|
Patricia Beyssens - De Singel Spötterdammerung - 11/01/2006
Overname uit Programmaboekje Kleine muziekjes 2005-2006 Inhoud - Programma
Lied-programma Spotterdammerung Patricia Beysens zang, Dick van der Harst muzikale leiding, arrangementen & bandoneon, Frank Vercruysse piano, Tcha Limberger viool, gitaar, klarinet, percussie, Griet Van Regenmortel cello.Inleiding door Geert van Istendael, 19.15 uur, Foyer - teksten programmaboekje Patricia Beysens, Geert van Istendael coördinatie programmaboekje de Singel Spötterdämmerung
Wir waren ja nur Kinder (Jochen Kramer/ Manfred Schmitz) Eine dicke Familie (Peter Hacks/Henry Krtschil) Der Gesang vom verlorenen Sohn (Erich Kästner/ Edmund Nick) Auf dem Karussell (Jochen Kramer/Manfred Schmitz) Und endlich (Peter Altenberg/Hanns Eisler) Alte Männer (Maike Nowak/Stefan König) Der Mann der vor mir lebte (Gisela Steineckert/Manfred Schmitz) Die hysterische Ziege (Friedrich Hollaender) Spötterdämmerung (Friedrich Hollaender) Das Lied von der belebenden Wirkung des Geldes (Bertolt Brecht/Hanns Eisler) Der Graben (Kurt Tucholsky/Hanns Eisler) Vöglein Schwermut (Christian Morgenstern/Yrjö Kilpinen) Alles Schwindel (MarcellusSchiffer/Mischa Spoliansky) Das Pferd (Bertolt Brecht/Paul Dessau) In Hamburg und Lübeck und Bremen (Robert Gilbert/Werner Richard Heymann) pauze Youkali (Kurt Weill) Ich weiss nicht zu wem ich gehöre (Robert Liebmann/Friedrich Hollaender) Der Song von Mandelay (Bertolt Brecht/Kurt Weill) Das ‘Vielleicht’- Lied (Bertolt Brecht/Hanns Eisler) Krieg dem Kriege (Kurt Tucholsky/Günter Hauk) Traurigkeit (Berthold Viertel/Hanns Eisler) Die Kirschenballade (Heinz Kahlau/Gerhard Folkerts) Mondlied (Peter Hacks/André Asriel) Modell - danach - gekränkt (Rudi Strahl/Günter Hauk) Die Kleptomanin (Friedrich Hollaender) Bei einem Abschied (Heinz Kahlau/Jan Van Looy) Sei nicht so hart/Gib mir Dunkel (Gisela Steineckert/Manfred Schmitz) Tegen de stormwindInleiding door Geert van Istendael - InhoudHet minste wat je kunt zeggen is dat in ons land de kennis van de Duitse taal weinig verspreid is. De afkeer die vroeger bestaan heeft en die heel begrijpelijk was, heeft reeds lang plaats gemaakt voor kamerbrede onverschilligheid. Al te gemakkelijk worden woorden als ontoegankelijkheid of onmogelijke spraakkunst bovengehaald zodra het over Duits gaat. Het heeft natuurlijk veel te maken met de verwoestende economische, commerciële, politieke, militaire en dus ook culturele agressiviteit van de Angelsaksische wereld. Sla ik een doordeweekse krant open, dan krijg ik vaak het idee dat buiten het Engelse taalgebied nauwelijks nog iets wordt gedacht, gelezen, geschreven, gezongen of gedrukt. Georges Steiner heeft ooit gezegd dat het linguïstische monopolie van het Engels een dodelijke bedreiging vormt voor de cultuur. Onder die pletwals zijn wij hier zelfs ons eigen nationale Frans aan het verdringen, een onvergeeflijke