opzet in het keldergat wateren en af en toe deponeren ze er nog een hondendrol bij die ze dan ook nog eens flink besproeien. Het gevolg laat zich raden.  Binnen de kortste keren, en zeker als de zon op de gevel schijnt, stijgt er uit het keldergat een walm op die met glans en stank kan wedijveren met dat van een niet onderhouden publiek urinoir.  Onnodig te zeggen dat de voorbijgangers in dergelijke omstandigheden weinig interesse betonen voor de aangeplakte propaganda.

Het is slechts een kleine, eerder ludieke vorm van protest tegen een bezetter die alom tegenwoordig is en op elk vlak van het publieke leven ingrijpt.

Er zijn dan ook nog de opeisingen van rollend materiaal die door de meerderheid van de agenten met grote tegenzin worden uitgevoerd.  Zo krijgt Jos Torfs op een middag van commissaris Hendrickx de opdracht om, ten grieve van het Duitse Reich, twee rijwielen in beslag te nemen.  Torfs kent daarvoor een goed adres.  Op Deurne Zuid, in de Manebruggestraat, woont “de schacht”, een voormalig werkleider van de gemeentediensten die nu voor de Duitsers werkt.  Torfs, die zoals steeds van alles en nog wat op de hoogte is, weet dat de schacht twee uitstekende fietsen heeft en gaat ze, in diens afwezigheid, bij hem thuis in beslag nemen en deponeren in de kelder van  het commissariaat.  Het resultaat laat niet lang op zich wachten.  Voor het commissariaat stopt een Duitse auto, met daarin de luchthavencommandant, een burger van de “Verwaltung” en de schacht die zonder kloppen het bureel van de commissaris binnenstormen.  Op het bureel speelt de schacht voor orkaan, er wordt gevloekt, geraasd en getierd dat de ramen er van sidderen.  De schacht heeft een kop als een boei.  Als Hendrickx denkt dat diejen Torfs met de schacht zijn kloten kan rammelen heeft hij het verkeerd voor, god hier en god daar, want die affaire gaat nog gevolgen hebben, dat ze gevolgen zal hebben …  Hij is zo woest dat zijn speeksel in vlokjes door het bureel vliegt.  Zelfs de Verwalter kijkt er vreemd van op en als Pruis is hij toch wel wat gewend.  Commissaris Hendrickx zit er na afloop bleek en ongelukkig bij.  In zijn verbeelding verschijnt boven zijn hoofd een tekenstripballon met bliksems, doodsknoken en een varkenskop met peterselie in de oren waarin men met wat goede wil duidelijk de kop van Jos Torfs herkent.

Naast de uitoefening van de bestuurlijke politie staat het korps ook nog in voor de gebruikelijke opdrachten van de gerechtelijke politie en dient de Duitse overheid onmiddellijk ingelicht wanneer zij betrokken partij is :

“De Duitse Feldgendarmerie dient onmiddellijk telefonisch verwittigd :

wanneer een misdaad of wanbedrijf, of wanordelijkheden worden of zoeven werden begaan door een lid van de Duitse Weermacht, een Rijksduitser, een lid van de Waffen SS, Vlaamse Wacht, Vlaams Legioen of de N.S.S.K., of wanneer het Reich en de Weermacht benadeelde partij zijn.

En verder dienen de Duitse overheden rechtstreeks verwittigd “ door middel van een bijzonder verslag in de gevallen waarbij inbreuken worden vastgesteld tegen de verordeningen van de bezettende overheid, zoals bv. op het verkeersverbod, het verbod op venten en het verbod op het in fotograferen het Arrondissement Antwerpen.

Een dubbel van het proces-verbaal gericht aan de Procureur des Konings te Antwerpen, wordt rechtstreeks gezonden aan de Duitse overheid, als gelijktijdig een inbreuk tegen de Belgische Wetten, door een inwoner van het land, een inbreuk wordt begaan tegen de verordeningen van de bezettende overheid (sic).

Het proces-verbaal voor de Duitse overheid dient gelijktijdig verstuurd met het proces-verbaal bestemd voor de Procureur des Konings te Antwerpen en dient gericht aan de heer Ortskommandant te Antwerpen, de diensten van de Procureur des Konings zullen het dubbel volgens de onderrichtingen aan het bevoegde Duitse Weermachtsgericht doorzenden.  De processen-verbaal opgesteld bij ongevallen met rijdend materiaal van de bezetter, worden verzonden in drievoud.” 

De dienst wordt dus ook in oorlogstijd verzekerd maar de uitrusting die het korps daartoe ter beschikking wordt gesteld oogt niet bijster indrukwekkend.  De fameuze keystone cops van het stomme filmtijdperk waren beter voorzien dan de oorlogsagenten van Deurne en omliggende.  Buiten enkele fietsen, die dan nog enkel mogen gebruikt worden door officieren en de agent-bode, is er niets beschikbaar.  Verplaatsingen gebeuren te voet of, in uiterste nood, met opgeëiste voertuigen.  Zo wordt ondermeer een opgeëiste autobus ingezet bij de opruimingswerken na de luchtbombardementen van september 1940 in de Van Heetveldelei.

Het vervoer van arrestanten naar het justitiepaleis gebeurt ….met de tram !

Ook op vlak van de broodnodige kledij is de toestand zorgwekkend, in die mate dat de commissaris zich verplicht ziet zijn burgemeester te raadplegen aangaande een gewichtig probleem van toebedeling:

7 October 1941
Den heer burgemeester
te Deuren

Mijnheer de Burgemeester,

     Ik heb de eer U ter kennis te brengen dat de politieagenten De Beuckelaer, De Smet, Koyen, Smits, Strobbe, Van Bladel en Van Dyck, vroeger verkeersagenten, nog steeds in het bezit zijn van een zwarte lederen mantel, toebehoorende aan het gemeentebestuur.  Ajunct Hermans, die voorheen ook dergelijken mantel bezat, beweert met dezen mantel te zijn vertrokken naar Frankrijk in begin Mei 1940 ter gelegenheid van de verplichte evacuatie en deze onderweg te zijn kwijtgespeeld.

     Er blijven dienvolgens nog 7 mantels beschikbaar en ik stel voor deze ter beschikking te stellen van de agenten, gelast met den buitendienst van het Commissariaat en de opsporing der inbreuken tegen de rantsoeneering, dewelke soms geruimen tijd bewakingsplichten hebben te vervullen, zowel bij dag als bij nacht, die hen gedurende al dezen tijd onbeweeglijk houden.

     De volgende agenten zouden daarvan in het bezit worden gesteld : Smits-Strobbe-Stenten-Torfs-De Ridder-De Smet- en Ajunct Saerens.

     Aan deze agenten zouden bovendien de witte verkeershelmen worden toevertrouwd, om bij gebeurlijke noodwendigheid ook de functie van verkeersagent te kunnen vervullen.

      Aanvaard, Mijnheer de Burgemeester, met mijn dank voor het te nemenbesluit, de verzekering van mijn hoogachting.

DE POLITIECOMMISSARIS
Get

De korpschef die het vandaag in zijn hoofd zou halen om zijn burgemeester met een dergelijk bagatel lastig te vallen wordt door een taxidermist opgezet en als curiosum tentoongesteld in het politiemuseum.

De agenten doen trouwens ook terug hun nachtrondes.  Een vraag om opnieuw in het bezit te worden gesteld van hun dienstpistolen wordt prompt afgewezen door Dr. Delius, Kriegsverwaltungsabteilungschef van Antwerpen, met als motivatie dat

“ Volgens een onlangs getroffen beschikking van de Overfeldkommandatur 672 te Brussel, kunnen volgens de bepalingen van de overgave de leden van de Belgische Rijkswacht hun wapens behouden.  Daarentegen is het niet toegelaten aan de Belgische Gemeentepolitie opnieuw wapens te geven.  Deze politie draagt bij het uitoefenen van haar dienst slechts de gummiknuppel of den sabel, indien zulks vroeger in de dienst gebruikelijk was”.

Zo er moest opgetreden worden in gevaarlijke zones, moest de politie de rijkswacht maar vorderen om haar ter plaatse te vergezellen.  Blijkbaar hadden de Duitsers meer vertrouwen in de Rijkswacht dan in de lokale politie en de vraag waarom dat zo was is wellicht een puik thema voor een eindejaarsverhandeling politieke geschiedenis.

Op 19 april 1941 wordt deze beschikking gedeeltelijk herroepen en wordt het Deurnese korps terug in het bezit gesteld van 20 automatische pistolen M.A.B. 7,65 mm kaliber met bijhorende munitie die worden verdeeld over het politiecommissariaat en de drie wijkburelen.  Zij worden onder verantwoordelijkheid van een officier achter slot bewaard.

Nu moet het gezegd dat de gemeentelijke politie in het algemeen en het Deurnese korps in het bijzonder tot aan de broodnodige politiehervorming qua middelen bijzonder karig bedeeld werd.

De uitrusting van het korps is zelden een prioriteit gebleken voor de burgemeesters, dat kan de auteur dezes bevestigen.  De situatie tijdens de bezetting was beslist slechter maar gegeven de eerder stiefmoederlijke behandeling die het korps voordien genoot leidde het niet tot een toestand van ontreddering.  Men was het gewend om er met weinig het beste van te maken.

Heinrich Himmler wordt de grote politiebaas...

Na de machtsovername van de Weimarrepubliek in 1933 besluiten de nationaal-socialistische leiders tot een drastische hervorming van gerecht, politie- en veiligheidsdiensten.  Duitsland moet een politiestaat worden waarin geen plaats is voor mensen met afwijkende meningen, "antisociaal" gedrag of van etnisch inferieure afkomst. Het is geen toeval dat de oudste concentratiekampen, Dachau en Esterwegen, reeds dateren van in die periode. Aanvankelijk zijn die kampen verzameldepots van al het menselijk materiaal dat in het derde rijk ongewenst is , toen nog in hoofdzaak criminelen van gemeen recht en communisten. Het regime in die kampen is hard maar er is voorlopig nog geen sprake van uitroeiïng of dwangarbeid tot de dood erop volgt. Er bestaat voor sommige gedetineerden zelfs nog een  kans op nationaal-socialistische recyclage wat dan veelal neerkomt op de inlijving in een strafregiment van het leger.

De Schutz-Staffeln, in aanvang de interne veiligheidsdienst van de nazi's, wordt de motor van de politiehervorming.  De SS staat onder leiding van Heinrich Himmler, samen met Reinhard Heydrich de belangrijkste secondant van Hitler.  SS'ers moet dienst nemen bij het leger, politie, veiligheidsdienst of geheime staatspolitie.  De waffen SS is de militaire component. In 1936 zal Hitler decreteren dat alle politionele macht in handen van Himler moet gecentraliseerd worden.

Himmler had reeds in 1931 de Sicherheitsdienst opgericht.  De SD fungeerde toen als geheime dienst van de partij met als voornaamste taak de lokalisatie van politieke tegenstanders.  Aan het hoofd van de SD stond Reinhard Heydrich.  In 1934 wordt de SD de énige staatsveiligheidsdienst.  In 1936, wanneer hij dè grote politiebaas wordt, richt Himmler de Sicherheitspolizei (SIPO) op.  De SIPO bestaat uit twee afdelingen, de Gestapo en de Kripo (Kriminal Polizei).  Het hek is dan helemaal van de dam want vanaf dat moment worden SS'ers politieofficieren en politieofficieren SS'ers. Het betekent het einde van de rechtsstaat en bijgevolg ook van de democratie.

Waar de Kripo instaat voor de opsporing van misdadigers van gemeen recht, neemt de Gestapo, onder de dagelijkse leiding van Heinrich Müller, de arrestatie van de zogenaamde staatsgevaarlijke individuen voor zijn rekening.

Noteer dat de Schutzpolizie (Schupo) buiten beschouwing wordt gelaten.  Dit korps wordt bemand door de gewone dienders die taken van bestuurlijke politie uitvoeren en ook niet meer dan dat.

Het moet gezegd, de nazi's hebben een politiemachine vervaardigd waarvan de raderen perfect in mekaar grijpen, net zoals dat hoort in een efficiënt produktieproces.

De SD levert informatie over staatsgevaarlijke elementen aan de Gestapo die hen arresteert, ze vervolgens tot moes slaat in de kelders van de Prinz Albrechtstrasse nummer 8 in Berlijn om ze tenslotte af te leveren in een concentratiekamp onder het regime van de Schutzhaft wat zoveel willen zeggen als 'beschermende bewaring" buiten elke vorm van gerechtelijke controle. De Kripo jaagt op overtreders van gemeen recht en het nijpende  probleem van de overbevolking der gevangenissen zoals wij dat in België nu kennen stelt zich niet.  Heeft men overschot ?  Hop, in het concentratiekamp ermee.  En waarvoor dient de Schupo ? De Schupo zorgt voor bewijsjes, attesten en burenruzies, controleert de hoeren en ziet erop toe dat de gevangenentransporten op een verkeersvlotte manier verlopen.

In een latere fase, namelijk op 27 september 1939 om precies te zijn, wordt het Reichssicherheitshauptamt (RSHA) opgericht wat er de facto op neerkomt dat SD en SIPO samensmelten. Het RSHA telt zeven afdelingen:

afdeling I   : personeel
afdeling II  : organisatie en administratie
afdeling III : bezette gebieden
afdeling IV : onderzoek en bestrijding van vijanden
afdeling V  : misdaadbestrijding
afdeling VI : buitenlandse staten
afdeling VII: ideologieën

Voor het verdere verloop van dit verhaal zijn enkel van belang de afdelingen III en IV en van deze laatste in het bijzonder de vierde sectie met als voornaamset onderafdelingen :

4A 1     : voor communisten, marxisten en aanverwante organisaties, misdaden in oorlogstijd, illegale en vijandelijke propaganda
4A 3     : voor reactionaire krachten, oppositie, legitimisten, liberalen, emigranten en politiek verraad
4B 1-3 : voor godsdiensten, sekten, vrijmetselaars
4B 4: voor joodse zaken
4C 1: fichesysteem verdachte personen
4C 2: Schutzhaft
4C 3: voor pers en literatuur
4D 4: voor de bezette gebieden

In die tijd was het dus maar best om zonder mening door het leven te gaan en alleen wie auditief of visueel gehandicapt was, of bij voorkeur beide - maar geen andere handicaps want dat was alweer sociaal onwenselijk - kon zich verheugen in een gevoel van relatieve veiligheid.

Het bestaande rechtsstelsel wordt vervolgens uitgehold, enerzijds door nieuwe wetten en decreten aangepast aan de ideologie van het derde rijk en anderzijds door de benoeming van rechters voor te behouden aan de partij.  De voorzitters van de rechtbanken worden benoemd door de minister van justitie.  Elke onafhankelijke rechtspraak is daarmee de kop ingedrukt.  Alle macht ligt bij de openbare aanklager en de rechterlijke macht is omgetuned tot een weerloos instrument van het regime. Men zou kunen stellen dat het derde rijk het Disneyland is voor elke extreem rechtse politicus die er zijn natte droom verwezenlijkt ziet.

Tussen 1933 en 1936 wordt het strafwetboek gewijzigd om aan de noden van het nieuwe vervolgingsbeleid tegemoet te komen.  De Schutzhaft maakt het voor de Gestapo mogelijk om iemand voor een ongelimiteerde periode in verzekerde bewaring te stellen zelfs zonder dat er een proces volgt. Kritiek op het regime kan leiden tot Sicherheitshaft en tot vervolging voor een Sondergericht, een uitzonderingsrechtbank voor politieke misdrijven, bemand door drie nationaal-socialistische rechters zonder mogelijkheid tot hoger beroep. Alle gevallen van hoogverraad worden behandeld voor een Volksgericht in Berlijn, ook weeral zonder mogelijkheid tot hoger beroep. De SS kan zelfs een nieuwe rechtszaak uitlokken om een zwaardere straf te bekomen.

Dit systeem wordt nu gedeeltelijk naar België geëxporteerd tenminste als het erom gaat misdaden tegen de Duitse autoriteiten te bestrijden.

Als bezet land staat België onder Militärverwaltung met Generaal Alexander Freiherr von Falkenhausen als militair gouverneur.  Het administratieve bestuur wordt waargenomen door Eggert Reeder weliswaar onder de leiding van von Falkenhausen.

Welke Duitse politie- en veiligheidsdiensten zijn nu bedrijvig in België ?

De geüniformeerde Feldgendarmerie, kettinghonden genoemd vanwege het schildje met ketting dat op hun borst hangt, telt ongeveer duizend man en houdt zich vooral bezig met de bestrijding van de zwarte markt en de opsporing van dienstweigeraars.  Maar er is ook een component die in burgerkledij dienst doet.  De Geheime Feldpolizei wordt veelvuldig ingeschakeld bij de arrestaties van  de Sipo.  De GFP is eigenlijk de uitvoerende arm van de Abwehr, de inlichtingendienst van het Oberkommando der Wehrmacht die gelijktijdig met de installatie van het Duitse militaire bestuur operationeel wordt.  De Abwehr werkt met Vertrauerleute, V-mannen genoemd,  die infiltreren in de verzetsorganisaties.  Niet zelden gaat het om overlopers  die door de Duitsers voor de keuze worden gesteld : collaboreren of creperen.  Zo zijn later de arrestaties van de Deurnese politiemannen het resultaat van een gecoördineerd optreden van Sipo en Geheime Feldpolizie met bijstand van de Feldgendarmerie maar aan de basis lag met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid het infiltratiewerk van een V-man, met name Eugeen Dierckx, die eerst door de Sipo/SD werd opgepakt en daarna door hen werd ingeschakeld als betaald agent.

De Sipo/SD heeft plaatselijke afdelingen in Antwerpen, Charleroi, Gent, Rijsel, Luik en Dinant. 

Op 7 december 1941 ondertekent Generalfeldmarschall Wilhelm Keitel, Chef des Oberkommandos der Wehrmacht het “Nacht- und Nebel” Elab dat zal gelden in alle bezette gebieden.  Burgers die verdacht worden van zware vergrijpen tegen de bezetter, type wapenbezit, sabotage of spionage, worden in beginsel door militaire rechtbanken berecht die in België zetelen en in België geëxecuteerd.  Maar uiteindelijk verschijnen voor die rechtbanken alleen die mensen waarvan het doodsvonnis op voorhand vaststaat. De meerderheid van de Belgische verzetslieden wordt in mindere mate berecht door sondergerichten of door het Volksgericht in Berlijn en in ruimere mate zonder enige vorm van proces naar een nacht und nebel kamp gestuurd waarvan men geacht wordt niet meer terug te keren.  Zij worden in het geheim op transport naar Duitsland gezet en het is de bedoeling dat hun naasten niets meer van of over hen vernemen.  De meeste Deurnese politiemannen vallen ten prooi aan dat beruchte decreet en worden , na een kortstondig verblijf in de gevangenissen van Antwerpen en St.-Gillis, zonder enige vorm van proces afgevoerd naar Esterwegen en vervolgens naar Nordhausen en Gross-Rosen.

Helpt de twijfelaars gelooven in de goede zaak...

Zoals zoveel andere jonge mannen van zijn generatie wordt Marcel Louette na de capitulatie gedemobiliseerd.  De Antwerpse onderwijzer heeft de achttiendaagse veldtocht meegemaakt als reserve-luitenant en heeft reeds besloten om zich niet bij de nederlaag neer te leggen.  Hij zal vanuit zijn gemeente het verzet  organiseren.  Louette is een eminent lid van de liberale jeugdbeweging De Jonge Geuzenwacht en houdt bij hem thuis een vergadering met een aantal getrouwen. Samen met zijn vriend Léon Boumans richt hij de Geuzengroep op.  De pleegdochter van Louette, Maria Michiels, wordt ingeschakeld als koerierster.  Louette is onderwijzer in de school aan de Keistraat, een stadsschool in de volksbuurt en het is dan ook geen toeval dat hij in de komende jaren vooral zal rekruteren via zijn kennissenkring van op de werkvloer, in hoofdzaak in de Antwerpse stedelijke ambtenarij, het onderwijs en de politie.


Marcel Louette

Het is geweten, Antwerpenaren zijn chauvinisten met een onbeheersbare dadendrang en het duurt dan ook niet lang of Marcel staat aan het hoofd van een groep die uitgroeit over de hele provincie Antwerpen en in een latere fase  afdelingen zal oprichten in alle Vlaamse provincies.  In tegenstelling tot de overige grote verzetsorganisaties waarvan de kernen in Brussel en Franstalig België liggen, blijft de Geuzengroep waarvan de naam verandert in Witte Brigade (bij wijze van contrast met de collaborerende “zwarten”), een dominante Antwerpse aangelegenheid.  Marcel zal overigens later de oorlogsnaam “Fidelio” aannemen die vervolgens wordt toegevoegd aan de naam van de organisatie.

Door de geografische spreiding van zijn organisatie ziet Louette zich verplicht om zijn verzetsgroep te reorganiseren.  Hij verdeelt zijn actieterreinen in verschillende sectoren die ieder worden aangevoerd door één verantwoordelijke chef.  De leden krijgen allemaal een nummer.  Ze zijn dan ook enkel bij nummer gekend en niet bij naam.  Bestuursleden krijgen een zero (0) – nummer.

De activiteiten van Louette en de zijnen zijn uitermate gediversifieerd.  Aanvankelijk gaat het om geweldloos verzet, zoals anti-Duitse propaganda, het aanleggen van zwarte lijsten en organisatie van vaderlandslievende manifestaties op de nationale feestdag.  Naarmate de beweging meer body krijgt gaat men zich ook toeleggen op het vergaren van militaire inlichtingen en tenslotte zal elke sector gewapende sabotagekernen oprichten.

Vooral in het voorjaar van 1942 zal het netwerk gevoelig uitbreiden want dan zal Louette ook de leiding overnemen van de vooral in Mechelen en Lier sterk ingeplante Belgische beweging waarvan het kopstuk, de messenfabrikant George Lecron, ondertussen werd aangehouden.  Het is in dat opzicht cynisch dat de tragedie die zich later in Deurne zal afspelen het rechtstreekse gevolg is van een arrestatiegolf in Lier.  Het is blijkbaar hetzelfde als in de vaderlandse politiek waar de verruiming van een partij op termijn een paard van Troje blijkt te zijn.

