|
PVDA
en LSP
Mail LSP ontbonden op 15/06/2025 Mei '68 Home Uitgegeven door www.marxisme.be, info@marxisme.be, Sint-Jans-Molenbeek, Foto cover: PPICS, www.socialisme.be - . Het kopiëren, distribueren, vertonen en uitvoeren van het werk en afgeleide werken is toegestaan op voorwaarde van het vermelden van de oorspronkelijke auteur, D/2015/12.886/2, ISBN: 9789491304156, Brussel, marxisme.be mmxv PVDA en LSP, Eric Byl, pdf-versie. Voor de e-versie wordt evenwel nauwgezet het boek gevolgd. Voor de paginering, zie de pdf-versie. Eric Byl PVDA EN LSP,VERSCHILPUNTEN EN MOGELIJKE RAAKVLAKKEN IN DE OPBOUW VAN EEN POLITIEK ALTERNATIEF Inhoud - PVDA en LSP - Verschillen en mogelijke raakvlakken in de opbouw van een politiek alternatief 1 welke houding tegenover de pvda? LSP publiceert een tekst die in de herfst van 2013 werd geschreven als politieke voorbereiding op een electorale doorbraak van PVDA in de verkiezingen van mei 2014. Met twee verkozenen in het federale, twee in het Waalse en vier in het Brusselse parlement kende PVDA effectief een belangrijke doorbraak en deed radicaal links voor het eerst sinds midden jaren 1980 opnieuw zijn intrede in het parlement. LSP verwelkomt deze vooruitgang, het zet linkse ideeën opnieuw op de agenda en het bevordert discussie over alternatieven op het kapitalisme. Het doel van deze tekst is om een beter begrip te hebben van de oorsprong en de ideeën van de PVDA. Zoals LSP al langer stelt, roept de situatie vandaag om een nieuwe arbeiderspartij, een breed politiek verlengstuk van de eisen van de arbeidersbeweging. Als PVDA vandaag beweert deze nieuwe arbeiderspartij te zijn, is dat voorbarig. Maar de groei van deze partij maakt er wel een belangrijke factor van, een factor die een grote rol kan spelen in het proces van heropbouw van een brede politieke vertaling van de eisen van de arbeidersbeweging. De afgelopen jaren doorliep PVDA een grondige vernieuwing, volgens voorzitter Peter Mertens was het ‘vernieuwen om te overleven’(1). Het werd stilaan onmogelijk om een stalinistische kaderpartij op te bouwen en dus moest de koers wel veranderen. De vernieuwde PVDA staat naar eigen zeggen voor socialisme 2.0 waarbij geen buitenlandse modellen meer worden gebruikt, maar gestreefd wordt naar een hedendaags marxisme. LSP doet waar mogelijk constructieve voorstellen tot samenwerking met PVDA, voorlopig zonder veel resultaat. Met de verkiezingen van 2014 werd elke samenwerking afgewezen en ondertussen werd ook het bredere ‘Gauche d’Ouverture’ langs Franstalige kant opgedoekt. We begrijpen dat PVDA de eigen vooruitgang wil consolideren en geen eindeloze discussies onder links wil voeren. Maar binnen de arbeidersbeweging zijn er verschillende ideeën en stromingen die niet zomaar onder de mat kunnen geveegd worden. De groeiende radicalisering uit zich wereldwijd in nieuwe politieke formaties waarbij er een grote diversiteit aan linkse krachten is. Van Syriza in Griekenland tot Bernie Sanders in de VS en Jeremy Corbyn in Groot-Brittannië zien we uitingen van de zoektocht naar een politiek alternatief. LSP meent dat hier best een open debat over wordt gevoerd gericht op een zo breed mogelijke betrokkenheid van onderuit en met respect voor elkaars gevoeligheden. Doorheen de eerste ervaringen met nieuwe linkse krachten zoals Syriza blijkt ook het belang van een politieke programma gericht op een breuk met het kapitalisme. Het neoliberale ideologische offensief na de val van de Berlijnse Muur heeft de linkerzijde in een defensieve positie geduwd. Dit heeft nog steeds gevolgen, zeker inzake programma en eisen. Waar Syriza electoraal sterk en snel vooruitging met de offensieve boodschap van een linkse regering die zou breken met het besparingsbeleid, zijn de gewekte verwachtingen niet ingelost door de afwezigheid van een programma om deze breuk effectief waar te maken. Zoals de hoop op een breuk met het Europese besparingsbeleid doorheen Europa op enthousiasme kon rekenen en in de aanloop naar het referendum van 5 juli tot een beginnende mobilisatie, zo moet ook de evaluatie van de nederlaag van Syriza breder dan enkel in Griekenland gemaakt worden. Zo een evaluatie is ook van belang in onze strijd tegen de rechtse regering in België en de vraag naar alternatieven op het besparingsbeleid. rechtse regering botst op sociaal verzet. niet alleen strijd nodig, ook een alternatief De intrede van de PVDA in het parlement kwam op een belangrijk ogenblik. De eerste rechtse regering zonder sociaaldemocraten sinds de jaren 1980 kondigde zich meteen als een ‘andere regering’ aan. Het Thatcheriaanse beleid bestaat uit een opeenvolging van aanvallen op de levensstandaard van de meerderheid van de bevolking. Dit leidde tot een enorme protestbeweging eind 2014 rond een actieplan dat de regering deed wankelen. Met een betoging, regionale staking en een nationale algemene 24-urenstaking op 15 december 2014 werd de kracht van ons aantal aangetoond. Het opbouwende karakter van het actieplan liet de beweging groeien en maakte het mogelijk om andere lagen mee te trekken, onder meer jongeren of de socioculturele wereld. Waar personeelsvergaderingen werden gehouden, was het een succes en versterkte dit de mobilisatie.De vakbondsleiding liet na om het af te maken en de regering met een tweede actieplan te doen vallen. Het gebrek aan een alternatief speelde daar ongetwijfeld een grote rol in, zou de rechtse regering gewoon vervangen worden door een nieuwe tripartite met de sociaaldemocratie die hetzelfde besparingsbeleid met een trager ritme en minder provocaties zou opleggen? De aarzeling om meteen een tweede actieplan aan te kondigen, zorgde er bovendien voor dat andere thema’s de agenda volledig konden domineren. Denk maar aan de aanslagen bij Charlie Hebdo. De PVDA was aanwezig in alle vakbondsacties. Zelf omschrijft ze dit als volgt: “De PVDA gebruikte overal haar energie om de sociale strijd te ondersteunen.”(2) Het stilvallen van de acties na 15 december beschrijft PVDA-voorzitter Peter Mertens als volgt: “Na de wintervakantie wilden we heropstarten, maar je kreeg de aanslagen op Charlie Hebdo en daar hebben de rechtse media gretig gebruik van gemaakt. En de N-VA als dominante politieke kracht om het dominante thema in het publieke debat te veranderen. De vier maanden daarvoor hadden we als thema ‘arm-rijk’ en of de bezuinigingen juist waren of niet. In januari werd het thema islam en terrorisme – mensen hadden ook angst. Het leger is ingezet, dat loopt nog steeds rond in de straten van Brussel en Antwerpen. Toch is er een betoging geweest van 20.000 mensen van Hart Boven Hard – in maart, in de stromende regen. Dus we zitten nu met 1-1 in de kleedkamer en waarschijnlijk zal het in september weer verder gaan. Mensen zijn ontwaakt, maar we hebben nog lang niet gewonnen. Een deel van de bevolking is nu misleid door rechts.” (3) Gevraagd naar het plan van PVDA voor de tweede helft van het sociaal verzet, antwoordt Mertens in hetzelfde interview uit juni 2015: “We zijn bezig met een nieuw plan in de vakbonden, maar de leiding van de christelijke vakbond is nu aan het capituleren. Ze zijn loyaal aan de christen-democratische partij die nu in de regering zit. We zijn daarom nu druk bezig de violen in de socialistische vakbond gelijk te strijken. Maar dat is niet gemakkelijk, want op het moment dat de beweging wat naar beneden gaat, verhogen de spanningen die we eerder hebben kunnen voorkomen. We hebben daar als PVDA tot nu toe een belangrijke rol in kunnen spelen.” De Standaard peilde in april 2015 naar mogelijke kritieken van de PVDA op de vakbondsleiding. Peter Mertens formuleerde een voorzichtige kritiek: “Wij leven in een totale communicatiemaatschappij. En dus moeten de bonden er veel meer mee bezig zijn hoe ze hun boodschap kunnen vertalen naar een groot publiek. Het klopt niet dat ze alleen nog bezig zijn met verworven rechten. Er lopen daar veel progressieve mensen rond, met progressieve ideeën. Ze hebben geweldig veel tentakels in de samenleving. Maar toch slagen ze er niet in om op de debatten te wegen. (...) Ik ben een grote fan van al die nieuwe burgerbewegingen, zoals Straten-Generaal of Ademloos, maar ze kunnen de bonden nooit vervangen. Ze hebben bijvoorbeeld geen machtig wapen zoals het stakingsrecht. En daarom moeten de bonden, net zoals de PVDA, een nieuw tijdperk intreden. In 2008 hebben wij ook beslist om met een reclamebureau te gaan samenwerken.” (4) De kwestie van een politiek alternatief op de rechtse regering, maar ook op het volledige besparingsbeleid, komt niet aan bod in de analyses van de PVDA over het stilvallen van de beweging na 15 december. Er valt wel meer en fundamentelere kritiek op de vakbondsleidingen te geven dan het gebrek aan degelijke externe communicatie. De banden met de gevestigde partijen, vooral PS en SP.a, of het gebrek aan interne communicatie en democratie, bijvoorbeeld op het ogenblik dat het eerste actieplan afliep en geen vervolg kreeg, worden spijtig genoeg niet vermeld. Uiteraard moeten we geen kritiek om de kritiek geven, maar begrijpen waarom de rechtse regering een tegengoal kon scoren na 15 december is essentieel om onze verdediging op punt te stellen in de tweede helft om even in de voetbalvergelijking te blijven. LSP omschrijft de nood aan een politiek alternatief in de beweging tegen de rechtse regering als volgt: “Onze eisen leiden onmiddellijk tot de vraag naar een politieke kracht die zo’n programma kan verwezenlijken. De traditionele politieke partners van onze vakbonden hebben geen dergelijk programma en het ziet er niet naar uit dat dit snel zal veranderen. Een breuk met deze partijen is onvermijdelijk en een campagne voor een brede formatie die wel de belangen van de werkende bevolking verdedigt eveneens. De vakbonden hebben een enorme kracht in handen en kunnen deze discussie vooruitstuwen. Waarom geen duidelijk politiek alternatief op de besparingen uitwerken, hiervoor brede steun verwerven bij de vakbondsbasis en consequent de noodzaak van een politieke partij die dat programma wil verdedigen naar voren brengen? Organisaties zoals Hart Boven Hard/Tout Autre Chose, politieke organisaties of militanten en iedereen die wil meewerken aan zo’n politiek alternatief kunnen dan uitgenodigd worden om de discussie mee aan te gaan. “Dit zou betekenen dat de strijd niet enkel meer zou gaan over voor of tegen deze regering, maar wel over een alternatief op de besparingen. Over hoe we de enorme rijkdommen die er zijn in deze maatschappij kunnen gebruiken voor sociale vooruitgang. Vandaag zit de meerderheid van die rijkdommen in de zakken van een kleine minderheid superrijken, die niet langer mogelijkheden ziet voor investeringen in de reële economie en maatschappij en die zich beperkt tot speculatie. Hoe kunnen we die rijkdommen inzetten voor het belang van de hele bevolking? “De taken voor zo’n beweging zijn enorm, maar de mogelijkheden zijn nog veel groter. Steeds meer mensen zijn op zoek naar een alternatief op dit systeem van ellende en uitbuiting. Door dit debat op te starten, kunnen we de beweging versterken. De elite zal elke mogelijkheid gebruiken om zo’n politiek alternatief tegen te houden. Maar wij beschikken over een dynamische kracht van honderdduizenden militanten die de strijd willen aangaan. Door van de betoging van 7 oktober een overweldigend succes te maken en daarop verder te bouwen aan een beweging, kunnen we niet alleen deze regering maar heel het besparingsbeleid stoppen!” (5) De PVDA daarentegen ziet een politiek alternatief op een andere manier ontwikkelen, met name rond zichzelf waarbij de partij hoopt binnen tien of vijftien jaar in een regering te stappen. Peter Mertens naar aanleiding van het boek ‘De miljonairstaks en zeven andere briljante ideeën om de samenleving te veranderen’: “Ik hoop dat we over tien of vijftien jaar in een regering kunnen stappen en dat we dan een miljonairstaks kunnen invoeren. En dat we dan ook de andere ideeën in dit boek kunnen uitvoeren: meer sociale woningen, een 30 urenweek, een bindend referendum. Dat zijn trouwens erg bescheiden doelstellingen, hé. Dan leven we nog altijd niet in een socialistische maatschappij. Ik ben een utopist, maar wel een van de realistische soort.” (6) De doorbraak van de PVDA in de verkiezingen en in de media zorgt ervoor dat progressieve eisen sterker naar voor komen, dat becijferde studies verschijnen over de groeiende ongelijkheid en dat het debat in het algemeen meer naar links geduwd wordt. De partij maakt veel minder gebruik van zijn positie om voorstellen te doen om de strijd te organiseren en daar een radicaal programma van socialistische maatschappijverandering aan te koppelen. De PVDA lijkt bang te zijn om ook maar de minste kritiek op de vakbondsleidingen te geven(7), zelfs indien een deel van die leiding gegijzeld wordt door het gebrek aan alternatief dat zo manifest is bij de sociaaldemocratie en de christendemocratie. lessen uit het griekse drama De steile opgang van Syriza in Griekenland toonde hoe een offensieve benadering van een breuk met het besparingsbeleid op basis van een open links eenheidsinitiatief tot de verbeelding van bredere lagen kan spreken. Nog voor de verkiezingen van januari was het belang van een programma dat met het kapitalisme breekt duidelijk. Andros Payiatsos van Xekinima, de zusterorganisatie van LSP in Griekenland, stelde dat het establishment zou proberen om via onderhandelingen Syriza mee in bad te trekken waarop de leiding van Syriza reageerde met het afzwakken van het programma.(8) Tegelijk bleef Xekinima oproepen om voor Syriza te stemmen. “Welke compromissen de leiding ook bereid is om te maken, de arbeiders zullen zich door de overwinning van Syriza gesterkt voelen om voor hun rechten op te komen. Dat is overigens ook de fundamentele reden waarom we Syriza kritische steun geven in de verkiezingen. We roepen niet gewoon op om voor Syriza te stemmen, we roepen op voor een radicaal, revolutionair socialistisch programma als de enige haalbare weg voor een Syriza-regering.” (9) Deze benadering doet denken aan de wijze waarop Leon Trotski tegenover het ‘Plan De Man’ in ons land stond. In de crisis van de jaren 1930 lanceerde de Belgische sociaaldemocratie het ‘Plan De Man’, een plan van structuurhervormingen om de aanwezige middelen beter te verdelen. Het plan werkte mobiliserend, zelfs indien de BWP verklaarde dat het op basis van een ‘overtuigingsstrategie’ het plan dacht te kunnen realiseren.(10) Trotski merkte op dat het plan tot ontgoocheling zou leiden, maar dat linkse activisten tegelijk niet aan het mobiliserende karakter van het Plan De Man mochten voorbijgaan. “We moeten de meest bewuste arbeiders de politieke zin van het ‘plan’ uitleggen”, stelde Trotski die er meteen aan toevoegde: “We moeten een zo breed mogelijk laag van arbeiders tonen dat wij, voor zover de burgerij de verwezenlijking van het ‘Plan’ probeert te dwarsbomen, hand in hand met hen zullen strijden om ze te helpen bij het doormaken van de ervaring. We zullen met hen alle moeilijkheden van de strijd delen, maar wat we niet zullen delen zijn de illusies die er aan verbonden zijn. Onze kritiek op de illusies moet niet de passiviteit verhogen (...) maar moet de werkenden integendeel vooruitstuwen. In deze voorwaarden zal de onontkoombare ontgoocheling in verband met het “Plan van de Arbeid” niet betekenen dat de passiviteit verergert, maar wel dat de arbeiders het revolutionaire pad inslaan.”(11) Xekinima en het CWI namen het idee van een linkse regering in Griekenland op en legden uit dat dit een breuk met het kapitalisme vereist.(12) Er werd gewezen op de verwerping van de overheidsschulden; een massaal programma van publieke investeringen in huisvesting, infrastructuur, ... ; nationalisatie van de financiële sector, onder meer om kleine bedrijven en boeren toegang tot goedkope kredieten te geven en de hypotheken af te schrijven tot de echte waarde van huizen; nationalisatie van de sleutelsectoren van de economie om de economie democratisch te plannen op een duurzame basis; massastrijd van onderuit als embryo van een democratische samenleving en internationale solidariteit. Het falen van de leiding van Syriza “vloeit voort uit de reformistische strategie van de partijleiding – het idee dat het mogelijk is om de besparingsprogramma’s van de trojka te stoppen zonder te breken met het kapitalisme. In het kader van de eurozone, met de macht van de ECB en de Europese grootmachten, Duitsland in het bijzonder, was dit een fatale illusie.” (13) Xekinima stond meteen klaar met de roep naar een nieuwe linkerzijde en nam stappen daartoe met het ‘initiatief van 17 juli’ en de steun aan de nieuwe partij ‘Volkseenheid’. Andros Payiatsos van Xekinima over het verraad van Syriza: “Dit is geen ‘finale nederlaag’ van de Griekse arbeidersklasse. Het potentieel van strijd blijft bestaan. De Griekse werkende bevolking heeft aangetoond dat ze steeds opnieuw tot strijd kan overgaan. Het bleek nog uit de ontwikkelingen rond het referendum. Niemand had verwacht dat maar liefst 61,5% neen zou stemmen.” (14) Bij de overwinning van Syriza in de parlementsverkiezingen van januari zag de PVDA zich reeds als het “Syriza aan de Schelde”. In Knack stelde Peter Mertens: “We zoeken beiden naar een creatieve weg om een consequente socialistische politiek in Europa op de kaart te zetten. Elk werkt binnen zijn eigen context, maar er is op Europees vlak wel samenwerking. Politiek gezien zou je ons het Syriza aan de Schelde kunnen noemen. Net zoals de SP het Syriza van boven de Moerdijk is. Mochten we in Griekenland zitten, dan hadden we zeker een gelijkaardig programma.”(15) Een half jaar later moet Peter Mertens vaststellen dat Tsipras en de leiding van Syriza capituleren, waardoor Syriza “snel vervelt naar een kracht die doorheen het Derde Memorandum het regime van een schuldenkolonie zal verder zetten” en daarbij compleet vernederd wordt door de trojka.(16) De redenen voor die capitulatie worden als volgt beschreven: “Ik leer uit Griekenland vooral dat het belangrijk blijft om niet in de val te trappen van de sociaaldemocratie: ook zij dacht dat ze het spel kon veranderen door het eerst mee te spelen. Syriza, een partij van linkse humanisten en idealisten, heeft zich rationeel proberen op te stellen. Ze koesterde de gedachte dat ze sociaaldemocratische sterkhouders als de Franse president François Hollande of de Italiaanse premier Matteo Renzi zou kunnen overtuigen, als ze maar de juiste argumenten zou hanteren.” (17) En verder in hetzelfde interview: “Uiteindelijk heeft Syriza ervaren dat die onderhandelingen geen gewone gesprekken waren, maar onderdeel van een economische oorlog. Men heeft zelfs de Griekse banken drooggelegd: dat is een harde les, voor alle landen uit de eurozone. Tegelijk is er sinds het begin van de euro nooit één regering geweest die zo openlijk de handschoen heeft opgenomen tegen het Duitse monetarisme. Ik heb er dus alle respect voor dat een pluimgewicht als Syriza boven zijn gewichtsklasse heeft durven te boksen. Zonder Syriza was er ook nooit zo diepgaand gedebatteerd over Europa als nu. In iedere Ierse pub, in elke Spaanse tapasbar ging het gesprek over het Griekse verzet tegen de Duitse marsrichting.” Het lijkt erop dat de PVDA zich tevreden stelt met de vaststelling dat Syriza de hoop op een alternatief op het besparingsbeleid heeft opgewekt, zonder dieper in te gaan op hoe concreet voor dat alternatief kan gestreden worden. Tegelijk blijft de PVDA ook na de capitulatie van Syriza vaag over een alternatief op de huidige EU. “Het moet mogelijk worden om financiële solidariteitstransfers toe te staan, om publieke monopolies uit te bouwen, om politiek tussen te komen met de Europese Centrale Bank, en om de begroting zonder de muilkorf van bezuinigingsnormen te gebruiken voor de noodzakelijke industriële, sociale en ecologische investeringen. Als Europa wil overleven, dan zullen de fundamenten moeten veranderen. Het alternatief is dat de hele Unie uit elkaar spat, en dat de nationalistische spanningen van het begin van de 20e eeuw opnieuw hun intrede zullen maken in deze prille 21e eeuw.” (18) Met 2 verkozenen in de Kamer, 2 in het Waalse parlement en 4 in het Brusselse parlement is PVDA een pak zichtbaarder geworden. In 2012 haalde de partij ook al 52 lokale verkozenen. Samen met de context van sociale strijd in eigen land en een groeiende zoektocht naar alternatieven doorheen de wereld, komt dit tot uiting in een aangroei van PVDA tot naar eigen zeggen bijna 10.000 leden. Opmerkelijk in de congrestekst is dat er weinig aandacht is voor de sociale strijd in België en bijvoorbeeld de lessen van het eerste actieplan. De slogan van de tekst is: “verbreden, verbinden, verdiepen”.Ondanks beperkingen gaat de congrestekst op heel wat vlakken verder dan alle publieke verklaringen van PVDA-woordvoerders en artikels in maandblad Solidair of op de website pvda.be. In de congrestekst wordt bijvoorbeeld gepleit voor een socialistisch alternatief waarin de sleutelsectoren van de economie in publieke handen worden genomen met een rationele planning van de productie. In deze tekst wordt voluit gepleit voor een massaal programma van publieke investeringen. En om dat te bereiken, wordt gewezen op de rol van klassenstrijd: “Alles wat de brede arbeidersbeweging heeft bereikt, deed ze door haar eigen kracht te ontwikkelen: zich te organiseren, actie te voeren en krachtsverhoudingen uit te bouwen.” (19) Waar de PVDA intern voor een socialistisch alternatief pleit, beperkt de externe communicatie zich doorgaans tot eisen als de miljonairstaks, de 30-urenweek, gratis gezondheidszorg, ... In het boek ‘De miljonairstaks en zeven andere briljante ideeën om de samenleving te veranderen’ is er geen sprake van socialisme, vermaatschappelijkte sleutelsectoren of een geplande economie. We stelden over dit boek: “De auteurs van dit boek doen alle moeite om aan te tonen dat hun eisen aanvaardbaar zijn. Niet zozeer voor de meerderheid van de bevolking, maar wel binnen het huidige systeem. Socialisme is dan ook niet een van de acht “briljante ideeën” in dit boek. Meer nog, er wordt niet over socialisme gesproken. De afgelopen jaren werden we geconfronteerd met steeds meer tegenhervormingen: afbraak van verworvenheden uit het verleden. Is dit omdat het aan goede ideeën voor hervormingen ontbrak? Zeker niet. Maar in de context van een kapitalisme in crisis is het afdwingen van zelfs beperkte hervormingen niet evident. Het volstaat niet om goede ideeën met goede argumenten naar voor te brengen. Dat ondervond ook de nieuwe Griekse regering die sterke argumenten heeft om met het besparingsbeleid te breken. Maar het establishment heeft er geen oren naar, het voert immers een klassenstrijd in het belang van de allerrijksten. Een klassenoorlog beantwoorden met ‘goede argumenten’ lukt niet. Er moet ook aangegeven worden hoe we onze eisen kunnen afdwingen en bijgevolg ook hoe we een einde kunnen maken aan het kapitalisme. Het belang van bewegingen en strijd komt niet aan bod in het boek, er wordt zelfs gesuggereerd dat heel wat hervormingen via verkiezingen werden bekomen.” (20) Het lijkt erop dat de PVDA een strikt onderscheid maakt tussen enerzijds het maximumprogramma van socialisme, iets voor een verre toekomst waarover nu al kan gedroomd worden en waar congresteksten aan gewijd worden, en anderzijds een minimumprogramma van directe hervormingen waar alle activiteit van de partij op gericht wordt. Dit verschilt van de benadering van overgangseisen. Dat wil zeggen: eisen die botsen met de logica van het kapitalisme en de brug maken naar de nood van een socialistische samenleving. De groeiende kloof tussen minimum- en maximumprogramma bij de PVDA doet denken aan de vroegere sociaaldemocratie, tenminste voor het proces van verburgerlijking zo ver gevorderd was dat zelfs minimale hervormingen niet of amper nog naar voor geschoven worden. De sociaaldemocratie beweerde in de jaren 1930 eveneens voor een socialistisch alternatief te staan. Maar op het ogenblik dat de werkende bevolking de strijd aanging, verviel de leiding in een bijzonder conservatieve houding. “Op het moment dat de massa’s in beweging kwamen, weigerden zij een revolutionaire strategie te overwegen. De sociaaldemocratie hield vast aan een “minimumprogramma” (eisen om de levensstandaard van de arbeidersklasse te verbeteren, voor zo ver het aanvaardbaar bleef voor de burgerij) en een “maximumprogramma” (het idee van een socialistische toekomst die bij speciale gelegenheden wordt geopperd terwijl er de rest van de tijd een reformistische praktijk is). Trotski verwoordde het kort en bondig: “de huidige crisis van de mensheid valt terug te brengen op de crisis van de leiding van de arbeidersbeweging.” Als de mensheid geen perspectief zag op een betere toekomst, had ze dat te danken aan het cynisme van de leiders van die laag in de samenleving die een dergelijke toekomst tot stand kon brengen: de arbeidersklasse.” (21) Zeker op momenten van crisis stelt de kwestie van een overgangsprogramma zich. De vraag: “Kan men vooruit gaan wanneer men bevreesd is naar het socialisme te gaan?”, beantwoordde Lenin in de context van de voorlopige regering in Rusland na de februarirevolutie van 1917 negatief.(22) Zal de PVDA na zijn Solidariteitscongres de voorstellen over socialisme populariseren en in de dagdagelijkse werking opnemen? Of is de partij hiervoor bevreesd? De PVDA erkent alvast de druk om een pragmatische partij te zijn, “Voor het pragmatisme krijgt het praktisch resultaat, het directe en het haalbare voorrang op de langetermijndoelstellingen en de maatschappijvisie. Er groeit een logica om slechts ‘de verkoopbaarheid’ van onze boodschap te volgen. (...) Met enkel maar snel, snel in te spelen op de actualiteit, met enkel politieke standpunten uit te werken om te ‘scoren’ in de media, en de studiedienst voornamelijk te organiseren met het oog op kortetermijncommunicatie... met zulke opstelling zijn wij niet in staat het wereldbeeld en de culturele hegemonie van het establishment te doorbreken.” (23) Een politiek antwoord op de druk om zich louter te beperken tot een minimumprogramma wordt evenwel niet geboden. buitenlandse voorbeelden Een opmerkelijk hoofdstuk in de congrestekst van de PVDA is dat over China, al was het maar omdat de partij erkent dat ze destijds “klakkeloos standpunten van de Chinezen overnam” (24). Daarbij wordt overigens niet verduidelijkt van welke Chinezen standpunten werden overgenomen. Nu moet de PVDA erkennen dat er in China stapsgewijs marktmechanismen werden ingevoerd met een groeiend belang van het privaat bezit van de productiemiddelen. De vraag of een volledig kapitalistisch herstel mogelijk is, wordt opengelaten. Dat zal “de geschiedenis uitwijzen”.Tegelijk wordt gesteld dat China “niet naar de pijpen van de buitenlandse multinationals” moet dansen, dat de economische ontwikkeling “historisch ongeëvenaarde prestaties in de strijd tegen de armoede opleverde” en dat China op internationaal vlak van een “win-winprincipe” vertrekt. De akkoorden met andere landen, zouden die landen helpen om zich te ontwikkelen zodat ze een meer onafhankelijke weg kunnen banen aangezien China de “principes van vreedzame co-existentie” volgt. Zelfs de overname van westerse bedrijven door Chinese wordt als een win-win voorgesteld: “Chinese bedrijven winnen technologie en markttoegang, het Westen wint zuurstof en werkgelegenheid voor een kwakkelende economie.” (25) Zal de PVDA dit standpunt ook verdedigen bij de privatisering van de Griekse haven van Piraeus waar het Chinese bedrijf Cosco op aast? De enige bedenking die de PVDA lijkt te maken, is dat de Chinese opstelling naïef is ten aanzien van de kapitalistische veroveringszucht. De beurscrash en de economische crisis vandaag in China zag de PVDA niet aankomen. Het loslaten van het Chinese model gebeurt nog erg aarzelend. Ook de Latijns-Amerikaanse voorbeelden blijven omzichtig behandeld worden. De linkse regimes in onder meer Brazilië worden wel bekritiseerd: “behalve in Cuba en gedeeltelijk in Venezuela, Bolivia en Ecuador blijven de kapitalistische verhoudingen in die landen onveranderd van kracht.” (26) Voor de toenadering tussen het Cubaanse regime en de VS of de economische crisis in Venezuela (net omdat de kapitalistische verhoudingen er intact bleven) komt er evenwel geen verklaring. welk socialisme? en hoe daar geraken? Het model van de Sovjet-Unie onder Stalin wordt niet langer gevolgd. “Men kan niet om de realisaties van de Sovjet-Unie heen wat betreft onderwijs, gezondheid en cultuur, noch om haar doorslaggevende rol in het verslaan van nazi-Duitsland.(27) Maar het is duidelijk dat er niet alleen grote problemen van bureaucratie bestonden, maar ook van machtsmisbruik, van economische stagnatie en van misdadig optreden ten aanzien van echte of vermeende tegenstanders van het regime.” (28) De verdediging van het stalinisme wordt bedekt en opmerkelijk vaag omschreven als “het haast kritiekloos en zonder nuance verdedigen van de geschiedenis van de Sovjet-Unie.” Dit is zo algemeen geformuleerd dat het niet klopt. De PVDA verdedigde in het verleden de Sovjet-Unie onder Stalin, maar de opvolgers van Stalin kregen bijzonder veel kritiek van de PVDA, ze werden als ‘revisionisten’ afgedaan en de Sovjet-Unie werd als ‘sociaal-imperialistisch’ omschreven. Eind jaren 1980 kwam er even verandering in de opstelling van de PVDA met een kortstondige kritiekloze steun aan Gorbatsjov. Het stalinistische model wordt nu door de PVDA onderworpen aan een oppervlakkige kritiek, maar een verklaring van waarom het fout liep in de Sovjet-Unie komt er niet.Het lijkt erop dat de PVDA meteen van de gelegenheid gebruikt maakt om niet alleen het stalinisme, maar ook elementen van het marxisme overboord te gooien. “Onze klassiek marxistische, puur socio-economische kijk en de bijhorende taal, daar zijn we nu echt wel voorbij,” (29) aldus Peter Mertens op apache.be. Alsof het marxisme zich ooit beperkt heeft tot een puur socio-economische kijk. Marxisme is voor Mertens een fundament en niets meer. In Knack vroeg Walter Pauli de PVDA-voorzitter hoe hij vandaag tegenover het ‘wetenschappelijk socialisme’ staat. Mertens: “Ik heb nooit gehouden van die term. Het gaf de indruk dat marxisme een zaak was van formules. Wie alleen maar bezig is met boeken van bijna tweehonderd jaar geleden, begrijpt niet wat er vandaag leeft en heeft al snel geen boodschap meer voor de mensen van vandaag. Maar ik voeg er meteen aan toe: wie alléén maar surft op de golfjes van de dagelijkse actualiteit, mist een fundamentele analyse. Ik blijf de lectuur van Marx en Engels dus aanbevelen. Maar ook die van Owen Jones, de jonge Britse socioloog die de regering-Cameron onder vuur neemt en Labour wil verlinksen. Of hij daarin zal slagen, is een andere vraag.” (30) Eerder reageerde Peter Mertens op de stelling van de rechtse academicus Pascal Delwit (ULB) dat het ideologische uitgangspunt van de PVDA het marxisme-leninisme blijft: “Dit is een groteske absurditeit. Wij baseren ons niet op het marxisme-leninisme en wij zijn niet voor een systeem zonder privé-eigendom. Wij zijn een moderne marxistische partij, zoals de SP in Nederland of Die Linke in Duitsland.” (31) Het fundament van het socialisme is voor de PVDA nodig als paradigmawissel, als een “heel andere manier om naar de wereld, de mens en de natuur te kijken.” (32) In die visie op socialisme 2.0 – eens te meer wordt niet uitgelegd wat het verschil met de versie 1.0 is – wordt terecht gewezen op het belang van het vermaatschappelijken van de sleutelsectoren van de economie en de planmatige aanpak in plaats van de chaos van het private bezit van de productiemiddelen. Er wordt benadrukt dat een democratische deelname aan het planningsproces essentieel is voor het socialisme 2.0 “dat de bevolking actief betrekt bij de grote keuzes van de samenleving, bij de visie op de toekomst en op de weg ernaartoe.” (33) Het doel is een “democratisch geplande economie onder controle van de bevolking”. En: “met de groeiende internationalisering van de economie lijkt het onmogelijk het socialisme 2.0 enkel op Belgisch niveau te realiseren.” (34) Dat alles wordt echter niet verbonden aan de dagelijkse strijd vandaag. Nochtans is het in de strijd voor verandering dat embryo’s voor een nieuw systeem tot stand komen. Het belang van personeelsvergaderingen bijvoorbeeld in het syndicale verzet tegen de rechtse regering is niet beperkt tot de organisatie van de strijd, het is een stap in de richting van het zelf in handen nemen van de productie en de samenleving. Door een socialistisch alternatief los te koppelen van de dagelijkse strijd, wordt die strijd verzwakt en wordt het socialistisch alternatief ook abstracter. Het gebrek aan een overgangsbenadering doet minimum- en maximumprogramma steeds verder uit elkaar groeien. Bij een aantal formuleringen in de congrestekst hebben wij bedenkingen (bijvoorbeeld het beperken van antiracisme tot een ethische kwestie of de staat die moet garanderen dat de nieuwe democratie in handen van de 99% blijft). De belangrijkste kritiek, waar ook de meeste bedenkingen tot te herleiden zijn, is het gebrek aan band tussen de dagelijkse strijd tegen het kapitalisme en de gevolgen van dit systeem enerzijds en de opbouw van een socialistisch alternatief anderzijds. De opbouw van PVDA wordt evenmin verbonden aan dat socialistische doel. De nadruk ligt op een numerieke groei en een verdere professionalisering waarbij vorming en politieke ontwikkeling via modules van opleidingscycli moeten versterkt worden. De PVDA heeft als doel om tegen 2020 te groeien tot 15.000 leden en wil de partijstructuren aanpassen, vaak zijn die nu nog afgestemd op een kaderpartij van duizend militanten. Van de 10.000 leden vandaag zijn er ongeveer 1.500 militanten, wat de partij wil optrekken tot 27%.(35) Zaken als interne democratie worden erg voorzichtig behandeld, er blijft een strakke hiërarchische controle. Zo moet de verkiezing van een voorzitter van een basisgroep steeds door de provinciale partijleiding goedgekeurd worden. Andere linkse organisaties en stromingen komen niet aan bod in de congrestekst van PVDA. Doorgaans wordt gekozen voor een gesloten opstelling tegen andere stromingen, zeker diegenen die zich links van de PVDA situeren. Een voorbeeld daarvan zagen we op de Protest Parade van 19 oktober 2014 waar een loepzuivere betoging van werd gemaakt waarop elke afwijkende vlag, pankarte, ... manu militari naar het einde van de betoging werd verwezen. We schreven hierover: “Tegenover het rechtse offensief zullen we alle krachten nodig hebben. Een stakingspiket staat sterker als iedereen mee doet met respect voor elkaars gevoeligheden over de grenzen van vakbondskleuren of personeelsstatuten (arbeider, bediende, interimmer, werknemer van een onderaannemer, stagiair,…) heen. Dat geldt ook voor de politieke vertegenwoordiging van de arbeidersbeweging. Om tot een breed alternatief te komen, is openheid en respect van elkaars eigenheid belangrijk. Deze openheid was er niet op de Protest Parade. (...) Dat je met een vlag of pankarte niet eens goeiedag mocht zeggen aan collega’s die elders in de betoging liepen, is een extreme vorm van het monddood maken van iedere vorm van discussie.” (36) Ondanks haar kritieken erkent LSP dat PVDA een integraal onderdeel zal zijn van het proces om de arbeidersbeweging opnieuw politiek te organiseren. In de geest van eenheid in actie deden we verschillende voorstellen tot samenwerking. Concrete stappen, zoals de oproep van ABVV Charleroi en Zuid-Henegouwen, ondersteunen we volledig. Het ABVV van Charleroi en Zuid-Henegouwen deed op 1 mei 2012 een oproep tot een breuk met de christendemocratie, sociaaldemocratie en groenen om de krachten links hiervan te verenigen in een brede strijdpartij die democratisch en inclusief is met respect voor alle deelnemers. De opbouw van een politiek alternatief zal niet rechtlijnig gebeuren. Zoals we in 2003 reeds stelden in een conferentietekst: “De stabiele periode van het kapitalisme ligt definitief achter de rug. Steeds meer arbeiders en hun gezinnen, maar ook belangrijke delen van de middengroepen en zelfs de kleinburgerij zullen het kapitalisme in vraag stellen. Dat zal gepaard gaan met restanten van de vorige periode, met verwarring, ideologische en organisatorische zwakheden. Tot op zekere hoogte zal de beweging, ook de arbeidersbeweging, in de loop van de strijd, een aantal van de verworven gewaande ervaringen, opnieuw moeten leren. De nood aan een georganiseerde linkerzijde binnen de vakbonden, alsook in uitzonderlijke gevallen tijdelijke scheuringen, zullen een kenmerk worden van de nieuwe periode. Tegelijk zal het inzicht van de nood aan een brede politieke arbeidersformatie, eerst onder een voorhoedelaag, geleidelijk doordringen. “Hoewel de objectieve nood aan een nieuwe arbeiderspartij zich nu al meer dan 10 jaar stelt, zijn de krachten voor de vorming ervan vandaag nog steeds niet gerijpt. Dat zal pas gebeuren op basis van massale industriële en politieke strijd. Zoiets kan echter zeer snel ontwikkelen. We moeten onze krachten daar systematisch op voorbereiden. (...) “LSP staat vandaag voor een dubbele taak: enerzijds de uitbouw van de revolutionaire stroming, anderzijds de creatie van een breder politiek instrument van de arbeidersbeweging. Die twee taken zijn niet aan elkaar tegengesteld, maar vullen elkaar juist aan. De brede politieke formatie van de arbeidersbeweging is een tactische kwestie die arbeiders moet toestaan aan de hand van praktische ervaringen de nood aan een revolutionair programma en een revolutionaire massapartij in te zien. Dat is tenslotte waar het ons om te doen is: de creatie van een instrument dat de maatschappij in socialistische zin kan omvormen. Die taak kan enkel volbracht worden door een revolutionaire massapartij.” (37) Het is vanuit deze optiek dat LSP met de hiernavolgende tekst een politieke dialoog wil aangaan met al wie opkomt voor een fundamentele verandering van de samenleving in de vorm van een socialistische maatschappij. Geert Cool Het kapitalisme bevindt zich in haar diepste wereldwijde crisis sinds de Grote Depressie van de jaren 1930. De Linkse Socialistische Partij (LSP) en de internationale waartoe ze behoort, het Committee for a Workers’ International (CWI), hadden dit al lang zien aankomen. Lang voor de hoofdstroom van economisten, journalisten, politici en andere commentatoren. En ook lang voor de analisten van min of meer verwante linkse of marxistische stromingen. Voor een beter begrip van de onderliggende redenen van deze structurele crisis verwijzen we de lezer graag naar onze eerdere publicaties.(1) Onder andere het ontstaan en uiteenspatten van de talloze kredietzeepbellen waarmee de groeiende tegenstellingen tijdelijk ondergesneeuwd werden, staat er beschreven. We zijn intussen vijf jaar ver in de crisis. Politici, centrale bankiers en internationale instellingen - de Europese Commissie, het Internationaal Monetair Fonds, de Wereldbank en andere - hebben zowat hun volledige arsenaal aan maatregelen uitgeput. Niets lijkt te werken. In een aantal landen zijn die maatregelen ronduit contraproductief, in Noord-Afrika en het Midden-Oosten, in Zuid- en Oost-Europa. Elders zijn ze erin geslaagd de dreigende catastrofe voor zich uit te duwen, maar slechts ten koste van nieuwe zeepbellen en nog diepere tegenstellingen. Dat alles ging gepaard met een enorme overdracht van middelen, van arm naar rijk en van gemeenschap naar private investeerders/speculanten. Het heeft niet alleen de autoriteit van het kapitalisme als economische ordening aangetast, maar die van alle ermee verbonden instellingen. Steeds meer landen balanceren op de rand van de onbestuurbaarheid. De roep om de democratie ‘tijdelijk’ op te schorten, klinkt steeds luider. Daarmee wil men de nodige maatregelen tegen de wil van de bevolking doordrukken. Het stuit niet langer op verontwaardiging bij patroons, politici en hun keure van journalisten en specialisten, maar het is een optie die deze kringen openlijk bediscussiëren. Waarom publiceert LSP net op dat moment een boek over haar houding tegenover de Partij Van De Arbeid (PVDA)? Zijn er geen dringender taken? Zou links er niet beter aan doen haar meningsverschillen op te bergen, de rangen te sluiten en eensgezind een dam op te werpen tegen rechts en populistisch rechts? naar de grootste gebeurtenissen uit de geschiedenis We begrijpen de koudwatervrees van militanten die ooit getuige waren van het over en weer gescheld tussen radicaal links in de jaren 1970 en 1980. Het heeft talloze militanten gedegouteerd, gedemoraliseerd en weggejaagd. We kunnen de lezer echter gerust stellen: dat is niet de weg die LSP wil inslaan.Waar is het ons dan wel om te doen? Het crisisbeleid heeft wereldwijd een forse toename van armoede, werkloosheid, uitzichtloosheid en wanhoopsdaden opgeleverd. Het heeft echter ook massale tegenbewegingen op gang gebracht van burgerlijke ongehoorzaamheid, over massale sit- en sleep-ins, betogingen en zware confrontaties met de ordediensten, bedrijfsbezettingen, gedeeltelijke en algemene stakingen. In een aantal landen is dit omgeslagen naar een proces van revolutie, contrarevolutie, oorlog en burgeroorlog. Voorlopig is het establishment erin geslaagd het kapitalistische systeem door de talloze crisismomenten te loodsen. Het moest daarvoor beroep doen op zeer onconventionele maatregelen. Denken we maar aan de massale geldcreatie via quantitative easing in de VS, aan de Japanse Abenomics of aan de haircut die houders van Griekse staatsschuld met veel tegenzin moesten slikken in de hoop daarmee besmetting van andere landen in de Eurozone in te dammen.