|
Alan Lareau: Het literaire lied houdt de maatschappij een spiegel voor, toont de wereld vanuit een nieuw perspectief. Het vanzelfsprekende verschijnt plots in een onthullend nieuw licht: groteske contradicties, onrechtvaardigheden, perversies, vervreemding. Ons moderne leven in het labyrint van de stad wordt een spiegelpaleis; we zien onszelf weerkaatst in verrassende vervormingen. De zangeres blikt in onze harten, onze dromen, onze verlangens en legt tevens onze diepste angsten bloot. De spiegel wordt een vergrootglas, een lens die de kleinste details onderzoekt om diepe waarheden aan het licht ie brengen. Het chanson is een kunst van subtiliteiten, van concentratie. Het is een volwaardig drama in drie beknopte strofen, waarin de zangeres louter met haar stem de personages, de sfeer, het verhaal tot leven wekt. Het vormt de meest wezenlijke versmelting van poëzie, muziek en acteerkunst. Patricia Beysens sluit aan bij de lange traditie van diseuses en cabaretzangeressen. In het Parijs van de negentiende eeuw gaf Yvette Guilbert met haar vocaal vrije, maar intense stijl de aanzet voor een nieuwe Kleinkunst, een kunst van miniaturen. De grote zangeressen van de twintigste eeuw tilden het lied op een hoger niveau: Blandine Ebinger, Trude Hesterberg, Kate Kühl - naast collega's builen het cabaret als de operettediva Fritzi Massary, Lotte Lenya met haar aangrijpende interpretaties van Brecht-Weill liederen, of Marlene Dietrich als mondaine vamp in de eerste geluidsfilms. Gisela May, een van de indrukwekkendste zingende actrices van onze tijd, deed na de Tweede Wereldoorlog in Berlijn het chanson opnieuw schitteren. Het artistieke geheim van deze vrouwen is de intelligentie waarmee ze zowel de woorden als de muziek doordringen. De luisteraar voelt onmiddellijk de overtuiging waarmee ze optreden. Deze zangeressen begrijpen en doorvoelen hun materiaal. Ze hebben tevens aandacht voor het eenvoudige en het schijnbaar onbeduidende. Ze hebben zowel een gevoel voor de zachte tonen en schaduwen als voor de felle kleuren en schrille tegenstellingen van het moderne leven. En haar vierde album laat Patricia Beysens blijken hoeveel ze van haar voorgangsters heeft geleerd, terwijl ze toch haar eigen stijl behoudt. Ze benadert haar repertoire als een zangeres met een buitengewone muzikale gevoeligheid. Daarom vormt ze een verfrissend alternatief tot de zingende actrices die het lied louter gebruiken om zichzelf voor het voetlicht te plaatsen. Patricia Beysens' chanson-kunst is er een van eerlijkheid, directheid en zelfs understatement. Maar onder de oppervlakte ligt een wereld van diepe gevoelens en inzichten. De schijnbare eenvoud maskeert verrassend complexe verbanden tussen tekst en muziek, de concentratie van deze intieme portretten voert ons naar diepten die we in zo'n nietig, banaal ding als een lied nooit hadden vermoed. Beysens bezit een speciaal talent om de emotie die schuilt in een woord, in een melodische frase naar boven te brengen. Ze kan fijngevoelig, rauw of sarcastisch koel zijn, met een vleugje doordringende jazz. Haar kien gevoel voor ritme en melodie gaat samen met een voorbeeldige dictie die de woorden tol leven wekt. Haar repertoire bestrijkt het hele scala van de chanson-traditie. Klassieke auteurs van het literaire cabaret - Tucholsky, Kästner en Morgenstern - vormen de historische basis, hoewel voornamelijk gebracht op moderne composities. Als een levendige herinnering aan het leed en de hoop van de jaren 1930 zijn twee liederen opgenomen van de auteur-componist Friedrich Hollaender, voor wie de vroege geluidsfilm nieuwe mogelijkheden opende. En uiteraard is er Bertolt Brecht. De exploratie van de vele facetten van het werk van deze grote toneelschrijver, tekstschrijver en satiricus van de kapitalistische excessen en onmenselijkheid is van cruciaal belang voor elke zangeres. Brecht zou in 1998 honderd jaar oud geworden zijn, maar zijn liederen op de oorspronkelijke muziek van Weill, Eisler en Dessau hebben niets van hun kracht verloren. In de klassieke liederen van de Weimar Republiek weerklinkt de eenzaamheid van de stad, de pijn van de verloren liefde, en de woede over moreel en politiek onrecht. Het zijn verhalen van de wanhopige zoektocht naar houvast in een zee van gezichten en veranderingen.
Een meer recente en, voor het chanson-repertoire, gelukkige
ontdekking zijn de gedichten van Heinz Kahlau. In de spitse ironie en hel eerlijke sentiment van deze poëzie uit het oosten van
Duitsland, horen we nog echo's van de melancholieke moralist Kästner, van
Brecht en zijn scherpe zin voor contradicties en van Tucholsky's bijtende
humor. Daarnaast komen liederen van andere Oost-Duitse tekstschrijvers aan
bod: Kramer, Steineckert en de satiricus Wolf Biermann. Verschillende van
de hier vertolkte composities werden speciaal voor Patricia
Beysens geschreven en overstijgen de conventionele opvatting over
chanson-muziek als makkelijk verteerbare achtergrondmelodie, die
onopvallend een humoristische tekst begeleidt. De nieuwe composities van
de Belgen Jan van Looy en Dirk Posters, en ook de
Morgensterntoonzettingen van de Finse componist Yrjö Kilpinen, treffen
de juiste loon voor het meditatieve, zelfbespiegelende karakter van de
teksten. Het album is bijna als een verzameling van aarzelende
vraagtekens. De schitterende arrangementen van Dick van der Harst
verlenen de oude bekende melodieën nieuwe kleur en ontlokken een
indrukwekkende klankvariatie aan een klein, veelzijdig ensemble,
zonder echter de voor deze muziekvorm noodzakelijke intimiteit op te
offeren. De stem en de muziek wekken de woorden tot leven. Het chanson
weerkaatst ons eigen leven in steeds nieuwe variaties. Een blik in
deze muzikale spiegel en we staan versteld: zijn wij dat echt? |