Zoals elke zich zelf respecterende organisatie beschikt de Witte Brigade over een orgaan, een communicatiemiddel naar de bevolking toe, met andere woorden er is een gazet.  De eerste uitgave van “Steeds Vereenigd – Unis Toujours”, wij zijn een communautaire gemeenschap nietwaar, is een enkelzijdig bedrukt strooibiljet met als enig artikel een oproep om geen kranten te lezen op 17 februari 1941, zijnde de verjaardag van den dood van Zijne Majesteit, Koning Albert I, roemrijke herinnering.  De verspreiding onder de lezers van de beruchte zwarte lijsten, met de namen van collaborateurs, blijkt de voornaamste reden om dergelijk krantje uit te geven, naast, uiteraard, nieuwsgaring die de hoera-berichten van de bezetter moet ontkrachten.  Een en ander wordt er nog eens goed ingelepeld in de negende uitgave van het blaadje :

 

“Heden is de wereld duister, men leest slechts éénzijdige kranten en hoort éénzijdige berichten.  Zelfs de Engelsche radioberichten voor ons bestemd, geven ons te weinig en getuigen van een onduidelijk beeld van den toestand en van de gemoederen hier te lande. Waar is de leugen ? Waar is de waarheid ? Wat moeten wij tenslotte gelooven, denken en doen ?  Wij zullen trachten dezen chaos op te helderen door u juist in te lichten voor zoover onze beknopte middelen het ons toelaten.  Wij willen u een richtsnoer geven voor de toekomst.  Wij willen in deze verwarde en ongelukkige tijden het symbool der solidariteit van alle Belgen zijn. …  Verspreidt ons blad, verspreidt onze berichten.  Helpt mee de moraal van de verraders neerhalen.  Helpt de twijfelaars gelooven in de Belgische zaak. Vernietigt daar waar het kan de moraal van het Duitsche leger.  Stellig, de vijand is handig en wist zich met een stel provocateurs te omringen.  Neem u in acht voor deze schoften, raadpleegt onze zwarte lijsten, vermijdt omgang met die sujecten (sic).  Hebt vertrouwen in ons.  Wij strijden voor de goede zaak….”

Tussen haakjes, het verspreiden van sluikblaadjes waartoe Steeds Vereenigd aanzet, is in de ogen van de bezetter helemaal geen onschuldige bezigheid.  Dat moet de achttienjarige Lode Sel helaas aan den lijve ondervinden.  De jongen is student aan de normaalschool als hij door de vrouw van een plaatselijke schoenlapper wordt aangezet om de blaadjes uit te delen.  De jongen laat zich vlug overtuigen en gaat helemaal op in zijn geheime activiteiten.  Vader en moeder Sel, doorbrave, doodbezorgde mensen, weten er uiteraard niks van af tot er op een donkere dag een paar deukhoeden aan de voordeur staan te trappelen.  Nadat de hele huisraad op de vloer wordt gekieperd en de niet zo zorgvuldig verborgen gazetjes te voorschijn komen in de slaapkamer van hun zoon, ja, dan weten ze het wel.  Het echtpaar Sel staat er roerloos, in stomme angst voor wat komen gaat, bij te kijken.  "Jongen toch, jongen toch” dat zijn zowat de enige woorden die moeder Sel nog over de lippen krijgt als de deukhoeden haar jongen in een zwarte Mercedes steken die sito presto vertrekt naar de lokalen van de SD.  Daar heeft de dienstdoende kriminalsekretär niet al te veel moeite om Lode te doen bekennen.  Hij klaart de klus op enige minuten. Gesofistikeerde verhoormethodes zijn absoluut niet van doen.  Een van zijn handlangers, vroeger in het burgerleven landbouwer van stiel,  maakt de broek van de knaap open en knijpt zowat diens ballen fijn in zijn enorme knuisten.  Lode gilt het uit en de tranen lopen over zijn gezicht.  Binnen de vijf minuten bekent hij alles, hij zou op dat moment gelijk wat bekennen.  Maar dit is een routinezaakje waaraan de herr kriminalsekretär niet al te veel energie wil spenderen, sehen sie.   Lode wordt niet lang daarna op transport gesteld en komt terecht in Buchenwald.  Als vader Sel bij de bevrijding van het kamp, in 1945, bericht krijgt dat zijn zoon werd geïdentificeerd en nog in leven is, haast hij zich ter plaatse.  In de chaos van die periode is dat geen evidente zaak.  Na een vermoeiende tocht bereikt hij het militair kampement waar zijn zoon werd opgevangen maar het wordt beslist geen heuglijk weerzien.  Het verblijf in het beruchte kamp heeft Lode Sel gereduceerd tot een menselijk wrak, met kaalgeschoren hoofd, kapotte tanden en doffe, uitdrukkingsloze ogen, de fysionomie van wat in het kamp bekend stond als de “muselmann”, een uitgerangeerde verluisde zombie die op de wachtlijst van het crematorium staat.  Het is niet geweten of Lode op dat geëigende moment al dood was of kort daarna.  Feit is dat vader Sel alleen terugkeert, er verder  met geen woord over rept tenzij tegen zijn vrouw, in alle intimiteit, en dat hij niet lang daarna overlijdt.  Het geval Lode Sel is er één uit de velen.  Duizenden families hebben tijdens bezetting dergelijke histories meegemaakt.

Maar van al die toestanden weten de sluikpersactivisten nog niks of nauwelijks iets af en zij zetten hoe dan ook hun bedrijvigheid onverstoorbaar verder. 

Steeds Verenigd wordt aanvankelijk gedrukt in de drukkerij van ene Crutzen maar op een gegeven moment wordt in de drukkerij een huiszoeking uitgevoerd op last van de onderzoeksrechter.  Drukker Crutzen  ziet zo wit als een tafellaken na een wasbeurt met Dash wanneer de rechercheurs hun fouille aanvatten.  Zijn adamsappel voert capriolen uit die op de foor niet zouden misstaan en dat ontgaat natuurlijk ook de speurders niet. “Ge zijt er precies ook niet gerust op, hé”, bromt de zwaarbesnorde commissaris van de gerechtelijke politie die de huiszoeking leidt, “zoudt ge ons niet beter ineens zeggen waar ge die valse rantsoeneringszegels bewaart of vindt ge het nodig dat wij het kot helemaal moeten overhoop zetten ?”   Nu is Crutzen ineens een stuk geruster want men is blijkbaar op zoek naar een drukker van valse rantsoeneringszegels en daar houdt Crutzen zich gelukkig niet mee bezig.  Hij herwint zijn kalmte en zegt dat de heren alles mogen doorzoeken, gaat uw gang alstublieft, Crutzen is bereid om  zijn volle medewerking te verlenen, maar valse rantsoeneringszegels, neen, dan vergissen de heren zich, die worden bij Crutzen niet gedrukt.  Er worden inderdaad geen rantsoeneringszegels gevonden maar de heren nemen wèl een specimen van zijn lettertypes mee.  Om ontmaskering te vermijden moet dus best een andere drukker gezocht worden om het krantje te drukken.

En die wordt gevonden.  In Deurne.  Leon Ceulemans is begrafenisondernemer en baat zijn handel uit op de Ten Eekhovenlei.  Aan de zaak is een kleine drukkerij verbonden.  Leon Ceulemans zal dus in het vervolg niet alleen doodsbrieven drukken maar hij zal als nevenactiviteit ook het drukwerk voor Steeds Vereenigd verzorgen.  Leon heeft geluk, hij wordt niet verontrust en zal het dus niet moeten meemaken dat hij voortijdig klant wordt van zijn eigen firma. 

Het politiekorps van Deurne blijkt een goede kweekvijver voor potentiële weerstanders  en het spreekt vanzelf dat Louette dat recruteringsterrein niet braak zal laten liggen. En dat ligt nogal voor de hand, want door de aard van hun werk beschikken politiemensen niet zelden over zeer waardevolle informatie. Zij zijn ondermeer uitermate geschikt om nieuwe verzetslieden te screenen op hun betrouwbaarheid en om zwarte lijsten op te stellen van collaborateurs die bij de bevrijding moeten gearresteerd worden.

De recrutering van deze oorlogsagenten is overigens niet bijzonder moeilijk want van bij het begin van de oorlog zijn al veel agenten aangesloten bij de Nationale Koninklijke Beweging.  Zo ook de politieman Jos Veerman die medio 1942 beslist om zich aan te sluiten bij Fidelio en met hem de helft van het Deurnese politiekorps.  Veerman krijgt het geheim nummer 252 en wordt één van de voornaamste medewerkers van Leopold Gillis, adjunct-commissaris in Borgerhout, die in de zomer van 1943 van het Légion Belge overstapte naar de Witte Brigade.  Gillis, geheim nummer 025, dient beschouwd als één der topfiguren van de Witte Brigade.  Het tweetal zal er op korte tijd in slagen om minstens 50 nieuwe weerstanders te werven.

De wervende kracht die uitgaat van  figuren als Jos Veerman en Leopold Gillis is zeker niet te verwaarlozen maar men mag toch niet vergeten dat de omstandigheden hen zeer gunstig gezind zijn, althans in die fase.  Het korps, tenminste het segment dat zich afzet tegen de bezetter,  kent een hoge solidariteitsgraad die reeds dateert van voor het begin van de oorlog.  Het zijn jonge mannen die ook buiten de dienst met mekaar optrekken.  Verschillende onder hen zijn lid van een worstelclub (die na de oorlog de naam “Fidelio Worstelclub” krijgt).  Jos Veerman en zijn collega Albert Peeters, om er maar twee te noemen, zijn fervente lutteurs.  Het is dus met andere woorden niet uitgesloten, zelfs meer dan waarschijnlijk, dat de korpssolidariteit, het “band-of brothers”-gevoel en de deelname aan gezamenlijke activiteiten in de privésfeer er in belangrijke mate toe bijdragen dat de oproep om aan te sluiten bij de weerstand zo talrijk wordt beantwoord.  De politieke bewustzijnsgraad moet daarom niet geminimaliseerd worden maar eerder  tot zijn juiste proporties herleid. Sommigen, zoals Jos Torfs, die het in zijn memoires voortdurend heeft over goede en slechte Belgen, worden maximaal gedreven door een gevoel van pattriotisme dat wellicht niet meer van deze tijd is en waaruit toch, met alle respect voor de figuur van Jos Torfs, enigszins een gebrek aan relativeringsvermogen blijkt.  Anderen handelen eerder uit een diepe politieke overtuiging die rebelleert tegen elke vorm van onderdrukking.  Wellicht zijn er ook nog bij wie een zekere zucht naar avontuur primeert, de aandrift om deel te nemen aan geheime en verboden activiteiten, alleen maar gekend door ingewijden van de club.  Deze laatste beweegreden valt zeker niet te onderschatten, temeer omdat niemand weet wat hem of haar  te wachten staat ingeval van ontmaskering.  Wie weet er op dat ogenblik in België wat zich in een concentratiekamp afspeelt of welke methodes de sicherheidsdienst aanwendt om arrestanten aan de praat te krijgen ?  Wat na de bevrijding aan het licht zal komen overtreft overigens gelijk welk menselijk voorstellingsvermogen.  De onderwereldtaferelen van Dante Aleghieri en Jeroen Bosch komen als het ware tot leven wanneer de geallieerden de kampen bevrijden. In een interview zal Jos Veerman later eerlijk toegeven dat hij er nooit aan begonnen zou zijn mocht hij ook maar kunnen bevroeden wat hem te wachten stond.

En er zijn er nog al wat die niet weten aan welke verschrikkingen ze zich gaan blootstellen.  Neem nu Albert Peeters die ook wil aansluiten bij de makkers van het verzet.  Jos Torfs, die het ondertussen heeft gebracht tot sectiechef, bespreekt de kandidatuur van Albert met enkele collega’s – weerstanders.  Ze besluiten hem aan een proef te onderwerpen.  De aspirant krijgt de opdracht om tijdens de nacht van 10 op 11 november een Belgische vlag in een hoge vierkante telefoonpaal te hangen. Het attribuut in kwestie wordt door de echtgenote van één van de agenten vervaardigd uit versleten beddenlakens, drie stukken aan elkaar gestikt, in het rood, geel en zwart geverfd. Tijdens de nacht begeeft het gezelschap zich dan met de kandidaat naar een telefoonpaal op de hoek van de Gallifortlei en de Turnhoutsebaan.  Met valse sleutels openen zij de metalen deur waarna Peeters, met de vlag op de rug gebonden, de hoge ladder beklimt om het vaandel aan het hoogste punt van de paal te binden.  En ziet en verbaast u, ‘s morgens wappert de vaderlandse driekleur over de Gallifortlei … het is haast een passage uit een beduimeld handboek van “Onze vaderlandsche geschiedenis” maar op de keper beschouwd is zoiets niet meer dan een vorm van studentikoze weerspannigheid,  de hopman en zijn padvinders, zinloos, gevaarlijk en eigenlijk reeds de onheilspellende voorbode van een noodlottige afloop.

Hoewel, het blijft niet bij laatpuberale balorigheid.  De verzetsactiviteiten krijgen, naarmate de bezetting voortduurt en grimmiger wordt, een meer doelgericht karakter.

Jos Torfs krijgt op gegeven moment het bezoek van een zenuwachtige Albert Spitaels,  ondertussen als verbindingsman met de Engelse inlichtingendienst, één van de kopmannen van de Deurnese Witte Brigade. Hij heeft dringend blanco identiteitskaarten nodig, want, zo zegt hij, een achttal mannen werden door de Duitsers opgesloten in de strafinrichting van Hoogstraten.  Met behulp van de verzetsorganisatie Het Kempisch Legioen zijn ze kunnen ontsnappen maar ze hebben natuurlijk geen enkel identiteitsdocument op zak. En of Jos, via zijn vader Louis, aan die identiteitskaarten kan geraken ? Louis Torfs is politieinspecteur geweest maar is op dat moment werkzaam op het gemeentehuis van Deurne waar hij de functie van afdelingshoofd van bevolking en burgerlijke stand bekleedt.  Hij weet in een kast van één van de burelen nog een pakje identiteitskaarten liggen zonder volgnummer.  Louis is zondermeer onmisbaar als ervaringsdeskundige.  Met een oude gemeentestempel die nog dateert van de vorige oorlog zet hij zich aan het werk en toont hij Spitaels hoe die een identiteitskaart moet invullen.  Van zeer groot belang is de plek waar een volgnummer dient geplaatst en uit hoeveel cijfers dat moet bestaan.  De actie blijkt een succes en na verloop van twee weken verneemt Jos Torfs van Albert Spitaels dat de mannen veilig en wel over de Franse grens zijn geraakt.

Jos Torfs steekt overal zijn neus tussen en is voor niets of niemand bevreesd.  Een zeer populaire en overigens zeer nuttige verzetsactiviteit is het saboteren van de Duitse telefoonlijnen.  De bezetter had namelijk in de drie Deurnese wijken een volledig netwerk op touw gezet.  Jos Torfs en zijn mannen hebben ze in kaart gebracht wat niet bijzonder moeilijk was want merkwaardig genoeg weet zowat de ganse bevolking van Deurne de telefoonkabels liggen.  De blauwdruk van de telefoonbekabeling ziet er ongeveer als volgt uit:

In de wijk Deurne-noord :

-    een lijn die vertrekt  aan het goederenstation Borgerhout tot aan de Tweemontstraat huisnummer 319

-    een lijn die vertrekt aan Brug 93, langs de Bosuilbaan loopt en stopt aan een zoeklicht

-    een lijn die vertrekt van aan dit zoeklicht en die vervolgens, via de Mortelhoekstraat, naar het afweergeschut in den Brem voert

-    een lijn die via de Bosuilbaan naar de Cruyninghenstraat loopt waar zij wordt aangekoppeld aan het civiele telefoonnet

-    een lijn die via den brem naar de Schotensteenweg voert

In de wijk Deurne-centrum :

-    een lijn die vanuit Fort I in Wijnegem vertrekt en die via de August van de Wielelei langs de Booze dreef naar het kasteel van Franck voert,

-    die vervolgens van het  kasteel Franck  over de Schotensteenweg naar kasteel Venneborg voert

-    een andere, die van het kasteel Franck over de Schotensteenweg naar den brem leidt waar afweergeschut en zoeklichten opgesteld staan

-    tenslotte een lijn die vanuit Borgerhout via en achter de huizen van grapheusstraat en Exterlaer naar het telefoonnet boven het gemeentehuis leidt

In de wijk Deurne-zuid :

-    drie lijnen die vertrekken aan de werkplaatsen van Stampe in de Drakenhofstraat en die, de ene in Borgerhout, de andere twee in de Boekenberglei aansluiting vinden

-    twee lijnen die langs de afsluiting van het park Boekenberg lopen en die respectievelijk naar de school en de schoolvilla van de St. Rochusstraat voeren

-    een kabel die langs de Drakenhofstraat via de Van Notenstraat naar Borgerhout loopt

-    twee lijnen die van de luchthaven van Deurne komen en die, respectievelijk, hun verloop kennen langs de Boekenberglei en de Jozef Verbovenlei

-    een lijn die vertrekt in de school van de Van Lissumstraat en die richting Borgerhout vertrekt

-    drie lijnen die vertrekken vanuit het pand nummer 164 in de Drakenhofstraat met als eindpunten de schuilplaats tegenover dat huis, het openlucht zwembad van het Boekenbergpark en de Unitas wijk.

Het spreekt vanzelf dat die telefoonverbindingen voor de bezetter van uitzonderlijk belang zijn, met name om directe communicatielijnen te onderhouden met, bijvoorbeeld de luchthaven en de diverse sites waar het afweergeschut geïnstalleerd is, de Unitas-wijk waar Otto Pilger met zijn vliegeniers ingekwartierd is of bijvoorbeeld met de school in de St. Rochusstraat die een heel legerdetachement herbergt.

Het saboteren van de telefoonlijnen wordt dan ook een belangrijke verzetsactiviteit voor de Deurnese agenten.  Jos Torfs, wie anders, leert een man kennen die bij Bell Telephone werkt.  Tussen pot en pint weet die hem te vertellen dat hij van een eenvoudige nijptang een vernuftig sabotageinstrument kan maken.  Zoiets moet men geen twee keer tegen Torfs zeggen en hij haast zich om de man een nijptang te bezorgen.  Als hij het stuk gereedschap na enkele dagen terugkrijgt ziet hij er aanvankelijk niks bijzonders aan tot de creatieve werktuigkundige zijn aandacht vestigt op een miniscuul gaatje van enkele millimeter doormeter dat in de gekartelde groeven van de nijptang werd geboord.  In dat gaatje zit een afgedankte grammofoonplaat geplugd.  De tang moet vervolgens rond de telefoondraad worden gelegd waarna het grammofoonnaaldje zich, door stevig te knijpen, in de draad perst.  Eenvoudig maar efficiënt, zo blijkt.  Tijdens hun nachtelijke dienstrondes persen de Deurnese wouten (scheldnaam voor politieagenten) grammofoonnaaldjes in de telefoondraden dat het een lieve lust is.  Door hun werkzaamheden veroorzaken ze meervoudige storingen in de telefoonverbindingen en aangezien de naaldjes zo minuscuul zijn slagen de Duitsers er niet in om de oorzaak te achterhalen.  Zij zien zich herhaaldelijk verplicht om nieuwe kabels te leggen die dan weer door de dienders onder handen worden genomen, enzovoort enzoverder … Feit is dat er in de burelen van de wehrmacht danig wat wordt afgevloekt.  De taal die men daar bezigt heeft alleszins weinig van doen met de zoetgevooisde dichtkunst van  Goethe.

In afwachting van de komst van de geallieerden, wat zoals bekend nog tot september 1944 zal duren, besluit de groep om een wapenopslagplaats in te richten, vanzelfsprekend een uiterst riskante onderneming, want, in de eerste plaats, hoe geraakt men aan wapens ? 

Soms door louter toeval.  Neem nu zekere Frans, oudstrijder 14-18 en grootoorlogsinvalide.  Hij woont in de Ter Rivierenlaan, in één van de huizen van de stichting Bert Van de Velde, samen met zijn vrouwtje, een Engelse die hij in Engeland leerde kennen toen hij daar herstelde van zijn verwondingen. De man maakt zich ongerust.  Fernand Weiss woont in zijn buurt en Weiss is onderofficier van de S.S. en kampopzichter in het ondertussen beruchte kamp van Breendonk. De vrouw van Frans heeft bij de Engelse Consul in Antwerpen gewerkt.  Bij het uitbreken van de oorlog is de consul terug naar Engeland vertrokken met achterlating van vier wapens die hij aan de vrouw in bewaring heeft gegeven.  Frans heeft geen minuut rust meer met die schietijzers in zijn kot en met Weiss in de buurt.  Hij ziet zichzelf al opgepakt en vastgezet in het beruchte folterkamp.  Als hij toevallig Weiss ziet voorbijkomen krijgt hij bijna een hartstilstand. Frans wil van die wapens af en neemt één van de groepsleden in vertrouwen.  Zo geraakt hij gemakkelijk verlost van zijn vier problemen.

Of door gerichte acties, waaronder een raid op de kluis van het gemeentehuis die dan achteraf door een vals proces-verbaal wordt toegedekt.  Of door een gefingeerde diefstal van het dienstwapen van adjunct-commissaris Saerens dat dan weer met een ander vals proces-verbaal wordt gecamoufleerd.

Als wapendepot wordt tenslotte, na verschillende omzwervingen tijdens van angstzweet doordrenkte nachten, een plek uitgekozen in het Rivierenhof Park… in de onmiddellijke nabijheid van het kasteel waar de Duitse officieren ingekwartierd zijn. Op zichzelf is dat trouwens geen slechte keuze want het is geweten dat hetgeen voor de neus ligt het minste opvalt.  Vraag het maar aan beroepscriminelen die overdag, zonder enige schroom, een heel huis leeghalen door er gewoon een bestelwagen of een camion voor te zetten zodat iedereen denkt dat er verhuizers aan het werk zijn.

Van uitzonderlijk belang is vanzelfsprekend ook het doorspelen van accurate inlichtingen aan de groepsleiders.  Piet Verholen is in dienst bij het korps sedert 15.11.1941.  Hij is loodgieter van beroep maar gegeven de oorlogsomstandigheden zijn de werkaanbiedingen schaars en Piet heeft de verantwoordelijkheid voor het gezin van zijn moeder.  Zijn oom, de toenmalige Deurnese Schepen van Financiën Louis Van Craen, suggereert een job bij de politie.  Piet moet er niet lang over nadenken.  Er moet dringend brood op de plank komen, redeneert hij, en als binnen afzienbare tijd die miserie achter de rug is kan hij nog altijd terug lekkende buizen gaan repareren. En zo komt het dat Verholen Petrus, burgeragent nummer B140, op een gegeven moment, meer bepaald op 21 juni 1942, wordt opgeëist door de dienst Fliegerhorstkommandantuur.  Samen met zijn collega’s Delcroix, Claes en De Beuckelaer wordt hij ingeschakeld bij de permanente bewaking van de luchthaven waar het eskader van Otto Pilger, Kampfgeschaden “3” alias Gruppe Finsterwalde, gehuisvest is.  Vandaar vertrekken de Dorniers DO 17Z en de Junkers JU87B om dood en verderf te zaaien in Eastchurch en Rochester. Piet en de zijnen bedenken zowaar een systeem waarmee ze later kunnen rapporteren hoeveel machines de raid wisten te overleven.  Zij plooien hun sigarettenblaadjes in de vorm van een boekje waarbij elk blaadje een vertrekkend toestel voorstelt.  Zij tellen de machines voor vertrek en bij terugkomst, het verschil wordt opgerookt, tegelijkertijd een cynische verwijzing naar het lot dat deze vliegtuigen en hun bemanningen beschoren was.  En bovendien, aangezien de Duitse piloten zich hebben ingekwartierd in de huizen van de Unitaslaan en de Oude Doncklaan, kunnen de agenten goed gadeslaan wat er in die wijk “boegeert”.  Al die informatie wordt, tegelijk met alle andere interessante inlichtingen, gecentraliseerd bij één der groepsleiders die ze vervolgens doorspeelt aan Louette die op zijn beurt in contact staat met de Britse Inlichtingendienst.  

