Buelinckx Jan, Radicaal-links in België en de val van de Muur.
Hoe overleefden de KP, de SAP en de PVDA 
de val van het 'reëel bestaande socialisme'?

 Inhoud  Printversie (157p)

Scriptie voorgelegd aan de Faculteit Letteren en Wijsbegeerte,
voor het behalen van de graad van Licentiaat in de Geschiedenis, Nieuwste Tijden.,
Academiejaar 2001-2002, Universiteit Gent, Promotor: Professor Gita Deneckere

Inhoud

Dankwoord

 

Inleiding: De probleemstelling van het onderzoek

 

Deel I: Algemene context

 

Hoofdstuk 1: De gebeurtenissen 1989-1991

  1. Gorbatsjov: een nieuwe wind

  2. China: het Tien An Men-incident

  3. Polen: Solidarnosc

  4. Hongarije: een omwenteling aan de top

  5. Oost-Duitsland: de val van de Muur

  6. Bulgarije: een bureaucratische machtsoverdracht

  7. Tsjecho-Slowakije: de ‘Fluwelen Revolutie’

  8. Roemenië: de opstand tegen Ceaucescu

  9. De eenmaking van Duitsland

10. Joegoslavië: het uiteenvallen van de veelvolkerenstaat

11. Albanië: het einde van een buitenbeentje

12. De implosie van de Sovjetunie

 

Hoofdstuk 2: Verklaringen voor de val van het ‘reëel bestaande socialisme

1.      Zbigniew Brzezinski

2.      François Furet

3.      Eric Hobsbawm

4.      Persoonlijke interpretatie

 

Hoofdstuk 3: Repercussies van de val van het ‘reëel bestaande socialisme’

1.      Het einde van de Koude Oorlog

2.      De restauratie van het kapitalisme in Oost-Europa en in de ex-Sovjetunie

3.      De ‘Nieuwe Wereldorde'

4.      Het bankroet van het socialisme

5.      Het einde van de geschiedenis en van de ideologieën

6.      De ‘Nieuwe Wanorde’

7.      De opmars van het neoliberalisme of de neoliberale globalisering

 

Deel II: Radicaal-links: een historische voorstelling

 

         Hoofdstuk 1: De Kommunistische Partij van België (KPB)

1.      Ontstaan van de KPB

2.      De jaren twintig: de scheuring en de bolsjewisering

3.      De jaren dertig: de grote stakingen in België en de Spaanse Burgeroorlog

4.      De jaren veertig: de Tweede Wereldoorlog en het begin van de Koude Oorlog

5.      De jaren vijftig: het anti-communisme en interne moeilijkheden

6.      De jaren zestig: een heropleving met interne moeilijkheden

7.      De jaren zeventig: de studentenradicalisering en het euro-communisme

8.      De jaren tachtig: verlies van het eurocommunisme en verdere neergang

9.      Conclusie

 

         Hoofdstuk 2: De Socialistische Arbeiderspartij, Belgische Afdelingvan de Vierde Internationale (SAP)

1.      Ontstaan van de trotskistische stroming

2.      De trotskisten, 1928-1945

3.      Het naoorlogse entrisme

4.      De contestatiebeweging van de jaren 1960: nieuwe inzichten

5.      De Revolutionaire Arbeidersliga (RAL)

6.      De Socialistische Arbeiderspartij (SAP)

7.      Conclusie

8.      Nog een opmerking

 

         Hoofdstuk 3: De Partij van de Arbeid van België (PVDA)

1.      Het maoïsme in België

2.      De contestatiebeweging van de jaren zestig

3.      Alle Macht Aan de Arbeiders (AMADA)

4.      Partij van de Arbeid (PVDA)

5.      Conclusie

 

Deel III: Radicaal-links: overleven of sterven

 

         Hoofdstuk 1: De Kommunistische Partij van België (KPB)

1. Partij-analyse

1.1.  Gorbatsjov: op hoop van zegen!

1.2.  De gebeurtenissen in China en Oost-Europa

1.3.  De implosie van de Sovjetunie

1.4.  Conclusie

2. Gevolgen voor de partij

2.1.  De ontgoocheling

2.2.  Partijverlaters

2.3.  Partijwerking

2.4.  Partij of beweging?

2.5.  Toenadering naar andere progressieven

2.6.  Verdwijnen van De Rode Vaan in 1992

2.7.  Verkiezingsresultaten 1971-1995: waar zijn onze kiezers naartoe?

3. Conclusie

4. Extra: Hoe zat het met de andere officiële communistische partijen in West-Europa?

 

         Hoofdstuk 2: De Socialistische Arbeiderspartij, Belgische Afdeling van de Vierde Internationale (SAP)

1. Partij-analyse

1.1.  Gorbatsjov: een verlicht bureaucraat

1.2.  De gebeurtenissen in China en Oost-Europa: weg met de  bureaucratie!

1.3.  De implosie van de Sovjetunie: de val van het stalinisme!

1.4.  Conclusie

2. Gevolgen voor de partij

2.1.  Sfeer in de partij

2.2.  Interne discussie

2.3.  Partijverlaters?

2.4.  Herbronning: de hoop doen herleven!

2.5.  Toenadering naar andere progressieven: linkse eenheid?

2.6.  Initiatieven om de partij werkende te houden

2.7.  Verkiezingsresultaten 1977-1995: nooit meer dan 0,5%

3. Conclusie

 

         Hoofdstuk 3: De Partij van de Arbeid van België (PVDA)

1. Partij-analyse

1.1.  Gorbatsjov lezen: een re-evaluatie van de buitenlandse lijn van de Partij

1.2.  De gebeurtenissen in China en Oost-Europa: contra-revoluties!

1.3.  De implosie van de Sovjetunie: de val van het revisionisme!

1.4.  Conclusie

2. Gevolgen voor de partij

2.1.  Opgepast: dissidentie en fractionisme!

2.2.  De partijwerking: de eenheid bewaren en versterken!

2.3.  Algemene lessen: het marxisme-leninisme verdedigen en verspreiden!

2.4.  Toenadering naar andere progressieven: ons platform is het beste!

2.5.  Initiatieven om de partij werkende te houden: het activisme aanwakkeren!

2.6.  Verkiezingsresultaten 1974-1995: wanneer komt de doorbraak?

3. Conclusie

 

Hoofdstuk 4: De analyse van drie Belgische radicaal-linkse intellectuelen

1. Jaap Kruithof

2. Marc Vandepitte

3. Eric Corijn

4. Conclusie

 

Algemene conclusie

1.      Globale balans

2.      Belgische balans

3.      De toekomst?

 

Bibliografie

1.      Inleiding

2.      Bibliografische werkinstrumenten

3.      Literatuurlijst

4.      Bronnenlijst

 

Bijlagen

1.      Enkele huidige gegevens over de KP-PC

2.      Enkele huidige gegevens over de SAP-POS

3.      Enkele huidige gegevens over de PVDA-PTB

Noten

Dankwoord

Hier wil ik mijn oprechte dank uitdrukken aan Louis Van Geyt, Jaak Perquy, Kris Merckx, Nikol Lanin, Wim De Neuter, Vincent Scheltiens, David Dessers, François Vercammen, Ivan Ollevier, Alain Meynen en Rik De Coninck voor hun interessante getuigenissen, voor de informatie die ze mij verstrekt hebben, voor de leerrijke en boeiende gesprekken die we samen gevoerd hebben. Verder wil ik Erik Buelinckx bedanken voor het ontwerpen van het titelblad van deze thesis. Ook mijn promotor, professor Gita Deneckere, wil ik bedanken voor de inhoudelijke en praktische tips die ze me gegeven heeft. De medewerkers van het AMSAB mogen hier ook niet vergeten worden. Hun deskundigheid en snelle dienstverlening kwamen goed van pas. Tenslotte verdienen ook mijn ouders een bedankje voor de mogelijkheid die ze mij hebben gegeven om geschiedenis te studeren. Zonder hun steun had ik dit werk niet kunnen volbrengen.

“De mars in het communisme is een onbekende, we zijn zonder richting, het wordt een lange expeditie, en misschien moeten we soms duizend kilometer terug om een nieuwe route te vinden.”[1]
  

INLEIDING

DE PROBLEEMSTELLING VAN HET ONDERZOEK

In deze studie speelt de radicale linkerzijde in België de hoofdrol. Ik heb deze radicale linkerzijde - voor velen beter bekend onder de benaming klein-links[2] - beperkt tot de drie voornaamste politieke formaties. Dat zijn de KPB (Kommunistische Partij van België) - sinds 1989 opgesplitst in de KP-Vlaanderen en de PC Wallon et francophone, de PVDA-PTB (Partij van de Arbeid van België – Parti du Travail de Belgique) en de SAP-POS (Socialistische Arbeiderspartij, de Belgische Afdeling van de Vierde Internationale – Parti Ouvrier Socialiste, section belge de la Quatrième Internationale). De doelstelling van deze licentiaatsverhandeling is vrij ambitieus maar hopelijk niet overmoedig. Enerzijds heb ik getracht een bondige historische analyse op te bouwen van die drie radicaal-linkse partijen in België. Het ontstaan en de algemene evolutie van de partijen staan daarin centraal. Anderzijds heb ik - zoals de titel van de thesis al laat vermoeden - getracht een overzicht te schetsen van oorzaken, gevolgen, acties en reacties voor en van die partijen na de val van het communisme in Oost-Europa en de Sovjetunie.[3] Bij dit alles hoopte ik natuurlijk de internationale en nationale historische context niet uit het oog te verliezen.

 

Waarom eigenlijk een licentiaatsverhandeling over radicaal-links? Het gaat hier toch - zoals door velen gesteld wordt - om een marginaal fenomeen in de Belgische politieke geschiedenis. Er bestaan verschillende redenen voor mijn keuze. Een eerste reden is van wetenschappelijk-historische aard. Er is immers nog maar zeer weinig historiografie geproduceerd omtrent radicaal-links en dan zeker omtrent de SAP en de PVDA. Je zou bijna kunnen stellen dat deze partijen niet alleen in de media worden doodgezwegen, maar ook in de geschiedschrijving. Over de trotskistische formatie SAP bijvoorbeeld is er nog geen aparte studie geweest.[4] Over de PVDA zijn vorig jaar de twee eerste degelijke historische studies verschenen.[5] Toch moeten we opletten dat we hier geen al te generaliserende uitspraken doen. Wat de geschiedenis van de KPB betreft hebben heel wat historici, waaronder enkele groten als José Gotovitch, Rudy Van Doorslaer en Rik Hemmerijckx al goed werk geleverd. Ook het Archief en Museum van de Socialistische Arbeidersbeweging (AMSAB) leverde haar bijdrage. In 1997 bijvoorbeeld besteedde de instelling in haar tijdschrift Brood en Rozen een gans themanummer aan het Belgisch communisme, met onder andere bijdragen van voornoemde Gotovitch en Hemmerijckx en ook van enkele ex-KPB kopstukken als Jef Turf en Jan Debrouwere.[6] Ook politicologen hebben zich bezig gehouden met de KPB-geschiedenis. Ik denk hierbij aan de ULB-academici Pascal Delwit en Jean-Michel Dewaele.[7] Zij en andere onderzoekers hebben echter steeds zeer weinig of geen aandacht besteed aan de twee nieuwkomers van de radicale linkerzijde sinds het einde van de jaren zestig, begin jaren zeventig.  Deze twee nieuwkomers - in den beginne nog de RAL-LRT (de trotskisten van de Revolutionaire Arbeidersliga met hun internationaal boegbeeld professor Ernest Mandel) en AMADA-TPO (de maoïsten van Alle Macht Aan de Arbeiders met Ludo Martens en Kris Merckx) geheten - waren een verjongde en revolutionaire kracht naast de traditionele KPB, die trouwens niet echt enthousiast reageerde op het jonge geweld. Toch is over deze linkse nieuwkomers weinig geweten. Nochtans waren heel wat hedendaagse prominenten toen ‘revolutionair’ actief.[8] Het leek mij interessant deze nieuwe linkse partijen ook aan het woord te laten in deze studie. Hun ontstaan uit de studentenbeweging en de derdewereldbeweging en hun evolutie tot partijen zullen daarbij zeker aan bod komen, zij het kort en bondig. Uiteraard komt de evolutie van de KPB ook aan bod. Zij bestaat natuurlijk al langer[9] (sinds 1921 als afscheuring van de Belgische Werkliedenpartij). Ze werd eind jaren zestig en begin jaren zeventig door de nieuwe radicaal-linkse jongeren als te traditioneel[10] beschouwd. Het is interessant om zich af te vragen waarom de radicale linkerzijde in België steeds zo klein is gebleven, in vergelijking met Frankrijk, Italië of Spanje bijvoorbeeld.[11] De KPB kende een absoluut hoogtepunt vlak na de Tweede Wereldoorlog met de deelname aan enkele snel wisselende regeringen, maar nadat de partij niet meer wenselijk werd geacht wegens het begin van de Koude Oorlog in 1947 daalde de partij op electoraal niveau zienderogen. De verschillende negatieve gebeurtenissen in het internationale communisme bevorderden die electorale daling. De SAP en de PVDA haalden in tegenstelling tot de KPB nooit een zetel in het parlement. Wat zijn hier de redenen voor? Waarom hebben de drie partijen nooit de handen in mekaar geslagen en hun harde ideologische discussies achterwege gelaten? Waarom zij ze steeds op de gescheiden weg blijven voortdoen? Deze vragen en bedenkingen kwamen direct bij mij op toen ik besloot om over de radicale linkerzijde een licentiaatsverhandeling te schrijven.