(2) In Griekenland en Italië werd de “democratie” tijdelijk opgeschort en vervangen door zakenkabinetten, rechtstreeks gestuurd door de zogenaamde trojka. In Egypte werd een massabeweging tegen de regering Morsi met de zegen van het Westen de pas afgesneden door een militaire staatsgreep. Het is niet ondenkbeeldig dat het proces van revolutie er daardoor verzandt in een langdurige burgeroorlog vergelijkbaar met die in Algerije tussen 1991 en 1999. Vanuit het standpunt van het internationale kapitaal en haar politieke vertegenwoordigers levert dit alles hooguit tijdswinst op, maar is niets opgelost. Nieuwe structurele aanvallen op de arbeidsomstandigheden, de lonen, de sociale voorzieningen en de levenscondities staan op hun verlanglijst. Ook dat zal massale tegenbewegingen van armen, jongeren en arbeiders opwekken zoals deze zomer (2013) nog in Brazilië en Turkije. Het doet ons besluiten dat we aan de vooravond staan van nieuwe aardverschuivende gebeurtenissen. Mogelijk worden dat de grootste uit de geschiedenis van de mensheid, en zijn de bewegingen die zich tot nog toe hebben voorgedaan slechts de voorbode ervan. Dat zal onvermijdelijk leiden tot discussie over alternatieven en over de vereiste instrumenten om die door te voeren. In die discussie zal ook de vraag naar socialisme, wat het is en hoe het te bereiken, opnieuw herleven. het belang van debat Het is niet uitzonderlijk dat in aanloop naar dergelijke periodes debatten plaats grijpen tussen verschillende linkse partijen en stromingen. Denk maar aan de discussies tussen Mensjewieken (Minderheid) en Bolsjewieken (Meerderheid) binnen de Russische Sociaal Democratische Arbeiderspartij (RSDAP) aan de vooravond van de revolutie van 1905. Toen gingen de debatten over het karakter van de komende revolutie, de rol van de arbeidersbeweging en de arme boeren en de manier waarop die zich best konden voorbereiden en organiseren.Ook de Duitse revolutie van 1918-23 ging gepaard met intense discussies. Lenin hield van een vergelijking die de Russische schrijver Leo Tolstoj ooit maakte van een man die zijn mes slijpt op een steen. Van veraf lijkt het alsof hij als een gek zijn mes heen en weer zwaait op een ongecontroleerde wijze. Van dichtbij vervult hij een noodzakelijke taak. Ernstige debatten tussen verschillende stromingen in de arbeidersbeweging over programma, strategie, tactieken en organisatie vervulden volgens Lenin een vergelijkbare rol in het aanscherpen van de politieke en theoretische wapens voor de komende strijd.(3) De afwezigheid van dergelijke debatten, althans op bredere schaal tussen arbeiders en jongeren, helpt mee de impasse verklaren waarin het revolutionaire proces in Noord-Afrika en het Midden-Oosten is beland. Het helpt ook mee begrijpen waarom de arbeidersbeweging er nog nergens ter wereld in geslaagd is haar stempel op de beweging te drukken. Het ligt nochtans niet aan haar numerieke sterkte en haar scholingsgraad, haar kennis van wetenschap en techniek of haar inzicht in productieprocessen en spitstechnologieën. Na WOII, tot laat in de jaren 1980, bestond er een wijdverspreid socialistisch bewustzijn. Velen waren overtuigd van de noodzaak van socialisme en zetten zich daar ook actief voor in. Het betrof niet alleen jongeren, studenten en intellectuelen, maar ook grote delen van de arbeidersbeweging. Het weerspiegelde zich in de vakbonden. Het ABVV nam openlijk standpunt in voor een klassenloze maatschappij en anti-kapitalistische structuurhervormingen op haar congres in 1956 over ‘Holdings en Economische Democratie’. Zelfs binnen de christelijke arbeidersbeweging ageerden belangrijke stromingen voor socialisme en een onafhankelijke christelijke arbeiderspartij. De discussie ging toen niet over de wenselijkheid van socialisme, maar over de manier waarop men dat zou bereiken en de juiste vorm die dat moest aannemen. De leiding van de BSP, en later SP en PS, trachtte meermaals de verwijzingen naar socialisme te dumpen, maar keer op keer stootte ze op verzet aan de basis. Het ideologisch congres van de BSP in 1974, bedoeld om de partij om te vormen van een arbeiderspartij naar een volkspartij naar CVP-model, mondde integendeel uit in een verlinksing. De Jongsocialisten omarmden het revolutionair reformisme van Michel Rocard die later premier zou worden onder Mitterand. In de loop van de jaren 1980 begon dat echter te veranderen. Een keerpunt werd bereikt toen de Muur van Berlijn en de stalinistische karikaturen van het socialisme in het Oosten in elkaar stuikten. Een alternatief op het kapitalisme leek niet langer mogelijk. Heel wat activisten, ook wie nooit illusies had in stalinisme, vervielen in passiviteit. Anderen legden zich toe op one-issue bewegingen. Een globaal alternatief op het kapitalisme leek veraf. arbeidersbeweging politiek onthoofd Het ging gepaard met een ideologisch tegenoffensief van de burgerij. Het tijdperk van de ideologieën had nu plaats gemaakt voor pragmatisme en technisch beheer. De vakbonden werden nog meer ingekapseld in overleg en beperkten zich louter tot stervensbegeleiding. De sociaaldemocratie en in een aantal landen de communistische partijen werden gezagsgetrouwe uitvoerders van de politiek van de burgerij. Daardoor raakte de arbeidersbeweging politiek onthoofd.Alles samen zorgde dit voor een sterke terugval van het socialistisch bewustzijn. Om diezelfde redenen legden de voorlopers van LSP, die tot dan hoofdzakelijk binnen de SP hadden gewerkt als marxistische tendens, steeds meer nadruk op onafhankelijk werk. Onder meer met de oprichting van Blokbuster in augustus 1991, enkele maanden voor de electorale doorbraak van het Vlaams Blok op zwarte zondag. Vanaf 1995 waren onze voorlopers ervan overtuigd dat de SP niet langer geschikt was als instrument voor de ontvoogding van de arbeidersklasse. De SP en voordien de BWP en de BSP hadden altijd een dubbel karakter gehad. Lenin noemde de sociaaldemocratie ‘burgerlijke arbeiderspartijen’. Ze waren historisch ontstaan als instrumenten van de arbeiders in de klassenstrijd. Die geschiedenis weerspiegelde zich in hun sociale samenstelling. De leiding was echter al snel gehecht aan de parlementaire posities. Ze was meer verwant met de vertegenwoordigers van de burgerij dan met de eigen achterban. Dat dubbele karakter leverde soms bruuske wendingen naar rechts op. De parlementaire fracties stemden de oorlogsbegrotingen in aanloop naar WOI. De Man ontbond de BWP aan de vooravond van WOII met een oproep tot collaboratie met nazi-Duitsland. Maar er waren ook forse correcties naar links onder druk van de arbeidersbasis. Tegen 1995 was de burgerlijke component echter enorm dominant geworden en de arbeiderscomponent erg verzwakt. De voorlopers van LSP raakten ervan overtuigd dat een onomkeerbaar proces van verburgerlijking was ingezet. De sociaaldemocratie was stilaan omgevormd naar het model van de Democratische Partij in de VS. Die was nooit een arbeiderspartij geweest, in geen enkel opzicht. dubbele taak Zelden was de kloof tussen het bewustzijn en de rijpheid van de materiële voorwaarden voor revolutie en socialistische omvorming van de maatschappij zo groot als vandaag.Het kwam er voortaan niet enkel meer op aan om onze eigen stroming te bouwen, de latere Linkse Socialistische Partij, met haar specifieke visie op socialisme en hoe dat te bereiken. We moesten nu ook tegelijk opnieuw de idee vestigen van een breder strijdinstrument van de arbeiders. Een partij waarin iedere stroming die bereid is tot verzet tegen het neoliberale afbraakbeleid haar plaats zou hebben en ook het recht om haar eigen identiteit te bewaren. Dat is wat we bedoelen met de zogenaamde “dubbele taak” van linkse socialisten. Sommigen zien hierin een contradictie. Ze denken dat de twee onverenigbaar zijn. Voor hen bouw je ofwel een specifieke revolutionair socialistische partij ofwel een brede partij, nooit de twee tegelijk. Een brede partij zal onvermijdelijk de beperkingen van het bewustzijn onder bredere lagen weerspiegelen. Wij denken dat de twee wel verenigbaar zijn. Meer nog, wie niet bereid is zo efficiënt mogelijk mee te strijden voor de onmiddellijke bekommernissen, zal nooit een revolutionair socialistische massapartij kunnen bouwen. Maar omgekeerd, is het eveneens onmogelijk zich te blijven opladen als dit niet telkens weer gekoppeld wordt aan een visie van socialistische omvorming van de maatschappij. Niet als een perspectief ergens in een verre toekomst, maar als een onmisbaar onderdeel van de dagelijkse strijd. Die afweging hebben we gehanteerd in onze argumentatie voor een nieuwe strijdpartij van de arbeiders. We weten dat de vorming ervan een uitgerokken en ingewikkeld proces zal zijn. Dat de vorm die dat aanneemt van land tot land zal verschillen, afhankelijk van de krachten op het terrein en beïnvloed door historische tradities. Er zal niet één model zijn, maar talloze varianten. Gewoon afwachten tot de objectieve voorwaarden en de geesten voldoende gerijpt zijn en de nieuwe partij vanzelf ontstaat volgens het vooraf uitgekiende schema, is niet onze benadering. Integendeel, elke stap, hoe klein ook, die kan helpen de nood aan een nieuwe strijdpartij ophelderen, hebben we sindsdien gesteund. Met eigen initiatieven en door deelname aan eenheidsinitiatieven hebben we getracht bij te dragen aan het bijeenbrengen van activisten. Volgens ons is dat een noodzakelijke opstap in het wordingsproces van een nieuwe partij. Alles samen is dat intussen al een hele lijst geworden. Van Debout in 1999, over ons voorstel voor linkse allianties, PC-RDS en kandidaten op PC-Lijsten in 2003, Leef, CAP, het kartel PC-PSL-LCR-PH, de lijst LCR-PSL, het Front des Gauches, Rood, het Front de Gauche, Gauches Communes en zelfs onze deelname aan de Luikse lijst VEGA.(4) Sommigen doen daar nogal lacherig over. Alsof het allemaal tot niets heeft gediend. Van een aantal ervan kan achteraf het nut betwist worden, maar dat was niet noodzakelijk van bij het begin duidelijk. LSP is ervan uitgegaan dat zelfs een kleine kans op succes het verdiende om uitgetest te worden. Vandaar ook het voorstel dat LSP deed aan de PVDA voor een kandidaat op haar lijst in Antwerpen voor de gemeenteraadsverkiezingen van 2000. Het voorstel voor een kartel PVDA-LSP in 2005 met het oog op vervroegde verkiezingen, voor een PVDA-CAP lijst voor de kamer in Antwerpen in 2007 en voor een PVDA-Rood kartel voor de gemeente Antwerpen in 2012 en tenslotte voor PVDA-eenheid lijsten in 2014. Dat is tot op vandaag helaas op niets uitgelopen. idee van brede arbeiderspartij pikt op Sommigen beweren dat voortijdige initiatieven, wanneer ze mislukken, de kans tot de vorming van zo een partij op een later tijdstip bemoeilijken. Dat is niet altijd onterecht. Wij kunnen slechts vaststellen dat de idee van een nieuwe, brede linkse formatie, links van de sociaaldemocratie en de groenen, intussen wel begint in te zinken. Vooral daar waar het belangrijk is omwille van het potentieel dat het vertegenwoordigt, in delen van de vakbonden, het ABVV gewest Charleroi-Zuid Henegouwen en de christelijke bediendencentrale CNE, en ook in en rond de PVDA.Uiteraard komt dat doordat de objectieve voorwaarden, een regering met een socialistische premier die een historische aanslag pleegt op de sociale verworvenheden, intussen gerijpt zijn. Voorts ook door het ontstaan van reeks landen, inclusief de buurlanden. Maar objectieve voorwaarden alleen leiden niet noodzakelijk tot de gewenste conclusies. Het vergt tegelijk een subjectieve factor, hoe bescheiden ook, die systematisch op de nood aan zo’n brede strijdpartij blijft hameren. nieuwe formaties links van de sociaaldemocratie en de groenen in een hele Nieuwe linkse partijen in het buitenland weerspiegelen nog de terugloop van het bewustzijn sinds de jaren 1980. Het wantrouwen is groot. Het zijn nog geen strijdpartijen waar arbeiders massaal bij aansluiten om actief hun belangen te verdedigen. Hun steun is hoofdzakelijk electoraal en wie toch lid wordt, doet dat meestal passief. Inhoudelijk zijn ze wollig, op zoek naar wat voor de burgerij aanvaardbaar klinkt, met voor interpretatie vatbare formules en doorgaans illusies in machtsdeelname met burgerlijke partijen. Ze kennen niet de stabiliteit van de sociaaldemocratie van na WOII. Die consolideerde zich onder de meest gunstige omstandigheden voor het reformisme. Toen het kapitalisme haar langste economische bloeiperiode uit de geschiedenis meemaakte. Toen het bereid was tot verregaande toegevingen uit schrik voor revolutie. Toen het rekening moest houden met het bestaan van een fundamenteel tegengesteld blok van zogenaamde communistische landen, karikaturen van arbeidersstaten, weliswaar met genationaliseerde en geplande economieën, maar zonder enige vorm van arbeidersdemocratie. De nieuwe linkse partijen zijn integendeel ontstaan als bijproduct van de kapitalistische crisis. Ze stoten veel sneller op de limieten van het systeem. De marge voor toegevingen door de burgerij is veel geringer en ze kunnen niet terugvallen op een blok van “socialistische” landen. Ze worden veel sneller uitgetest en zonodig gedumpt. nieuwe linkse formaties zijn deel van het proces De oudste van de nieuwe linkse partijen is de Italiaanse Rifundazione Communista. Zij beantwoordde het best aan de beschrijving van een nieuwe strijdpartij van de arbeiders omwille van de actieve deelname van tienduizenden arbeiders. Door haar deelname aan de centrumlinkse besparingsregering Prodi II werd ze echter letterlijk van de kaart geveegd. De ruimte die daardoor werd achtergelaten, wordt nu ingevuld door de populistische Vijfsterrenbeweging van Beppe Grillo.De andere nieuwe linkse formatie die het meest tot de verbeelding spreekt, het Griekse Syriza, heeft haar stoere taal tegenover de trojka al flink gemilderd. De relatief democratischer structuur van een alliantie van linkse krachten werd ingeruild voor een meer centralistische controle door de partijtop. Vandaag loopt Syriza vol met voormalige partijkaders van PASOK. De omvorming naar een voor de burgerij betrouwbare bestuurspartij is ingezet. De structuur, de sociale samenstelling, het programma en de hele benadering van die partijen kan snel veranderen. Maar niet alleen door een ruk naar rechts, net zo goed door linkse wendingen onder druk van massale gebeurtenissen. Steeds meer strijdbare syndicalisten vinden elkaar in internetfora, basisgroepen en netwerken. Oude vakbondsleiders moeten wijken voor nieuwe, meer strijdbare. Zo zullen ook de nieuwe politieke formaties onder de hamerslagen van toenemend verzet tegen het crisisbeleid van de burgerij, voortdurend hersmeed en zonodig ingeruild worden. Ze maken deel uit van het regeneratieproces van de klassenstrijd, waarbij nieuwe formaties voortdurend opgeworpen, uitgetest, bijgesteld en desnoods vervangen worden. In het algemeen is hun bestaan een belangrijke ontwikkeling. Het stimuleert het zelfvertrouwen van arbeiders en jongeren om in actie te gaan. Ze zijn een noodzakelijk stadium in het proces van programmatorische, strategische, tactische en organisatorische herbewapening van de arbeidersklasse. Ze stimuleren het broodnodige debat en bieden de kans om dat op een ruimere schaal uit te testen en aan te scherpen in het verloop van concrete klassenstrijd. perspectieven Verwijzend naar de elfde stelling van Marx over Feuerbach – “De filosofen hebben de wereld slechts verschillend geïnterpreteerd; het komt er op aan haar te veranderen” – noemt men het marxisme soms de theorie van de praxis, maar ook de kunst van het werken met perspectieven. Het komt erop aan uit de concrete omstandigheden en krachtsverhoudingen de meest waarschijnlijke ontwikkelingen in te schatten als gids tot actie. Wie slechts oog heeft voor feiten en cijfers zal nooit voorbereid zijn op plotse veranderingen in de situatie. Maar wie zich waagt op het terrein van de perspectieven zonder rekening te houden met de bestaande verhoudingen, vervalt onvermijdelijk in waarzeggerij.Het komt erop aan beide te combineren. Die benadering deed LSP al jaren terug besluiten om de nood aan een nieuwe strijdpartij van de arbeiders te propageren, zelfs toen dat nog een ver toekomstbeeld leek. Ook wanneer de concrete condities gerijpt zijn, vergt het immers een reeks belangrijke gebeurtenissen om van een idee een sociale kracht te maken. Er is tijd, veel tijd overgegaan, vooraleer een belangrijk segment van de syndicale beweging de manifeste breuk van de achterban met de traditionele politieke partners, begon te vertalen naar concrete initiatieven. Er is eveneens veel tijd overgegaan vooraleer een deel van de linkerzijde begreep dat de sociaaldemocratie niet gewoon haar zoveelste zwaai naar rechts doormaakte die weldra door de basis gecorrigeerd zou worden, maar dat zich een onomkeerbaar proces van verburgerlijking had voltrokken. Er is veel tijd overgegaan vooraleer men begreep dat de krachten voor een nieuwe partij niet noodzakelijk, zelfs niet hoofdzakelijk, uit splitsingen van de oude formaties zouden komen. Er is veel tijd overgegaan, vooraleer sommigen zich realiseerden hoe verstikkend de afwezigheid van een brede partij van de arbeidersbeweging wel is voor de strijd van arbeiders en jongeren. Hier en daar werden schuchtere pogingen ondernomen voor de creatie van een formatie links van de sociaaldemocratie en de groenen. Maar er ontbrak altijd wel ergens een factor om de balans in de juiste richting te doen doorslaan. Aan een nieuwe strijdpartij van de arbeiders zijn we nog niet toe. De rijpheid van de objectieve voorwaarden, de stellingname van een deel van de vakbondsstructuren en de geleidelijke electorale vooruitgang van de PVDA sinds haar vernieuwingscongres in 2008, zijn echter kwalitatief nieuwe gegevens. De PVDA heeft naar eigen zeggen het “dogmatisme en extremisme definitief afgezworen” , tracht vooral met concrete voorstellen uit te pakken, verkiest voor zichzelf de term ‘opkomend links’ boven ‘radicaal links’, en heeft sindsdien vlot toegang tot de media. PVDA claimt nu meer dan 7.000 leden, ruim 5000 meer dan op het ogenblik van haar vernieuwingscongres. Daarvan zijn er 1.300, af en toe valt het cijfer 1.800, georganiseerde. Dat zijn militanten die deelnemen aan minstens 1 vergadering per maand en naast de jaarlijkse, ook een maandelijkse bijdrage betalen aan de partij. De andere 5000+ betalen een jaarlijks lidgeld van minimum 20 euro - of 10 euro indien de partner ook al lid is - en nemen deel aan enkele algemene ledenvergaderingen per jaar. Sinds de gemeenteraadsverkiezingen van oktober 2012 telt de PVDA 52 verkozenen. Manifiesta, het jaarlijkse feest van de PVDA en Geneeskunde voor het Volk (GvhV) brengt tot 10.000 bezoekers op de been. Aan de PVDA zijn 11 groepspraktijken verbonden, met een honderdtal gezondheidwerkers, 60 administratieve medewerkers, honderden vrijwilligers en 35.000 patiënten. Er zijn twee advocatenkantoren, in Antwerpen en Brussel onder de naam Progress Lawyers Network. De jongerenbeweging Comac (Communistische actie, maar de volledige benaming wordt nooit gebruikt), voor jongeren van 13 tot 30 jaar, telt ongeveer 700 leden. Al veertig jaar bestaat er ook een Pionierswerking voor 6 tot 16 jarigen. De partij beschikt bovendien over een studiedienst die alom gerespecteerd wordt. Dat de PVDA al meer dan 20 jaar bij elke verkiezing haar electorale doorbraak aankondigt, weten we. Deze keer is de kans echter reëel dat ze in mei 2014 verkozenen behaalt in het federaal parlement en ook in de regio’s. Het zou de eerste keer zijn sinds de verkozenen van de Kommunistische Partij van België (KPB) midden de jaren 1980 verdwenen uit het parlement dat radicaal links opnieuw zijn intrede doet. De PVDA lijkt goed op weg haar plaats op te eisen tussen de nieuwe linkse formaties. Wat de PVDA hiermee zal aanvangen is een open vraag, maar LSP verwelkomt deze evolutie. Het zal de discussie onder een breder publiek over de ideeën van links bevorderen. onze benadering aanpassen aan de nieuwe ontwikkeling Die ontwikkeling vergt ook een aangepaste benadering van de PVDA door LSP. Niet dat we in het verleden brutaal of niet respectvol zouden geweest zijn. De zeldzame keren dat we de polemiek zijn aangegaan, deden we dat op een scherpe maar correcte manier en steeds op basis van politieke inhoud zonder de positie van anderen te vervormen. Dat individuele leden zich ooit lieten meeslepen in onderlinge verwijten, weten we. Als strekking of als partij hebben we daar steeds tegen opgetreden en ons ver verwijderd gehouden van de onderlinge scheldtirades die ooit zo kenmerkend waren voor radicaal links.Tot voor het vernieuwingscongres van de PVDA was het onderscheid tussen onze strekkingen echter vanzelfsprekend. Wij baseren ons op de traditie van de Internationale Linkse Oppositie tegen het stalinisme en wat haar tegenstanders het trotskisme zijn gaan noemen. Zij verdedigden dan nog openlijk het stalinisme. Als ze het al oneens waren met een of ander “communistisch” regime, dan was dat niet omdat het gelijkenissen vertoonde met de terreur onder Stalin, integendeel. Dat is geen geheim, wekelijks kon men in het presentatieblok van Solidair de appreciatie van de toenmalige PVDA voor de bijdragen van Stalin en Mao aan het marxisme nalezen en vaststellen hoezeer ze Chroesjtsjov de destalinisatie verweten. Nog in 1994 publiceerde Ludo Martens “Een andere kijk op Stalin”. Solidair zette toen in een speciale bijlage gewijd aan het boek nog eens de puntjes op de i. In die tijd, en nog veel later, behoorde de verdediging van Stalin tot de kerntaken van de PVDA-militant. Het klopt dat de PVDA ook toen al meermaals haar standpunten wijzigde. De Sovjetunie van na de destalinisatie in 1956 heette achtereenvolgens sociaal-fascisme, staatskapitalisme en reëel bestaand socialisme. Cuba was het vijfde wiel aan de wagen van het sovjetimperialisme en Castro een revisionistische bondgenoot van de ‘trotskist’ Tito (blz 187 in ‘Een andere kijk’) vooraleer de PVDA Che Guevara op elke betoging in het groot meedroeg. Deze en andere politieke salto’s hebben ons nooit verbaasd. Ze zijn zelfs typerend voor het politiek bedrijven onder het stalinisme. Ook ten tijde van Stalin zigzagde de Comintern van de politiek van de Derde Periode naar die van de volksfronten.(5) Als reactie op de politiek van vreedzame co-existentie van Chroesjtsjov formuleerde de Chinese variant de theorie van de Drie Werelden.(6) De PVDA is daar destijds volledig in mee gegaan en het straalde af op de posities die de ze innam over de vakbonden, de Moskougetrouwe KPB, de vredesbeweging en de derde wereldbeweging. Wat nu gebeurt met de PVDA is echter iets totaal anders. De meerderheid van de leden heeft niets te maken met dat stalinistisch verleden. Zij zien in de PVDA de partij van Geneeskunde voor het Volk. De partij die consequent en cijfermatig de uitwassen van het kapitalisme aanklaagt. Die stelselmatig haar invloed heeft opgebouwd. Die in de media een andere stem laat horen. Die eindelijk een links project in het door rechts gedomineerde politieke landschap vertegenwoordigt. De harde kern van de PVDA, enkele honderden leden die minstens tweewekelijks vergaderen en de partij feitelijk doen draaien, heeft dat begrepen. Op uitzondering van speciale vormingsmomenten voor het selecteren en opleiden van nieuwe partijkaders, wordt de discussie over Stalin en Mao ofwel uit de weg gegaan, ofwel herleid tot een louter historische referentie. Telkens als daarover vragen gesteld worden, heet het dat men toch daarover niet weer gaat beginnen. De PVDA-leiding was er niet ten onrechte snel bij om zich te distantiëren toen kaderlid Jef Bossuyt zich in Ter Zake te enthousiast uitliet over de Kim-dynastie in Noord-Korea. Dat was naar aanleiding van de opvolging van Kim Jong-il door Kim Jong-un. Wij denken dat de PVDA fundamenteel veranderd is, zelfs al is nog niet ieder PVDA-kaderlid daarvan overtuigd. We horen van sommige kaderleden dat ze ervan overtuigd zijn dat deze vernieuwing slechts een tijdelijke tactische wending is. Dat ze gecorrigeerd zal worden zodra de gelegenheid zich aanbiedt. Maar we denken dat dit niet langer mogelijk is. De PVDA zal onder het gewicht van de nieuwe leden, de nieuwe bondgenoten en de nieuwe kiezers niet anders kunnen dan haar vernieuwing door te zetten. In haar benadering van de PVDA houdt LSP daar rekening mee. Historische meningsverschillen blijven belangrijk, ook en vooral voor de toekomst. Voor het type socialisme dat we nastreven en de manier waarop we dat willen bereiken. Wie de geschiedenis negeert, zal nooit in staat zijn tot een correcte politiek, vandaag niet en zeker in de toekomst niet. Maar als de nadruk vooral daarop ligt, zal het bij veel nieuwe leden en sympathisanten van de PVDA op onbegrip onthaald worden en hen afstoten. Zij zijn juist lid geworden, stemmen voor de partij of sympathiseren ermee, omdat ze denken dat het vernieuwingsproces zich zal doorzetten. Een kleine minderheid erkent in de wandelgangen dat er nog hardnekkige restanten van het verleden overblijven. Maar zelfs die schat het vernieuwingsproces doorgaans krachtig genoeg in en met voldoende steun van de partijleiding om dat op redelijke termijn te laten uitdoven. Zij staan wel open voor positieve suggesties, verbreding en linkse samenwerking. Een aantal van hen begrijpt niet waarom de PVDA wel coalities overweegt met CD&V en VLD in Zelzate of in coalitie treedt met SP.a en Groen in Borgerhout, maar tegelijk halsstarrig weigert samen te werken met radicaal links. Het roept vragen op. Maar nu radicaal links voor het eerst in tientallen jaren de kans maakt om zich op de politieke agenda te plaatsen, wensen ze dat niet in gevaar te brengen door daarover een strijd aan te gaan. Ze vinden dat de PVDA eerst een kans moet krijgen. LSP houdt met die verzuchtingen rekening. We zullen positieve voorstellen doen om strategische, tactische, programmatorische en organisatorische tekortkomingen te verbeteren en samen naar oplossingen te zoeken. De vragen naar de verschillen in opvatting over socialisme en hoe dat te bereiken zullen dan vanzelf wel komen. Dat zal dan niet langer beschouwd worden als haarkloverij, maar als een reële bijdrage aan een noodzakelijk debat. Tegelijk zullen we LSP uitbouwen, want wie gehoord wil worden moet ook de inzet en de capaciteit aan de dag leggen om de juistheid van zijn/haar opvattingen te toetsen aan de praktijk. Daarmee zijn we aanbeland bij een vraag die de kritische lezer wellicht kwelt. Hoe komt het dat de PVDA zich in die positie bevindt en LSP al bij al een kleine partij gebleven is. LSP duikt wel overal op. Is een vaste waarde in de anti-fascistische strijd met de Blokbustercampagne en haar jaarlijkse anti-NSV betogingen. Neemt initiatieven als TegenGASas, werkt regelmatig samen met de jongerenorganisaties van de vakbonden en de Jeunesse Ouvrière Chrétienne (JOC), de Franstalige tegenhanger van de Kristelijke Arbeidersjongeren (KAJ). Onder de noemer Actief Linkse Studenten (ALS) is LSP wel aanwezig aan de meeste universiteiten, in sommige hogescholen en in het secundair onderwijs. Het heeft een actieve vrouwenwerking die ook in bredere kringen gerespecteerd wordt voor haar standpunten en initiatieven. Bovendien telt LSP onder haar leden heel wat gewaardeerde strijdbare syndicalisten uit beide grote vakbonden. Zowel in de chemische sector als in onderwijs, spoor, lokale en regionale besturen, non-profit en openbaar vervoer hebben LSP militanten bijgedragen aan het opbouwen van syndicale delegaties die hun waarde hebben bewezen tijdens strijdbewegingen. Maar het blijft wel beperkt tot enkele honderden, zij het zeer actieve, militanten. Niet eens een tiende van het ledenaantal van de PVDA en slechts half zoveel als de harde kern ervan. Hier geen dokterspraktijken of advocatenkantoren en geen 52 verkozenen. Maar slechts één verkiezingsuitslag die het behalen van een verkozene benadert, 3,6% voor de gemeenteraadsverkiezingen van 2012 in Sint-Gillis bij Brussel onder de naam Gauches Communes, een samenwerking met de PH. Hoe verklaart LSP dat? Om dat te begrijpen willen we eens teruggaan naar de periode waarin de voorlopers van de PVDA actief werden en hun eerste kernen opbouwden. We zullen dat vergelijken met die waarin de voorlopers van LSP actief werden. Wij denken dat de lezer meteen zal inzien welk een wereld van verschil dat maakt. studenten radicaliseren in aanloop naar ‘68 In “Een kwarteeuw mei ’68” beschrijven Ludo Martens en Kris Merckx het verloop van de gebeurtenissen die plaatsgrepen in België in de tweede helft van de jaren 1960, toen zij actief werden. Doorgaans bestaat het vooroordeel dat mei ’68 zich vooral afspeelde in Frankrijk. Dat als het regent in Parijs, het dan druppelt in Brussel. Dat de beweging in België beperkt bleef tot de eis van Leuven Vlaams en dus niet zoveel voorstelde. Martens en Merckx weerleggen die mythe met verve.Helaas is hun uitgangspunt in “Een kwarteeuw mei ’68” gebaseerd op een historische vergissing van formaat. “Tot begin ‘60 wist de bourgeoisie in Vlaanderen haar intellectuelen op te fokken in de bekrompen wereld van het rechtse Vlaams nationalisme en van het klerikalisme”, schrijven ze. Dat de burgerij haar intellectuele elite aan de universiteiten een bekrompen rechtse en reactionaire visie wou bijbrengen, dat zal wel. Maar haar politiek was niet om het Vlaams nationalisme te bevorderen. Het opleggen van het Frans als de taal van de elite en het beschouwen van het Vlaams als minderwaardig, maakte juist integraal deel uit van de elitaire visie van het unitaire België. Het beperkte de carrièremogelijkheden van de Vlaamse intellectuele elite die het aanvoelde als achterstelling. Dat was juist een van de vonken die in die jaren het vuur aan het lont zou steken. Maar de combinatie van Vlaamse ontvoogding met reactionaire opvattingen was niet opgewassen tegen een aantal belangrijke gebeurtenissen, zoals de Staking van de Eeuw in 1960-’61, de onafhankelijkheid van Congo, de Belgische interventie en de moord op Lumumba, de gewapende strijd tegen de Amerikaanse interventies in San Domingo en Vietnam, en dan de strijd in Zwartberg waarbij de rijkswacht twee mijnwerkers doodde. Onder impuls van deze en andere gebeurtenissen radicaliseerde de maatschappij en de studenten weerspiegelden dat. Tegen die achtergrond en ook door het toenemend aantal studenten tengevolge van de democratisering van het onderwijs, sluimerde een conflict met de onaangepaste autoritaire academische structuren. Dat was vooral het geval in het katholieke onderwijs en in het bijzonder in Leuven. Al in 1962 sprak de Vereniging van Vlaamse Studenten (VVS) zich officieel uit voor studentensyndicalisme. In 1965 eiste het de erkenning van de student als jonge intellectuele arbeider en een integraal en eenvormig studieloon. In mei 1966 raasde vier, vijf dagen lang een revolte van duizenden studenten door Leuven. Ze werden uiteen geknuppeld en uiteen gespoten door de rijkswacht, maar de revolte kwam pas ten einde nadat de academische overheid het universitair jaar vevroegd opschortte. De week erop kende de beweging een uitloper naar heel Vlaanderen. Duizenden scholieren betoogden en staakten in Antwerpen, Sint-Niklaas, Brussel, maar ook in Kortrijk en Aarschot. Een generatie werd klaargestoomd voor de volgende vloedgolf. “Het tijdperk der geuzen is ingeluid” schreef Gaby Van Dromme(1). De studenten eisten een “open dialoog in plaats van vernederend als onmondig te worden beschouwd, verantwoording van de universiteit aan de gemeenschap in plaats van autocratische dictaten en solidariteit met de arbeiders die eveneens getroffen worden door de gevestigde machten: het clericalisme, het unitarisme en het kapitalisme.” Die solidariteit met de arbeiders was wel heel concreet geworden nadat de rijkswacht in Zwartberg op 31 januari 1966 twee stakende mijnwerkers doodschoot. Van Dromme schreef daarover dat de kern van het dramatische voorval is “dat een kapitalistische staat als België in zich steeds de kiemen draagt van tweedracht: tussen kapitaal en arbeid.” Het blad van het Katholiek Vlaams Hoogstudenten Verbond (KVHV), Ons Leven, stak in november 1965 de draak met de IJzerbedevaart: “een voorbeeld van verlicht kabaret, als de context niet zo verouderd was, en als bepaalde veruitwendigheden geen regelrechte clichees waren van het Dritte Reich ... Laten we deze pacifistische idealen niet misbruiken door gefrustreerde flaminganten. Het ideaal is te schoon.” Nog datzelfde najaar ’66 organiseerden de nieuwe studentenverantwoordelijken van het KVHV, toen de enige politieke massaorganisatie van studenten, een voettocht door Vlaanderen. Ze startten met 150 in Oostende voor een zesdaagse. Het was de gelegenheid om de mei-revolte te verwerken en te analyseren. Iedere avond werd er bij aankomst een publieke meeting aan gekoppeld. De mars groeide aan tot een duizendtal voor de eindetappe van Mechelen naar Leuven. Over de eis “Leuven Nederlands” (sic) schreef Ons Leven: “het is geen stelling die wij voorop plaatsen, het is een uitvloeisel van onze nieuwe geest. Wij stellen voorop dat een universiteit volledig in de gemeenschap moet zijn ingebouwd, er moet een levendige wisselwerking zijn tussen de universiteit en de gemeenschap omdat een universiteit als enige taak heeft: het opleiden van mensen voor die gemeenschap. Vanuit dit standpunt hebben wij ook de plicht voor Wallonië een eigen universiteit te eisen.” Tijdens het academiejaar 1966-’67 kwamen de studenten op adem na de geleverde strijd. Het was een jaar waarin de spontane opstandigheid werd omgezet in linkse ideeën. Tijdens ‘Operatie Ultimatum’ in februari tot mei 1967 werden allerlei prikacties gevoerd, zoals een actie aan het parlement en een bezetting van het Atomium. Het was de noodzakelijke voorbereiding voor de revolte die in januari 1968 losbarste. Die werd aangestoken door de Belgische bisschoppen. In al hun wereldvreemde arrogantie verkondigden ze op 13 januari dat de Franstalige universiteit in Leuven zou blijven. drie weken studentenrevolte Drie dagen later, op 16 januari, greep een massameeting plaats in auditorium De Valk. “Bourgeois buiten” scandeerde men, naar analogie en vooral in de plaats van “Walen buiten”. Men trok de straat op, sleurde de inboedel van de hallen naar buiten en stookte hem op. Tweeduizend studenten betoogden om 22u. De rijkswacht pakte er 325 op. De volgende ochtend was heel Leuven Nederlands in staking. Leuven werd overdekt met muurkranten. Dat gebruik dateert vooral uit de beginjaren van de Sovjetunie. Midden de jaren 1960 herleefde het in China tijdens de Culturele Revolutie, waarover later meer, vanwaar het overwaaide naar geradicaliseerde studenten overal ter wereld.De rijkswacht ranselde er opnieuw op los. De verontwaardiging daarover doet de rangen van de studenten alleen maar aanzwellen. De rijkswacht viel het studentenrestaurant Alma II binnen waar een meeting plaatsgreep. “Schieten! Schieten! Schieten!” scanderen de studenten sarcastisch. Paul Goossens werd opgepakt en de studenten hadden er meteen een argument bij om nog meer te mobiliseren. Op 18 januari werd een samenscholingsverbod uitgevaardigd. Meer dan 2.000 studenten konden niet allen tegelijk binnen in de Alma voor een meeting. De volgende dag vatten 3.000 studenten post op de Grote Markt voor de hallen omdat de Academische Raad om 16 uur samen kwam. Met de armen ineen gehaakt, weerstonden ze de waterkanonnen tot die leeggespoten waren. De rijkswacht moest er met matrakken op in hakken om de massa uiteen te drijven. De Academische Raad besliste de lessen te schorsen tussen 19 en 27 januari. Intussen verspreidden de studenten het tweede nummer van hun illegaal dagblad Revolte. Er werd opgeroepen voor dagelijkse volksvergaderingen en geëist dat de universiteit een auditorium afstaat. Zo konden de studenten hun standpunten bepalen en de situatie analyseren in hun eigen universiteit. De academische overheid had gehoopt dat de beweging zou uitdoven als de lessen geschorst werden. Het werd een grote misrekening. Op maandag 22 januari kwamen er opnieuw 2.000 studenten samen in de Alma II. Bovendien begon een week van actie in Leuven door te sijpelen naar de rest van Vlaanderen. De Katholieke Jeugdraad steunde de studenten en in de middelbare scholen gingen acties van start. Revolte radicaliseerde en wilde de volksvergaderingen en conferenties combineren met ondergrondse guerrilla. Het nummer waarin het recepten publiceerde voor het maken van Molotov-cocktails werd door rector De Somer in beslag genomen. De 23ste staakte de Gentse universiteit. Scholieren trokken er van school tot school om de staking uit te breiden. In Mol en Lommel waren er 1.500 betogers. In Mechelen en Oostende liepen de middelbare scholen leeg. In Antwerpen kwamen 3.000 studenten en scholieren samen. De 24ste waren er 4.000 betogers in Gent. In Antwerpen staakten 45 scholen. Diezelfde dag waren er 3.500 betogers in Diest, 3.000 in Brugge, 1.500 in Izegem, 1.000 in Geraardsbergen,... ‘s Avonds waren er 2.000 aanwezigen op een meeting op het Arenbergplein die vervolgens in betoging naar de hallen trok. De jongeren werden aangevallen door de rijkswacht, die 675 personen oppakte waaronder enkele Limburgse mijnwerkers. Vrijdag de 26ste verrichtte de politie huiszoekingen bij de Studentenvakbeweging (SVB). Studenten vonden ze niet. Die stonden aan talloze fabriekspoorten overal in het land voor een informatiecampagne. In Tielt betoogden 1.500 scholieren en in Puurs 1.000. Maandag de 29ste, terwijl 45 studenten naar de Limburgse mijnen reizen, deed het academisch korps voor 2.000 studenten een vruchteloze poging in de Alma om ze van de straat te halen. De latere SP-politicus Michiel Van den Bussche: “Het heeft nu lang genoeg geduurd, wij moeten allemaal beginnen met het harde verzet!” De 30ste, volksvergadering over ‘fascisering’. De scholierenbeweging bleef uitbreiden met in Boom 1.800 betogers, Eeklo 1.500, Waregem 2.000, Veurne 700. Op weg naar Luik om aan tien fabrieken pamfletten uit te delen, werden 91 studenten de 1ste februari door de rijkswacht onderschept. Scholierenbetogingen in Kortrijk 3.000, Menen 800 en Maaseik 1.000. De zaterdag daarop betoogden 1.700 leraars in het Antwerpse stadscentrum. De volgende dinsdag werd uitgeroepen tot zwarte dinsdag, een dag waarop overal de zwarte vlag van protest en revolte werd uitgehangen. Universiteiten, technische en middelbare scholen namen er massaal aan deel. In Antwerpen en Mechelen waren er telkens meer dan 5.000 betogers. Op 7 februari viel de regering Vanden Boeynants en kwam er een spectaculair einde aan de Leuvense studentenrevolte. van kvhv-werkgroep naar autonome studentenvakbeweging Het was op deze vruchtbare bodem van radicalisatie en jongerenverzet tegen de onaangepaste archaïsche structuren dat de opvattingen van de voorlopers van de PVDA wortel schoten en de eerste kernen zich begonnen te structureren.Ze maakten deel uit van een nieuwe generatie studentenleiders. Paul Goossens werd in het academiejaar 1966-’67 voorzitter van de politieke raad van VVS en praeses van KVHV. Ludo Martens was hoofdredacteur van het KVHV-blad Ons Leven. Kris Merckx was voorzitter van de faculteitskring van de studenten geneeskunde en werd een jaar later voorzitter van het faculteitenconvent. Jo Cottenier, Herwig Lerouge, Kris Hertogen, Dirk Nimmegeers, Michel Leyers, Walter De Bock en een beetje later Dirk Ramboer komen allemaal uit die eerste kern van gerevolteerde studenten. Al in december 1966 begonnen Martens en Walter De Bock in Ons Leven kritiek te uiten op het KVHV. Daarin waren twee strekkingen vertegenwoordigd. De zogenaamde “kaste of prinsen die zich verbonden voelden met de elite” en een groep “progressieven” die “een band voelde met de gewone studenten, de proleten.” De posities waren daardoor halfslachtig. Om dat te verhelpen werd binnen KVHV een werkgroep opgestart, de Leuvense Studentenvakbeweging (SVB). Ons Leven kreeg het opschrift KVHV-studentenvakbeweging. Dat leverde de nodige spanningen op. Naar aanleiding van het “seksnummer” van Ons Leven (3 februari 1967), waarin de geestelijkheid van pedofilie beschuldigd werd, kreeg Martens verbod om het volgend academiejaar aan de Leuvense universiteit te studeren. Hij kreeg ook verbod nog één artikel te publiceren dat afweek van de christelijke ethiek, waarop hij ontslag nam als hoofdredacteur en vervangen werd door Paul Goossens. Vanaf maart 1967 werd SVB een zelfstandige werkgroep binnen het KVHV, “met als doel alle progressieve studenten die ijverden voor een nieuwe maatschappij te verenigen in een strijdbare organisatie.”