domheid, maar dat geheel terzijde.Al jaren nu zingt Patricia Beysens tegen de stormwind in. Tegen het commerciële, tegen het al te gemakkelijke, tegen het onmiddellijk grijpbare. Je kunt natuurlijk zeggen dat de songs van Brecht en Weill wél algemeen bekend zijn en inderdaad, de bekende deunen uit de Driestuiversopera waren bij de creatie op slag populair. Maar Patricia Beysens weet beter dan wie ook dat Brecht en Weill niet zomaar uit de lucht zijn komen vallen. Zij hadden weet van wat zich afspeelde in het Duitse cabaret, van ‘Überbrettl’, ‘Elf Scharfrichter’, ‘Schall und Rauch’ en wat er nog allemaal op de planken kwam in München en Berlijn, voor en na de Eerste Wereldoorlog. Van Brecht, een echte Beier trouwens, bestaat een vroege foto waarop hij te zien is, een of andere fluit bespelend, in het bandje dat de onvergelijkelijke komiek Karl Valentin begeleidde. Kurt Tucholsky hoort thuis in die traditie - maar is dat woord niet te zwaartillend - en ook Erich Kästner en de protestzanger Walter Mehring. Een van de waarlijk grote figuren uit het Berlijnse cabaret was Friedrich Hollaender. Hij is de man die tekst en muziek schreef voor ‘Ich bin von Kopf bis Fuss auf Liebe eingestellt’, dat dankzij de legendarische vertolking die Marlene Dietrich ten beste geeft in de film ‘Der blaue Engel’ een wereldhit wordt. ‘Der blaue Engel’ komt uit in 1929, het jaar waarin ook de Driestuiversopera wordt gecreëerd, het jaar waarin de beurs van Wall Street en met haar de hele wereldeconomie aan diggelen valt. Vier jaar later vermoordt de hakbijl van het nationaal-socialisme het eerste democratische bestel dat Duitsland mocht meemaken. Het laatste cabaret uit die periode, ‘Die Pfeffermühle’, dat door Erika Mann, dochter van Thomas Mann, in januari 1933 in München was opgericht, moet al na enkele weken schielijk naar Zürich verhuizen en gaat vandaar naar Amsterdam. Patricia Beysens is geen muziekarcheologe. Ik zou haar en haar werk schromelijk te kort doen als ik hier beweerde dat ze de zangeres is die het cabaret uit de Weimarrepubliek laat herleven. Ten eerste is ze zeker geen cabaretière, maar een zangeres, een onderschatte en nog altijd veel te weinig bekende zangeres. Maar we moeten toch, ten tweede, toegeven dat het juist de Duitse songs uit de jaren twintig en de vroege jaren dertig van de vorige eeuw zijn die ons die schokkende periode in het meest gewonde en meest dramatische deel van Europa door de oren boren. Ze zijn onmiddellijk herkenbaar, onverwisselbaar, met niets te vergelijken. Expressionisme, Duitse muziekgeschiedenis en jazz - toen gloednieuw en stormenderhand Europa veroverend - stoten op elkaar. Het leeuwendeel van het materiaal komt daarbij uit het cabaret. Dit wil niet zeggen dat het van de eerste tot de laatste noot lachen geblazen is, helemaal niet. Tekst en muziek zijn én rauw én geraffineerd tegelijkertijd, én ironisch én tragisch, in één beweging.