Voor de bezetter zijn de toenemende weerstandsactiviteiten een bron van irritatie die, hoe kan het ook anders, resulteert in repressie en vergelding.  Vooral de jodenrazzia die op 27 augustus 1942 in Antwerpen had moeten doorgaan en die schromelijk mislukte, wordt de lokale politie-eenheden van het Antwerpse geweldig kwalijk genomen.   

Het is kwart voor zes ’s avonds, de dag na de mislukte jodenraffle, als de telefoon overgaat op het bureau van adjunct-commissaris Jozef Bouhon.  Bouhon is op dat moment officier met dienst van het district Deurne. Als Bouhon de hoorn opneemt en hoort wat de stem aan de andere kant van de lijn verlangt, wenste hij vurig dat hij zijn dienst niet had geruild met een collega.  Het telefoontje is afkomstig van de Della Faille Laan 21waar de kantoren van de Sicherheitspolizei gevestigd zijn en waar Bouhon binnen een uurtje wordt verwacht.  De teneur van de “uitnodiging” spreekt boekdelen en Bouhon weet nu al dat het niet zal zijn om felicitaties in ontvangst te nemen.  Hij is dan ook behoorlijk nerveus als hij samen met de officieren Braeckman, Huybrechts en Van Thillo, respectievelijk officieren van Berchem en Borgerhout, voor Erich Holm staat.   

Holm bestudeert de trillende koppen van de officieren met kille minachting.  Hij neemt er zijn tijd voor.  Als ervaren politieman weet Holm dat er niets is wat mensen zo uit hun lood slaat als onzekerheid.  Hij zet zich achter zijn bureau en begint nonchalant te  bladeren in het dossier dat voor hem ligt.  Buiten het ritselen van het papier en af en toe een droge kuch van één der officieren heerst er volstrekte stilte.  Om de gezagsverhoudingen nog eens in de verf te zetten heeft Holm zijn bezoekers geen stoel aangeboden.  De officieren zijn precies schooljongens die in het kantoor van de directeur zijn ontboden voor een flinke bolwassing en een stapel strafwerk.  En dat is nog niet eens ver benevens de waarheid want nu barst Holm los.  Denken de heren misschien dat de Duitse politiemannen achterlijke boeren zijn.  Neen, denken ze dat niet, Holm is nochtans van het tegendeel overtuigd als hij ziet wat er gisteren gebeurd is.  Mag Holm aannemen dat de heren toch weten op welke gebeurtenis hij doelt of moet hij hun geheugen nog eens opfrissen ?  Ja, dat zal misschien het beste zijn, nietwaar, want sommigen onder hen blijken wat kort van memorie en wat traag van begrip.  Zoals bekend, het zou toch bekend moeten zijn, kreeg de Belgische politie op 27 augustus om 17.00 u van de dienst van Holm het bevel om bijstand te verlenen aan een raffle in het Antwerpse jodenkwartier.  Reeds na een half uur moest de operatie, die wekenlang zorgvuldig door de mensen van Holm was voorbereid, worden afgelast.  En weten de heren hoe dat komt, neen ?  Holm zal het eens uitleggen.  De stem van Holm gaat nu crescendo en hij begint te bulderen terwijl hij rood aanloopt en de aders in zijn nek vervaarlijk beginnen te zwellen.  De raffle moest stopgezet worden omdat de leden van de Belgische politie er niets beter op hadden gevonden om geschreven pamfletten onder die Jüden te verspreiden om hen te verwittigen van wat er te gebeuren stond !  En of de heren alstublieft niet willen proberen van gelijk wat te ontkennen want Holm bezit een aantal exemplaren van die strontpamfletten.  Holm weet ook dat sommige agenten geschenken hebben ontvangen van de joden die ze hebben gewaarschuwd.  En Holm zal hen nu eens wat zeggen.  Zijn oversten in Brussel zijn uiteraard op de hoogte van die mislukking en zij hebben besloten dat de Belgische politie als straf, zelfstandig, zonder bijstand van de Duitsers,  zal overgaan tot de arrestatie van een vooropgesteld aantal joden. En nadat Holm nog enkele praktische instructies heeft gegeven die betrekking hebben op het gewenste quotum per district en plaats en tijdstip van aflevering, zwiert hij de verbouwereerde politieofficieren met één handgebaar aan de deur.  

Hoe dat bevel wordt uitgevoerd staat te lezen in het “bestuurlijk verslag” van 30 augustus 1942 dat de adjunct-commissaris Jozef Bouhon aan de burgemeester toezendt :

“Rond 21uur 30’ brachten wij verslag uit over dat onderhoud met (sic) onzen rechtstreekschen overste, den Heer Politiecommissaris van het district-Deurne.  Onder zijn leiding hebben wij het personeel verzameld om tot de aanhoudingen over te gaan.  Wij hebben voor de verzameling van de Joden opgeëischt Kinemazaal PLAZA, Gallifortlei 146 te Antwerpen, district-Deurne, uitbater : STEVENS Frans, wonende De Grijspeerstraat 88 te Antwerpen, district-Deurne; Gedurende den ganschen nacht werden in het district-Deurne de Joden van de aangeduide nationaliteiten en ouderdom opgeleid, verzameld en met hun bagage ondergebracht in de aangeduide kinemazaal.  Er werden aldus 134 personen van beider kunnen verzameld met uitzondering van de kinderen beneden den ouderdom van twaalf maanden en hunne moeders.  De kinemazaal bleef onder beslag van 28 augustus 1942 rond 23 uur tot 29 augustus 1942 rond 16 uur 30’, waarop de verzamelde personen door de autocamiondiensten van de Duitsche politie “Sicherheitspolizei” werden afgehaald.  Daar het district-Deurne het gevraagde getal niet kan opleveren werden de Joden van het district-Merksem en een aantal wonende te Antwerpen, zesde wijk,bijgevraagd, waarvan de eersten werden verzameld in kinema PLAZA en de tweeden in de Synagoge, gelegen Terlitzstraat 35 te Antwerpen, zoodat het getal van 250 Joden werd bereikt.  Ingevolge ontvangen bijzondere instructies van de Duitsche politie “Sicherheitspolizei” werden de totaal ontruimde huizen of appartementen afgesloten en verzegeld.  Tijdens de komende dagen moeten deze ontruimde en verlaten huizen door de politie bijzonder worden bewaakt om te beletten dat Joodsche roerende goederen worden ontvreemd of verduisterd door derden. Aan de kinemauitbater STEVENS Frans, werd door ons een opeischingsbon overhandigd ten einde hem te vergoeden voor huur van de zaal, reiniging en onkosten van lechtrische (sic) verlichting.  Van wat voorafgaat hebben wij huidig bestuurlijk verslag in drievoud opgesteld om te worden overgemaakt aan den Heer Burgemeester te Antwerpen ten einde te dienen waar het behooren zal.  Proces-verbaal van inlichtingen werd opgesteld en overgemaakt aan den Heer Procureur des Konings te Antwerpen.

Waarvan akte.
Get. Adjunct-Politiecommissaris
BOUHON Jozef
  

Ziedaar, de gortdroge, ambtelijke beschrijving van een menselijke tragedie waarin nochtans niet wordt gespecifieerd of de opdracht van de bezetter vlekkeloos verliep, dan wel of de uitvoering gepaard ging met incidenten.  Zou het kunnen dat het “den Adjunct-Politiecommissaris” Jozef Bouhon is ontgaan dat sommige van zijn ijverige agenten de nooduitgangen van cinema Plaza openden om zoveel mogelijk onfortuinlijken de kans te geven nog te ontsnappen?  Feit is dat verschillende  buurtbewoners die nacht worden geconfronteerd met onbekenden die zich via hun achtertuinen in de duisternis  een weg zoeken naar de vrijheid wat helaas voor de meesten op een mislukking uitdraait.

De heren van de sicherheitspolizei

Kort na de capitulatie wordt in Brussel de S.D. und Sicherheitspolizei opgericht, met Aussendienststelle in Gent, Antwerpen, Luik en Charleroi.  Die van Antwerpen is aanvankelijk ingekwartierd in de Della Faillelaan maar verhuist in september 1943 naar de Koningin Elisabethlaan.  De Aussendienststelle Antwerpen staat onder de leiding van Karl Fielitz die na de capitulatie spoorloos bleek en van wie dan ook weinig of niets geweten is.

Haar gevangenen worden opgesloten, hetzij in de stadsgevangenis in de Begijnenstraat, hetzij in Breendonk in het speciaal daartoe opgerichte SIPO-Auffanglager.

Tegen de gedetineerden kunnen drie maatregelen getroffen worden : vrijlating, verzending naar een gericht of de internering, de zogenaamde Sicherheitshaft.  In de loop van 1944 zal Berlijn nochtans verordenen dat alle gedetineerden moeten worden overgebracht naar Duitsland.  Vanaf dat moment vinden er massale transporten plaats zonder dat achteraf kan uitgemaakt worden of de gedeporteerden bestemd waren om gevonnist te worden of zonder vorm van proces in Sicherheitshaft dienden genomen.

Ingevolge de toenemende verzetsactiviteit ziet de bezetter zich verplicht om de personeelsformatie van afdeling IV van de Aussendienststelle Antwerpen gevoelig uit te breiden.

Het personeelsbestand van deze sectie, die als executieve dienst belast is met de onderzoeken en de arrestaties en vandaar het koningsstuk van de Aussendienststelle mag genoemd, bestaat dan uit de volgende heerschappen :

Kriminal Sekretär Theodoor Verhulsdonk
Kriminal Sekretär Ernst Laïs
Kriminal Sekretär Hermann Veit
Kriminal Ober Assistent Willy Von Hören
Kriminal Ober Assistent Roald Ohnstedt
Kriminal Ober Assistent Ferdinand Frankenstein
bijgestaan door de goede vaderlanders Eugeen Dirckx, Emiel Thonon en Willy Van de Velde, tenminste als men zich beperkt tot de voornaamste onderwereldfiguren die daar in de kantoren van de Koningin Elisabethlaan huizen.  Allemaal onder de supervisie van Karl Fielitz die, te oordelen naar de ravage die de vierde sectie in de rangen van het verzet aanricht, over zeer goede “leute” beschikt.

Van sommige personeelsleden zijn geen bijzonderheden gekend.  Zo is er bijvoorbeeld de figuur van Ernst Laïs die de leiding had over de afdeling V, de Kripo.  Op de troebele zwart-wit foto’s uit die tijd ziet hij er niet bijster impressionant uit en over zijn persoonlijkheid komt men niet veel te weten.  De kans bestaat dus dat Ernst een grijze muis was die niet al te veel stormen veroorzaakte zolang hij maar goede rapporten kon overmaken aan het hoofdkwartier in Brussel.  Mocht dat het geval zijn, en we tasten daaromtrent eerlijk gezegd in het duister, dan ligt de zaak wel gevoelig anders bij zijn onmiddellijke entourage die de dienst uitmaakt in de vierde sectie.

Om te beginnen is daar Kriminalsecretär Hermann Veit, die vanaf mei 1943 wordt toegevoegd aan de afdeling IV.D van de Sipostelle Antwerpen en die de drijvende kracht zal worden bij de ontmanteling van verschillende verzetsnetwerken, waaronder deze van Fidelio Antwerpen.  We zijn dan kort voor de verhuis naar de Koningin Elisabethlaan. 


Hermann Veit

Veit is een norse, struise man.  Zijn lip hangt altijd op half zeven zodat men de indruk krijgt dat hij constant misnoegd is over van alles en nog wat.  Zijn stuurs opzicht correspondeert voor de volle honderd procent met zijn inborst.  Wellicht is Hermann Veit een schoolvoorbeeld van de theorie die stelt dat het milieu waarin iemand opgroeit de overheersende factor is bij de vorming van het karakter.  De slechte jeugd van de cliënt is het argument bij uitstek dat door menig strafpleiter wordt aangewend in de hoop de rechter milder te stemmen maar omdat het zoveel wordt gebruikt, en dus misbruikt, wordt het niet zelden als een afgezaagd cliché weggewuifd.  Nochtans, in het geval van Hermann Veit zou daar iets voor te zeggen zijn.  Veit wordt geboren in Rast, Zuid-Duitsland, in 1902, uit een landbouwersgezin met 16 kinderen, het zoveelste product van echtelijk geknutsel, waarschijnlijk verwekt in een zweterig ledikant na de noeste arbeid op de akker, niet in liefkozende intimiteit, maar bestiaal, de wekelijkse plicht die de vrouw als gevolg van haar huwelijk moet ondergaan zodat ze er na zestien bevallingen bijloopt als een afgebeuld lastdier.  Hermann doorloopt het lager onderwijs, omdat het niet anders kan, en vanaf zijn veertiende wordt hij aan het werk gezet op de hoeve.  1916, 16 kinderen, een boerengezin, het zijn niet bepaald de ingrediënten voor een kommerloze jeugd, zeker niet als men weet dat in de Pruisische opvoeding de roede niet gespaard wordt.  Maar Veit legt zich niet neer bij een uitzichtloos bestaan in een bekrompen landbouwersgemeenschap.  In 1923, hij is dan eenentwintig, gaat hij naar Karlsruhe om er de cursussen van de politieschool te volgen. De talenten die in het dorpsschooltje met de grootste onverschilligheid onbenut werden gelaten worden daar opgemerkt.  Ondanks zijn beperkte opleiding blijkt Veit een natuurtalent en in 1935 muteert hij naar de Kriminalpolizei in Lörrach met de rang van Ober-Assistent.  Adolf Hitler zit dan al vast in het zadel en Veit schaft zich een lidkaart van de N.S.D.A.P. aan waarna hij, in 1938, op zijn sokken wordt bevorderd tot Kriminal-secretär.  En nu zit hij hier, in Antwerpen, de verpersoonlijking van het boosaardige noodlot dat zich zal voltrekken over het politiekorps van Deurne.

Zijn adjunct is Ferdinand Frankenstein.  Enige verwijzing naar het creatuur van Mary Shelley gaat niet op, temeer omdat uit de annalen van de Mechelse Krijgsraad blijkt dat Frankenstein zich zelden te buiten ging aan fysieke mishandelingen.  In 1945 wordt hij  samen met Veit in Nederland gearresteerd naar aanleiding van zijn rol bij de willekeurige terechtstelling van een aantal gijzelaars in de gemeente Apeldoorn, een zeer geruchtmakende zaak die in Nederland gekend is als de Apeldoorn case.  In zijn kruistocht tegen de weerstanders wordt hij bijgestaan door  Willy Van De Velde een prille twintiger, die als tolk fungeert bij de S.D. en Sipo Antwerpen. Eén van hun voornaamste wapenfeiten is de arrestatie van de Antwerpse Substituut-Procureur des Konings Dirk Sevens die bijzonder brutaal wordt mishandeld en kort na zijn aankomst in Breendonk door Praus, Weis en De Bodt verder wordt afgemaakt.

Ook over Willy Von Hören zijn niet veel bijzonderheden gekend.  Einde september 1943 wordt hij in de sectie vervangen door Theodoor Verhulsdonck en dat is geen moment te vroeg want Von Hören blijkt op zijn zachtst gezegd niet bijzonder geschikt voor efficiënt politiewerk.  Zijn voornaamste en wellicht enigste verdiensten waren vermoedelijk zijn partijlidmaatschap en een paar goeie ellebogen. 


Veit en zijn trawanten: (vlnr) Ferdinand Frankenstein, Jan Scheurmans, Roald Ohmstedt, Herman Veit

Wanneer Verhulsdonck het “bureau” van zijn voorganger overneemt moet hij tot zijn afgrijzen vaststellen dat zijn collega een hopeloze luiaard en sloddervos was want hij wordt geconfronteerd met een erfenis die er mag zijn.  Von Hören heeft een massa onafgewerkte dossiers nagelaten en Verhulsdonck, die zijn luie collega een pijnlijke vriesdood aan het Oostfront toewenst, heeft alle moeite van de wereld om er enige orde in te scheppen.  Maar Theodoor is een toegewijd politieman en hij zet zich al vloekend en vol onbegrip voor zo weinig plichtsbesef aan het werk.  In zijn voordeel pleit dat hij binnen de kortste keren een aantal personen in vrijheid stelt die door de onbekwame Von Hören volstrekt ten onrechte werden gearresteerd.  Verhulsdonck is geen Belg of Nederlander, hoewel zijn naam het zou doen vermoeden, maar een rasechte Duitser. Theodoor is geboren in 1899 in Keppeln in het Rijnland, ook al uit een landbouwersfamilie van zestien kinderen.  Het moet daar in Duitsland destijds toch zeer vruchtbare grond geweest zijn, hoewel, in die tijd waren er in ons koninkrijk ook veel grote geslachten.  Ongetwijfeld was een en ander het rechtstreeks gevolg van de zuurdesem van het roomse geloof, verkondigd door haar fanatieke prelaten voor wie de liefdesdaad uitsluitend in teken van de voortplanting mocht plaatsvinden. In de oorlog van 1914-1918 staat Verhulsdonck aan het front in Frankrijk. Drie van zijn broers zullen er sneuvelen.  In 1920 wordt hij van de Reichswehr overgeplaatst naar de Schupo (Schutzpolizei) en ingezet tegen de communistische opstanden in het Ruhrgebied, Midden-Duitsland, Opper-Silezië en in Hamburg.  In 1933 slaagt hij in een toelatingsexamen voor de Kriminalpolizei waar hij vervolgens aan de slag gaat als Ober-Assistent op proef en amper negen maanden later wordt hij gehecht aan de afdeling 1 A belast met politieke zaken.  Hij werkt zich op tot Kriminalsekretär en zo belandt hij tenslotte in de Aussendienststelle Antwerpen.

Hij krijgt daar voor zijn werk een tolk, ene Van Weert, toegevoegd maar die houdt de job al na een week voor bekeken, niet onverstandig zoals later zal blijken, en in zijn plaats komt Eugeen Dirckx, die voordien nog gerecruteerd werd door Von Hören.

Dirckx, de student Dirckx, is een aparte en zeer interessante figuur, niet in het minst omdat hij uit de rangen van het Belgische verzet komt.  Als de oorlog losbarst is Eugeen zestien jaar en leerling aan de Technische school van Lier waar hij in 1940 het diploma van werktuigkundige met specialiteit elektriciteit behaalt. Van 1941 tot 1943 volgt hij de cursussen werktuigkunde en elektriciteit aan de Hogere Nijverheidsschool in Antwerpen, een studie die hij onderbreekt om aan de slag te gaan bij de Antwerpse firma Betonville. In 1940 treedt hij toe tot het Nationaal Legioen.  In september 1941 wordt hij, samen met negen andere leden, door de Feldgendarmerie aangehouden maar na achttien dagen terug in vrijheid gesteld nadat het Nationaal Legioen ontbonden is door toedoen van de Duitse overheid. Die korte vrijheidsberoving brengt Eugeen geenszins van zijn stuk, integendeel zelfs, want kort daarna neemt hij contact op met Van Boeckel, een politieagent uit Lier.  Van Boeckel neemt de jonge gast op in de NKB die zich enige tijd later, als naar Belgische gewoonte, ten gevolge van kleinzielige naijver tussen de leden opsplitst in twee groepen : de N.K.B. onder leiding van de coiffeur Arras en het Légion Belge – Belgisch Legioen onder leiding van Van Boeckel.  En Van Boeckel ziet veel muziek in het jeugdig enthousiasme van Dirckx, in die mate zelfs dat hij hem aan het hoofd stelt van een gevechtsgroep.  Dirckx geeft onderricht in wapens, springstoffen en sabotage waarbij men zich kan afvragen waar hij daarvoor de nodige kennis heeft opgedaan.  Ongetwijfeld is zijn doorgedreven opleiding tot werktuigkundige hem daarbij van nut geweest.  Dirckx is een zeer bezige bij, dat dient gezegd, en in januari 1942 leert hij de weerstander Juul Drayers en zijn ploeg kennen.  Hij zal voor Drayers verschillende risicovolle opdrachten uitvoeren en ook fungeren als liaison voor weerstanders van Antwerpen en Brussel.  Als werktuigkundige-specialist-in-elektriciteit is hij de aangewezen man om in Brussel een uitzendpost voor weerstanders te installeren.  Maar terwijl hij daarmee druk doende is, verschijnt de Feldgendarmerie in de ouderlijke woning.  Eugeen is opgeroepen door de Werbestelle maar hij ziet geen heil in de vrijwillige arbeidsdienst in Duitsland met als gevolg dat hij als arbeidsverplichte naar Noorwegen wordt verwezen.  De Noorse fjörden kunnen Eugeen niet bekoren en hij lapt het bevel gewoon aan zijn laars.  Niet bijster verstandig want nu loopt hij het risico om gearresteerd te worden en te belanden in een arbeitserziehungslager (arbeidsheropvoedingskamp).  De toestand wordt onhoudbaar en Eugeen duikt onder. Door toedoen van de verzetsorganisatie komt hij terecht in Wallonië waar hij onderdak krijgt bij mevrouw De Brouckère en dat blijkt een totaal verkeerde keuze.  De middens waarin zijn gastvrouw vertoeft en waarvan de leden ook regelmatig over de vloer komen zijn erg communistisch getint en dat is bepaald niet naar de zin van Eugeen die een grondige hekel heeft aan communisten.  Zijn afkeer is zelfs zo groot dat hij zijn relatief veilige schuilplaats verlaat om terug te keren naar Lier waar hij bij de Feldgendarmerie op de lijst van gezochte personen staat.  Van jeugdige overmoed gesproken.  Aan Van Boeckel geeft hij de wens te kennen om terug actief ingezet te worden en, hoe is het in godsnaam mogelijk, die willigt het verzoek van zijn protégé in en brengt hem in contact met de groep van Gustaaf Heymans, alias Kamiel.  Kamiel bezorgt hem een appartement in Antwerpen en Eugeen neemt deel aan enkele vergaderingen van de groep waarbij hij tot zijn verbijstering moet vaststellen dat Kamiel en de zijnen … communistische partizanen zijn.  Maar alvorens Dirckx zich, na deze pijnlijke vaststelling, van de groep kan distanciëren, wordt hij na een “tref” met Kamiel op 5 mei 1943 aan de Lobroekdok in Antwerpen door de Sipo aangehouden. 