(2) Ward Segers(3) laat vallen dat er een plan was om KVHV te vervangen door SVB, maar dat dit op verzet botste van de traditionele flamingantistische vleugel met steun van de Verbondsbeheerraad, waardoor op 5 juni 1967 de autonome SVB opgericht werd. Of er echt een plan was, weten we niet, maar dat het tot een breuk moest komen spreekt voor zich. Het duurde tot oktober 1967 vooraleer SVB haar eigen veertiendaags blad publiceerde, 13 mei genoemd naar de datum van de verklaring van de bisschoppen die aanleiding had gegeven tot de meirevolte van 1966. Tot dan had de beweging geen blad, geen rekening, geen kas of adres. Ze was nog niet nationaal gecoördineerd en politiek soms vaag. Maar onder de geradicaliseerde studenten had ze als erfgenaam van de revolte van ’66 wel veel aanhangers. Wanneer de academische overheid in januari 1968 een nieuwe, nog veel diepgaander revolte uitlokte, verspreidde de maatschappijkritiek van enkele tientallen studentenleiders zich naar de meerderheid van de studenten. In de eerste plaats in Leuven, maar ook erbuiten. Martens en Merckx wijzen op de pogingen van de burgerij om de oppervlakkige kenmerken van mei ’68 te romantiseren en te verheerlijken, de zogezegde ongecomplexeerde spontaneïteit. “De ervaring bracht de studentenleiders nochtans net het tegengestelde bij: de nood aan een bewuste, georganiseerde, goed ingeplante voorhoede. Hoe radicaler de spontane massastrijd is”, schrijven ze, “hoe groter de nieuwe voorhoede die uit die massa opduikt”. In de zomer van ’68 publiceerde SVB-Leuven een reeks teksten in Ervaringen uit twee jaar strijd te Leuven. Daarin worden ook de organisatorische opvattingen uiteen gezet. “Men kan maar van avant-garde spreken wanneer we werkelijk een groep hebben die voorgaat. Zo’n groep is niet in één, twee, drie ontwikkeld tot een duizendkoppige organisatie... Er gaat enorm veel onopgemerkt en verdoken studiewerk vooraf, men moet enorm veel discussiëren en schrijven voor men werkelijk een avant-garde kan bij mekaar hebben. Een kern van een vijftigtal werkzame, onderlegde en idealistische mensen is onze conditio sine qua non. Strategisch stemmen wij onze organisatie dus af op een beperkte militante of getrainde groep, die een paar honderd mensen kan bevatten. Op het vlak van de tactiek echter is onze eerste en belangrijkste bekommernis: zoveel mogelijk studenten bereiken.” De voorwaarden daartoe waren in die periode bijzonder gunstig. “De massastrijd van mei ‘66 veroorzaakte een democratische omwenteling in de studentenmentaliteit en gaf het ontstaan aan een bewuste linkse kern; de revolte van januari ‘68 bracht een brede verspreiding teweeg van de revolutionaire ideeën”, schrijven Martens en Merckx 25 jaar later. “Ontstaan uit de massale revoltes van ‘66, ‘68 en ‘69 heeft SVB grote nadruk gelegd op het werk onder de massa’s en de voor rang beklemtoond van de revolutionaire praktijk. Opgegroeid in de katholieke jeugdorganisaties, hebben haar kaders snel het belang onderkend van een stevige organisatie. SVB opereerde in Leuven in een traditioneel rechts milieu; zij besefte dat ze haar radicaal linkse ideeën maar kon verkondigen indien zij goed gestructureerd was en eengemaakt bleef.” in de ban van nieuw links De jaren 1960 gaven voeding aan het ontstaan van wat men toen ‘Nieuw Links’ noemde. Dat was een verzamelnaam voor linkse strekkingen die ontstonden uit reactie op het neerslaan van de Hongaarse politieke revolutie in 1956 door de Sovjetunie, op de Amerikaanse imperialistische oorlog in Vietnam, en op het conservatisme en autoritaire en gecentraliseerde opvattingen, ook van de traditionele linkse partijen. Het was een zoektocht, vooral door intellectuelen en middenklasse, naar een derde weg tussen de twee machtsblokken tijdens de Koude Oorlog. Het oefende een sterke aantrekkingskracht uit op de studentenbewegingen van die periode.Het kon niet anders dat de Leuvense studentenbeweging met die ideeën in aanraking zou komen. SVB werd er niet alleen door beïnvloed, maar werd er ook de verst ontwikkelde organisatorische uitdrukking van. Volgens Louis Vos(4) had Nieuw Links vooral in Leuven succes omdat daar voor 1968 geen linkse traditie bestond. De traditionele socialistische en communistische strekkingen hadden er nauwelijks voet aan de grond. De progressieve studenten ontdekten er pas in 1968 het linkse ideeëngoed en zochten, vertrekkend vanuit hun SVB-wortels, naar een nieuwe samenlevingsconstructie. Die kreeg een groep SVB’ers aangereikt tijdens hun bezoek aan een internationale studentenbijeenkomst in Berlijn tijdens de vakantieperiode van 1967. Een student uit Frankfurt had net een werkje van Mao gelezen en stopte de SVB’ers een twintigtal brochures in de hand: “Over de juiste oplossing van de tegenstellingen onder het volk”. De timing kon nauwelijks beter. Het Sino-Sovjetconflict groeide naar zijn hoogtepunt en Mao had in het kader van de Grote Proletarische Culturele Revolutie net opgeroepen tot revolte tegen de oude en de nieuwe burgerlijke krachten.(5) “Hoewel de burgerij omvergeworpen is, probeert ze de massa’s corrupt te maken en te winnen dank zij de gedachten, de cultuur, de oude zeden en gewoonten van de uitbuitende klassen om zo haar macht te herstellen. Het proletariaat moet het tegenovergestelde doen: resoluut weerstand bieden aan iedere uitdaging die de burgerij lanceert op het ideologische terrein en de morele fysionomie van de hele maatschappij omvormen met de nieuwe gedachten, cultuur, zeden en gewoonten die eigen zijn aan de arbeidersklasse.”(6) Het bracht een golf van sympathie op gang in de contesterende studentenbewegingen in het Westen. Bovendien betoogden op 21 mei 1968 in Peking een half miljoen arbeiders, rode wachters (zie verder) en studenten ter ondersteuning van de revolte in Parijs. In de automobielfabriek nr.1 van Tsjang-Tsjouen vond een meeting plaats van 10.000 arbeiders ter ondersteuning van de bezetting van Renault in Frankrijk. Als een lopend vuur breidden de betogingen zich in heel China uit. Op 26 mei hadden al meer dan 20 miljoen mensen aan demonstraties deelgenomen. “In mei ‘68 durfde iedereen luidop dromen van de wereldrevo lutie en iedereen voelde dat het grote China het hart vormde van die wereldrevolutie”, schrijven Martens en Merckx. het sino-sovjet conflict ... Het Sino-Sovjetconflict verwijst naar een geleidelijke breuk in de relaties tussen de Sovjetunie en de Chinese Volksrepubliek en hun respectievelijke communistische partijen. De meningsverschillen sluimerden al langer, maar toen Nikita Chroesjtsjov op het 20ste congres van de CPSU (de Communistische Partij van de Sovjetunie) het de-stalinisatieproces inluidde, nam de CCP (de Chinese Communistische Partij) met de steun van de Albaanse Arbeiderspartij de verdediging van Stalin op zich. Zij argumenteerden dat Stalin niet gewoon een Russische of een Sovjetleider was, maar een leider van wereldformaat wiens successen zijn fouten ruim overschaduwden en die niet zomaar door de Sovjetleiding weggewuifd kon worden.De CPSU waarschuwde voor de kracht van de imperialistische coalitie tegen het socialistisch blok. Ze beschouwde de mogelijkheid van een nucleaire oorlog als een dreigende catastrofe voor de hele mensheid. Daaruit leidde ze af dat een vreedzame coëxistentie in het gemeenschappelijk belang was van beide systemen. Om dit moeizaam evenwicht in stand te houden, raadden de CPSU en haar bondgenoten aan om zoveel mogelijk gebruik te maken van democratische en vreedzame middelen in de strijd van de arbeidersklasse en voor het winnen van de staatsmacht. De CCP beschouwde dit als capitulatie. Volgens Mao waren de imperialisten “papieren tijgers” en moest de wereldoorlog omgebogen worden naar een revolutionaire oorlog. De relaties verzuurden tot op het punt waar de Sovjets de Chinezen splitsers noemden, linkse avonturisten en anti-marxistische vijanden van het socialisme die samenwerken met het imperialisme. De Chinezen spraken over de Sovjets als revisionisten, sociaal-imperialisten, socialisten in woorden maar imperialisten in daden en als het grootste gevaar voor de wereld van vandaag. Uiteindelijk leidde het conflict in 1969 tot militaire schermutselingen aan de gemeenschappelijke grens, gevolgd door een hele reeks onrechtstreekse gewapende conflicten via bondgenoten in de zogenaamde derde wereld. Uiteraard was de politiek van de CPSU een capitulatie. Het verklaart bijvoorbeeld de houding van de Franse PCF tijdens de revolutionaire gebeurtenissen van mei ’68. Heel haar politiek was erop gericht om de beweging af te leiden naar de veilige kanalen van de instellingen, in dit geval de stembus. Martens en Merckx wijden er een hoofdstuk aan in hun boek over ’68. Haar positie weerhield de Sovjetunie er trouwens niet van om de Praagse lente in augustus ’68 tijdens operatie Donau met een militaire interventie bloedig te onderdrukken. Maar de politieke bokkensprongen van de Sovjetunie onder Chroesjtsjov (1953-1964), Brezjnev (1964-1982) of hun latere opvolgers, verschilden niet fundamenteel van die onder Stalin (algemeen secretaris van het centraal comité van de CPSU vanaf 1922 en feitelijke machthebber van 1924-1953) of die van China onder Mao (voorzitter van het centraal comité van de CCP vanaf 1945 en feitelijke machthebber van 1949-1976). De geschiedenis vertoont veel methodes van heerschappij. Ook het kapitalisme kent veel specifieke en gevarieerde vormen: republiek, monarchie, fascisme, democratie, gecentraliseerd, gefedereerd, geconfedereerd... en bonapartisme. Bonapartisme verwijst naar de staatsgreep van Napoleon op 18 brumaire jaar VIII (9 november 1799), tijdens de eerste Franse republiek volgend op de Franse revolutie van 1789. De republiek bevond zich toen in een patstelling. De economie was ontwricht en de republiek bedreigd door buitenlandse mogendheden. Napoleon maakte gebruik van zijn populariteit als militair om zich op te werpen als een scheidsrechter die boven de klassentegenstellingen stond. Hij baseerde zich nu eens op de revolutionairen, dan weer op de reactionairen om zijn positie te consolideren. Hij behield de nieuwe kapitalistische onderbouw van de economie, maar herstelde een aantal van de privileges van het absolutisme, hetgeen hij bekroonde door zichzelf in 1804 tot keizer te laten benoemen. Een vergelijkbare contrarevolutie deed zich vanaf 1924 voor in de Sovjetunie, met Stalin in de rol van Bonaparte. Het was de prijs die de Sovjetunie zou betalen voor de burgeroorlog (1917-1922) en het isolement dat volgde op het mislukken van de revolutionaire opstanden na WOI, vooral de nederlagen van de Beierse, de Slowaakse, de Hongaarse en de Berlijnse radenrepublieken in 1919. Ook Stalin maakte gebruik van de staatsmacht om zich op te werpen als een arbiter die boven de tegenstellingen stond. Hij deed beroep op de rechtervleugel rond Boecharin, die als eerste de mogelijkheid van socialisme in één land opperde, om de Verenigde Oppositie uit te schakelen.(7) Tijdens de periode van de gedwongen collectivisatie zou Stalin ook met hem afrekenen. Net als Napoleon Bonaparte behield Stalin de nieuwe onderbouw van de economie, in dit geval een genationaliseerde planeconomie, maar herstelde hij een aantal privileges van de bureaucratie onder het tsarisme, vandaar dat we zijn regime kenmerken als proletarisch bonapartisme, proletarisch in de onderbouw, bonapartistisch in de bovenbouw. Zijn binnenlandse politiek werd gekenmerkt door brutale koerswendingen. In december 1927 werd de Nieuwe Economische Politiek (NEP) ingeruild voor die van de “Socialistische Accumulatie”, een doorgedreven industrialisatie en gedwongen collectivisatie. Met diens buitenlandpolitiek was het niet anders. In 1928 werd de politiek van de Derde Periode afgekondigd. In 1934 werd die politiek ingeruild voor deelname aan Volksfronten.(8) ... en de reële achtergrond ervan Decentralisatie om zich te ontdoen van mogelijke concurrenten en recentralisatie om de greep opnieuw te verstevigen, is kenmerkend voor een bonapartistische politiek. Van de arbeidersstaat bleef onder Stalin enkel nog de genationaliseerde en geplande economie over. De bureaucratische deformaties waarvoor Lenin al in 1920 gewaarschuwd had, werden institutioneel. De arbeidersstaat degeneerde tot een instrument van een geprivilegieerde bureaucratische kaste, met haar eigen economische, politieke en nationale belangen. De democratische controle van arbeiders en boeren, samen met de internationale uitbreiding van de revolutie, de enige garantie voor de overgang van kapitalisme naar socialisme, was uitgeschakeld.Deze bonapartistische contrarevolutie in de Sovjetunie was beslissend voor alle latere ontwikkelingen. Het stond model voor de Communistische regimes die na WOII in Oost-Europa geïnstalleerd werden door het Rode Leger. Die waren van meet af aan gedeformeerde arbeidersstaten, met een genationaliseerde en geplande economie, maar zonder inspraak van arbeiders en boeren. Het regime van Tito in Joegoslavië kon zich iets onafhankelijker opstellen omdat het beschikte over een eigen partizanenleger, maar het nam in essentie het model van een gedeformeerde arbeidersstaat over. Het zou niet lang duren vooraleer de nationale belangen van de bureaucratie in Joegoslavië botsten met die van de bureaucratie in de Sovjetunie. Zonder de aanwezigheid van de Sovjetunie en de radicalisatie van de arbeiders in het Westen waardoor het imperialisme de handen vol had, zou de Chinese revolutie, de grootste gebeurtenis uit de menselijke geschiedenis na de Russische revolutie, wellicht anders verlopen zijn. Maar drie decennia heerschappij door Chiang Kai-shek van de nationalistische Kwomintang had het onvermogen aangetoond van de burgerij om het land één te maken, de agrarische revolutie door te voeren en het imperalisme buiten te gooien. De klassieke stalinistische opvatting van een revolutie in twee stadia, te beginnen met een nationaal-democratische burgerlijke revolutie, was dus uitgesloten. Samen met de aanwezigheid van de Sovjetunie deed dit de stalinistische leiders van het boerenleger besluiten de burgerij omver te gooien en een staat naar stalinistisch model op te bouwen. Om dat te verklaren greep Mao terug naar de “ononderbroken revolutie”, waarvoor Lenin zich in een artikel in september 1905 had uitgesproken.(9) Maar het is niet omdat de stalinisten toevallig beroep doen op Lenin dat ze een internationaal of marxistisch perspectief hebben. Belangrijk is niet alleen wat men zegt en doet, maar ook wie het doet, in wiens belang en om welke reden. Het programma van Mao was niet gericht op de mobilisatie van de arbeiders en de organisatie van Sovjets. Evenmin was het gericht op de omverwerping van de Kwomintang in de steden door een bewuste ingreep van de arbeidersbeweging. Het was integendeel zijn politiek om elke stap in die richting te verpletteren. Zoals alle bureaucratische kastes, was die van China vooral geïnteresseerd in het versterken van haar macht, haar privileges, haar inkomen en prestige. Het verdedigde de genationaliseerde economie zolang dit de basis was voor haar macht en inkomen. Het was onvermijdelijk dat haar nationale belangen in conflict zouden komen met die van de kaste in de Sovjetunie. De rationalisatie van het Sino-Sovjet conflict met “ideologische” overwegingen, was slechts een poging om binnen de stalinistische wereld steun te verwerven. Haar ware bedoelingen werden duidelijk in haar opportunisme ten opzichte van de rotte feodale en burgerlijke leiders in de koloniale wereld. Haar steun voor de Imam in Jemen, de leningen aan Afghanistan, Sri Lanka en Pakistan, haar steun aan Soekarno in Indonesië, ... van de grote sprong voorwaarts... (10)Door de revolutie in 1949 werden de Chinese provincies voor het eerst in de geschiedenis één verenigde nationale staat. Samen met de agrarische revolutie en de nationalisatie van de productiemiddelen was dat een enorme stimulans voor de ontwikkeling van de productiekrachten. China ontwikkelde zoals geen enkele andere koloniale economie dat ooit eerder had gedaan. Boeren werden heropgevoed tot socialistische boeren, die ‘enthousiast’ collectieve arbeid verrichten met als doel de landbouwopbrengsten te verhogen. Een vijfjarenplan (1953-1957) gefinancierd met de landbouwopbrengst moest zorgen voor snelle industrialisatie. Het leverde een enorme economische groei op. Het zorgde echter ook voor een snelle bevolkingsgroei in de steden waaraan de voedselvoorziening niet kon voldoen. Bovendien moest hulp uit de Sovjetunie met opbrengsten van de landbouw terugbetaald worden. De CCP trachtte de bevolking te stimuleren met massacampagnes. In 1956 lanceerde premier Zhou Enlai de Laat Honderd Bloemen Bloeien beweging. In naam van de vrijheid van meningsuiting werd kritiek aangemoedigd om misstanden in het bestuur te kunnen opsporen en aanpakken. Er barstte echter een stroom van kritiek los die Mao en de CCP verontrustten. Vervolgens werden zij die kritiek geuit hadden in 1957 opgepakt en als ‘rechts’ bestempeld. De repressie was zodanig dat velen er een valstrik in zagen om critici uit hun tent te lokken. In mei 1958 werd de Grote Sprong Voorwaarts gelanceerd om de ongelijkheid tussen platteland en steden op te heffen. Alle economische sectoren moesten gelijktijdig ontwikkeld worden. Het hele platteland werd opgedeeld in 26.000 volkscommunes van elk zo een 5.000 huishoudens. De enorme arbeidskracht van China moest optimaal benut worden. Iedereen moest met zijn handen werken en streefcijfers moesten op lokaal vlak gemaakt worden in plaats van een planning van bovenaf. Er werd verwacht dat men ook werkte zonder betaald te worden in ruil voor voedsel naar behoefte in gemeenschappelijke eetzalen. Aanvankelijk was het enthousiasme groot. Een belangrijke doelstelling was het vermenigvuldigen van de staal- en ijzerproductie. Daaraan moesten ook de boeren en arbeiders op het land bijdragen door ijzererts te smelten in zelfgemaakte oventjes. Het vuur werd aangewakkerd met de volledige huisraad en bestek werd gesmolten om te voldoen aan de streefcijfers. De kwaliteit was echter waardeloos. Tegelijk werden een aantal subcampagnes gelanceerd zoals die tegen de Vier Pesten (ratten, vliegen, muskieten en mussen). Alle boeren moesten potten en pannen gebruiken om de mussen die het zaaisel oppikten in angst te doen wegvliegen. Ze zouden dan uiteindelijk uit de lucht vallen van uitputting. De mussen werd bijna uitgeroeid. Maar na een kortstondige verbetering van de oogst kwamen de sprinkhanenplagen die met grote hongersnood gepaard gingen. De jaren 1958-1961 worden ook wel de ‘drie bittere jaren’ genoemd. In deze periode kwamen naar schatting 30 miljoen mensen om. Het leidde tot onenigheid binnen de CCP. Minister van Defensie Peng Dehuai werd na een reis door Oost-Europa de belangrijkste woordvoerder van de critici. Eenzelfde kritiek werd toen ook door Chroesjtsjov geleverd. In augustus 1959 gaf de partijleiding toe dat er fouten waren gemaakt. Peng en zijn stafchef werden wel weggezuiverd, Mao bleef partijvoorzitter, maar werd in 1959 toch als president opgevolgd door Liu Shaoqi. Na het ‘Congres van de 7.000’ verzachtte Liu de voedselrekwisities op het platteland, beëindigde hij de ‘staalproductie’ in de dorpsovens , herstelde hij geleidelijk de centrale planning, werden de volkscommunes in omvang teruggebracht en kwam er ruimte voor privé-initiatief. Liu werd steeds populairder, diens portret hing op massabijeenkomsten naast dat van Mao en hij werkte aan een eigen persoonsverheerlijking. Hij werd steeds gevaarlijker voor de positie van Mao, vooral na zijn herverkiezing in januari 1965. Een aantal figuren met een linkse retoriek, die vooral loyaal waren aan Mao, worden in die periode op cruciale posities gehesen. Lin Biao wordt in 1959 minister van defensie. Hij lanceert een reeks campagnes die het leger moeten politiseren en haar maatschappelijk engagement moeten herstellen. Hij is degene die zorgde voor de massale verspreiding van het Rode Boekje met citaten van Mao, vanaf 1964 in het leger en eind ’66 ook erbuiten. In augustus 1966 zal hij de feitelijke tweede man na Mao worden, diens plaatsvervanger en mogelijke opvolger. Chen Boda werd hoofdredacteur van het theoretisch partijblad De Rode Vlag. In mei 1966 zal hij voorzitter worden van de Culturele Revolutiegroep, in die tijd het belangrijkste politieke orgaan van China. ... naar de grote proletarische culturele revolutie Maar zover zijn we nog niet. Het mislukken van de Grote Sprong Voorwaarts ondermijnde de positie van Mao. Er werden zelfs toespelingen gemaakt op een rehabilitatie van Peng Dehuai. Als tegenzet lanceert Mao in 1962 de “Socialistische Opvoedings Beweging”. Het mislukken van de Grote Sprong zou immers vooral te wijten zijn aan de gebrekkige scholing van de plattelandsbevolking waardoor de fouten van kaderleden onvoldoende door de eigen mensen gecorrigeerd werden. Bovendien verslapte de revolutionaire moraal in de steden. Intellectuelen en kunstenaars ondermijnden naar verluidt de nieuwe generaties en brachten de revolutie in gevaar. Men moest de socialistische kunst bevorderen, niet de feodale en kapitalistische.Jiang Qing, Mao’s derde vrouw die 30 jaar eerder bekendheid verwierf als actrice in Shangai, speelde daarin een centrale rol. Zij lanceerde een aanval op het in 1961 gepubliceerde toneelstuk van de auteur Wu Han. Dat ging over de afzetting van een verlichte mandarijn die het in de 16de eeuw opnam voor de boeren tegen een despotische keizer. Het hoofdpersonage van het stuk vertoonde te veel gelijkenissen met Peng Dehuai. Wu Han, diens beschermheer Peng Zhen, burgemeester van Peking, en zijn hele omgeving werden in mei 1966 beschuldigd van fractievorming en weggezuiverd. Het was de eerste slag van de Grote Proletarische Culturele Revolutie. Maar het was slechts het begin. Wat volgde was een hysterische massacampagne via het leger en de mobilisatie van de jeugd, om de ‘vertegenwoordigers van de burgerij’ in de partijbureaucratie te ontmaskeren. Rebelleren is gerechtvaardigd, luidde het. Enorme aantallen jongeren, ‘rebellen’, organiseerden zich tot Rode Wachten en keerden zich tegen alles wat oud en gevestigd was. Partijkaders en intellectuelen werden ontvoerd, gedwongen tot openbare zelfkritiek en dikwijls mishandeld vooraleer ze terecht kwamen in heropvoedingskampen. “Een revolutie is geen feestdiner”, had Mao immers gezegd. Het beste verweer in China bestond er toen in de aandacht af te leiden. Peng Zhen had dat getracht door het toneelstuk van Wu Han aan een historische kritiek te onderwerpen, maar het pakte niet. Liu Shoaqi en zijn omgeving probeerden een tegenmobilisatie. Ze noemden de rebellen “anti-socialistische onruststokers”. Daarop lanceert Mao de oproep “Bombardeer het hoofdkwartier”. In augustus (1966) wordt een charter voor de Culturele revolutie in 16 punten opgesteld. Het 10de luidt dat een belangrijke opgave van de Grote Proletarische Culturele Revolutie de radicale hervorming van het opvoedings- en onderwijssysteem is. Liu verliest het pleit en verdwijnt in augustus 1966 naar het tweede plan. In 1967 wordt hij gedwongen af te treden als voorzitter van de Volksrepubliek (president), wordt mishandeld, belandt in de gevangenis en overlijdt er in februari 1969 bij gebrek aan geneeskundige verzorging. De oproep om het hoofdkwartier te bombarderen ontketent in Peking al in augustus 1966 een heuse beeldenstorm die overslaat naar de provinciesteden en van daar naar het platteland. Er zouden in de volgende twee maanden alleen al in Peking meer dan 33.000 huizen zijn overvallen, bijna 1800 mensen doodgemarteld of doodgeslagen zijn en bijna honderdduizend verbannen naar het platteland. In Shangai breekt de januari-storm uit in 1967. Na een maandenlange confrontatie tussen Rode Wachten en arbeiders die loyaal zijn aan het stadsbestuur waarbij doden vallen en tientallen gewonden, halen de rebellen het pleit en wordt de Commune van Shanghai geproclameerd. Bewust dat dergelijke confrontaties uit de hand dreigen te lopen, slaagt het leger er in de noordoostelijke provincie Heilongjiang in een compromis van machtsdeling op te leggen. Voortaan staat dit model voor andere regio’s en nog binnen de maand zal zo een machtsdeling ook in Shanghai de plaats van de Commune innemen. Aan de top van de CCP wil men de situatie normaliseren. De kern rond Peng Zhen is ontmanteld, de aandrang tot rehabilitatie van Peng Dehuai is de mond gesnoerd, Liu is gedegradeerd, de culturele sector is grotendeels gezuiverd en de studentenbeweging kan rustig de tijd nemen om af te rekenen met de restanten in de provincie. Begin maart 1967 worden scholieren opgeroepen zich opnieuw bij hun onderwijsinstellingen te melden. De boeren worden aangespoord de voorjaarswerkzaamheden aan te vatten, de industrie-arbeiders de machines weer op te starten. Waar nodig worden soldaten ingeschakeld om achterstanden in te lopen. Tenslotte worden de studenten gevraagd naar de universiteiten terug te keren. De beweging laat zich echter niet zomaar aan- en uitzetten. De meest radicale vleugel begint nu iedereen in vraag te stellen, ook de leiders van de Culturele Revolutie en Mao zelf, maar vooral premier Zhou Enlai. Bovendien breekt in de zomer van 1967 in Wuhan, een strategisch gelegen industrieel centrum, een muiterij uit van het militaire district tegen de door Peking gesteunde ‘rebellen’. De lokale districtscommandant en zijn regiment nemen zelfs de stad over en het vereist een grote militaire operatie met parachutisten en kanonneerboten om hun van hun positie te beroven. Sommige rebellen starten daarop een grootscheepse verwijderingscampagne tegen “revisionistische” commandanten. De leiders van de culturele revolutie verliezen de controle over de beweging die meer en meer de vorm aanneemt van een burgeroorlog. Op de universiteit van Tsingua in Peking moeten arbeiders en soldaten in juli 1968 een einde maken aan een regelrechte gewapende veldslag tussen twee rebellengroepen. Als de rebellen op 23 augustus 1968 de Britse ambassade in brand steken, ziet Zhou zijn kans om zijn greep op de situatie te beginnen herstellen. Op het negende partijcongres van april 1969, twaalf en een half jaar na het 8ste en niet de reglementaire vijf jaar, is daarvan nog maar weinig te merken. Het officiële einde van de Culturele Revolutie wordt er wel afgekondigd, maar Lin Biao verstevigt zijn positie nog. Zhou Enlai houdt met moeite stand, maar de Culturele Revolutiegroep van Chen Boda is wel fors verzwakt. De ommeslag is echter ingezet en versnelt als in 1970 de discussie start over een nieuwe grondwet. De vorige dateerde van 1954 en was door de Culturele Revolutie grotendeels achterhaald. Een van de hoofdstukken handelde over de president. Sinds het aftreden van Liu was die functie niet meer ingevuld. Het meest voor de hand liggende voorstel was Mao tot president en Lin Biao tot vice-president te benoemen. Maar dat zou niet alleen het moeizaam bereikte machtsevenwicht verstoren, maar ook op verzet stoten tegen een verdere machtsuitbreiding van Lin na de dood van Mao. Mao verzette zich en aangezien er geen eenheidskandidaat was, verkoos hij geen hoofdstuk over het presidentschap op te nemen in de grondwet. Lin legt een ontwerp van grondwet voor waarin zoals gevraagd het presidentschap niet voorkomt. In een aantal andere alinea’s wordt zijn naam echter wel expliciet vermeld en steeds gekoppeld aan die van Mao. Mao zal zich later tegen die formuleringen uitspreken en beweert dat Lin ze op eigen houtje heeft toegevoegd. Ondanks dit voorstel begaat Chen Boda toch de fout om alsnog voor te stellen Mao voor te dragen als president. Daar is op zich niets tegen, maar het betekent vrijwel automatisch dat Lin vice-president wordt, net wat men wou vermijden. Mao is er niet gerust op. Wil Chen de macht in handen van Lin spelen en zo zijn eigen positie versterken en die van Zhou verzwakken? Binnen de week is Chen afgezet als propagandachef, uit het Dagelijks Bestuur van het Politiek Bureau gegooid en ervan beschuldigd een “Liu-type quasi marxist en politieke oplichter” te zijn. Op het tiende partijcongres in 1973 zal Chen veroordeeld worden als revisionistisch geheim agent. Het betekent het begin van het einde voor Lin Biao. Zijn pleidooi om het leger te versterken als antwoord op de schermutselingen met de Sovjetunie wordt gewantrouwd. Mao en Zhou vinden dat een wapenwedloop ten koste zou gaan van de groei. Een te grote prioriteit aan ultra-moderne electronische wapenindustrie zou bovendien een ongelijkmatige ontwikkeling in China introduceren, met nadelige politieke en ideologische gevolgen. Zhou ziet meer heil in een opening naar het Westen. Het zou een militair avontuur voor de Sovjetunie minder aanlokkelijk maken. In juli 1971 ontmoet hij Kissinger in het geheim in China. Zo wordt de weg vrij gemaakt voor het bezoek van de Amerikaanse president Nixon aan China in 1972. Lin kan slechts toezien hoe een massacampagne wordt opgezet tegen de zogenaamde 16 mei beweging, dat is de naam van de radicale vleugel van de rebellen. De naam verwijst naar ‘de kennisgeving van 16 mei 1966’ van het politbureau waarin de culturele revolutie officieel gelanceerd werd. Verschillende van Lin’s oud-medestanders worden weggezuiverd en verdwijnen in werkkampen. Het leger wordt gereorganiseerd. Het centrale apparaat onder zijn leiding verzwakt. Hij krijgt het verwijt de heropbouw van de partij tegen te werken en zijn zoon Lin Liguo wordt ervan beschuldigd een staatsgreep voorbereid te hebben. Op 13 september 1971 willen Lin, zijn vrouw en zijn zoon vluchten naar Hong Kong, maar omdat het plan is uitgelekt, vertrekken ze in allerijl naar de Sovjetunie. Door brandstofgebrek stort hun vliegtuig op 13 september neer in Mongolië. De macht van Mao lijkt nu onaantastbaar. Achter de schermen woedt de strijd echter voort tussen Zhou en de ‘Bende van Vier’ rond Jiang Qing. In 1973 zal Jiang de cultuurkritiek hervatten. De dood van Zhou in januari 1976 leidt echter tot de massale 5 april beweging die gericht is tegen de ‘Bende van Vier’. Mao sterft in september 1976. Hij wordt opgevolgd door Hua Guofeng die de ‘Bende van Vier’ minder dan een maand later laat aanhouden en enkele van de excessen van de Culturele Revolutie terugdraait. Hua houdt echter voor het overige vast aan de lijn van Mao en wordt op zijn beurt in december 1978 opzij geschoven door Deng Xiao Ping. Dat is een vroege medestander van Liu Shaoqi die in 1969 tijdens de Culturele Revolutie uit de CCP gezet was, maar in 1973 werd gerehabiliteerd. Deng zal in 1979 onder de slogan “het doet er niet toe of de kat zwart is of wit, als ze maar muizen vangt” de marktgerichte hervormingen introduceren. de positie van de trotskisten Het inzicht dat de Culturele Revolutie hoofdzakelijk een dekmantel was voor de machtsstrijd tussen rivaliserende fracties van de stalinistische bureaucratie, was toen maar weinigen gegeven. In augustus 1964 schreef Ted Grant namens de Revolutionary Socialist League (RSL) een bijdrage voor het 8ste wereldcongres van het Verenigd Secretariaat van de Vierde Internationale (VSVI) in december 1965: ‘De Koloniale Revolutie en de Sino-Sovjet split’. RSL was toen nog de Britse sectie van het VSVI (vandaag in België SAP/LCR), maar werd op datzelfde congres gedegradeerd tot sympathiserende sectie. RSL verliet het VSVI en zou in 1974 het CWI oprichten, waarvan LSP vandaag de Belgische afdeling is.In dat document schreef Grant: “De splitsing tussen de verschillende nationale stalinistische bureaucratieën levert wereldwijd bij brede lagen nog meer verwarring op. Zelfs voor de meest bewuste arbeiders betekent het, ondanks een aantal mogelijkheden voor de ideeën van het marxisme, bijkomende hinderpalen voor het revolutionaire marxisme... één van de belangrijkste taken van deze periode is ervoor te zorgen dat de meest bewuste arbeiders niet besmet geraken door geen enkele variant van het Stalinisme. Er is een even grote kloof tussen Stalinisme, in zijn verschillende ideologieën en staatsvormen, en echte arbeidersdemocratie en Marxisme als die tussen Bonapartisme, fascisme en de burgerlijke ideologie en staat.” Zo hadden de leiders van het VSVI het echter niet begrepen. Onmiddellijk na WOII was Tito van Joegoslavië in conflict getreden met Stalin. Eerst omdat hij Triëst opeiste en dat leidde tot enkele gewapende incidenten met het Westen, onnodige provocaties volgens Stalin. Dan wegens zijn openlijke steun aan de communisten in de Griekse burgeroorlog, terwijl Stalin het Westen beloofd had daar niet in tussen te komen. Het Internationaal Secretariaat van het VSVI schreef daarop in juli ’48 een open brief aan het congres, het Centraal Comité en de leden van de Communistische Partij van Joegoslavië met de vraag een delegatie van het VSVI af te vaardigen en vriendschappelijke relaties aan te knopen. De Britse sectie was daar zeer kritisch over. In juni 1950 werd een wetsvoorstel van Milovan Djilas en Tito goedgekeurd over “zelfbeheer”, een soort onafhankelijk socialistisch coöperatief experiment dat winstdeling en arbeidersdemocratie invoerde in de openbare bedrijven die direct sociale eigendom werden van de werknemers. Dat zorgde voor nog meer illusies in de linkerzijde in het Westen. Op een gegeven moment zou Pablo van het Internationaal Secretariaat van het VSVI Tito een “onbewuste trotskist” hebben genoemd. Het derde congres van het VSVI (1951) dacht dat “bepaalde communistische partijen met hun aanhangers door revolutionaire opstanden zoals die in Joegoslavië, China en Korea, uit de strikte kring van de Sovjetbureaucratie geduwd zouden worden en een revolutionaire oriëntatie zouden aannemen.” (Stellingen over Oriëntatie en Perspectieven – april 1951) Aan de vooravond van de Culturele Revolutie, herhaalde het VSVI dat nog eens. “De Trotskistische wereldbeweging steunt de Chinese Communisten en de Volksrepubliek China tegen de economische blokkade opgezet door het Kremlin en de militaire hulp van het Kremlin aan de Indische burgerij. Ze steunt de Chinese Communisten in hun strijd tegen het concept van ‘vreedzame coëxistentie’ van Chroestsjov, in hun houding tegenover de koloniale revolutie en hun kritiek op de neo-reformistische oriëntatie van de meeste Communistische partijen.” (Het Sino-Sovjet conflict en de crisis van de Internationale Communistische Beweging – 8ste congres van het VSVI – 1965) Het klopt dat die ‘steun’ zeker niet onkritisch was, maar in plaats van de verwarring op te helderen en de meest bewuste arbeiders in te enten tegen illusies in alweer een nieuwe variant van het stalinisme, injecteerde het VSVI met die posities juist nog meer verwarring en illusies. De Trotskisten waren theoretisch en programmatorisch onvoorbereid voor de illusies die gepaard zouden gaan met de Culturele Revolutie. Er is nog een bijkomend element dat helpt verklaren waarom de impact van de Trotskisten in België zo beperkt bleef tijdens de studentenrevoltes van de tweede helft van de jaren ’60. Net voor WOII hadden ze dankzij de fusie met Action Socialiste Révolutionnaire van Walter Dauge een 800-tal leden. Maar al in 1939 werden de leiders een eerste keer aangehouden door de Belgische overheden en in 1941 werd de Parti Socialiste Révolutionaire politiek onthoofd en verdwenen de meeste leiders in de nazikampen. Leon Lesoil stierf er op 3 mei 1942. Een aantal jongeren zette de clandestiene werking wel voort onder de naam Parti Communiste Révolutionnaire, maar in 1944 werd Abram Léon, de belangrijkste onder hen, eveneens gearresteerd en overgebracht naar Auschwitz, waar ook hij omkwam. Na WOII bleven slechts enkele tientallen Trotskisten over. Zij besloten in 1950 aan entrisme te doen binnen de BSP. Ernest Mandel, ook lid van het Internationaal Secretariaat van de het VSVI, wou echter een bijzonder type van entrisme toepassen. In plaats van een revolutionaire fractie op te bouwen onder de meest geradicaliseerde militanten aan de basis, dacht hij ervoor te zorgen dat de algemene ideeën door velen geassimileerd zouden worden. Zo zou een brede voorhoede ontstaan die op basis van ervaringen zou komen tot een revolutionair programma. (Rik De Coninck – Beknopte historische inleiding over het Belgische trotskisme – 1997) Volgens Grant was dat een behoorlijk foute inschatting en leidde het ertoe dat de Trotskisten zich ingraafden in de sociaaldemocratie. In maart 1959 lichtte hij zijn positie toe in een intern document “Problemen met entrisme”. Voor Mandel moest de nadruk echter liggen op een intensieve samenwerking met de linkervleugel van de partij. In januari 1957 werd met steun van André Renard het weekblad La Gauche opgestart, met als centrale eis structuurhervormingen. In januari 1959 gevolgd door een Vlaamse tegenhanger Links. Pas in 1962 werd gestart met een eigen troskistisch blad Lutte de Classe, dat bovendien hoofdzakelijk intern en internationaal gericht was en slechts éénmaal per kwartaal verscheen. In december 1964 stelde het “onverenigbaarheidscongres” van de BSP een einde aan het entrisme. Lidmaatschap van de BSP werd onverenigbaar verklaard met een leidende functie in de Mouvement Populaire Wallon, in 1961 opgericht door André Renard na de Staking van de Eeuw, of met het schrijven van artikels in Links of La Gauche. Doordat de Trotskisten zich zo goed als ingegraven hadden in de sociaaldemocratie, zonder met een publiek blad openlijk te verschijnen, waren ze zo goed als afwezig waar de sociaaldemocratie geen of nauwelijks impact had. Dat was in het bijzonder zo aan de Leuvense universiteit en in het katholieke onderwijs, net daar waar de studentenrevolte zich eerst had gemanifesteerd. Er bestond wel een kleine groep trotskisten die zich uit ongenoegen over de houding van Mandel in de Staking van de Eeuw had afgescheurd. Dit was de POR – Parti Ouvrier Révolutionnaire, later PORT. Die was echter vooral ingeplant in Charleroi, bestond bijna alleen uit arbeiders en zou helaas in het vaarwater terecht komen van de Argentijnse trotskist Posadas. Posadas ontwikkelde kort daarna een theorie over de zogenaamde gedeeltelijke regeneratie in het Oostblok. de maartbeweging in gent 1969 Tot nog toe was de studentenbeweging vooral een Leuvense aangelegenheid, maar de Gentse studenten waren niet ongevoelig voor wat in Mei ’68 in Frankrijk was gebeurd. Directe aanleiding werd een wetenschappelijk colloquium over ‘zin of onzin van pornografie’. Eminente sprekers zouden hun licht daarover laten schijnen. Documentatie zou door de organisatoren ter beschikking worden gesteld. Het rectoraat was er echter niet gerust op. Het stelde de academieraadzaal wel ter beschikking, maar op voorwaarde dat dia’s die geen kunst zijn, niet gebruikt werden. Resultaat: 400 studenten daagden op, er ontstond een discussie over het verbod door het rectoraat en er werd een motie opgesteld.Daarin eiste men dat de voorstelling inclusief verboden materiaal een week later, op 19 maart 1969, alsnog doorging in auditorium E op kosten van de academische overheid. Donderdag de 13de werd massaal naar het rectoraat getrokken om de motie te overhandigen, met pamfletten werd heel de studentengemeenschap opgeroepen. Ze zijn met 350. Het rectoraat leek potdicht, maar de studenten raakten via de kelder toch binnen. Blijkbaar was de politie ook al aanwezig en die stortte zich op de studenten. Maar in plaats van alle studenten naar buiten te jagen, dreven ze er een 80-tal het kabinet van de rector binnen dat door de politie in een mum van tijd in een puinhoop werd herschapen. Een aantal studenten werd gearresteerd. Het nieuws verspreidde zich als een vuurtje. Een betoging van 500 studenten trok naar de resto’s om hun verhaal te doen en op te roepen voor die avond in de Blandijn. Daar ging dan een panelgesprek ‘Voor of tegen jury’ door, maar het panel blies snel de aftocht en werd