 

Een tweede reden die verantwoordelijk is voor mijn keuze is het feit dat ik persoonlijk sterk geïnteresseerd ben in het socialisme en communisme. Het is een oneindig onderzoeksdomein, waarover al een stortvloed van publicaties is uitgekomen: het marxisme met zijn verschillende interpretaties en grote intellectuele debatten, de geschiedenis van de Sovjetunie, de Volksrepubliek China en het Cuba van Fidel Castro, de geschiedenis van de vele revolutionaire bewegingen in alle werelddelen, de biografieën van grote leiders, enzovoorts. Met een studie over radicaal-links in België wil ik een bescheiden bijdrage brengen in deze gigantische brok literatuur.

 

Een derde reden ligt in onze maatschappij van vandaag. Ik ben geen voorstander van het systeem waarin wij leven, een systeem dat winst en geld als hoogste goed nastreeft. Ik geloof in een rechtvaardigere wereld en in socialistische idealen zoals solidariteit, gelijkheid en broederschap. Dit wil niet betekenen dat ik de partijen en bewegingen die strijden voor een rechtvaardigere wereld zal ophemelen. Ik wil hier geen hagiografie schrijven. Neen, ik wil de geschiedenis van die bewegingen kennen en kenbaar maken, zodat er uit de fouten en uit de goede zaken kan geleerd worden. Daar dient - mijns inziens - geschiedenis toch voor.

 

Waarom de val van de Berlijnse Muur? Waarom dergelijke recente gebeurtenis? Het neergaan van de Muur staat algemeen bekend als het symbool voor de vele omwentelingen die tussen 1989 en 1991 plaatsvonden. Deze verschillende omwentelingen kunnen gezien worden als een breukpunt in de twintigste eeuwse geschiedenis. Ze betekenden het einde van de Koude Oorlog die de wereld bijna vijftig jaar in zijn greep had gehouden. Ze betekenden ook het einde van het communisme in Oost-Europa en in het moederland de Sovjetunie. Mijns inziens vormen deze verschillende gebeurtenissen een ideaal uitgangspunt om een historische balans op te maken van radicaal-links in België. Hoe overleefden de partijen bijvoorbeeld het Tien An Men incident in het verre China? Hoe overleefden ze de val van de Berlijnse Muur en de hereniging van Duitsland, de Fluwelen Revolutie in Tsjecho-Slowakije, de machtsovername van Lech Walesa en zijn Solidarnosc in Polen, de vreemd verlopen opstand in Roemenië (ik denk hierbij aan Timisoara) en tenslotte de ineenstorting van het Sovjetsysteem, het systeem waar alles mee begon? Wat was hun visie op deze gebeurtenissen? Hoe overleefden zij het overwinningsklimaat dat vlak na de val van het communisme in de wereld heerste? Hoe hebben zij het anti-communistisch klimaat tijdens de Koude Oorlog kunnen overleven? Hoe hebben zij hun onderlinge strijd kunnen overleven? Allemaal boeiende vragen die het verdienen om onderzocht te worden.

 

In de val van het communisme in Oost-Europa en de Sovjetunie en dus het eindigen van de Koude Oorlog zagen vele westerse politici en denkers de overwinning van het kapitalisme en het einde van de ideologieën. Zo verkondigde een triomfalistische George Bush senior na de val van de Muur en de hereniging van Duitsland dat het tijdperk aangebroken was voor de Nieuwe Wereldorde. Een jaar later begon echter al de eerste oorlog van die Nieuwe Wereldorde: de Golfoorlog. De westerse beleidsmakers en denkers waren dus wat voortvarend geweest en ze vergaten in hun euforie en triomfalisme ook wel het dappere Cuba, het gesloten Noord-Korea en het tweeslachtig model van China en Vietnam[12]. Zij vergaten ook de vele mensen die actief zijn in radicaal-linkse bewegingen, in Derde Wereldbewegingen, in vakbonden, in allerlei NGO’s en dergelijke meer.

 

Eén van de belangrijkste van die zogenaamde overwinningsdenkers was Francis Fukuyama, een Amerikaan van Japanse afkomst. Zijn belangrijkste essay dat de spraakmakende titel Het einde van de geschiedenis en de laatste mens draagt is een zeer erudiet en filosofisch werk, dat heel wat stof deed en nog steeds doet opwaaien. Fukuyama zag in de val van het communisme de overwinning van het liberalisme en de liberale democratie. Dit was volgens hem de bekroning van de moderniteit. De voorwaarden hiervan zijn wetenschap, technologie en vrijemarkteconomie. De liberale democratie brengt de best mogelijke synthese tussen gelijkheid en vrijheid en de best mogelijke benadering van de rechtvaardigheid tot stand. Ook verwezenlijkt zij de best mogelijke scheiding van privaat en publiek. De mens als producerend product van de liberale democratie loopt echter het gevaar erg middelmatig te worden. Fukuyama noemt hem met Nietzsche de ‘laatste mens’. Ongeacht alle mogelijke kritiek op de liberale democratie blijft zij voor Fukuyama het best mogelijke regime, en het einde van de geschiedenis valt samen met de verwezenlijking ervan op planetair vlak.[13]

 

Ook premier Guy Verhofstadt schaart zich min of meer achter het denken van Fukuyama. In een nog niet zo lang geleden verschenen interview in het weekblad Humo verwoordde hij dit als volgt:

 

“De twintigste eeuw was het ideologische tijdperk bij uitstek. De clash van fascisme, communisme, liberalisme, socialisme. De botsingen van tegengestelde visies zijn achter de rug, we zitten nu in de consensuele fase van het maatschappelijk denken. In Europa is zowat iedereen het erover eens dat de democratie het beste systeem is om de maatschappij te organiseren, en dat de markt het beste stelsel is om de economie te laten functioneren.”[14]

 

Verhofstadt gelooft dus eerder in een einde van de ideologieën. Toch geeft hij aan dat dit niet noodzakelijk  het eindpunt van de geschiedenis is, want zo gaat hij verder:

 

“Die consensuele fase kan tien, twintig, vijftig jaar duren, maar op een bepaald moment zal er een tegenkracht ontstaan. Uit die clash hoort dan weer nog meer verfijning en een dieper humanisme te ontstaan.”[15]

 

Dat ‘nieuwe’ denken - met als grote inspirator Fukuyama, maar waar ook het Derde Weg-denken[16] van de sociaal-democraten Tony Blair, Gerard Schröder, Wim Kok, Lionel Jospin en Frank Vandenbroucke kan onder gerekend worden - wordt in radicaal-linkse kringen het TINA-denken genoemd. TINA staat voor There Is No Alternative. Het is het onwrikbare geloof in de vrije markt als motor van vooruitgang en welvaartscreatie. Sinds het begin van de jaren negentig – met het verdwijnen van de planeconomie in Oost-Europa en de Sovjetunie - is het de ‘pensée unique’ geworden. In dit zogenaamde tijdperk van globalisering - dit is kort verwoord de verspreiding van de vrije markteconomie op planetair niveau - worden communisten, socialisten en alle anderen die zich verzetten tegen de, in hun ogen, onrechtvaardige wereldordening weggelachen als dwaze idealisten en wereldvreemde dromers. Toch zetten zij hun strijd voor een betere en rechtvaardigere wereld verder. Vragen die in mijn onderzoek dus ook aan bod zullen komen, zijn: Hoe overleeft radicaal-links in België dat TINA-denken? Hoe zetten zij zich af tegen de ‘neoliberale eenheidsworst’, zoals moraalfilosoof en historicus Jaap Kruithof het huidige wereldsysteem en het dominante denken pleegt te noemen?[17]

 

Dit alles is uiteraard het algemene kader voor deze thesis. Het is breder uitgewerkt in deel I, waarin een beknopt overzicht van de voornaamste gebeurtenissen in de periode 1989-1991, enkele verklaringen voor de val van het communisme en een opsomming van een aantal grote gevolgen te vinden is. Vanuit die contextualisering heb ik gepoogd in delen II en III een beeld te schetsen van wat radicaal-links was en tot wat het na de val van het communisme of ‘reëel bestaande socialisme’ is geworden. Om dat te doen was, zoals reeds aangestipt, een degelijke kennis van de internationale en nationale historische context nodig. Een selectie in de grote hoeveelheid literatuur was absoluut noodzakelijk. Op basis van die literatuur en ook op basis van persoonlijke inzichten konden vervolgens verschillende vragen gesteld worden. De antwoorden hierop waren zeker niet allemaal te vinden in het bronnenmateriaal en daarom heeft de mondelinge geschiedenis een vrij belangrijke rol gespeeld in mijn onderzoek. Door enkele leden en ex-leden van de KPB, PVDA en SAP te interviewen ben ik heel wat extra informatie te weten gekomen. De bekomen mondelinge getuigenissen werden uiteraard getoetst worden aan het bestudeerde bronnenmateriaal. Dat materiaal bestond hoofdzakelijk uit de partijpers (Rode Vaan voor de KPB, Solidair voor de PVDA en Rood voor de SAP) en gepubliceerde partijdocumenten zoals programma’s, statuten, resoluties, congresteksten en 1-mei-toespraken. Interne documenten zoals verslagen van de Centrale Comités of van de Politieke Bureaus konden niet ingekeken worden wegens het recente karakter van het onderzoek.[18]

 

Om welke ‘verschillende vragen’ ging het eigenlijk? Van partij tot partij verschilden bepaalde vragen wel, maar algemeen kwamen volgende vragen aan bod:

 

Wat waren de gevolgen voor radicaal-links na de val van de Muur? Hoe werd die val van de Muur geanalyseerd? Kwam er verandering in de partijstructuren? Was er een vernieuwingsoperatie? Werden de partijstatuten vernieuwd? Wat met de kiesresultaten? Wat met de deelname aan verkiezingen? Hoe evolueerden de ledenaantallen? Waren er partijverlaters? Wat was de verkiezingsstrategie? Waren er intellectuele discussies binnen de partij? Was er een ideologische vernieuwing, een herbronning of een herbevestiging? Was er verbittering, ontgoocheling, blindheid? Waren er pogingen tot toenadering naar de andere linksen?

 

Hoe werd er gereageerd op de veranderingen in Oost-Europa? Welk standpunt werd er ingenomen in de persorganen? Werd er bericht over de gevolgen voor de eigen partij? Kwam men met een eensgezind standpunt naar buiten? Wie reageerde er? Was er nog geloof in de eigen partij? Was er nog geloof in de communistische ideologie? Zijn er ooit kansen op toenadering tussen de partijen geweest? Moest er vernieuwing komen? enzovoorts

 

Bij deze vele vragen werd zowel aandacht besteed worden aan het collectief (het standpunt van de partij) als aan het individu (de visie van het partijlid) Daarbij was het van belang om te achterhalen of de individuele reacties strookten met de officiële standpunten van de partij. Zoals reeds vermeld was de mondelinge geschiedenis - onder andere degelijk uitgewerkt door VRT-journalist Ivan Ollevier in zijn boek De laatste communisten[19]- zeer belangrijk.

 

Tijdens dit onderzoek besefte ik dat ik me op de breuklijn begaf tussen geschiedenis en journalistiek. Dat was echter geen belemmering. Ik ervaarde het zelfs als een intellectuele verrijking.  De impact van die turbulente jaren 1989-1991 werkt immers vandaag nog steeds door. Een historicus, gespecialiseerd in de eigentijdse geschiedenis, moet naar mijn bescheiden mening ook aandacht hebben voor de actuele vraagstukken van de internationale en nationale politiek. Hij of zij is degene die de feiten kan verklaren door zijn of haar kennis van de historische wortels van die gebeurtenissen te etaleren. Ik hoop dan ook dat deze thesis voor sommige lezers een aanzet kan zijn tot verder onderzoek naar de radicale linkerzijde in België en de rest van de wereld.   