Hier wordt “de ruimte van het volledig leven” (Lucebert) tot uitdrukking gebracht op een manier die nooit eerder vertoond was en die ons tot op heden kan blijven verrassen en ontroeren. Verrassen, zeker, want Patricia Beysens beperkt er zich niet toe een paar overbekende meezingers uit het oeuvre van Brecht te brengen (die hoe dan ook niets van hun kracht verloren hebben), zoals ‘Denn wie man sich bettet, so liegt man’ uit ‘Mahagonny’ of het subtiele en zeer melodieuze ‘Lied vom kleinen Wind’ uit ‘Schweyk im Zweiten Weltkrieg’ op muziek van Hanns Eisler. Ze aarzelt niet om ook het avantgardistische werk van Eisler te zingen, hermetische, aartsmoeilijke melodieën als die ‘Vom Sprengen des Gartens’ of ‘An eine Stadt’, op tekst van niemand minder dan Friedrich Hölderlin. Verrassen doet ze bovenal omdat ze onbekende teksten, onbekende muziek uit de Berlijnse jaren twintig weer tot leven wekt. Wie zou zonder haar optredens bijvoorbeeld ooit naar Tucholsky zijn gaan luisteren? En naar de absurde dichters Ringelnatz of Morgenstern? Dankzij haar intensieve contacten met de grote Oost-Duitse vertolkster Gisela May heeft Patricia Beysens volslagen onbekend materiaal tot bij ons gebracht. De krankzinnige regels van Morgenstern en Ringelnatz werden in de DDR op muziek gezet, muziek van ongehoorde kwaliteit. En meteen moeten we naast de twee grote doden andere dichters vermelden, levende dichters die zo onbeschaamd waren in Oost-Duitsland te wonen en daar te werken en daar te blijven. Zelden heb ik een toon gehoord die gevoeliger is, bescheidener, meer bedachtzaam, haast Taoïstisch teruggetrokken, een fluistertoon, als in ‘Er war ein Junge von sechseinhalb Jahr’ van Jochen Kramer of ‘Alles was wahr ist’ van de nu hoogbejaarde Heinz Kahlau. Wie achter het woord ‘wahr’ een drammerig, leninistisch pamflet zou vermoeden, vergist zich niet weinig, het gedicht gaat over sneeuw, gras en stilte. Zonder de koppig volgehouden inzet van Patricia Beysens zouden die namen en die van anderen, Gisela Steineckert, Peter Hacks, Wolfgang Heller, enzovoort, nooit tot ons zijn doorgedrongen. Een beetje doorgedrongen, we moeten ons nu ook niet te veel illusies maken. Tussen 1933 en 1945 was het cabaret, het prachtige, sterke cabaret in Duitsland morsdood. Karl Valentin kon zich nog wel, wegens zijn ijzersterke reputatie, een paar scherpe grappen veroorloven tijdens het carnaval van München, maar dat was het dan ook zo ongeveer. Na 1945 leefde het cabaret weer op in West-Duitsland, maar evenzeer, en dat is hier nauwelijks bekend geraakt, in Oost-Duitsland. Het zou te ver gaan als ik hier zei dat het cabaret in de DDR een vrijplaats was, maar cabaretiers konden zich vrijheden veroorloven die in theater of literatuur slechts bij uitzondering mogelijk waren. Het resultaat bestond niet zozeer uit min of meer geslaagde grappen en grollen, situatiehumor die de dood van de republiek niet kon overleven, maar uit dozijnen adembenemend mooie chansons, waarbij het aangrijpende van de tekst slechts werd overtroffen door de sensibiliteit van de melodie. Vooral in hun chansons zagen de Oost-Duitse tekstschrijvers de mogelijkheid steeds opnieuw op zoek te gaan naar de grenzen die de censuur wilde afbakenen. Last van wat je commerciële censuur zou moeten noemen - iets krijgt geen enkele kans omdat het onverkoopbaar is - hadden ze niet ginder. Dagelijkse gevoelens, rechtstreekse, kleinschalige communicatie, daar ging het hun om, niet op verkoop. Hun platen en hun boeken vlogen de winkel uit en hun inkomen was min of meer gewaarborgd. Dat heeft een bijna tastbare, maar ook ingehouden gevoeligheid opgeleverd, een zachtzinnig, maar nooit zoetelijk mediteren over het nabije dagelijkse en dat zingt Patricia Beysens zeer kwetsbaar en daardoor juist zo doordringend. Componisten