De Sipo brengt Dirckx over naar de dienstenstelle waar men hem fouilleert.  Blijkt dat hij rondloopt met een valse identiteitskaart op naam van Eugeen Thijs. Maar er is meer.  De roekeloze Dirckx heeft ook nog een notaboekje op zak waarin een afspraak met een zekere “Juul” staat opgetekend.  Von Hören, die dan nog deel uitmaakt van de dienststelle, heeft nu een opwelling van plichtsbewustzijn en besluit Dirckx daarover grondig aan de tand te voelen wat erop neer komt dat hij Dirckx laat pijnigen met de elektrische naald.  Het duurt niet lang of Dirckx slaat door.  Zo verneemt Von Hören dat “Juul” niemand anders is dan Jules Drayers, die reeds tweemaal uit de handen van de Sipo wist te ontsnappen.  Dirckx legt gedetailleerde verklaringen af over zijn onderduikperiode en de contacten met weerstanders, geeft toe dat hij thuis nog een revolver heeft liggen én de ledenlijsten van de weerstand van Lier, wijst een onderduikadres aan in Brasschaat en verschijnt op het rendez-vous met Drayers die dan ook onmiddellijk door de Sipo kan ingerekend worden.  En nu wordt hij door Von Hören voor de keus gesteld : ofwel gaat hij naar een concentratiekamp met een bijzondere aanbeveling van Von Hören zodat hij zich bij zijn aankomst zal kunnen verblijden in een verwelkoming van een speciaal ontvangstcomité ofwel gaat hij vrijuit maar dan zal hij als V-man voor de Sipo moeten werken.  En voor alle duidelijkheid geeft Von Hören hem nog mee dat hij het niet in zijn bolle hoofd moet halen om de boel te belazeren want dan zal er worden gehouden een groot banket en de kop van Dirckx zal op de tafel worden gezet. En bitte niet vergeten, voegt Von Hören er dreigend aan toe, dat ook de ouders van Dirckx het gelag dan zullen betalen.  Trouwens, het is Von Hören tijdens de intensieve verhoren niet ontgaan dat Dirckx fel anti-communist is en om hem er nog gemakkelijker toe te brengen om over te lopen legt hij er de nadruk op dat Dirckx voornamelijk tegen de communisten zal moeten werken. Er mag aangenomen worden dat het laatste argument doorslaggevend is om Dirckx over de streep te trekken.  De strijd tegen de communisten wordt voor Dirckx een morele verrechtvaardiging voor zijn collaboratie en voor de wanpraktijken waartoe hij zich later zal lenen.

De onmiddellijke collega van Dirckx is Emiel Thonon, geboren in Gentbrugge op 6 december 1896, niet meer van de jongste dus.  Net als Verhulsdonck is Thonon een oud-strijder van de Groote Oorlog die nu voor het andere kamp kiest om medestander te worden van de vroegere tegenstander, naar alle waarschijnlijkheid omwille van louter opportunisme.  Het blijkt nog maar eens hoe bepalend de plek van de wieg wel is voor de verdere levensloop.  Die van Emiel staat in het café van zijn grootmoeder in Gentbrugge, waar zijn moeder hem heeft achtergelaten.  Zijn vader kent hij niet.  Na de lagere school gaat hij voor kost, kleding en inwoning werken bij een pasteibakker in Ledeberg. Als zijn militaire dienst erop zit, begint hij in Antwerpen een handel in koffie en margarine terwijl zijn tweede  vrouw – zijn eerste overleed in het kraambed – conciërge is in een appartementsgebouw in de Lange Leemstraat.  Sommigen worden rijk als er een oorlog uitbreekt maar als men handel drijft in margarine en koffie, en vooral in dat laatste artikel, is het weinig waarschijnlijk dat de zaak zal floreren.  Emiel moet dus een andere broodwinning zoeken.  Ondertussen is hij ook voor de tweede keer weduwnaar. Hij leurt wat rond met een triporteur, probeert dan vruchteloos om bewaker van een schuilplaats te worden en zit vanzelfsprekend tot over zijn oren in de miserie tot hij een baan weet te bemachtigen bij de Sipo.  Op zijn proces voor de Krijgsraad van Mechelen zal hij verklaren dat hij die job kreeg door de tussenkomst van een zekere Wijnendaele die hij op café had leren kennen, en alleen maar om wat boodschappekens te doen mijnheer de juge, waarbij hij dan zijn indiensttreding situeert in augustus-september 1941, het jaar waarin zijn tweede vrouw overleed.  Voor de Krijgsauditeur is het echter een koude kunst om aan te tonen dat Emiel zit te liegen dat hij barst, want zijn vrouw overleed in januari 1942.  Hij werd dus een jaar later gerecruteerd en dat gegeven is niet zonder belang want nu komt ook aan het licht waarom hij boodschappekens mocht gaan doen voor de Sipo.  Emiel heeft namelijk de Sipo op het spoor gezet van de verzetsgroep Pilaet-Koperberg. Koperberg was een kennis van Emiel en bracht hem regelmatig een bezoek in de conciërgerie waarbij hij zo onverstandig was om zijn vriend deelgenoot te maken van zijn geheime activiteiten.  Vergezeld van ene De Vlaeminck heeft Thonon zich vervolgens met deze informatie naar Kriminalsekretär Enssen gespoed die hem uiteraard gretig aanhoorde en hem uit dankbaarheid een baan in de organisatie gaf.

Thonon wordt inderdaad eerst gebruikt als boodschappenjongen maar dat duurt niet lang want einde 1942 maakt hij deel uit van de pas opgerichte Ermittelungsdienst die ressorteert onder de sectie IV A.  Hij krijgt een pistool en zijn taak bestaat erin om in verschillende woningen, waarvan de bewoners juist gearresteerd zijn, zijn intrek te nemen om er vervolgens te wachten op potentiële contactpersonen van de arrestanten die daar nietsvermoedend komen aanbellen.  En Emiel is zeer geschikt voor zijn taak want volgens de Krijgsauditeur blijkt uit het onderzoek dat hij begiftigd is met een scherpe speurzin, een wonderbaar observatievermogen en een verbluffend geheugen.

De SIPO - actie in Lier, het begin van het einde...

De arrestatie van Dierckx op 5 mei 1943 heeft catastrofale gevolgen. Op een paar maanden tijd worden de 16 leden van de groep Gustaaf Heymans, alias Kamiel, aangehouden en in het Nederlandse concentratiekamp Vucht opgehangen of  in Brasschaat gefusilleerd.

En er is meer.  De SIPO blijkt te beschikken over een lijst met de namen van vermoedelijke weerstanders , een lijst die werd samengesteld door de G.F.P naar aanleiding van een beschieting van Duitse schildwachten en vervolgens door deze dienst overgemaakt aan de SIPO.   Dierckx bevestigt  onmiddellijk dat de namen van de lijst wel degelijk leden van de communistische groep Heymans zijn en bovenal, hij duidt ook de politieagent Van Boeckel aan als de persoon die hem met de groep in contact bracht.

De heren van de SIPO schieten onmiddellijk in actie en zij lokken Van Boeckel naar Boechout waar hij samen met zijn collega Van Tongerloo wordt opgepakt.

Zwaar mishandeld door Von Horen en consoorten, bevestigt ook Van Boeckel de waarde van de lijst.

Tijdens de nacht van 10 op 11 mei 1943 vindt dan een eerste razzia plaats waarbij 35 personen worden aangehouden en opgesloten in de Begijnenstraat.

De zaterdag volgend op die actie wordt Dirckx door de Sipo uit de gevangenis gehaald. Hij krijgt van Von Horen de opdracht om zich naar Lier te begeven om daar bij vader Van Boeckel, onder gelijk welk voorwendsel, de wapens en de ledenlijsten op te halen die er verborgen zijn.  Dirckx zal deze opdracht uitvoeren, trouwens, hij ziet geen alternatief meer, waardoor bij een tweede actie nog eens 60 personen worden aangehouden.

Dirckx is nu zodanig overstag gegaan dat het niet meer nodig is om hem te bedreigen met wat dan ook.  Hij is nu V-man en presenteert zijn voormalige kameraden-verzetslieden op een schoteltje aan de SIPO.

Zo zal politiecommissaris Theo Proost zich binnen de kortste keren kunnen verblijden in een bezoek van de deukhoeden van de SIPO die hem, na het gebruikelijke verhoor, een enkel ticket concentratiekamp aanbieden. Theo zal het verblijf in het kamp niet overleven. Theo Proost had  Julia Nuyens uit Lier gevraagd om makker Eugeen een onderduikadres te bezorgen.  De vaderlandslievende vrouw Nuyens had daartoe een kennis aangespoken, juffrouw Matthus, die Eugeen gedurende enkele weken onderdak verschafte in haar woning in Brussel. Het spreekt vanzelf dat de bekentenissen die uit Theo Proost worden geklopt ook zullen leiden tot de arrestaties van Nuyens en Matthus.

Het verhoor van de aangehoudenen wordt vervolgens verdergezet door het duo Frankenstein – Veit.  Die komen vrij spoedig tot het inzicht dat er in Lier niet een organisatie bestaat maar wel verschillende met als belangrijkste de “Nationaal Koninklijke Beweging”, versmolten met het “Belgisch Legioen”, onder leiding van Van Boeckel, en de groep Fidelio onder de leiding van Marcel Arras. Arras wordt gedeporteerd maar zal het kamp overleven, negen lotgenoten zullen niet meer terugkeren.

Het is nu November 1943, een gure herfstmaand, met Allerzielen en Allerheiligen worden de doden herdacht en dat doet wellicht ook menige Deurnese oorlogsagent, zonder te beseffen dat hij binnen afzienbare tijd ook een in memoriam zal zijn. Want door zijn onderzoek naar de weerstandskernen in Lier komt de ijverige speurhond Veit op het spoor van een gelijkaardige organisatie in Antwerpen.

 Overigens, ook het Antwerpse politiekorps heeft zijn verklikkers die om diverse redenen, politieke gezindheid of gewoonweg  plat opportunisme, met de bezetter collaboreren.  Raoul Caenen bijvoorbeeld, om er maar een te noemen. Na een mislukte prof voetbalcarriere – Caenen speelde een jaar voor club Brugge – verhuist hij naar Antwerpen en wordt er politieagent. Raoul is een overtuigd symphatisant van de Nieuwe Orde en wil dienst nemen bij de Waffen SS maar die wijzen hem af als Dienstunfahig, vermoedelijk vanwege zijn leeftijd want Caenen is op dat moment al 36 jaar.  Gedesillusioneerd keert hij terug naar Antwerpen maar hij moet en zal SSer worden. Bij de Antwerpse Sipo/Sd Auslanddienststelle kan hij aan de slag als Hilfsbeambte, een onbeduidende administratieve baan. Daarnaast, en dat is veel interessanter, werkt hij voor zijn Duitse bazen als V-man en het hoeft geen betoog dat hij als voormalig Antwerps politieman nog over de nodige contacten beschikt die hem aan belangrijke informatie kunnen helpen.  Caenen wordt na de bevrijding veroordeeld tot een vrij korte gevangenisstraf. Een mogelijke bijdrage in de arrestatie van het Deurnese politiekorps werd hem niet ten laste gelegd.

Op woensdag, 24 november 1943, om precies te zijn, slaagt Veit erin om zekere ‘s Jongers aan te houden, een cruciale arrestatie die het begin van het einde voor het Deurnese politiekorps zal betekenen.

Deze ‘s Jongers fungeert namelijk als koerier voor Marcel Louette.  Veit vat hem in de kraag als hij vanuit de school van de Keistraat – waar Louette onderwijzer is – onderweg is met briefwisseling bestemd voor de beweging.  ‘s Anderendaags valt Veit met zijn mannen de school binnen waar hij de huisbewaarster, haar dochter en de stoker arresteert.  Van daaruit begeeft hij zich naar de Paradijsstraat waar hij ook de schoondochter van de concierge aanhoudt. Daags daarop, na de gebruikelijke gewelddadige verhoren, maakt hij nog vier nieuwe slachtoffers tot hij uiteindelijk het adres bekomt van een belangrijk verzetsleider uit Borgerhout, zekere Van Gaever. Veit spoedt zich naar de woning van Van Gaever, die ongelukkigerwijs thuis is en vanzelfsprekend onmiddellijk wordt gearresteerd.  Bij fouille vinden de Duitsers in de zak van Van Gaever, hoe is het in godsnaam mogelijk, een ellenlange lijst met namen en nummers van zijn leden.  De euforie van deze ontdekking leidt er toe dat de aandacht naar de gevangene toe verslapt en Van Gaever kan van deze onoplettendheid gebruik maken om te ontsnappen.  Veit knarsetandt van woede maar achteraf bekeken vindt hij de ontsnapping van Van Gaever maar een kleine complicatie in mineur die hij disciplinair afhandelt door de onachtzame agenten een mutatie naar het Oostfront te bezorgen. De lijst is nog steeds in zijn bezit en dat is het voornaamste.  De echtgenote en de dochter van Van Gaever moeten het dan maar bezuren.  Zij worden op transport gesteld maar zullen gelukkig hun deportatie overleven.

De ravage die Van Gaever door zijn onzorgvuldig optreden aanricht is ontstellend.  Veit spoedt zich met de lijst tot bij zijn chef, Karl Fielitz, en na een uiterst kort overleg wordt besloten om al de personen die op de lijst voorkomen stande pede aan te houden.  Het wordt een bijzonder morbide oogst.  73 ongelukkigen worden opgepakt waarvan er 58 naar Duitsland worden gezonden.  39 gedeporteerden zullen dat niet overleven, onder hen Leopold Gillis, adjunct-commissaris in Borgerhout, vooraanstaand lid van Fidelio. 

Veit zet nu onverpoosd zijn actie tegen de witte brigade verder.  Zo komt hij aan de weet dat Marcel Louette zich schuil zou houden in een klooster in Westmalle. 

We zijn nu ondertussen al 14 januari 1944, ruim twee weken na het uitwisselen van Nieuwjaarswensen waarbij het gros van de bevolking niets te vieren had en men alleen maar de hoop uitdrukte dat de miserie nu toch maar gauw gedaan zou zijn.  Maar de miserie moet nog beginnen, althans voor de agenten van Deurne.  Vier zogegezegd anonieme auto’s die iedereen onmiddelijk herkent als Gestapo bakken, rijden richting Westmalle.  Veit voert uiteraard de colonne aan en gezeten op de achterbank van de zware Mercedes verkneukelt hij zich al in de begerenswaardige prooi die hem zo meteen in de klauwen zal vallen.  Want ziet ge, voor Veit is deze jachtexpeditie topsport, en hij spoort zijn chauffeur nogmaals aan om er dali dali vaart achter te zetten.

Veit is dan ook bitter teleurgesteld als hij Louette niet aantreft.  Het klooster wordt ondersteboven gekeerd tot grote ontzetting van de bibberende monniken die herr Veit bezweren van niets te weten.  Zij kennen geen Louette, houden zich afzijdig van wereldse zaken en wijden zich alleen aan God, herr Kriminalsekretar.  Veit verbijt zijn woede en moet de aandrift bedwingen om niet enige van die hemelvaartridders letterlijk het vuur aan de schenen te leggen maar de vrees voor complicaties met zijn superieuren in Brussel doen hem van dat drieste voornemen afzien. 

Op het moment dat hij onverrichterzake de terugtocht wil aanvatten wordt evenwel zijn aandacht getrokken door een voorbijrijdende fietser.  De speurzin van Veit treedt ogenblikkelijk in alarmfase 1 want wat heeft die eenzame fietser hier te zoeken ?  Dat zal Veit eens gauw uitvissen en hij geeft het bevel om de fietser aan te houden.  Deze fietser nu blijkt de Deurnese politieagent Albert Spitaels te zijn, de verbindingsagent van de witte brigade met de Britse Intelligence.

De onfortuinlijke Spitaels kan geen zinnige verklaring verstrekken voor zijn aanwezigheid in de nabijheid van het klooster en voor Veit is de zaak zonneklaar.  Spitaels wordt overgebracht naar de Dienstenstelle waar hij gruwelijk wordt gefolterd.  Voor de oorlogsagenten van Deurne slaat het noodlot nu onverbiddelijk toe.

De arrestaties van Veerman en Hermans

We zijn nu 14 januari 1944 en dat is  in meer dan een opzicht een betekenisvolle datum in de geschiedenis van W.O. II.  Het overwinningsoffensief in Rusland wordt op gang gebracht.  Bij Oranienbaum en Wolchow ontketent de Russische beer een offensief dat duizenden levens zal kosten.  Zelfs de grootste kontlikkers van Hitler moeten nu inzien dat het concept van die Untermensch en die Ubermensch niet meer is dan een ziekelijk hersenspinsel, uitgebroed door mannen die dronken waren van hoogmoed.  En bovendien, op diezelfde 14de januari arriveert generaal Dwight D. Eisenhower in Londen om er in zijn nieuwe functie van Supreme Commander van de Allied Expeditionary Forces de operatie Overlord voor te bereiden.

Het is dan wel bijzonder tragisch dat juist dan het doodvonnis van 35 Deurnese politiemannen wordt getekend.  Want in de namiddag van die 14de januari stuurt Veit zijn mensenjagers op pad om Andre Hermans en Jozef Veerman op te pakken.  Jos Veerman is 92 jaar oud geworden, maar die gebeurtenis zou voor eeuwig in zijn geheugen gegrift blijven.

“ Ik werd dus geboeid in een auto overgebracht naar de Koningin Elisabethlaan, waar ik in de bovenste kamer werd binnengebracht.  Deze kamer die bemeubeld was met drie tafels en een radio bood geen onaardigen indruk, zeker dacht ik niet dat dit de plaats zou zijn waar ik het grootste pak slagen zou ontvangen van mijn leven. Bijna onmiddellijk nadat ik daar was binnengebracht werd ik door een Belg vastgegrepen en op een groote tafel geworpen zoodanig dat mijn benen naar beneden hingen en mijn achterste dus gespannen was.  De beul, een ongeveer 20 jarige opgeschoten jongeman  (mogelijk was dat Eugeen Dirckx, maar zeker is dat niet) was gewapend met een dikken stok.  Hij begon mij uit alle macht met dezen stok te slaan op mijn rug en achterste billen.  De pijn was verschrikkelijk, ik beet nochtans op de tanden en wilde de beulen toonen hoe taai ik was, doch niet lang echter, was het de staat van geleidelijke verzwakking, of de afschuwelijke pijnen, ik weet het niet, doch ik begon te schreeuwen, neen te brullen, ik werd uitzinnig en al maar door sloeg de schurk.  Op dat ogenblik liet men de radio de lustigste deuntjes spelen, was het om mijn jammerklachten te overstemmen, ik weet het niet.  In de uitzinnige pijn kantelde ik van de tafel en viel op den grond. Dadelijk sprongen de 4 beulen op mij toe en sloegen en stampten mij waar zij mij maar konden raken.  Ik voelde dat ik het bewustzijn ging verliezen, ik voelde geen pijn meer en de stemmen die ik hoorde kwamen van uit de verte. Ik werd door de bandieten opgenomen en ruggelings op de tafel gelegd met het hoofd van de tafel.  Plots werd ik bij het hoofdhaar gegrepen en mijn hoofd werd in een emmer water ondergedompeld. Ik reageerde bijna onmiddellijk en het was enkel op het oogenblik dat ik de verstikking nabij was dat ze den emmer terugtrokken.  De beulen zetten mij terug op den grond en het spel herbegon.  De pijn was ditmaal zoo onverdragelijk dat ik smeekte om te worden doodgeschoten.  De zaakwaarnemer Fyt   (Veerman doelt uiteraard op Hermann Veit) trad op me toe en terwijl hij mij met beide duimen achter de ooren omhoog duwde zegde hij “ doodschieten doen we niet, maar tienmaal halfdood slaan dat doen we”.  Op een teeken van hem sleurden de Belgische beulsknechten mij terug op de tafel en ik kreeg een nieuw pak slagen met den stok.  Dat ik toen niet zinneloos ben geworden kan ik nu nog niet begrijpen.  Ik meen dat dit wreede spel ongeveer een half uur heeft geduurd.  Toen ze dachten dat ze mij murw hadden geslagen vroegen ze mijn nummer van de Witte Brigade.  Ik gaf mijn politienummer op waar ze vrede mee namen, ik zou dit later zeker dubbel moeten bekoopen.  De Belgische gestapoagent De Buyst kwam dan binnen en gaf mij een brief op geel papier naamloos schrijven te lezen, waarin verschillende weerstanders warden aangeklaagd.  De bandiet verklaarde dat geen enkele politieman ooit nog levend zou terugkeeren.  Mij lieten deze woorden koud maar er waren verschillende onschuldigen bij ons en ik had bijzonder medelijden met hen want ik was van meening dat ook zij gemarteld werden. Na de martelingen moest ik naar het gelijkvloers onder den trap gaan staan tusschen twee mannen waarvan ere en gedurig klaagtonen uitstootte.  Ik keek terzijde en bemerkte met ontsteltenis dat het mijn trouwen vriend Albert Spietaels was, wiens aangezicht gemerkt was van de vreeselijke slagen die hij ook had bekomen.  Den blik die wij toen tot elkaar richtten zal ik nooit vergeten, dien blik van smart en wanhoop die zoo veelzeggend was. “

Terloops, men moet weten dat de Duitsers, met hun ziekelijke obsessie voor reglementering, zelfs richtlijnen hadden uitgevaardigd ten einde het fysieke geweld binnen “aanvaardbare” perken te houden.  Zo mochten bij een grondig verhoor maximaal twintig stok- of zweepslagen worden toegediend en was in dat geval de aanwezigheid van een arts vereist.  In de praktijk, zoals ten overvloede blijkt uit het relaas van Jos Veerman, lapten de heren van de Sipo dat voorschrift vrolijk aan hun Duitse laarzen.

Andre Hermans is adjunct-commissaris in de Hertstraat.  Hermans is een jonge, beloftevolle politieofficier.  Bij zijn indiensttreding , in de vroegen jaren dertig, kreeg hij het nummer 36 toebedeeld wat  een beeld geeft over de eerder beperkte omvang van het toenmalige Deurnese korps.  Hij is die middag van de veertiende januari met dienst als hij in zijn bureel bezoek krijgt van de Sipo.  Zonder al te veel uitleg wordt hij in de boeien geslagen en overgebracht naar de Koningin Elisabethlei voor verhoor, met andere woorden voor een ongenadige kloppartij;

Rond 18 uur wordt het murw geslagen trio, met de polsen aan elkaar geboeid, in een luxewagen geduwd.  Ze zitten verslagen en wezenloos naast elkaar, voortdurend begluurd door een Sipo-agent die daartoe beschikt over een spiegeltje op de voorruit van de wagen.  De rit door de invallende duisternis maakt op het drietal een onbeschrijfelijke indruk.  De kille somberte, de dreiging van het onbekende dat, gezien wat voorafging, lijden en onheil voorspelt en dan het contrast met de tonelen uit het dagelijks leven … spelende kinderen die van school komen …arbeiders die zich naar de beschutte veiligheid van hun huisjes spoeden…waarbij de arrestanten zich ongetwijfeld afvragen of ze vrouw en kind nog wel gaan terugzien.  Ondertussen, als ze over de baan Antwerpen-Brussel rijden, wordt het bijna volledig duister.  De chauffeur slaat op gegeven moment een zijweg in en enkele ogenblikken later stopt de wagen voor een donker gewelf. De Sipo-mannen vervullen enkele formaliteiten met de schildwacht en gebaren het drietal uit te stappen.

“Het moet zo ongeveer 19 uur geweest zijn toen we het donkere gewelf binnenstapten”, meent Jos Veerman zich te herinneren.  Al onmiddellijk krijgen ze een voorproefje van de behandeling die hun hier te wachten staat.  Een SS-er die hen passeert slaat Hermans de kepi van de kop.  “Varken, we zullen u hier wel manieren leren”, bijt hij Hermans toe.  Na verschillende halfduistere gangen te hebben doorlopen, worden ze binnengeduwd in een vertrek waar ze gefouilleerd worden en hun waardevolle voorwerpen moeten inleveren.  De blikken van Jos Veerman dwalen af naar een tafeltje waarop een boek ligt.  Tot zijn afgrijzen ziet Veerman dat op de kaft het opschrift “BREENDONK” prijkt.  De geruchten die ondertussen  bij de bevolking over dat kamp de ronde deden doen Jos huiveren van ontzetting.  Precieze informatie over wat zich daar afspeelt was niet voorhanden maar dat het geen kuuroord zal zijn, ja, dat is voor Jos en zijn makkers wel duidelijk.