omgevormd tot een volksvergadering waar de interventies voor de volgende ochtend gepland werden. Algemene bijeenkomst de volgende ochtend, vrijdag om 11u. 1500 studenten betoogden dan. Ze gingen niet naar de les zolang niet alle opgepakten vrij waren en ze wensten een niet-repressieve universiteit, de oude is immers autoritair en repressief. Groepen studenten werden naar de spoedzitting van de onvindbare Raad van Beheer gestuurd en naar de wetenschappelijke faculteiten. Verslag daarvan volgde op de volksvergadering om 17u. Diezelfde dag publiceerde een actiecomité van vertegenwoordigers van alle vakbonden en van het wetenschappelijk personeel een solidariteitsmotie. Ze stelden de rector verantwoordelijk en onderschreven de eisen van de studenten. Dat weekend vonden allerlei werkbijeenkomsten plaats. Maandag de 17de hing de faculteit vol muurkranten, informatieteksten en pamfletten. Op de volksvergadering om 14u werd beslist dat een delegatie van 10 studenten, geruggesteund door een korte betoging van 1000 studenten, een eisenplatform zou overhandigen aan de rector. Maar die wilde niemand zien, “kom morgen eens terug met drie man”. De studenten geven er niet om, de rector mocht zijn vrij gebied, het rectoraat, behouden. Zij bezetten dag en nacht de Blandijn, hun bevrijd gebied. De Gentse studentenleider Renaat Willockx werd die dag gearresteerd en opgesloten in de gevangenis. Hij werd ervan beschuldigd de belangrijkste aanstoker te zijn van een bende die huisvredebreuk pleegde door inbraak en onroerende goederen vernielde. De dag nadien, dinsdag 18, wilden de studenten naar het rectoraat trekken met hun eisen, maar ze werden aangevallen door de politie. In kleine groepjes slaagden de studenten erin de Veldstraat te bereiken. Ze werden er in de Grand Bazar achterna gezeten door de politie. Uiteindelijk zou de rijkswacht met waterkanonnen de Veldstraat ontruimen. Woensdag de 19de besloten de studenten dat ze de arbeiders moesten informeren. Nog die nacht stonden een paar honderd studenten aan de poorten van ACEC, Fabelta, Ebes, Texaco, Arbed, Sidac... De 20ste werden pamfletten verspreid aan de middelbare scholen en het niet-universitair hoger onderwijs. Op de volksvergadering werd een vijfpuntenprogramma voor universitaire hervorming aanvaard. De repressieve functie van de professor die het monopolie heeft over zijn leerstoel, het ex-kathedra onderwijs, het examen en de permanente controle, de starre leerprogramma’s en de repressieve selectie moeten afgeschaft worden. Renaat Willockx was ondertussen vrijgelaten en sprak de volksvergadering toe. Er werd een ultimatum gesteld door de Raad van Beheer: voor middernacht moest de Blandijn ontruimd zijn. De studenten nodigden als tegenvoorstel de Raad uit op hun volksvergadering de volgende namiddag. Die nacht ontruimde de politie de Blandijn, 700 studenten werden opgepakt. De Blandijn werd vergrendeld tot 28 maart. Maar het was niet afgelopen. Vrijdag de 21ste werd een meeting in de Plateaustraat, een gebouw van de faculteit wetenschappen, door 800 studenten bijgewoond. Ze wisten niet echt wat te doen. De 25ste vuurde de Raad van Beheer de beweging echter opnieuw aan. Men wou 17 studenten wiens identiteit op 12 maart door de politie was genoteerd wraken. Het Faculteitenkonvent (FK) besliste tot een boycot van de lessen vanaf de 27ste. Een afvaardiging van het FK en de presides van de faculteitskringen zullen de studenten die moeten verschijnen voor de academieraad bijstaan. De 26ste werd die oproep van het FK in alle faculteiten verspreid en 1000 studenten kwamen bijeen om stakersposten te organiseren. De Raad van Beheer besliste om Renaat Willockx uit de universiteit uit te sluiten. Het FK reageerde door aan te kondigen alle actiemiddelen in te zetten om die beslissing in te trekken. De vakantie spoelde de strijdbare intenties echter weg en erna was de ren naar de examens ingezet. Frank Winter, in die tijd trotskist en actief in de groep van Mandel (SAP), zei daarover 45 jaar later: “Maar om eerlijk te zijn, de maartbeweging is gewoon geëindigd omdat de examens voor de deur stonden. Zo simpel was dat: gedaan met de kermis.” Het cynisme is wellicht hoofdzakelijk aan zijn latere evolutie te wijten. Toch zegt ook Joke De Leeuw, die dan wel nog lid was van de SAP, in diezelfde reeks van drie interviews: “Ik vrees dat het op maatschappelijk vlak een storm in een glas water is geweest.” (45 jaar geleden: mei ’68 door Ronny De Schepper) Voor de voorlopers van de PVDA, de studentenvakbeweging, was het echter noch een kermis, noch een storm in een glas water. Het klopt dat Ludo Martens al een erkend studentenleider was toen hij in oktober 1968 in Gent aankwam. Diegenen die hem nog niet kenden, werden door de universitaire overheid overigens een handje toegestoken. Die weigerde Martens immers in te schrijven en duwde hem meteen in een martelaarsrol. Het was Martens die het panel ‘voor of tegen jury’ uiteen dreef. “Wat zitten jullie hier eigenlijk te lullen, terwijl buiten mensen in elkaar worden geslagen omdat ze een eigen mening willen hebben!”, had hij uitgeroepen. Volgens Winter “was de lol er dus al vlug af” toen Martens in Gent het SVB-systeem invoerde. “De vergaderingen begonnen zowaar een beetje op de zo gecontesteerde cursussen te gelijken!” Winter beweert dat er in de laatste fase van de maartbeweging in Gent een kristallisatie begon op te treden tussen de trotskisten en de groep rond Martens. De krachtsverhoudingen waren volgens hem kifkif en de meerderheid van de studenten ”verstond het toch niet” (de discussie over slogans). In zijn politiek memoriam uit 2004 voor Paul Verbraeken benadert Eric Corijn dat gelukkig ernstiger. Hij kwam in oktober 1964 met Verbraeken aan in Gent. Ze ontmoetten er François Vercammen die toen bij de Humanistische Studenten zat, Freddy De Pauw die bij de Communistische Studenten was en een aantal socialistische studenten. Samen zetten ze de Marxistische Revolutionaire Studenten op, dat al gauw werd omgevormd naar de Marxistische Revolutionaire Beweging. Ze werden benaderd door Mandel via Filip Polk, Guy Desolre en Emile Van Ceulen om samen te werken en hen te overtuigen mee te doen aan de entristische taktiek. Maar, schrijft Corijn in 2004, de reële sociale strijd is altijd sterker dan eender welke taktiek. Zelfs al waren de trotskisten in Gent sterker (het is onmogelijk uit te maken of Corijn hiermee bedoelt dat de trotskisten sterker waren in Gent dan in Leuven of dat de trotskisten in Gent sterker waren dan de voorlopers van de PVDA, maar dat laatste valt te betwijfelen), de ontsteker van die strijd was in Vlaanderen de strijd rond Leuven Vlaams en daar was de SVB bepalend. wat te doen? en document 1969 In de zomer van 1968 komen een dertigtal SVB-militanten gedurende zeven dagen bijeen voor een seminarie over ‘Wat te doen’ van Lenin. Dat wordt algemeen beschouwd als een soort handleiding voor de Leninistische partijopbouw. Lenin zelf drong er nochtans op aan dat zijn werk uit 1902 geen bijbel was van een modelvorm voor een partijorganisatie, maar eenvoudig een organisatorisch plan voor die tijd en die plaats, namelijk een ondergrondse beweging in de omstandigheden van een autocratie, die er bovendien nog niet in geslaagd was een nationaal organiserend centrum te vormen in haar land. (Hal Draper ‘De mythe van Lenins partijconcept’ – 1990)Voor de SVB-militanten was dit seminarie echter bepalend voor de verdere ontwikkeling. Het is daaruit dat ze het organisatiemodel distilleren dat ze later ook zullen gebruiken voor de opbouw van een partij. ‘Wat te doen’ zal trouwens bij iedere belangrijke wending van de PVDA en haar voorlopers telkens weer bestudeerd worden. Zo ook tijdens de Limburgse mijnstaking in 1970. Toen ontstond discussie tussen een strekking die gewonnen was voor het vermenigvuldigen van strijdcomités als aanloop naar een nieuwe vakbond, met ondermeer de vader van Raoul, Hubert Hedebouw, en een strekking rond Ludo Martens die opteerde voor een leninistische partij. Het werd opnieuw bestudeerd tijdens een ideologische strijd met de maoïstische groep Clarté en nog eens toen in Duitsland in 1980 de KPD uiteen spatte. Een van de mythes rond ‘Wat te doen’ is dat het socialistisch bewustzijn van buitenaf ingedragen moet worden in de arbeidersbeweging, maar niet spontaan van binnenin kan ontstaan. Die idee haalde Lenin bij Kautski, toen nog een van de leidende marxistische autoriteiten. Kautski had het gebruikt in zijn argumentatie tegen een hervormingsvleugel, de revisionisten zoals Bernstein, die beweerden dat theorie overbodig was en dat enkel de spontane aan de gang zijnde beweging van de arbeiders telde. “De beweging is alles, het einddoel is niets”, hadden zij beweerd, met als conclusie dat hervorming de zorg van vandaag was en revolutie zich tevreden moest stellen met morgen. (Eduard Bernstein ‘De voorwaarden tot het socialisme en de taak der sociaaldemocratie’ – 1889) Men vindt die idee later in geen enkele van de geschriften van Lenin terug. Op 4 augustus 1903 (nieuwe tijdsrekening) komt Lenin er trouwens op terug in een toespraak over het programma van de partij. Daarin zegt hij “Om te besluiten. We weten allen dat de ‘economisten’ naar één uiterste zijn gegaan. Om dit recht te trekken, moet er iemand naar de andere richting trekken, en dat is wat ik gedaan heb.” (Oeuevres - 1966, deel 6 blz. 514). Maar voor de SVB was die stellingname wel beslissend om een aantal nieuw-linkse studenten hun opleiding stop te doen zetten en als arbeiders aan de slag te gaan in een fabriek.De SVB’ers hadden een lange periode van studentenradicalisatie doorlopen. Ze waren op zoek gegaan naar coherente antwoorden. Ze werden ondergedoopt in de nieuw-linkse ideeën die in die tijd furore maakten. Ze waren zeer onder de indruk van de Chinese Revolutie en zagen in de confrontatie met de Sovjetunie een vernieuwde impuls voor de wereldrevolutie. In juni-augustus zetten ze hun bevindingen op papier in een “Document 1969, Een Leidraad doorheen de Marxistische Theorie. Het Belang van de Revolutionaire Theorie.” Martens en Merckx benadrukken dat dit document “vooral een goede barometer is voor de indrukwekkende omwentelingen in het denken die zich heeft voorgedaan bij een honderdtal kaders uit de studentenbeweging.” Op het einde van het Document volgt een “politieke samenvatting”: crisis van het kapitalisme met een strijd tussen de twee hoofdkapitalisten, de Sovjet-Unie en de VS. Rusland was ontwikkeld tot een fascistisch en imperialistisch land. Steun aan de Derde Wereldlanden die geteisterd werden door het Sovjet-imperialisme en het feodalisme. China als lichtbaken voor de revolutionaire strijd in de wereld. Het is de maoïstische ideologie die we later ook zullen zien verschijnen bij Amada. stakingsgolf 1969 - 1973 De voorlopers van de PVDA hadden in die gunstige periode onder de radicaliserende studenten een honderdtal kaders bijeen gebracht. Maar ondanks enkele dappere pogingen bleef de inplanting in de arbeidersbeweging beperkt. Ze waren aanwezig in Zwartberg in 1966, hadden aan de fabriekspoorten gestaan, kwamen ook tussen in de staking bij Ford eind 1968 en in de Gentse textielstaking begin 1969, maar in het algemeen waren de jaren die volgden op de Staking van de Eeuw merkwaardig kalm. Tussen 1961 en 1969 was het aantal stakers op geen enkel moment meer dan 42.000 per jaar. (Rik Hemmerijckx - In de Geest van Mei ’68)Voor de SVB was dit niet zonder belang. “Eind ‘69 stapelden alle voortekenen van een naderende crisis zich op”, schrijven Martens en Merckx. Ze bedoelen een interne crisis. “Maar plots werden al deze donkere wolken met één storm uit de hemel weggeveegd: op 5 januari 1970 brak de Limburgse mijnstaking uit ... De mijnstaking kwam op een wonderbaarlijk geschikt moment. Voor meer dan 100 kameraden uit SVB en GSB (de Gentse tegenhanger van SVB) betekende deze staking het langverwachte sein om los te breken uit de verstikkende omgeving van de universiteit. De mijnstaking liet de studentenbeweging toe om in een minimum van tijd een grote ervaring inzake het concrete werk onder de arbeiders op te doen.” Van 1970 tot 1973 geven de statistieken niet minder dan 698 stakingen aan. Vooral de jaren 1970 en 1971 kunnen bepaald “warm” genoemd worden. Tijdens deze jaren heeft het aantal verloren werkdagen deze van de negen voorgaande jaren geëvenaard, schrijft Hemmerijckx. Het belangrijkste kenmerk van die stakingen was het spontane karakter. Volgens enquêtes was niet minder dan 80% ervan niet erkend door de vakbonden. De stakers werden verplicht zichzelf te organiseren in stakerscomités die de solidariteit organiseerden en de stakerskas beheerden. Met die comités zien we ook de opkomst van een aantal nieuwe stakingsleiders. Het zijn bekwame woordvoerders die het vertrouwen van hun werkmakkers winnen door hun onbaatzuchtige inzet. Hoewel sommigen een mandaat hebben als syndicaal delegee zijn het steevast figuren die buiten het eigenlijke vakbondsapparaat staan. Gustave Dache bij Caterpillar Gosselies, Gerard Slegers bij de Kempense Steenkoolmijnen, Karel Heirbaut en Jan Cap bij Boel Temse, André Henry bij Glaverbel Gilly, Dolf Kerschaever en Frans Wuytack aan de Antwerpse haven. Sommigen onder hen hebben met de jaren een mythische status gekregen. Het is rond deze figuren dat verschillende comités hun werking na de staking voortzetten en zich omvormen tot arbeiderscomités. L’Avant-garde syndicale van Caterpillar te Gosselies, Solidarité bij Michelin, het Arbeiderscomité Waasland bij Boel Temse, La Nouvelle Défense bij de glasblazers van Glaverbel Gilly, het Onafhankelijk Havenarbeiderscomité van de Antwerpse dokwerkers. Er werden ook pogingen ondernomen om de verschillende comités te groeperen in één koepel en de actie te coördineren. Onder impuls van de arbeiders van Vieille Montagne werd in maart 1971 een Groot Arbeiderskomitee (GAK) opgezet. In de streek van Charleroi wordt hetzelfde geprobeerd met Rencontres Ouvrières en in Luik met de Mouvement pour l’Autogestion Socialiste. Hemmerijckx denkt dat de eerste Belgische staking ‘in de geest van’ mei 68 die is geweest in het metaalbedrijf Caterpillar te Gosselies in december 1969. “Maar de staking die werkelijk het nieuwe klimaat getekend heeft”, schrijft hij, “was deze van de Limburgse mijnwerkers van januari - februari 1970 die zeer vlug is uitgedraaid op een krachtmeting en 44 dagen later eindigde in een weinig bevredigend compromis.” Er zouden nog verschillende andere stakingen volgen: Michelin te St. Pieters Leeuw (februari en juni 1970), Ford Genk (februari 1970), Forges de Clabecq (juni 1970), Cockerill Yards te Hoboken (april-juli 1970), Citroën te Vorst (november 1970), Vieille Montagne te Balen (januari-maart 1971), scheepswerven Boel te Temse (september-oktober 1971), Tessenderlo Chimie (januari-maart 1972), Glaverbel te Gilly (februari 1973), dokwerkersstaking te Gent en Antwerpen (april-juni 1973), Cockerill Seraing (september - oktober 1973), ... Hoewel dit niet typisch was voor de stakingsgolf van 1970-1973, hebben zich bezettingen voorgedaan bij Germain-Anglo te La Louvière in 1967, bij Michelin in juni 1970 en bij Glaverbel in 1973. Pas na de bezetting van de uurwerkenfabriek Lip in het Franse Besançon (1973) heeft dit type van actie zich ook in België meer verspreid. “Indien we de pers mogen geloven”, schrijft Hemmerijckx, “dan zou er zich een ware toevloed van studenten hebben voorgedaan, maar enquêtes hebben uitgewezen dat de studenten in 1970 slechts in 10% van de stakingen zijn tussen beide gekomen en in 1971 in 5% van de stakingen.” De staking van de Limburgse mijnwerkers was de eerste en belangrijkste waar studenten als een autonome macht zijn opgetreden. De Socialistische Jonge Wacht (SJW), in 1965 uit de socialistische partij gezet en sindsdien onder invloed van de trotskisten van het VSVI, beschikten niet over een inplanting in Limburg. Toch waren ze aanwezig bij de stakerspiketten en slaagden ze er zelfs in om in het stakerscomité te worden opgenomen. De SVB had al voet aan de grond in Limburg. Bij het uitbreken van de staking schopten ze een eigen organisatie uit de grond, Mijnwerkersmacht. Mijnwerkersmacht stond niet alleen in voor voedselhulp en propaganda, maar stelde zich op als oppositie, niet alleen tegen de officiële vakbonden, maar ook tegenover het stakerscomité dat door de SJW gesteund werd. Volgens Mijnwerkersmacht moest men de vakbonden verlaten om eigen autonome comités op te richten. Het voorbeeld van Mijnwerkersmacht zal in andere bedrijven gevolgd worden met de oprichting van Arbeidersmacht, onder meer in Ford Genk, Sidmar Zelzate, Fabelta Gent en Ninove, en aan de Antwerpse dokken. 1970 - alle macht aan de arbeiders (amada) 1974 - tout pouvoir aux ouvriers (tpo) Bij de Leuvense studenten nam ook de Derde Wereld een belangrijke plaats in. Het gaf een internationaal karakter aan hun strijd. In januari 1962 ontstond uit de jaarlijkse vastenactie de UCOD (University Clearing Office for Developing Countries). Die begon zich toe te leggen op de vraag over de zin van ontwikkelingshulp en op informatieverstrekking. Vanaf 1969 werd de steuncampagne aan de Derde Wereld losgekoppeld van het vastengebeuren en omgevormd naar een continue beweging die de hele bevolking wou sensibiliseren en niet alleen de universitaire gemeenschap. Leden uit geïnteresseerde Leuvense werkgroepen werden daartoe in de zomer van 1969 bij elkaar gebracht. Ze richtten de Derde Wereldbeweging (DWB) op. DWB uitte scherpe kritiek op de officiële ontwikkelingshulp van onder meer de 11.11.11-actie van het NCOS. Ze kreeg hierbij steun van allerlei bewegingen en zelfs aandacht van radio en televisie. Voor haar organisatiestructuur nam DWB de bevrijdingsbeweging als voorbeeld. Ze richtte zich vooral op de jeugd die kritisch gevormd moest worden door discussie en gedachtewisseling in scholen, parochies en gemeenten. Ideologisch werd de DWB geïnspireerd door de tijdsgeest en de SVB. Ze keurde de methode van Che Guevara af die in Bolivië in 1967 “een wilde opstand” gevoerd had “zonder voldoende contact te leggen met het boerenvolk. Dit had geleid tot een bloedbad waarin hij zelf ook was omgekomen.” Mao daarentegen, stelde dat “de ware revolutie een georganiseerd verzet moest zijn, met een sterke samenwerking tussen arbeiders, boeren en intellectuelen in één partij. Het doel van de strijd was een nieuwe, socialistische maatschappij gebaseerd op solidariteit, dienstbaarheid en creativiteit”’ De DWB zou in november 1970 één van de componenten zijn die mee Alle Macht Aan De Arbeiders (AMADA) zal oprichten. DWB zal later worden omgevormd tot Anti-Imperialistische Bond (AIB) en is de voorloper van het huidige Intal. De andere componenten zijn de SVB/GSB die tijdens de mijnstaking werden omgevormd naar Marxistisch Leninistische Beweging en de verschillende comités van Arbeidersmacht. In september 1970 verscheen het -driewekelijkse Amada, dat in 1971 tweewekelijks en in 1975 wekelijks werd. In 1971 werd Geneeskunde voor het Volk (GvhV) opgericht en de Kommunistische Jeugdbond (in 1980 omgevormd tot Rode Jeugd). In 1973 zal die laatste haar aanhang fors kunnen uitbreiden tijdens de acties tegen het voorstel om uitstel van legerdienst om studieredenen af te schaffen. Het was een voorstel van toenmalig minister van landsverdediging Paul Vanden Boeynants. In Vlaanderen was Amada de enige stroming die zich baseerde op het Maoïsme, maar langs Franstalige kant bestond er een hele reeks dergelijke groepen die elkaar fors bekampten. Al in 1963 sloot de KPB Jacques Grippa uit, die in de jaren 1930 deel uitmaakte van de Brusselse leiding van de KPB. Hij had immers het Chinese standpunt gesteund in het Sino-Sovjetconflict. De Chinese Communistische Partij droeg hem de taak op om de Marxist-Leninisten in Europa te organiseren, maar verbrak in 1967 de relaties omdat hij teveel aanleunde bij Liu Shaoqi. In 1967 werd de Parti Communiste Wallon (Marxiste-Léniniste) opgericht dat in 1972 de Parti Communiste Belge (Marxiste-Léniniste) werd. Enkele maanden later ontstond de concurrerende Parti Communiste Marxiste Léniniste de Belgique (PCMLB), met het blad Clarté. In 1973 fusioneerden PCB (ML) en PCMLB, maar in 1976 splitste PCB (ML) terug af en vormde de Parti Communiste Révolutionnaire (PCR) met het blad l’Exploité. Midden jaren 1980 werd de PCMLB de Parti Communiste pour l’Unité Progressiste (PCUP). Na 1968 waren enkele Mao-spontaneïstische groepen ontstaan zoals La Garde Rouge aan de Luikse universiteit. Zij zouden aansluiten bij PCMLB. Voorts was er Université Usine Union (UUU) aan de ULB. Zij splitsten in 1970 in de PAP (Parôle Au Peuple) die in 1977 ontbonden werd en de ML-TPT (Tout Pouvoir aux Travailleurs). Die laatste vormde in 1972 samen met het Comité Joseph Staline pour L’Unité Rouge de Union des Communistes Marxistes-Léninistes de Belgique (UCMLB), de tweede maoïstische groep in Franstalig België na de PCMLB. De andere groepen, het zijn er nog heel wat, zullen we de lezer besparen. Belangrijk is hier dat in tegenstelling tot de voorlopers van de PVDA, geen enkele ervan een kern van kaders kon uitbouwen zoals SVB dat had gedaan in Leuven, ook al omdat daar het hoogtepunt lag van de studentenradicalisatie. Rest nog de mededeling dat Amada voor het een eigen werking begon te ontwikkelen in Franstalig België een samenwerkingsakkoord had met TPT. In 1974 werd de Franstalige tegenhanger van Amada, TPO (Tout Pouvoir aux Ouvriers) opgericht dat in 1976 versterkt werd met dissidenten van de UCMLB. evolutie van de standpunten De politieke lijn van AMADA is die van de Comintern tussen ’29 en ’34. De burgerlijke parlementaire democratie en de fascistische dictatuur zijn allebei dictaturen van de burgerij. De BSP zijn sociaal-fascisten, de KPB revisionisten en de RAL (opgericht in juni 1971, de latere SAP) misleiders van de arbeidersklasse.AMADA onderschreef de Chinese driewereldentheorie volgens dewelke de wereld verdeeld was in drie grote kampen. Het eerste, de Verenigde Staten en de Sovjetunie waren beide imperialistisch. De Sovjetunie was de gevaarlijkste omdat ze later kwam en dus agressiever was. Een derde wereldoorlog kwam eraan. De tweede wereld bestond uit ‘ongevaarlijke’ kapitalistische staten: Europa, Canada, Australië, Nieuw-Zeeland en Japan. In de derde wereld waren een aantal ‘agenten van het Sovjet-sociaal-imperialisme’ actief. De belangrijkste waren Vietnam, Cuba en Angola. In een polemiek met de UCMLB – “die de vlag van het Marxisme-Leninisme misbruikt om haar Trotskistische stellingen die in de kaart spelen van het sociaal-imperialisme te verkopen” (sic) -, zet het nationaal bureau van AMADA deze theorie uiteen. (Programma voor vrede, nationale onafhankelijkheid, volksdemocratie en socialisme – 8 mei 1976). Onder punt 5.1, getiteld “de economische basis van het Russisch sociaal-imperialisme is het staatskapitalisme”, leest men er dat Chroesjtsjov en Brezjnev in Rusland een staatsgreep hebben doorgevoerd, de communistische partij hebben omgevormd tot een fascistische en de socialistische staat tot een uitbuitersstaat. De titel van het hoofdstuk daarop luidt “de sociaal-fascistische dictatuur”, verwijzend naar de Sovjetunie. Die theorie bracht AMADA niet zelden in het rechtse kamp. Fidel Castro werd een revisionist genoemd. In Konkreet nr. 20 van 14 mei ’80, de opvolger van de krant Amada en voorloper van Solidair, staat te lezen: “Castro heeft inmiddels aangekondigd dat al wie het niet eens is met de ‘harde levensstijl’ op zijn eiland, maar moet ophoepelen. Naast suiker en tabak worden vluchtelingen dan wellicht het derde belangrijkste Cubaanse exportprodukt.” In Angola steunde AMADA de rechtse UNITA-beweging van Jonas Savimbi tegen de MPLA. De Oost-Europese landen werden ‘Sovjetkolonies’ genoemd. Het steunde ook de Rode Khmer van Cambodja tegen Vietnam en het verzet van Eritreia tegen het Ethiopisch regime van Menghistu. Voor de onafhankelijkheid van Angola in 1975 waren drie guerrillabewegingen actief tegen de Portugese kolonisator. De grootste was de MPLA die aanleunde bij het Sovjetblok, de andere waren de rechts-conservatieve FNLA en de vaag maoïstische UNITA die zich vanaf 1977 zou opwerpen als anti-communistisch. Na de kolonisatie ging de strijd tussen de MPLA en de UNITA met enkele korte onderbrekingen door tot 2002 tijdens de Angolese burgeroorlog. Dat was eigenlijk een onrechtstreeks conflict tussen de Sovjetunie en Cuba enerzijds aan de kant van de MPLA en de VS en Zuid-Afrika anderzijds aan de kant van UNITA. Savimbi kreeg zijn opleiding in China in de jaren 1960, sloot aan bij de MPLA Jeugd, maar switchte in 1964 naar de FNLA en richtte in 1966 met steun van China de UNITA op, vooraleer vanaf 1977 de belangrijkste bondgenoot van de VS en Zuid-Afrika in de strijd tegen het communisme te worden. Het bewind van de Rode Khmer (1975-1979) in Cambodja werd gekenmerkt door mishandeling, massale executies, wreedheden en hongersnood. Het was een waanzinnig bewind, het gebruik van de woorden “vader” en “moeder” was verboden, eten gebeurde collectief in eetzalen, fruit verzamelen was egocentrisch, geld was afgeschaft en ruilhandel werd ontmoedigd, alles behoorde toe aan Angkar dat het nodige zou verstrekken. In december 1978 werd naar aanleiding van bloedige anti-Vietnamese zuiveringen, het regime verdreven door een inval van Vietnam. China viel Vietnam binnen om de Rode Khmer te ontlasten, maar het opzet mislukte. De VS steunde de Khmer indirect door er in de VN voor te zorgen dat de zetel van Cambodja niet toekwam aan het door Vietnam geïnstalleerde regime. De Rode Khmer voerden vanuit de jungle nog jaren een guerrilla met steun van China en Thailand en onrechtstreeks van de VS die hoopte daardoor de Sovjetunie en haar bondgenoot Vietnam te verzwakken.
Mengistu greep als militair in 1974 de macht in Ethiopië en beëindigde de heerschappij van Keizer Haille Selassi I. Hij riep de Socialistische Volksrepubliek Ethiopië uit die in 1987 de Democratische Volksrepubliek Ethiopië werd. In maart 1990 brak Mengistu met het ‘Marxisme-Leninisme’ en werd Ethiopië een gewone republiek. Hij bleef aan de macht tot 1991. Van 1974 tot 1988 was hij in een oorlog verwikkeld met Somalië, hij werd gesteund door de Sovjetunie en de Oostbloklanden. Tegelijk zette hij de strijd voort tegen het Eritrese bevrijdingsfront en het Eritrese Volksbevrijdingsfront die vochten voor onafhankelijkheid, maar ook elkaar onderling bekampten. Later zou de PVDA op een aantal van die posities moeten terugkomen of ze eerder wegmoffelen. Het beschouwen van de vakbondsdelegees als waakhonden van de patroons en de ermee verbonden oproep om de vakbbonden te verlaten, werd in 2008 door Julien Versteegh (‘Verjaardag studentenrevolte, januari 1968’) diep antisyndicaal genoemd. Een risico neemt hij daarmee niet. Die positie had er al in de staking van Vieille Montagne (januari – maart 1971) toe geleid dat het stakerscomité alles in het werk stelde om geen AMADA-stempel opgelegd te krijgen. Aan de scheepswerven van Boel Temse kwam het zelfs tot een open conflict tussen AMADA en het stakerscomité. Die staking zou de houding van AMADA tegenover de vakbonden grondig omgooien. Maar er was meer. Na de dood van Mao en met de hervormingspolitiek van Deng, wou AMADA een meer klassieke Communistische Partij worden. Daartoe werd op het stichtingscongres van 1979, met intussen 3.500 aanwezigen (www.pvda.be/nieuws/artikel) een nieuwe, meer aangepaste naam gekozen, PVDA/PTB, die niet meer alleen de kwestie van de macht stelde. De structuur werd opener, meer gericht op de bedrijven en men besloot komaf te maken met dogmatisme en sectarisme. Inzake buitenlandpolitiek, bleef de PVDA echter vasthouden aan de stellingen van China en Albanië. De PVDA steunde bijvoorbeeld het ‘Nationaal Verenigd Front’ (FUNA) tegen de ‘imperialistische invasie’ van het Sovjetleger in Afghanistan. Dat front, zowat 10.000 moedjahedin, maakte deel uit van de coalitie die later (1992) door het VS-imperialisme in Afghanistan aan de macht werd geholpen. Zelfs Lech Walesa en zijn Solidarnosc werden korte tijd gesteund omwille van hun inzet tegen het ‘sociaal-imperialisme’ en het ‘sociaal-fascisme’ van de Sovjetunie. De enige ware lichtbakens van het internationale communisme bleven China en Albanië. Na een bezoek van Ludo Martens aan Kim Il Sung in 1994 werd daar ook Noord-Korea aan toegevoegd. Aan de korte periode van betrekkelijke openheid sinds de vernieuwing kwam trouwens al in 1983 abrupt een einde. Het was de periode van het verdwijnen van de KPD in West-Duitsland. De PVDA-leiding vermoedde dat er ook binnen haar eigen rangen een liquidatiestroming aanwezig was. Een aantal partijleden vonden het ‘democratisch centralisme’ achterhaald en nutteloos. In België was er meer democratie dan in China of Albanië. Ze verlieten de partij. Op het tweede congres van de PVDA in 1983 werden leden aangemaand zich harder en correcter in te zetten voor de partij. Thomas Sankara van Burkina Faso, in 1983 nog opgehemeld door de PVDA, werd zonder verdere uitleg, na de staatsgreep door zijn tweede man Blaise Capaore in 1986, in Solidair ontmaskerd als CIA-agent. We hebben de uitzonderlijke condities van jongerenradicalisatie in de tweede helft van de jaren 1960 beschreven. Hoe de voorlopers van de PVDA in die bewegingen hun ideeën vorm gaven en de eerste paar honderd kaders bijeen sprokkelden. Hoe de staking van de Limburgse mijnwerkers met één storm alle donkere wolken had weggejaagd. Hoe de evolutie van de derde wereldbeweging, de strijd van de scholieren tegen minister van landsverdediging Vanden Boeynants en vooral de golf van stakingen tussen 1970 en 1973 die beweging en de latere partij voortdurend de voorwaarden hadden aangereikt om haar krachten op te bouwen. We hebben uitgelegd hoe de toenmalige trotskisten zich politiek ontwapend hadden en organisatorisch afgesneden van de hoofdstroom van de beweging. We hoeven, denken we, niet uit te leggen dat de KPB na het binnenrollen van de tanks van de Sovjetunie in Hongarije in 1956, de Sino-Sovjet splitsing en het verpletteren van de Praagse Lente politiek ontredderd en organisatorisch verzwakt was. In de stakingsgolf van 1970 – 1973 hebben een aantal communistische militanten dankzij hun inzet de situatie nog enigszins trachten corrigeren. De KPB had echter een hele generatie jongeren aan zich voorbij zien trekken en zou er zich nooit meer van herstellen. In 1988 zouden KP Vlaanderen en Parti Communiste zich opsplitsen. Laat ons dit nu eens vergelijken met de periode waarin de voorlopers van LSP actief werden. Het begint alweer met een handvol scholieren, leden van de Jongsocialisten in Oostende. In 1974 komen zij bij toeval in contact met de Britse trotskisten van de Militant Tendency, de erfgenamen van de Revolutionary Socialist League. Die hadden sinds 1970 de meerderheid binnen de LPYS, de Britse Jongsocialisten. Op terugweg van een congres van IUSY (International Union of Socialist Youth) miste een vertegenwoordiger van de LPYS zijn boot. Hij belde aan op de twee adressen van Jongsocialisten waarvan LPYS in Oostende weet had. Bij de tweede, de 18 jarige Yves Miroir, was het bingo. Die zat als afgevaardigde voor de federatie Oostende-Veurne-Diksmuide in het nationaal bureau van de Jongsocialisten. Ze hadden er net de Anjerrevolutie besproken en beslist 20.000 Belgische Frank te storten op de rekening van de nieuw opgezette Portugese Socialistische Partij (PSP). Die was eigenlijk opgezet door de Socialistische Internationale om de Communistische Partij (PCP) en radicaal links de wind uit de zeilen te nemen. Yves werd uitgenodigd voor een LPYS-congres. Hij zag voor het eerst een radicale meeting met duizenden afgevaardigden die een fenomenaal bedrag ophalen voor een interventie in de revolutie. Het verschil kon niet groter. Hij besliste ook in België een dergelijke tendens op te zetten. Het Oostende van 1974 is helaas niet het Leuven van 1966. Ondanks de belangrijke internationale gebeurtenissen in Portugal en later in Griekenland, Cyprus en Spanje, was de geradicaliseerde laag jongeren er zeer beperkt. Er waren ook nauwelijks bewegingen waarin die jongeren ervaring zouden kunnen opdoen. Bovendien ondervonden ze sterke concurrentie, want behalve de KP was ook Amada en op een bepaald moment RAL er actief. Het bleef bijgevolg bij een vriendenkring die er ondanks een paar bemoedigende resultaten niet echt in slaagt uit te breken. Het eerste nummer van Vonk verscheen in maart 1975. In 1975 en 1976 zouden er telkens vier verschijnen. In het vierde nummer vond een debat plaats over de zin en onzin van nog eens een krant, naast Nu, de officiële publicatie van de Jongsocialisten, en Links, die van linkervleugel. Pas als Yves in Brussel ging studeren, kwam er schot in de zaak. Hij ontmoette er in 1976 François Bliki en beiden sloten zich aan bij de Actief Linkse Studenten (ALS), toen de officiële studentenvleugel van de Socialistische Gemeenschappelijke Actie (SGA). Op dat moment werd actie gevoerd tegen de omzendbrieven van Decroo-Humblet. Die wilden de toegang tot het onderwijs beperken, voorzieningen afbouwen en de kostprijs opdrijven. De toenmalige leiding van de ALS in Brussel was echter niet geneigd te reageren, de BSP maakte immers deel uit van de regering. Het ongenoegen daarover deed de meerderheid van ALS kantelen in het voordeel van die paar marxisten van Vonk, ze zouden die positie nooit meer prijs geven. ALS is vandaag de studentenorganisatie van LSP. Zonder die ontwikkeling zou Vonk wellicht niet voortbestaan hebben. Tussen het verschijnen van het 8ste nummer in november 1976 en het 9de in februari 1978 lag bijna anderhalf jaar. De verantwoordelijke uitgever was dan niet meer Willy Pozzolo uit Oostende, maar François Bliki uit Brussel. Vonk publiceerde verslagen van stakingen en bedrijfsbezettingen; kritiek op de programma’s van de BSP en de linkervleugels ervan, Links en Tribune Socialiste; theoretische artikels en analyses over de belangrijkste gebeurtenissen in het buitenland; interviews met arbeiders en studenten of scholieren in actie; verslagen en duiding over activiteiten van de Actief Linkse Studenten en Scholieren, de ABVV-Jongeren en de Jongsocialisten; en kritiek op de splitsing van SP en PS. Het doorbladeren van die oude publicaties geeft een vrij accuraat beeld van de toestand van de klassenstrijd in die periode en de discussies waarmee dat gepaard ging. De voorlopers van LSP waren een zoektocht begonnen waarin ze theoretische begrippen assimileerden, inzicht trachtten te krijgen in ervaringen die ze slechts kenden door erover te horen en te lezen en tegelijk alles ondernamen wat ze konden om niet alleen commentatoren, maar ook deelnemers aan de beweging te zijn. Ze kregen geen geschenken, niet buiten de BSP waar andere strekkingen niet geneigd waren de nieuwe speler met open armen te ontvangen. En al zeker niet binnen de BSP. De rechtervleugel wist immers maar al te goed welke moeilijkheden hun collega’s in Labour ondervonden om de invloed van Militant Tendency te beknotten. De linkervleugel in de BSP begreep maar niet waarom Vonk ook haar programma bekritiseerde en kost wat kost een eigen publieke krant wou. Dat strookte niet met de ervaring die ze had met trotskisten van voor het onverenigbaarheidscongres in 1964. Op vergaderingen van de Jongsocialisten kregen we meer dan eens te horen dat de RAL de goede en Vonk de slechte trotskisten waren. Bovendien was de periode van radicalisatie op haar terugweg tegen de tijd dat Vonk verscheen, laat staan tegen dat de vriendenkring was omgevormd naar iets dat leek op een coherente organisatie. Het was zeker geen windstilte, maar de stakingsgolf van 1970-1973 lag al achter de rug. AMADA en RAL hadden al een belangrijk segment van de geradicaliseerde jeugd gewonnen en hun eerste beloftevolle stappen in de arbeiderswereld gezet. Vonk moest er toen nog aan beginnen. Tot 1983 waren er nooit meer dan 35 “vonkisten”, want zo noemde men ons, omdat we vooral bekend waren door de verkoop van onze krant. De echte naam, Revolutionair Socialistische Arbeidersbond (RSAB), werd eigenlijk nooit gebruikt en was zelfs bij die kleine groep leden nauwelijks gekend. We waren met weinig, maar wel zeer actief. Elke militant verkocht zijn blad en we kwamen tussen in de sociale strijd alsof we met honderden waren. Afdelingsvergaderingen waren ook toen al wekelijks. Bovendien waren de meeste leden ook actieve militanten in de Jongsocialisten, de Actief Linkse Studenten, de SP-afdeling en hun vakbond. Weken met vier vergaderingen en twee of meer activiteiten waren geen uitzondering. De wil was er, maar de omstandigheden niet altijd. De algemene staking van februari 1982 en de Jongerenmars voor Werk in april 1982 verbreedden wel ons gehoor. Op de nationale Raad van de Jongsocialisten in februari 1983 slaagden we er zelfs in het document van Vonk over de crisis te doen aannemen als officieel discussiedocument. Een eerste doorbraakje kwam er tijdens de 10 dagen staking in de openbare diensten in september 1983. We namen voor het eerst de kaap van 50 leden. Op de Jongerenmars van februari ’84 bleek echter hoe relatief dat was. De PVDA en de RAL (die dat jaar SAP zou worden) hadden toen elk indrukwekkende delegaties van honderden jongeren. Maar toch, in “Ervaringen uit twee jaar strijd te Leuven”, was ook de SVB tot de conclusie gekomen: “Een kern van een vijftigtal werkzame, onderlegde en idealistische mensen is onze conditio sine qua non”. Het handvol scholieren dat aan de basis lag van de strekking die vandaag vertegenwoordigd wordt door LSP had er bijna 10 jaar over gedaan. de jongsocialisten Het is in die periode (1984-1985) dat de Britse mijnstaking plaats greep en in Liverpool een Labour gemeenteraad werd verkozen onder de politieke leiding van de Militant Tendency. Militant telt 8.000 leden, had meer dan 200 vrijgestelden en slaagde erin drie van haar leden voor Labour te laten verkiezen in het Lagerhuis. Niet minder dan 500 mijnwerkers waren er lid van, van de door Militant geleide LPYS zelfs een kleine duizend. Overal in Europa en erbuiten grepen solidariteitsacties plaats. Lokale afdelingen van de Jongsocialisten, vooral die onder leiding van Vonk, waren er bijzonder actief in.In een aantal afdelingen en federaties van de Jongsocialisten werd Vonk de grootste strekking. De federatie Oostende-Veurne Diksmuide, die van Aalst en Brussel en de afdelingen Antwerpen en Aarschot verkozen besturen die de standpunten van Vonk onderschreven. Bij de SP sloegen op dat moment de stoppen door. Ze zagen het spook opduiken van een Belgische tegenhanger van de Militant Tendency en wilden dat kost wat kost vermijden. Het leidde tot een lastercampagne tegen Vonk binnen de Jongsocialisten onder de titel “Vonk, ik wist niet wat hier zo stonk”. Een Vonkist, Jean Lievens, stelde zich bovendien kandidaat voor het ondervoorzitterschap van de Jongsocialisten. Op het congres (14-16 december 1984) haalde de kandidaat van het uittredend centrumbestuur 98 van de mandaten, tegen 50 voor de kandidaat van Vonk en 44 voor de kandidaat van de rechtervleugel. De regering-Martens VI pakte in 1986 uit met een anticrisisplan. De wachttijd voor schoolverlaters zou verdubbelen, de legerdienst werd uitgebreid van 10 naar 12 maand (of van 8 naar 10 voor wie in Duitsland gelegerd was) en ‘om de discriminatie van miliciens tegen te gaan’ zouden gewetensbezwaarden 24 maanden moeten kloppen en werd er ook voor meisjes een alternatieve dienst ingevoerd. Vonk stelde aan de Jongsocialisten voor om scholierencomités op te zetten. Maar de Jongsocialisten verkozen om met ABVV-jongeren, ACV-jongeren, KAJ, Jong-KP, Rode Jeugd en SJW symbolisch pantoffels in te zamelen die op de dag waarop de maatregelen ingingen, ergens aan een brug in Antwerpen zouden gedumpt worden. Vonk zette dan maar zelf scholierencomités op die op 29 januari in Oostende, Brugge en Veurne in totaal 3.000 betogers op de been brachten. Een nationaal scholierencomité volgde. Op woensdag 5 maart betoogden ruim 20.000 scholieren in 20 steden. De regering gaf toe op de alternatieve dienst voor meisjes en gedeeltelijk op de wachttijd. Vonk groeide op dat moment naar 130 leden. Dat bleef niet zonder gevolgen voor de Jongsocialisten. Op een Raad in Ronse op 1 maart 1986 werd Vonkist Sven Todts verkozen als secretaris buitenland. In mei staakten de vakbonden van de openbare diensten tegen het Sint-Annaplan van Martens. De ABVV-leiding organiseerde onder druk van de basis een betoging de 31ste maart. ABVV-voorzitter André Vanden Broucke beloofde zelfs een algemene staking in het najaar als er meer dan 100.000 betogers waren. Het werden er 250.000, maar over algemene staking