als Henry Krtschil of Manfred Schmitz zijn de waardige opvolgers van Weill, Eisler en Dessau. Primeert bij hen het ambacht boven de geniale visie? Misschien. Maar zij zijn en blijven grote meesters, zowel in het romantische, neem nou het meeslepende ‘Sei nicht so hart / Gib mir Dunkel’, als in het hilarische, neem nou ‘Eine dicke Familie’. Dankzij Patricia Beysens hoeven we niet in Berlijnse achterafstraatjes te gaan zoeken naar gekraste elpees met verkleurde hoezen. We zouden nauwelijks weten wát we moeten zoeken. Patricia Beysens is de bekwame gids die ons leidt door het wonderlijke land van het Duitse chanson. En laten we bij die woordcombinatie niet vreemd opkijken. Het Duitse chanson is intussen een eeuw oud. Zijn geschiedenis is, zoals die van zijn land, verhakkeld en verscheurd. Maar juist daardoor kan het Duitse chanson ons boeien en ontroeren. En veel leren. Bedankt! Geert van IstendaelSoms kies je, soms word je uitgekozen. Toen mijn oudere broer een elpee in huis bracht met historische opnamen van de ‘Dreigroschenoper’ van Brecht/Weill werd in mij een gevoel wakker gemaakt wat niet meer tot rust is gekomen. Ik was op school niet goed in Duits en opstandig betreffende de naamvallenrijtjes (want je kunt toch onmogelijk in een gesprek al die rijtjes afgaan) en ik had mijzelf dan ook nooit gezien als iemand die Duitse chansons zou gaan zingen. Toen in januari 1981 Steef Verwee mij voorstelde om een programma ‘Im Schranke’ over te nemen, wegens terugkeer van de oorspronkelijke initiatiefneemster naar Berlijn en ziekte van een opvolgster, kreeg ik een paar uur bedenktijd plus een stapeltje teksten en een cassette en ik heb ja gezegd. Vijf weken had ik tot de première, waarin ik mij heb ondergedompeld in Duitse radio, goede raad van mensen die Duits spraken en met toch wel een opgewonden gevoel, dat het Duitse chanson mij gevonden had, zonder dat ik ernaar had gezocht. Een trouwe liefde was al ontloken toen Steef - na drie jaar en een eerste elpee - de strijd die je moet voeren om dit genre in België verkocht te krijgen, moegestreden was. Maar ik was gebeten en ging verder. Met partituren en de stimulans van de begeleider van Gisela May, de componist Manfred Schmitz, stelde ik een nieuw programma samen. In januari ’86 trok ik naar Berlijn om Manfred voor te stellen me te begeleiden op een nieuwe elpee ‘Alles was wahr ist…’ waarop het merendeel van de composities van hem was. De Berlijnse muur stond er nog en elke dag ging ik via de grensovergang Friedrichstrasse met een tas vol exotisch (voor Oost-Berlijn) fruit en groente naar de ‘Overkant’. Er werd liefdevol gerepeteerd en onderhandeld. “Ja, dat was heel goed maar… hier kun je nog meer spanning opbouwen door even te wachten, hier moet je dat in één adem doen”. Na afloop stond mijn tekstblad vol strepen, boogjes en pijltjes. En wederom was Steef Verwee ervoor gewonnen om deze elpee te produceren, ondanks ingewikkelde onderhandelingen - via het inmiddels uitgestorven communicatiemiddel telex - met strenge DDR staatstheaterbureaus, om de grote bezieler en uitmuntende begeleider Manfred Schmitz naar het ‘Westen’ te kunnen laten reizen. Henry Krtschil, een andere componist/begeleider van Gisela May zond mij ook zeer veel liederen toe en was verheugd met het feit dat - en het resultaat. Manfred Schmitz bracht mij ook in contact met de grote’ Gisela May’, die ik op mijn dertiende of veertiende heb zien optreden in de Lantaarn in Rotterdam. Na een paar mislukte pogingen om een workshop te volgen werd ik uitgenodigd als deelneemster aan haar masterclass in de Akademie der Künste Ost-Berlin in oktober ’89, een maand voor de muur zou opengaan, maar dat wisten we toen nog niet. Een spannende tijd, en met rode oortjes luisterde we naar wat Frau May te vertellen