|
Doctorale proefschriften — Theses de doctorat Wouter Steenhaut, De Unie van Hand- en Geestesarbeiders. Een onderzoek naar het optreden van de vakbonden in de bezettingsjaren 1940-1944, R.U.G., 1983, promotor : H. Balthazar. Overgenomen van www.journalbelgianhistory.be In de publicaties en de geschriften over de Tweede Wereldoorlog wordt doorgaans geen aandacht besteed aan de syndicale ontwikkelingen. Indien de syndikale evolutie dan toch nog wordt aangeraakt, wordt ze voorgesteld als een geïsoleerde ontwikkeling, zonder enig verband met de andere maatschappelijke groepen, die uiterst bedrijvig waren op politiek en economisch gebied, ofwel wordt de nadruk gelegd op het syndicaal verzet. De syndicale collaboratie wordt meestal in een zwart-wit tegenstelling summier behandeld. De redenen waarom tot nu toe weinig aandacht werd besteed aan de syndicale collaboratie zijn divers. De beperkende Belgische archiefwetgeving, de zwijgzaamheid van sommige vakbonden over hun oorlogsverleden, de ontoegankelijkheid van hun archieven, en de wijze waarop België de oorlog en de naoorlogse periode heeft beleefd en geëvalueerd, zijn er enkele van. De verschillende mythes, die tijdens en vooral na de oorlog door de betrokkenen werden geconstrueerd, bleven tot nu als de historische waarheid gelden. Met zijn monografie "De Unie van Hand- en Geestesarbeiders. Een onderzoek naar het optreden van de vakbonden in de bezettingsjaren 1940-1944" tracht de auteur de juiste toedracht van de UHGA, haar voorgeschiedenis, haar evolutie, de motivaties van de collaborerende syndicale leiders, de constanten in hun attitudes en in het optreden van de nationaal-socialistische bezetter, en de maatschappelijke machtsmechanismen, te achterhalen. Aldus worden in zijn studie, talrijke mythes over de syndicale beweging tijdens de bezetting ontsluierd en doorprikt. In het beginstadium van zijn onderzoek was het documentenbestand beperkt, niet coherent, partieel en onvoldoende voor zijn studie. Het A.C.V. en de A.C.L.V.B, sloten hun archieven, het A.B.V.V. bezat geen relevante documentatie. Het archief van de UHGA zelf was onvindbaar. Mondelinge getuigenissen konden de archiefleemten niet opvullen. Zijn archiefprobleem werd opgelost door de vondst van een gedeelte van het archief van de Dienststelle Dr. W. Hellwig, die verantwoordelijk was voor het "Gleichschalten" van de werknemers- en werkgeversbonden, in de Archives Nationales te Parijs. Dit Duits archief bevat tevens stukken uitgaande van de Belgische vakbonden en van de UHGA zelf. De studie vangt aan met de eerste preventieve organisatorische en financiële maatregelen, die de vakbonden troffen in het vooruitzicht van een eventuele bezetting. Reeds vanaf de annexatie van Su-detenland (1938) beslisten het A.C.V. en B.V.V. om ideologische motieven tot schorsing van elke vorm van syndikale activiteit in geval van een nazi-bezetting. De werkelijkheid verliep echter totaal anders. De meerderheid van de leiders bleek bereid de activiteit niet alleen te hervatten, maar zelfs te herdefiniëren en te herstructureren. Door de opbouw van een zeer preciese chronologische volgorde der besprekingen en gebeurtenissen legt de auteur de dieperliggende motivaties hiervan bloot. Dit eerste deel van zijn studie loopt tot en met de stichting van de Unie van Hand- en Geestesarbeiders (22 november 1940). Deze stichting kan gezien worden als het eindpunt van het Belgisch initiatief op syndicaal gebied. Elke vakbond verklaarde zich bereid mee te werken aan de opbouw van de nieuwe éénheidsvakbond, zoals die door de Duitse bezetter werd voorgesteld. Het tweede deel is hoofdzakelijk