werd met geen woord meer gerept. Intussen gingen de Jongsocialisten in het offensief, niet tegen Martens, maar tegen Vonk. Erik De Bruyn en Wim Kerremans werden door de federatie Antwerpen uitgesloten. In het werkingsverslag 1987-1988 voor het SP-congres werd uitgelegd dat de Jongsocialisten aan vernieuwing toe waren. De bedoeling was uiteraard niet een verlinksing. Op het congres van de Jongsocialisten in december 1988 stonden twee ploegen van 8 tegenover elkaar, waarvan 7 vonkisten. Uiteindelijk haalde de rechtervleugel het. Voor het voorzitterschap bijvoorbeeld, behaalde Ronald Parijs 78 mandaten tegen 62 voor Vonkist De Bruyn en 5 onthoudingen. Voor de rechtervleugel was dat niet geruststellend. Die weet dat de pas verkozen politiek secretaris die ochtend ook al verkozen was als voorzitter van de SP-federatie Sint-Niklaas. Dat was onverenigbaar met een nationale functie in de JS. Maar omdat het niet meer mogelijk was een andere kandidatuur in te dienen, kozen ze ervoor dat nog even verborgen te houden. Anders zou Vonkist Jean Lievens als enige kandidaat mogelijk vekozen worden. De politiek secretaris van de Jongsocialisten zetelde bovendien automatisch in het nationaal bureau van de SP en daar stelden ze het niet op prijs als dat een Vonkist zou zijn. Het pleit zou beslecht worden op een bijzondere Raad in Tienen op 4 maart 1989. Daar waren er drie kandidaten: Luc Van Rompuy met de steun van het uitvoerend bureau, Vonkist Eric Byl en Carine Geyselings van federatie Turnhout. Het bureau trok haar kandidaat terug en in een betwiste stemming – plots zijn er meer mandaten dan aanwezigen - haalde Carine het met 53 tegen 47 voor Eric. Twee dagen later neemt Carine ontslag en werd Luc als plaatsvervanger op haar stoel gezet. de muur valt In april 1987 publiceerde Vonk een dossier over “De USSR, hervorming of politieke revolutie”. We schreven daarin “Gorbatsjov is niet van plan de controle van de bureaucratie over de Russische maatschappij te ontnemen .... Om een revolutie van onderaan te vermijden, is hij begonnen met hervormingen aan de top.” (Vonk nr 73). In mei 1989 volgde een artikel “USSR: hervormingen zullen bureaucratie niet redden.” Daarin schreven we: “De massa’s staan echter ver links van Jeltsin, die bepaalde misbruiken aanklaagt, maar geenszins de heerschappij van de bureaucratie in vraag stelt.” Op dat ogenblik leek een kapitalistische restauratie ons (en veel anderen) nog uitgesloten. Gorbatsjov of Jeltsin steunen, heeft Vonk echter nooit gedaan.Vonk bleef nog tot eind 1988 groeien, tot maximaal een 200-tal militanten. We deden dat onder minder gunstige condities dan die waarin de PVDA en haar voorlopers dat hadden gedaan. Of die waarin de vroegere RAL, nu SAP, dat had gekund. Toch waren we erin geslaagd een coherente strekking te distilleren en een paar honderd kaders bijeen te brengen. We liepen nog ver achter op de PVDA, de SAP of de KP, maar de scholierenbeweging van 1986 had ons getoond hoe snel dat kon veranderen zodra de objectieve voorwaarden aanwezig waren. Die beweging was niet vergelijkbaar met de studentenrevoltes van 1966 en 1968 of zelfs niet met 1993 (tegen VdB), het was hooguit een voorsmaakje, maar op onze schaal was het een belangrijke test. De beurscrash in oktober 1987 leidde, tegen onze verwachtingen in, niet tot een recessie in de reële economie. Enerzijds werden de kredietkranen opengedraaid op een schaal die we nooit tevoren hadden meegemaakt en anderzijds overschaduwden de gebeurtenissen in het Oosten de economische moeilijkheden in het Westen. In een aantal wingewesten die tot dan dienst hadden gedaan als ideologisch tegengewicht tegen stalinistisch Rusland en stalinistisch China, kon men de uitbuitingsgraad door de crisis in het Oosten bijna onbeperkt opdrijven. Dat gold voor de vier draakjes, Taiwan, Singapore, Zuid-Korea en Hong Kong, maar breidde daarna uit naar een hele reeks Aziatische groeilanden. Ze zouden er in 1996 en 1997 zwaar voor boeten met een muntcrisis. (Zie onze congrestekst van 2006: ‘Toenemende klassenstrijd bedreigt fragiele evenwichten’ op marxisme.be) Heel links heeft in de klappen gedeeld toen het Chinese 27ste leger met tanks en machinegeweren het plein van de Hemelse Vrede op 4 juli 1989 ontruimde. De arbeiders reageerden met stakingen, betogingen, barrikades en gevechten die alle belangrijke industriële centra door elkaar schudden. Het Westen stelde de beweging voor als een poging tot kapitalistische restauratie en ook het Chinese regime deed dat, met vertraging bijgetreden door de PVDA. Er bestaat geen twijfel over dat er verwarring was en dat sommigen in die verwarring naar Westerse symbolen grepen. Dat werd op zijn beurt zowel in Westerse als in Chinese media enorm uitvergroot. Dominant waren echter diegenen die de Internationale zongen, met de rode vlag manifesteerden en een meer democratisch communisme nastreefden. De geleidelijke restauratie van het kapitalisme in China, werd nadien niet door hen, maar door de CCP zelf doorgevoerd. In “Een kwarteeuw mei ’68” schrijven Martens en Merckx over de studentenrevolte in Leuven in 1966: “De meerderheid van de betogers waren democratisch en Vlaamsgezind, maar er liepen ook behoudsgezinden en zelfs uiterst rechtse flaminganten tussen. Hoe moesten de linkse studenten zich opstellen tegenover zulke beginnende massabeweging? Moesten ze eerst de zaak vanop de stoep in ogenschouw nemen om dan, geschrokken door een paar dwaze slogans en door de bonte politieke mengelmoes waarin zich ook wat ongure individuen bewogen, naar hun studeervertrek hollen om daar voor een ongelezen blaadje een grootse ‘marxistische kritiek’ van de massabeweging uit hun geleerde pen te puren?” In “Van Tien An Men tot Timisoara, strijd en debatten binnen de PvdA (1989 – 1991)”, uitgegeven door de PVDA in 1994, is er echter geen ruimte meer voor dat inzicht. Revolutie is een proces dat steeds gepaard gaat met tegenkrachten, met elementen van contrarevolutie. Dat was ook zo in het revolutionaire proces in Noord-Afrika en het Midden-Oosten, tijdens de zogenaamde Arabische Lente in het begin van dit decennium. Dat proces is nog steeds niet uitgeraasd. Het verklaart juist het belang van een revolutionaire partij. Als die afwezig is, zullen allerlei reactionaire krachten zowel uit het binnenland als uit het buitenland uiteindelijk de beweging recupereren. Dat was ook wat gebeurde in het proces dat uiteindelijk het Sovjetblok ten val bracht. Het begon met de opname van Solidarnosc in de Poolse regering door het regime van Jaruzelksi in 1989. Vonk (nr. 93) schreef in september 1989 in haar edito: “De intrede van Solidarnosc geeft het regime tijdelijk geloofwaardigheid bij de bevolking. De gelegaliseerde Solidarnosc is echter niet dezelfde organisatie als deze van ’80 – ’81. Toen telde ze 10 miljoen leden en bevatte haar programma alle elementen van de politieke revolutie. Vandaag kan de vrije vakbond nog slechts op 1 miljoen leden rekenen. Zijn leiders en raadgevers hebben de politieke visie van reformistische bureaucraten en niet zelden de levensstijl van miljonairs. Walesa belooft nu in Polen ’het Amerika van Oost-Europa’ op te bouwen.” In de nacht van 8 en 9 november 1989 begon de sloop van de Berlijnse muur. De beweging was ontstaan rond slogans voor arbeidersdemocratie en de vorming van arbeidersraden. Ook in die beweging ageerden naast linkse krachten die streefden naar een democratisch socialisme, reactionaire figuren die gewonnen waren voor kapitalistische restauratie. Aanvankelijk waren die laatste slechts een minderheid. In Vonk nr 96 van december 1989 schreven we nog: “Vandaag spreekt de overgrote meerderheid van Oostduitsers zich echter uit tegen hereniging.” Maar die meerderheid beschikte niet over een eigen organisatie, laat staan een revolutionaire partij. De voorstanders van restauratie daarentegen konden rekenen op machtige bondgenoten, van protestantse geestelijken tot West-Duitsland. In september 1989 was “Neues Forum” opgericht, een club van intellectuelen waartoe weinig arbeiders zich aangetrokken voelden. Neues Forum verzamelde 7.000 handtekeningen in 12 steden met de vraag voor een dialoog over hervormingen. Onder die 7.000 waren ook heel wat leden van de SED, de partij van het regime. De autoriteiten vonden Neues Forum echter subversief en in strijd met de grondwet. De organisatoren riskeerden tot 12 jaar gevangenisstraf. Het bezorgde de groep, slechts een handvol mensen, zowel nationaal als internationaal bekendheid. Toen de massa’s in beweging kwamen, was Neues Forom de enige oppositie die ze kenden. Op een paar weken tijd groeide het uit naar 200.000 leden. De leiders ervan hadden echter geen flauw benul wat ze met de beweging aan moesten. Die impasse deed uiteindelijk de illusies in hereniging groeien tot op het moment waarop het onomkeerbaar werd. De wankele regimes in Oost-Europa hadden het inzetten van de troepen tegen de protesterende massa’s overwogen, maar zagen er uiteindelijk van af. De enige uitzondering daarop was Roemenië, eerst in Timisoara en dan in Boekarest werd het leger ingezet. Op kerstdag 1989 zouden Nicolae Ceaucescu, het ‘Genie van de Karpaten’, en zijn vrouw Elena er met hun leven voor betalen. Maar volgens Michel Mommencery in Solidair van 3 januari 1990 werd Ceaucescu “door antikommunistische krachten vermoord, niet om de reële fouten die hij kan begaan hebben, maar om de revolutionaire stellingen die hij ondanks alles heeft gehandhaafd”. Op 19 augustus 1991 werd Gorbatsjov onder huisarrest geplaatst. De noodtoestand werd uitgeroepen door vice-president Janajev met steun van de ministers van defensie, van binnenlandse zaken en de KGB-chef. Het zou de laatste stuiptrekking worden van enkele oude krokodillen die de overgang naar een markteconomie niet fundamenteel betwistten, maar dat deel van de bureaucratie vertegenwoordigen dat vreest bij de overgang uit de boot te vallen. De bevolking van Moskou kwam massaal op straat op en richtte barrikades op. Jeltsin begreep het momentum en liet zich op een van de door de bevolking buitgemaakte tanks hijsen. De poging tot staatsgreep stortte als een pudding ineen en Jeltsin kwam er als ontbetwiste overwinnaar uit. effect op links De ontwikkelingen in het voormalige Oostblok bleven niet zonder gevolgen. Het aantal armen in die landen explodeerde, net zoals de rijkdom van de nieuwe machthebbers, bijna allen oudgedienden van de gevallen regimes. De levensverwachting zou in de jaren die volgden fors achteruitlopen. Het kapitalisme dat de massa’s te verduren kregen, was niet dat van West-Europa waarop ze gehoopt hadden, maar zoals Vonk voorspeld had, een veel brutalere versie. Alles werd verhandeld, inclusief menselijke organen. Er is geen twijfel mogelijk, het uiteindelijke resultaat was een enorme overwinning van de contrarevolutie. Het maakte bovendien de weg vrij voor de globalisering zoals we die vandaag kennen.De verwarring ter linkerzijde was totaal. Strekkingen die er destijds van overtuigd waren dat er in Oost-Europa geen arbeidersstaten bestonden, ook niet in een gedeformeerde versie, zoals het Franse Lutte Ouvrière, konden de draagwijdte van de gebeurtenissen niet inschatten. Andere, zoals de Britse Socialist Workers Party (SWP), die de Sovjetunie hadden beschouwd als staatskapitalisme, een bijzondere vorm van kapitalisme, al evenmin. De SAP ging zelfs zover op de achterpagina van de krant‘Rood’ Jeltsin en Ortega uit te roepen tot de hoop voor het socialisme en publiceerde in 1993 de brochure “De hoop doen herleven”, waarvan de titel alleen al boekdelen spreekt. De PVDA had nog een bijkomend probleem. Tot het aantreden van Gorbatsjov had ze de pro-Chinese buitenlandlijn aangehouden. Maar tussen oktober 1987 en begin 1989 greep in Solidair een debat plaats: “Van de Oktoberrevolutie tot de Glasnost.” Leden en niet-leden gaven hun mening. Damien Robert (Analyse de l’évolution idéologique et politique du PTB, 1979-1990. Louvain-la-Neuve, 2001) beweert dat dit geen radicale ommekeer was, maar een progressieve evolutie. Enerzijds wegens de Chinese kwestie waar “onder Deng Xiaopeng een soortgelijk proces plaats vond als onder Chroesjstjov. Corruptie, desinteresse van de massa voor het socialisme en het opheffen van bepaalde marxistisch-leninistische principes”. Anderzijds omdat “het Amerikaanse imperialisme onder leiding van Reagan nu veel gevaarlijker was dan het Sovjetrussisch imperialisme, hoewel dat laatste ook nog steeds op de loer lag.” In Solidair nr. 733 (januari ’88) mocht Gorbatsjov zelfs in een polemiek tegen het Trotskisme, twee bladzijden lang (blz. 14 en 15) de balans opmaken van de Sovjetunie in WOII. Tot in 1989 stond in het vast kader van Solidair, dat omschrijft waar de PVDA voor staat: «Gorbatsjov heeft een groot aantal van deze negatieve fenomenen [de opportunistische lijn van Chroestsjov etc.] bekritiseerd en een aantal positieve hervormingen ingeluid.» De grote verdedigers van Gorbatsjov in België vond men bij de PVDA. Het regime van de Sovjetunie was nu geen fascisme meer, haar economie geen (staats-)kapitalisme en haar buitenlandpolitiek geen sociaal imperialisme meer. De PVDA had het reëel bestaand socialisme ontdekt, maar niet voor lang. Na de gebeurtenissen op Tien An Men, de val van de muur, de ontwikkelingen in Roemenië en de restauratie in de Sovjetunie, kwam aan die evolutie bruusk een einde. Wim de Neuter vertelt (geciteerd door Jan Buelinckx in ‘Radicaal-links in België en de val van de Muur’): “Op het moment van de studentenopstand op het Tien An Men-plein in Peking was ik chef buitenland van Solidair. Toen op 4 juni het protest genadeloos werd onderdrukt moest er natuurlijk direct een standpunt uitgewerkt worden. Voorzitter Ludo Martens was daarbij niet aanwezig. De repressie werd veroordeeld. Diezelfde nacht nog komt Ludo Martens binnen met een drie bladzijden tellend kant en klaar artikel over de gebeurtenissen in China. Daarin werd de houding van de Chinese regering goedgekeurd. Kris Merckx verzette zich niet. Ikzelf vond dit onbegrijpelijk.” “De druppel die de emmer deed overlopen was het standpunt over de gebeurtenissen in Roemenië, eind 1989. Er was een partijdelegatie vanuit Charleroi naar Roemenië geweest naar aanleiding van de Roemeense dorpen-campagne. Het verslag dat één van hen van de reis maakte en dat in Solidair verscheen, was ronduit verschrikkelijk. Het regime van Ceaucescu werd de hemel in geprezen... Ik schreef een cynische ontslagbrief en op 2 januari 1990 verliet ik definitief de partij.” In “Van Tien An Men tot Timisoara, strijd en debatten binnen de PVDA” schrijft Martens in de inleiding: “De definitieve verdwijning van het communisme had in België naar alle logica moeten leiden tot de ontbinding van de PVDA. Toen de Sovjetdissidenten de CPSU ten grave hadden gedragen, stonden ook binnen de PVDA twee dissidenten op om de liquidatie te organiseren. Uiteindelijk zouden er acht of negen de stap zetten naar die stralende en schitterende toekomst zonder communistische partij, waar de hele wereld begin 1990 zo naar verlangde.” In “USSR, de fluwelen contrarevolutie” (1991) komt Martens tot de conclusie dat Gorbatsjov de Sovjetunie op de rand van de afgrond heeft gebracht. In “Een andere kijk op Stalin” (1994) tenslotte, vindt hij het nog maar eens nodig het onverdedigbare goed te praten. heksenjacht tegen vonk Ook de voorlopers van LSP zouden hun prijs betalen voor de contrarevolutie in het Oosten. In 1986 waren we erin geslaagd ons ledenaantal meer dan te verdubbelen, van 50 naar 130, en daarna groeiden we door naar 200. Dat betekent dat de meeste leden op het ogenblik van de val van de Muur hoogstens drie jaar activiteit achter de rug hadden. Slecht is dat niet, maar bij velen onvoldoende om stand te houden als het socialisme in de verdrukking komt zoals dat toen het geval was.Heel wat arbeiders, nochtans meestal zonder illusies in het stalinisme, hadden in het Oostblok het bewijs gezien dat een alternatief systeem op het kapitalisme wel degelijk mogelijk was. Die hoop werd de grond ingeboord. Velen haakten af. De leiding van de SP maakte van hun afwezigheid gebruik om alle socialistische ‘ballast’ overboord te gooien. Organisatorisch werd orde op zaken gesteld door de zogenaamde baronieën die op basis van een sterke achterban over een zekere autonomie beschikten, aan de leiband te leggen. Onvermijdelijk zou nu ook komaf gemaakt worden met de marxistische vleugel rond Vonk. De eerste plaats waar orde op zaken gesteld werd, waren de Jongsocialisten. In aanloop naar het congres van 17 februari 1990 werd door het nationaal bureau de afdeling Antwerpen ontbonden en de federatie Brussel niet langer erkend. Persmoties daartegen door de afdelingen Boom en Schoten, solidariteitsverklaringen van het Onafhankelijksheidsfront en LRB Antwerpen en een steunadvertentie in De Morgen waren niet meer dan achterhoedegevechten. De beslissing was genomen en zonder mandaten van Brussel en Antwerpen lag de uitslag van het congres bij voorbaat vast. Op het congres bleken als bij wonder 100 afdelingen te bestaan met in totaal 250 mandaten. Het congres tevoren waren het er nog maar 40 met 130 mandaten. De samenstelling van het congrespraesidium, dat het congres leidt, werd zelfs op het Nationaal Bureau geheim gehouden. Daar zaten immers pottenkijkers van de federaties. Het bestond uitsluitend uit vrienden van de uittredende ploeg. Er waren 17 kandidaten voor 8 posities. Pascal Smet was kandidaat voorzitter van een ploeg van 8. Miguel Chevalier, die later zou overlopen naar de VLD, en Zohra Othman, nu districtsschepen voor de PVDA in Borgerhout, maakten er deel van uit. Eric Byl was kandidaat voorzitter van een ploeg van 7 vonkisten met Erik De Bruyn (later Rood), Jo Coulier (nu hoofddelegee van ACOD-VUB) en Peter Ghijselbrecht (één van de 22 vonkisten van Oostende die wat later uit de partij werden gezet). Smet haalde het met 150 mandaten tegen 60, bij 40 onthoudingen. Dat was eigenlijk onder zijn verwachtingen, maar heel wat ‘gewone’ JS-ers waren gescandaliseerd door het ondemocratische verloop. Het congres werd in opdracht van het SP-bureau professioneel gefilmd en later vertoond op het SP-bureau. De tekst “Revolutionair Socialistische Arbeidersbond; Belgische afdeling van het Committee for a Workers’ International, alias Vonk, een kennismaking” werd aan alle SP-afdelingen gestuurd. Dirk Vander Maelen kreeg de boodschap in Geraardsbergen, waar Eric Byl SP-ondervoorzitter was, orde op zaken te stellen, maar het raakte nooit voorbij het uitvoerend bestuur van die afdeling, dat Eric bleef steunen. In de zomer van dat jaar stapte het Oostends parlementslid Alfons Larridon uit de partij omdat de partijdiscipline hem verbood tegen het lentedecreet van onderwijsminister Coens te stemmen. Op basis van de voorkeurstemmen was de logische opvolger van Larridon de Oostendse Vonkist Yves Miroir. Om dat te vermijden parachuteerde het nationaal bureau van de SP Johan Vande Lanotte, toen kabinetchef van minister Louis Tobback. Vande Lanotte was echter geen lid van de afdeling en dus moest eerst orde op zaken gesteld worden. De volledige SP-afdeling van 900 leden werd ontbonden en 22 Vonkisten werden uit de partij gezet. Willy Claes, die later wegens een fraudezaak ontslag moest nemen als algemeen secretaris van de NAVO, zei op het partijbureau: “Miroir moet niet proberen uit te halen met de nieuwe kandidaat Vande Lanotte, wat hij gedaan heeft met Larridon – het spel van de afdeling Oostende is uit.” desillusie, verwarring en splitsing Het echte probleem waren echter niet de bureaucratische manoeuvers. Die wogen niet op tegen de desillusie en de verwarring die was ingetreden met de contrarevolutie in het Oosten. Zoals we in de eerste hoofdstukken uitlegden, was het de sociale samenstelling van de sociaaldemocratie, haar overgang van een burgerlijke arbeiderspartij naar een zuiver burgerlijke partij die ons parten speelde. Heel links was op dat moment in crisis. De PVDA kende een splitsing en verloor wellicht ook heel wat militanten die de moeite niet namen om er nog een strijd rond op te zetten. De SAP liep terug naar nog 160 leden, de KP was haar laatste parlementaire verkozenen kwijt.Voor Vonk kwam daar nog bij dat haar belangrijkste werkterrein, de Jongsocialisten, een verzamelplaats voor yuppies werd. De klassenstrijd weerspiegelde zich niet langer binnen de SP, die op sociaal vlak werd omgevormd naar een woestijn. Het duurde enige tijd voor de marxistische vleugels georganiseerd in het Committee for a Workers International, die werkten in de sociaaldemocratie, deze ontwikkeling ten volle begrepen. Tegen midden 1990 was het aantal leden van Vonk al teruggelopen tot minder dan 130. Een minderheid van het CWI dacht dat het stalinisme zich zou herstellen. Dat het door het Sovjetleger geïnstalleerde regime in Afghanistan van Mohammed Nadjiboellah stand zou houden en dat de Apartheid in Zuid-Afrika enkel door een revolutie ten einde zou komen. Ze dachten ook dat de verrechtsing van de sociaaldemocratie slechts een tijdelijk verschijnsel was, dat uiteindelijk door een revolte aan de basis ongedaan gemaakt zou worden. De meerderheid van het CWI was integendeel van oordeel dat het stalinisme zoals we dat gekend hadden na WOII definitief ten grave gedragen was. Ze sloot niet uit dat in een aantal landen, zoals Peru, de Filipijnen of Nepal, maoïstische guerrilla’s aan de macht zouden komen, maar dacht dat die het, zoals later bleek in Nepal, snel op een akkoord zouden gooien met de elite. Het Afghaanse regime van Nadjiboellah was zonder steun van de Sovjetunie ten dode opgeschreven en werd in 1992 onder de voet gelopen. Het Westerse imperialisme vond dat Mandela moest vrijgelaten worden voor hij stierf in de gevangenis, hetgeen ongetwijfeld massabewegingen van de zwarte arbeidersklasse geprovoceerd zou hebben. Nu de Sovjetunie van de baan was, zou het ANC niet langer een bedreiging vormen voor het kapitalisme in Zuid-Afrika. Het imperialisme kon met vertrouwen haar steun aan apartheid laten varen. Voor het CWI kwam de nadruk meer en meer te liggen op onafhankelijk werk, buiten de traditionele burgerlijke arbeiderspartijen van de sociaaldemocratie. Toen de Schotse afdeling van het CWI als eerste voorstelde om een onafhankelijke partij te vormen, kreeg dit de steun van de meerderheid van het CWI. Een nieuwe situatie vergt immers nieuwe tactieken. Voor de minderheid kwam dit neer op het verlaten van methodes die 40 jaar lang uitgeprobeerd en uitgetest waren. Ze verliet het CWI om hetgeen later de IMT (International Marxist Tendency) zou worden op te richten. Dat was niet onbelangrijk, want internationaal stond dat toch voor 15% van het CWI en bovendien ging ook grondlegger Ted Grant mee met die stroming. In België namen beide stromingen elk een dertigtal militanten mee, terwijl de overgrote meerderheid er definitief de brui aan gaf. Op het eerste gezicht hadden de Vonkisten meer nog dan de andere linkse partijen klappen gekregen. Achteraf bekeken, was dat vanuit het standpunt van LSP echter een noodzakelijke breuk die ons bevrijdde van het dogmatisch vasthouden aan een achterhaalde analyse en bijhorende tactiek. De 60 overblijvers, ongeacht welke positie ze kozen, waren niet de minste. Ze hadden hun opvattingen tot coherente visies gesmeed in confrontatie en debat met andere stromingen, in het bijzonder door hun jarenlange werking in de Jongsocialisten en de SP. Numeriek moesten ze onderdoen voor de Vonkisten in de jaren 1980 en voor de meeste andere linkse strekkingen. Maar ze wisten wel hoe ze een kader moesten opbouwen, hoe ze bredere lagen konden benaderen en hoe ze iedere kans, tot de kleinste toe, politiek en organisatorisch konden benutten. Zeker de meerderheid, die achteraf LSP zou vormen, was politiek beter voorbereid dan de meeste linkse groepen om in de nieuwe situatie tussen te komen. In zijn boek “Wat het Vlaams Blok Verzwijgt” uit 2000, schrijft Marc Spruyt: “Blokbuster is een kleine organisatie met een grote dadendrang. Ze organiseert tientallen protestacties tegen Blok-bijeenkomsten en groeit op korte tijd uit tot de militantste anti-fascistische organisatie. Extreemrechts kan het bloed van de Blokbusters wel drinken.” Heel wat van de huidige kaders van LSP zijn in die strijd gewonnen en gevormd. Het dynamisme en de wil om een strijdbare marxistische organisatie te bouwen, werkte ook aanstekelijk. In 1995 en 1997 wonnen we telkens Franstalige groepen, waarmee we voor het eerst ook een Franstalige editie van onze krant uitgaven en onze eerste stappen zetten in Brussel en later Wallonië. In Gent en Luik slaagden we er met wijkcampagnes in om een benadering te vinden naar arme lagen die de meesten verloren zouden wanen voor linkse politiek. We begonnen dan ook te experimenteren met verkiezingsdeelnames. Tegen de eeuwwisseling hadden we SAP en KP ingehaald, misschien niet noodzakelijk in ledenaantal, we zijn dan nog maar met een 100-tal, maar zeker in zichtbaarheid en activiteit. In volle anti-globaliseringsbeweging en daarna in de anti-oorlogsbeweging speelde onze strekking, onder meer via de campagne Internationaal Verzet een rol die haar numerieke sterkte ver oversteeg. Op een paar jaar tijd verdriedubbelde het aantal leden. oorlogen in irak en in de balkan Onder de slogan ‘Geen oorlog om olie’ ontstond in 1991 een massale beweging tegen operatie Desert Storm. Dat was een imperialistische interventie in Irak door een internationale coalitie onder leiding van de VS met VN-mandaat. Aanleiding was de inval door Irak op 2 augustus 1990 in Koeweit. Dat is eigenlijk een oliebron die na de imperialistische opdeling van de regio was opgewaardeerd tot onafhankelijke staat. Zo kon het imperialisme haar oliebevoorrading ook na de dekolonisatie garanderen. Het snijdt de regio grotendeels af van haar natuurlijke rijkdommen en is een doorn in het oog van de omliggende volkeren.Saddam Hoessein misbruikte die terechte gevoelens om een interne politieke crisis af te wenden. Hij had immers, toen nog als bondgenoot van de VS, een dure achtjarige oorlog (1980 – ’88) achter de rug tegen het fundamentalistische regime van Iran. Tijdens die oorlog had hij gebruik gemaakt van gifgassen, geleverd door Britse en Amerikaanse bedrijven. Ook tegen de eigen bevolking had hij gifgas ingezet. In het Koerdische dorp Halabja in Noord-Irak lieten 5.000 Koerden, vrouwen en kinderen daarbij het leven. Hij ontsnapte aan een veroordeling omdat de Reagan-administratie in de VS dat tegenhield. Na de achtjarige oorlog had Saddam behoefte aan meer inkomsten. Via beperking van de olieproductie wou hij een hogere prijs afdwingen en zijn inkomsten optrekken. Koeweit, een vazalstaat van het Westen, wou echter van geen productiebeperking weten. Saddam besloot de oliestaat in te lijven en er een Iraakse provincie van te maken. Daarmee ging hij regelrecht in tegen de belangen van het imperialisme. Onder het mom van een humanitaire interventie wou het imperialisme orde op zaken stellen. Volledig terecht verzetten de vredesbewegingen, de PVDA, de voorlopers van LSP en heel radicaal links, zich tegen deze interventie die niets anders was dan een oorlog om olie. We schreven eerder dat de bonapartistische contrarevolutie door Stalin in Rusland bepalend was geweest voor alle latere ontwikkelingen. Dat gold eveneens voor de kapitalistische restauratie in het Oosten. Voortaan bleef nog slechts één supermacht over, de VS. Regimes die uit haar gratie vielen, konden niet langer van kamp te wisselen door het model van stalinistisch Rusland te kopiëren zoals China, Vietnam en andere landen dat vroeger hadden gekund. Zij hadden vervolgens op bescherming door de Sovjetunie kunnen rekenen. Ze konden ook niet meer de supermachten tegen elkaar uitspelen, zoals Nasser van Egypte toen hij in 1956 het Suez-kanaal nationaliseerde. De tussenkomst van de Sovjetunie had toen een interventie van Frankrijk en Groot-Brittannië verhinderd. Voor de voorlopers van LSP betekende het verdwijnen van het Oostblok het einde van een uitzonderlijke situatie waarin sommige elites uit zelfbehoud de economie van bovenaf nationaliseerden. Ze zouden dat voortaan niet meer aandurven. Enkel een democratische coalitie onder leiding van de arbeidersbeweging, gesteund door de boeren en stedelijke armen, zou daartoe nog in staat zijn. Dat is niets anders dan de klassieke definitie van de Permanente Revolutie zoals die door Trotski destijds geformuleerd was. Het vereist een zo groot mogelijke eenheid van de arbeidersbeweging en een revolutionaire partij. Het Saddam regime had echter een geschiedenis van brutale etnische en religieuze onderdrukking achter zich. Het werd gehaat door arbeiders in binnen- en buitenland. Verzet tegen de imperialistische interventie kon bijgevolg geen steun betekenen aan het regime van Saddam. De PVDA nam een andere houding aan. Zij zou voortaan ieder regime steunen dat aan het imperialisme speldenprikken uitdeelde. Haar verzet tegen de interventie sloeg door naar openlijke steun voor het regime van Saddam. De anti-oorlogsbeweging was echter de eerste grote mobilisatie sinds de val van de Muur. Het radicaliseerde een hele laag jongeren. Die hadden niet de ervaring om de nuances tussen de posities van de verschillende linkse strekkingen te waarderen. Ondanks de steun aan Saddam kon de PVDA, de grootste component van de anti-oorlogsgezinde linkerzijde, bijgevolg een pak van die jongeren winnen. Dit verklaart wellicht waarom het zo lang duurde vooraleer de PVDA begreep dat haar positie voor bredere lagen van de arbeidersbeweging problematisch was. De PVDA volhardde in die benadering door haar terechte verzet tegen de NAVO-interventie in Servië te laten doorslaan naar openlijke steun aan het regime van Milosevic. Die had in 1989 aan de basis gelegen van het opheffen van de autonomie van Kosovo binnen de Joegoslavische deelrepubliek Servië. Een autonomie die de Kosovaren in 1974, nog onder Tito, hadden verkregen. Het was het startsein voor het uiteenvallen van de ‘Socialistische Federale Republiek Joegoslavië’ in het begin van de jaren 1990. Slovenië, Kroatië en Macedonië riepen in 1991 hun onafhankelijkheid uit. In 1992 volgde Bosnië. Dat ging gepaard met een reeks oorlogen in Slovenië (1991), Kroatië (1991 – 1995) en Bosnië-Hercegovina (1991-1995). Na hun onafhankelijkheid werd in 1992 de Federale Republiek Joegoslavië uitgeroepen. Alle referenties naar socialisme verdwenen. De federale republiek bestond enkel nog uit Servië en Montenegro, dat in 2006 trouwens eveneens haar onafhankelijkheid zou uitroepen. Als gevolg van het ongenoegen over de systematische achterstelling van de Albanese meerderheid in Kosovo, riepen de leden van het voormalige parlement van de autonome staat onder de Socialistische Federatieve Republiek Joegoslavië, in 1992 in het geheim de Republiek Kosovo uit. Ibrahim Rugova werd verkozen tot president. Er werden parallelle clandestiene structuren opgezet, inclusief onderwijsinstellingen en gezondheidszorg voor etnische Albanezen. Rugova wou via onderhandelingen geleidelijk de positie van de Albanezen verbeteren en stond, althans in woorden, voor onafhankelijkheid ergens in de toekomst. De echte macht bleef echter in handen van de Servische regering. Vanaf 1996 begon het Kosovaars Bevrijdingsleger (UCK), met een vaag maoïstisch verleden en zoals achteraf zou blijken banden met verschillende westerse geheime diensten, een reeks aanslagen. Ze viseerden de politie, Joegoslavische militairen, etnische Serviërs en etnische Albanezen die ze van collaboratie beschuldigen. In de zomer van 1998 zetten Servische troepen met steun van etnisch Servische milities een tegenoffensief in. Daarbij werd buitensporig geweld gebruikt tegen Kosovaarse dorpen die ervan verdacht werden leden van het UCK te herbergen. Er waren tekenen van etnische zuivering. De NAVO greep dat aan, naar eigen zeggen om de burgerbevolking te beschermen, om van maart tot juni 1999 luchtaanvallen uit te voeren tegen Joegoslavië. Het was correct om zich te verzetten tegen de NAVO-bombardementen. Die hadden niets te maken met de wil van de Albanese Kosovaren om zich te bevrijden van nationale onderdrukking. De PVDA verbond daar echter steun aan voor Milosevic, de politieke vertegenwoordiger van een deel van de Servische nationale burgerij. Die had net aangetoond tot welke rampzalige gevolgen het beleid van de Servische nationale burgerij leidde. Haar falen was door het Westers imperialisme aangegrepen als excuus voor de bombardementen. Noch van het imperialisme, noch van de Servische nationale burgerij kon men een politiek verwachten in het belang van de meerderheid van de bevolking, dat vereiste de heropbouw van de arbeidersbeweging. Het programma van een echt socialistische, dus revolutionaire, partij moet steeds streven naar een zo groot mogelijke eenheid van de onderdrukte massa’s. Het mag zich daarvoor niet baseren op abstracte formules in een ideale denkbeeldige wereld. Het moet rekening houden met de concrete situatie op het terrein die het gevolg is van historische ontwikkelingen en van de krachtsverhoudingen tussen de heersende elite en de arbeiders, armen en boeren. De bolsjewieken ageerden op een terrein dat eeuwenlang gekenmerkt werd door Groot-Russisch chauvinisme en nationale onderdrukking. Volledige éénmaking van arbeiders en boeren achter een socialistisch programma, zou pas mogelijk zou zijn als de bolsjewieken ieder vermoeden van Groot-Russisch chauvinisme van zich konden afschudden. Vandaar het belang dat Lenin eraan hechtte om aan de minderheden het recht op zelfbeschikking te garanderen, inclusief het recht op afscheiding indien zij dat wensten. In Kosovo woedde een burgeroorlog. Een socialistisch programma dat de wens negeerde van de etnisch Albanese bevolking om onder de Servische nationale onderdrukking onderuit te komen, zou er geen schijn van kans maken. Het zou bovendien rekening moeten houden met de belangrijke etnisch Servische minderheid in Kosovo en moest ook een antwoord bieden op de desastreuze politiek van de nationale burgerij in Servië. Enkel een programma dat al die gevoeligheden incalculeerde, zou een kans maken om de eenheid van de onderdrukte massa’s te herstellen. Vandaar dat de voorlopers van LSP opkwamen voor een onafhankelijk Socialistisch Kosovo met volle democratische rechten voor alle minderheden, inclusief de Servische, naast een Socialistisch Servië dat eveneens volle democratische rechten moest verlenen aan alle minderheden. Dat is een programma voor eenheid, voor heropbouw van de arbeidersbeweging, geen blauwdruk voor de toekomst. Als de Kosovaarse en de Servische onderdrukte massa’s op basis van hun gezamenlijke strijd achteraf zouden opteren voor een vrijwillige confederatie of federatie van socialistische staten, of zelfs voor één socialistische staat, dan zou onze strekking daar niet de minste problemen mee hebben. Maar dat vooraf opleggen als een voorwaarde voor strijd zou op dat moment de eenmaking van de arbeidersbeweging verhinderd hebben. en in libië en syrië De PVDA herhaalde die benadering opnieuw toen de VS met haar ‘coalitie van welwilligen’ vanaf 20 maart 2003 Irak binnentrok, het regime van Saddam Hoessein omvergooide en Saddam uiteindelijk liet terecht stellen. Pas na het vernieuwingscongres van 2008 zal de PVDA meer voorzichtigheid aan de dag beginnen te leggen.LSP is het oneens met de PVDA over de analyse van de gebeurtenissen in Libië in 2011. Wij zijn van oordeel dat de opstanden in Benghazi en Tripoli aanvankelijk geen reactionaire opstanden waren, maar deel uitmaakten van wat men de Arabische Lente is gaan noemen. We hebben allemaal de beelden gezien van de jongeren die de revolutie begonnen. Ze stelden expliciet: “dit is onze revolutie, we willen geen interventie van het imperialisme.” Naast de afwezigheid van een revolutionaire partij, was het door de brutaliteit van het regime van Khaddafi en de schrik voor zijn tanks die naar de stad oprukten, dat reactionaire krachten de beweging in Benghazi konden kapen. Voor Khaddafi was dit het perfecte excuus. Hij viel nu geen revolutie meer aan, maar reactionairen. Voor de NAVO opende het de weg voor bombardementen en het zorgde ervoor dat het Westerse imperialisme opnieuw haar rol in de regio kon opeisen. De positie van de PVDA over die ontwikkeling blijft dubbelzinnig. Maar in een artikel op de PVDA website van 28 maart 2011, ‘Tien argumenten tegen de “humanitaire” interventie in Libië’, doet Bert De Belder iets ongewoons voor de PVDA. “Het geweld van Khaddafi is verschrikkelijk”, geeft hij toe. En verder: “Maar een interventie die een nog groter bloedbad aanricht, is evenmin te verantwoorden.” Tot daar was de LSP het eens met de PVDA. De PVDA koppelde daar echter geen voorstellen aan om de revolutionaire jongeren, de arbeiders en de armen te reorganiseren, verdedigingscomités op te zetten, een solidariteitsoproep te lanceren naar de troepen van Khaddafi en naar de massa’s in Tripoli, die aanvankelijk toch ook massaal op straat waren gekomen. De PVDA beperkte zich integendeel tot een pleidooi voor een “politieke oplossing”. Maar wat betekent dat? Een akkoord tussen twee reactionaire kampen over de hoofden van de massa’s heen? De praktijk heeft aangetoond dat dit nog veel onrealistischer was. Ook over de ontwikkelingen in Syrië zijn we het oneens met de PVDA. LSP verzet zich tegen de imperialistische interventies en hun bondgenoten en is voor de terugtrekking van alle buitenlandse troepen. Voor de opbouw van verenigde, niet-sektaire verdedigingscomités ter verdediging van de werkenden, armen en anderen tegen de sektarische aanvallen. Voor nationale, democratische en gelijke religieuze rechten voor alle etnische groepen. Voor vrije en democratische verkiezingen voor een revolutionaire grondwetgevende vergadering en voor een vrije socialistische confederatie van het Midden-Oosten en Noord-Afrika. In een situatie die intussen ontaard is in burgeroorlog, kan dat allemaal veraf en onbereikbaar lijken. Een moeilijke en uitzichtloze situatie ontslaat socialisten echter niet van hun taak om elementen van een uitweg voor de arbeidersbeweging aan te reiken en te verdedigen. De klassenstrijd op ‘pauze’ zetten, betekent feitelijk het initiatief in handen leggen van de reactionaire krachten. Het is correct om zich te verzetten tegen een imperialistische interventie, maar het alternatief op een interventie kan onmogelijk “een politieke oplossing” zijn, zoals de PVDA voorstelt. We zouden dan moeten rekenen op diegenen die de burgeroorlog juist begonnen zijn, het regime van Assad en de door het imperialisme, Saoedi-Arabië en Qatar bewapende rebellen. Geen enkel gewapend conflict, waar ook te wereld, is ooit op die manier geëindigd. De enige mogelijke “politieke oplossing” waarbij een wapenbestand onder die krachten tot stand kan komen, is doordat ofwel één van de kampen zodanig verzwakt is dat het niet anders kan dan toegeven ofwel allebei de kampen totaal uitgeput zijn. We kunnen helaas niet uitsluiten dat dit scenario de Syrische bevolking wacht. Zelfs dan zal een bestand ruimte creëren voor de arbeidersbeweging om zich geleidelijk te herstellen. Maar we stellen toch niet voor om daarop te wachten zonder onafhankelijk initiatief van de arbeidersbeweging om het einde van het conflict te bespoedigen? Voor alle duidelijkheid, LSP is het ook oneens met Besançenot van het Franse LCR, de zusterorganisatie van SAP. Die slaagt erin om in eenzelfde persmededeling (10 september 2013) te zeggen dat hij geen enkel vertrouwen heeft in de Franse overheid, zeker niet in die regio, en tegelijk aan die overheid te vragen om “royaal wapens te leveren aan de Syrische revolutionairen”, waarmee hij een deel van de rebellen bedoelt dat onafhankelijk van de jihadisten zou opereren. Aan wie precies die wapens geleverd zouden moeten worden, hoe en aan welke voorwaarden? Daarover vernemen we niets. Als Besançenot en de LCR in Syrië een aantal authentieke revolutionairen hebben ontmoet, welk advies geeft hij hen dan? Om verdedigingscomités op te zetten, gebruik te maken van de methodes van massastrijd, een hoofdzakelijk politieke strijd te voeren gericht op het creëren van eenheid onder alle onderdrukten om zo de jihadistische rebellen te isoleren en de troepen van Assad over te winnen? Of raadt hij hen aan om zich mee in de strijd te gooien, daarvoor wapens te vragen aan het Franse imperialisme, de jihadistische rebellen op hun eigen terrein te overtreffen en de troepen van Assad op hun kop te geven? De collega’s van de strekking van Besançenot in Zweden trekken zijn logica door en spreken zich uit voor een militaire interventie door het Westen. De PVDA tracht rekening te houden met het feit dat weinigen bereid zijn tot openlijke steun aan Assad. Zo schrijft Marc Botenga iets dat we niet gewoon zijn van de PvdA. In een artikel van 9 september 2013, ‘Waarom gedreigd wordt met een militaire interventie in Syrië’ op de website van de PVDA, klinkt dat zo: “Het in maart 2011 gestichte Nationale Coördinatiecomité voor Democratische Verandering steunde vreedzame manifestaties en dialoog, maar de harde repressie van Assad tegen vreedzame betogers zette een deel van de betogers aan de wapens op te nemen.” Voorts publiceert ze op haar website een vertaling van een artikel uit de Engelse krant The Morning Star ‘Syrië : De oorsprong van het conflict, van progressief front naar burgeroorlog.’ (11 september 2012) Toch neigt de positie van de PVDA naar een gematigd pro-Assad standpunt. Op een actie van het aan de PVDA gelieerde Intal tegen een mogelijke VS-interventie op 8 september 2013, bleef de PVDA opvallend afzijdig toen openlijke pro-Assad betogers enkele Iraanse betogers die zich uitspraken zowel tegen Assad als tegen een interventie, fysiek verwijderden. In het conflict met het westen beschouwt de PVDA de strijd van Assad-getrouwen als een strijd voor soevereiniteit. Ze vraagt zich af hoeveel nutteloze doden nog moeten vallen vooraleer men bereid is te praten met Assad. (3 september 2013). Samen met 62 andere communistische partijen onderschrijft ze een oproep tegen imperialistische interventie. Daaronder ook de twee Syrische Communistische partijen die deel uitmaken van het Nationaal Progressief Front rond Assad. Die stellen als voorwaarde voor een oplossing dat “de rebellen eerst hun terroristische activiteiten moeten stopzetten” (14.07.2013 communiqué van het centraal comité van de Syrische Communistische Partij) en roepen op voor een Internationaal Front met Iran en Hezbollah tegen het imperialisme. (13.08.2013 ‘entretien avec Ammar Bagdash, sécretaire du Parti Communiste Syrien’). one-issue bewegingen We wezen er al op dat socialisme als globaal alternatief op het kapitalisme met de val van de Muur haar aantrekkingskracht bij bredere lagen verloor. Maar dat betekende niet dat er rond specifieke thema’s geen bredere steun kon zijn voor linkse ideeën. De voorlopers van LSP waren zich hiervan bewust. De eerste anti-oorlogsbetoging in Brussel was hun initiatief. Het was op 1 december 1990, ruim anderhalve maand voor het begin van Desert Storm, met 150 betogers. Het was nog te vroeg om veel volk op straat te brengen. We beschouwden het eerder als voorbereiding op een grotere beweging zodra de interventie zou beginnen. Maar toen die startte, moesten we buigen voor organisaties die veel meer middelen en militanten konden inzetten, in het bijzonder de PVDA met haar campagne ‘geen oorlog om olie’.Lang moesten we niet wachten op een tweede kans. Al sedert 1988 was het Vlaams Belang, eerst in Antwerpen, bezig aan een electorale doorbraak. We hadden toen ‘JS-brigaders tegen racisme’ opgezet en geen onaardig resultaat geboekt. We hadden echter ook ondervonden dat de band met de SP en de Jongsocialisten geen hulp was, maar een rem, zeker om geradicaliseerde jongeren te bereiken. Al in het voorjaar van 1991 bediscussieerden we daarom het opzetten van een bredere anti-fascisme en anti-racisme beweging. Uiteindelijk kwamen we naar analogie met de blockbuster-film ‘Ghostbusters’ op de idee van Blokbuster. We hebben toen heel links benaderd om dat samen met ons op te bouwen, maar die weigerden. Ze dachten dat het om een manoeuver van Vonk ging. Die zomer stonden we aan alle zomerfestivals met stickers om de campagne te lanceren. Eind augustus, op ons zomerkamp ontwikkelden we een lidkaart met een tienpuntenprogramma. Het moest het verband met de arbeidersbeweging illustreren en riep op voor een maatschappij waar geproduceerd wordt voor de behoeften van allen en niet voor de winsten van een handvol kapitalisten. We organiseerden honderden kleine acties. Het verbranden van een pop, het overplakken van een verkiezingsbord, tientallen mini-betogingkjes in de meest veraf gelegen uithoeken, protesten aan talloze Vlaams Blok meetings, concerten etc. Tegen dat het Vlaams Blok op zwarte zondag, 24 november 1991, haar electorale doorbraak realiseerde, stonden al honderden jongeren met Blokbuster in de startblokken. Na zwarte zondag organiseerde de PVDA haar campagne Objectief, waarbij evenveel handtekeningen werden opgehaald als het Vlaams Blok en Franstalig extreemrechts stemmen behaalde. Het richtte zich echter naar een ander publiek, vooral bekende personaliteiten, dan de geradicaliseerde jongeren van Blokbuster die in de eerste plaats door het element van directe actie waren aangetrokken. Heel wat van de huidige kaders van LSP leerden ons via deze weg kennen. De 24ste oktober 1992 lag Blokbuster aan de basis van een internationale betoging van 40.000 antifascisten in Brussel. De betoging werd vooraf gegaan door een openluchtconcert op de Zuidmarkt en gevolgd door een meeting met concert in Vorst Nationaal. Het jaar daarop organiseerde Blokbuster samen met ABVV-jongeren, AFF en Jongsocialisten een Jongerenmars voor Werk met 7.500 deelnemers. Datzelfde jaar volgde de algemene staking tegen het Globaal Plan. Ook de PVDA wist hoe ze kansen kon benutten en deed dat in het Franstalig onderwijs. Daar werd in 1995-1996 een drastisch saneringsplan doorgevoerd door Lebrun en Onkelinx. Zowel scholieren als studenten en leraars gingen in actie. Er werden actiecomités gevormd en herfinanciering werd de centrale eis. Onze strekking was in die periode helaas nog afwezig langs Franstalige kant. Pas een paar jaar later zouden we een van de toenmalige leiders onder de Brusselse scholieren winnen. Het is van hem dat we weten dat de PVDA daar een hele generatie nieuwe kaders heeft kunnen vormen. Sommige van hen zijn vandaag deel van nationale en provinciale leidingen van de PVDA, andere zijn intussen verkozen als gemeenteraadslid. In het najaar van 2001 was België voorzitter van de Europese Unie. Dat betekent een hele reeks Eurotoppen in ons land. De voorlopers van LSP waren niet van plan dat zomaar te laten passeren. Voor de jongeren was Internationaal Verzet al een paar maanden eerder gelanceerd. We dachten ook dat dit het moment was om van naam te veranderen. In juni 2001 werd Militant Links de Linkse Socialistische Partij en Militant de Mouvement pour une Alternative Socialiste, later (2008) zou dat Parti Socialiste de Lutte worden. In september verhuisde het nationaal secretariaat van Gent naar Brussel, een noodzakelijke stap om van LSP een nationale partij te maken. Op 19 oktober organiseerde Internationaal Verzet in Gent een anti-kapitalistische jongerenmars met 2.500 aanwezigen. Wat echter een hoogtepunt had moeten worden, de 14de december in Brussel, werd een afknapper omdat daags tevoren de VS de overwinning in Afghanistan uitriepen. Pas later werd duidelijk hoe voorbarig dat was. Op Dag X, 20 maart 2003, de dag dat de coalitie van welwilligen Irak binnenviel, ontstond wereldwijd een golf van protest. LSP en anderen hadden dat maandenlang voorbereid. Die dag werd zowel gedurende de werkuren als ’s avons betoogd. Scholieren en studenten waren met 5.000 in Gent, telkens 3.000 in Antwerpen, Brussel, Luik en Leuven, 1.500 in Oostende, 1.000 in Kortrijk, 400 in Mechelen, 300 in Aalst, 250 in St. Niklaas etc. Dat werd gevolgd door 10.000 betogers ’s avonds in Brussel, 10.000 in Gent, 2.000 in Antwerpen, 2.000 in Leuven en 700 in Oostende. Vooral in de scholieren- en studentenbetogingen speelde Internationaal Verzet een sleutelrol. Zowel LSP als PVDA moesten in die periode improviseren om hun krachten te behouden en uit te bouwen. Daar is niets mis mee, zolang het maar op een principiële basis gebeurt. De brutale aanslagen op Amerikaanse bodem op 11 september 2001 door Al Qaeda leiden tot een oorlogscampagne door de VS en een aantal Westerse bondgenoten. Nog datzelfde jaar werd het Taliban-regime in Afghanistan aangevallen en van de macht verdreven. In 2003 werd ook Irak binnengevallen, officieel omwille van haar betrokkenheid bij de aanslagen en door de aanwezigheid van massavernietigingswapens. Beide argumenten bleken achteraf verzonnen. De campagne ging gepaard met islamofobie in heel de Westerse wereld. Als reactie op de discriminatie van Arabische migranten werd in 2000 de Arabisch-Europese Liga (AEL) opgericht, geleid door Dyab Abou Jahjah, die van Libanese afkomst was. Abou Jahjah stelde stoutmoedig, gedreven en bedreven een reeks terechte discriminaties aan de kaak. Hij vertoonde een aantal gelijkenissen met de legendarische Amerikaanse zwarte leider Malcolm X. Die evolueerde van kleine crimineel naar woordvoerder van de Nation of Islam - die opkwam voor een onafhankelijke staat voor zwarten binnen de VS - over Panafrikanisme naar socialisme, vlak voor hij vermoord werd in februari 1965. Dyab nam zowel inhoudelijk als qua stijl een gelijkaardig profiel aan. Wat een verschil met de excuusmigranten in de traditionele partijen. In de migrantengemeenschap was het enthousiasme evenredig met de afkeer van het Belgische establishment. Dyab voelde perfect aan wat leefde bij de migrantenbevolking, maar hij combineerde dat met een totaal onbegrip over de gevoelens van de autochtone bevolking. In plaats van een brug naar hen te slaan, verweet hij de Vlaamse bevolking racisme, want ze stemde toch maar voor het Vlaams Blok. Hij verweet de Vlaamse arbeiders, niet volledig ten onrechte, toe te zien op de discriminatie van migranten zonder een vinger op te tillen. Hij scheerde alle Vlamingen over dezelfde kam en vertoonde geen begrip voor het feit dat ook veel arbeiders misleid waren door de islamofobe campagnes van het establishment. Alcohol op politieke meetings met de AEL, ook al was het met Belgische partners, was verboden “uit respect voor de Islam”. Seksisme hadden “jullie westerse vrouwen zelf uitgelokt.” Er moesten aparte Islamitische scholen, verzorgingshuizen en bureaus voor hulpverlening worden opgericht. Volgens LSP werkte dat alles als een rode lap op een stier onder de autochtone bevolking. De PVDA zag dat anders. Die wilde het succes van Abou Jahjah electoraal verzilveren en diende voor de federale verkiezingen van 2003 gemeenschappelijke lijsten in met de AEL onder de naam Resist. Het werd een drama. Voor de Senaat verloor de PVDA een derde van haar stemmen, van 24.150 voor de PVDA in 1999 naar 17.604 voor Resist in 2003. Het verlies manifesteerde zich vooral bij de PVDA, zo behaalde de Kamerlijst in Antwerpen, getrokken door Abou Jahjah, 10.059 stemmen tegenover 8.958 voor de PVDA in 1999. Daar was er dus geen achteruitgang, maar vooruitgang. Datzelfde jaar nam ook LSP voor het eerst in haar geschiedenis onder eigen naam deel aan de senaatsverkiezingen. We behaalden 8.337 stemmen, dat was bijna half zoveel als de veel grotere PVDA met de lijst Resist, terwijl we nochtans over veel minder middelen beschikten. Tijdens de Europese verkiezingen het jaar daarop (2004) kon de PVDA, die intussen de samenwerking met AEL had opgeblazen, zich met 24.807 stemmen gedeeltelijk herstellen. LSP behaalde voor diezelfde verkiezingen echter 14.166 stemmen, de Franstalige lijst van de PVDA behaalde 19.645 stemmen tegenover 5.675 voor de Mouvement pour une Alternative Socialiste (MAS), de voorloper van PSL, in haar eerste deelname ooit. Dat was nog steeds een behoorlijk verschil, maar er was duidelijk een inhaalbeweging ingezet. Waaraan was dat te wijten? Volgens een Masterproef uit 2009-2010 aan de KUL (Politiek zonder parlement, de organisatie en strategie van klein-linkse buitenparlementaire partijen in België: LSP/PSL en PVDA+/PTB+) claimde de PVDA in 2002 1.354 leden en in 2004 2.038. LSP/PSL had volgens diezelfde bron in 2002 iets meer dan 100 en in 2004 200 leden, dat is tien keer minder. GvhV had ook toen al 11 groepspraktijken. Aan het apparaat en de middelen kon het bijgevolg niet gelegen zijn. Was het de objectieve situatie? Zoals heel de linkerzijde had ook PVDA een electorale opdoffer gekregen onmiddellijk na de val van de Muur. Sedert het einde van de jaren 1970 haalden de PVDA en haar voorloper omtrent de 45.000 stemmen. De KP zakte in die periode van 180.000 stemmen in 1978 naar 50.000 in 1987 en kwam daarna op met eenheidslijsten. De SAP en haar voorlopers schommelden rond de 15.000 met een uitschieter van 32.000 in 1987. Daarna namen ook zij deel aan eenheidslijsten met de KP die samen ongeveer 50.000 stemmen behaalden. In 1989, ten tijde van de contrarevolutie in het Oosten, bereikte de PvdA een electoraal dieptepunt met 30.000 stemmen (alle cijfers tot hier zijn Vlaanderen, Wallonië en Brussel opgeteld). Een eenheidslijst met SAP en KP haalde toen in Vlaanderen 26.000 stemmen en de SAP in Wallonië op haar eentje 10.117. Tegen 1994 had de PVDA zich echter hersteld. In de Europese verkiezingen haalt ze in heel België bijna 60.000 stemmen. Met Resist kelderde het verkiezingsresultaat zelfs onder het dieptepunt van 1989. Het kon niet anders of dat had te maken met de standpunten en de politieke keuzes van de partij. In een interview met Le Vif van 13 december 2012 zegt Raoul Hedebouw daarover: “Dat jaar (2003) zijn we de helft van onze stemmen verloren. Die nederlaag was een echte schok. We zegden: er is iets dat niet klopt. We militeren meer dan 20 jaar en zelfs in de industriële bastions blijven we steken op 1 of 2%. Dat heeft voor stevige interne debatten gezorgd. Er zijn er die zegden: we hebben genoeg van de maximalistische eisen, van de provocatieve benadering, van het onvermogen om met de vakbonden en de andere linkse partijen samen te werken! Dat heeft uiteindelijk het vertrek van 3 van de 8 leden van het nationaal bureau veroorzaakt. Dat is niet niets!” Resist mocht dan wel de directe aanleiding zijn, uit dit citaat blijkt dat het om veel meer ging dan Resist. Het ging ook over het programma, over het feit dat de leden ‘genoeg hadden van de maximalistische eisen’. Over de benadering die provocerend bevonden werd. Over de politiek naar de vakbonden toe en naar andere linkse partijen. In de woorden van Peter Mertens: “we hebben het dogmatisme en extremisme definitief afgezworen”. “De jeugd heeft geen boodschap meer aan Mao en Stalin,” citeert De Morgen op 23 februari 2008 Kris Merckx. Over de relatie met de vakbonden zegt Mertens in Knack op 11 februari 2009: “Wij hebben lang op ramkoers gelegen met de vakbondsleiders, maar dat is ondertussen bijgestuurd. Wij verweten hen dat zij deel uitmaken van het establishment. Dat was verkeerd.” Het was ook hoogdringend dat de PVDA een en ander bijstuurde. De inhaaloperatie van LSP was nog niets vergeleken bij het gevaar dat een andere linkse partij met een breder appel de PVDA het gras van voor de voeten zou maaien. De PVDA zal dat nu wel bagatelliseren. Toch heeft ook zij ongetwijfeld het enthousiasme opgemerkt in de zomer van 2006. In de nasleep van de strijd tegen het Generatiepact en de breuk die dat teweeg bracht tussen SPa en de achterban van de vakbonden, nam voormalig SP volksvertegenwoordiger Jef Sleeckx toen een initiatief dat in de pers werd voorgesteld als de creatie van een nieuwe arbeiderspartij, nog in het najaar. De reacties waren nauwelijks bij te houden. De verwachtingen waren navenant. Bovendien sloten ook voormalig SP Europarlementslid Lode Van Outrive en oud ABVV-Algemeen Secretaris George Debunne zich aan. Sleeckx ging aanvankelijk voor een brede partij, waarin iedereen die de strijd tegen het neoliberalisme wou aangaan, welkom was en zijn eigen identiteit kon bewaren. De partij (later CAP) moest nationaal en anti-racistisch zijn. Maar dat was voor Sleeckx vastliep op het eindeloze gemanoeuvreer van een inderhaast door SAP en de groep rond Nadine Rosa-Rosso (de oud-algemeen secretaris van de PVDA die naar aanleiding van Resist die partij had verlaten) bijeen gesprokkelde Franstalige tegenhanger. Uiteindelijk zou Jef Sleeckx er op het moment dat het er echt op aan kwam de brui aan geven en niet eens opkomen bij de verkiezingen. CAP kwam nog zonder Sleeckx op, maar zat dan eigenlijk al op een dood spoor en behaalde minder stemmen dat LSP er behaald had in haar eerste verkiezingsdeelname. maximalistisch programma Waren de eisen van de PVDA destijds maximalistisch en haar benadering provocatief? De buitenlandpolitiek was in ieder geval fel overtrokken. Enige zin voor nuance was totaal afwezig. Een onderscheid maken tussen de progressieve aspecten van een regime, zoals de genationaliseerde en geplande economieën in het Oosten en de reactionaire aspecten ervan, de totale afwezigheid van arbeidersdemocratie, was tot voor het aantreden van Gorbatsjov niet haar ding. De PVDA zwalpte van totale verwerping naar geheel kritiekloze steun. Dat werd ook na de val van het stalinisme aangehouden. De kritiekloze steun aan Noord-Korea, aan Saddam Hoessein, aan Milosevec waren even zoveel provocaties.Was het ook maximalistisch? Dat hangt ervan af hoe je het bekijkt. De PVDA ging er gemakshalve van uit dat de vijand van haar vijand, automatisch een vriend moest zijn. Vanuit het standpunt van de klassenstrijd is dat niet maximalistisch, maar opportunistisch. Maar was het ook gemakkelijk om deze standpunten aan te houden? De unilaterale verdediging opnemen van Kim Il Sung, van Ceaucescu, van Stalin en zoveel andere dictatoriale creaturen, moet niet gemakkelijk geweest zijn. Als het dat is wat bedoeld wordt met maximalistisch, dan kunnen we dat begrijpen. Inzake binnenlandpolitiek verdedigde de PVDA destijds een reeks eisen die LSP ook vandaag nog verdedigt. De instelling van een nationale publieke gezondheidsdienst, een 32-urenweek zonder loonverlies als antwoord op de massale werkloosheid, de nationalisatie van de gehele farmaceutische sector, van de energiesector en van het financiewezen etc. Het vergde al een zekere politieke kennis om op te merken dat LSP daar in tegenstelling tot de PVDA steeds arbeiderscontrole aan verbond. Het vergde nog veel meer kennis om in te zien dat ondanks de formele gelijkenissen het socialistisch model van de PVDA dat was van een stalinistische eenpartijstaat en socialisme in één land, terwijl dat van LSP democratische arbeiderscontrole vereiste, dus ook meerdere partijen zou toestaan en slechts geconsolideerd kon worden op de internationale arena. Maar het belangrijkste verschil was nog de manier waarop die eisen werden aangebracht. LSP is steeds vertrokken vanuit de concrete condities, de strijd zoals die zich ter plaatse op dat moment ontwikkelde. Maar we hielden het daar niet bij. We zochten steeds een weg om die te verbreden, te veralgemenen. Dat is wat we verstaan onder een overgangsbenadering, overgangseisen die de strijd van vandaag koppelen aan wat objectief noodzakelijk is voor de arbeidersbeweging, ongeacht of de burgerij bereid is of zelfs in staat is daarop toe te geven. De onwil of het onvermogen van de burgerij om tegemoet te komen aan de objectieve noden van de beweging, grepen we aan om de noodzaak van de socialistische omvorming van de maatschappij aan te tonen. Kortom, via een overgangsbenadering en overgangseisen verbonden we de onmiddellijke eisen van vandaag met de nood aan een socialisme, niet in een verre toekomst, maar als noodzakelijk onderdeel van de dagelijkse strijd. De PVDA had en heeft nog steeds een andere benadering. Voor haar is het ofwel een minimumprogramma en is alles wat daaraan gekoppeld wordt ballast die de aandacht afleidt van de cruciale inzet, ofwel een maximumprogramma, en dan is alles wat daar onder gaat verraad. Dat verklaart haar oproep in de jaren 1970 om de vakbonden te verlaten en er nieuwe, revolutionaire op te zetten. Het verklaart ook waarom de eisen van de PVDA door haar leden en sympathisanten op den duur als maximalistisch werden beschouwd. En voorts waarom de PVDA vandaag, na een bocht van 180 graden, aan elke sluiting of herstructurering een nieuwe wet tegen afdankingen wil koppelen, of die nu de wet-Imbev, de wet-Ford of de wet-Caterpillar noemt. Die bocht werd beklonken op het vernieuwingscongres van 2008. Maar al in 1999 had het Centraal Comité van de PVDA een resolutie opgesteld om de tactiek en de werkstijl drastisch te veranderen. Op basis daarvan werden in 2000 in Zelzate, Herstal en Hoboken de partijwerkingen uitgebouwd. Ze behaalde er, alles samen, vijf gemeenteraadsleden. Wij denken dat het geen toeval is, dat dit afdelingen zijn waar GvhV één van de steunpilaren is van de partij. In de socialistische beweging is er altijd een trend geweest om de politieke strijd aan te vullen met sociale hulp. Doorheen de geschiedenis werden arbeiderscoöperatieven opgezet om het leed van arbeiders te verzachten en tegelijk, via deze dienstverlening, nieuwe militanten te winnen voor de politieke strijd. Marxisten hebben geen probleem met arbeiderscoöperatieven. “Wanneer de arbeiders ernaar streven voorwaarden te scheppen voor collectieve productie op universeel-maatschappelijk niveau en allereerst op nationaal niveau, betekent dit slechts dat zij strijden voor een omwenteling binnen de productievoorwaarden van het nu en heeft het niets gemeen met de instelling van coöperatieve genootschappen met hulp van de staat.” Aldus de positieve benadering van Marx daarover (in Kritiek op het programma van Gotha – 1875). Maar er volgt ook een waarschuwing: “Wat nu de huidige coöperatieve genootschappen betreft, zijn deze slechts van waarde voor zover ze onafhankelijk door de arbeiders zelf zijn opgericht en geen bescherming genieten van regering of bourgeoisie.” Er is geen enkel probleem met arbeiderscoöperatieven, zolang ze de politieke strijd maar versterken. Er is wel een gigantisch probleem mee als ze dienen ter vervanging ervan. Marx, hierin trouwens bijgetreden door Bakoenin, is vernietigend voor Proudhon omdat die de illusie verkondigt om via de creatie van coöperatieven het kapitalisme geleidelijk onderuit te halen. (Marx in ‘De armoede van de filosofie’ - 1847). Voor de Gentse socialist Anseele was elk brood dat arbeidersvrouwen kochten bij de coöperatieve “een steen voor het socialisme”. Het gevaar aan coöperatieven, en dat is toch waarin we GvhV kunnen plaatsen, is dat de dienstverlening na verloop van tijd belangrijker wordt dan de politieke strijd, dat het onmiddellijke stilaan het programma van socialistische omvorming in de schaduw stelt. coalities Om aan te tonen hoe drastisch de verandering die de PvdA in 1999 wou aanvatten wel was, laten we even het woord aan Frans Van Acoleyen, geneesheer bij GvhV in Zelzate en sinds 1982 gemeenteraadslid voor de PvdA. In een interview met Arnaut Gyssels dat zowel op de PvdA-website als op die van GvhV werd gepubliceerd, werpt Arnaut hem de stelling voor de voeten “Er doet een urban legend de ronde dat in 2000 Guy Verhofstadt zelf gebeld heeft om u uit het schepencollege te houden”. Zijn antwoord: “Dat is geen urban legend, dat is effectief zo gebeurd. In Zelzate was het bestuur altijd een afspiegeling van het bestuur in Gent. De coalitie werd zelfs door de Gentse tenoren gesmeed. In 2000 zou normaal weer een paarse coalitie, SP-A – VLD aan de macht komen.”En dan komt het: “Ik kreeg echter de dinsdag na de verkiezingen telefoon van de lijsttrekker van een lokale partij Zelzate Oost-West, een afscheuring van de SP-A. ‘Wij zitten hier samen met de VLD en de CD&V en met jullie erbij kunnen we de coalitie breken.’ Ik mocht bijna integraal ons programma op het regeerakkoord [bedoeld wordt: bestuursakkoord] zetten, op een blad dat ze zelfs allemaal ondertekend hebben! Tot de voorzitster van de VLD plots telefoon kreeg. De vrouw sprong bijna in de houding en zei ‘Ja, mijnheer de Eerste Minister, neen, mijnheer de Eerste Minister.’ Het was een zeer bizarre ervaring. Ik zei toen tegen de lijsttrekker van die lokale partij: ‘Norbert, jong, dat is hier gewoon een spelletje om de prijs van de VLD ten opzichte van de SP-A op te drijven.’ En ik ben naar huis gegaan.” Of Van Acoleyen en Goemare, toen de twee gemeenteraadsleden voor de PVDA in Zelzate, echt in die coalitie gestapt zouden zijn, weten we gelukkig niet. Maar dat Van Acoleyen stellig beweert dat slechts een tussenkomst van Verhofstadt hem uit een schepencollege met VLD en CD&V kon houden, doet het ergste vermoeden. Dachten Van Acoleyen en Goemare echt dat VLD en CD&V het “bijna integrale programma” van de PVDA zouden uitvoeren, zelfs als ze daar hun handtekening hadden onder gezet? Zoja, dan zouden wij dat “bijna integrale programma” graag eens zien. Als voormalig delegee bij Sidmar, zou Dirk Goemare toch moeten weten hoeveel de handtekening van een patroon waard is, als die denkt dat de condities wat anders vereisen. Dacht de PVDA echt dat ze met haar twee gemeenteraadsleden de CD&V en de VLD de arm zou omwringen? Er zijn al veel grotere linkse parlementaire of gemeentefracties door rechts in coalities misbruikt als links schaamlapje. En daarmee bedoelen we echt niet alleen de sociaaldemocratie en de groenen. Onder de titel “is het meeregeren van communistische partijen een uitweg uit de kapitalistische crisis”, schrijft Herwig Lerouge daarover een bijdrage in nummer 100 van de trimestriële PVDA-publicatie Marxistische Studies (okt. – dec. 2012). Hij haalt er het ‘tragische’ voorbeeld aan van de Italiaanse PRC, het Franse la Gauche Plurielle en de ‘catastrofische’ deelname van het Duitse Die Linke aan de coalitie met de SPD in Berlijn. Een voorbeeld dat hij niet aanhaalt, zijn de beide coalities in 1989 en 1990 rond het rechtse Nieuwe Democratie met onder meer de Coalitie van Links en Vooruitgang (Synaspismos) waartoe ook de KKE behoorde vooraleer af te splitsen in 1991. Binnen de partijleiding was men toen nog zeer sceptisch om deze benadering verder uit te breiden naar de rest van het land. Vooral toenmalig algemeen secretaris Nadine Rosa-Rosso zou er problemen mee gehad hebben, maar zij niet alleen. Na haar uitsluiting werd de draad opnieuw opgenomen. En weeral niet toevallig was het eerste resultaat daarvan de campagne voor het kiwimodel door Geneeskunde Voor Het Volk en dokter Dirk Van Duppen. Al in 2004 pakte die ermee uit in zijn boek “De Cholesteroloorlog”. We komen daar later op terug, maar willen eerst het punt rond coalities afronden. In de gemeenteraadsverkiezingen van 2012 heeft de PVDA met 52 verkozenen een aanzienlijke doorbraak gerealiseerd. In Antwerpen behaalt ze 8%, 21.720 stemmen. Dat is niet zo ver meer verwijderd van het Vlaams Belang dat met 27.824 stemmen 10,2% haalt. Sindsdien is de PVDA in het district Borgerhout, waar ze 17% haalt, toegetreden tot een ‘progressieve’ coalitie met SP.a, Groen en een onafhankelijke. “In die situatie kunnen wij niet anders dan onze verantwoordelijkheid mee opnemen”, zegt Peter Mertens daarover in een interview op de PVDA-website (6 maart 2013). “We gaan ook Borgerhout niet nog eens overlaten aan de N-VA. Bart De Wever heeft Antwerpen uitgekozen als proefproject voor de onafhankelijke republiek Vlaanderen. Op heel het grondgebied van Antwerpen zullen er de komende zes jaar maatregelen worden genomen die hard zijn voor de werkende bevolking, voor het stadspersoneel, voor de havenarbeiders, voor iedereen die in Antwerpen moet leven. Wij gaan vanuit ons programma, in de mate van het mogelijke, in Borgerhout mee helpen om een sociaal project op de kaart te zetten.” “Dat is ook wat al die mensen die voor ons hebben gestemd in Borgerhout, van ons verwachten”, voegt hij eraan toe. We twijfelen er niet aan dat het toetreden tot de coalitie bij de meeste PVDA-kiezers en andere progressieven in het district, instemmend onthaald wordt. We hoeven daarvoor geen enquête. Indien de PVDA van haar positie in de districtsraad gebruik zou maken om de bevolking te mobiliseren, als eerste opstap naar een geheel Antwerpse massamobilisatie tegen het stadsbestuur van De Wever, zou dat een grote weerklank vinden. Of de coalitie het zou overleven, betwijfelen we. De lokale afdelingen van SP.a en Groen, die elders in besparingscoalities met en zonder de N-VA zetelen, zouden onder forse druk komen van hun collega’s. Maar zelfs als de PVDA dat niet doet, dan nog zijn we ervan overtuigd dat diezelfde kiezers begrip zullen opbrengen voor de beperkte bevoegdheden van de districtsraad. Frustraties over de limieten van het districtsbeleid zullen dus niet onmiddellijk leiden tot een electorale afstraffing. De vraag blijft natuurlijk waar de redenering van Mertens zal stoppen. Als de PVDA vandaag Borgerhout niet nog eens wil overlaten aan de N-VA, waarom dan morgen wel Antwerpen, overmorgen de Vlaamse regering en de dag erna de Federale wel? Zal de PVDA dan niet “vanuit ons programma, in de mate van het mogelijke, willen helpen om een sociaal project op kaart te zetten”? De Italiaanse PRC, de Franse PCF, Die Linke in Duitsland en ook de Nederlandse SP zijn evenmin in coalities gestapt met de bedoeling er een asociaal beleid te voeren, maar toch is dat waar het op uitgedraaid is. Op de vraag of zo een bestuursdeelname ook op een hoger beleidsniveau, federaal of regionaal, mogelijk is, antwoordt Mertens gelukkig: “Dat is niet aan de orde en dat komt ook niet aan de orde. In deze context in Europa, lijkt het ons onmogelijk mee te doen in een coalitieregering die niet wil breken met de politiek van de Europese Unie. Zonder consistente meerderheid die een programma wil uitvoeren dat wil breken met het afbraakbeleid van de Europese Commissie, zonder sterke meerderheid die bereid is om de bevolking te mobiliseren tegen het beleid van de EU, kan er van een deelname aan de regering geen sprake zijn.” Raoul Hedebouw, woordvoerder van de PTB/PVDA en topkandidaat voor de PVDA voor de Kamer bij de federale verkiezingen, geeft ons wat meer inzicht in de positie van de PVDA daaromtrent. Hem werd in Le Vif de vraag gesteld of de PVDA, als ze blijft groeien in de toekomst, zich een deelname aan een regering met PS en Ecolo kon inbeelden. “Dat is het moeilijke debat: wat moet de verhouding van links van links zijn met de sociaaldemocratie?”, zegt hij, waarna hij verwijst naar Die Linke en de PCF om te zeggen dat ze verkeerd zaten. “Ze zijn erop teruggekomen”, beweert hij ten onrechte. “Aanvaardt men een hulpje te zijn, een kompas voor centrum-linkse meerderheden? Of wil men integendeel een echte tegenkracht bouwen, zoals de Volksfronten in de jaren ’30, met de bedoeling een duurzame krachtsverhouding op te bouwen? Daarover gaat het echt.” Aldus Raoul in Le Vif ‘Le PTB n’est pas un bisonours’ (dec 2012). In de eerder aangehaalde bijdrage van Lerouge aan Marxistische Studies, klinkt de evaluatie van de Volksfrontregering in Frankrijk van 1936 alvast een stuk minder positief. Hij verwijt de toenmalige PCF dat ze niet snel genoeg brak met deze regering. Dat voor de sociaaldemocratische premier Leon Blum de missie van het Volksfront erin bestond “de burgerlijke maatschappij te besturen” en er “een maximum aan orde, welzijn, zekerheid en rechtvaardigheid” uit te halen. Lerouge besluit dat “‘linkse’ regeringen die een kapitalistisch systeem besturen, doorheen de geschiedenis de arbeidersklasse gedemoraliseerd en gedemobiliseerd hebben en de weg geopend voor conservatieve en zelfs extreemrechtse regeringen.” Hij haalt in datzelfde artikel ook het vierde congres van de Derde Internationale aan, toen nog met Lenin en Trotski. Daarin staat: “De regering van de werkers zoals voorgesteld door de Derde Internationale wordt beschouwd als het eenheidsfront van alle werkers en een coalitie van alle partijen van de werkers, zowel in de politieke als in de economische arena, om te strijden tegen de macht van de burgerij en die uiteindelijk omver te gooien.” Wie de papieren versie nog heeft, kan dat nalezen op blz. 55. Intussen moet de PVDA de violen echter gelijk gestemd hebben. De elektronische versie van Marxistische Studies op de website van Imast werd in februari 2013 aangepast en ook dit citaat is vreemd genoeg weggeknipt. concrete oplossingen voor concrete problemen Peter Mertens: “We zijn in 2004 en vernieuwingsoperatie begonnen, waarvan onze acties rond het Kiwimodel van Dirk Van Duppen een eerste voorbeeld waren. Daarmee werkten we rond een concreet thema en zochten we samenwerking met het middenveld. Het congres van 2008 was een resultaat van een lang proces dat daaraan is voorafgegaan. Dat was een eindpunt.”Van Duppen baseerde zich voor zijn Kiwimodel op het Nieuw-Zeelands model voor terugbetaling van geneesmiddelen, waarbij de overheid openbare aanbestedingen uitschrijft. Alleen de prijs van het goedkoopste medicijn dat alle nodige werkzame bestanddelen bevat in een vergelijking tussen alle merkartikelen en dat redelijkerwijs het beoogde resultaat zal geven, wordt terugbetaald door de ziekteverzekering. In Nieuw-Zeeland is de overheidsinstantie PHARMAC verantwoordelijk voor de uitvoering. Volgens Peter Mertens zou de Belgische overheid daarmee anderhalf miljard euro kunnen besparen. (‘Alleen wij stellen het systeem ter discussie’- Knack 11 februari 2009). Het aan- of uitbesteden van werk of diensten, zowel in de privé als in de publieke sector, is niets anders dan het organiseren van onderlinge concurrentie tussen bedrijven om het beoogde contract binnen te halen. Wie werkt in de keuken of de kuisploeg van een ziekenhuis, een onderwijsinstelling of elders weet dat maar al te goed. Om een aantrekkelijke prijsofferte te kunnen aanbieden, zullen ook de private farmaceutische bedrijven druk zetten op de arbeidscondities en de lonen. In tegenstelling tot Nieuw-Zeeland heeft België wel een belangrijke farmaceutische sector met een aanzienlijke tewerkstelling. Het Kiwimodel biedt geen concrete oplossing voor een concreet probleem, maar verschuift het probleem. Voor het patronaat en de regering is het een gedroomde gelegenheid om de arbeiders onderling te verdelen, om de belangen van de arbeiders in de farmaindustrie rechtstreeks uit te spelen tegen die van de arbeiders die als patiënt die geneesmiddelen nodig hebben. Het zou niet de eerste keer zijn dat links een goedbedoelde maatregel om het kapitalisme rechtvaardiger te maken als een boemerang ziet terug keren. In haar publiek materiaal legt de PVDA de nadruk als middel om geneesmiddelen toegankelijk te maken aan een redelijke prijs uitsluitend op het kiwimodel. Het is mogelijk dat de PVDA nog steeds ergens de nationalisatie van de farmaceutische industrie in haar programma staan heeft, maar dat is dan goed verborgen. Vroeger was dat terecht een van haar stokpaardjes, maar op haar website hebben we het niet meer teruggevonden. Dat is nochtans volgens LSP, indien het gebeurt onder controle van de arbeiders en van de gemeenschap, de enige correcte manier om zowel in het belang van de werknemers van die industrie, als van de patiënten de prijs van geneesmiddelen onder controle te brengen. Nog zo een concrete oplossing voor een concreet probleem is uit de pen van Tom De Meester gevloeid. Die wil de BTW op energie verlagen van 21% naar 6%, zoals in Luxemburg, Portugal en Groot-Brittannië. Voorts een publiek energiebedrijf oprichten dat rechtstreeks goedkope elektriciteit levert aan alle gezinnen, mits de overheid eerlijke maximumprijzen vastlegt, op basis van de werkelijke productiekosten van de energiecentrales. Dat publiek energiebedrijf moet zelf groene energie produceren en energie moet een federale bevoegdheid worden. De Meester heeft tenminste het voordeel op Van Duppen dat hij niet meer, maar minder liberalisering bepleit. Gaan zijn voorstellen ver genoeg? De redenering dat elektriciteit geen luxeproduct is, maar een basisbehoefte kunnen we alleszins bijtreden. We vrezen echter wel dat in de praktijk van de 15% marge die De Meester daarmee wil creëren, net zoals in Groot-Brittannië of Portugal, het leeuwenaandeel in de zakken van de grote energiebedrijven zal verdwijnen. De creatie van een publiek energiebedrijf met vastgelegde maximumprijzen zou voor veel gezinnen een opluchting betekenen. Maar ook hier hoort een waarschuwing. Een publiek energiebedrijf zou al snel de vuilbak worden voor alles wat niet opbrengt en de private bedrijven zouden aan de haal gaan met de lucratieve contracten. Rechtse politici zouden met genoegen aanklagen dat het publieke bedrijf de belastingbetaler bakken vol geld kost, terwijl de privé toch zoveel efficiënter werkt. Aangezien de belastingen hoofdzakelijk verhaald worden op de werkende bevolking, zou dat wel eens een gevoelige snaar kunnen raken. LSP is het ermee eens om gedeeltelijke verbeteringen af te dwingen wanneer dat mogelijk is, maar niet zonder de bevolking te behoeden voor illusies en er de beperkingen van uit te leggen. Een publiek energiebedrijf moet dienen als opstap naar de volledige nationalisatie van de energiesector, onder controle van de arbeiders en van de gemeenschap, zoniet dreigt ook deze concrete oplossing als een boemerang terug te keren. We gaan hier niet elke “concrete oplossing voor concrete problemen” aanhalen. We kiezen er nog drie uit. In antwoord op de golf van herstructureringen en collectieve afdankingen in de industrie pleit de PVDA voor een verbod voor winstgevende bedrijven op elke vorm van collectief ontslag als ze winst uitkeren of er hun winstreserves mee aanvullen. Voorts wil de PVDA dat de werkgever gesanctioneerd wordt als de wet niet nageleefd wordt. Hij moet dan verplicht worden alle openbare hulp voor de activering van werklozen, de fiscale voordelen met betrekking tot de notionele interesten en de vermindering van sociale bijdragen, die het bedrijf in de loop van vijf jaar voor het collectief ontslag kreeg, terugbetalen. LSP steunt iedere wettelijke beperking op ontslagen. Ook wij vinden dat de wet-Renault, door de regering ingevoerd na de sluiting van Renault Vilvoorde in 1997, lang niet ver genoeg gaat. Werkgevers zijn daardoor verplicht collectieve afdankingen tijdig aan te kondigen en een onderhandelingsfase na te leven om over alternatieven na te denken. In Nederland en Italië moeten bedrijven aan objectieve criteria beantwoorden voor ze tot collectief ontslag kunnen overgaan. Een ervan is dat ze verlieslatend moeten zijn, al moeten we er onmiddellijk aan toevoegen dat er aan het naleven van die criteria toch flink wat schort. In Frankrijk legt de wet sancties op aan bedrijven die geen tewerkstellingsplan uitwerken voor de mensen die ze afdanken. In België hoeft dat allemaal niet. Volgens Yvan Del Percio, hoofddelegee van ABVV Caterpillar, op Manifiesta in 2013 is 95% van de geplande ontslagen in de industrie ondanks de wet-Renault gewoon doorgegaan. Zijn antwoord op de 1.400 banen die bij Caterpillar verdwijnen, luidt dat ze ‘hun vel duur zullen verkopen’. Kortom, hij beschouwt de banen als verloren en gaat voor gouden handdrukken. Op het falen van de wet-Renault pleit hij voor een wet-Caterpillar. Ook Gaby Colebunders, veruit de meest strijdbare arbeider/delegee bij Ford, die steeds zonder schroom in conflict is getreden met zijn eigen vakbondsleiders wanneer nodig, sprak in datzelfde debat op Manifiesta. Hij vertegenwoordigt een strekking bij de Ford arbeiders die mee met de werknemers van de onderaannemers gestreden heeft om voor de arbeiders van die bedrijven dezelfde condities af te dwingen als die voor de Ford-werknemers. Naast de eerder geformuleerde beperkingen wil hij ook die aanzienlijke verbetering vastleggen in een wet-Ford. Eerder had de PVDA ook al een wet-Imbev bepleit. We begrijpen en ondersteunen de behoefte aan een betere wettelijke bescherming tegen collectieve ontslagen. Het zou het collectief ontslag ook aanzienlijk bemoeilijken indien de patroons daarvoor steeds via een rechtbank moesten passeren, zoals Raoul Hedebouw er op dat debat aan toevoegde. We kennen echter de samenstelling en de werking van onze parlementen. Voorstellen in het voordeel van het patronaat zijn er in een wip gerealiseerd, die welke de toestand van de arbeiders moeten verbeteren, slepen aan en zijn tegen de tijd dat ze ooit gestemd en uitgevoerd raken al lang door de patronale lobby uitgehold. Dat veranderen, zal wel nog enkele jaren vergen. We zijn er evenmin tegen om via een rechtbank ons gelijk te halen als dat kan. In sociale conflicten moeten alle middelen uitgeput worden, maar dat we een klassenjustitie hebben in ons land hoeven we toch ook niet meer toe te lichten. Kortom, ons niet gelaten om wetsvoorstellen te doen en naar rechtbanken te stappen, we willen het zelfs mee ondersteunen. Maar niet als dat een excuus wordt om de strijd op het terrein zelf niet langer te organiseren, om geen krachtsverhoudingen meer uit te bouwen en om geen beroep meer te doen op de solidariteit van onze collega’s in de bedrijven uit de sector en uit de omgeving. En daarmee bedoelen we echt niet de zinloze “radicale” mobilisaties van een paar honderd arbeiders om zich weerloos te pletter te