   

DEEL I

ALGEMENE CONTEXT

Hoofdstuk 1: De gebeurtenissen 1989-1991
Hoofdstuk 2: Verklaringen voor de val van het ‘reëel bestaande socialisme
Hoofdstuk 3: Repercussies van de val van het ‘reëel bestaande socialisme’

 

In dit deel wordt het algemeen kader, dat reeds kort aan bod kwam in de inleiding, verder uitgewerkt aan de hand van literatuur. In een eerste hoofdstuk worden de gebeurtenissen tussen 1989 en 1991 uit de doeken gedaan. Hoofdstuk twee gaat dieper in op enkele verklaringen van de val van het ‘reëel bestaande socialisme’. Ten slotte wordt er in hoofdstuk drie een overzicht gegeven van enkele grote gevolgen van het wegvallen van het communistisch blok.  

 

HOOFDSTUK 1: DE GEBEURTENISSEN VAN 1989-1991

 

 1. Gorbatsjov: een nieuwe wind

  2. China: het Tien An Men-incident

  3. Polen: Solidarnosc

  4. Hongarije: een omwenteling aan de top

  5. Oost-Duitsland: de val van de Muur

  6. Bulgarije: een bureaucratische machtsoverdracht

  7. Tsjecho-Slowakije: de ‘Fluwelen Revolutie’

  8. Roemenië: de opstand tegen Ceaucescu

  9. De eenmaking van Duitsland

10. Joegoslavië: het uiteenvallen van de veelvolkerenstaat

11. Albanië: het einde van een buitenbeentje

12. De implosie van de Sovjetunie

 

De verschillende cruciale gebeurtenissen in de communistische wereld tussen 1989 en 1991 zullen hier bondig worden beschreven. Dit gebeurt aan de hand van voornamelijk niet-communistische literatuur. Het gaat hier niet echt om een diepgravende analyse van de feiten, maar eerder om een beschrijving ervan. Beginnen doe we met het aan de macht komen in de Sovjetunie van een politicus die het uitzicht van de wereld grondig zou veranderen. Vervolgens trekken we naar China, waar het communistisch regime zich wist recht te houden door het protest voor verandering te onderdrukken. Van China komen we terug in Oost-Europa. Verschillende omwentelingen met als symbolische kers op de taart de val van de Muur verwijzen het communisme naar het verleden. Tenslotte belanden we bij de ondergang van de Sovjetunie, het geboorteland van het ‘reële bestaande socialisme’.[20]   

 

1. Gorbatsjov: een nieuwe wind [21]

 

De meeste historici zijn het erover eens dat  de omwentelingen van 1989-1991 voor een aanzienlijk deel hun oorsprong vinden in de politiek van Michail Gorbatsjov[22]. In 1985 was hij de nieuwe leider geworden van het gigantische Sovjetrijk, opgebouwd door Lenin[23] en Stalin[24].

 

Hij werd geconfronteerd met de maatschappelijke en economische stagnatie (zastoj), achtergelaten door Brezjnev.[25] Hij stond dus voor een grote taak: hij moest een einde maken aan de afkalvende machtspositie van de Sovjetunie en hij moest de sociaal-economische structuur van het land revitaliseren. In zijn toespraak bij de aanvaarding van het ambt van secretaris-generaal van de Kommunistische Partij van de Sovjetunie (KPSU) beloofde hij het Centraal Comité een versnelling van de sociaal-economische ontwikkeling van het land. Hoe hij die wilde bereiken bleef in het vage. Hij zegde de bedrijven een grotere zelfstandigheid toe binnen het kader van het socialistische bestel en beloofde de burgers een grotere openheid (glasnost) over het werk van de instellingen van partij en staat. Dat zou mensen en bedrijven aansporen tot noestere arbeid. Meer dan vaagheden mochten van hem op dat ogenblik niet verwacht worden. Zijn eerste taak was door een doortastend personeelsbeleid zijn machtspositie te versterken. Op relatief korte tijd werden figuren uit de tijd van Brezjnev vervangen. Hierdoor leek het dat Gorbatsjov een regering had geschapen die hij naar zijn hand kon zetten.

 

Het belangrijkste probleem dat Gorbatsjov diende op te lossen, was wel de slabakkende economie. Gorbatsjov zag dat er drastische veranderingen moesten komen om het bestaande systeem te kunnen legitimeren. Om hieraan tegemoet te komen lanceerde hij zijn befaamde perestrojka (letterlijk: verbouwing).

 

Deze politiek van hervorming werd officieel geformuleerd op het 27ste partijcongres, dat van 25 februari tot 6 maart 1986 liep. Het congres aanvaardde een nieuw partijprogramma ter vervanging van het programma dat het 22ste partijcongres in 1961 op voorstel van Chroesjtsjov[26] had aanvaard. Het schrapte Chroesjstjovs idee dat de Sovjetunie in de nabije toekomst de staat van communisme zou bereiken evenals het door Brezjnev gelanceerde idee dat het in een staat van ontwikkeld socialisme verkeerde. Ook de stelling dat vreedzame coëxistentie een vorm van klassenstrijd was, verdween. Maar voor het overige handhaafde het een recht orthodoxe toon. De meest opmerkelijke gebeurtenis op het congres was wel de redevoering van de nieuwe Moskouse partijsecretaris Boris Jeltsin[27]. Hij veroorloofde zich een hevige aanval op het korps van partijfunctionarissen, en niet alleen op hun corruptie, maar ook op hun legale privileges van auto’s, huizen en speciale winkels. Het was een van zijn eerste pleidooien voor meer gelijkheid, pleidooien die hem in volgende jaren een grote populariteit bij de bevolking zouden bezorgen.

 

De perestrojka bestond eigenlijk uit drie autonome componenten die op mekaar ingrepen.[28] Een eerste werd aangeduid als het N.E.M., het Nieuwe Economisch Mechanisme. Dit herwerkte idee van voorganger Andropov beoogde een intensifiëring van de economie. Dit moest gebeuren door een krachtige aanpak van de corruptie, door de voordelen van de planeconomie te verbinden met de prikkels van de socialistische markt, door decentralisatie en door meer arbeiderszelfbestuur.   Uiteraard ontstond hier weerstand bij de leiders van de bureaucratie, waardoor er van enig succes geen sprake was. Een tweede component van de hervorming was dat er een debatcultuur moest komen om de kritiek op de economische intensifiëring en het Nieuwe Economische Mechanisme te kunnen weerleggen. Dit onderdeel werd beter bekend onder de term glasnost (letterlijk: openheid). Kritiek werd meer en meer toegestaan, maar het eerste jaar was daar nog niet veel van te merken. Het optreden van de media bij het nucleair drama van Tsjernobyl in 1986 was niet echt een toonbeeld van openheid. Geleidelijk aan verbeterde de toestand. De persvrijheid werd meer en meer ingevoerd en de censuur werd afgebouwd. Dissidenten, waaronder de fysicus Andrej Sacharov, werden vrijgelaten. Ook de zware overheidsdruk op de godsdienst verminderde. De Russische Orthodoxe Kerk en de Islam, de twee voornaamste religies in de Sovjetunie, konden zich weer ontplooien. Ook de kritiek op de heersende economische orde begon zich te ontwikkelen. Grootste weerstand tegen de glasnost kwam van de nomenklatoera die vond dat dergelijke openheid niet kon in het klimaat van de Koude Oorlog en van vijandschap vanwege de Verenigde Staten van Amerika. Een ophefmakend voorbeeld van dit verzet was de brief van Nina Andrejeva. Het ging om een regelrechte aanval tegen de glasnost, een verheerlijking van het grootse Sovjetverleden en een verdediging van de leidende rol van de communistische partij. De derde component van de perestrojka was het ‘Nieuwe Denken’. Gorbatsjov wilde hiermee de internationale omgeving veranderen. Hij wenste de internationale relaties, en vooral die tussen de Sovjetunie en de Verenigde Staten, te de-ideologiseren en hij deed er nog een schep bovenop door verregaande vredes- en ontwapeningsvoorstellen te formuleren. Dit afstappen van het ‘imperiale denken’ leidde tot veler verrassing naar een nieuwe en zeer ingrijpende détente[29]. Onderhandelingen werden aangeknoopt met VS-president Ronald Reagan[30], die de Sovjetunie in 1983 nog typeerde als een ‘evil empire’. Grote vorderingen werden gemaakt op het vlak van ontwapening en wapenbeheersing. Gorbatsjov gooide radicale voorstellen op tafel. Reagan moest hier wel op ingaan. Een dooi tussen beide grootmachten was het gevolg. Ook met China en andere landen in de wereld werden nieuwe internationale relaties aangeknoopt door Gorbatsjov. Dit leverde hem een grote populariteit overal ter wereld, behalve in eigen land. Vooral de legertop vond deze koerswijziging roekeloos en in strijd met het traditionele veiligheidsconcept. Achterliggend doel van deze ingrijpende veranderingen was ongetwijfeld de kosten van het Sovjetoptreden in de wereld te verlagen en de weg te banen naar een westerse bijdrage aan de perestrojka. Een tweede belangrijk onderdeel van Gorbatsjovs ‘Nieuwe Denken’ was zondermeer de idee van het ‘Gemeenschappelijk Europees Huis’. Deze gedachte hield twee zaken in: 1. de idee van één Europa zonder een scheiding tussen Oost en West[31] en 2. het voorstel dat elk Europees land zijn eigen politieke weg kon opgaan, ook de landen van het Warschaupact. Vooral dat laatste was een duidelijke boodschap aan de Oost-Europese regimes. Zij moesten niet langer rekenen op Sovjetsteun in geval van problemen. Deze nieuwe lijn in de Sovjetpolitiek werd ook wel de ‘Sinatra-doctrine’ genoemd, naar het liedje ‘I did it my way’ van de bekende Amerikaanse crooner. De nieuwe doctrine zou ongekende krachten vrijmaken in de communistische landen.

 

2. China: het Tien An Men-incident[32]

 

“Het doet er niet toe welke kleur de kat heeft, zolang ze maar muizen vangt.”

(Deng Xiaopeng)

 

De eerste opstand tegen het communisme na Gorbatsjovs aantreden was echter niet in de Sovjetunie of in haar Oost-Europese satellietstaten, maar in China. De naam Tien An Men (het plein van de Hemelse Vrede) staat in ons collectief geheugen gegrift. Wat was er precies gebeurd?

 

In het voorjaar van 1989 (april-juni) bezetten honderden studenten het Tien An Men-plein in Peking. Ze demonstreerden voor meer democratie en voor economische hervormingen. Sinds Deng Xiaopeng[33] Mao Zedong[34] opvolgde in 1976 was er een grote omwenteling gekomen. Het economisch privé-initiatief – eerst in de landbouw, later ook in de industrie - werd aangemoedigd onder het mom van ‘socialistische opbouw met Chinese kenmerken’. Een soort perestrojka-politiek werd gevoerd met als resultaat een grote economische groei, maar ook een toenemende ongelijkheid. Een Chinese vorm van glasnost kwam er echter niet. Economische liberalisering: ja, democratisering: neen. Het studentenprotest moet in die context gezien worden. Het was in de eerste plaats gericht op meer democratisering binnen het kader van de volksdemocratie. Aanvankelijk waren het alleen studenten die manifesteerden, maar uiteindelijk groeide het protest uit tot een nationale kwestie waaraan ook arbeiders deelnamen. In de loop van enkele weken kregen de studenten de steun van tientallen miljoenen burgers die in tal van steden de straat opgingen om een antwoord van de regering af te dwingen. Binnen de Chinese Communistische Partij was er ook een breuk ontstaan tussen de oude bureaucraten onder leiding van Deng Xiaopeng en de meer hervormingsgezinde fracties onder leiding van Zhao Zyang. De ‘conservatieven’ wilden van een democratisering niets weten, de ‘hervormers’ wilden wel een aantal toegevingen doen aan de volgens hen terechte eisen van de manifestanten. De zogenaamde Pekingse Lente zou niet alleen een scharniermoment in de moderne Chinese geschiedenis blijken, maar ook in de geschiedenis van de Chinese Communistische Partij.

 

In de nacht van 3 op 4 juni 1989 rolden de tanks Peking binnen.[35] Er werd een bloedig einde gemaakt aan de protesten. Honderden opposanten werden gedood.[36] We konden toen alles live volgen op de Westerse tv, die natuurlijk deze gebeurtenissen gretig in beeld brachten. Wie herinnert zich niet het beeld van de Chinese student die een tank tracht tegen te houden. Het was toen vrij onduidelijk wat er aan de gang was in China. De Chinese machthebbers, die beslist hadden tot het militaire optreden, spraken van een gewettigd optreden tegen een contra-revolutionaire opstand. De opposanten en de Westerse wereld spraken van een genadeloze onderdrukking van gerechtvaardigd protest tegen de ‘autoritaire communistische bureaucratie’.