Dan wordt de eerste fase van de welkomstbegroeting in Breendonk ingezet.  Geboeid, met de handen op de rug, en met het gezicht naar een muur gekeerd, moeten ze verschillende uren in de houding blijven staan.


Andre Hermans

Vervolgens komt de introductiefase aan bod.  Fernand Wyss komt de nieuwelingen begroeten.  Wyss, die nota bene in Deurne woont, heeft de gewoonte om nieuwkomers te begroeten met de opbeurende woorden “Het is hier de hel en ik ben de duivel”.  Hermans krijgt het al onmiddellijk met hem aan de stok want wanneer Wyss hem uitscheldt voor “lafaard die het eten van de mensen afneemt” dient Hermans hem van antwoord.  Dat had hij beter niet gedaan want nu begint Wyss hem af te troeven tot hem het bloed uit de neus en de mond stroomt.  Wyss heeft nog gebokst en “gelutteerd” – en nog wel in de club waarvan ook verschillende Deurnese agenten lid waren – en past de hem aangeleerde technieken gretig toe op zijn weerloze slachtoffers.  Tijdens zijn proces op de Krijgsraad zal Wyss later, daaromtrent ondervraagd, onverschillig toegeven dat hij inderdaad meerdere gevangenen, hoeveel juist weet hij niet meer, heeft doodgeslagen. Veerman kan zich niet meer houden.  In het besef dat zij volledig machteloos zijn en dat hun martelgang nu voorgoed begonnen is, begint hij onbeheerst te wenen.


Josephus Veerman

Nadat zij eindeloze uren in de houding hebben gedaan, worden ze naar de kleedkamer geleid.  Ze moeten er hun kledij inruilen tegen een versleten uniform van het Belgisch leger waarvan de distinctieven verwijderd zijn en dat moeten dienen als gevangenisplunje.  Aan hun voeten hebben ze houten blokken.  Op de linker borstzijde van hun plunje staat een witte streep die aangeeft dat zij verzetstrijders, terroristen en dus staatsgevaarlijke figuren zijn.


Albert Spitaels

Tenslotte belanden ze dan in een chambree, een vunzig hok met stapelbedden en strozakken.  De medebewoners, waarvan sommigen al maanden in het fort verblijven, zien er verschrikkelijk uit, zwaar ondervoed, regelmatig mishandeld door Fernand Wyss, Richard De Bodt en de Duitse SS-er Arthur Prauss.  Het gebrek aan persoonlijke hygiëne heeft hen getekend, ze zijn overdekt met zweren, ze stinken.  Tot 29 februari zullen Spitaels, Hermans en Veerman in het Fort verblijven.  En dat zal nog maar het prille begin zijn van de verschrikkingen die hen nog te wachten staan.

En de rest van het korps volgt

Die veertiende januari heeft Jos Torfs nachtdienst.  Als vooraanstaand lid van de verzetsbeweging is Torfs reeds op de hoogte gebracht van de recente aanhoudingen.  Met zijn collega Vital Claes moet hij toezicht houden op de “politieke lokalen”.  Kennelijk is de bezetter beducht voor aanslagen.  Rond middernacht zien zij een uitzonderlijke bedrijvigheid van Duitse militaire voertuigen.   Torfs en Claes worden geacht om 1.00 uur het bureel Cogelsplein te vervoegen.  Torfs stelt zijn collega voor om het bureel niet te vervoegen want zijn buikgevoel zegt hem dat al die commotie niet deugt.  De goedlachse Vital Claes wuift de bezwaren van Torfs weg.  Claes meent dat er geen reden tot onrust is, het zijn maar oefeningen van de Duitsers en in het bureau kunnen zij zich wat opwarmen en een kop hete kneip drinken.


Joseph Torfs


Ontsnappingsroute Jos Torfs,
voor vergroting, klik op de kaart

Tegen beter weten in laat Torfs zich overtuigen.  Het is bijna 1.00 uur wanneer beide agenten toekomen aan de hoek Cogelsplein – Hertstraat.  Ze hebben op slag geen behoefte meer aan een kop kneip als zij zien dat het hele plein is afgespannen door Duitse soldaten en feldgendarmen.  Ze kunnen nu niet meer terug, want ze zijn omsingeld.  Een feldgendarm loopt op hen toe.  Vital claes staat als aan de grond genageld, ontredderd, roerloos.  Torfs, aanvankelijk ook de kluts kwijt, herpakt zich.  Jos draagt de zogenaamde “pellerine” om de schouders, een kapmantel naar Frans model.  Hij maakt de haak van de schoudermantel  los, werpt het kledingsstuk over het hoofd van de naderende felgendarm en vlucht de Hertstraat in.  De feldgendarm achtervolgt hem, lost verschillende schoten, de kogels fluiten Jos om de oren.  Torfs, die zeer vertrouwd is met de wirwar van kleine straatjes en steegjes in de buurt, slaagt erin zijn achtervolger af te schudden.  Hij loopt het straatje in dat via de Hertstraat uitgeeft op de Stalinstraat.  Omdat de Stalinstraat een doodlopende straat is, moet hij over een omheining en zo belandt hij in het Rivierenhof park dat hij kent als zijn broekzak.  In sneltreinvaart begeeft hij zich hij naar  het lokaal van de parkwachters.  De huisbewaarder August Rijmenants en de parkwachter Jozef Voet zijn ook lid van Fidelio.  Bovendien is daar telefoon zodat hij de gelegenheid heeft om Edmond De Graef, één van zijn chefs bij de witte brigade, van het dreigend gevaar op de hoogte te brengen.  Edmond De Graef duikt onder voor de Sipo hem kan vatten maar Maria, zijn vrouw, zal daar voor opdraaien.   Zij wordt gedeporteerd naar Ravensbruck maar zal het kamp gelukkig overleven.

 

In de vroege ochtend van 15 januari springt Jos over het muurtje dat de ouderlijke woning scheidt van het aangrenzende Rivierenhof park.  De ouders van Jos schrikken zich te pletter als de bezwete Jos daar in de vroege uurtjes letterlijk met de deur in huis valt.  Vader Torfs moet er niet lang over nadenken, op vlak van dadendrang verschilt hij in niets van zijn zoon. Jos moet weg uit Deurne en wel nu direct.  Gedrappeerd in een lange burgerjas rijdt Jos met de fiets naar zijn schoonouders in Boechout zodat die weten dat hij moet vluchten en zijn vrouw kunnen inlichten.  Die heeft trouwens ondertussen al bezoek gekregen van de Sipo die het kot van Jos ondersteboven hebben gekeerd.  Vermoedelijk ontsnapt zij aan deportatie omwille van haar vergevorderde zwangerschap en kan ze haar intrek nemen bij haar ouders in Boechout.  Het is anders geen leven, met een Sipo-agent die maandenlang voor de deur post vat in de veronderstelling en de ijdele hoop dat Jos ooit wel eens moet thuiskomen.  Later zal Torfs vernemen dat deze Sipo-man een oude schoolmakker was die van Fernand Weiss de opdracht had gekregen om hem te arresteren en naar Breendonk over te brengen.  Nota bene, Weiss en Torfs kenden mekaar ook van in de schooltijd.

Met de fiets rijdt Jos via Mechelen naar Leuven waar zijn zuster woont.  Zijn schoonbroer is een goede bekende van pater Benedictijn Rombout Van Dooren van de abdij op de Keizersberg.  Misschien kan die hem aan een onderduikadres helpen…

Petrus De Beuckelaer is als agent verbonden aan bureel zuid, in de Waterbaan.  Hij doet voornamelijk  buitendienst. Als lid van Fidelio is hij belast met het inwinnen van inlichtingen over Duitse troepenverplaatsingen en versterkingen.   Op 14 januari heeft hij dagdienst en gewoontegetrouw is hij naar zijn werk gefietst.  Na zijn shift, bij thuiskomst, is hij uitzonderlijk zwijgzaam.  Zijn avondmaal beroert hij amper. Het ongewone gedrag van Petrus ontgaat ook zijn vrouw niet.  Valentine is er niet gerust in, zeker nu het nieuws van de arrestaties van Veerman, Hermans en Spitaels haar ter ore is gekomen.  De Beuckelaer weet dat hij zijn noodlot niet zal kunnen ontlopen.  Vluchten is geen optie want dan brengt hij zijn gezin in gevaar. Als er tijdens de nacht in echtelijke woonst Waalhofstraat 46 wordt aangebeld weet hij onmiddellijk hoe laat het is.  “Dat is voor mij”, roept hij spontaan uit.  En inderdaad, de woning is volledig omsingeld tot en met de gracht die achter de tuin loopt.  De Beuckelaer heeft amper de tijd om afscheid te nemen van zijn vrouw en van zijn vijfjarig dochtertje Lea. En het zal voorgoed zijn.  Via de Begijnenstraat, St. Gillis, Keulen en het tuchthuis van Gross-Strehlitz belandt hij in het KZ nacht-und-nebel kamp Gross-Rosen waar hij op 22 december zal overlijden aan dysenterie.  De Volksgazet zal later berichten dat De Beuckelaer werd bevrijd door de Russen maar wanneer Valentine zich dan naar de redactie spoedt om bevestiging is haar verdriet eens zo groot als blijkt dat het een vergissing was.

Petrus Verholen is geen lid van de verzetsgroep Fidelio.  Verholen is de enige kostwinner in het gezin en woont nog thuis.  Zijn vader en oudere broer zijn overleden. Hij is overigens ook geen lid van een of andere vaderlandslievende beweging, bekommerd als hij is voor het welzijn van zijn moeder en een jongere zuster die van zijn inkomen afhankelijk zijn.  Het belet niet dat hij een zeer goede vriend is van Jos Veerman en dat hij, zonder enige functie te bekleden, toch hand- en spandiensten verleent aan Fidelio.  De inlichtingen die hij bijeensprokkelt tijdens zijn wachtdiensten aan de luchthaven geeft hij getrouw door aan de groepsleiders Jos Veerman,  Bert Spitaels en Victor Boeckx. Tijdens zijn nachtdiensten plugt hij bedrijvig grammofoonnaaldjes in de telefoonleidingen om zo de verbindingen tussen de verschillende stukken afweergeschut onbruikbaar te maken.  Uiteindelijk is hij dus officieel geen lid van de beweging, maar wat hij uitvoert verschilt in weinig of niets met wat de anderen doen.  Het  enige onderscheid is eigenlijk dat hem geen codenummer werd toegekend, maar zoals hij spoedig zal ondervinden, is dat voor de SIPO zonder belang.  Zijn nauwe band met Veerman doet hem de das om. Die veertiende januari zit hij thuis met een gebroken voet, opgelopen tijdens een voetbaltornooi.  Als hij in de kille vooravond aan de voordeur even een luchtje komt scheppen, wordt hij aangesproken door een van zijn buren.  Verholen ontwijkt een gesprek, want het is hem bekend dat de buurman Duitsgezind is en Verholen vertrouwt hem voor geen haar.  “Ik zal er vanavond vroeg inliggen” zegt hij, om zomaar iets te zeggen en als excuus om de conversatie met de onbetrouwbare buurman te bekorten.  “Ja ja, profiteert er nog maar eens goe van, nu ge nog kunt”, voegt de buurman hem monkelend toe.  Die zinspeling ontgaat Verholen en het is ook niet zeker dat de buurman iets weet maar toeval of niet, tijdens de nacht van 14 op 15 januari, om 00.17 uur om precies te zijn, staat de SIPO voor de deur van de ouderlijke woning in de Du Montstraat 11.  Piet wordt onmiddellijk overgebracht naar de stedelijke gevangenis van de Begijnenstraat.  De SIPO wil alles te weten komen over zijn contacten met Veerman en ze laten er geen gras over groeien.  In het verhoorlokaal wordt hij duchtig afgerammeld, vermoedelijk door de Belgische SD-er Bob Chantraine die praktisch bij alle grote razzia’s aanwezig was. Bij gebrek aan bewijzen moeten de Duitsers hem uiteindelijk toch laten gaan. Op 19 april, ruim drie maanden na de razzia, kan Piet de gevangenispoort achter zich dicht trekken, zij het niet ongeschonden.  Zijn medisch dossier dat door de Duitsers werd bijgehouden vermeldt laconiek dat Piet lijdt aan “hevige spierpijnen”.  In werkelijkheid komt Piet buiten met een gekneusd neusbeen, gebroken en gekneusde ribben, stukgeslagen onderrug, letsels aan de voetzolen en bloeduitstortingen over het ganse lichaam.  Het lijkt wel of hij onder een trein heeft gelegen.

Op de avond van 13 januari vergezelt Stephanieke Fahy, door de vrienden beter gekend als “Fanny”, haar vader Eugeen naar de stadsopera.  Eugeen Fahy heeft nachtdienst maar de eerste uren van deze shift heeft hij een bewakingsopdracht aan de opera zodat hij zijn dochtertje kan vergasten op een gratis voorstelling.  Daarna  zet hij zijn nachtdienst verder op het bureau. ’s Anderendaags heeft hij een vrije dag die hij met zijn gezin, vrouw en twee dochterjes zal doorbrengen.  Het is donderdagmiddag en de meisjes, die naar een katholieke school gaan, hebben vrijaf.  In de vooravond, het is al donker, wordt er aangebeld aan de woning, de Sossastraat  6. Het is hulpagent Braem die een boodschap heeft voor Eugeen.  Mevrouw Fahy hoort dat Braem en haar man in gesprek zijn maar waarover het gaat kan ze niet vernemen.  Wanneer haar man terug in de woonkamer komt vallen haar wel twee zaken op.  Daar is vooreerst het feit dat Braem, tegen zijn gewoonte in, niet binnenkomt.  Daar is vervolgens de aanblik van haar man die blijkbaar volledig de kluts kwijt is.  Als mevrouw Fahy haar man vraagt wat Braem te vertellen had, zegt Eugeen haar dat het was om te weten of er vis moest besteld worden.  Omdat de agenten van de Deurnese politie blijkbaar een visboer kenden waarvan ze met verschillende collega’s tegelijk panharing kochten, stelt mevrouw Fahy geen verdere vragen al blijft ze het merkwaardige vinden dat Braem aan de deur bleef staan. 

Om drie uur ’s nachts wordt er druk op de neergelaten rolluiken geroffeld.  “Hier zijn ze”, zegt Eugeen tegen zijn vrouw.  Vlaamse en Duitse SS-ers, vergezeld van Duitse soldaten, keren de woonkamer ondersteboven.  Zelfs de boekentasjes van de kinderen worden leeggeschud.  Vader Fahy verzoekt nog om een volmacht te mogen schrijven zodat de vrouw zijn loon kan ontvangen.  Dat wordt toegestaan.  Dan verdwijnt hij in de laadbak van een gereedstaande vrachtwagen, in de donkere nacht.   Moeder Fahy is van de hands gods geslagen.  Zij weet van de verzetsactiviteiten van haar man totaal niks af.  Fanny moet diezelfde ochtend nog naar het Cogelsplein om daar aan de commissaris te zeggen dat vader die dag niet zal komen werken.  Moeder Fahy, die gebrekkig is, is daar niet toe in staat zodat ze de dertienjarige Fanny op pad moet sturen. Commissaris Hendrickx is al op de hoogte.  “Maakt u nie ongerust, manneke” zegt hij luchtig, “ik weet er al van, ga maar rap naar huis, da komt allemoal in orde”.  Ondertussen is moeder Fahy al aan de klap geraakt met vrouw Mertens die haar weet te vertellen dat tijdens de nacht “hiel het keurps van Deurne is meigenomen deur den deutsch”.  En het komt dus niet “allemoal in orde” want vader Fahy zit in de Begijnenstraat.  Het enige bericht dat zijn vrouw en kinderen van hem nog zullen krijgen is een gecensureerde brief die hij opstuurt vanuit het concentratiekamp Buchenwald.  Hij zal de kampen niet overleven.

Albert Peeters, onze man-met de- Belgische –driekleur – in – de – telefoonpyloon, woont in een bescheiden rijhuis aan de Schotensteenweg 43. Een meer dan bescheiden woning  waarin zijn twee zoontjes dezelfde slaapkamer en hetzelfde  bed te delen hebben. Als er die bewuste nacht hevig op de voordeur wordt gebonsd weet Albert dat zijn lot bezegeld is. Aufmachen !  Jeanne, zijn vrouw, weet hoegenaamd niets af van zijn verzetsactiviteiten maar ze ziet ook wel in dat het nachtelijk bezoek weinig goeds voorspelt.  Als bezorgde huismoeder wil ze nog boterhammen gaan smeren voor haar man, tragi-komish, dat wel, maar wij, als buitenstaanders hebben achteraf makkelijk  praten.  Het is niet te bevatten wat er zich op dat moment in het hoofd van een door dierlijke angst bevangen vrouw afspeelt. In dergelijke situaties wordt het gedrag van mensen irrationeel.  Na een haastige afscheidsgroet verdwijnt ook Albert Peeters in de laadbak van een gereedstaande vrachtwagen. Binnen twee dagen is zijn zoontje Lucien, op dat moment zeven jaar oud, jarig.  Een bijzonder droeve verjaardag wordt dat voor de kleine Lucien. Geen feest, alleen diepe bekommernis en in het ongewisse verkeren.  Waar is vader nu ?  Komt hij straks terug of niet ? Hij zal moeder nog vergezellen naar de Begijnenstraat om pakjes af te geven voor vader, afgeven in het voorportaal van de gevangenis weliswaar, want bezoek is ten strengste verboden. Op de dag van de overbrenging naar de gevangenis van St. Gillis gaat Lucien met moeder naar het Centraal Station in de hoop nog een glimp van Albert te kunnen opvangen maar dat blijkt vruchteloos.  Het perron is stampvol huilerige familieleden en de Duitsers versperren de doorgang, er is geen doorkomen aan.  Het zal op de kop af 496 dagen duren voor Lucien zijn vader terugziet. Want Albert is nog een van de acht gelukkigen die zijn deportatie zal overleven, wellicht dankzij zijn uitstekende fysieke conditie, opgebouwd als trainer van de worstelclub.  Hij zal op 54-jarige leeftijd overlijden, volgens de huisarts het gevolg van de ontberingen en mishandelingen die hij in het kamp van Gross-Rosen te verduren kreeg.  Tot aan zijn dood wordt Albert Peeters  krijtwit als er in zijn onmiddellijke omgeving een woord Duits gesproken wordt.

Burgemeester Alfons Schneider wordt wat later ook gearresteerd,  Als hoofd van de politie houden de Duitsers hem aansprakelijk voor de het grote aantal verzetsstrijders in het Deurnese politiekorps.  Hij overlijdt in het concentratiekamp van Harzungen-Buchenwald.

De bestuurlijke akte- een ambtelijke kennisgeving aan de bestuurlijke overheid- die commissaris Hendrickx aan het stadsbestuur overmaakt leest als een doodsbericht :

“Ten jare negentienhonderd vier en veertig, den 15n Januari 1944.  Wij, Hendrickx, Robert, politiecommissaris van het dist. Deurne, verhalen dat de meeste leden van het politiepersoneel van het Distrikt Deurne in de nacht van 14 op 15 Januari 1944 door de bezettende overheid werden weggehaald, namelijk :

ROGIERS, Achiel, Adjunkt-commissaris
VERSMISSEN, Frans
, id.
SAERENS, Willem
,  id.
VAN HEYMBEECK, Frans
, id.
HERMANS, Andre
, id.
NEYS, Roger
, Inspecteur, dd. Adjunkt
commissaris
HEIRWEGH, Louis
, id.
VAN CAMP, Jan
, id.
VAN REETH, Petrus
,  id.
VOET, Jozef
, id.
BODSON, Theophiel
, Brigadier 1783
BOLLANSEE, Frans
,  id.1782
CAUWENBERGH, Antoon
, id.  1784
DE BAKKER, Laurent
, id. 1785
LINSSEN, Jozef
, id. 1786
HALEMANS, Philip
, Politieagent 460
BERCKMANS, Pierre 1809
COOLS, Albert
1816
DE BACKER, Frans 1151
DE BACKER, Honore 1793
DE BACKER, Jozef  1755
DE BEUCKELAER, Florent
, 1805
DE GEEST, Pieter 1796
DE MEYER, Alois 1806
DE RIDDER, Jan 1813
DIEUDONNE, Alfons 1759
FAHY, Eugeen 1800
GEERAERTS, Louis  1798
GEERTS, Henri 570
GYSEN, Alexander 813
JACOBS, Alfons 357
JORIS, Frans   1260
MERTENS, Willem 1803
MINNE, Maurice 1266
PEETERS, Albert 1801
PIRLET, Frans  52
SANDERS, Gerard 1802
SMITS, Bernard 1817
SPIETAELS, Albert 1789
STIELTJES, Louis 193
STROBBE, Jozef1807
TORFS, Jozef 1795
VAN  BLADEL, Frans 1811
VAN  LAETHEM, Maurice B.90
VERHOLEN, Petrus  B.140
VAN DEN EYNDE, Jan 1797
VAN DYCK, Louis1048
VAN HOOF, Albert 464
VAN RILLAER, Jaak1804
VAN ROEY, Jules 1768
VEERMAN, Jozef  1823
VERBIST, Frans 1769
VERCAMMEN, Alfons1341
WUYTS, Jozef  1818
BOEX, Victor  B.75 (noot: “B” burgeragent)
BRAEM, Lucien  B.83
CLAES, Vital  B.82
DAEMS, Louis B.80
DELCROIX, Corneel B.136
DE PRE, Martin B.139
HELLEMANS, Frans  B.137
VAN  BESAUW, Louis  B.106
VAN HOOYDONCK, Corneel  B.87
VAN  MECHELEN, Frans B.93
VEROUSTRAETE, Triphon
B.141 

Volgende leden van het personeel zijn tot op heden met zekerheid nog niet weggehaald : HENDRICKX, Robert, Politiecommissaris – THYSSEN, Leoipold, Hoofdopziener – ADRIAENSEN,Jozef, Brigadier 1781 – TIEST, Leopold, 684 – KOYEN, Hendrik, 1788 – VAN DONINCK, Louis, 1810 – STENTEN 1815 – DE WEERDT, Henri, 634 – WAEGEMANS, Leopold, 1028 – DE CEUSTER, Willem, 1720 – VAN DEN BLEEKEN, Jan, 408 – VAN DYCK, Jozef, 1790, DE BEUKELAER, Asndre, B.84.

Ten huize van de meeste dezer politiebedienden zou er overgegaan zijn tot een huiszoeking, terwijl verschillende radiotoestellen in beslag zouden genomen zijn.  Naar het schijnt werden de wapens ook uit het (sic) brandkoffer, staande in het lokaal van den officier van wacht zijn gehaald en medegenomen (sic).  Wij konden ons hiervan niet overuigen daar wij er nog niet ingelukten het (sic) koffer te openen.  Aangaande de reden waarom hoogervermelde politiebedienden werden weggehaald is ons niets bekend.