gericht op de analyse van de verschillende structurele opbouwfases van de autoritaire éénheidsvakbond, die door de Duitsers als het middel werd gezien om de vroegere — vooral socialistische — vakbonden zowel organisatorisch als ideologisch uit te schakelen. Dit zal uiteindelijk geconcretiseerd worden met de vervanging van de "socialistische" voorzitter van het leidinggevend Comité van Acht van de UHGA, F.R. Grauls, door de ex-socialist en V.N.V.'er Edgard Delvo op 28 maart 1942. Dit is tevens het eindpunt van zijn tweede deel. Hiervoor heeft hij zich laten leiden door het criterium dat tijdens de epuratie gehanteerd werd voor de gerechtelijke vervolging van de UHGA-medewer-kers. Pas na de aanstelling van Edgard Delvo zou men van verraad en collaboratie kunnen spreken. Delvo werd als een organisatorische en ideologische breuk beschouwd in de evolutie van de UHGA. Door zijn onderzoek blijkt nu dit criterium contradictorisch te zijn aan het feitelijk gebeurde. De Delvo-periode (28 maart 1942-september 1944), die het derde deel van zijn studie vormt, was in feite een krachtdadiger en openlijker doorzetten van vroegere genomen organisatorische en ideologische beslissingen : een autoritaire gecentraliseerde departementale structuur, de belijdenis tot het nationaal-socialis-me, o.m. in de strijd tegen het bolsjevisme, het principe van de be-drijfsgemeenschap, de uitbouw van het sociaal dienstbetoon en van de vrijetijdsbesteding als surrogaat van haar sociaal-politieke onmacht en die tevens door de Müitarverwaltungschef Reeder als middel werd gezien om de politiek ambitieuze Duitse-Vlaamse Arbeidsgemeen-schap (De Vlag) en de SS te blokkeren. In zijn besluiten poneert de auteur dat het foutief is te beweren dat enkel de sociaal-economische nood van de arbeiders en de zogezegde concurrentie van de nationaal-socialistische Arbeidsorde grote gedeelten van het B.V.V., van het A.C.V. en van de A.C.L.V.B, gedwongen hebben tot de herneming, de herstructurering en de herdefiniëring van de syndicale beweging na 28 mei 1940. Met talrijke bewijzen doorprikt hij de mythe als zou van een ideologische en van een politieke heroriëntering geen sprake geweest zijn. De verkondigde ideologische en politieke stellingnamen moesten het autoritair corporatieve souvereine België rond de koning schragen. In zijn proefschrift staat centraal dat vooral deze politieke factor de stuwende motor was achter de vele syndikale initiatieven zowel van het Nieuwe B.V.V. met H. De Man, van het Vlaamse A.C.V. met A. Cool, P.W. Se-gers, Kardinaal Van Roey en secretaris-generaal Verwilghen, als van de liberale vakbond met A. Colle en graaf M. Lippens. De syndikale herleving maakte een inherent onderdeel uit van wat op politiek gebied leefde, gehoopt en gesmeed werd. Deze politieke context zal het syndikaal optreden tot in 1941 bepalen, zelfs al moest men hiervoor de Duitse belangen tijdelijk bewust dienen. De federatieve Syndicale Unie der Belgische Arbeiders, die door het A.C.V. het Nieuwe B.V.V. en de A.C.L.V.B. in oktober 1940 zou gesticht worden, moet in deze context geplaatst worden. Dit initiatief werd sterk aangemoedigd door Leopold III. Het zou een bouwsteen zijn van het verhoopte autoritaire royalistische België. Deze Syndicale Unie loopt parallel met de context van het latere onderhoud van Leopold III met Hitler te Berchtesgaden op 19 november 1940 : nog vóór dit gesprek wees de Duitse overheid de Syndicale Unie af om politieke en organisatorische redenen en verving het door de eenheidsvakbond, U.H.G.A. In deze politieke context wordt het syndicaal concurrentieel motief als tweede stuwende factor