 

In 2001 werd een nieuw licht geworpen op de hele zaak met het verschijnen van het Tienanmen-dossier.[37] Die publicatie beweert het eerste complete en authentieke relaas te zijn van de beslissingen die de Chinese regering ertoe brachten de opstand  van studenten en arbeiders neer te slaan. Zhang Liang (pseudoniem), de samensteller van het boek, kon documenten verzamelen die slechts beschikbaar zijn voor een klein aantal mensen in China. De documenten logenstraffen het officiële verhaal, dat zegt dat de regering niets anders deed dan op een rechtmatige wijze een gewelddadig anti-regeringsprotest onderdrukken. De documenten onthullen dat, als het aan de meerderheid in het Permanent Comité van het Politburo had gelegen, de dialoog met de studenten zou zijn voortgezet. Een dialoog met de studenten zou de balans naar politieke hervorming hebben doen doorslaan. In plaats daarvan respecteerde het verdeelde Permanent Comité een geheime afspraak om ernstige meningsverschillen voor te leggen aan de oudsten. De oudsten kozen voor stabiliteit in plaats van voor hervorming. Zij ontsloegen partijvoorzitter Zhao Ziyang, zetten het licht op groen voor het gebruik van geweld, ‘redden de revolutie’ en schoven de man naar voren die China tegenwoordig regeert, Jiang Zemin. Het boek heeft heel wat stof doen opwaaien. Velen twijfelen aan de authenticiteit van de documenten.[38]

 

Het resultaat van het neerslaan van het studenten- en arbeidersprotest was een decennium van politieke stagnatie in eigen land en gespannen betrekkingen met het Westen. De economische liberalisering ging ondertussen aan een ijltempo verder.

 

3. Polen: Solidarnosc[39]

 

Het verzet tegen het verkalkte communisme in Polen wordt in de historiografie steevast vereenzelvigd met de beweging Solidarnosc en haar leider Lech Walesa[40]. Een punt dat meer en meer in de aandacht van de historici komt, is de rol van de rooms-katholieke Kerk in de transitie van een communistisch naar een kapitalistisch Polen.[41] In juni 1979 bracht een in het buitenland beroemde landgenoot: Karol Wojtyla[42], de bisschop van Krakau, die in oktober 1978 tot paus was gekroond, een bezoek aan Polen. Miljoenen Polen juichten zijn voorzichtig geformuleerde kritiek op het regime toe. De Poolse communistische partij (PVAP) kon niet anders dan wezenloos toekijken. Deze gebeurtenis zou een ingrijpende invloed hebben op de mentaliteit van het  Poolse volk en van de dissidente bewegingen. Het gevoel een machtig bondgenoot met wereldgezag te hebben deed de angst wegebben voor repressie. De vakbond Solidarnosc, onder leiding van de charismatische Lech Walesa, wist hierop in te spelen en groeide uit tot de voornaamste oppositiebeweging.[43]     

 

In december 1981 slaagde generaal Wojciech Jaruzelski[44] erin de beweging van volksheld Walesa te onderdrukken. De beweging had immers het regime ondermijnd door massale stakingen en bedrijfsbezettingen te organiseren om de economische wantoestanden aan te klagen. Toen de generaal in 1983 probeerde de toestand in het land te normaliseren door de staat van beleg op te heffen, bleek Solidarnosc verre van dood.   In januari 1989 besloot Jaruzelski onder druk van de toenemende stakingen, van de hervormingspogingen van Gorbatsjov en last but not least van de Kerk met Lech Walesa en de zijnen te gaan praten. De onderhandelingen leidden in het begin van april tot een overeenkomst die bepaalde dat vrije verkiezingen zouden worden gehouden voor een derde van de zetels in het parlement, de Sejm, en voor alle honderd zetels in een nieuw op te richten Hogerhuis, de Senat. Solidarnosc werd gelegaliseerd. In de verkiezingen, die op 4 juni 1989 plaats vonden, behaalde de oppositie een grote overwinning op de communisten. Zij veroverde negenennegentig van de honderd zetels in de Senat en vrijwel het gehele derde gedeelte van de Sejm waarvoor zij kandidaten mocht stellen. Doordat de vanouds met de communisten collaborerende groepen in de Sejm afstand begonnen te nemen tot de communisten, ontstond voor de laatsten een zeer moeilijke situatie. Generaal Jaruzelski werd in juli door beide huizen van de volksvertegenwoordiging tot president gekozen met slechts één stem meerderheid. De onderhandelingen over de vorming van een nieuwe regering verliepen moeizaam.
 

Op 19 augustus 1989 besloten de communisten, na overleg met Gorbatsjov, de adviseur van Solidarnosc, Tadeusz Mazowiecki een regering te laten vormen waarin niet-communisten de meerderheid bezaten. Mazowiecki was de eerste niet-communist die premier werd van een Oost-Europees land sedert het einde van de jaren veertig. Dit betekende een beslissende stap verder op weg naar de parlementaire democratie en naar de invoering van de vrijemarkteconomie. De 9de december 1990 volgde de bekroning voor oppositieheld Lech Walesa. Hij werd tot president van de republiek Polen gekozen. Het tijdperk van het communisme in Polen was gedaan. 

 

4. Hongarije: een omwenteling aan de top[45]

 

De omwentelingen in Hongarije verliepen niet zo grimmig als in buurland Polen. De verandering kwam er hoofdzakelijk door evoluties binnen de communistische partij (Hongaarse Socialistische Arbeiderspartij of PSOH) zelf, meer dan waarschijnlijk om volksopstanden te vermijden en het machtsbezit te bestendigen.[46]

 

Wat we specifiek bij de Hongaarse transitie voor ogen dienen te houden is de collectieve herinnering aan de opstand van 1956 tegen het communistisch regime. Die heeft de politiek in Hongarije steeds blijven beïnvloeden. Volgens vele communisten ging het toen om een openlijke contra-revolutie, volgens anderen ging het om een authentieke democratische revolutie.    

 

In juni 1989 vond in Boedapest de plechtige herbegrafenis plaats van Imre Nagy[47], premier van Hongarije in het jaar van de opstand 1956. Hij had geprobeerd Hongarije van de Sovjetbezetting te bevrijden en daarvoor in 1958 met zijn leven moeten boeten. Enkele weken na zijn herbegrafenis overleed Janos Kadar[48], de man die na 1956 Hongarije had geleid en die verantwoordelijk was geweest voor de liquidatie van Nagy. Vanaf 1968 had hij een voorzichtige decentralisering en liberalisering ingevoerd. Dit brachten in het daaropvolgende decennium wat verbeteringen in de materiële toestand van de bevolking tot stand. Maar het was niet voldoende. In de tweede helft van de jaren zeventig begonnen de technocraten rond Kadar de tekortkomingen weg te moffelen met buitenlandse leningen. Een gigantische buitenlandse schuld was het gevolg. De onvrede over de economische ontreddering steeg bij de bevolking. In de loop van 1985 werd besloten dat enkel een verdere liberalisering van de economie een uitweg kon bieden. Het besef groeide eveneens dat economische hervormingen moesten gepaard gaan met een politieke liberalisering. In 1988 hadden de Hongaarse communisten de oude Kadar terzijde geschoven in een poging zich bij de bevolking een nieuw en beter imago te verwerven. In dezelfde junimaand waarin de herbegrafenis van Imre Nagy plaatsvond, begonnen zij onderhandelingen aan te knopen met oppositiegroepen die zich ontwikkeld hadden. Het resultaat van eindeloze politieke schermutselingen was de afspraak dat in maart 1990 vrije verkiezingen zouden gehouden worden voor een parlement. Op 7 oktober 1989 besloot de Hongaarse communistische partij de ‘dictatuur van het proletariaat’ en de ‘leidende rol van de communistische partij’ af te zweren en zichzelf om te vormen tot een sociaal-democratische partij. Niet lang daarna, op 23 oktober 1989, op de 33ste verjaardag van het begin van de Hongaarse opstand schafte de regering in Boedapest de officiële naam ‘volksrepubliek’ af. Hongarije werd gewoon een republiek. De 23ste oktober werd tot nieuwe nationale feestdag uitgeroepen. De decommunisering van hun politieke terminologie baatte de sociaal-democratische partij echter niet. In de verkiezingen die het volgende jaar werden gehouden leden zij een verpletterende nederlaag. Ze haalden niet meer dan acht percent van de stemmen en moesten het bewind uit handen geven.

 

Eén van de gebaren waarmee de Hongaarse communisten hadden geprobeerd sympathie bij de burgers te wekken, was de opruiming, in het voorjaar van 1989, van de grensversperringen met Oostenrijk. Veel betekende dit niet voor de Hongaren zelf, die toch al vrij naar het Westen mochten reizen. Maar de Hongaarse communisten bleken hierdoor een achteruitgang te hebben geschapen waarlangs Oost-Duitsers naar West-Duitsland konden vluchten. Op aandringen van de Oost-Duitse regering, die zich op een hiertoe verplichtende verdragsbepaling kon beroepen, trachtte de Hongaarse regering hen aanvankelijk nog tegen te houden. Maar in september 1989 gaf zij dit op. Het gevolg was een grote uittocht van Oost-Duitsers.[49] Deze massale vlucht van haar burgers bracht nu ook de leiding van de DDR meer en meer in de problemen.

 

5. Oost-Duitsland (DDR): de val van de Muur[50]

 

De belangrijkste omwenteling in de Oost-Europese staten vond plaats in de Duitse Democratische Republiek (DDR). De onmacht van het regime, de vermolmde Sozialistische Einheitspartei Deutschlands (SED) om positief in te spelen op de eisen van de bevolking betekende het einde van het communisme in Oost-Duitsland. Het is in belangrijke mate het verhaal van een volksopstand met niet voorziene gevolgen. 

 

Op 7 oktober 1989, de 40ste verjaardag van de Duitse Democratische Republiek (DDR), ging Gorbatsjov naar Oost-Berlijn om de viering mee te maken en om met staatshoofd Erich Honecker[51] te praten. Gorbatsjov was razend populair bij de Oost-Duitse bevolking. De Sovjetleider maakte de Oost-Duitse partijtop er attent op dat ze moest reageren op de impulsen uit de samenleving of dat ze anders groot gevaar liep.[52] Met andere woorden: er moesten hervormingen komen. De oude Honecker begreep het niet echt. Hij geloofde nog steeds dat de DDR een goed socialistisch land was. Binnen de partijtop waren er echter een aantal leden, zoals Günther Schabowski, die de boodschap tot hervormingen wel hadden begrepen.

 

Ondertussen waren verschillende protestgroepen onder impuls van vooraanstaande dissidenten samengekomen in de belangrijkste anti-beweging, het Neues Forum. Een duidelijke overkoepelende politieke doelstelling was er niet. De gemeenschappelijke factor die de verschillende groepen aan elkaar bond, was onvrede over het verkalkte bestuur  en de zwakke economie van het land. Verandering, dat was de grootste eis. De beweging vond haar radicaalste stem niet in Oost-Berlijn, maar in Leipzig. De kerk speelde daar een belangrijke rol bij. Sinds het begin van de jaren tachtig al. De deuren werden geopend voor de verschillende 'dissidente’ bewegingen. Op 9 oktober 1989, twee dagen na het bezoek van Gorbatsjov, vond een massabetoging vanwege de oppositie plaats. 70.000 mensen scandeerden ‘Wir sind das Volk!’ Een beweging kwam op gang, die niet meer te stoppen viel.           

 

Twee weken later, op 18 oktober 1989, werd op een bijeenkomst van het Politburo Honecker ten val gebracht door een dubieuze coalitie van onzekere hervormers en opportunistische hardliners. De nieuwe ‘sterke’ man was Egon Krenz. Het regime had zozeer aan autoriteit ingeboet dat in het land openlijk gediscussieerd werd over onderwerpen die altijd taboe waren geweest. Op 4 november 1989 verzamelden zich op de Alexanderplatz in Oost-Berlijn een half miljoen mensen. Geweld bleef uit. Vooraanstaande dissidenten spraken de massa toe. Van enig bestuur was ondertussen geen sprake meer. De partijleiding was ontredderd. Op 7 november trad de regering af. Hervormers binnen de partij probeerden de volksopstand nog in de baan van een vernieuwd socialisme te leiden, maar niets kon nog weerstaan aan de druk die er in de loop van de jaren was ontstaan. Volledig de kluts kwijt maande het Politburo woordvoerder Günther Schabowski aan om in de dagelijkse persconferentie de wereldpers te laten weten dat de grenzen geopend werden om de burgers de mogelijkheid te geven om te reizen.[53] Dit betekende het einde van de strakke scheiding die sinds de bouw van de muur in 1961 tussen beide Duitslanden had bestaan.  Reeds de volgende dag nam Gorbatsjov contact op met enkele Westerse leiders om uiting te geven aan zijn ongerustheid over de vaart die de gebeurtenissen hadden genomen en aan zijn overtuiging dat het bestaan van twee Duitslanden voortvloeide uit de wil der geschiedenis. Maar hij ondernam niets. Op 13 november 1989 werd de reformistische communist Hans Modrow premier van de DDR. Egon Krenz trad in het begin van december al weer af als partijleider. De leiding van de DDR kwam nu geheel in handen van Modrow.