Van wat voorgaat werd kennis gegeven aan den hr. Procureur des Konings alhier (P.V. nr. 229, van 15.1.1944)   get. Hendrickx            

Bij nader toezien is Hendrickx erin geslaagd om dit gortdroge ambtelijke epistel ongewild op te fleuren met een volstrekt hilarische vaststelling daar waar hij “verhaalt”  dat hij zelf “tot op heden met zekerheid niet is weggehaald”.  Bovendien blijkt Hendrickx niet volledig ingelicht, want hij vermeldt Torfs Jozef als een van de arrestanten wat niet juist is want oindertussen zit Jos achter kloostermuren.

Door toedoen van zijn schoonbroer komt Jos in contact met Rombout Van Dooren, pater Benedictijn van de abdij op de Keizersberg bij Leuven.  De abdij blijkt evenwel geen geschikt schuiloord want, zo zegt pater Rombout, er zijn al enige broeders door de Gestapo aangehouden.  Een oplossing wordt gezocht en gevonden en de Benedicinessen-abdij van Sint-Geertrui wordt het volgende asylium van Jos.  Overdag kan hij er vertoeven en zich nuttig maken als klusjesman, maar er overnachten, neen, dat is uitgesloten zegt pater Rombout, want waar zou het naartoe gaan indien een man in een nonnenklooster zou verblijven, nietwaar ?  De mening van de nonnen werd niet gevraagd, wellicht om er zeker van te zijn dat Christus geen overspeligheid diende te vrezen van zijn bruiden.  Jos moet dan maar de nacht doorbrengen in het huisje van de bejaarde Marie Colson, dat pal naast het klooster staat.

Na enige tijd ondervindt Jos dat Marie zeer onrustig en angstig is met deze ongenode gast onder haar dak.  Wanneer ze hem vraagt  “ toch zeker niet te gaan lopen mochten de Duitsers binnenkomen, want anders word ik meegenomen” weet Jos dat hij dringend een ander onderkomen moet vinden.  Met de uitdrukkelijke toestemming van kardinaal Van Roey mag Jos zich voortaan verbergen in de abdij van St. Geertrui in het slot.  Na het bombardement van de stad Leuven, waarbij ook het klooster zwaar getroffen werd, verhuizen de zusters, met behulp van en onder leiding van de pragmatische Jos, naar het kasteel van Horst in Sint-Pieters-Rode.  Gekleed in de pij van een pater-Benedictijn, wat hem later in het korps de bijnaam “broeder jozef” zal bezorgen, rijdt Jos met paard en kar – een bierkar – met daarop matrassen en huisraad – naar Horst waar hij tot aan de bevrijding zal onderduiken.

Denkt gij dat ik het nog wat uithoud ?

De aangehouden collega’s van Jos Torfs zijn minder fortuinlijk.  Zij doorlopen een parcours van verschillende gevangenissen en kampen, voor de meeste van hen met dodelijke afloop.

Na een, gelukkig, eerder kortstondig verblijf in Breendonk, wordt Jos Veerman overgebracht naar de gevangenis van de Begijnenstraat in Antwerpen.  Hij wordt er ingeschreven als nummer 1388 en zit er in cel 282, de zogenaamde leeuwenkooi.

Op 9 mei 1944 worden de Deurnese politiemannen afgeleverd in de gevangenis van St-Gillis en  op 21 mei  worden ze op transport gesteld naar Duitsland.

De eerste halte is de gevangenis van de stad Keulen die op dat tijdstip zwaar gebombardeerd wordt.

Twee dagen later, het is dan de 23ste mei en, godbetert, de verjaardag van Jos Veerman, worden de gevangenen overgebracht naar het tuchthuis van Gross-Strehlitz, vlak bij de Poolse grens, op vijf kilometer van Krakau.

Het regime is er draaglijk.  Gross-Strehlitz is geen KZ, het is een gevangenis die als doorgangsluik fungeert, naar andere, meer onheilspellende oorden.

Op een dag, in de loop van augustus, worden de 105 SD haftlinge, waaronder Jos Veerman, uit de cellen gehaald.  Zij moeten in de kelder hun eetgerei afgeven en worden in aparte cellen gestopt, gescheiden van de “gewone” gedetineerden.  Jos Veerman deelt een cel met Albert Spietaels, Pierre Mertens en de Substituut- Procureur des Konings van Hasselt Lynen.

Aan Substituut Lynen vragen zij wat er volgens hem nu te gebeuren staat.  Zijn antwoord is niet echt geruststellend te noemen. 

“Wij  zullen moeten verschijnen voor het Volksgericht van Keisheim”, zegt Lynen, en hij vervolgt, “en daar zijn dan drie mogelijkheden, we worden gefusilleerd, opgehangen of onthoofd, want dat Volksgericht spreekt enkel doodvonnissen uit”.

De sombere voorspelling van de Procureur komt evenwel niet uit, want ‘s anderendaags krijgen zij hun eetgerei terug en worden ze weer in hun vorige cel gestoken.  Nadien zal blijken dat Hitler het bevel had gegeven om alle nacht-und-nebel gevangenen zonder complimenten over te brengen naar de uitroeiingskampen,  een en ander met het oog op snelle liquidatie gezien de opmars van de geallieerden.

Het heeft nochtans geen haar gescheeld  want op 17 augustus 1944 heeft de Oberreichsanwalt bij het Volksgerichthof van Berlijn een akte van beschuldiging opgesteld waarin hij de verwijzing naar het Volksgerichthof vordert , in juridische termen “onder de banden van het aanhoudingsmandaat”.  Typerend voor de tijdsgeest en voor de schertsvertoning die een proces voor zo’n Volksgerichthof was, is de vermelding in de akte van beschuldiging dat “de beschuldigden volledig bekennen”.  Van de “aan te stellen verdedigers” werd vermoedelijk enkel verwacht dat zij zich deemoedig zouden gedragen naar de wijsheid van het gerichthof, de schuld van de client stond toch al vast. 

Het dossier werd aangetroffen in een van de bureaus van het Volksgerichthof en overgemaakt aan de Procureur-generaal van Brussel.


Dossier pagina, niet in het boek
er op klikken voor een vergroting,
sluiten of swipen om terug te keren

Het dient gezegd, de Oberreichsanwalt geeft een bondige, maar accurate samenvatting van de onderzoeksresultaten en het aandeel van elke beschuldigde.  Daarbij dient opgemerkt dat de Herr Oberreichsanwalt, gewild of ongewild, toch nog de nodige pietiet aan de dag legt om niet te gewagen van “spontane”bekentenissen.

Maar het komt dus niet tot een proces. Op 30 oktober 1944 worden de Deurnese wouten op transport gesteld naar het nacht-und-nebelkamp Grosz-Rosen in Beneden-Silezie.  Het kamp bevindt zich op 2,5 km van het pittoreske dorpje Rogoznica en de terreinen waarop het werd gebouwd zijn eigendom van baron von Richthoffen.  De gebouwen zijn gerangschikt in terrassen op de flanken van de bergen.  Om het kamp af te schermen werd de Poolse bevolking van de omliggende dorpen verplicht te verhuizen.  De dorpen werden vervolgens bevolkt door Duitsers. Het kamp strekt zich uit over een oppervlakte van 70.000 m2 en is omringd door een prikkeldraad omheining met vier geelektrificeerde draden.  10 “miradors” of wachttorens waarin met mitrailleurs bewapende SS-ers bewaken het kamp.  Bij het invallen van de duisternis treden grote schijnwerpers in werking die het gehele kamp in een verblindend licht hullen.  Het logies bestaat uit 22 houten barakken die elk 1.000 gedetineerden moeten “herbergen”.

De locatie van het kamp werd uitgekozen door Albert Speer wegens het plaatselijke aanwezige graniet dat moest dienen om zijn megalomaan project, de nieuwe hoofdstad Germania, gestalte te geven.

Overigens, verschillende gereputeerde Duitse firma’s maken gebruik van de slavenarbeid van de gevangenen. D.E.S.T., de Deutsche Erd-Und Steinwerke, een firma die volledig wordt bestierd door de SS, maar ook bedrijven die vandaag nog hun produkten aan de argeloze consument slijten, Siemens en Blaupunkt om er maar twee te noemen.

Het kamp kreeg als bijnamen “Neunzig Tage”, de gemiddelde periode van overleving,  in het SS-jargon ook wel de “Knochenmuhle” genoemd, voor zichzelf sprekende verwijzingen naar het regime waaraan de gedetineerden onderworpen werden.

Honger, onmenselijke dwangarbeid, executies en onbeschrijfelijke lichamelijke tuchtigingen, ziekte als gevolg van onbestaande elementaire hygiene, ze herleiden de kampbewoners na een relatief kort verblijf tot de staat van muselman, een wandelend skelet dat apathish op het einde wacht.

De gevangenen zijn overgeleverd aan de grillen van Lageraltester, Blockaltester, Capo’s en onder-capo’s, meestendeels misdadigers van gemeen recht, niet zelden echte psychopaten, uitekotste randfiguren van de Duitse onderwereld,  die er genoegen in scheppen om de uitgemergelde sukkelaars waarover ze de plak zwaaien te terroriseren en dat ook ongestraft kunnen doen.

Een dag in het leven van een gevangene begon om 5u30.  Hij kreeg dan ½ liter waterachtige soep met meel.  Vervolgens van 6 u tot 8 u op de appelplaats, rechtop in de houding, in rangen van vijf man.  Om 8 uur naar het werk, meestal uitputtende dwangarbeid in de steengroeve.  Om 11 uur een werkonderbreking met bedeling van, opnieuw, 1 liter watersoep.  Daarna, om 12 uur, hervatting van de arbeid, in hoog tempo, aangepord door de slagen van de capo’s.  Om 16u30 terug naar het kamp waar bij aankomst een nieuw appel werd gehouden dat gemakkelijk tot een stuk in de nacht kon duren en waarbij in de grofste termen de lichamelijke bestraffingen werden aangekondigd en in het openbaar, op de prugelbock, uitgevoerd.  Daarna konden de haftlingen zich naar hun barak slepen om het avondmaal te ‘verorberen’.  Een halve liter ersatz koffie of soep voor enkele dagen, 350 gram zwart brood met een stukje margarine, een ringetje worst en een weinig confituur.  Alle dagen waren werkdagen, geen ogenblik respijt werd de haftling gegund.  Om de dagelijkse kwellingen noch wat op te voeren moesten de gevangen op weg naar en van het werk  in de pas lopen, op het ritme van een deuntje dat door het kamporkest werd uitgevoerd.  Slapen deden ze ineengestrengeld vanwege het plaatsgebrek, naakt, op de koude, smerige vloer van de barak.  De Stubealtester sloeg erop los als sommigen volgens hem te veel plaats innamen.

Die 30ste  oktober 1944 worden dus in totaal 962 Belgen in Gross-Strehlitz op transport gesteld naar Grosz-Rosen, onder hen de onfortuinlijke Deurnese politieagenten.  Tenminste, de meeste van hen, want enkelen komen om onverklaarbare redenen in andere duistere oorden terecht.  Zo ondermeer, Eugeen Fahy, die blijkbaar vanuit Keulen onmiddellijk werd overgebracht naar het kamp van Buchenwald.  Van hem is een brief bewaard gebleven die hij op 21 mei 1944 vanuit het kamp aan zijn familie verstuurde en waarin hij meedeelt “in gute gesundheit” te verkeren, ongetwijfeld een noodzakelijke leugen omwille van de kampcensuur. Hij zal niet meer terugkeren.

Die dertigste oktober, om zeven uur ‘s avonds, arriveren de beestenwagons van Gross-Strehlitz in het stationnetje van Rogoznica.  De gevangenen zitten in die wagons als haringen in een ton en hebben een volledige dagreis, zonder eten of drinken, achter de rug.  Versteven van de kou, in het pikdonker, strompelen zo’n 1500 dutsen naar het kamp.  Onder hen Jos Veerman,  Andre Hermans, Vital Claes, Albert Peeters, Victor Boeckx, Albert Spietaels, Corneel “Gustje” Van Hooydonck, Petrus De Beuckelaer  en het gros van de collega’s waarvan men de namen terugvindt in de bewuste bestuurlijke akte waarin commissaris Hendrickx de arrestatie van zijn korps “verhaalt”. 

Half bevroren en gegeseld door de snerpende, ijskoude wind van de Silezische winter, houdt de kolonne halt op de grote appelplaats van het kamp.  Op een verhoog zitten enkele struise kerels in burger die in alfabetische volgorde de nummerplaatjes uitreiken.  Peeters krijgt het nummer 82402, Veerman, die het ongeluk heeft dat zijn naam met een “V” begint, zodat hij urenlang in de bijtende koude moet wachten, krijgt nummer 82608.    Daarna opnieuw aanschuiven voor het stortbad.  De SS-ers maken er een spel van om de haftlingen beurtelings te besproeien met heet en ijskoud water.  Alle kleren uitdoen en andere aantrekken, vieze Rommel, het geronnen bloed van gecrepeerde voorgangers kleeft er nog aan.  Opnieuw de winternacht in voor de ontharing.  Op het lichaam van een nieuweling mag geen pijl haar blijven staan.  De coiffeurs zijn medegevangenen die er, om niet bont en blauw geslagen te worden, een hels tempo op nahouden.  De resultaten zijn dan ook navenant, nagenoeg alle klanten komen met bebloede kop uit de operatie.

“Lasciate ogni speranza, voi ch’entrate”.  Gij die hier binnentreedt, laat varen alle hoop.  Dit opschrift spijkerde Dante Alighieri op de poort van zijn hel, en een accuratere beschrijving valt voor het helle-oord Grosz-Rosen wellicht niet te verzinnen. 

Aan het woord is Albert Peeters.  “Wij waren pas in de barak, toen de Barackaltester een oude man uit de hoop pikte en er, als een bezetene, met twee vuisten tegelijk, op los begon te slaan.  Eerst op zijn gezicht, tot het niet meer te herkennen viel. Dan in de maag. Dan weer in het gezicht. De grijsaard krochte, kreunde, snakte naar adem. Bloed liep uit zijn ogen, zijn neus, zijn mond. Ik zie nog voor mij hoe hij dekking zocht achter zijn bevende handen, die ook al vol bloed zaten. Het baatte niets, want telkens wist de onmens hem op een andere plaats te treffen.  Hoe lang dat zo voortging ? Ik heb er geen idée van. Op zeker ogenblik keerde de stakker zich om, instinctmatig wellicht, om aan de hagel van vuistslagen te ontsnappen. De beul wachtte even en toen trapte hij de weerloze oude, uit al zijn kracht in de nierstreek. De ongelukkige stortte neer en bleef op de rug liggen, de armen wijd open. Gelijk Christus lag hij daar. Nog een schop, ditmaal op het hoofd en dan kwam het einde. De Barackaltester boog zich over het hijgende lichaam, hief een voet op, mikte en plofte dan de met ijzer beslagen hiel van zijn zware schoen juist op het hart.  Zo vijf, tien, twintigmaal. Het hijgen van de martelaar verflauwde, een laatste, korte snik, en het was uit.  “Schmeiss den Drecksack raus”, snauwde het monster.  Een paar gevangenen – ze moesten wel – sleepten het uitgemergeld, verminkt, besmeurd, bebloed hoopje vlees buiten naar de hoek waar ik daarna al de lijken van onze doodgemartelde kameraden heb zien smijten. Het was de hoek waar de levenden hun gevoeg moesten doen. Voor de doden was hij goed genoeg. Ze bleven er liggen tot ze weggehaald werden, voor de verbrandingsoven. En dat was onze entrée in barak 9. Terwijl de nieuwgekomenen nog te huiveren stonden van ontzetting, kwam een jong katje binnengeslopen. De barakchef nam het op, voorzichtig, om het geen zeer te doen. Hij streelde het kopje, en het katje begon, met de oogjes dicht, genoeglijk te spinnen. En de mond, die tegen mensen de ijselijkste verwensingen en bedreigingen uit kon kramen, fleemde van “Poesje ! Lief poesje ! Braaf poesje !” Dan, tot de gevangenen “Dat jullie het weten, het leven van zo’n beestje is mij meer waard dan tien van jullie,begrepen ?”

Het monster uit het relaas van Albert Peeters is de sociopaat Carl Gallach, een Duits misdadiger van gemeen recht die in de daaropvolgende periode van drie maanden nog 59 mensen zou afslachten.  Hij was helaas niet uniek, zoals hij liepen er velen rond, in Grosz-Rosen en in andere uitroeiingskampen.  “De duivel geve dat men hem levend te pakke krijge”, wenste Albert Peeters hem toe. 

Jos Veerman, citeert in zijn memoires een persbericht van een niet nader genoemde krant waaruit zou moetem blijken dat de wens van Peeters bij de bevrijding in vervulling ging :

“ Varsovie 21 Mai.  Carl Gallach, qui commande le camp de concentration de Gross- s’est pendu aujourd’hui dans sa prison.”

Spijtig genoeg is dat niet juist.  Het bericht slaat op ene Karl Gallasch die in Polen ter dood werd veroordeeld en zich inderdaad in zijn cel in de gevangenis van Wroclaw ophing om de beul voor te zijn.  Maar deze Karl Gallasch was een SS-officier, die effectief in Grosz-Rosen diende , maar die door Jos vanwege de nagenoeg gelijkaardige naam kennelijk werd verward met de wreedaardige Lageraltester.

De interne leiding van zo’n kamp werd door de Duitsers inderdaad overgelaten aan de gevangenen zelf en dan voornamelijk aan de meest criminele.  Misdadigers die hun straf hadden uitgezeten maar te gevaarlijk werden bevonden om op de burgermaatschappij los te laten, kregen een groene driehoek op de mouw.  De Grune of zielony werkten dan samen met de SS-bewakers en kregen dan verschillende functies toegewezen zoals Lageralteste, Blockalteste en Stube-Alteste.  Zij genoten van een bevoorrecht regime op voorwaarde dat zij hun medegedetineerden onder de knoet hielden en in het geval van Carl kon men zeker spreken van voorbeeldige dienstijver.   

Commandant van het kamp is in die periode Johannes Hassebroeck, een SS-officier, afkomstig uit Saxen, zoon van een cipier en uiteraard een fanatieke nazi die de stiel heeft geleerd in het kamp van Sachsenhausen.  Vernichtung dur Arbeit, dat is het opzet van een Nacht-und-Nebel KZ en het wordt door Hassebroeck tot in de perfectie uitgevoerd.

Het is daarbij opmerkelijk dat de kampleiding bulkt van “die herren Doctor” :

Dr. Karl Babor, expert in het toedienen van fenol injecties.  Dr. Friedrich Entress, Dr. Edwin Herzum en Dr. Karl Scmidt, die chemische en biologische experimenten uitvoeren op gedetineerden.  Zelfs herr Doctor Josef Mengele, die zichzelf promoveerde tot genetisch expert teneinde een zuiver arisch ras te fabriceren – pure fantasie,  door Mengele uitgevonden om een mogelijke overplaatsing naar het Oostfront te ontlopen– behoort tot het notoire gezelschap.

Het is zondermeer onthutsend te moeten vaststellen hoe een volk dat zulke hoogstaande wetenschappers en kunstenaars heeft voortgebracht tegelijkertijd ook dergelijke creaturen op de mensheid heeft losgelaten.

“Het werk was moordend”,weet Albert Peeters, “na het morgendappel, dat zowat een uur duurde in de barre Silezische kou, werden de ploegen gevormd en, onder de leiding van de capo’s – Duitse, Poolse, Russische gevangenen – ging het naar de steengroeve. Regen en sneeuw striemden de nieuwsoortige galeislaven in ‘t gezicht en op de handen, ijzige wind sneed door en door de dunne kleren.  We moesten een half uur ver, langs een weg die op vele plaatsen een slijkpoel was, waar voet en been in wegzakten tot de knie of struikelden over rails, boomstompen, blokken steen en wat al meer.  Onze schoenen ?  Een paar lappen die misschien ooit leer waren geweest, bij mekaar gehouden door eindjes touw en gebarsten, houten zolen.  Iedere stap was een geploeter, dat het laatste restje kracht in de uitgeputte lijven sloopte. En als het, bij dat alles, niet snel genoeg ging, schoten de capo’s toe of de SS-beesten die, met honden op de loer stonden, en ‘t regende slagen.  Dat was zo zeven dagen in de week. In de steengroeve moest ieder een blok steen optillen, en daarmee dan de weg terug. Viermaal heen en weer op een morgen en ‘s middags terug. Wee hem die er van af zocht te geraken met een last naar zijn vermogen dat niet groot was. Dreigend hoorde hij snauwen : “ Die niet, van deze hier moet je nemen, Schweinhund”. “Deze hier” was dan een blok van twintig, dertig, vijftig kilo, al naar de grillen van de capo, de almachtige. Dan bukte zich de stakkerd en hief en trok en sjouwde en pored wat hij kon, zonder een woord, want hij wist dat smeekbeden evenmin de capo konden vermurwen als het arduin lichter maken. Maar, hoe hij zich ook afsjouwde, ‘t ging niet en reeds beukte matrak of gummidarm van de capo op zijn lichaam, dat tevergeefs ineenkromp. Ieder kreeg zo zijn beurt, niemand heeft te Grosz-Rosen een gevangene van het steengroeve-commando gezien zonder een gat in zijn hoofd of zijn gezicht vol bloed. Een mens is, als het instinct van zelfbehoud hem recht houdt, sterker dan hij zelf weet. Zo krijgt de gevangene dan toch zijn blok steen van de grond, geholpen door een kameraad die ‘t niet aanzien kon, al wist hij dat zijn barmhartig gebaar hem een pak ransel zal kosten. Hij strompelt, hij zwijmelt op de trap die uit de steengroeve voert.  Op de terugweg kan hij, steeds bijgestaan door dezelfde lotgenoot, zijn te zware last voor een lichtere ruilen, een gewaagd stukje, want had de capo of de SS-man het gezien, het ware hem duur te staan gekomen. Zo geraken ze weer in de barak. Daar vraagt de ene, die zo doodop is dat hij zelfs maar de helft van zijn watersoep naar binnen krijgt zijn kameraad, die hem, voor ditmaal, gered heeft : “Denkt gij dat ik het nog wat uithoud ?” Een vraag die in de concentratiekampen miljoenen malen moet gepreveld zijn geweest. “Natuurlijk houdt gij het uit”,antwoordt de andere. “Binnenkort gaan we allemaal samen naar huis”. De stakkerd zwijgt en droomt : naar huis.  Maar hij hield het niet uit, hij stierf de volgende nacht. Thuis heeft men vergeefs op hem gewacht…” 

“Slapen gaan was een nummer meer op het folterprogramma”, zegt Peeters. “De barakken waren overvol. Er was nauwelijks genoeg plaats om recht te staan. Er was er geen om zich uit te strekken. Toch moest dat, met zeventig op een rij. Dat ging niet. Iedere avond bleef er in iedere rij voor een tiental mannen letterlijk geen duimbreed over. Dan kwam de barakchef met zijn helpers en die sloegen er op los tot zij gelijk zakken op hun kameraden neervielen of, uitzinnig van vertwijfeling en van angst voor nog erger, wrongen en duwden en trokken en schopten tot ze plaats kregen. Er waren er altijd die onder die hoop mensenvlees dreigden te stikken en die protesteerden. Maar in de barak mocht ‘s nachts niet gepraat worden en hun protest werd dan de beulen een welkom voorwendsel tot een nieuwe ranselpartij. Opeengepakt liggen, opeengeklemd en geplakt op een zij zonder te kunnen verroeren, met het been van een ander op zijn borst en de voet van nog een ander tegen zijn gelaat, in de vieze walm van zieke lijven, vol wonden die niet verzorgd konden worden en die etteren… Ieder ogenblik kan er  een, door zijn bange dromen geplaagd, het luid uitkrijsen en dan stormen de beulen binnen, draven de barak door, trappend waar ze trappen kunnen en ze kunnen enkel op mensenlijven trappen en ze slaan er in ‘t wilde op los. Dat weten ze, daar verwachten ze zich aan.”

