Slaat op den trommele van dirredomdeine,
slaat op den trommele van dirredomdoes,
slaat op den trommele van dirredomdeine,
Vive le Geus! is nu de leus.
Spaanse pokken als zwarte vlokken,
Spaanse pokken, loos en boos,
Spaanse pokken onder 's paus rokken,
de Spaanse pokken groeien altoos.
Slaat op den trommele ...
Spaanse inquisitie, voor God malitie,
Spaanse inquisitie, als drakenbloed fel,
Spaanse inquisitie gevoelt punitie,
Spaanse inquisitie ontvalt haar spel.
Vive le Geus! wilt christelijk leven,
Vive le Geus! houdt fraaie moed,
Vive le Geus! God hoedt u voor sneven.
Vive le Geus! edel christen bloed.
Paus en papisten, Gods Hand doet beven,
paus en papisten zijn 't einde raad,
paus en papisten, wreed boven schreven,
paus en papisten zoekt nu aflaat.
't Onschuldig bloed dat gij hebt vergoten,
't onschuldig bloed roept nu om wraak,
't onschuldig bloed heeft u niet verdroten,
't onschuldig bloed dronkt gij met den draak.
Ik hoop dat de tijd nog komen zal,
dat men zal roepen overal,
de klinkende leus,
als Brederode met blij geschal:
Vive, vive le Geus!
De edele heer van Breeroo goed
Met Graaf van Nassau, dat edel bloed,
heel ingenieus,
de Graaf van Culemborg metter spoed:
Vive, vive le Geus!
Die hebben ons verlost van de kardinaal
van kettermeesters in 't generaal
van de bisschop pompeus,
dus roepen wij met blijde taal:
Vive, vive le Geus!
De Prins van Oranje triomfant,
met ander' baronnen hier in het land,
zij waren courageus,
God maakte hun zijn wil bekend:
Vive, vive le Geus!
De deken van Ronse, om Godes woord
bracht hij zo menig christen ter dood,
heel ambitieus,
daarom roepen wij klein en groot:
Vive, vive le Geus!
De markgraaf van Antwerpen, wrede tiran,
hij heeft de christenen verdronken,
verbrand met nijde dangereus,
dus roepen wij hier tot zijn schand:
Vive, vive le Geus!
Bisschop en prelaat acht men niet meer,
noch de paus met zijn valse leer,
zij zijn venineus,
dus roepen wij tegen hun eer:
Men brandt, men blaakt, men schendt, men moordt;
't arme volk, helaas, lijdt nu groot geweld.
Men brandt, men blaakt, men schendt, men moordt;
't arme volk, helaas, lijdt nu groot geweld.
Nooit droop de regen zo zwaar van het dak
gelijk men 't volk wenen ziet heel den dag.
Rechtvaardig Heer, ziet ons aan
en wilt de tranen ontfaan
in uw hand
toon dat U dierbaar is
de onschuldige ziel
die u steeds te voet viel.
Maraan, hoe moogt gij spies en lans
verheffen tegen God?
Merk hoe gij met uw sterke schans
geworden zijt ten spot.
Gij door uw moorders' spel
wilt heel de wereld drukken en alles slaan in stukken;
maar God die ziet het wel.
Hij heeft de winden in zijn hand
en stuurt ze waar hij wil,
de wateren en het vasteland,
't onweder en het still',
de nacht en ook de dag,
mens, vee, waar zij ook vlieden:
't staat onder zijn gebieden
al wat er wezen mag.
Wie pocht er dan op macht en kracht
om alles te verdoen
wat dat hem schiet in zijn gedacht?
Wie is er toch zo koen
die tegen God zal staan?
Daar niemand, wie 't mag wezen,
kan voor hem, zonder vrezen,
een ogenblik bestaan.
Laat zang en spel, tamboer en fluit
nu klinken tot Gods eer,
dat orgel, citer, harp en luit
ook rillen voor den Heer,
die haast wel van ons keren kan
Duc d'Alva, den tiran.
Gods goedheid moet hier zijn vermeld,
die nog zo voor ons zorgt,
en ons den Briel in handen stelt
al tot een vaste borcht,
die haast wel van ons keren kan
Duc d'Alva, den tiran.