 

6. Bulgarije: een bureaucratische machtsoverdracht[54]

 

In Bulgarije werd op 9 november 1989 – dezelfde dag waarop de Muur zou vallen -   de oude leider Todor Zjivkov[55] vervangen door de reformistische communist Petr Mladenov. Hoe was dit gekomen?

 

Zjivkov leidde Bulgarije al sinds 1954 en hij had in al die jaren zijn regime steeds op tijd weten aan te passen aan de politiek uit Moskou. Met het aantreden van Gorbatsjov waren zijn problemen begonnen. Zjivkov was de perestrojka- en glasnostpolitiek van zijn vroegere studiegenoot Gorbatsjov niet echt genegen. Bulgarije bleef gekenmerkt door immobilisme op politiek en economisch vlak. Dit zorgde voor toenemende politieke spanningen. Zjivkov kanaliseerde die spanningen in een nationalistische campagne tegen de Turkse minderheid van het land. Die campagne had als resultaat dat ongeveer 350.000 Bulgaarse Turken naar Turkije emigreerden. De gevolgen voor de Bulgaarse politiek en economie waren desastreus: de haatcampagne had veel stof doen opwaaien in het Westen en in Turkije en vele bedrijven, winkels, dorpen, wijken liepen leeg door de emigratiegolf. Het was dus geen toeval dat de vervanging van de oude Zjivkov werd voorbereid door Politburo-leden die het meest met het buitenland in contact waren. Premier Atasanov, minister van buitenlandse zaken Mladenov en minister van buitenlandse handel Lukanov sloegen in de zomer van 1989 de handen in elkaar. Aan de tijd van stagnatie en immobilisme moest een einde komen.

 

Op 9 november werd Zjivkov door een stemming van zes tegen vier in het politburo gedwongen tot ontslag. Zijn val bracht een uitbarsting van vreugde en politieke activiteit te weeg. Verschillende oppositiegroeperingen werden opgericht en organiseerden bijna dagelijks protesten in de hoofdstad Sofia. De nieuwe partijleider en staatshoofd Mladenov kondigde een resem diepgaande hervormingen aan: de invoering van het meerpartijensysteem, de afschaffing van de leidende rol van de communistische partij, de vervolging van de corruptie, de omvorming van de communistische partij tot een democratische, socialistische partij en het herstel van de culturele rechten voor de Turkse minderheid.

 

Het grootste deel van de bevolking ging in eerste instantie akkoord met deze hervormingen. De communistische partij bleef de sterkste politieke kracht, vermits de oppositie niet in staat was nieuwe structuren op te bouwen. De traditioneel goede banden met Moskou bleven behouden. Van een revolutie kon in Bulgarije dus geen sprake zijn. Het was eerder een machtsoverdracht van een verouderde en vermoeide bureaucratie naar een jongere en meer dynamische bureaucratie.

 

7. Tsjecho-Slowakije: de ‘Fluwelen Revolutie’[56]

 

De gebeurtenissen in Oost-Duitsland brachten ook de bevolking van Tsjecho-Slowakije in beweging. De volksopstand daar staat bekend onder de benaming de ‘Fluwelen Revolutie’. Ze wordt door veel historici aanzien als de meest geweldloze, diepgaande en indrukwekkende revolutie uit de periode 1989-1991. De opstand in Tsjecho-Slowakije werd verpersoonlijkt door de figuur van de meest bekende dissident van het land: de toneelauteur Vaclav Havel.[57]

 

De hervormingspogingen van Gorbatsjov vanaf 1986 hadden ook in Tsjecho-Slowakije hun weerslag. Een geleidelijke dooi kwam op gang. Partijleider Gustav Husak[58] sprak in 1987 van de meest diepgaande economische hervormingen sinds de oprichting van de communistische Tsjecho-Slowaakse republiek in 1948.[59] Tegelijkertijd maakte hij duidelijk dat van politieke hervormingen geen sprake kon zijn. Ondertussen was binnen de communistische partij (KPC) ook een spanning ontstaan tussen jonge hervormers en oude apparatsjiks. Eind 1987 resulteerde dit in de opvolging van Husak als partijleider door Milos Jakes. Husak werd tot staatshoofd benoemd. Onder impuls van de omwentelingen in Polen en vooral Oost-Duitsland kwam eind 1989 de bevolking in beweging. Door oproepen van de Kerk[60] en het Burgerforum[61] ontstonden er massale demonstraties in Praag op het Wenceslasplein en in andere steden. De omvang en het overwegend vreedzaam karakter van de protesten dwongen de communistische partij te onderhandelen met het Burgerforum onder leiding van de voorzitter van Charta 77, Vaclav Havel. Die had sinds de onderdrukking door de troepen van het Warschaupact van de Praagse opstand van 1968 samen met andere dissidenten de illegale oppositie gevoerd tegen de communistische leiders. De conservatieve communisten moesten nu het veld ruimen en op 10 december installeerde president Gustav Husak, die door Brezjnev na de invasie van 1968 aan de macht was gebracht, een regering die in meerderheid uit niet-communisten bestond, al was de premier nog communist. Het was zijn laatste regeringsdaad, want hierna trad hij onmiddellijk af. Vaclav Havel volgde hem op als president. Alexander Dubcek[62], de politiek held van 1968, die bijna twintig jaar lang een non-person was geweest, werd voorzitter van het parlement. Aanvankelijk was de euforie groot, maar enkele jaren later schoot daar niet veel meer van over. Tsjecho-Slowakije bestond niet meer, Dubcek was in verdachte omstandigheden omgekomen en Havel bleek maar een middelmatig president te zijn. De Fluwelen Revolutie bleek eerder een technocratische machtsoverdracht geweest te zijn dan een echte ‘democratische revolutie’.[63]

 

8. Roemenië: de opstand tegen Ceaucescu[64]

 

Roemenië was de uitzondering in Oost-Europa. Hier ging de opstand tegen het communistisch regime van Nicolae Ceaucescu[65] wel gepaard met bloedvergieten. Op 15 december 1989, zes weken na de val van de Muur, brak de opstand uit in Roemenië. Over deze opstand is het laatste woord nog niet gezegd. Tot op vandaag doet de Roemeense casus de gemoederen politiek hoog oplaaien. Volgens sommigen was het een ‘volksrevolutie’, volgens anderen een nauwkeurig geplande staatsgreep tegen Ceaucescu door bureaucraten die hun greep op de macht wilden behouden.

 

Het regime van Ceaucescu was merkwaardig in vergelijking met de andere landen van het ‘reëel bestaande socialisme’. Toen hij in 1967 aan de macht kwam, werd hij aanzien als een soort hervormer. Hij voerde een politiek van ‘betrekkelijke’ onafhankelijkheid tegenover de Sovjetunie. Dat uitte zich in het publiekelijk afkeuren van de Sovjetinvasie in Praag in 1968 en in het op de tweede plaats stellen van het Warschaupact. Het leverde hem veel vrienden op, zowel in binnen- en buitenland. Uit linkse en rechtse hoek. Toch ontpopte hij zich als een dictator, die blijkbaar meer om zichzelf en zijn familie gaf, dan om zijn volk.

 

De gebeurtenissen in de rest van Oost-Europa leken aan Roemenië geheel voorbij te gaan. Op een vergadering van het Warschaupact was Ceaucescu nog de enige die het oude communisme verdedigde. Hij weigerde de andere landen te volgen in een verklaring die de interventie in 1968 in Tsjecho-Slowakije veroordeelde, hoewel hij daarvan destijds zelf een dapper tegenstander was geweest. Toch merkten bepaalde mensen dat er onder de oppervlakte iets vreemd aan de gang was. Half december 1989 begon het allemaal in Timisoara. In de Hongaarse lutherse kerk aldaar werd opgeroepen tot opstand. Twee dagen later kwam het leger tussenbeide. Er werd geschoten. De hoeveelheid slachtoffers is niet bekend, maar waarschijnlijk lag het rond de honderd. Opvallend is dat in de Westerse pers berichten verschenen over duizenden doden. Dat had alles te maken met een staaltje manipulatie van de bovenste plank.[66] Drie dokters ontdekten dit mediabedrog. Alles draaide om een massagraf dat gevonden was in Timisoara met honderden zwaar verminkte opengereten lijken. Dit moest het ultieme bewijs brengen van de bloeddorstigheid van het Ceaucescu-regime. De ontmaskering van deze opgezette zaak kreeg toen relatief weinig aandacht in de wereldpers.    

 

In Boekarest verroerde Ceaucescu geen vin. Hij verkeerde nog steeds in de waan dat zijn volk van hem hield en hij riep op voor een massabijeenkomst op het centrale plein van Boekarest. We konden live op tv de beelden volgen. Nicolae en echtgenote Elena Ceaucescu werden uitgejouwd door de menigte. Ze stonden radeloos op het balkon. Meteen nadien braken er onlusten uit in de hoofdstad. Het was niet duidelijk wie op wie schoot en wie wie steunde. De geheime dienst, de Securitate, leverde gevechten met het leger, dat kennelijk de kant van het volk gekozen had. Binnen het Politburo speelden zich ook bizarre verschuivingen af. Het leek er sterk op dat Ceaucescu in de steek werd gelaten.

 

Op 22 december 1989 eindigde het twintig jaar onafgebroken leiderschap van Ceaucescu in een vlucht per helikopter. De mensen op straat wisten met hun blijdschap geen blijf. Overal werd er gevierd. Maar het was niet gedaan. Er was een machtsvacuüm ontstaan. Enkele  breinen van het ministerie van Defensie, zoals Ion Iliescu en Stefan Kostyal kwamen bij mekaar om de nieuwe macht te organiseren. Ze richtten het Nationale Heilsfront op. Ze kwamen in botsing met enkele populaire intellectuelen, die het vooral over vrijheid en vrije verkiezingen hadden. Het Nationale Heilsfront wilde vooral de macht en het overheidsapparaat onder controle  krijgen. Na de korte euforie werd er terug geschoten in de straten van Boekarest. Op dat moment wist bijna niemand wat er aan de hand was. De meesten dachten dat Ceaucescu hier nog voor verantwoordelijk was. Meer en meer bewijzen zijn aan de oppervlakte gekomen dat het nieuwe regime rond Iliescu verantwoordelijk was voor deze terreur. Door paniek te zaaien moest de machtsgreep gerechtvaardigd overkomen. De Securitate en de legertop steunden onvoorwaardelijk het nieuwe regime. Het volk was dus buitenspel gezet door een staatsgreep van mensen uit de kliek rond Ceaucescu, van generaals van het leger en van de Securitate.     

 

Het hoogtepunt van deze staatsgreep was de terechtstelling van het echtpaar Ceaucescu. Overal ter wereld kon men zien hoe een illegale militaire rechtbank, ingesteld door de nieuwe machthebbers, het koppel veroordeelde tot de doodstraf, die daarna ook direct werd uitgevoerd. De hele wereld juichte deze al dan niet terechte politieke afrekening toe.