had over de laatste ontwikkelingen. Een strenge vrouw, met veel gevoel voor nuance, nooit moederlijk, altijd alert en met zeer veel waardevolle kennis en via een kostelijke, theatrale communicatie nam ze ons mee naar de wereld van het Berliner Ensemble, Hanns Eisler, Helene Weigel en Paul Dessau. Ik heb sindsdien nog talloze van die masterclasses gevolgd en heb daarbij ook zeer veel Duitse collega’s ontmoet, waardoor ik mij minder ‘eenzaam’ begin te voelen. Om mijn Duits bij te schaven, zonder ontmoedigende grammaticale avondcursussen te volgen, lees ik bijna uitsluitend in het Duits, allereerst biografieën van schrijvers, waarvan ik teksten zing, zoals Kästner, Tucholsky, Brecht, Ringelnatz, maar ook van de componisten Weill en Eisler. Het blijkt dat over de hele wereld zo’n ‘zotten’ rondlopen zoals ik, die door dit literaire muziekgenre gebeten zijn en er een levenswerk van maken om studies te maken over het fenomeen Duits chanson, wat zich onderscheidt van het Franse doordat het meer politiek gewicht en precisie met zich meedraagt. Dochters van de componisten Hollaender, Spoliansky en Heymann hebben me liedjes toegestuurd, met grote verbazing dat er in België een juffrouw rondloopt die deze liedjes wil brengen en dan nog wel in het Duits. De betreffende dames zijn mij op het spoor gezet door Alan Lareau, een professor Duits aan de universiteit van Oshkosh, Wisconsin, die eveneens boeken schrijft over Weimar Kabarett, Tucholsky en Hollaender en meewerkt aan het uitbrengen van historische opnames op cd. Verder voorziet hij een aantal zangeressen van origineel repertoire, vaak handschriften, en ik prijs me gelukkig een van hen te zijn en het moet gezegd, hij voelt ook heel goed aan welk repertoire mij ligt en die liedjes lijken mij soms wel op het lijf geschreven. Hij heeft ook voor mijn laatste twee cd’s een inleidende tekst geschreven. Die cd’s die uitkomen is een verhaal apart. Ik ontmoette Hans Kusters via via en hij probeerde me in een informeel gesprek ‘op de kast’ te krijgen in verband met die Duitse liedjes. Ik ben erin getrapt en probeerde met de nodige argumenten het genre te verdedigen. Het was blijkbaar overtuigend waar ik mee bezig was en later heb ik begrepen dat dit genre ook een plaats had in het hart van Hans Kusters. Hij geeft sindsdien de cd’s uit, waarbij ik iedere keer het volste vertrouwen kreeg in repertoirekeuze en uitvoering. Een aantal jaren heeft Hans Bruneel van Muziek Lod het Duitse programma gesteund en gepromoot en ik reken hem nog steeds tot de fanclub. Een andere fan van het eerste uur is Micheline Pots, die sinds de eerste voorstelling van’ Im Schranke’ er nog weinig gemist heeft en inmiddels een vertrouwd gezicht is geworden, menig bisnummer heb ik al aan haar opgedragen. En wat is er te vinden over de mannen die met zo’n ‘Duitse
chansonnière’ door het leven gaan? Mijn ex-man, de saxofonist
Mike Zinzen heeft de eerste stapjes meegemaakt. Het
muziekgenre was niet echt zijn ding, maar al doende ontsnapte
hij er niet aan dat ook hij soms met het zweet in z’n handen
stond als ik daar op het podium bezig was. Het blijkt een
muziekgenre wat vreemd genoeg ook zeer veel jazzmusici
aanspreekt, want na al die jaren mag ik hem nog steeds vaak tot
het publiek rekenen, hetzij om persoonlijk maar ook ongetwijfeld
artistieke redenen. Mijn huidige levensgezel, opgegroeid in een
uitgesproken anti-Duits milieu, is inmiddels met mondjesmaat
doordrongen van de schoonheid van deze liederen en de kritische
en oprechte poëzie en steunt mij als grafisch ontwerper om de
‘handel en wandel’ te begeleiden. Verder natuurlijk ongelooflijk
hoe de inzet van de musici me in al die jaren gesteund heeft.
Speciaal wil ik hier de nu bijna negentienjarige samenwerking
vermelden met de pianist Frank Vercruysse.