De Spanjaard wordt nu een gebit
in zijnen muil geleid;
God zij, die daar in den hoge zit,
gedankt in eeuwigheid,
die haast wel van ons keren kan
Duc d'Alva, den tiran.
Gij, prinsen, heren van ons land,
maakt ons de Spanjaard kwijt,
en reikt elkander trouw de hand,
in Godes vrees altijd,
die haast wel van ons keren kan
Duc d'Alva, den tiran.
Helpt nu u zelf, zo helpt u God,
uit der tirannen ban en slot,
benauwde Nederlanden;
gij draagt den bast al om uw strot,
rept fluks uw vrome handen!
De Spaanse hoogmoed vals en boos
zond u een beul zo goddeloos
om u godloos te maken;
Gods woord rooft hij door leugens loos
en wilt u 't geld ontschaken.
Want geeft men vaak van tienen een,
blijft er ten lesten een noch geen;
wol kan een herder stillen;
dees wolf is met wol noch met melk tevree,
hij wil de schaapkens villen.
Zijn buik is onverzadelijk,
bloed en gelddorstig stadelijk,
al die met wreden moede,
's lands geld verkwist, verraderlijk
aan koninklijken bloede.
O Nederland, gij zijt belaźn,
dood ende leven voor u staan:
dien den tiran van Spanje
of volg om hem te wederstaan
de Prince van Oranje.
'Ik wil het land uit rijden',
prak daar den Ouden Grijs,
'wie zal mij nu ten tijde
de paden maken wijs?
De weg valt mij zo zwaar
die ik zal moeten gaan;
het is bijna zes jaren,
toen kwam ik daar vandaan.'
- 'Wilt gij nu weer naar Spanje',
sprak daar een kardinaal,
'dan komt de Prins van Oranje
en maakt ons papen kaal;
is onze kruin geschoren,
dan scheert men heel ons hoofd;
laat gij ons nu verloren?
Dat had ik nooit geloofd.'
- 'Wilt gij u nog verschonen
en denken g'hebt al recht?
Daalders en gouden kronen
die waren mij toegezegd,
dukaten rood van goud
en angelotten schoon,
om mijn knechten te bezolden,
het Neerland zou zijn mijn loon.'
- 'Hoe zouden we 't anders maken?
We betaalden de Spanjaard met munt,
de Duitsers met grof laken,
of wat hun werd gegund,
en dat op de conditie,
dat gij zoudt hebben gebracht
de Spaanse inquisitie
in hare volle pracht.'
- 'Wat zou ik die invoeren
dat spel dat liep te hoog,
de spraak kwam onder de boeren,
dat elke zwartrok loog;
en nu ziet men ze pissen
op hel en vagevuur,
bedevaart en zielenmissen
die hangen z' aan de muur.'
- 'Omdat wij zulks wel wisten,
en spaarden wij geen kost,
ons rente we dagelijks misten,
we zonden naar u een post;
en waart gij thuis gebleven
dan hadden we niet verzuimd,
we worden toch verdreven;
of hadden we 't geld versluimd.'
- 'Verdrijft u de Prins van Oranje,
verjaagt hij u op dit pas,
ga dan met mij naar Spanje,
ik schenk u elk een kas:
de ene van Sinte-Cornelis,
de ander van Sinte-Krijn,
de derde loopt met Melis,
de vierde met Valentijn.'
- "t Is best dat gij nog jokket
en drijft met ons de spot,
nu gij ons 't geld ontlokte
en sleept in uwen pot,
waarmee gij zoudt versterken het heilig Roomse Rijk, de dienst der heilige Kerke,
ons missen alle gelijk.'
Wie dat zichzelf verheft te met,
wordt wel een arme sleter;
Duc d'Alf, uw beeld, tot spijt gezet,
was afgebroken beter;
uw boze daad die gij begaat,
bij allen toch onlijdig is en strijdig is
met onzer landen staat.
Doch 't schijnt dat nergens gij naar vraagt,
gij wilt het al verscheuren;
maar die daar doet wat God mishaagt,
zal 't einde nog betreuren,
als hij vol nood zal naakt en bloot
voor Godes oordeel schuldig staan, onduldig gaan,
verwezen tot de dood.
Wreedaardigheid gedijt zeer wel,
doch 't einde staat te vrezen;
ziet, Lucifer kwam in de hel
door zijn hoovaardig wezen;
waar 't volk zich al aan spieg'len zal
indien ze zoeken goede spoed, want hoogmoed
komt altijd voor de val.