 

9. De eenmaking van Duitsland[67]

 

Het moeilijkste probleem waarvoor de omwentelingen in Oost-Europa de voornaamste beleidsmakers plaatste, was dat van de toekomst van de DDR. De openstelling van de grens met de BRD had de stroom van Oost-Duitsers naar het Westen alleen maar doen groeien. Helmut Kohl[68], de West-Duitse bondskanselier, ontwikkelde op 28 november 1989 in een toespraak tot de Bondsdag een plan tot vereniging van de beide Duitslanden, zonder daarbij overigens termijnen te noemen. Zulk een plan leek het enige middel om de trek van de burgers van de DDR naar de BRD te stoppen en het hoofd te bieden aan de economische problemen die de openstelling van de DDR had blootgelegd. De regering van Hans Modrow kon die problemen in de verste verte niet aan. In de vrije verkiezingen die op 18 maart 1990 werden gehouden, behaalde zijn communistische partij (nu: PDS, partij van het democratisch socialisme) niet meer dan achttien percent van de stemmen. Overwinnaars werden de christen-democraten (CDU) van Lothar de Maizière, die krachtige steun van bondskanselier Kohl had gekregen. De Maizière vormde na deze verkiezingen een niet-communistische regering. Hoewel Gorbatsjov aanvankelijk negatief reageerde op de plannen die Helmut Kohl over de hereniging van beide Duitslanden had ontvouwd, zat er ook voor hem op den duur niet veel anders op dan de eenwording te aanvaarden, hoezeer die ook de ineenstorting van de macht van de Sovjetunie in Oost-Europa onderstreepte. De vraag was alleen hoe de internationale status van een verenigd Duitsland er uit moest zien. Bondskanselier Kohl wenste, daarbij gesteund door zijn Westerse bondgenoten, dat een verenigd Duitsland lid van de NAVO bleef. Hij toonde zich, daartegenover, bereid de Sovjetunie in haar moeilijke overgang naar de vrije markt met kredieten en subsidies te steunen. Na lange aarzeling verklaarde Gorbatsjov zich tenslotte in juli 1990 in een conferentie met Kohl bereid te aanvaarden dat het verenigde Duitsland lid van de NAVO zou blijven. Daarmee was de weg vrij voor de eenwording van Duitsland. Op 3 oktober 1990 werd die met een groots feest voltrokken. Met de hereniging van Duitsland werd de Koude Oorlog officieel beëindigd. Het wegvallen van de heerschappij van de Sovjetunie over Oost-Europa was een feit.

 

10. Joegoslavië: het uiteenvallen van de veelvolkerenstaat[69]

 

Joegoslavië bekleedde een aparte plaats in de communistische wereld. Het had sinds 1948 geen banden meer met de Sovjetunie en trachtte via onafhankelijke bevindingen tot een communistische maatschappij te komen. Sinds de dood van Josip Tito[70] in 1980 en het aantreden van de Servische nationalist Slobodan Milosevic in 1987 was het Joegoslavisch communistisch model geleidelijk aan verdwenen. Hoewel een economische crisis het land teisterde, was er van omwentelingen in 1989 in Joegoslavië eigenlijk geen sprake. Waar wel sprake van was, was van een sterk opkomend nationalisme. De verschillende regio’s en volkeren, die een vorm van autonomie genoten onder de charismatische leider Tito, wensten op gescheiden weg hun ontwikkeling te bewerkstelligen. In januari 1990 werd in de Joegoslavische Federatie het meerpartijenstelsel opgericht. De leidende rol van de Liga van Communisten werd uit de grondwet geschrapt. Nieuwe partijen werden opgericht, meestal op basis van een nationalistisch programma. Bij de verkiezingen van april en mei 1990 in de deelstaten Slovenië en Kroatië, wonnen de nationalisten het pleit. Hierdoor stegen de nationalistische en etnische spanningen nog meer. Deelstaat Slovenië zette de eerste stap en scheurde zich na de verkiezingen af. Iets later besliste Kroatië ook om te scheiden. De nationalist Franco Tudjman werd er de eerste president. Ondertussen vormde Milosevic zijn communistische partij om tot een ‘socialistische’ partij waarbij hij zijn uitgesproken Servisch-nationalistische koers nog versterkte. Zijn partij wenste het voortbestaan van Joegoslavië, maar dan onder hegemonie van de Serviërs. Sommigen droomden luidop van een Groot-Servië. De toename en complexiteit van al deze gebeurtenissen zorgden ervoor dat er een totale burgeroorlog ontstond. Het Servische leger viel Slovenië en Kroatië aan omwille van hun eenzijdige beslissing tot onafhankelijkheid. De oorlog in Slovenië duurde niet echt lang en de ravage bleef er beperkt. In Kroatië echter vonden er zeer hevige gevechten plaats. De grootste moeilijkheid was dat een aanzienlijk deel van Kroatië bewoond werd door Serviërs. De Kroaten wilden dat Servisch deel gewoon inlijven, wat de Serviërs op basis van hun nationalistische aanspraken niet konden aanvaarden. De burgeroorlog duurde meer dan een jaar en eiste vele mensenlevens. Eind 1991 werd door beide vechtende partijen onder druk van de Verenigde Naties (UNO) een wapenstilstand aanvaard. In december hield de federale republiek Joegoslavië op te bestaan toen de Europese Gemeenschap, onder leiding van Duitsland, de republieken Slovenië en Kroatië definitief erkende. De veelvolkerenstaat die voor velen het symbool was voor een alternatief socialisme, voor een gedecentraliseerd, op zelfbeheer gebaseerd socialisme had zichzelf geofferd op het altaar van het nationalistisch egoïsme. Nog geen jaar later laaide de oorlog zelfs weer op, ditmaal in het zeer complexe Bosnië-Herzegovina. Een bloedige burgeroorlog, waar ook de NAVO bij betrokken was, teisterde het land gedurende enkele jaren. Macedonië werd voorlopig als laatste een onafhankelijke staat.[71]

 

11. Albanië: het einde van een buitenbeentje[72]

 

Ook het aparte communistische regime van Albanië – door sommigen getypeerd als ‘stenen tijdperk communisme’ - kon de druk van de veranderingen in de rest van Oost-Europa, en zeker in die van haar buurland Joegoslavië, niet de baas. Het was het laatste dominosteentje in de rij. De planeconomie had er eveneens haar limieten bereikt en in juli 1990 vluchtten duizenden Albanezen via westerse ambassades hun land uit. Eind november bereikte de onrust een hoogtepunt met gewelddadige botsingen tussen betogers en de politie in de steden Shkodër en Tirana. Na de aankondiging van enkele hervormingen om de gemoederen te benaderen ging op 11 december 1990 het regime van president Ramiz Alia[73], de opvolger van de meer bekende leider Enver Hoxha[74], gedeeltelijk door de knieën. De Partij van de Arbeid van Albanië aanvaardde het meerpartijenstelsel, vernieuwde het Politburo en zwoer het ‘stalinisme’ (marxisme-leninisme) af. President Alia schreef voor februari 1991 vrije verkiezingen uit. De pas opgerichte Democratische Partij van Albanië (APL) zou het daarbij halen. Dat feit betekende meteen ook het einde van het communistische Albanië. De omwenteling in het arme land zou ook haar stempel drukken op de kwestie Kosovo.

 

12. De implosie van de Sovjetunie[75]

 

De gebeurtenissen in Oost-Europa met als hoogtepunt de hereniging van Duitsland deden vele commentatoren speculeren over de nabije toekomst van de Sovjetunie. Wat was daar aan de hand? Kon dat immense land zo’n diepgaande crisis overleven? Had Gorbatsjov nog greep op de Sovjetmaatschappij?

 

Door het sterk opkomend nationalisme in de verschillende Sovjetrepublieken en door de diepe politieke en economische crisis, veroorzaakt door het ondoordacht invoeren van kapitalistische methodes in de planeconomie of commando-economie, was de kans op een hevige burgeroorlog binnen de Sovjetunie reëel.  Het was lijmen wat er nog te lijmen viel. De desintegratie, voornamelijk veroorzaakt door de kloof tussen de perestrojka en glasnost en de ingewikkelde nationaliteitenkwestie, ging aan een snel tempo verder. Gorbatsjov was tussen twee kampen verzeild geraakt, de zogenaamde radicale hervormers onder leiding van Boris Jeltsin, die resoluut voor de vrije markt kozen en de oude bureaucraten, die koste wat kost hun macht en hun privilegies wensten te behouden. Voor Gorbatsjov was het moeilijk werken in dergelijke situatie.

 

In de ochtend van maandag 19 augustus 1991 gebeurde wat al door sommigen voorspeld was. De hele wereld werd opgeschrikt door het nieuws dat er een coup had plaatsgevonden in de Sovjetunie. Een ‘Staatscomité voor de noodtoestand in de USSR’ onder leiding van vice-president Janajev had de macht in handen genomen en Gorbatsjov in afzondering geplaatst op de Krim. Doelstelling was de bestuurlijke orde in het land te herstellen en het uiteenvallen van de Sovjetunie te verhinderen.

 

De zogenaamde hervormers onder leiding van Boris Jeltsin gingen in het verzet. Ondanks het feit dat in de ochtend van 19 augustus tanks en troepen Moskou binnenstroomden, wist Jeltsin met een aantal medewerkers het Witte Huis te bereiken. Daar zal hij de steun krijgen van Sjevernadze en Jakovlev. Omstreeks het middaguur verliet hij het Witte Huis en klom op een tank die samen met enkele andere tanks werkloos voor het gebouw stond opgesteld. Hij las een oproep voor ‘aan de burgers van Rusland’. De oproep verklaarde het Comité voor de noodtoestand onwettig en eiste dat president Gorbatsjov de gelegenheid kreeg zich tot het volk te richten. De soldaten werden opgeroepen niet mee te doen en de burgers werden opgeroepen in staking te gaan. Er was geen gigantische reactie van de bevolking en ook een gewapend optreden bleef uit. Gorbatsjov uitte later lovende kritiek aan het adres van Jeltsin:

 

“Van enorm belang was de strijd die Boris Jeltsin tegen de coupplegers organiseerde. Hij nam een moedig standpunt in, trad doortastend op en nam de volledige verantwoordelijkheid van het land op zich.” [76]

 

Het Comité voor de noodtoestand echter heeft bij deze staatsgreep geen enkel blijk van doortastendheid gegeven. Het feit alleen al dat het Jeltsin en de zijnen ongemoeid liet, toen hun arrestatie nog een eenvoudige zaak moet zijn geweest, spreekt boekdelen. Op de ochtend van de derde dag van de coup beschouwde het de zaak blijkbaar als verloren. Vier van zijn leden vlogen naar de Krim en meldden zich aan bij Gorbatsjov. Wellicht hoopten zij op bemiddeling. Maar Gorbatsjov weigerde hen te ontvangen. Zij werden gevolgd door een delegatie uit het Witte huis onder leiding van Jeltsins vice-president Alexander Roetskoj. Samen met hen keerde Gorbatsjov op 22 augustus naar Moskou terug. De leden van het Staatscomité werden allen in hechtenis genomen, behalve de minister van binnenlandse zaken Poego, die voor zijn arrestatie zelfmoord pleegde.

 

Gorbatsjov wenste door te gaan met de hervormingen:

 

“De belangrijkste les die wij uit de gebeurtenissen van augustus kunnen trekken is dat de weg van de democratische hervormingen versneld moet worden afgelegd. Allereerst moeten alle obstakels op de weg naar de markteconomie die door de oude structuren zijn opgeworpen, opgeruimd worden. Het ondernemerschap moet volledige vrijheid krijgen, het monopolisme, de dwangmethodes en dictaten van bovenaf moeten worden afgeschaft, en de belangrijkste instellingen van de markteconomie moeten versneld worden opgezet.”[77]

 

Gorbatsjov kwam echter zeer gehavend uit de mislukte coup tevoorschijn. Zijn naaste medewerkers en vrijwel de gehele bestuurlijke staf waarmee hij zich had omringd, hadden meegedaan of zich op het kritieke ogenblik op de vlakte gehouden. Geen wonder dat hier en daar de verdenking rees dat hij op een of andere wijze medeplichtig was geweest aan deze poging tot staatsgreep. Hij zat nu zonder regering. Daartegenover had Boris Jeltsin in deze dagen op overtuigende wijze de rol van held en leider gespeeld. Hij bezat thans groot gezag en liet dat Gorbatsjov bij diens terugkeer behoorlijk voelen. Deze kon er niet omheen een aantal belangrijke posten van de vele die waren opengevallen te bezetten met kandidaten van Jeltsin. Dit alles gaf Jeltsin veel invloed in het bestuur van de Unie. Tijdens een gemeenschappelijk optreden voor de Opperste Sovjet van de Russische Federatie (RSFSR), de dag na Gorbatsjovs terugkeer in Moskou, veroorloofde hij zich enkele barse uitvallen tegen hem. Gorbatsjovs goede woord voor de communistische partij, die immers miljoenen fatsoenlijke leden telde, beantwoordde hij met de demonstratieve ondertekening ter plekke van een decreet dat in de RSFSR alle activiteiten van de communistische partij verbood. Het moet Gorbatsjov door dit alles wel duidelijk zijn geworden dat de communistische partij niet meer te redden was. De volgende dag maakte hij in een korte toespraak voor de televisie bekend dat hij aftrad als secretaris-generaal van de partij en dat hij last zou geven haar bezittingen te nationaliseren en de partijcellen in leger, politie en KGB te ontbinden. Zo maakte de coup een einde aan de heerschappij die de communistische partij bijna driekwart eeuw in Rusland had uitgeoefend. Zijn symbolische uitdrukking vond dit feit in de teruggave van Leningrad van haar oude naam Sint-Petersburg.