Bedankt omdat ik hier nu anders niet had gestaan: Steef Verwee, Lydia Billiet, David Warwick, Erik Vermeulen, Edward Buyse, Manfred Schmitz, Henry Krtschil, Gisela May, Frank Vercruysse, Koen De Cauter, Hans Bruneel, Geert van Istendael, Dick van der Harst, Tcha Limberger, Michiel Weidner, Alan Lareau, Hans Kusters, Jan Van Looy, Dirk Peeters, Leonard Nolens, Griet Van Regenmortel, Monika Wenzky, Carlos Dekeyrel, Dirk Braeckman, Felix Tirry, Marcel Van Waerebeke, Ro.j.j. Ackman, Jean Pierre Wenseleers, alle dichters en componisten, theaterbureau’s en organisatoren en de nog steeds aangroeiende schare trouw publiek. Patricia Beysens - InhoudParticia Beysens - Bio - Inhoud Patricia Beysens (°1956, Rotterdam) woont en werkt sinds 1974 in België. Ze is autodidact vocaliste, instrumentaliste (o.a. bastuba, flügelhorn) en schilderes. Haar muzikale veelzijdigheid resulteerde uit de samenwerking van jongsaf aan met groepen in zeer uiteenlopende genres: middeleeuwse- en renaissanceliederen, Indische muziek, ragtime, New Orleans-, mainstream- en moderne jazz, geïmproviseerde muziek en fusion, blaasensembles (o.a. St. Juttemis), Nederlandstalige liederen, joodse muziek (klezmer en sefardische liederen) en bovenal, reeds sinds meer dan twintig jaar: het Duitse chanson. Patricia Beysens werkte mee in muziektheaterproducties van Theater Arena en Muziek Lod en musiceerde en zong in combinatie met dansvoorstellingen. Zij schrijft ook liedteksten (Nederlands- en Engelstalig). Momenteel treedt zij voornamelijk op met Duitse liederen, die door jarenlange research, workshops bij Gisela May en persoonlijke contacten met schrijvers en componisten steeds meer gerijpt zijn en verder reiken dan het doorsnee gekende repertoire. In dit genre verschenen van haar twee elpees en drie cd’s, waar naast de bekende Brecht, Kästner, Tucholsky, Holländer en muziek van Weill, Eisler, Dessau ook onbekende namen in het zonnetje gezet worden: Gisela Steineckert, Jochen Kramer, Heinz Kahlau met de ex-DDR componisten Manfred Schmitz en Henry Krtschil en nog vele anderen. Buiten het Duits literair chanson houdt Beysens zich nog bezig met het joodse repertoire, bij de groep Klezmokum (Amsterdam) waar zij ook in meezingt, vier cd’s mee heeft opgenomen en internationaal toert in Duitsland, Frankrijk, Oostenrijk, België en ook reeds vier maal te zien was op het Joods Festival in de Knitting Factorie in New York, en met de Antwerpse groep Klezmic noiZ waar zij ook twee cd’s mee heeft uitgebracht. Verder brengt Patricia Beysens jazzrepertoire met big band (o.a. Billy Holiday), kwartet of in duo en heeft in dit genre ook opnamen op haar naam staan. Beysens gaf zeven jaar zangles in de Jazzstudio in Antwerpen en doceert sinds twaalf jaar in het Herman Teirlinck Instituut (zang en regie van spelprojecten/muziektheater rond het Duits chanson, tango, etc.). Zij werkte twee jaar mee aan het radioprogramma ‘Het einde van de wereld’ op Radio 1, waarin zij Duitse verhalen vertaalde en vertelde van diezelfde expressionistische schrijvers. Het zwaartepunt van haar interesse ligt in het Duitse chansonrepertoire tussen 1900 en nu, met de nadruk op de roerige tijd van de jaren twintig-dertig in Berlijn, toen de ‘Kabarets’ ondanks de economische crisis en politieke strubbelingen veel succes kenden onder alle lagen van de bevolking en ook de perfecte weerspiegeling gaven in een uiteenlopend repertoire van satire en humor, weemoedige poëzie en decadentie, naast de sociaal geëngageerde liederen die vooral in Duitsland niet waren weg te denken. Patricia Beysens was op 8 april 2001 met Duitse liederen te zien en horen in het VPRO televisieprogramma ‘Reiziger in Muziek’ en op 2 november 2003 in het VPRO televisieprogramma ‘R.A.M.’.