Als gevolg van de erbarmelijke hygiene wordt het kamp in de loop van de maand november geteisterd door verschillende epidemieen.  In het bijzonder barak 9 wordt zwaar getroffen.  Longpest, kroep en vooral dysenterie woeden in alle hevigheid en de toestand wordt zelfs zo erg dat de Duitsers de barak onder quarantaine zetten.   In die bewuste maand november sterven 396 gevangenen.  Elke dag komen twee Polen met zware gummihandschoenen de lijken uit de barak ophalen. 

Soms,” vertelt Jos Veerman, “namen zij er mee die nog ademden, die zouden dan waarschijnlijk nog levend de oven ingaan.”

“Vele gevangenen lijden aan diarrhee”, vervolgt Peeters,”Er waren per barakvleugel, d.w.z. voor zes a zevenhonderd man, 5 WC’s.  Die mochten echter overdag niet worden benuttigd, behalve ‘s morgens, om 8 uur als het de barakchef behaagde. Soms behaagde het hem niet. Soms vond hij er genoegen in de gevangenen op een rij, op beide knieen, naar de WC’s te laten kruipen. Dan werd er natuurlijk gewrongen, er kwam herrie, herrie betekende slagen en meteen zette de barakchef de WC-gang stop. Praktisch duurde het zelden langer dan een half uur, zeer dikwijls veel korter, zodat de meesten er alleen ‘s nachts heen konden. Dat wou zeggen : zich loswerken uit het mensenkluwen waarin men vastgeschroefd lag, over de lijven zijn weg vinden.  Hier zette men de voet op een buik, daar op een gezicht. Vloeken gingen op, de barakchef of zijn helpers kwamen aanzetten, de matrakken traden in actie en in de meeste gevallen kon de diarrhea-lijder niets anders dan, waar hij stond, laten lopen wat lopen wou.

Zoals sommige kinderen spelen met het vliegje of de vlinder die ze gevangen hebben en er dan een kinderlijk sadistisch genoegen in scheppen om het beestje de vleugels uit te trekken, zo spelen de capo’s met hun medegevangenen.

Carl  laat een groep gevangenen aantreden.  Zelf ligt hij genoeglijk op een bank.  De gevangenen moeten gehurkt voor hem op een rijtje zitten, met gestrekte armen een stoel optillen en dan in die houding blijven zitten.  Ondertussen steekt Carl een sigaret op en knijpt hij de ogen dicht, maar van zodra enkele gedetineerden de armen laten zakken – want daar wacht hij op – slaat hij er met de matrak op los.

Of hij laat de zeshonderd sukkelaars van de ene hoek van de barak naar de andere lopen, waar ze dan moeten knielen, wat natuurlijk niet gaat in die enge ruimte, wat voor Carl en zijn beulsknechten dan weer een excuus is om op die zieke, uitgemergelde lijven, te schoppen en te slaan tot ze in gepijnigde, uitzinnig schreeuwende mensenhoopjes over mekaar liggen. 

Hij was van Bastogne…

Op 8 februari 1945 worden de haftlingen, tenminste degene die nog niet zijn terechtgekomen op de hoop lijken naast het schijthuis, verzameld op de appelplaats.  In de verte bulderen de Russische kanonnen en de kampen die in een bedreigde zone liggen worden geevacueerd.  De gevangenen worden op transport gesteld naar andere kz ‘s, naar die Heimat.  Zij krijgen een stuk brood en enkele stukjes worst.  Vervolgens marcheren zij naar het station, door het dorp van Grosz-Rosen, waar de gevels getooid zijn met hakenkruisvlaggen en de bewoners van achter hun ramen hatelijke blikken werpen op de haveloze bende die passeert.  Achteraf zullen die dan zeggen dat zij het niet “gewust haben”, in het geval van Grosz-Rosen een aberrante leugen, temeer omdat in  de steengroeve en de werkplaatsen van de bedrijven ook dorpsbewoners werken die dus dagelijks kunnen zien hoe hun collega’s van het kamp mishandeld worden.  Wie niet kan volgen wordt ter plekke afgemaakt door de konvooibegeleiders, mannen van de SS Leibstandarte Adolf Hitler, een SS onderdeel waarvan volgens een mij betrouwbare bron ook de stichter van het populaire concern Mediamarkt deel uitmaakte.

Andre Hermans en Albert Cools moeten Jos Veerman ondersteunen.  De knieen van Jos begeven het, hij lijdt ontzettende pijnen, en zonder de hulp van zijn kameraden wacht hem zonder twijfel een nekschot.  Een trein, bestaande uit open kolenwagons, staat gereed om de gevangenen te vervoeren naar het volgende helleoord. In het midden van elke wagon zijn twee ijzeren draden gespannen met een meter tussenruimte.  In die ruimte nemen twee zwaar bewapende en dik ingeduffelde SS-ers plaats.  In de wagon van Veerman zitten, of beter gezegd liggen, 70 gevangenen, in lompen gehuld, verkleumd van de ijzige koude.  Jos ziet een opening tussen twee haftlingen. Hij kruipt er naartoe en wanneer hij zich tussen de twee lichamen wringt vallen die beiden voorover, dood.  Jos gebruikt de lijken dan maar als beschutting.  In die omstandigheden zullen de gedetineerden vier dagen en drie nachten doorbrengen.  Bestemming : Dora.

KZ Dora-Mittelbau werd op 28 augustus 1943 opgestart als een bijkamp van Buchenwald, voornamelijk in functie van de massaproductie van de V2-raketten.  En tussen haakjes, de Duitse ingenieurs en wetenschappers die daar aan het werk zijn en die er niet zelden mede-verantwoordelijk voor zijn dat menig gevangene in het publiek wordt opgeknoopt wegens sabotage, worden bij de bevrijding door de Amerikanen gretig opgekocht om naar de maan te kunnen vliegen.

Het kamp bevindt zich op 5 km van het stadscentrum van Nordhausen, aan de voet van de Kohnstein-berg in de regio Thuringen.  De gevangenen worden er tewerkgesteld in de zogenaamde Stollen, een complex van ondergrondse opslagplaatsen en tunnels, die overigens ook dienst doen als logement. De haftlingen zien pas het daglicht wanneer er buiten appel gehouden wordt.

Op de 11de of twaalfde februari 1945, hij weet het niet juist meer, wordt Jos Veerman, meer dood dan levend, bij de benen gegrepen en op het puntige gesteente naast het spoor geworpen.  Van de 70 man waarmee hij de wagon deelde hebben naar schatting een twintigtal de reis overleefd.  Jos ligt daar, apathisch, niets kan hem nog schelen, tot hij achter zich geweerschoten hoort.  Hij krabbelt recht en volgt de andere gevangenen, waarheen, dat weet hij niet. Maar hij kan niet meer, en hij valt opnieuw, hij geeft zich gewonnen. En dan is er dat onwaarschijnlijke; twee lotgenoten, pastoor Lemmens en politiecommissaris Quagebeur uit Oostduinkerke, die hun zieke lotgenoot oppaken en hem het kamp Dora binnendragen. Twee mannen die die datgene tonen wat een mens onderscheidt van crapuul, jawel, moed, solidariteit en mededogen.

Hoe onwaarschijnlijk ook, het transport naar Dora redt Jos Veerman het leven en ook dat van zeven andere wouten.    De Belgen arriveerden op 30 oktober ’44 in Grosz-Rosen en het is dus nu 11 of 12 februari 1945, iets meer dan drie maanden later.  “Neuntzig dagen”, al bij al  blijkt dat dus een zeer goede inschatting.  Alle andere collega’s-medegeporteerden van Jos zijn door de schoorsteen gegaan.  Himmelfart commando noemen de SS-ers dat.

Jos komt terecht in de ziekenbarak waar hij tot zijn grote verbazing humaan behandeld wordt zodat hij terug op krachten kan komen.  Dat is nog zo’n contrast. In Dora zitten veel haftlingen die eerst in het kz Buchenwald hebben gezeten, toch ook een kamp met een bijzonder kwalijke reputatie.  Maar de ex-gedetineerden van Buchenwald ervaren Dora als de hel op aarde terwijl het kamp voor Jos en de zijnen bijna de allures van een herstellingsoord aanneemt. Men mag nochtans aannemen dat deze perceptie het gevolg is van een toestand die de geestesverbijstering benadert, want Dora is evenzeer een uitroeiingskamp waar de gedetineerden dwangarbeid moeten verrichten tot ze erbij creperen en waar verschrikkelijke vergeldingsmaatregelen worden getroffen  wanneer sabotage wordt vermoed.

Het is zo rond half maart en 2.30 u ‘s nachts als iedereen naar de appelplaats moet.  Er zijn twee Russen ontsnapt en zolang die niet zijn teruggevonden, moeten de gevangenen op de appelplaats in het gelid blijven staan.  De zieken, die ook mee moesten, sterven bij hopen.  Ze worden in een gracht gelegd en de volgende ochtend zijn ze allen dood.  Kort na de middag worden de Russen gesnapt. Ze worden opgehangen met in de armen een bord waarop geschreven staat “ Joechei, joechei, wir sind dar wieder bei”, een staaltje van cynische SS-humor.

26 maart 1945.  De Amerikanen staan aan de Rijn waar ze een aanval lanceren op de strategische brug van Remagen.  The 7th US Army steekt de Rijn over nabij Worms.  Op Iwo Jima staakt het Japans Keizerlijk Leger de strijd.  Een kamion hobbelt in de richting van het kz Nordhausen.  Daarin zit Jos Veerman , ‘t is te zeggen wat van hem overblijft.  Samen met andere zwaar zieken, waaronder Rene Lambrechts, de latere schrijver van het boek “Wir Musselmanner”, wordt hij in het kamp ondergebracht in een leegstaande garage.  Door het gebrek aan  hygiene en vitaminerijke voeding zijn de totaal verzwakte gevangenen erg gevoelig voor allerlei huidinfecties, waaronder furunculosis , etterende steenpuisten die zich, wanneer ze niet met antibiotica behandeld worden, over het hele lichaam verspreiden.  Jos Veerman krijgt een variant, aan zijn elleboog rijpt een enorm gezwel.   De gemeentesecretaris van Ronse, Van den Eede, die in het kamp min of meer fungeert als ziekenbroeder, slaagt erin om Jos in de ziekenbarak te doen opnemen.  Men is druk doende met een patient als Jos wordt binnengebracht.  Een dokter-medegevangene, staat aan het voeteinde van het enige bed en bewerkt de lijdende met zijn vuisten tot hij bewusteloos is.  Er is immers geen narcose voorhanden… Dan steekt de arts een open schaar in het gezwollen been van de patient en rijt het vervolgens helemaal open.  De etter stroomt eruit als moes uit een rotte peer.  Diezelfde schaar wordt gebruikt om in het gezwel van Jos te boren.  Als verband gebruikt de dokter WC papier.  Onnodig te zeggen dat dergelijke ingrepen niet zelden een noodlottige afloop kenden.

Maar Jos heeft geluk.  Hij herstelt zelfs en met april komt de lente eraan, niet alleen seinzoensmatig maar ook en vooral voor de bevolking van alle Europese landen die onder de nazibezetting kreunen.  Op 3 april nemen de Sovjets de Duitsers in de tang in de stad Bratislava, in Slovakije.  De Amerikanen, onder leiding van Generaal Douglas Mac Arthur en Admiraal  Chester W. Nimitz, maken zich gereed voor een geallieerde invasie van Japan.  En Nordhausen wordt gebombardeerd. 

Rond de middag”, herinnert Jos zich, “   zag ik door het lange smalle raam opeens vele vliegtuigen.  Terwijl het groot alarm was vielen reeds de eerste bommen.  Ik liet mij uit het bed glijden.  Ik legde mij naast een Fransman. Het raam vloog opeens aan stukken. Ik was niet bang. Ik was overtuigd dat men ons kwam bevrijden. De chaos was compleet. De ziekenzaal stond nog recht maar de keuken en de garages hadden fel geleden.  De dag nadien, 4 april, in de namiddag, groot alarm.  Een dokter kwam ons aanraden in de hall te vluchten omdat de muren daar zeer stevig waren. Intussen gaf hij ons een grote lepel siroop uit een bokaal. Wij waren hem daarvoor zeer dankbaar. En dan begon de bommenregen. Ik vluchtte naar de hall maar ik werd aangeroepen door een jongen die in het onderste bed lag naast de deur. Hij smeekte mij om bij hem te blijven. Hij was van Bastogne. Zijn voeten waren letterlijk aan het wegrotten zodat hij niet kon staan. Ik ben naast hem gaan liggen, rug tegen rug. Wij trokken het deken over ons hoofd…”

Het bombardement zal aan drieduizend gevangenen het leven kosten.  Als de storm voorbijgeraasd is, bevinden de gedetineerden zich in een hallucinant nomansland.  De SS-ers blijken gevlucht maar de bevrijders zijn er nog niet.  De Amerikanen bevrijden het kamp op 12 april.

In de namiddag komen de Amerikanen het kamp binnen.   Jos kan zich nog goed herinneren welke aangrijpende emoties hun verschijning bij de detineerden teweeg bracht. 

“Wij schreiden als kleine kinderen”, weet Jos, “onze emoties waren niet te beschrijven”. “Please people, stay here and wait until we’re coming to get you”, zegt de Amerikaanse bevelhebber.

Enige tijd later zien de gevangenen tot hun opperste verbazing net geklede dames en heren verschijnen, Duitse prominenten van het stadje Nordhausen, door de Amerikanen  opgevorderd . Zij moeten de uitgemergelde gevangenen op draagberries leggen en ze vervolgens naar de gereedstaande rodekruiswagens dragen.  Deze tactiek werden door de Amerikanen  frequent  toegepast bij de bevrijding van de nazi-kampen.  Omwonenden werden onder dwang ingeschakeld bij de evacuatie- en bergingswerken om hen zo te confronteren met de gruwelen die zich achter het prikkeldraad hadden afgespeeld.  Of ze het geweten hadden, konden weten maar niet wilden weten, dat was zonder belang.

En dat is nog niet alles, want tot afgrijzen van diezelfde keurige burgers worden de gevangenen, die er het ergst aan  toe zijn, gelogeerd in een deftige tuinwijk van Nordhausen.  Jos Veerman deelt er  een woning met zes lotgenoten.  Regelmatig komen Amerikaanse soldaten zich van hun toestand vergewissen maar het zal niet verhinderen dat nog ettelijke gedetineerden sterven.  Dagelijks moeten de Amerikanen nog lijken komen ophalen.  Jos is de enige die het huisje levend zal verlaten.  Hij neemt uit een kast nog enkele souvenirs mee, waaronder drie foto-negatieven.  Bij ontwikkeling zal later blijken dat het een miniatuur-groepsfoto is van drie SS-ers, die breed lachend, met de handen in de heupen, aan de rand van een massagraf poseren.

Van de 43 gedeporteerde agenten en officieren keren er slechts 11 terug, de meesten overleden in Grosz-Rosen waar naar ruwe schatting 25.000 mensen werden omgebracht.  Ook Burgemeester Alfons Schneider komt niet meer terug.  Hij sterft in het kamp van Hartzungen-Buchenwald.

De Apeldoorn affaire

Op maandagochtend, 4 september 1944, Jos Veerman en zijn collega’s moeten dan nog aan hun lijdensweg beginnen, verlaat de Dienstenstelle Antwerpen, richting Holland.  Men zal zich herinneren dat Antwerpen begin September ’44 door de geallieerden bevrijd werd en het was bijgevolg de hoogste tijd om zich uit de voeten te maken.

Alle dossiers en documenten werden enkele dagen van tevoren ofwel naar Duitsland gebracht, ofwel verbrand.  De terugtocht is niet vrij van incidenten.  Zo machtig en oogstrelend de intrede van het bezettingsleger in mei 1940 was, zo chaotisch verloopt nu de verhuis naar Holland.  Fielitz en de zijnen verliezen regelmatig het contact met andere terugtrekkende eenheden.  Op eigen middelen, zonder enige samenhang probeert het konvooi aan de snel oprukkende geallieerden te ontkomen. Toch slaagt de Dienststelle, nog 35 man sterk,  erin zich te hergroeperen in Apeldoorn.  Zij rekwireren er verscheidene huizen en vestigen hun kantoor aan de Van Rhemenslaan. De groep van Fielitz wordt onmiddellijk ingelijfd in de plaatselijke organisatie van de SS-Polizei en ingezet tegen het Nederlandse verzet, een specialiteit waar ze, zoals we ondertussen weten, bijzonder bedreven in is.

Door het verraad van een zekere Lecluze kan Fielitz zich, reeds enkele dagen na zijn aankomst in Apeldoorn, rekenschap geven van de omvang en het belang van het Nederlandse verzet.  Hij gelast Hermann Veit, wie anders, met een onderzoek.

Veit gaat onmiddellijk aan de slag.  Dat het nu toch wel voor iedereen duidelijk moet zijn dat het einde van het derde Rijk bijzonder nabij is, laat hem siberisch. Op aangeven van Lecluze laat hij onmiddellijk vijftien man aanhouden en op de gekende manier ondervragen.  Hij laat er zeven los, de anderen worden op 2 oktober 1944 door een executiepeleton terechtgesteld.  Onder de slachtoffers een Engelse en een Amerikaanse piloot die door Holm tijdens een huiszoeking werden aangetroffen. Veit laat de lijken in een camionette laden en in Apeldoorn op de hoeken van de voornaamste straten etaleren met op de borst een plakkaat waarop staat “Ich bin ein Terrorist”.

Ook Frankenstein laat zich niet onbetuigd.  We zijn nog maar vijf dagen verder als opnieuw zes Nederlanders worden neergekogeld.  Dirckx speelt chauffeur en vervoert de slachtoffers naar de executieplaats waar Fielitz en Frankenstein hen al opwachten met het vuurpeloton.

Eigenlijk herneemt de Dienststelle gewoon de vroegere taakverdeling. Veit en Verhulsdonck, bijgestaan door de hulpjes Dirckx, Thonon en ook de genaamde Bob  Chantraine, spitsen zich toe op de bestrijding van de ondergrondse terwijl Holm zich bezighoudt met zijn geliefkoosde vakgebied, de jodenjacht.

In de gegeven omstandigheden, met de geallieerden bij wijze van spreken binnen schootsafstand, is die verbetenheid zondermeer hallucinant en het moet dus zo zijn dat indoctrinatie in staat is om de laatste grein gezond verstand te verdoven.

Want ondertussen, op 17 september 1944, zijn geallieerde airborne eenheden geland in Arnhem en Nijmegen. Dat de operatie “Market garden” op een mislukking zou uitlopen door het overmoedige optreden van de arrogante Fieldmarshall Bernard Montgomery, konden Veit en compagnie toen nog niet vermoeden. En Apeldoorn ligt slechts 25 km ten noorden van Arnhem.

De SIPO-leden krijgen zelfs de instructie om hun onderzoeken sneller af te ronden.  Het zorgvuldig vergaren van informatie door V-leute om vervolgens te intervenieren kost teveel tijd, er moet onmiddellijk en bijzonder hard worden opgetreden.  Begin september was er zelfs al een order uitgevaardigd waarin stond dat  er geen bezwaren meer bestonden tegen het uitbranden van huizen waarin weerstanders werden aangetroffen.

De ploeg van Veit houdt lelijk huis in de streek van Apeldoorn, zoveel is zeker.

Op 17 november arresteren zij de genaamde Kleiboer en steken ze zijn huis in brand.  Daags daarop herhaalt zich hetzelfde tafereel op het erf van Thomassen.  Drie dagen later is het alweer prijs bij Van Doorn in Venendaal, waar ze vader en zoon aanhouden.

Ze breiden zelfs nu en dan hun actieradius uit. Door het vinden van een brief kunnen ze vernemen dat er ‘s anderendaags, op 22 november, een vergadering van illegale werkers zal plaatsvinden in de Kamer van Koophandel in Utrecht.  Met behulp van Wehrmachtsoldaten omsingelen zij het gebouw.  Verscheidene aanwezigen worden aangehouden en later, zonder vorm van process, gefusilleerd.

In de ochtend van 2 december worden in de Willem II Kazerne 12 personen, waaronder een Amerikaanse piloot, neergeknald.  De slachtoffers werden gearresteerd door Verhulsdonck die, als gevolg van zijn opvallende dienstijver, de bijnaam “de vuurvreter” verwerft.

Op 6 december arresteert de sectie op de boerderij van Van Ginckel in Venendael de eigenaar en zes evacues uit het eiland Flakkee.  De hoeve wordt letterlijk leeggeplunderd, de aangehoudenen blijven allen achter in Duitsland.

Op 13 december komt de woning van Johannes Born in Drie bij Putten aan de beurt. Moeder Born en haar twee kinderen worden in de kelder opgesloten. In de loop van de dag lopen er nog verschillende nietsvermoedende burgers de woning binnen. Vader Born, zijn broer, zekere Van Eikenhorst en Doyerweerd en de koeriersters Aartje Simon en Corrie De Haan, ze lopen allemaal in de fuik van Verhulsdonck, Dirckx en Thonon. Het huis wordt platgebrand.

Er gaat haast geen dag voorbij of er wordt aangehouden, gemoord, geplunderd en gebrandschat.

Op 29 december, rond half drie in de namiddag, omsingelt de groep Veit de hoeve van Van Burgsteden in Stoutenburg.  Vader en zoon Van Burgsteden laten zich evenwel niet doen.  De zoon heeft een mestvork gegrepen om  de belagers te spietsen.  Maar natuurlijk, tegen met pistolen en machinegeweren gewapende SIPO-agenten is dat verweer zinloos.  Vader en zoon worden genadeloos afgemaakt.

En met deze actie sluit de sectie Veit het dienstjaar 1944 af…

Om na Nieuwjaar, hoe is het toch godbetert mogelijk, met hernieuwde energie de activiteiten terug op te starten.

Op 10 januari 1945 voeren Thonon en Chantraine een huiszoeking uit in een huis aan de Nijverheidsstraat.  Veit heeft hen er in de namiddag naartoe gezonden omdat de woning volgens zijn informatie een ontmoetingsplaats van koeriers is.  Dat blijkt inderdaad het geval te zijn.  Tegen de avond melden zich twee personen maar wanneer het duo Thonon-Chantraine tot arrestatie wil overgaan ontstaat ere en vuurgevecht waarbij Chantraine dodelijk getroffen wordt.  De tweede weerstander kan ontsnappen, tot grote frustratie van Thonon die voor deze mislukte actie van zijn chef Veit vanzelfsprekend geen felicitaties krijgt.  Wrokkig vanwege de uitschijting die hij van Veit op het bureel krijgt, gaat hij de volgende dag terug op onderzoek naar de Nijverheidsstraat.  Zijn aandacht wordt getrokken door een voorbijganger, de heer Mooibroeck, die zich volgens Thonon verdacht gedraagt. Wat die verdachte handelingen dan wel mogen zijn, Thonon weet het vermoedelijk zelf niet en de heer Mooibroeck waaschijnlijk nog veel minder. Het verhindert niet dat de man door Thonon wordt gearresteerd en zijn deportatie naar Duitsland niet zal overleven.  Het geval is typerend voor de wreedaardige willekeur waarmee de laatste stuiptrekkingen van het nazi-regime gepaard gaan.