 

De coup, die de desintegratie van de Sovjetunie had moeten voorkomen, heeft deze door haar mislukking juist versneld. De ene republiek na de andere proclameerde na afloop haar onafhankelijkheid. De vraag rees nu hoe men deze afbrokkeling van het Sovjetrijk het best kon begeleiden? Het antwoord daarop liet niet lang op zich wachten. Op 8 december 1991 werd het Gemenebest van Onafhankelijke Staten (GOS) opgericht in de Wit-Russische hoofdstad Minsk. Dit samenwerkingsverband stond open voor alle lidstaten van de voormalige Sovjetunie. De leden erkenden de onschendbaarheid van elkaars bestaande grenzen. Een centrale regering was er niet meer. Over de vorming van het GOS was geen overleg gepleegd met Gorbatsjov. Die ervaarde dit als zijn politiek overlijden. Op 25 december kondigde hij in een korte toespraak voor de televisie zijn aftreden aan. Hij was het niet eens met de ontbinding van de Unie, maar hij zou het Gemenebest steunen. Daarmee verdween een groot staatsman, die evenwel faalde in zijn opdracht, van het politieke toneel. Zijn poging de bestaande orde te hervormen was in minder dan zeven jaar uitgelopen op de totale ineenstorting van die orde. Op 30 december 1991 was het einde van de Sovjetunie een definitief feit. Er was vrijwel geen bloedvergieten aan te pas gekomen.

    

HOOFDSTUK 2
VERKLARINGEN VOOR DE VAL VAN HET 'REËEL BESTAANDE SOCIALISME'

1.      Zbigniew Brzezinski

2.      François Furet

3.      Eric Hobsbawm

4.      Persoonlijke interpretatie

 

De redenen die je kan geven voor het falen van het zogenaamde ‘reële bestaande socialisme’ zijn afhankelijk van het ideologisch of politiek-filosofisch perspectief van waaruit je als onderzoeker de zaken bekijkt. Daarom zal ik hier kort drie verschillende auteurs bespreken die, mijns inziens, een bijdrage hebben geleverd in het verklaren van het falen van het ‘reëel bestaand socialisme’. Het gaat hier zeker niet om een overzicht van analyses van min of meer gelijkgezinden, zoals in het boeiende werk onder redactie van de uitgever van de New Left Review, Robin Blackburn[78], maar om het tegenover mekaar stellen van drie verschillende analyses.

 

1. Zbigniew Brzezinski

 

Zbigniew Brzezinski, Amerikaans topadviseur van verschillende presidenten, geeft zijn visie op de val van het communisme in zijn boek Het grote falen.[79] Het betreft hier een analyse van het voortschrijdend verval en de toenemende doodsstrijd van het communisme als systeem en als ideologie. Zijn voornaamste uitgangspunt daarbij is dat het communisme als idee  dood is, want zo stelt hij:

 

“Het communisme zal alleen succes hebben waar het afstand doet van zijn essentie, zelfs al behoudt het nog enkele van zijn uiterlijke kenmerken. Men zal het zich herinneren als de meest opmerkelijke politieke en intellectuele afwijking van de twintigste eeuw.[80]

 

Volgens Brzezinski is de “historische tragedie van het communisme de politieke en socio-economische mislukking van het sovjetstelsel.”[81] Die mislukking begint volgens de Amerikaan reeds bij Lenin. De catastrofale nalatenschap die Lenin naliet was gekenmerkt door concentratie van de macht in handen van één enkele partij en het vertrouwen in de terreur om die macht te behouden. Onder Stalin werd dat tot het uiterste doorgetrokken. Dit doet Brzezinski constateren dat er tussen het communisme à la Lenin en Stalin en het fascisme van Hitler en Mussolini meer verwantschappen waren dan verschillen. Dat blijkt duidelijk uit volgende bewering:

 

“De titanenstrijd die later werd gevoerd tussen het nationaal-socialistische Duitsland van Hitler en het Sovjet-Rusland van Stalin heeft velen doen vergeten dat de worsteling tussen hen een broedermoord was tussen twee stromingen van een gemeenschappelijk geloof. Natuurlijk verklaarde de een zich de onverzoenlijke tegenstander van het marxisme en predikte ongekende rassenhaat; en de ander zag zich als de enige ware nakomeling van het marxisme door ongekende klassenhaat toe te passen. Maar beiden verhieven de staat tot het hoogste orgaan van collectieve actie, beiden gebruikten brute terreur als het middel om maatschappelijke gehoorzaamheid af te dwingen en beiden hielden zich bezig met massamoorden zonder weerga in de geschiedenis van de mensheid. […] En tenslotte beweerden beiden dat zij bezig waren almachtige ‘socialistische’ staten op te bouwen.”[82]

 

Maar Brzezinski gaat verder. Niet alleen het leninisme en het stalinisme, maar het socialisme, het marxisme als ideologie wordt als passé en verkeerd beschouwd. Zo is het overduidelijk dat Brzezinski het niet zo heeft voor de rol van de staat. Volgens hem heeft met het communisme ook het etatisme verloren. De staatsinterventie in de welvaartcreatie bij ons in het westen heeft volgens hem mee bijgedragen tot de bestendiging van de Sovjetunie:

 

“Maar het vertrouwen op de staat als het voornaamste instrument van maatschappelijke heil heeft de status van het sovjetstelsel verhoogd als het meest extreme voorbeeld van door de staat geplande en door de staat geleide sociale vernieuwing.”[83]  

 

Hij pleit dan ook voor grote individuele vrijheid en voor de vrije markt als beste kenmerken van de best mogelijke wereld. Hiermee kan hij duidelijk in het kamp van de neoliberale ideologen geplaatst worden.

 

De hervormingen die Gorbatsjov invoerde en die het begin van het einde betekenden, waren volgens Brzezinski de verwerping van de marxistisch-leninistische praktijk. De basispremissen van het communisme werden overduidelijk overboord gegooid. In de plaats kwam het schitterende liberalisme:

 

“De verheerlijking van de Staat maakte overal plaats voor de verheffing van het individu, van mensenrechten, van het particulier initiatief en zelfs van ondernemerslust.”[84]

 

Hervormingen binnen het systeem waren onmogelijk. Echte hervormingen betekenden de negatie van het systeem. Dit is voor Brzezinski het bewijs dat het communisme als systeem en doctrine dood is. Het falen van het Sovjetstelsel is dan ook het falen van het marxisme, tout court. Op het einde van het boek heeft Brzezinski voor de lezer het volgende algemene besluit in petto:

 

“De catastrofale ontmoeting van de mensheid met het communisme gedurende de twintigste eeuw heeft derhalve een pijnlijke maar uiterst belangrijke les geleerd: Utopische sociale opbouw is fundamenteel in strijd met de gecompliceerdheid van de menselijke gesteldheid, en sociale creativiteit komt het best tot bloei wanneer politieke macht begrensd is. Die elementaire les maakt het des te waarschijnlijker dat de democratie – en niet het communisme – in de eenentwintigste eeuw de boventoon zal voeren.”[85]

 

Dit boek is een perfecte aanvulling op Het einde van de geschiedenis en de laatste mens van Brzezinski’s collega Francis Fukuyama. Ook die laatste ging ervan uit dat de ‘westerse democratie’ definitief had gezegevierd op het ‘totalitarisme’.[86]

 

2. François Furet

 

François Furet, historicus van de Franse Revolutie en na de Tweede Wereldoorlog enkele jaren lid van de Parti Communiste Français (PCF), ontleedt in zijn monumentale essay Het verleden van een illusie de opkomst en de ondergang van het ‘reële communisme’.[87]

 

Het betreft hier niet echt een klassieke studie over de geschiedenis van het communisme of van de Sovjetunie, maar eerder een analyse van de illusie van de revolutionaire idee van het communisme. Furet vraagt zich af hoe het komt dat de idee van een klassenloze socialistische samenleving ondanks het totalitarisme, de misdaden, de goelags, etc… zijn fascinatie heeft weten te behouden, zelfs langer in het Westen dan in het Oosten. Volgens hem onthult het sovjetexperiment het belangrijke kenmerk

 

“dat het onlosmakelijk was verbonden met een fundamentele illusie, die lange tijd de inhoud leek te bekrachtigen van het experiment voordat ze erdoor werd opgeslokt.”[88]

 

Furet is het oneens met de gangbare interpretatie dat het Sovjetsysteem omvergeworpen zou zijn door ‘revoluties’. Volgens hem leek het eerder op een ‘contra-revolutie’, want zo vraagt hij zich retorisch af:

 

“bracht het uiteenvallen van het regime de door Lenin en Stalin gehate burgerwereld terug?”[89]

 

De ondergang van het communisme betekende ook de ondergang van de revolutionaire grondbeginselen van de Oktoberrevolutie, van het marxisme-leninisme, van het stalinisme, zelfs van het communisme met het menselijk gelaat.

 

Volgens hem lag de universele aantrekkingskracht van de Oktoberrevolutie in haar “revolutionair messianisme”[90]. Lenin en zijn bolsjewistische partij waren de uiterlijke tekenen van hoop. De Sovjetunie werd door vele intellectuelen en arbeiders uit de rest van de wereld aanzien als de gangmaker van de geschiedenis en de werkplaats van de toekomst. Terwijl de crisis van de jaren dertig het geloof in het kapitalisme ondermijnde, ontplooide Stalin een planeconomie. Voor velen leek dit een valabel alternatief.

 

Controversieel is de stelling van Furet dat het fascisme en het reële communisme duidelijke verwantschappen hadden. Hij is het volslagen oneens met de marxistische stelling dat het fascisme voor de burgerij het laatste redmiddel was tegen de arbeidersklasse. In een interview in De Standaard der Letteren in 1996 verduidelijkt hij zijn visie:

 

“Het fascisme was een zelfstandig fenomeen dat evenals het communisme voortkwam uit de crisis van de burgerlijke maatschappij. Communisme en fascisme hadden dezelfde vijand, de liberale democratie. Ze gebruikten dezelfde politieke methodes, de eenheidspartij, charismatische leiders, propagandamethodes.”[91]

 

Waar ziet Furet nu de oorzaken voor de ondergang van de Sovjetunie? Volgens hem  luidde Chroesjstjov het einde van het Sovjetcommunisme in, dat uiteindelijk onder Gorbatsjov zou plaatsvinden. Chroesjstjovs ‘geheime’ rede op het Twintigste Congres van de KPSU in 1956 veranderde van dag op dag de status van het communistisch gedachtengoed in de wereld. De ‘destalinisatie’ was cruciaal in de ondergang van het communistisch systeem, volgens Furet.

 

“De balans die naar aanleiding van dit cruciale jaar in de geschiedenis van het communisme kan worden opgemaakt, is tweeledig: het begin van het uiteenvallen van het blok en het einde van de eenheidsmythe die het blok uitdroeg.”[92]

 

Chroesjstjov en Gorbatsjov wilden niet langer mobiliserende mythes, maar een hervorming van het communisme en dat droeg de kiem van de ondergang in zich. De dogmatische leer van het marxisme-leninisme liet wel correcties toe, maar geen fundamentele hervormingen. Daartoe miste het de nodige soepelheid. Onder Lenin en Stalin verkreeg het communisme zijn meest wervende kracht, omdat bepaalde mythes werden gecreëerd of in stand werden gehouden. Zo mobiliseerde, volgens Furet, de antifascistische mythe duizenden en duizenden mensen tegen opkomende fascistische regimes. Dat het om een berekende mystificatie ging, bewijzen Stalins instructies aan de Europese communisten om niet alleen de fascisten, maar ook de gewone ‘burgerlijke’ partijen (vooral de sociaal-democraten) te bestrijden. Vooral Chroesjstjov en Gorbatsjov wilden komaf maken met die mythes, met die illusie. Uiteindelijk kwam Gorbatsjov uit bij datgene wat het communisme fundamenteel verloochende: liberale democratie en vrije markt.    