Discografie Duitse liederen onder de naam van Patricia Beysens: 1984: LP ‘Im Schranke’ (ACE 843) (met Erik Vermeulen) 1986: LP ‘Alles was wahr ist’ (CP330) (met Manfred Schmitz, Kurt Van Herck, Frans Tunderman) 1994: CD ‘Und endlich…’ (Granota 0510) (met Frank Vercruysse, Dick van der Harst, Tcha Limberger, Michiel Weidner) 1999: CD ‘Ich weiss nicht zu wem ich gehöre’ (HKM 42066) (met Frank Vercruysse, Dick van der Harst, Tcha Limberger, Michiel Weidner) 2003: CD ‘Spötterdämmerung’ (HKM42222) (met Frank Vercruysse, Dick van der Harst, Tcha Limberger, Griet Van Regenmortel) 2001: als gast CD ‘Reiziger in muziek’ uitgegeven door de VPRO De drie cd’s onder Granota en HKM zijn nog in de handel verkrijgbaar. Dick van der Harst - InhoudDick van der Harst (°1959) is muzikant, arrangeur en componist. Sinds 1989 is hij componist in residentie bij Het muziek Lod. Hij creëerde muziektheaterproducties met onder anderen Thierry Salmon, Guy Cassiers, Alain Platel en sinds enkele jaren met Eric De Volder (Diep in het bos (1999), Vadria (2000), Zwarte vogels in de bomen (2002) & Achter ’t eten (2003)). Zijn eerste samenwerking in 2004 met de Waalse regisseur Dominique Roodthooft resulteerde in l’opéra bègue /stotteropera. Naast het muziektheaterwerk schrijft van der Harst muziek voor zijn eigen ensembles (o.a. Audible Life Stream) en voor anderen (Oxalys, Quatuor Danel…). Zijn werk is verschenen op verschillende cd’s. Met bewondering voor het vakmanschap maar tegelijk weerstand tegenover het maatwerk, gebruikt van der Harst in zijn composities zowel jazz, klassiek als volksmuziek. Altijd opnieuw zoekt hij naar wat authenticiteit vandaag kan betekenen. Het resultaat is muziek waar geen model voor bestaat: hij legt zijn oor te luister bij muziek uit andere tijden, andere landen, andere culturen, en verbindt die stijlen en genres intuïtief met zijn muzikale wereld en creëert zo een eigen artistieke taal. Respect, eerlijkheid en ambachtelijkheid staan op de eerste plaats, zoals duidelijk blijkt uit projecten als ‘Het huis der verborgen muziekjes’ en de fanfare Banda Azufaifo. De muziek van van der Harst is menselijk, en laat grote vrijheid aan de muzikanten die ze uitvoeren. Voor dit seizoen staat een tweede Huis der verborgen muziekjes op stapel. En in het Europa-project zal van der Harst samen met theatermaker Koen De Sutter een eigenzinnige kijk geven op de geschiedenis van Europa. In 2001 kreeg Dick van der Harst de Louis Paul Boonprijs “voor zijn maatschappelijk engagement en de binding met de mens die in zijn hele oeuvre terug te vinden is”. Voor ‘Achter ’t eten’, waarin hij een nieuwe stap zette in zijn zoektocht naar het ultieme muziektheater waar er geen verschil meer is tussen het personage dat spreekt en het personage dat zingt, werd hij in 2004 samen met Eric de Volder bekroond met de Grote Theaterfestival Prijs. Frank Vercruysse - InhoudFrank Vercruysse (°1952, Izegem) kreeg zijn opleiding in de academies van Izegem en Harelbeke en de conservatoria van Kortrijk en Gent. Hij studeerde er piano, orgel en kamermuziek. Sinds 1983 verzorgt hij de dansbegeleiding in het Hoger Instituut voor Dans waar hij ook algemene muziekleer doceert. Als pianist werkt hij samen met internationaal gerenommeerde docenten en choreografen, zowel voor klassieke dans als moderne en hedendaagse dans. Als componist schrijft hij muziek, scenario’s, liedteksten en dialogen voor dans en voor theater. Deze werken vinden hun weg in dans- en theatergroepen overal in Nederland en