Merk toch hoe sterk nu in 't werk zich al stelt,
die 't allen tijd onze vrijheid heeft bestreden;
ziet hoe hij slaaft, graaft en draaft met geweld,
om ons goed en ons bloed en onze steden!
Hoor de Spaanse trommels slaan!
Hoor Maraans trompetten!
Zie, daar komt hij dreigend aan
om Bergen te bezetten.
Berg op Zoom, houdt u vroom
stut de Spaanse scharen;
laat 's lands boom en zijn stroom
trouwelijk bewaren.
Die van Oranje kwam Spanje aan boord,
om uit het veld als een held 't geweld te weren;
en van zodra Spinola 't heeft gehoord,
vluchtte hij heen op de been met al zijn heren.
Cordoba ging spoedig voort
zag daar niets te winnen
Don Velasco liep gestoord,
't vlas was niet te spinnen.
Berg op Zoom houdt zich vroom
stut de Spaanse scharen;
't heeft 's lands boom, en zijn stroom
trouw'lijk doen bewaren.
't Moedige, bloedige, woedende zwaard
't blonk en het klonk dat de vonken eruit vlogen.
Beving, beleving, verschrikking der aard
wonder, gedonder, nu onder, dan weer boven,
door het mijnen en 't geschut
dat men daag'lijks hoorde
menig Spanjaard in zijn hut,
in zijn bloed versmoorde.
Berg op Zoom houdt zich vroom
stut de Spaanse scharen;
't heeft 's lands boom, en zijn stroom
trouw'lijk doen bewaren.
Zegt, gij Bergse soldaten,
hoe waart gij zo gezind,
dat gij hebt gaan verlaten
die u wel had gediend?
Moet gij nu niet met mij bekennen,
dat gij waart beroofd van zinnen
en ook al ziende blind?
Waart gij niet beter gebleven
verenigd met Holland,
want het was u vergeven
al had gij straf verdiend;
nu moet gij uw hals nog wagen,
en daartoe meer slagen dragen,
nu gij de vijand dient.
Eerst waart gij als Romeinen
geacht en ook befaamd,
maar nu zijt gij vileinen
door alleman genaamd,
omdat gij ging den Berg verkopen
en ge zijt daar uitgelopen
als schelmen onbeschaamd.
Daartoe ook al uw daden,
die gij daar hebt gedaan,
gaat gij nu zelfs versmaden,
de Spanjaard hangen aan;
gij moet nu naar hun pijpen dansen,
't zij voor steden of voor schansen;
uw loon zult gij ontfaźn.
Moedwillig waart gij zere
tegen reden en recht,
gij woudt zelfs blijven here,
nochtans waart gij maar knecht;
den here die gij had gezworen,
die en woudt gij geenszins horen;
uw zaken stonden slecht.
Gij kreegt wel uwen wille,
beloften naar uw hart,
maar toch zij zwegen stille
hun hart dacht binnen vals;
gij hebt hun veel trots bedreven,
dat en zullen zij niet vergeven,
maar brengen u om den hals.
Zij zullen 't daarop toeleggen
te korten uwen steert;
men zal 't nog horen zeggen,
want gij zijt straffensweerd;
ten Berg waart gij niet om te dwingen,
zij zullen u hier of daar wel vinden
te voet en ook te peerd.
Gij zult nu zingen horen,
in een Latijns geluid,
van enen paap geschoren
zijn snorken overluid;
gij zult nu leren nijgen en stuipen,
's morgens vroeg een miske zuipen.
voordat gij rijdt om buit.
Oorlof in 't concluderen,
dit dient ook wel verhaald,
dat zijn nu vast mijnheren
die eerst werden betaald;
hier of daar wordt een gevangen,
en de rest mag worden gehangen,
verdienste niet en faalt.
Ik bid u, trouw' soldaten,
betracht altijd uw eer,
en wil ook niet verlaten
den dienst van uwen heer;
al kwam u de vijand tergen,
't zij voor Heusden of voor Bergen,
en ander steden meer.
Weest moedig als Romeinen,
getrouw tot in de dood;
slacht niet de vileinen,
en vreest genen aanstoot;
weg met valse overlopers
en ook met de stadsverkopers,
hun schande die is groot.