lopen op een overmacht van politie, maar wel degelijk bedrijfsbezettingen, wijkcampagnes, bedrijfsbezoeken en het beroep doen op collega’s die wel over het materiaal beschikken, zoals de brandweer, om onze vreedzame, maar strijdbare betogingen te beschermen tegen de agressie van de politie. De geschiedenis heeft ons ook geleerd dat parlementen en rechtbanken geen instrumenten zijn voor grote sociale veranderingen. Die worden doorgaans afgedwongen door sociale strijd. Hedebouw bracht echter ook enkele problematische voorstellen, zoals het instellen van Europese quota bij collectieve afdankingen. Daarbij zou het aantal banen dat moet verdwijnen, volgens nog vast te leggen criteria, verdeeld moeten worden over de verschillende sites. In een aantal gevallen kan dat misschien de eenheid en solidariteit tussen de verschillende sites van eenzelfde transnationaal bedrijf versterken, maar doorgaans zal het verzet tegen collectieve afdankingen alleen maar bemoeilijken. Wat gebeurt er als een aantal sites op basis van de doorgaans selectieve informatie die ze zullen krijgen hun quota van de afdankingen aanvaarden, terwijl andere ze verwerpen? Ongetwijfeld bedoeld als middel om de solidariteit te bevorderen, zouden die quota wel eens een middel kunnen worden in handen van de patroons om de arbeiders nog meer tegen elkaar op te zetten. Tenslotte stelde Hedebouw voor om het banenverlies in de industrie te bestrijden met publieke investeringen “zoals de regering van Mitterand in de eerste twee jaar van haar aantreden”. Het klopt dat die in 1981 een aantal sociale verwezenlijkingen realiseerde zoals het optrekken van de minimumlonen, de huursubsidies, de kinderbijslag, de uitkeringen van gehandicapten etc. Mitterand voerde ook een belasting in op vermogens, maakte een einde aan enkele repressieve wetten en voerde een prijsblokkering door. Het jaar daarop werden spaarbanken en enkele industriële groepen genationaliseerd, de 39-uren werkweek en een vijfde week betaald verlof ingevoerd. Maar Mitterand stootte weldra op de limieten van hervormingen binnen het kapitalisme. Hij werd geconfronteerd met een kapitaalstaking en door andere Westerse regeringen met zachte dwang aangepord om van beleid te veranderen. In plaats van resoluut zijn beleid verder te duwen en te breken met het kapitalisme gaf hij toe. Nog datzelfde jaar werd de indexkoppeling van de lonen afgeschaft en vanaf het jaar daarop volgde een reeks besparingsplannen waarvoor links een zware electorale prijs zal betalen. Waarom vertelt Hedebouw niet het volledige verhaal in plaats van een gevaarlijke illusie de wereld in te sturen die faliekant afgelopen is voor de arbeiders en voor links? hoe betalen we dat? Om de spaarders en pensioenen te beschermen, goedkope leningen te verschaffen, de opbrengsten te investeren in de gemeenschap en de staatsschuld te beheren, wil de PVDA een openbare bank oprichten vanuit de Bank van De Post, Dexia en andere banken. Ze verwijst daarvoor opnieuw naar Nieuw-Zeeland, waar zo een kiwibank bestaat en ook naar de teloorgegane ASLK en het Gemeentekrediet. LSP kan zich daarin vinden, op voorwaarde dat die onder democratische controle staat van de arbeiders en van de gemeenschap.ASLK en Gemeentekrediet zijn echter niet zomaar verdwenen. Zolang de economische factoren die aan de basis liggen van de nood aan zo een openbare bank, in het geheugen gegrift blijven, kan zo een openbare bank, ondanks verzet van private spaarbanken, als ze er ooit komt, wellicht overeind blijven. Zodra de economische hemel echter opklaart en opnieuw spectaculaire winsten voor het rapen liggen, zal de druk voor zo een bank om mee te stappen in het succesverhaal echter toenemen. De bankenlobby, de patroonsorganisaties en de politieke rechterzijde zullen bovendien alles in het werk stellen om de publieke bank te saboteren en zo snel mogelijk opnieuw ten prooi te gooien aan de haaien van de privé. Maar beantwoordt een openbare bank wel aan de uitdaging waarmee we vandaag te maken hebben? De infrastructuur heeft sterk geleden onder de politiek van onderinvesteringen. Er zijn dringende investeringen vereist in schoolgebouwen, spoorweginfrastructuur en materiaal, uitbreiding van het openbaar vervoer, zieken- en bejaardentehuizen, revalidatiecentra, sociale woningen, energieneutrale publieke gebouwen, milieubescherming etc. Met een openbare bank binnen een door privébanken gedomineerde markt, zal het nog tientallen jaren duren vooraleer die dringende problemen worden aangepakt, als dat ooit al gebeurt. LSP denkt dat enkel de volledige nationalisatie en bundeling van de financiële sector, onder democratische controle van de werknemers en de gemeenschap, de nodige middelen kan opleveren om de meest dringende taken binnen een aanvaardbare termijn te beginnen oplossen. Alweer op Manifiesta in 2013 stelde Peter Mertens dat de wereld op zijn kop staat. Dat het enige wat we moeten doen, de wereld op haar voeten zetten is. “Dan heb je een publiek financiewezen [uit zijn toespraak is onduidelijk of hij een publiek financiewezen naast een privaat of ter vervanging ervan bedoelt – die toespraak vind je op de PVDA website – 21 september 2013] nodig die de echte economie kan financieren. Dan kom je tot een grondige herverdeling van de rijkdom, zodat diegenen die de rijkdommen produceren een veel groter deel van de koek terug krijgen. Dat is de betekenis van de miljonairstaks. Working Man’s Recovery.” Wat eerder had hij al gezegd: “De waarheid is dat er met een miljonairstaks in ons land geen armoede meer zou zijn. De waarheid is dat met een mondiale vermogensbelasting de wereldwijde armoede kan uitgeroeid worden.” Kortom, volgens Peter Mertens is een fiscale revolutie vereist om de wereld weer op zijn voeten te zetten. Zo een “fiscale revolutie” zou uiteraard welkom zijn. Maar zou een mondiale vermogensbelasting volstaan om wereldwijd de armoede uit te roeien? Na WOII zakte het aandeel van de rijken in de wereldrijkdom fors terug in vergelijking met de jaren 1930, vandaag staat het opnieuw op het niveau van toen. Maar gedurende heel die tijd is de wereldwijde armoede nooit verdwenen. Zou er in ons land geen armoede meer zijn met een miljonairstaks? In een interview op de PVDA website zelf, op 6 maart van datzelfde jaar, antwoordde Peter Mertens “neen” op de vraag of de miljonairstaks een mirakeloplossing was. “We hebben onze maatschappijvisie voor de toekomst, maar je hebt ook politieke hefbomen nodig om in die richting te gaan. Bruno Tobback zei een half jaar geleden: “Meneer Mertens wil de miljonairstaks invoeren om de crisis op te lossen.” Wel, niets is minder waar. De miljonairstaks gaat de crisis niet oplossen, maar de miljonairstaks is meer dan ooit nodig om heel wat andere redenen. Namelijk om een klein beetje te verhelpen aan de oververrijking van de 200 rijkste families in ons land.” Dat was naar ons oordeel terecht een veel bescheidener beoordeling dan de bewering dat er in België geen armoede zou zijn met de miljonairstaks. Maar er zit ons veel meer dwars aan de redenering die Mertens hier opbouwt. Hoe denkt hij een fiscale revolutie door te voeren, zonder politieke en economische? Wil hij ons echt nog eens de opgewarmde sociaaldemocratische illusies over herverdeling binnen het kapitalisme serveren? Waar is de cruciale vraag van socialisme gebleven, de vraag naar wie de productiemiddelen in eigendom heeft. Dat is nochtans de enige manier om armoede uit België en uit de wereld te bannen, binnen het kapitalisme zal en kan dat niet lukken. Er is nog een ander probleem met de miljonairstaks. Toen de regering Hollande-Ayrault in oktober 2012 een rijkentaks van 75% gedurende twee jaar invoerde op alle roerende inkomens boven de 1 miljoen euro per jaar, een maatregel die slechts 1.500 belastingplichtigen treft in heel Frankrijk en hen gemiddeld 140.000 euro kost, samen goed voor 210 miljoen euro per jaar, vluchtte volgens de Banque de France op twee maand tijd 53 miljard euro het land uit. (The Telegraph, 13 January 2013 - French capital flight spikes as Hollande hits business). De miljonairstaks van de PVDA is een jaarlijkse belasting op grote fortuinen: 1 % op het deel van het fortuin boven de een miljoen euro, 2 % op het deel boven de twee miljoen, 3% voor het deel boven de drie miljoen euro, na aftrek van de eerste woonst voor een maximumbedrag van 500.000 euro. Volgens de berekeningen van de PVDA treft dat 2% van de gezinnen die dan samen 8,7 miljard euro zullen ophoesten. Dat scheelt hem fors op de Franse rijkentaks en zal zelfs inclusief de dreiging van in beslagname, ongetwijfeld leiden tot een veel grotere kapitaalvlucht. Maar volgens de PVDA zou dat wel meevallen. In Frankrijk bestaat immers al een miljonairstaks. Het heet er ‘impôt de solidarité sur la fortune’ (ISF). Boven 790.000 euro vermogen betaalt men een heffing van 0,55 tot 1,80 procent (in vijf verschillende schalen). Er bestaan wel een aantal mogelijkheden om aan de taks onderuit te komen. De belastingplichtigen moeten er zelf hun vermogen schatten en aangeven, onderschatting ligt er voor de hand. Er zijn ook heel wat fiscale aftrekposten en een maximum plafond, de zogenaamde ‘bouclier fiscal’. Jo Cottenier en Ruben Ramboer leren ons op de PVDA website dat volgens een Frans senaatsrapport 2.525 belastingplichtigen ‘delokaliseerden’ tussen 1997 en 2003, en dat dit minder is dan 1% van het totaal aantal belastingplichtigen van de vermogensbelasting. In 2006 bleek dat 843 Franse gezinnen hun fiscale verblijfplaats verhuisden naar een ander land. Tussen 1997 en 2006 ontsnapte naar verluidt 18,6 miljard aan de vermogensbelasting op een totale belastbare basis van 900 miljard euro. Het verlies voor de fiscus kwam neer op 150 miljoen euro per jaar, terwijl de jaaropbrengst 4,4 miljard euro bedraagt. “Voor het handvol rijken dat andere oorden opzoekt moet men duidelijk de vermogensbelasting niet laten. En als de vermogensbelasting in meerdere landen zou worden toegepast, kan de effectiviteit ervan alleen maar stijgen. Het wordt dan moeilijker om van woonplaats te veranderen om de vermogensbelasting te ontwijken”, aldus Cottenier en Ramboer. Het is moeilijk om een exact beeld te krijgen tussen de wirwar van cijfers waarmee voor- en tegenstanders van de taks mekaar om de oren slaan. Ter rechterzijde benadrukt men uiteraard dat vooral jongere belastingplichtigen uitwijken voor de taks, dikwijls nog actieve bedrijfsleiders die 10 tot 15 miljard euro elders geïnvesteerd zouden hebben dan in Frankrijk. Er zou sinds de invoering al voor 200 miljard euro aan kapitaal Frankrijk verlaten hebben. Het verlies als gevolg daarvan voor de fiscale inkomsten zou tot 7 miljard euro bedragen en dus meer dan de opbrengst etc. Uiteraard is dat ideologisch aangestuurd en is de enige bedoeling ervan de taks zo snel als mogelijk weg te krijgen. Toch denken wij dat de PVDA er goed aan zou doen wat minder illusies te creëren, de beperkingen van zo een taks uit le leggen en de bevolking voor te bereiden op een krachtmeting om kapitaalvlucht tegen te gaan. De opbrengst van 4,4 miljard euro voor het Franse ISF (dat is niet het gemiddelde zoals de PVDA beweert, maar de hoogste opbrengst ooit, dat was in 2010, gemiddeld is het sinds 2007 iets onder de 4 miljard) blijft toch nog maar de helft van de miljonairstaks die de PVDA wil invoeren en dat in een economie die nochtans 5,5 maal groter is. Peter Mertens is er zelf niet helemaal gerust in, in datzelfde interview van 6 maart 2013 op de PvdA website verklaart hij “Die 200 rijkste families zouden dat nog niet eens voelen. Daarom is het ook geen overdreven maatregel.” Wij denken dat de invoering van de PVDA miljonairstaks binnen de kortste keren een vloed aan verklaringen van patroons en politici zal opwekken om aan te kondigen dat ze ons land zullen verlaten. Een, twee of meer bedrijven die effectief delokaliseren zullen aangewend worden om de bevolking de stuipen op het lijf te jagen. De meerderheid van 80% van de bevolking die vandaag gewonnen is voor een vermogensbelasting zou dan snel kunnen wegsmelten. Het gevoelen dat links goed is voor het sociale, maar slecht voor de economie kan dan inzinken. Dat vermijden zal niet lukken door erover te zwijgen, maar juist door de bevolking daar nu al op voor te bereiden. socialisme 2.0 “In plaats van een belerende zijn wij een luisterende partij geworden. Onze verkiezingsprogramma’s worden nu opgesteld na consultatie van duizenden mensen”, zei Peter Mertens in 2008. Een enquête kan inderdaad soms een nuttig instrument zijn. Zolang we maar niet uit het oog verliezen dat de heersende ideologie in de maatschappij doorgaans die is van de heersende klasse en dat de antwoorden op een enquête dat onvermijdelijk zullen weerspiegelen. Natuurlijk moeten we rekening houden met het bestaande bewustzijn, maar wie alleen dat doet, gaat onvermijdelijk op een bepaald moment de ideologische strijd met de burgerij uit de weg. De taak van marxisten, van socialisten en van sociaal voelende mensen in het algemeen bestaat er ook in om het bewustzijn op te tillen omtrent zaken die binnen die heersende ideologie niet steeds algemeen aanvaard of common sense zijn.Voor socialisten komt het erop aan om samen met de arbeiders stap voor stap het bewustzijn op te tillen in het streven naar een socialisme. Vandaar het belang van perspectieven, van een overgangsbenadering die de dagelijkse problemen van de arbeiders en hun gezinnen systematisch verbindt aan de voorbereiding van die socialistische omvorming. Hoe politieke ideeën worden gepresenteerd, is geen kwestie van tweede orde. Als de directe eisen voortdurend worden losgekoppeld van het streven naar socialisme, wordt dit streven ook effectief iets van een verre toekomst. Dat is naar ons oordeel de manier waarop ook Peter Mertens en de PVDA het benaderen. In de dagelijkse strijd in de bedrijven, de wijken, de scholen en universiteiten, op betogingen en stakingen en ook in de verkiezingscampagnes, verwijst de PVDA hooguit zijdelings naar socialisme. Dat is dan meestal onder de vorm van ‘in Cuba doen ze dat zo’ of ‘Chavez heeft deze maatregel doorgevoerd’ etc. De nood aan socialisme logisch laten voortvloeien uit de behoefte van de strijd is er niet bij. Dan zijn de “concrete oplossingen voor concrete problemen” al wat de klok slaat. In diepgaander publicaties, de boeken van Peter Mertens, heel af en toe een artikel op de site en ook de tekst van het partijcongres wordt er wel meer op ingegaan. In al die gevallen wordt het aangebracht als “We zijn vandaag in Europa nog ver van die situatie verwijderd” (congrestekst 2008), “Een nieuwe maatschappelijke ordening breekt niet in één keer door.” (De Toekomst Begint Nu uit “Op Mensenmaat” – Peter Mertens 2009), “Enkele hoofdlijnen van het socialisme van de toekomst” (interview met Nick Dobbelaere op de PVDA website op 6 maart 2013) of “Om de samenleving van morgen te dromen, moeten we wel buiten de lijntjes van het alledaagse pragmatisme durven kleuren”. ( Hoe durven ze? – Peter Mertens 2011). Kortom socialisme wordt hier niet voorgesteld als noodzakelijk onderdeel van de dagelijkse strijd. Als sluitstuk om ook echt en duurzaam af te rekenen met de steeds terugkerende crisissen die het kapitalisme veroorzaakt ten koste van de mens, zijn werk- en leefomgeving. Neen, het heet hier een verre droom, die ooit zal voortkomen uit het samenvloeien van de diverse strijdbewegingen, die nog ver verwijderd ligt en die we in de toekomst zouden willen. Het doet wat denken aan de oude 1 mei vieringen van de sociaaldemocratie, die spraken ook eenmaal per jaar over socialisme, om het dan de rest van het jaar op te bergen en zich bezig te houden met de concrete problemen van de mensen. In de communicatiestrategie van de PVDA heet die droommaatschappij voortaan Socialisme 2.0. Het is een maatschappij gebaseerd op solidariteit; waarin de gemeenschap ‘opnieuw’ de controle verwerft over de productie; waarin grondstoffen, kennis en onderzoek gemeenschappelijk erfgoed zijn; de sleutelsectoren van de economie vermaatschappelijkt en onder democratische controle; waarin de mens zal beschikken over echte vrijheid en reële inspraak; en waarin de productie gepland wordt onder controle van de bevolking. We gaan dat hier niet allemaal herhalen, de digitale bronnen kunnen gemakkelijk teruggevonden worden op de website van de PVDA. Een pak van die voorstellen worden ook door LSP en andere linkse formaties onderschreven en in ons geval systematisch naar voor gebracht, ook in de dagelijkse strijd en ook in verkiezingscampagnes. We zijn het absoluut eens met de PVDA dat de evolutie van wetenschap en techniek, de materiële voorwaarden, voor de realisatie van democratisch socialisme ‘op maat van mens en natuur’ vandaag veel rijper zijn dan ten tijde van Socialisme 1.0. Maar dat ontslaat ons niet van de verantwoordelijkheid om toe te lichten wat we daarover dachten, ook al om te leren uit de fouten van het verleden. De PVDA maakt er zich gemakkelijk van af. “Ze hebben fouten gemaakt. Zij, niet wij,” stelt Peter Mertens in De Morgen (22 februari 2008) over de Sovjetunie, China, de Rode Khmer en Cuba. Raoul Hedebouw in Le Journal du Mardi: “Als er een bilan moet worden opgesteld, dan is het aan de Russen, de Chinezen, de Cubanen om dat te doen.” Welke Russen en welke Chinezen dat bilan vandaag nog moeten opstellen, is een raadsel. Waarom de PVDA zo lang en zo hardnekkig iedere “fout” van deze regimes heeft goedgepraat, vernemen we niet. De PVDA mag in het hoofdstuk “een internationalistische partij” van haar congrestekst van 2008 dan wel beweren dat het internationalisme een wezenlijk onderdeel is van het marxisme, en zelfs Marx citeren uit het Communistisch Manifest met “Arbeiders aller landen, verenigt u”, maar als het erop aan komt een evaluatie te maken van wat verkeerd is gelopen, is het ieder voor zich, dan moeten de Russen, de Chinezen, de Cubanen etc. het zelf maar uitzoeken. “Wij zijn geen stalinisten”, zegt Peter Mertens in De Morgen. Als hij daarmee bedoelt dat De PVDA niet langer de misdaden van Stalin en co publiek wil goedpraten, dan is dat duidelijk. We geloven evenmin dat de PVDA nog lang gebruik zal maken van de geschriften van Stalin, Mao of Enver Hoxha voor interne kadervorming. Ook dat zal na verloop van tijd wel verdwijnen. Een actief kader opbouwen op basis van een totalitair stalinistisch programma werkt niet meer, dat is waarom er moest gebroken worden met het eigen verleden om te overleven. We weten daarmee dat de PVDA afstand neemt van de vorm die het stalinisme aannam in de 20ste eeuw, maar neemt ze ook afstand van de inhoud? Inhoudelijk was het stalinisme immers een variant op de sociaaldemocratie, maar dan in het kader van (totalitaire karikaturen) van arbeidersstaten. Wat bij de sociaaldemocraten ‘sociaal chauvinisme of patriottisme’ heet, verschijnt in zijn stalinistische variant onder de vorm van de illusie in socialisme in één land en het bewieroken van het socialistische vaderland. Dat was totaal tegengesteld aan de opvattingen van Marx, Engels, Lenin of Trotski die uiteraard erkenden dat de klassenstrijd ergens aanvangt, dat de arbeiders onvermijdelijk eerst in één land de macht zullen nemen, vooraleer dat geconsolideerd wordt in andere landen. Maar zij waren er ook van overtuigd dat het socialisme pas gerealiseerd zou worden op internationale schaal. Socialisme in één land was voor hen een gevaarlijke illusie en LSP deelt die opvatting. Hoe zit dat vandaag met de PVDA? De stalinistische variant op het deelnemen aan coalities met burgerlijke partijen heet onder het stalinisme het aangaan van Volksfronten. Dat zijn coalities met de zogenaamde progressieve delen van de burgerij. Maar zoals Herwig Lerouge in zijn intussen op maat van de PVDA verknipte artikel in Marxistische Studies over het meeregeren van communistische partijen schreef, verwierpen Marx, Lenin en de Derde Internationale (tot aan haar vierde congres) “elke regeringsdeelname, met uitzondering van een situatie waarin het fascisme een reële bedreiging vormt of waarin de kans bestaat op een overgang naar een echt revolutionaire regering, dat wil zeggen in prerevolutionaire situaties.” Dat van die fascistische dreiging is een dichterlijke vrijheid van Lerouge, bedoeld om de positie van Dimitrov over het Volksfront goed te praten. In de tijd van Marx en Lenin was van fascisme nog geen sprake. Toch heeft geen van beide ooit een regeringsdeelname verdedigd met delen van de burgerij, ook niet om een reactionaire staatsgreep te verijdelen. In het eerder aangehaalde citaat van de Derde Internationale op haar vierde congres is geen sprake van een Volksfront, maar van “het eenheidsfront van alle werkers en een coalitie van alle partijen van de werkers”. Dat brengt ons bij een volgende punt. De PVDA heeft in het verleden steeds een eenpartijstelsel verdedigd. We vermoeden dat ze dat nu niet meer doet en zeker niet in België. De Derde Internationale op haar vierde congres, dat is in november 1922, heeft het duidelijk over een coalitie van alle, dus meerdere, partijen van de arbeiders. De eerste revolutionaire regering na de oktoberrevolutie in 1917 was trouwens zo een coalitieregering, toen van de Bolsjewieken met de Linkse Sociaal Revolutionaire Partij. Pas achteraf, na de machtsgreep door Stalin, werd de idee verkondigd dat socialisme een eenpartijstelsel veronderstelde. Blijft de PVDA erbij dat dit nodig was in socialisme 1.0 of behoort dat tot de fouten van weleer en wie moet daarvan een bilan opmaken? Tenslotte is de zogenaamde tweestadiatheorie kenmerkend voor het stalinisme. Dat is het uitstellen van socialisme omdat het vereiste ontwikkelingsniveau van de maatschappij nog niet bereikt zou zijn. De socialistische revolutie zou in dat geval vooraf gegaan moeten worden door een nationaal-democratische burgerlijke fase, tot de materiële voorwaarden voor het socialisme gerijpt zijn. Die theoretische constructie is eigenlijk afkomstig van de mensjewieken, de voorlopers van de sociaaldemocratie in Rusland. Trotski antwoordde erop met zijn theorie van de permanente revolutie. Volgens hem was het in de imperialistische fase van het kapitalisme niet meer mogelijk voor achtergebleven landen om op basis van het kapitalisme nog een historische ontwikkeling door te maken vergelijkbaar met die in West-Europa tot pakweg het begin van de 20ste eeuw. De wereldmarkt was intussen immers verdeeld onder de imperialisten. De nationale burgerijen in die landen waren te zwak en teveel verbonden met de feodale macht en het imperialisme om op onafhankelijke basis een progressieve rol te spelen. De taken van de burgerlijke revolutie moesten er bijgevolg door een andere kracht worden doorgevoerd: de arbeiders met steun van de arme boeren. Maar het zou absurd zijn indien de arbeiders, eens ze de macht hebben, zouden stoppen bij de nationaal-democratische taken en niet meteen zouden doorstoten met socialistische taken. Blijft de PVDA erbij – om in haar taal te spreken – dat het in het imperialisme 2.0 mogelijk blijft op basis van de nationaal-democratische revoluties de economie te ontwikkelen? Dat was de positie van de PVDA onder meer bij de machtsovername door Laurent Kabila in Congo in 1997. Of is ze het intussen eens met LSP dat enkel een genationaliseerde en geplande economie een weg vooruit biedt voor die landen? internationalisme “De arbeidersklasse kan maar slagen als een internationale verenigde kracht. De internationale eenheid van de arbeiders is belangrijker dan de nationale eenheid. Het komt erop aan dat ook praktisch te realiseren. Internationalisme is een houding tegenover de wereld. Wij willen die houding vertalen in de oriëntaties en in de praktische initiatieven van de partij. De partij maakt deel uit van de internationale communistische beweging.” (Een beginselvaste partij – PVDA congres 2008).Wij zijn het volledig eens met de PVDA dat de arbeidersklasse alleen maar kan slagen, dat is het socialisme invoeren, als ze internationaal verenigd is. Maar zelfs de meest uitgesproken internationalist kan onmogelijk begrijpen wat die tweede zin nu juist moet betekenen. De praktische realisatie van internationale eenheid verloopt via dezelfde wegen als die van de nationale eenheid: elkaars strijd ondersteunen en ervaringen uitwisselen. Maar indien het daar zou eindigen, zou de nationale arbeidersbeweging er maar arm aan toe zijn. Elkaars strijd ondersteunen en ervaringen uitwisselen, moet gepaard gaan met het gezamenlijk opstellen van een syndicale en politieke strategie, actieplannen en eisenplatformen. Dan pas is de arbeidersbeweging echt bewapend. Helaas is het juist daaraan dat het de syndicale beweging meestal ontbreekt, tenzij op die uitzonderlijke momenten dat de drang naar eenheid aan de basis het gekibbel aan de top doorbreekt. Op internationaal vlak is het nog triestiger. Potentieel kan het Europees Vakverbond (EVV) heel Europa lam leggen. Ze zou de liberaliseringspolitiek en de privatiseringen snel en efficiënt een halt kunnen toeroepen, maar het gebeurt niet. Het is nochtans wat veel syndicale militanten al jaren ‘verwachten’ van het EVV. Ook op politiek vlak mag de internationale eenheid best wat ambitieuzer dan elkaars strijd ondersteunen en ervaringen uitwisselen. Hopelijk kan ook daar een gezamenlijk programma en een strategie ontwikkeld worden voor een ‘regering van de werkers’. Ook internationalisme mag wel wat meer zijn dat een houding van morele verontwaardiging en liefdadigheid. Het is goed dat de PVDA haar houding tegenover de wereld wil vertalen in oriëntaties en praktische initiatieven. Maar beantwoordt dat wel aan de uitdagingen? De burgerij en haar regeringen komen meermaals per jaar samen om hun gemeenschappelijke strategieën uit te werken. Dat gaat over Davos, naar de G20, het IMF, de Wereldbank, talloze lobbygroepen etc. Geheime diensten screenen wereldwijd e-mail verkeer en telefoongesprekken. Er gaat geen enkele belangrijke gebeurtenis voorbij zonder dat de generale staf van de burgerij haar adviseurs ter plaatste stuurt en haar positie met de plaatselijke vertegenwoordigers haarfijn op scherp stelt. De PVDA stelt daartegenover dat ze deel uitmaakt van de internationale communistische beweging. Al in de tijd van Marx stonden we veel verder. In 1864 werd de Internationale Arbeidersassociatie opgericht als een soort internationale generale staf voor de arbeidersbeweging. Ze werd in 1876 ontbonden in de nasleep van de onderdrukking van de Commune van Parijs (1871). In 1889 werd de Tweede Internationale opgericht en na de Russische Revolutie werd in 1919 de Derde Internationale, de Comintern opgericht, die in 1943 onder Stalin ontbonden werd, vooraleer in 1947 de Cominform werd opgericht die in 1956 ontbonden werd. LSP blijft voorstander van een internationale organisatie en maakt daarom deel uit van het Committee for a Workers’ International. Dat is een internationale revolutionaire organisatie met afdelingen in meer dan 40 landen die zich tot doel stelt een nieuwe, een vierde, internationale van revolutionaire socialistische massapartijen uit te bouwen. We organiseren niet alleen internationale solidariteit en uitwisseling van ervaringen, maar trachten tussen te komen in massastrijd, ook daar waar we nog geen vertegenwoordiging hebben, op basis van een gemeenschappelijke tactiek, een gemeenschappelijke strategie en een gemeenschappelijk programma. Het CWI is eigenlijk een internationale revolutionair socialistische partij in wording met nationale afdelingen, met internationale congressen en bijeenkomsten, een internationaal uitvoerend comité en een internationaal secretariaat, naar het model van de Derde Internationale in haar beginperiode tot en met haar vierde congres. Wij denken dat dit het type internationalisme is dat de arbeidersbeweging nodig heeft om te slagen in de socialistische omvorming van de maatschappij. een fenomeen te wijten aan de specifieke conjunctuur van de klassenstrijd Zowel over het programma, als over deelname aan coalities houdt de PVDA een spreidstand aan. De partij beweert wel te staan voor socialisme, in haar versie 2.0, maar in haar dagelijkse praktijk moet dat wijken voor concrete oplossingen voor concrete problemen. Ze spreekt zich uit tegen regeringsdeelname door communistische partijen, maar is tegelijk daartoe bereid op lokaal vlak en uit al wat ze zegt en schrijft, blijkt nu al dat ze ook op een hoger niveau regeringsdeelname op termijn niet wil uitsluiten. Ze steunt de strijd van strijdbare arbeiders in sociale conflicten, maar wil tegelijk op goede voet staan met de vakbondsleiders die weigeren om deze strijd tot zijn logische conclusies door te zetten. Ze doet dat, door de nood aan een crescendo actieplan rond noodzakelijke anti-kapitalistische eisen om te buigen naar het juridische terrein en een vloed aan wetgevende initiatieven. De partij komt daarmee weg zolang de sociale strijd geïsoleerd blijft in een aantal bedrijven of sector per sector. Zolang de vakbondsleiders erin slagen stoom af te laten in massabetogingen, zonder ordewoord voor wat verder zal gebeuren. Zolang stakingen niet meer zijn dan knipperlichtstakingen die al afgeblazen zijn nog voor we goed en wel opgewarmd zijn. Zolang de vakbondsleiders de arbeiders om de tuin leiden door “radicale” betogingen die te pletter lopen op een overmacht van politie, zonder de middelen in te zetten die beantwoorden aan de noden van de strijd. Tot zolang zal de PVDA tegelijk de schijn kunnen ophouden van radicaliteit naar de arbeiders en jongeren toe en van verantwoordelijkheidszin naar de vakbondsleiders en mogelijke toekomstige coalitiepartners. Intussen stapelt de opgekropte woede zich op. Vroeg of laat moet dat tot uitbarsting komen. De betere vakbondsleiders zullen dat weerspiegelen en mee radicaliseren met hun achterban, de mindere zullen door de basis worden voorbij gelopen. Het is best mogelijk dat de PVDA, de meest zichtbare kracht ter linkerzijde, daar in een eerste fase het meest zal op kapitaliseren. Maar een bewuste minderheid, die zal groeien en blijven groeien naarmate de strijd vordert, zal geen genoegen nemen met een partij die twee meesters dient. Zij zullen duidelijke stellingnames verwachten: ordewoorden die een reële stap vooruit betekenen, eisenplatformen die echt het verschil maken, vakbondsleiders die meegaan met de basis en politici die breken met het uitbuiterssysteem. Als de PVDA daaraan niet tegemoet komt, iedereen te vriend wil houden en haar spreidstand tracht aan te houden, zullen zij zich snel afkeren, en met hen vele anderen. Het succes van de PVDA is een fenomeen dat hoofdzakelijk te wijten is aan de specifieke conjunctuur in de klassenstrijd. Het feit dat velen iedere hoop hebben opgegeven dat de sociaaldemocratie, laat staan de christendemocratie en de groenen, ooit nog een progressieve rol zullen spelen. Het gegeven dat ze uitkijken naar iets links van die partijen. Dat het bewustzijn onder brede lagen in de maatschappij over de nood aan een andere maatschappij, het socialistisch bewustzijn, nog steeds te lijden heeft onder de negatieve ervaringen uit het verleden. Dat er wel bereidheid is om directe verbeteringen te ondersteunen, maar dat er nog een groot wantrouwen aanwezig is voor globale oplossingen zoals het socialisme. Dat er in het algemeen een wantrouwen bestaat tegenover partijen, een vermoeden dat macht sowieso corrumpeert en dus ook een zekere terughoudendheid om zich volop te engageren. De PVDA is niet de enige, en al zeker niet de eerste radicaal linkse formatie die dat begrepen heeft. LSP was haar op dat vlak vele jaren voor. Vandaar ons voorstel voor een nieuwe, bredere strijdpartij van de arbeiders, waarin iedere strekking die bereid is de strijd tegen het neoliberalisme aan te gaan haar plaats zou hebben en haar identiteit zou kunnen bewaren. Een dergelijke strijdpartij zou de arbeiders de gelegenheid hebben geboden om directe verbeteringen af te dwingen en geleidelijk aan, op basis van concrete ervaring en gezamenlijke strijd, het socialistisch bewustzijn over de nood aan maatschappijverandering herop te bouwen. In tegenstelling tot de PVDA beschikte LSP echter niet over voldoende kracht om dat zelf op gang te trekken. We waren afhankelijk van het inzicht en de bereidheid van anderen om daar samen met ons aan te bouwen. Van de talloze pogingen die werden ondernomen, was de lijst Debout rond de syndicale delegatie van Forges de Clabecq voor de Europese verkiezingen van 1999 wellicht één van de meest beloftevolle. De lijst kreeg helaas geen verlengstuk omdat het proces tegen de 13 van Clabecq tegen dan alle tijd en energie opslorpte. Ook “Een Andere Politiek”, ontstaan uit de breuk tussen SP.a en ABVV naar aanleiding van het Generatiepact in 2005 kreeg aanvankelijk een zeer sterk gehoor. Het stuikte definitief in elkaar toen Sleeckx besloot om zelf niet meer op te komen bij de verkiezingen. Vandaag lanceert het ABVV van Charleroi-Sud Hainaut een oproep om te banden met de PS te breken en wat zich links van PS en Ecolo bevindt samen te brengen in een nieuwe politieke kracht. De oproep is speciaal gericht aan “PTB, LCR, PSL, PC, linkse christenen en linkse PS’ers en Ecolo’ers als die er nog zijn.” Het ABVV Charleroi Sud Hainaut bracht daarrond een steuncomité bijeen met vertegenwoordigers van alle regionale vakbondscentrales, een waarnemer van de christelijke bediendencentrale (CNE) van de regio en vertegenwoordigers van PTB, PC, LCR, LCT, Front de Gauche Charleroi, Mouvement de Gauche en PSL. Wij deden er het voorstel van een grote meeting in het voorjaar van 2013, in aanloop naar 1 mei, om de discussie aan te vatten met alle syndicale delegaties uit de regio en sympathiserende delegaties elders. We stelden er ook voor om naar de verkiezingen van 2014 éénheidslijsten in te dienen met PVDA in de naam, maar voldoende open voor alle andere deelnemers. We koppelden eraan dat indien dat op federaal en regionaal vlak nog niet verwezenlijkt kon worden, het toch minstens uit te proberen met een pilootproject in Charleroi. De meeting in Charleroi op 27 april bracht 400 militanten samen. In vijf werkgroepen werd er bediscussieerd welke terreinen de traditionele zogenaamd linkse partijen verlaten hebben en we opnieuw moeten innemen. En welk vervolg geven aan deze eerste dag van ontmoeting en reflectie. De werkgroepen besloten dat er nood is aan een radicaal programma en aan “aanwezigheid in het debat bij de verkiezingen van 2014”. In september besloot het regionaal congres van ABVV Charleroi-Sud Hainaut haar bevindingen te publiceren in een brochure die op 10.000 exemplaren verspreid wordt via de syndicale delegaties in de regio, via de centrales en de gewesten en via de militanten van de radicaal linkse partijen die aan het initiatief deelnemen. Later dat jaar volgde een tweede brochure met een noodprogramma dat tegemoet moet komen aan de behoeften van de arbeiders. Op die manier hoopt men het debat te laten inzinken bij de basis en in de syndicale organisaties en naar een tweede, veel grotere meeting te gaan ergens in december 2013 of in januari 2014. Uit dit initiatief blijkt de wil van een belangrijk onderdeel van het FGTB en een deel van het CSC om te breken met de traditionele politieke partners, in de eerste plaats de PS. Voorts de bereidheid om de schouders mee onder een gezamenlijk alternatief links van de sociaaldemocratie en de groenen te zetten, op voorwaarde dat het een democratisch en pluralistisch initiatief is. Er blijkt ook duidelijk respect voor de diverse radicaal linkse partijen en het werk dat ze verzetten, inclusief en vooral de grootste ervan, de PVDA. Maar wat eveneens uit dit initiatief blijkt, is dat het FGTB Charleroi-Sud Hainaut, en tot op zekere hoogte het CNE, voor een politiek alternatief misschien wel hoofdzakelijk, maar zeker niet uitsluitend uitkijken naar de PVDA en dat ze er de voorkeur aan geven ook andere componenten van de linkerzijde, inclusief de verschillende radicaal linkse partijen, erbij te betrekken. Het is in die geest dat LSP op 25 mei 2013, één jaar voor de verkiezingsdatum van 2014, een open brief verstuurde aan FGTB Charleroi, CNE, PVDA/PTB, ROOD!, LCR/SAP, Mouvement de Gauche, Parti Communiste, Parti Humaniste, Gauches Communes Bruxelles, Front de Gauche Charleroi, Véga, Socialisme 21, LEEF!, Ligue Communiste des Travailleurs, Lutte Ouvrière, Groupe Communistes des Travailleurs, Vonk en iedereen die wil strijden tegen het besparingsbeleid. We drukken er onze hoop in uit “te vermijden dat links in gespreide orde naar de verkiezingen van 25 mei 2014 trekt. Het resultaat van deze verkiezingen zal de hardheid van de sociale afbraak mee bepalen maar ook de weerbaarheid van de arbeiders en hun gezinnen.” De brief eindigt met een voorstel: “bij de verkiezingen van 25/05/2014 worden er lijsten ingediend onder de noemer “PVDA – eenheid” of “PVDA+ eenheid” of iets dergelijks. De vrijheid voor elke component om in eigen naam eigen materiaal te verspreiden en haar deelname aan de lijsten toe te lichten. Een lijstvorming waarbij iedere component gemotiveerd wordt om dynamisch campagne te voeren.” type partij Onder het hoofdstuk “het belang van debat” verwezen we naar de discussies tussen Mensjewieken en Bolsjewieken binnen de Russische Sociaal Democratische Arbeiderspartij in aanloop naar de revolutie van 1905. Het belangrijkste debat ging toen over wie lid kon worden van de partij. Voor Lenin en de latere Bolsjewieken was dat iedereen die het partijprogramma onderschrijft, materieel steunt en actief deelneemt in een van de partijorganisaties. Voor Martov en de latere Mensjevieken moest het iedereen zijn die het partijprogramma onderschrijft en regelmatig bijdraagt onder de leiding van een van de partijorganisaties.Voor de lezer kan dat een minimaal verschil lijken. Beide waren er immers voor gewonnen dat de kern van de partij moest bestaan uit “professionele” revolutionairen. Dat zijn geen functionarissen, maar militanten die het bouwen van de partij die de arbeiders zal bijstaan om de maatschappij te veranderen als de belangrijkste taak in hun leven beschouwen. Voor Martov moest die partij ook open staan voor sympathisanten, voor intellectuelen en arbeiders die de zaak genegen waren, maar het niet noodzakelijk zagen als een dagelijkse bekommernis. Voor Lenin moest de partij integendeel een partij van actieve leden zijn. Hoe belangrijk zij die discussie wel achtten, blijkt uit het feit dat zich naar aanleiding ervan twee fracties vormden die uiteindelijk pas in 1912 formeel zouden splitsen. Er waren hoofdzakelijk twee redenen waarom voor Lenin de partij er een van actieve leden moest zijn. Er was een conjuncturele reden, het feit dat de RSDAP actief was in de illegaliteit van het Tsarisme. Dat vergde extra veiligheidsmaatregelen en een strikt en betrouwbaar lidmaatschap om verklikking en verraad tegen te gaan. Zelfs dan volstond het niet om de repressie te ontlopen. Achteraf zou ook blijken dat een van de zes Bolsjewieken die verkozen waren in de 4de Doema, een soort parlement, Roman Malinovsky, eigenlijk een agent was van de tsaristische geheime politie, de Okhrana. Maar er is ook een structurele reden. In tegenstelling tot de burgerij, die ten tijde van de burgerlijke revoluties al een economische macht vertegenwoordigde die ze politiek wou consolideren door alle feodale obstakels uit de weg te ruimen, beschikt de arbeidersbeweging onder het kapitalisme alleen maar over een economische en politieke macht voor zover ze zich bewust is van haar positie als klasse. De socialistische revolutie is dus een veel bewustere daad dan de voorgaande revoluties ooit geweest waren. Dat veronderstelt een orgaan van de revolutie dat systematisch weerwerk biedt tegen de heersende burgerlijke ideologie. Het was om die reden dat de statuten van de Bond der Communisten (1847-1852 met Marx en Engels) voorschreven dat een afdeling, een gemeente noemden ze het, minimaal 3 en maximaal 20 leden telde, zodat ieder lid ook actief betrokken zou worden bij de opbouw. Lenin deelde die redenering. Een socialistische maatschappijverandering doorvoeren, zal bij de heersende klasse op weerstand stoten. Ze zal daarbij alle mogelijke middelen gebruiken om de socialisten te verdelen, twijfel te zaaien en te demoraliseren. Ze zal de arbeidersbeweging niet enkel bestoken met haar ideologie, maar tegelijk haar organisaties verzwakken door intriges, allerlei valse beschuldigingen en infiltratie. Voor Marx, Engels, Lenin en ook LSP is enkel een partij van actieve en politiek onderlegde leden in staat daaraan het hoofd te bieden. Maar we moeten uiteraard waarschuwen voor een formalisme. Hoe strikt met dat algemene principe word omgesprongen, wordt beïnvloed door allerlei