Vlaanderen. Op 27 mei 2006 gaat zijn vijftiende avondvullende muziektheaterwerk in première in cc De Warande te Turnhout. Als mede-oprichter van o.a. Limelight Kortrijk, Dansproject -compagnie Aimé de Lignière en SACHIKO vzw gaat hij via de organisatorische praktijk op zoek naar nieuwe werkvormen voor kunstonderricht en het creëren van uitdrukkingsmogelijkheden voor muziek-dans-woord-beeld in al zijn vormen. Sinds 1987 is Vercruysse als vaste pianist verbonden aan het ensemble van Patricia Beysens. Tcha Limberger - InhoudTcha Limberger (°1977, Brugge) is zoon van een zigeunervader en een Belgische moeder. Als tweejarige al had hij een uitgesproken voorliefde voor flamenco. Toen hij zes jaar werd, leerde hij van Koen De Cauter de eerste akkoorden op gitaar, maar vervolgde zijn weg als autodidact. Vanaf zijn achtste betrad hij regelmatig de scène, waar hij solo zijn versie van de flamenco speelde en zong. Rond zijn tiende werd Tcha banjoist van een plaatselijke Dixiband, waar hij de klarinet ontdekte. Op zijn dertiende werd hij door het Muziek Lod gevraagd mee te werken aan een productie van regisseur Alain Platel en componist Dick van der Harst. Dick van der Harst verschafte Tcha heel wat harmonische en ritmische inzichten en wijdde hem in in de hedendaagse klassieke muziek. Nog zo’n horizonverbreder was voor hem Herman Schamp, klassiek gitaarleraar en groot kenner van Django Reinhard en Paraguaiaanse muziek. Toen Tcha zeventien werd, begon hij viool te spelen, aangestoken door opnamen van Toki Horvath (een violist uit Budapest) en van zijn eigen grootvader van wie hij alleen maar enkele mythische verhalen kende. Een jaar later werd het Orkest Romani gesticht waarmee hij o.a. op festivals in Polen en Budapest zou spelen. Hij besloot Hongaars te leren, en op zijn tweeëntwintigste vertrok hij naar Budapest. Hij kreeg er les van Horvat Bela, die hem inwijdde in klassieke viooltechniek en een deel van het zigeunerrepertoire. Terug in België stichtte hij een aantal orkesten waarmee hij op menig festival optrad: Sirin, Tcha Limbergerquartet, Braboshinke, Szilva familie Limberger, Romene guidia, misth swing. Hij speelde ook met o.a. Waso jazzquartet, Romani, de Piotto’s, Myrdingroep, Robin Nolan, Robi Lakatos, Stochelo Roesnberg, Birelli Lagrene, Fapy Lafertin, Boros Lajos, Puka Karoly, Berki Viktor, Toni Rudi…Tcha is te horen op drie cd’s van Patricia Beysens en maakt sinds vier jaar deel uit van het grote Patricia Beysens Ensemble. Griet Van Regenmortel - InhoudGriet Van Regenmortel studeerde cello aan het Koninklijk Muziekconservatorium van Gent. Aanvankelijk werkte ze als freelancecelliste in diverse producties van o.a. de musicalafdeling van het Koninklijk Ballet van Vlaanderen en diverse klassieke projecten. Ze is celliste en bezieler van het salonensemble ‘Jalousie’. Direct na haar cellostudies is ze ook beginnen lesgeven aan verschillende Antwerpse muziekacademies en heeft ze zich ontpopt als een zeer begeesterende leerkracht cello: “ Een instrument aanleren handelt over doorgeven van cultuur en kennis, maar de leerlingen moeten op de eerste plaats graag muziek maken en er van kunnen genieten.” Na het leiden van een cellostage in Polen, waar ze samenwerkte met celliste Katelijn Van Kerckhoven, werd daar de kern gelegd voor het eerste Palladio-Cellofestival in de Singel te Antwerpen in 2004. Sinds drie jaar maakt Griet Van Regenmortel deel uit van het ensemble van Patricia Beysens en verleende haar medewerking aan de opname van de cd ‘Spötterdämmerung’.
|