begrijpelijk. Zowel het Nieuwe B.V.V. (H. de Man) als het A.C.V. (A. Cool, P.W. Segers) hoopten op een syndicale overmacht in het soevereine België. In deze concurrentiestrijd poogden ze hun machtsposities te versterken door eventuele afzonderlijke akkoorden met Arbeidsorde en de Verdinaso-corpora-ties. De verkleefdheid van deze laatste organisaties aan het nationaal-socialisme en de Duitse bezetter vormden allerminst een hinderpaal voor de twee concurrerende vakbonden. De mythe van de dreiging van Arbeidsorde blijkt in zoverre juist te zijn dat zij een verzwakking zou betekenen voor het Nieuwe B.V.V. en vooral voor het A.C.V. ten opzichte van elkaar in hun onderlinge machtswedijver. Toen de hoop op een soeverein België, de berekening op een machtspositie of op een eigen zelfstandig bestaan in de U.H.G.A. verdwenen, trokken het A.C.V. en verschillende socialistische en liberale leiders zich terug uit de eenheidsvakbond. De kerende Duitse oorlogskansen versnelden deze evolutie. Daarna ontwikkelde de U.H.G.A. zich als een afhankelijk onderdeel van de politieke context van de collaboratie, en meer bepaald van de machtsstrijd tussen de Militarverwaltung en de SS, tussen het V.N.V. en de DeVlag. De politieke gezindheid van de nieuwe Unieleider, de V.N.V.'er Edgard Delvo, verzwaarde nog meer dit politiek aspect. Uiteindelijk heeft zijn vooropgestelde politieke neutraliteit tussen het V.N.V. en DeVlag hoofdzakelijk deze laatste organisatie en de SS bevoordeligd. Hij zag de U.H.G.A. als de toekomstige sociale organisaties van de enige erkende nationaal-socialistische partij, die in Vlaanderen DeVlag zou zijn. De dubbele politiek van de Belgische bonden tegenover de bezetter, was een volledige onderschatting van het totalitair karakter van het nazisme. Naast de syndicale machtsverwerving in een nieuwe politiek kader en de autoritaire corporatieve opvattingen op politiek en sociaal vlak waren de andere constanten : het anti-socialisme van de leidende Belgische kringen, van het A.C.V., van het A.C.L.V.B. en van de Duitse bezetter, de Duitse bezorgdheid om de Ruhe und Ord-nung onder de arbeiders, de Duitse vrees voor een conflict met de kerk over de syndicale problematiek, het voortdurend machtsstreven van het A.C.V. ter verdediging en vestiging van het christelijk geloof, wat in tegenstelling staat tot het minder principieel gefundeerd machtsstreven van het nieuwe B.V.V. Met zijn maximaal 250.000 leden was de U.H.G.A. de grootste collaboratie. Nochtans was ze reeds op haar stichtingsdatum een volledige mislukking. In zijn besluit constateert de auteur dat noch het klassebewustzijn, noch de aanvankelijke desorganisatie van de vakbonden, noch ontluikende clandestiene actie, noch het patriottisch ressentiment voldoende en exklusieve verklaringen zijn voor de afwijzingen van de U.H.G.A. door de arbeiders. Hij meent dat hoofdzakelijk de zorg om het materiële belang en het ongeloof in de mogelijkheden op een succesvolle syndicale actie onder een totalitair regime, de arbeiders het nutteloze heeft doen inzien van een eventuele aansluiting bij de U.H.G.A. In de analyse van de U.H.G.A.-evolutie in al haar facetten, besluit de auteur dat vele van tijdens de oorlog verkondigde principes en kenmerken van de syndicale beweging een voortzetting blijken te zijn of een naar boven komen van een reeds aanwezige onderstroom, die nu kon geopenbaard worden door het wegvallen van een aantal beperkende factoren. Zijn analyse van de tussenoorlogse syndicale principes en evolutie toont aan dat de syndicale evolutie tijdens de bezetting grotendeels bepaald was door haar voorgeschiedenis. (W. STEENHAUT) |