![]() VIVE LE GEUS is ongetwijfeld de bekendste wapenkreet uit onze geschiedenis. Toen op 5 april 1566 te Brussel een vier-honderdtal misnoegde edellieden aan Margarethavan Parma een smeekschrift indienden tegen de strenge plakkaten en een bijeenroeping van de Staten-Generaal vroegen, maakte iemand uit het gevolg van de landvoogdes de inmiddels beroemd geworden schampere opmerking: "Voila Madame aprocher a vostre Excellence un tas des Geux". Schavuiten en bedelaars! Het woord werd spoedig een eretitel. Deze strijdkreet siert het titelblad van de oudst bewaarde druk van Een nieu Geusen Lieden Boecxken (1581) en in de liederen zelf duikt hij herhaaldelijk op. Het titelblad biedt het bekende geuzensymbool: twee ineengeslagen handen die elkaar de onafscheidelijke trouw aanbieden, omgrijpen een bedelzak (la besace); rechtsboven prijkt een drinkfles (de male) met daaronder een kleine drinkschaal (de nap). De attributen van de bedelaars krijgen op deze wijze het statuut van een waarachtig devies dat boven de ambivalente leustekst staat: Vive Dieu, La Santé du Roy & la Prospérité des Geux! Liederen zijn altijd machtige instrumenten geweest in de handen van verzetslieden. Zo is het nu nog, zo was het in 1940-45 en in de 16de eeuw. De geuzenliederen werden aanvankelijk verspreid als clandestien gedrukte pamfletten. Weldra werden ze, vermoedelijk al in 1574, gebundeld. Dat er van de eerste drukken geen exemplaren bewaard gebleven zijn bewijst hoe intensief ze werden gebruikt. De liederen die in het Geuzenliedboek (1581) voorkomen zijn, in tegenstelling tot wat hun naam oproept, niet noodzakelijk allemaal anti-rooms. In de beginfase getuigen zij vooral van het vinnige anti-Spaanse politieke verzet. Geleidelijk aan zijn de liederen evenwel met het karakter van de opstand mee geëvolueerd. Meer en meer werden ze gekoppeld aan de calvinistische strijd en gaf het genre ruimte aan de hervormde propaganda waarmee het later vaak werd geïdentificeerd. Typologisch kunnen we de volgende soorten geuzenliederen onderscheiden: 1. liederen met een kroniekachtig karakter waarin het verloop van politieke en oorlogsgebeurtenissen nauwkeurig wordt gerapporteerd; 2. spotdichten die gericht zijn tegen Spanje en zijn vertegenwoordigers, m.n. Filips II, de hertog van Alva en kardinaal Granvelle; 3. satirische liederen tegen de rooms-katholieke kerk, haar leer en gezagsdragers; 4. triomfliederen waarin roemrijke episodes, zoals b.v. de inname van Den Briel (1572), uitvoerig worden verhaald. De beste geuzenliederen dateren uit de periode 1566-1590. Representatief en nog steeds geliefd zijn het kiankbeeldende marslied Slaet op den trommele van die-redom dyne (ca 1566), Help nu u self, soo helpt u Godt (1570), een lied geschreven tegen de tiende penning en de geloofsvervolging, en het beroemde prinsenlied Wilhelmus van Nassouwe (1568-1572). In de liedtekst van het Wilhelmus, dat als een akrostichon is opgebouwd - de beginletters van elke strofe vormen de naam Willem van Nassou-, worden de Prins zelf zijn politieke ideeën in de mond gelegd. Benevens deze drie, en nog enkele andere liederen uit het Geuzenliedboek, worden ook een aantal liederen vertolkt uit de Nederlantsche Gedenkclanck (1626) van de Zeeuwse notaris -dichter Adrianus Valeri-us (+ Verse 1625). Dit fraai boek is, niettegenstaande het de populariteit van het Geuzenliedboek nooit heeft overtroffen, één van de belangwekkendste liedverzamelingen van zijn tijd. Verlucht met negen mooie prenten waarop allegorische taferelen van hoogtepunten uit de opstand tegen Spanje zijn afgebeeld, legt dit geschiedwerk a.h.w. de ziel van de Tachtigjarige Oorlog bloot. In het prozaverhaal van de gebeurtenissen werden 76 liederen ingelast die grotendeels door Valerius zelf werden gedicht. Al deze liederen zijn voorzien van wijsaanduidingen, een muzieknotatie, sommige zelfs met een tweede en derde stem, en een in tabulatuur geschreven luit- en citherbegeleiding. Overbekend zijn: O, Nederlant let op u Saeck, het lied op het ontzet van Bergen-op-Zoom (1622) met zijn sterk geritmeerd refrein en de beroemde aanhef Merck toch hoe sterck, alsmede het statige Wilt heden nu treden voor God den Here. Het Geuzenliedboek en de Nederlantsche Gedenkclanck zijn twee typisch Noord-nederlande monumenten geworden. In het zuiden kenden de geuzenliederen na verloop van tijd uiteraard minder succes. Toch hebben ze de rooms-katholieke kerk duidelijk geleerd hoe efficiënt het lied (en -boek) als propagandamiddel kon werken. Het Roomse tegenoffensief bleef dan ook niet lang uit. In de periode van de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) verschenen in de Zuidelijke Nederlanden honderden liederen, gebundeld in tientallen zeer zeldzaam geworden liedboekjes, waarin de Roomse leer en vroomheid zoals die door het Concilie van Trente (1545-1563) waren voorgehouden, in alle mogelijke toonaarden werden bezongen. In enkele liedboekjes herinneren bepaalde liederen wel aan de benarde politiek-religieuze toestanden maar deze werden echter niet om zichzelf beschreven. Zulke situatiebeschrijvingen dienden veeleer om de mensen te wijzen op de diepe oorzaak ervan, m.n. de zonde. Het strijdlied werd op deze wijze een oproep tot inkeer.bekering en bezinning. Vele wijsaanduidingen waarop de geuzenliederen werden gezongen, refereerden aan oude volksliederen en -dansen die gemeengoed waren in Noord en Zuid. Eén voorbeeld mag volstaan om de mobiliteit van zo'n lied aan te tonen. Bedruckte hertekens (ook: Bedroefde herteken) komt in het Geuzenliedboek (1581) voor als stemme bij Slaet op den trommele. Later vinden we dezelfde stemaanduiding terug in het Amsterdams amoureus liedboek van 1589. Vergeestelijkingen van dit lied staan afgedrukt in o.m. de Nieuwe gheestelycke refereynen ende liede-kens (Antwerpen 1603) van pater Willen van Spoeiberch en het beroemde Prieel der gheestelijcke melodie (Brugge 1609). Als melodie fungeert steeds een sierlijke Italiaanse Gagliarde (= een 16de-eeuwse dans) die een sterke gelijkenis vertoont met een ander populair lied Mijn oochskens weenen dat vaak, samen met de stemaanduiding Gagliard' Itali, in diverse liedboeken staat genoteerd. In de beide liederen vallen de melodische verschillen duidelijk op, maar het karakter en de basisstructuur van de melodie zijn identiek. Dat verscheidene liedteksten op één en dezelfde melodie konden worden gezongen, was toen normaal. Het pleit voor de innerlijke en fascinerende kracht van de aangewende melodie. Niet alleen teksten maar ook melodieën hebben de kracht van het verzet gesterkt. Gilbert Huybens Voor meer gegevens i.v.m. de Geuzen en hun liederen, verwijzen we naar: H. Bruch, Slaat op den trommele. Het Wilhelmus en de Geuzenliederen. Leiden 1971. Distributie: Medewerkers Wannes Van de Velde: zang
|