factoren. De maatschappijen waarin de Bond der Communisten en de Bolsjewieken hun activiteit ontplooiden, grepen veel gemakkelijker naar repressie dan de westerse democratieën waarin de arbeidersbeweging uitgebreide democratische rechten heeft afgedwongen. We kunnen ons bijgevolg meer soepelheid veroorloven. Vooral over een langere periode neemt het leven soms wendingen waardoor het moeilijker wordt de graad van activiteit vol te houden. LSP houdt daar rekening mee. Arbeiders die in ploegensytemen werken, ouders en vooral alleenstaande ouders, delegees van grote bedrijven met belangrijke verantwoordelijkheden ten aanzien van hun werkmakkers, zijn maar enkele van de vele situaties die de graad van activiteit, zeker als de klassenstrijd op een lager pitje staat, kunnen beïnvloeden. In haar streven van ieder lid een actieve en onderlegde militant te maken, houdt de LSP daar uiteraard rekening mee. Wij denken ook dat een bredere strijdpartij, naast en met deelname van LSP, heel wat arbeiders en jongeren die vandaag nog niet te vinden zijn voor een zo sterk engagement, een kader kan aanbieden voor actie en discussie. Wij zouden zo een brede partij zien als een pluralistisch gegeven, waarin rekening gehouden wordt met de getalsterkte van elke component, maar niet op een brutale manier. Waar dus inclusief tewerk gegaan zou worden, zodat elke deelnemer en deelnemende organisatie aan zijn/haar trekken komt zonder dat een component of een coalitie van componenten haar wil opdringt aan anderen. Wij denken dat daar echt een potentieel voor bestaat. De PVDA benadert dat anders. Ze heeft steeds een structuur gehad van concentrische cirkels, waarbij rechten en plichten afnemen naarmate men zich verder verwijderd bevindt van de kern. Vandaag heeft ze drie lagen van leden: raadgevende, groepsleden en partijmilitanten. Raadgevende leden zijn minimum 18 jaar, herkennen zich in de partij en haar werking en betalen lidgeld, op dit ogenblik 20 euro per jaar of 30 euro per jaar voor twee leden van hetzelfde gezin. Het zou gaan om ruim meer dan 5.000 van de 7.000 leden. Het is de manier waarop de PVDA tracht om te antwoorden op het wantrouwen tegenover partijen, de terughoudendheid om zich te engageren en het teruglopen van het socialistisch bewustzijn waarover we het eerder hadden. Het is een zeer vrijblijvend en beperkt engagement, maar als het er veel zijn, creëert het wel een zekere dynamiek. Volgens LSP is het echter een hoofdzakelijk organisatorische benadering van een politiek probleem. Raadgevende leden hebben het recht om deel te nemen aan de halfjaarlijkse algemene vergadering. Dat is een bijeenkomst voor mensen van een bepaald bedrijf, regio of werkterrein. Ze wordt georganiseerd door een basisgroep, en heeft de bedoeling om de raadgevende leden te betrekken bij activiteiten en campagnes. Ook sympathisanten die overwegen om lid te worden zijn welkom. Stemrecht is voorbehouden voor de leden. Basisgroepen worden samengesteld uit groepsleden en militanten. Dat zouden er afhankelijk van de bron 1.300 tot 1.800 zijn. Groepsleden vormen de tweede laag van leden. Via de basisgroep mogen ze deelnemen aan de besluitvorming. Naast hun jaarlijks lidgeld betalen ze een maandelijkse bijdrage ten belope van 1% van hun inkomen. Zij kunnen om uitzonderingen vragen en daar zou een derde gebruik van maken. Ze moeten deelnemen aan de maandelijkse vergadering van de basisgroep, de werking volgens de partijstatuten en de congresdocumenten aanvaarden en deelnemen aan het partijwerk naar eigen mogelijkheden. Tenslotte zijn er de militanten. Hoeveel dat er zijn, weten we niet met zekerheid, maar we schatten tot 600. De militanten of kaderleden mogen statutair gezien een gemiddeld arbeidersloon verdienen en staan de rest van hun inkomen af aan de partij. Dit geldt ook voor de dokters van Geneeskunde voor het Volk. Ze volgen een scholingsprogramma, nemen deel aan de bijeenkomsten van hun eenheid en nemen de afgesproken taken op zich. Dat is de echte kern, de ruggengraat van de partij. Er zijn militantenkernen die exclusief uit militanten bestaan. Ze nemen deel aan basisgroepen en algemene vergaderingen of hebben een specifiek werkingsterrein. In Zelzate behaalde de PVDA 22% in de gemeenteraadsverkiezingen van 2012. Ze telt er 6 gemeenteraadsleden en 2 OCMW-raadsleden, waarvan één tegelijk in de gemeenteraad zetelt. Volgens het 8ste partijcongres is Zelzate het voorbeeld waar heel de partij moet naar streven. De PVDA beschikt er over een militantenkern van 6 die wekelijks samenkomt, drie basisgroepen die elk maandelijks samenkomen en in totaal 30 leden bevatten en een 200-tal raadgevende leden die twee tot drie keer per jaar aanwezig zijn op een algemene vergadering. (uit “Politiek zonder parlement”, masterproef KUL 2009-2010) de centrale rol van de arbeidersklasseIn de primitief communistische stammenmaatschappijen, de samenlevingsvorm waaronder onze mensensoort 95% van haar bestaan geleefd heeft, bestonden nog geen kasten en klassen, noch het monopolie op het gebruik van geweld dat daaraan verbonden is. Nog in de derde eeuw voor Christus, toen die maatschappijen al zo goed als uitgestorven waren, verklaarde Athanaric, de leider van de Germaanse Visigoten aan een Romeinse veldheer : “Ik heb autoriteit, geen macht”. Daarmee bedoelde hij dat zijn positie uitsluitend gebaseerd was op verdiensten, op de vrijwillige instemming van een aanzienlijke meerderheid van zijn stam, en niet op dwang via een staatsapparaat dat het monopolie had op het gebruik van geweld. In tegenstelling tot de Romeinse veldheer moest Athanaric die autoriteit bijgevolg telkens opnieuw kunnen bevestigen.Voor Marx was de overgang van primitief communisme tijdens de neolithische of landbouwrevolutie naar kasten- en klassenmaatschappijen een noodzakelijk kwaad. Het zou de materiële voorwaarden creëren voor de overgang naar een nieuwe communistische maatschappij, maar dan op een hoger niveau dan de primitief communistische. In die maatschappij zou vrijwillige instemming en natuurlijke autoriteit opnieuw de plaats innemen van dwang en staatsmacht, maar deze keer niet uit noodzaak wegens de tekorten, maar uit vrije wil wegens de overvloed. De nieuwe revolutionaire staat, de staat van de overgrote meerderheid van de bevolking, zou, aldus Engels, maar een halfstaat meer zijn en afsterven naarmate de klassen verdwijnen. Marx noemt de arbeiders de grafdelvers van het kapitalisme. Dat komt door hun plaats in de productie- en eigendomsverhoudingen. In tegenstelling tot andere klassen in de maatschappij zijn arbeiders door die positie maatschappelijk geneigd tot samenwerking, tot solidariteit, tot vrijwillige instemming op basis van gezamenlijk overleg en verdienste. Binnen het productieproces staan arbeiders niet tegenover elkaar als concurrenten maar als opeenvolgende schakels. We weten wel dat de kapitalisten hun uiterste best doen om arbeiders van verschillende bedrijven, van verschillende sites van hetzelfde bedrijf, van verschillende ploegen binnen dezelfde site en zelfs van dezelfde productie-eenheid onderling te verdelen, en dat dit dikwijls lukt. We weten echter ook hoe verbazend snel de natuurlijke solidariteit onder arbeiders zich herstelt zodra ze betrokken worden in strijd. We weten ook dat de kapitalisten, hoewel zij onderling concurrenten zijn, tot een gemeenschappelijke positie kunnen komen als het is om hun klassenbelangen veilig te stellen, uit gemeenschappelijk belang. Maar die eenheid zou zonder de supervisie en opgelegde discipline van een staatsapparaat niet lang overeind blijven. Hun samenwerking vereist hiërarchie, zoals ook de middenklassen in de maatschappij hiërarchische structuren nodig hebben om de eenheid te bewaren, vooral in situaties van strijd. Dat om te illustreren wat vanuit marxistisch standpunt het probleem is met een hiërarchische, gelaagde structuur. In LSP hebben sommigen militanten op basis van verdienste en duurzaam engagement eveneens meer autoriteit dan andere. Hoewel ieder lid dezelfde formele rechten heeft, zal je niet licht verkozen raken in leidinggevende organen zoals afdelingscomités, districtscomités en het nationaal comité als je je niet telkens weer bewijst als militant. Leiding geven is voorbeeld geven, herhalen wij regelmatig. Maar de leden indelen in categorieën of lagen zoals de patroons in de bedrijven arbeiders indelen in categorieën of lagen, is niet alleen vreemd aan de arbeidersbeweging, maar ook schadelijk voor de eenheid. Veel hebben de arbeiders in de kapitalistische bedrijven niet voor het zeggen. Zodra men het bedrijf binnentreedt, eindigt de democratie en begint de dictatuur van de patroon. Er zijn bedrijven die echte productiekazernes zijn en met opzichters en camera’s werken alsof het om gevangenisarbeid ging. Maar in sommige bedrijven hebben de patroons ingezien dat een minimum aan inspraak de productiviteit niet schaadt, maar zelfs opdrijft. Daar wordt soms een zekere soepelheid aan de dag gelegd, zolang men maar weet wie het laatste woord heeft. Zelfs als arbeiders het oneens zijn met elkaar over de manier waarop het werk moet gebeuren, dan nog weten ze dat ze een overeenkomst zullen moeten zoeken om het werk vooruit te laten gaan. Doorgaans zal de minderheid zich aanpassen aan de meerderheid, en in dat geval zullen ze er meestal aan toevoegen: “maar als blijkt dat jullie ongelijk hadden, dan zullen we het opnieuw bediscussiëren.” Kortom ze zullen hun recht als minderheid opeisen, terwijl ze toch loyaal de meerderheidsbeslissing uitvoeren. De meerderheid heeft er geen belang bij om brutaal te zijn tegen de minderheid, want als die voortaan weigert om nog een poot te verzetten, kan de meerderheid het zelf ook vergeten. Tot wanneer er gediscussieerd wordt en vanaf wanneer de gemeenschappelijke uitvoering plaatsgrijpt, hangt af van de dringendheid van de werken. Hoe meer ruimte voor discussie, hoe meer tijd voor democratie. Hoe dringender de uitvoering, hoe groter de nood aan centralisme. In de sociale conflicten past de arbeidersbeweging diezelfde principes op een natuurlijke manier toe. Als een probleem onhoudbaar wordt, leggen de arbeiders het werk neer om de discussiefase aan te vatten. Ze noemen dat geen staking, ze leggen enkel het werk neer om de koppen bijeen te kunnen steken. Ze bespreken er het probleem, zoeken naar de vereiste oplossing, zullen die door hun vertegenwoordigers laten voorstellen aan de directie, overleggen naar welk actiemiddel ze zullen grijpen als de directie weigert en ze beslissen meerderheid tegen minderheid wat ze zullen doen. Er zijn veel mogelijkheden - petities, langzaamaan acties, werken volgens het boekje, stiptheidsacties etc - zolang het bij dreigen blijft, maar zodra de strijd begint, blijft de arbeiders niet veel meer over dan staken en om de efficiëntie uit te breiden, uitbreiding naar solidariteitsstakingen van collega’s in andere sites en bedrijven. Hoe gestaakt wordt, is alweer voorwerp van democratische discussie. Ze zullen dat meerderheid tegen minderheid beslissen. Hoe wordt omgegaan met die meerderheid, zal afhangen van de concrete condities. Zijn er jobs bedreigd? Is de inzet groot? Dan zal die meerderheid haar beslissing opleggen door het bedrijf te blokkeren met piketten. Is de inzet minder groot, dan kan eventueel de voorkeur gegeven worden aan filtrerende piketten, waarbij werkwilligen die aandringen, worden doorgelaten om ze niet geheel in de handen van de patroons te duwen. De stakers zullen dan uitleggen aan de werkwillige dat ze begrip opbrengen voor zijn beweegreden, maar zullen hem meteen uitleggen dat ze van hem op evenveel begrip zullen rekenen als een zwaarder conflict met een grotere inzet een volledige blokkering vereist. In een aantal gevallen zullen ze gebruik maken van zitstakingen en bedrijfsbezetting. Om een staking te doen slagen, is goede, duidelijke en volledige informatie vereist, zoniet zal de patroon elke twijfel aangrijpen om de staking te ondermijnen. Deelname van alle arbeiders aan de discussie is een grotere garantie op succes dan de beslissing om te staken enkel over te laten aan de militantenkernen. Het komt erop aan om zoveel mogelijk arbeiders, van alle bedrijfsonderdelen en alle beroepscategorieën te betrekken, om tot een echt eenheidsfront van alle arbeiders te komen. Maar uiteraard is dit een interne aangelegenheid van de arbeiders en kan het niet de bedoeling zijn om ook vertegenwoordigers van de patroon op zo een vergadering uit te nodigen of toe te staan. Dat is wat Lenin, Trotski en de Derde Internationale voor ogen hadden in het citaat van Herwig Lerouge dat we aanhaalden onder het hoofdstuk coalities, toen ze een arbeidersregering niet definieerden als een Volksfront, maar als “het eenheidsfront van alle werkers en een coalitie van alle partijen van de werkers, zowel in de politieke als in de economische arena, om te strijden tegen de macht van de burgerij en die uiteindelijk omver te gooien.” partijopbouwHeel de benadering van partijopbouw, ook zoals Lenin dat toelichtte in “Wat te doen”, was gebaseerd op de concrete ervaringen van de arbeidersbeweging zoals we dat hierboven beschreven. De partij is geen voorafspiegeling van de toekomstige maatschappij, dat zou niet mogelijk zijn, maar een strijdinstrument van de arbeiders in de huidige, arbeidersvijandige maatschappij. Democratie is in de arbeiderspartij een vereiste om te kunnen komen tot eenheid op vrijwillige basis, maar die arbeiderspartij staat wel onder druk en moet efficiënt, als één man, kunnen reageren als het moet. Vandaar de schijnbaar tegenstrijdige benadering van de interne werking van de arbeiderspartij volgens principes die beide vereisten combineren: democratie en centralisme. Dat is waar het bij democratisch centralisme om draait. De juiste verhouding tussen democratie en centralisme varieert afhankelijk van de dringendheid, de inzet en ook van de maatschappij waarin men ageert.Zowel de PVDA als de LSP baseren zich op het democratisch centralisme. Leidinggevende instanties worden verkozen op relevante vergaderingen. De verkozenen verdienen niet meer dan het gemiddelde arbeidersloon. Op die manier wordt vermeden dat men financieel belang zou hebben bij een verkozen positie. Iedere verkozene kan op ieder moment afgezet en vervangen worden door het orgaan waardoor hij/zij verkozen werd (LSP). Bij de PVDA heet dit dat het mandaat ter beschikking blijft van het orgaan waar de leiding verkozen is. Beide partijen leggen de nadruk op debat en discussie. Bij LSP heet het dat echte partijdemocratie wordt ingevuld door betrokkenheid in een constant discussieproces, waarbij de stemming slechts een momentopname is. Bij PVDA heet het dat er voor het nemen van beslissingen ruimte moet zijn voor debat en discussie. In beide partijen zijn de beslissingen van de hogere organen bindend voor de lagere. Het verschil zit hem niet zozeer in de formuleringen, maar vooral in de concrete toepassing. Samen met de ‘dictatuur van het proletariaat’ van Marx en de idee dat Marx ‘tegen het gezin’ zou zijn omdat hij het de hoeksteen noemt van de kapitalistische maatschappij, is het ‘democratisch centralisme’ zowat de meest gecontesteerde misvatting over het marxisme. In de tijd van Marx had ‘dictatuur’ nog niet de afgrijselijke betekenis van vandaag. Voor Marx was iedere maatschappij waarin de ene klasse heerst over de andere een dictatuur van die heersende klasse. Wat wij burgerlijke democratie noemen, zou hij de dictatuur van de burgerij hebben genoemd. Vandaag zouden we de ‘dictatuur van het proletariaat’ gewoon arbeidersdemocratie noemen. Marx was ook niet tegen het gezin. Waar in de voorkapitalistische maatschappijen de gens, de stam of de familie de kerneenheid was waartoe men behoorde, is dat vanaf de 19 de eeuw het gezin geworden. Marx wees erop dat het kapitalisme het gezin van een vrije associatie van mensen die elkaar liefhebben, had omgevormd tot een politiek economische cel. Met een kostwinner, iemand die zorgde voor het gezin, de ouderlingen en de nakomelingen. Waarbij zowel de nakomelingen als de zorgfiguur dienst deden als arbeidsreserve. In feite wees hij erop dat het kapitalisme een onmenselijke druk zette op het gezin, daar waar voorkapitalistische maatschappijen een aantal van de zorgtaken collectief op zich namen.Democratisch centralisme wordt meestal verward met wat het later is geworden in de stalinistische landen, centralistisch zeker en vast, maar helemaal niet democratisch, integendeel bureaucratisch. Het democratisch centralisme werd in die landen geperverteerd tot een intern politieregime. Het CWI, de internationale waartoe LSP behoort, speelde daarom enige tijd met de idee om de terminologie aan te passen en het “democratische eenheid” te noemen in plaats van “democratisch centralisme”. Dat zorgde echter voor verwarring en tenslotte hebben we toch maar vast gehouden aan de originele term, democratisch centralisme. De stalinistische geschiedschrijvers hebben het democratisch centralisme van Lenin voorgesteld alsof de Bolsjewistische partij sinds 1903 een totalitair regime had ingevoerd waarin de leden blindelings moesten gehoorzamen aan de beslissingen van de leiding. We weten dat de PVDA daar vandaag afstand van neemt. Peter Mertens erkent dat zijn partij het principe van het democratisch centralisme de eerste 25 jaar (dat is dus tot 1995) “eenzijdig verkeerd ingevuld” heeft, door te zeer een top-down benadering te hanteren. (Politiek zonder parlement – masterproef KUL). Toch staat er nog steeds in de statuten van 2008: “om doeltreffend te kunnen werken […] en het partijwerk te verbeteren” mag een lid van zijn mening geen “middel tot obstructie” maken. En verder: “De eenheid van de partij versterken en scheurmakerij bekampen is een fundamenteel beginsel. Fracties of groepen die zich op andere besluiten of andere politieke platforms organiseren, zijn niet toegelaten” (Politiek zonder parlement – Masterproef KUL) Feit is echter dat de Bolsjewistische partij tot 1912 geen partij was, maar een fractie van de RSDAP. Bovendien is heel de geschiedenis van de Bolsjewieken bezaaid met tendensen en fracties. We raden de lezer aan het uitstekende werk van Marcel Liebman, “het Leninisme onder Lenin”, er daarover eens op na te lezen. In de revolutie van 1905 bekritiseerde Lenin vanuit het buitenland de houding die de Bolsjewieken in het binnenland aanvankelijk aannamen tegenover de nieuw gevormde arbeidersraden of sovjets. Zij beschouwden die ten onrechte als concurrentie voor de opbouw van hun fractie. In 1907 was de Bolsjewistische fractie verscheurd door een interne strijd over deelname aan de Doema. De otzovisten of herroepers waren voor het terugtrekken van de afgevaardigden van de RSDAP uit de Doema. Dat waren niet de minste, o.a. Loenacharski, Pokrovski en Bogdanov die samen met Lenin de Bolsjewistische fractie had opgericht, behoorden ertoe. Een andere groep, de ultimatisten, controleerden tot 1909 de Bolsjewistische organisatie in St. Petersburg. Eind 1912 stemde slechts 1 (Muranov) van de 6 Bolsjewistische vertegenwoordigers in de Doema voor de splitsing met de Mensjewieken die nochtans door de Bolsjewistische leiding was voorgesteld. Ook tijdens en na de revolutie was de Bolsjewistische en later de Communistische partij niet het monolithische monster dat men er achteraf van gemaakt heeft. In oktober 1917, kort voor de revolutie, stapten Kamenev en Zinoviev, allebei lid van het centraal comité, naar de pers om hun ongenoegen te uiten over de door de Bolsjewieken geplande revolutionaire opstand. In 1918 werd onder leiding van Boecharin, die later naar rechts zou opschuiven, een fractie gevormd die zich verzette tegen de vrede van Brest-Litovsk en ijverde voor de verderzetting van de oorlog als een revolutionaire oorlog. Zij publiceerden “De Kommunist” en pleiten voor een sneller tempo in de nationalisaties en tegen de overbureaucratisering van de staat. Vanaf maart 1919 werd een groep gevormd die de “Decisten” noemden, groep voor democratisch centralisme met onder andere Smirnov. In 1920 werd de Arbeidersoppositie opgericht. Onder andere Alexander Shliapnikov, die commisssaris (minister) van arbeid was na de oktoberrevolutie en Alexandra Kollontai maakten er deel van uit. Na de rebellie in Kronstadt in 1921 werden de fracties ontbonden omdat het oorlogscommunisme en de burgeroorlog eenheid vereisten. Toch werden een aantal van hun voorstellen overgenomen en een aantal van hun leiders, zowel van de decisten als van de arbeidersoppositie, opgenomen in het centraal comité. De voorstelling alsof tendensen en fracties tot scheurmakerij leiden is een stalinistische vervalsing. De PVDA maakt daarmee een vast principe van een uitzonderingsmaatregel die de Bolsjewieken met tegenzin toepasten na bijna vier jaar oorlog en in een situatie van vijf jaar burgeroorlog. In augustus 1918 werd Oeritski, chef van de veiligheid, in een aanslag vermoord. Lenin ontsnapte diezelfde dag aan een moordaanslag. In september 1919 werden bij een aanslag op het hoofdkwartier van de Moskouse Communistische Partij 12 leden gedood en 55 gewond, waaronder Boecharin. Vierentwintig vreemde legers waren Rusland binnengevallen, onder meer uit Japan, de VS, het VK, Frankrijk, Italië, Canada, China, Duitsland etc... Dat waren de grootmachten van destijds, die elke verzwakking van de nieuwe arbeidersstaat op alle mogelijke manieren uitbuitten. Dat was de conditie waarin de partij een einde maakte aan het fractierecht. Er zat toen niets anders op, maar zij waren zich ook bewust van het gevaar dat ze daarmee de democratische discussie in de Communistische Partij verstikten. Het was bedoeld als een tijdelijke noodmaatregel om een bloedige contrarevolutie het hoofd te bieden. Hoe benadert LSP dat vandaag? “Zolang voldaan wordt aan de voorwaarden van lidmaatschap, heeft ieder lid het recht om binnen de structuren van LSP/PSL afwijkende meningen kenbaar te maken, zowel mondeling als via geschreven teksten... Tendensen en fracties kunnen, op hun vraag, erkend worden door het Nationaal Comité. Hiermee mag niet lichtzinnig omgesprongen worden. Dit kan enkel op basis van een geschreven platform, rond belangrijke meningsverschillen en na een periode van mondelinge en schriftelijke discussie om de meningsverschillen te verduidelijken. Van de minderheid wordt verwacht dat ze gedisciplineerd de meerderheidsbeslissingen uitvoert, gekoppeld aan haar onvervreemdbaar recht om zich als groep op te stellen ... en over democratische rechten te beschikken zoals het voorstellen van haar standpunten aan de gehele organisatie in een Intern Bulletin gedurende de discussieperiode binnen de organisatie; de mogelijkheid om op nationaal vlak tussen te komen in de discussies ter voorbereiding van het Nationaal Congres na voorafgaande raadpleging van het Nationaal Comité; in het Nationaal Comité vertegenwoordigd te zijn voor wat tendensen en fracties betreft.” (statuten LSP) LSP is het ook oneens met diegenen die de democratie in een partij willen afmeten aan het aantal tendensen en fracties ervan. Een tendens is een groep leden die zich verenigen rond een platform, een aantal meningsverschillen hebben met de partij, maar in tegenstelling tot een fractie niet staan voor een ommezwaai van de volledige politiek en een alternatieve leiding. De oprichting van een tendens en zeker een fractie mag niet lichtzinnig worden genomen, het is altijd een nederlaag voor de partij. Het is immers het resultaat van onvermogen om een gemeenschappelijk standpunt te bereiken op basis van discussie. Soms is echter de ervaring van de praktijk vereist om een discussie op te helderen. We zijn het eveneens oneens met die partijen die het tendensrecht en/of fractierecht willen beperken tot de discussieperiode voorafgaand aan een congres. Een meningsverschil wordt niet noodzakelijk opgehelderd op een congres en in dat geval is het beter de rechten van een minderheid te erkennen en te respecteren dan die minderheid het zwijgen op te leggen omdat ze het pleit verloren heeft. Volgens ons was dat ook de algemene benadering van de Bolsjewieken tot aan de stalinistische contrarevolutie uitnodiging voor samenwerkingWe beseffen dat de lezer met deze publicatie heel wat te verwerken heeft gekregen. Wellicht hebben sommigen onderweg afgehaakt, helaas. We zijn ingegaan op de talloze meningsverschillen tussen twee stromingen die een lange geschiedenis met zich meedragen en over een heel pak onderwerpen een verschillende visie hebben ontwikkeld. Maar zowel de PVDA als LSP zijn geen statische gegevens, maar partijen in ontwikkeling. De historische voorbeelden die we overliepen, hebben hun belang, ook voor de benadering van beide partijen vandaag, maar toch raden we de lezer aan om niet alleen achteruit, maar ook vooruit te kijken.Het is duidelijk dat de PVDA een belangrijke verandering heeft ondergaan. Die verandering zal zich naar ons oordeel de komende jaren blijven doorzetten. De partij heeft bovendien de hoop opgewekt van heel wat arbeiders en jongeren om links opnieuw op de politieke kaart te zetten. Ze staat voor een electorale doorbraak die LSP bereid is mee te ondersteunen. De lezer heeft intussen begrepen dat we daar concrete voorstellen voor doen. We denken echter dat het succes van de PVDA niet zozeer een voorkeur voor die partij uitdrukt, maar vooral het streven om eindelijk opnieuw echt linkse vertegenwoordigers van de arbeidersbeweging op het publieke terrein te zien verschijnen. Aangezien de PVDA daarvoor het best geplaatst lijkt, richten heel wat jongeren en arbeiders zich in de eerste plaats naar haar. De PVDA kan daar op allerlei manieren op reageren. Ze kan beseffen dat ook de honderden militanten die zich niet in haar rangen bevinden, mee aan de basis liggen van het klimaat dat de wind vandaag in haar zeilen doet blazen. Ze kan zich aan het roer plaatsen, die honderden anderen met wederzijds respect voor diversiteit uitnodigen om plaats te nemen, en samen bouwen aan een kracht die het meest strijdbare deel van de arbeiders en jongeren op enkele jaren tijd een massale eigen strijdpartij aanbiedt. Ze kan met andere woorden de objectieve belangen van de arbeiders centraal stellen, zoals ook Lenin deed toen hij de Bolsjewieken aanspoorde in 1905 om zich in te schakelen in de pas gevormde arbeidersraden. Wij denken dat dit cruciaal was voor de Bolsjewieken om in oktober 1917 de volledige arbeidersbeweging achter haar programma van socialistische revolutie te scharen. Met onze open brief voor gemeenschappelijke PVDA-Eenheidslijsten hebben wij, alle proporties in acht genomen, een praktisch voorstel gedaan in de richting van zo een scenario. De PVDA kan echter ook een andere weg kiezen. Ze kan ervoor opteren om nu de wind mee zit, het laken naar zich toe te trekken. Ze kan met andere woorden de positie innemen van die Bolsjewieken in 1905 die in de arbeidersraden geen mogelijkheid, maar een concurrent zagen. Ze kan trachten die honderden militanten die zich niet in haar rangen bevinden af te scheiden van de stroom die op gang is gekomen, hen isoleren in de hoop dat ze hun ideeën opgeven, dat ze gedemoraliseerd raken of herleid worden tot roependen in de woestijn. Die strategie kan misschien wel werken op korte termijn, maar zou op iets langere termijn een zoveelste gemiste kans zijn. LSP houdt rekening met elk scenario. We hebben gewezen op het potentieel en zullen alles doen wat in onze mogelijkheden ligt om dat te realiseren. Maar zelfs als dat potentieel vandaag niet gerealiseerd wordt, zijn we overtuigd dat de crisis van het kapitalisme, de systematische aanvallen op de arbeidersbeweging, steeds nieuwe golven van verzet zullen aansturen. Nieuwe kansen zullen zich blijven voordoen en intussen zal LSP haar krachten opbouwen om die ook maximaal te benutten. We roepen elke rechtgeaarde linkse socialist op om onze rangen te vervoegen en vanaf nu mee te bouwen aan een partij die staat voor de socialistische omvorming van de maatschappij. Ten aanzien van de PVDA zullen we voorstellen blijven doen en tegelijk de oriëntaties van die partij bekritiseren wanneer nodig, zoals we eerder in deze publicatie deden. We doen dat niet om punten te scoren, maar om te vermijden dat de PVDA dezelfde weg opgaat van andere linkse formaties en de aangeboden kansen verkwanselt in machtsdeelname. We nodigen de PVDA uit om haar bondgenoten niet te zoeken op haar rechterflank. Daar is niet meer te halen dan een judaskus om de PVDA aan het beleid te verbranden. De bondgenoten bevinden zich op de linkerflank. Bij diegenen die in strijdbewegingen aan dezelfde kant van de barricade staan. Ze zijn kleiner en ze zijn franker, maar ze staan in tegenstelling tot de rechterflank aan de kant van de arbeiders en de onderdrukten en ijveren elk op hun manier voor echte, in ons geval socialistische, maatschappijverandering. Voorwoord (1) Interview in Humo, april 2014. Gepubliceerd op: pvda.be/artikels/ (2) Tekst Solidariteitscongres pagina 13 (3) “Peter Mertens: ‘Met 1-1 in de rust tegen de regering nu de antikapitalistische en antiracistische strijd verbinden’” op socialisme.nu, website van de Internationale Socialisten (Nederlandse afdeling van de stroming rond de Britse SWP). socialisme.nu/blog/nieuws (4) De Standaard 4 april 2015. Interview overgenomen op pvda.be/artikels/peter-mertens (5) “7 oktober als startpunt van nieuw actieplan – lessen uit het vorige actieplan”, De Linkse Socialist september 2015 (6) De Standaard 4 april 2015. Interview overgenomen op pvda.be/artikels/peter-mertens (7) In de PVDA congrestekst wordt dit als volgt omschreven: “We hebben nu veel meer het profiel van een politieke partij die principieel haar visie verdedigt, maar ook soepel en tactisch weet op te treden, met respect voor de vakbonden” (p. 85) Elders wordt expliciet afstand genomen van de opstelling van de PVDA in het conflict rond Forges de Clabecq toen de ABVV-delegees rond Roberto D’Orazio uit het ABVV werden gezet, dit wordt nu door de PVDA gezien als een ‘confrontatiestrategie met de vakbonden’. In passages over ‘de vakbonden’ maakt de PVDA doorgaans geen onderscheid meer tussen leiding en basis. (8) “Griekenland. Vooruitzicht van overwinning door Syriza versterkt hoop”, socialisme.be op 21 januari 2015. www.socialisme.be/nl/21649/
(9) “Griekenland. Vooruitzicht van overwinning door Syriza versterkt hoop”, socialisme.be op 21 januari 2015. www.socialisme.be/nl/21649
(10) “Het Plan De Man” door François Bliki, Vonk februari 1983, online op: www.socialisme.be/nl/20806/ (11) Leon Trotski over het Plan De Man, www.marxists.org/nederlands
(12) “Waarom een linkse regering met het kapitalisme moet breken”, artikel door Paul Murphy verschenen op 16 november 2014. www.socialisme.be/nl/20483
(13) “Waarom Syriza kapituleerde en een alternatieve weg om de besparingen te stoppen”, artikel door Paul Murphy verschenen op 16 juli 2015. www.socialisme.be/nl/24573
(14) Zie interviews met Andros Payiatsos: www.socialisme.be/nl/24957 en www.socialisme.be/nl/24933 (15) “Peter Mertens: ‘Wij zijn het Syriza aan de Schelde’”, Knack.be 27 januari 2015. www.knack.be/nieuws/belgie
(16) “Dertien stellingen over het Dictaat van Brussel, Griekenland en de toekomst van Europa”, Peter Mertens 28 juli 2015 pvda.be/artikels/dertien-stellingen
(17) Interview met Peter Mertens en Raoul Hedebouw in Knack (5 augustus 2015) (18) “Dertien stellingen over het Dictaat van Brussel, Griekenland en de toekomst van Europa”, Peter Mertens 28 juli 2015. pvda.be/artikels/dertien-stellingen (19) PVDA Solidariteitscongres, tekst p. 36 (20) “Welke ideeën om de samenleving te veranderen?”, recensie door Geert Cool in ‘De Linkse Socialist’ zomer 2015. www.socialisme.be/nl/24505/welke-ideeen (21) “Om het besparingsbeleid te stoppen, moeten we vechten voor een nieuw systeem”, door Jarmo Van Regemorter, De Linkse Socialist zomer 2015 (22) “De dreigende catastrofe en hoe die te bestrijden” door Lenin, september 1917. www.marxists.org/nederlands/lenin (23) PVDA congrestekst p. 118-119 (24) PVDA congrestekst p. 155 (25) Alle citaten uit de PVDA Congrestekst pagina’s 40-43 (26) PVDA Congrestekst, p. 45 (27) In de slag bij Stalingrad kon de Sovjet-Unie het halen van de nazi’s, maar er werd een hoge prijs betaald voor eerdere foute inschattingen zoals de illusie dat het Stalin-Hitler pact tien jaar tijdswinst zou geven in de oorlog. Het louter toeschrijven van de overwinning op nazi-Duitsland aan de Sovjet-Unie gaat voorbij aan de belangrijke rol die verzetsbewegingen speelden in de strijd tegen het nazisme. Er moet overigens opgemerkt worden dat het stalinisme een doorslaggevende rol speelde in het verraden en stoppen van sociale verandering in het westen van Europa, terwijl in het oosten marionettenregimes werden gevestigd. Zie voor een uitgebreidere analyse: www.marxisme.be/n/2013/04/ (28) PVDA Congrestekst, P. 160 (29) “PVDA wordt jonger, vrouwelijker en niet enkel meer van de arbeid”, apache.be op 11 juni 2015. https://www.apache.be/2015 (30) Interview met Knack op 5 augustus 2015 (31) De Tijd 3 maart 2014 (32) PVDA Congrestekst, p. 17 (33) PVDA Congrestekst, p. 188 (34) PVDA Congrestekst, p. 224 (35) PVDA Congrestekst, p. 138-139 (36) “PVDA houdt Protest Parade”, socialisme.be 21 oktober 2014, www.socialisme.be/nl/19927/ (37) “Politieke alternatieven voor de arbeidersbeweging in de 21ste eeuw”, Conferentietekst LSP/MAS november 2003. www.marxisme.be/n/archief 1. Welke houding tegenover de PVDA (1) In het bijzonder onze congresteksten sinds het begin van het millenium die de lezer kan raadplegen op marxisme.be (in de rubriek ‘interne partijdocumenten’). (2) Quantitative Easing komt neer op geldcreatie door de Amerikaanse centrale bank, de Federal Reserve. Abenomics verwijst naar de economische politiek van de Japanse premier Abe, eveneens een politiek van massale geldcreatie. In 2012 moesten eigenaars van Griekse staatsschuld een zogenaamde haircut slikken waarbij ze de terugbetaling van een deel van die schulden mochten vergeten. (3) uit ‘Herinneringen aan Lenin’ van Kroepskaja (4) Debout was een lijst voor de Europese verkiezingen rond de syndicale delegatie van Forges de Clabecq waaraan ook PVDA, de voorlopers van LSP en die van LCR/SAP deelnamen; PC-RDS in Wallonië en RDS-PC in Brussel waren eenheidslijsten voor de parlementsverkiezingen van 2003 rond de Parti Communiste waaraan de voorlopers van LSP deelnamen; Leef is een lokale links-ecologische lijst in de Vlaamse Ardennen, in 2000 koos een linkse eenheidslijst waaraan de voorlopers van LSP deelnamen voor die naam bij de gemeenteraadsverkiezingen in Gent; het Comité voor een Andere Politiek was een beweging die ontstond na de strijd tegen het Generatiepact in 2005 rond voormalig SP-volksvertegenwoordiger Jef Sleeckx waaraan LSP en SAP deelnamen; het kartel van de Parti Communiste, Parti Socialiste de Lutte, Ligue Communiste Révolutionaire en Parti Humaniste (PH) nam deel aan de verkiezingen voor het Brussels hoofdstedelijk parlement in 2009; LCR-PSL was een kartellijst voor het Franstalig kiescollege voor de Europese verkiezingen van 2009; het Front des Gauches was een gezamenlijk initiatief van PC, PSL, LCR, PH, CAP en Velorution voor de Kamer- en Senaatsverkiezingen van 2010; Rood was de verderzetting van SPa-Rood nadat het in 2011 de SP.a verlaten had, het nam deel aan de gemeenteraadsverkiezingen van 2012 en kreeg de steun van LSP en SAP; Front de Gauche nam deel aan de gemeenteraadsverkiezingen van 2012 met lijsten in onder andere Charleroi, La Louvière en Courcelles, het was een samenwerking van PC, PSL en onafhankelijken; Gauches Communes is een samenwerking van PSL, PH, onafhankelijken en CAP Brussel en legde voor de gemeenteraadsverkiezingen van 2012 lijsten neer in St. Gillis, Elsene, Anderlecht en Jette; Vega is een Luikse progressieve coöperatieve die deelnam aan de gemeenteraadsverkiezingen van 2012 met PSL-leden op de lijst (5) De Derde Periode politiek werd in 1928 afgekondigd. Rode vakbonden moesten de oude vakbonden vervangen en elke samenwerking met andere strekkingen van de arbeidersbeweging, sociaal fascisten genoemd, moest worden afgewezen. In 1934 werd die politiek ingeruild voor deelname aan Volksfronten met de zogenaamde progressieve delen van de burgerij. (6) Vreedzame co-existentie werd de buitenlandpolitiek van de Sovjetunie onder Chroestjsjov met het argument dat dit wegens de dreiging van een atoomoorlog in ieders belang was. De ‘theorie van de drie werelden’ deelde de wereld in drie kampen in, het imperialisme (de VS en de Sovjetunie), de ongevaarlijke kapitalistische staten en de derde wereld. 2. Een Brok geschiedenis (1) De toenmalige voorzitter van de Vlaamse Vereniging van Studenten, Gaby Van Dromme, schreef het ‘Dokument 19 mei ‘66’ waarin het relaas van de mei-opstand van 1966 werd gedaan. (2) Brecht Henkens - Vertegenwoordiging of Voorhoede? De Vereniging van Vlaamse Studenten, 1938-1977 (3) De weg naar de Partij van de Arbeid (1977-1979) (4) Louis Vos, “Studentenprotest in de jaren zestig. De stoute jaren.” Tielt (Lannoo) 1988, (met Mark Derez, Ingrid Depraetere en Wivina van der Steen) (5) Meer over het Sino-Sovjetconflict en Mao’s Grote Proletarische Culturele Revolutie in de volgende hoofdstukken. (6) Mao Zedong 8 augustus ’66 – geciteerd door Martens en Merckx (7) De Verenigde Oppositie was een alliantie tussen de Linkse Oppositie met onder meer Trotski en de Nieuwe Oppositie met onder meer Zinovjev en Kamenev. In 1927 schreven 83 oude Bolsjevieken een verklaring die de basis vormde voor hun samenwerking. De verklaring werd door 3.000 communisten ondertekend. (8) De Nieuwe Economische Politiek – NEP – werd in de zomer van 1921 op voorstel van Lenin aangenomen door de Communistische Partij. Het omvatte een beperkt herstel van marktelementen in de landbouw, de handel en de lichte industrie. Dat was nodig omdat het vertrouwen in de planeconomie ondermijnd was door de systematische inbeslagname van voedsel en andere goederen tijdens de periode van de burgeroorlog, het zogenaamde oorlogscommunisme. Men zou erop toezien dat de kapitalistische sector de sleutelsectoren en het staatsmonopolie op de buitenlandse handel niet zou ondermijnen. Het was de bedoeling op basis van de productiviteitsgroei in die sectoren meteen de sleutelsectoren in de industrie mee te ontwikkelen door middel van een vaste opbrengstbelasting. Daarvoor gebruikte men het beeld van de schaar waarvan beide lemmeten nodig zijn om te knippen. Het was de bedoeling dit geleidelijk terug te schroeven naarmate de economie zich herstelde. De Linkse Oppositie pleitte ervoor om dit te doen via de invoering van een vijfjarenplan. Stalin verzette zich eerst, maar nam na de uitschakeling van de oppositie toch de idee van een vijfjarenplan over. Hij voerde het echter op een brutale, gedwongen en zeer repressieve manier door waardoor veel boeren hun veestapel slachtten. Het leidde in de Oekraïne tot de holodomor, een hongersnood die miljoenen levens opeiste. De politiek van de Derde Periode en van de Volksfronten werden eerder toegelicht in voetnoot 6 (9) In ‘L’attitude de la social-démocratie à l’égard du mouvement paysan’ (10) Om het lezen van dit en volgend hoofdstuk te vergemakkelijken zetten we de namen van de verschillende spelers op een rij: De voorstanders van de culturele revolutie: Lin Biao – wordt minister van defensie in 1959, vanaf 1966 tweede man na Mao, in 1970 uit de gratieChen Boda – wordt in 1966 voorzitter van de Culturele Revolutiegroep, vanaf 1969 verzwakt zijn positie, in 1973 veroordeeld als revisionistisch agent Jiang Qing – derde vrouw van Mao, deel van de Culturele Revolutiegroep, aangehouden en veroordeeld in het proces van de Bende van Vier Tegenstanders: Peng Dehuai – minister van defensie die de Grote Sprong Voorwaarts bekritiseert, in 1959 weggezuiverd Wu Han – auteur van een toneelstuk dat door de Culturele Revolutiegroep geviseerd wordt, weggezuiverd in 1966 Peng Zhen – beschermheer van Wu Han, burgemeester van Peking, in 1966 beschuldigd van fractievorming en weggezuiverd Liu Shaoqi – president vanaf 1959, op portretten naast Mao, in 1967 gedwongen af te treden en overleden in 1969 Deng Xiao Ping – in 1969 uit de CCP gezet, gerehabiliteerd in 1973, zal in 1979 marktgerichte hervormingen doorvoeren Middenpositie: Zhou Enlai – lanceert als premier in 1956 Laat Honderd Bloemen Bloeien, wint uiteindelijk de strijd tegen de Culturele Revolutiegroep, maar sterft in 1976, een paar maand voor Mao’s dood Hua Guofeng – volgt Mao in 1976 op, arresteert de Bende van Vier en draait excessen culturele revolutie terug, in 1978 door Deng Xiao Ping opzij gezet. Inhoud - PVDA en LSP - Verschillen en mogelijke raakvlakken in de opbouw van een politiek alternatief |