Op 8 maart neemt de voltallige staf van de Dienststelle Gerber - Fielitz is ondertussen vervangen als chef, hij is “overgeplaatst” naar Duitsland - deel aan de massa executie aan de Woeste Hoeve, een represaille actie voor de aanslag op de Befehlshaber der Sicherheitspolizei Rauter.  Uit verschillende gevangenissen worden 117 gedetineerden in Apeldoorn samengebracht. In de ochtend van 8 maart worden ze met autobussen vervoerd naar de plek waar op de autoweg Apeldoorn – Arnhem de aanslag op Rauter werd uitgevoerd. De gijzelaars worden in groepen van twintig afgeknald door een peloton van de Grune Polizei, hun lijken in een lange lijn uitgestald langs de autobaan.

De laatste exploten van de Dienststelle vinden plaats op 12 en 13 april 1945.  Op bevel van de Sicherheitspolizei in Berlijn moeten bij een dreigende nadering van de geallieerden alle gevangengenomen terroristen onmiddellijk terechtgesteld worden.  Wanneer de staf van de divsie die Apeldoorn aan Gerber verdedigt het bericht doorgeeft dat de toestand kritiek is, wordt deze instructie scrupuleus uitgevoerd.  16 gijzelaars worden in het lager “MIA” neergekogeld.

“Hiermede eindigde de SIPO te Apeldoorn haar werkzaamheden.  Het front stortte kort daarop ineen.  Duitsland capituleerde op 8 mei 1945. De vesting Holland bood geen verdere weerstand meer. Gans de Dienststelle werd krijgsgevangen gemaakt. De Nederlandse overheden openden onmiddellijk een onderzoek nopens de in Nederland gepleegde feiten. Gerber., Ohmstedt en Frankenstein en Wigger, werden in Nederland vervolgd. De Belgen, alsook Veit en Verhulsdonck, werden aan de Belgische Justitie overgeleverd. Holm, die te Antwerpen de jodenvervolging had geleid, kon in de eerste dagen na de capitulatie ontsnappen, en werd sindsdien nooit meer teruggevonden.  Fielitz, die het bevel gevoerd had in Antwerpen en in Nederland tot februari 1945, kon evenmin gevonden worden,”

dixit de Antwerpse Substituut- Krijgsauditeur J. Maes in de slotparagraaf zijn ‘Uiteenzetting der zaak Veit, Hermann’.

En, hoe zou het nu zijn met

Ja, hoe zou het nu zijn met Jos Torfs ?   Na de bevrijding van Leuven kan Jos Torfs de monnikspij afleggen.  Op 8 september 1944 biedt hij zich aan op het gemeentehuis van Deurne om zijn dienst te hervatten. Torfs voelt zich nochtans niet echt thuis in de entourage waarmee hij toch vertrouwd zou moeten zijn.  Zijn makkers van de weerstand zitten nog  in de kampen, op de burelen wordt de dienst geleid door officieren die – niet zelden tegen hun zin – werden afgedeeld vanuit Antwerpen stad.   Met de Deurnese collega’s die niet tot de weerstandskern behoorden of daar niet duidelijk mee sympathiseerden, heeft Jos weinig voeling.

Daar komt nog bij dat hij meteen in een administratieve vaudeville belandt.  Na de arrestatie van het bijna voltallige korps, werd er voor gezorgd dat de achtergebleven vrouwen het maandloon van hun echtgenoot doorgestort kregen.  De vrouw van Jos heeft niet mogen genieten van die maatregel. Op den duur wordt het november en heeft Torfs nog geen frank gezien.  Ondertussen is Deurne terug een zelfstandige gemeente geworden en Jos moet met zijn probleem terecht bij de Deurnese gemeentesecretaris.  “Men is uw toestand aan het onderzoeken”, weet die hem te vertellen, “ ge moet ons een bewijs overmaken waar ge hebt verbleven en dat ge daar geen geld hebt verdiend, want in dat geval moet dit van uw wedde worden afgetrokken”. Vermoedelijk voor de eerste maal in zijn leven is Torfs sprakeloos.  Maar hoe onwaarschijlijk ook, Jos heeft zich opnieuw naar het Leuvense te begeven om daar bij de overste van de Benedictinnen om een bewijsje te gaan bedelen.  En met sierlijke letters schrijft moeder overste “ Le soussigne, Prieuze de l”Abbaye de Ste Gertrude a Louvain, certifie que M. Jos Torfs, ne le 11 Mai 1916, a ete herberge a l’ Abbaye du 15 Janvier a la liberation”.

Deurne is dan wel bevrijd maar de oorlog is nog niet afgelopen.  De Duitsers bevinden zich nog altijd op het grondgebied van Merksem, aan de overzijde van het Albertkanaal.  Bij de vuurgevechten zullen nog diverse doden vallen, ook onder de burgers en niet zelden is dat te wijten aan hun eigen overmoed.  Want ziet ge, de bevolking is euforisch en de nieuwsgierigen houden zich zo dicht mogelijk op in de buurt van de gevechten, kwestie van zeker niets te missen…

Zo wordt er duchtig over en weer geknald in de omgeving van de Tweemontstraat, niet ver van het Sportpaleis.  De balans van de gevechten liegt er niet om : 33 burgers gedood, 127 burgers zwaar gewond, 15 huizen met de grond gelijk gemaakt, 361 panden onbewoonbaar of zwaar beschadigd.

Bombardementen, terreur, verklikking en deportatie, gebrek aan van alles en nog wat, het heeft bij de bevolking ook een eeltkussen  op de ziel gelegd.  Diegenen die gisteren nog een zwart uniform droegen, schromen zich er niet voor om zich vandaag te draperen met de kentekens van de gewapende verzetsstrijders.  Collaboration until liberation, zeg maar. De jacht op de incivieken wordt geopend.  Jos Torfs beschouwt het als een prioriteit om ze op te sporen.  We hebben veel sympathie voor Jos en, gegeven het tijdskader, dient begrip opgebracht voor zijn gedrevenheid.  Maar Jos gaat wel ver, soms veel t ever.

Zo is hij van oordeel dat zijn officieren veel te laks optreden tegen bepaalde collaborateurs die volgens hem onmiddellijk achter slot en grendel behoren te zitten.  De verstandhouding met zijn hierarchie is in dat opzicht meer dan problematisch te noemen. Vooral de relatie met dienstdoend commissaris Bouhon – die overigens na enige tijd wordt afgezet op last van de Krijgsauditeur – ligt onder het vriespunt.

De inventieve Torfs heeft zo ondermeer een sluitend systeem bedacht om de ergste collaborateurs te identificeren, met name zij die tijdens de bezetting een zwart uniform of kentekens van een collaborerende organisatie droegen.  Op de Herentalsebaan was er een zeer Duitsgezinde fotograaf gevestigd waar dergelijke lieden zich  in al hun glorie lieten vereeuwigen.  Bij de intrede van de geallieerden had de fotograaf wijselijk de plaat gepoetst, uiteraard met achterlating van een hoop materiaal, waaronder de negatieven van die foto’s.  Jos Torfs laat de foto’s ontwikkelen en op een groot bord plaatsen om mensen, die op bus of tram stonden te wachten, uit te nodigen om tot identificatie over te gaan.  Op het bureau worden nu steekkaarten aangelegd waarop de foto’s van de verdachten prijken.

Het is allemaal niet van aard om commissaris Bouhon te enthousiasmeren en Torfs heeft met hem menige aanvaring.  De politie is immers ook belast met de aflevering van de zogenaamde bewijzen van burgertrouw, zonder dewelke het zeer moeilijk is om een betrekking te vinden.  Een baan bij de overheid is trouwens onmogelijk als men dat bewijs niet kan voorleggen.  Personen met een twijfelachtige achtergrond wendden zich, dixit Jos Torfs, rechtstreeks tot Bouhon die de zaak achter gesloten deuren afhandelde.  Het hoeft geen betoog dat de relatie tussen Bouhon en zijn ondergeschikte uitermate gespannen is. Maar ook over andere officieren is Jos niet te spreken en hij doet rechtstreeks zijn beklag bij een krijgsauditeur, een meer dan ongebruikelijke demarche in de geest van die tijd.

“Ik weet dat ze in Deurne niet graag werken en daarenboven soms tegenwerken”, zegt deze magistraat, “Hier hebt u 10 blanco aanhoudingsmandaten door mij ondertekend.  Ieder mandaat is voorzien van de stempel van het Krijgsauditoraat. Wanneer u een person aanhoudt, vul dan de naam en adres van de persoon in. Op die wijze kan de officier niets anders dan zijn dienst doen”.

Let wel, deze passage komt uit de niet-gepubliceerde memoires van Jos Torfs en de naam van de bewuste magistraat staat daar, om evidente redenen, niet bij vermeld.  Maar, zo dat de waarheid is – en veel redenen om daaraan te twijfelen zijn niet voorhanden – is dit zondermeer een hallucinante verkrachting van het legaliteitsprincipe.  Torfs krijgt hier eigenlijk een ‘lettre de cachet’ in handen zoals die in de tijd van Lowie de zonnekoning werd uitgevaardigd om opposanten zonder complimenten in het cachot te draaien.  En hij maakt er duchtig gebruik van.  Van zodra Jos een inciviek heeft opgespoord en gevonden, vult hij zo’n blanco check in met de identiteit van de persoon in kwestie.  Hij voegt er een rapportje aan toe en teent vervolgens naar het commissariaat waar hij het aanhoudingsmandaat laat inschrijven als ingekomen stuk en klaar is de zaak.  Op de vraag van zijn oversten hoe Jos wel in het bezit is gekomen van dat mandaat en waarom dit werd uitgevoerd zonder inschrijving op het commissariaat snauwt de onbeschofte Jos steevast dat hij dat maar moet vragen aan de heer Krijgsauditeur.  In die tijd, en overigens nog lang nadien, was de afstand tussen magistraat en politieman zo groot – behalve dan voor Jos Torfs – dat het idee alleen al om een krijgsauditeur te interpelleren niet aan de orde kwam.  En Jos maakt uiteraard gretig misbruik van deze wetenschap. Het zegt natuurlijk ook wel iets over de vakbekwaamheid van de officieren in kwestie wat dan weer enigszins ten gunste van Jos Torfs pleit.  Maar toch, een magistraat die zich vandaag de dag tot dergelijke praktijken zou lenen krijgt  zondermeer, en terecht, zijn ontslag.

Jos ziet het allemaal wel erg zwart – wit, letterlijk.  De zwarten zijn de slechte Belgen die hij opspoort,  arresteert en in zijn ‘zwarte beesten bakske’ naar het bureau voert.  Het ‘zwarte beesten bakske’ is een oude, iet wat verbouwde Studebaker die dienst doet als dienstvoertuig, het enige waarover het korps beschikt overigens. De witten zijn dan de vaderlandslievenden, in het bijzonder de echte weerstanders.  Tussen wit en zwart zit dan nog kleurloos, zijnde het gros van de bevolking die zich onder de bezetting dagelijks te bekommeren had om gewone dingen, buiten elke vorm van heldhaftig gedrag, het onderhoud van het gezin onder andere.  Andere kleurschakeringen, grijs bijvoorbeeld, kent Jos niet.

Mensen die door een samenloop van omstandigheden een verkeerde keuze hebben gemaakt, ze kunnen bij Jos Torfs maar op weinig begrip rekenen.

En toch wordt ook deze man, die de repressiemaatregelen  zo ongenuanceerd benadert en uitvoert, geconfronteerd met situaties die hem niet onberoerd laten, die zijn zwart – wit denkpatroon zoniet veranderen dan toch aan het wankelen brengen.

Zo is er het geval Verbeeck.  Op zekere dag krijgt Jos een telefonische oproep om zich naar het wijkbureel zuid te begeven. Er dient een collaborateur aangehouden en naar verluidt heeft het bureel zuid geen personeel ter beschikking om zich met die opdracht te gelasten.  Jos is achterdochtig en daar is reden toe. De officieren van dat bureel zijn zo mogelijk nog minder gecharmeerd van het optreden van hun ondergeschikte. Waarom toch wordt hem deze missie toevertrouwd ?  Op het bureel wordt de toedracht hem onmiddellijk duidelijk. De aan te houden persoon betreft Domien Verbeeck, niet alleen een ex-collega maar ook de mentor van Jos, degene die hem begeleidde bij de eerste stappen in zijn politieloopbaan en waarmee hij een goede band had.  Domien is de zoon van Prosper Verbeeck, een groot oorlogsinvalide van de Eerste Wereldoorlog, naar wie zelfs een straat werd genoemd, de Prosper Verbeecklaan, na de bevrijding veranderd in Montgomerylaan. De ontmoeting is bijzonder pijnlijk.  De oude Prosper Verbeeck zit met gebogen hoofd in de woonkamer.  Zijn zoon is al zeer vroeg tijdens de bezetting toegetreden tot de Wehrmacht en hij weet wat er te gebeuren staat. 

“Jos, ik had u al verwacht”, zegt Domien Verbeeck, “Ik weet niet wat ge nu gaat doen maar mag i k u een hand geven. Als ge echter niet wilt, zal ik er niet kwaad om zijn.” 

En Jos, den Torfs, de zwartenjager, reikt hem de hand.  Hij is de menige diensturen die hij met zijn oude collega heeft doorgebracht niet vergeten.   En zo leert ook Jos Torfs dat in het leven alles niet zo eenvoudig is, dat het leven een mens soms over kronkelige paden voert en dat een verkeerde beslissing weliswaar kan en mag beoordeeld en veroordeeld worden, maar dat er soms omstandigheden en oorzaken kunnen bestaan waarvoor men enig begrip zou moeten kunnen opbrengen.  En dat laatste is helaas tijdens de repressiejaren niet dikwijls het geval.

Ondertussen heeft het oorlogskabinet, onder leiding van Hubert Pierlot, met veel bombarie en heldenvertoon terug zijn intrede gedaan in het land.  Nog geruime tijd voor de bevrijding, heeft deze regering in ballingschap al een aantal besluitwetten geredigeerd die voorzien in zeer strenge straffen voor zij die de verkeerde kant hebben gekozen.   Een dikwijls genadeloze en soms onredelijke repressie, met buitenproportionele straffen voor minder ernstige vergrijpen, zal daarvan het gevolg zijn , die in het verlengde daarvan, tot op de dag van vandaag de bevolking zal verdelen in een pro en contra amnestie kamp.

Doodstraffen worden uitgesproken en uitgevoerd, soms, gegeven de verpletterende bewijslast verantwoord – tenminste zo men voorstander is van de doodstraf – soms ook op eerder twijfelachtige gronden.

Men moet natuurlijk een en ander kaderen in de tijdsgeest van toen.  Op 27 januari 1945 wordt Auschwitz door de Russen bevrijd. Daarna volgt stelselmatig de bevrijding van alle Duitse concentratiekampen.  De geallieerde soldaten weten niet wat ze zien.  Een groot aantal van de haftlingen zal slechts enkele dagen van de vrijheid kunnen genieten, ze kunnen niet meer gered worden en zullen nog ter plekke overlijden.

Van de 43 weggevoerde wouten keren er acht terug :

- Jos Veerman
-
John Wouters
-
Victor Boeckx
-
Corneel ‘August’ Van Hooydonck
-
Roger Nijs
-
Albert Peeters
-
Vital Claes
-
Jozef Strobbe

Ze zijn geknakt, gebroken en getekend voor het leven.

Jos veerman komt als laatste op 15 juni 1945 terug thuis.  Zijn dochter Maria pakt hem in de armen en draagt hem als een kind het huis binnen.  Hij weegt immers nog maar 39 kg. Hij  wordt langdurig opgenomen in het St. Vincentiusziekenhuis te Antwerpen  en zal vervolgens nog geruime tijd in het Ardense Villers La Ville doorbrengen om terug op krachten te komen.

Epiloog…

Het is 12 september 1947, op een  zaterdagmorgen, als om 6.00 uur een celwagen binnenbolt op het plein voor de militaire bakkerij op het Kiel.  Uit die celwagen komt een geboeide man tevoorschijn. Het is Fernand Weiss, een der meest sinistere beulen van het kamp van Breendonk.  Op zijn process heeft Weiss geen moeite gedaan om het doodsvonnis te ontlopen.  Stoicijns heeft hij toegegeven dat hij meerdere gevangenen letterlijk heeft doodgeslagen.  Het relaas van zijn executie vindt men terug in de Volksgazet van 12 en 13 september 1947:

“Een buitengewoon strenge ordedienst van rijkswacht en politie is ingericht. Op de wallen rondom de binnenplaats waar het vonnis zal uitgevoerd worden, hebben agenten een cordon gevormd om de koppige kijklustigen te weren. Auditeurs, griffiers, rechterlijke en politiecommissarissen nemen hun plaatsen in ; de rijkswachters, die het vonnis zullen voltrekken, stellen zich op twee rijen van zes. Weiss marcheert tussen vier gendarmen de binnenplaats op, de handen geboeid op den rug. Bleek en grauw is zijn gelaat en de ongeschoren kin steekt af als een donkere vlek. Voor den paal gekomen, staat hij stil en keert het gelaat naar de opeengepakte menigte. Zijn trekken blijven onbewogen. Een griffier in khaki stapt op hem toe en leest het vonnis voor. Weiss schijnt niets te hooren : als verwezen staart hij voor zich uit, met ingezakte schouders.  Even blikt hij naar het uitspansel, waar de eerste zonnestralen doorschieten en waar zwermen vogels fladderen. Twee mannen in burger grijpen den ter dood veroordeelde vast, binden hem den blinddoek voor en draaien hem met den rug naar het executiepeloton. Wanneer de mannen zijn armen met het touw hoog vastsnoeren, roept Weiss luidop uit : “Moeder…Maria…”.  Iedereen aan den paal treedt terug; Weiss hangt er als een misvormde ledepop aan. Een commando : “Legt aan…” De geweren worden aan den schouder gebracht. “Vuur..!”  Een kort salvo…Het lichaam zakt ineen… stukken hout vliegen in het ronde…Weiss heeft geboet. …”

Jos Torfs heeft die executie bijgewoond.  “Toen knapte er toch iets bij mij,” weet hij nog, “eens was die schurk Weiss mijn schoolkameraad geweest”.


Op beeld klikken voor een vergroting
sluiten of swipen om terug te kern

De compaan van Weiss, Richard De Bodt is kunnen ontkomen.  Hij wordt later, in 1950, door stom toeval, omdat hij in een officieel document een valse geboortedatum heeft vermeld, ontdekt en aan Belgie uitgeleverd. Hij zal de gevangenis van Leuven niet levend verlaten.

Welke straf Hermann Veit en co van de Krijgsraad toegemeten kregen, is mij helaas niet bekend.  Ik heb het vonnis niet kunnen terugvinden. Ik ben daarin wellicht te laks geweest, maar ik kreeg het gevoel dat het opzoekingswerk mij stilaan begon af te remmen in de aandrift om uiteindelijk met het schrijfwerk te beginnen.

Van Johannes Hassebroeck, de kampcommandant van Grosz-Rosen, weet ik dat hij werd veroordeeld tot een eerder milde gevangenisstraf, dat men weigerde hem uit te leveren en dat hij na een rustige oude dag een natuurlijke dood stierf.  Tot aan zijn dood was hij ervan overtuigd dat hij in eer en geweten en voor de goede zaak gestreden had.  Fascist tot in de kist.

De acht teruggekeerde oorlogswouten, en ook Jos Torfs, zijn vanzelfsprekend niet meer in leven. Alhoewel, Jos Veerman is tweeennegentig geworden.

Met de kinderen en kleinkinderen van de gedeporteerden, heb ik verschillende gesprekken gevoerd en hun indrukken  naar best vermogen weergegeven. Zij wilden absoluut niet dat hun vader, grootvader of grootoom zou worden vereenzelvigd met een bepaald deel van de stedelijke ambtenarij dat slaafs, of nog erger, actief participerend, onwettelijke en inhumane instructies van de Duitse bezetter opvolgde.  Waarvan akte en waarvoor begrip.

En ergens in December van het jaar 2010, volgens de Afghaanse kalender 1389, bevind ik mij op een militaire basis in Kunduz.  Ik ben als onderzoeksrechter gedetacheerd naar de EUPOL-missie om er mijn bijdrage te leveren aan de heropbouw van het Afghaanse rechtssysteem.

Ik sta in een container van de firma ECO CLEAN of iets van die naam, waar ik mijn wasgoed af  te leveren heb. Als ik mij omkeer staat er achter mij een Duitse militair.  Een piepjonge soldaat, tenger, brilletje, volstrekt niet het type van de krijgshaftige Teutoon.  En geloof het of niet, boven de rechter vestzak prijkt zijn naamplaatje : VEIT.  En ik, ik durf het niet vragen, ik durf hem niet aanspreken, ik zal het dus nooit weten.

Politieagenten achtergebleven in de concentratiekampen

Op beeld klikken voor een vergroting
sluiten of swipen voor terug

   

   

  

   

Politieagenten teruggekeerd uit de concentratiekampen

Op beeld klikken voor een vergroting
sluiten of swipen voor terug

 

 

Burgemeester Alfons Schneider

Burgemeester Alfons Schneider, die in 1937 Lode Craeybeckx opvolgde, genoot een enorme populariteit onder de Deurnese bevolking. Hij was op 25 mei 1944, waarschijnlijk op verklikking door één der "De Vlag" leden van het Schepencollega van Groot Antwerpen, waaruit hij ontslag had genomen, aangehouden en op 18 juni naar Duitsland gedeporteerd samen met talrijke leden van het gemeentepersoneel.

Hij stierf de marteldood te Harzungen-Buchenwald op 4 augustus 1944. Ter ere en nagedachtenis van burgemeester Schneider werd een indrukwekkende herdenkingsplechtigheid gehouden.

Uit het denkboek ontlenen wij:

"Moge de schaduw van Alf ons Schneider, met zijn heerlijke uitstraling van dienstbetoon, politieke rechtvaardigheiden helder doorzicht blijven zweven rond dezen die morgen zullen geroepen zijn de toekomstige lotsbestemming van zijn geliefd Deurne in handen te nemen. "

Achterflap

Frank Camberlain, onderzoeksrechter in Antwerpen en momenteel actief in Kunduz voor de missie Eupol, heeft een boek geschreven over een pijnlijke periode in de geschiedenis van het Deurnese politiekorps (nu zone Oost).

In januari 1944 werd het voltallige korps door de Duitse bezetter gearresteerd. 43 politieofficieren en -agenten werden op transport gesteld naar de concentratiekampen en slechts acht van hen overleefden die gruwel. Sommige straatnamen in het district Deurne, zoals de Eugeen Fahylaan om er maar een te noemen, werden toegekend aan collega's die de hel niet overleefden.

De auteur is een voormalig lid van het Deurnese poltiekorps.