 

Volgens Furet versnelde Gorbatsjov het proces van implosie van de Sovjetunie. Jeltsin had niet veel meer nodig om de zaak volledig te doen instorten. De perestrojka was dus geen vooruitgang, maar een teruggang:

 

“Het sovjetcommunisme stierf aan een interne aantasting, waarbij Gorbatsjov het proces alleen maar versnelde en Boris Jeltsin na hem de klus van de liquidatie klaarde. Het sovjetcommunisme werd geboren uit een revolutie en verdween door een involutie. Maar zijn laatste, in Rusland gehate leider bleef tot op het eind een aanbeden figuur in het Westen, omdat dit noodgedwongen ook het einde van een illusie waarvan de twintigste eeuw was vervuld, in zijn kielzog meesleepte. De Sovjetunie verliet het toneel van de geschiedenis, terwijl het geduld van haar aanhangers buiten haar grenzen nog niet voldoende op de proef was gesteld. Zij liet veel weeskinderen over de hele wereld achter.”[93]

 

Furet komt tot het besluit dat het communisme niet kan herleven in de vorm waarin het stierf, maar wel in een nieuw democratisch oeuvre:

 

“Maar het einde van de sovjetwereld verandert niets aan de democratische vraag naar een andere samenleving en om die reden durf ik te wedden dat die enorme ondergang bij de publieke opinie nog steeds verzachtende omstandigheden zal weten te verkrijgen en misschien zelfs weer nieuwe bewondering zal weten op te wekken. Niet dat de communistische gedachte kan herleven in de vorm waarin zij stierf: de proletarische revolutie, de marxistisch-leninistische wetenschap, de ideologische uitverkiezing van een partij, een grondgebied en een imperium zijn ongetwijfeld samen met de Sovjetunie verleden tijd geworden. Met de verdwijning van deze voor onze eeuw zo welvertrouwde symbolen wordt een tijdperk afgesloten, maar het democratisch repertoire is daarmee nog niet uitgeput.”[94]

 

Door verschillende linkse intellectuelen werd Furets werk bestempeld als anti-communistisch en als een verdediging van het kapitalistisch bestel. Sommigen noemden het werk zelfs een afrekening van Furets persoonlijk verleden. Vooral in Frankrijk  woedde een hevige polemiek rond dit erudiete essay.

 

3. Eric Hobsbawm

 

Eric Hobsbawm, marxistisch historicus gespecialiseerd in sociaal-economische geschiedenis, zelf lid geweest van de Communist Party of Great-Britain (CPGB), geeft zijn visie op de ondergang van het ‘reëel bestaande socialisme’ in onder andere zijn magnum opus Een eeuw van uitersten.[95]

 

Hobsbawm heeft een macro-economische verklaring voor de teloorgang van de socialistische landen:

 

“De ironie van de geschiedenis wilde dat de ‘reëel bestaande socialistische’ economieën in Europa en de Sovjetunie en een deel van de Derde Wereld de werkelijke slachtoffers werden van de crisis van de kapitalistische wereldeconomie na het Gouden Tijdperk, terwijl de ‘ontwikkelde markteconomieën’ wel aangeslagen waren, maar die moeilijke jaren zonder al te veel kleerscheuren doorkwamen, althans tot begin jaren negentig.”[96]

 

Volgens Hobsbawm was dus de internationale economische crisis van halfweg de jaren 1970 medeverantwoordelijk voor de ondergang van het ‘reëel bestaande socialisme’.   

 

De mislukte politiek van Gorbatsjov wordt door Hobsbawm als indirecte aanleiding gezien voor de desintegratie van de Sovjetunie. Volgens hem had Gorbatsjov ongetwijfeld goede bedoelingen met zijn perestrojka-beleid, maar kwamen de hervormingen eigenlijk te laat. De crisis van de Sovjetunie zat al te diep en tussen de glasnost en de perestrojka gaapte een diepe kloof:

 

“Wat de Sovjetunie met bekwame spoed naar de afgrond dreef, was de combinatie van een ‘glasnost’ die neerkwam op het afbrokkelen van het gezag en een ‘perestrojka’ die neerkwam op  het afbreken van de oude mechanismen die de economie deden functioneren, zonder dat er een alternatief aangedragen werd.”[97]

 

Hij komt ook tot de constatering dat het merkwaardig is hoe los de greep van het communisme bleek te zijn op het enorme gebied dat het sneller had veroverd dan welke andere ideologie ook. Dat komt volgens hem door twee zaken. Ten eerste doordat het communisme niet gebaseerd was op massale bekering, maar op het geloof van kaders of voorhoeden. Ten tweede omdat het communisme een functioneel geloof was: het heden was alleen van belang als middel om naar een onbestemde toekomst te gaan.[98] 

 

Het Sovjetexperiment was volgens Hobsbawm niet bedoeld als:

 

“een wereldwijd alternatief voor het kapitalisme, maar als een stel concrete antwoorden op de specifieke situatie van een enorm groot en serieus achtergebleven land, in een specifieke, niet herhaalbare historische conjunctuur.”[99]

 

Hij ziet de ineenstorting van de Sovjetunie dan ook als het einde van het experiment van het ‘reëel bestaande socialisme’. Het is volgens hem echter niet het einde van de socialistische of communistische ideologie:

 

“Het mislukken van het Sovjetsocialisme laat de mogelijkheden van andere vormen van socialisme onverlet.”[100]

 

Hobsbawms analyse onderscheidt zich van de twee andere door het feit dat hij het ‘reëel bestaande socialisme’ ziet als een historisch fenomeen – een fenomeen met een beginpunt, een opbloei, een neergang en een eindpunt. Brzezinski en Furet beweren dat de hele communistische idee dood is, terwijl Hobsbawm eigenlijk stelt dat het communistische experiment in de Sovjetunie en in Oost-Europa dood is. Dat is een belangrijk verschil!

 

4. Persoonlijke interpretatie

 

Het is duidelijk dat de drie verschillende auteurs de val van het ‘reëel bestaande socialisme’ vanuit hun perspectief geanalyseerd hebben. Zelf heb ik hier ook gepoogd om op basis van redelijk wat literatuur[101] een overzichtje op te stellen van wat, mijns inziens, belangrijke verklarende factoren zijn in het falen van het ‘reëel bestaande socialisme’.

 

Historische ballast en legitimiteitscrisis

 

Het falen van de Sovjetunie is in de eerste plaats het falen van een bepaalde uitwerking van de marxistische ideologie: het leninisme.[102] De uitwerking van het marxisme door Lenin was uiteindelijk gericht op Rusland. Dat onmetelijke land was een semi-kapitalistische, semi-feodale staat en dus volgens de officiële (orthodoxe) marxistische lijn niet rijp voor een revolutie. De overgrote meerderheid van de bevolking bestond uit boeren, die nog in een halve toestand van lijfeigenschap zaten. Door zijn groot organisatietalent slaagde Lenin en zijn bolsjewieken er wonderwel in om de macht van de arbeiders en de soldaten te installeren in zogenaamde Sovjets (raden).[103] Bedoeling was dat de Russische revolutie zou overwaaien naar Duitsland, het land waar de arbeidersklasse het best ontwikkeld was om het socialisme te vestigen. De ontgoocheling was enorm toen bleek dat de revolutie in Duitsland werd neergeslagen. Het was een zware opdoffer voor de gangmakers van de wereldrevolutie. De voortdurende omsingeling en interventies van westerse mogendheden hadden er inmiddels voor gezorgd dat er reeds onder Lenin een streng en omvangrijk repressie-apparaat was opgericht en dat het radicaal-democratische karakter van de revolutie wegebde. Onder Stalin – die in 1929 definitief de macht greep - werd dat staalhard doorgetrokken en werd het duidelijk dat de Sovjetunie koste wat kost haar macht wilde consolideren en niet de promotor wilde spelen voor een wereldrevolutie.[104] Stalin werd de vader van het ‘socialisme in één land’. Door middel van een strakke commando-economie (de vijfjarenplannen) en een gedwongen landbouwcollectivisatie slaagde hij er in om de Sovjetunie uit de onderontwikkeling te halen. Dat had echter veel bloed, zweet en tranen gekost.  De destalinisatie – en hiermee bedoel ik het uitkomen van de gebeurtenissen die onder het regime van Stalin plaatsvonden -, de Koude Oorlog en de falende planeconomie brachten het ‘reëel bestaande socialisme’ vanaf de jaren zestig in een soort legitimiteitscrisis. De onvrede van de bevolking werd onvoldoende opgevangen. Het communisme kreeg een grauw en grijs karakter en kon niet op tegen het blitse en gekleurde westen. Gorbatsjov probeerde aan de crisis iets te doen, maar door binnen- en buitenlandse tegenwerking en eigen tekortkomingen zette hij uiteindelijk de deur open voor de intrede van het kapitalistisch model. De glasnost- en perestrojkapolitiek bleken te mager te zijn om aan de maatschappelijke onvrede tegemoet te komen. In de periode 1989-1991 stortte het systeem als een kaartenhuisje in mekaar. Het project van Lenin was niet meer.

 

Commando-economie en bureaucratisering

 

De Sovjetunie werd op economisch gebied gekenmerkt door de planeconomie.[105] Die heeft bepaalde periodes ongetwijfeld successen geoogst, maar over het algemeen kan gesteld worden dat deze staatsgeleide economie gekenmerkt werd door immobilisme en een overdreven bureaucratisering. Er was weinig of geen ruimte voor aanpassingen en creativiteit. Economische crises werden zeer moeilijk opgevangen en veroorzaakten mee de maatschappelijke stagnatie en ondergang. De overdreven bureaucratisering zorgde ervoor dat er heel wat corruptie en misbruiken waren.[106] De centrale planningsbureaus werden verstarde instituten die eerder ten dienste stonden van de grote bureaucraten dan van de bevolking. De privileges van die toplaag van de bureaucratie, van de zogenaamde nomenklatoera, waren, hoewel niet vergelijkbaar met privileges van westerse leiders, in strijd met de socialistische basisbeginselen. Marx had al naar aanleiding van de Commune van Parijs duidelijk gemaakt dat socialistische leiders niet veel meer mochten verdienen dan het gemiddelde arbeidersloon om de pest van de bureaucratisering tegen te gaan.

 

Democratie en burgerrechten

 

Het probleem van de democratie is ook een thema dat steeds terugkeert bij verklaringen voor de val van het ‘reëel bestaande socialisme’.[107] Het gebrek aan inspraak van de bevolking was inderdaad een reëel probleem. Van een radicale socialistische democratie was in de praktijk niet veel te merken. Toch moet er volgens mij ook rekening mee gehouden worden met ‘verzachtende omstandigheden’ zoals het Koude Oorlogsklimaat, de kapitalistische omsingeling en de historische context. De meeste landen in Oost-Europa hadden immers nog nooit de ‘politieke democratie’ gekend.

 

Desalniettemin: het gebrek aan bepaalde essentiële burgervrijheden of mensenrechten leidde voor vele mensen tot ontevredenheid. De perscensuur, de rol van de geheime politiediensten, de controle op het individueel gedrag en denken waren net als de privileges in strijd met de socialistische basisbeginselen. Rosa Luxemburg had Lenin daarvoor reeds gewaarschuwd. In haar boek De Russische revolutie schreef ze:

 

“Zonder algemene verkiezingen, zonder persvrijheid en onbeperkte vergadervrijheid, zonder een vrije meningsuiting, verkommert het leven in alle openbare instellingen, vegeteert het en wordt de bureaucratie algauw het enige actieve element.”[108]

 

Ze heeft grotendeels gelijk gekregen. Eén van de redenen waarom er zoveel volk op de Alexanderplatz in Berlijn of op het Wenceslas-plein in Praag stond was omdat het meer inspraak wilde, omdat ze een beleid van en voor de bevolking wenste.

 

Anderzijds wordt dikwijls geopperd dat de socialistische landen een gelijke verdeling van de welvaart kenden en haar burgers een stabiel en zeker leven garandeerden. Dit klopt ook gedeeltelijk. De materiële en sociale zekerheden zoals werk, woning, gratis onderwijs, gratis gezondheidszorg, gratis openbaar vervoer en dergelijke meer, werden door de bevolking echter als vanzelfsprekend beschouwd.[109]

 

De wapenwedloop

 

De door de Verenigde Staten van Amerika opgewekte wapenwedloop dwong de Sovjetunie in het defensief. De Sovjetunie is meegestapt in de wapenwedloop omdat het op die manier dacht haar veiligheidsconcept te kunnen waarborgen. Na de ontzettend zware verliezen die de Sovjetunie tijdens de Tweede Wereldoorlog had opgelopen[110], was het voor Stalin duidelijk dat een veiligheidscordon het belangrijkst was voor het voortbestaan van de Sovjetunie. De creatie van de Oost-Europese satellietstaten moet dan ook in die context gezien worden. De toenmalige leiders van de Verenigde Staten van Amerika dachten daar kennelijk anders over. Zij vreesden dat het communisme de ganse wereld zou veroveren en hun veiligheidsconcept was er dan ook volledig op gericht om het communisme in te dammen (containment-politiek, Truman-doctrine, Marshall-plan) en terug te dringen (roll-back-strategy). De Koude Oorlog was dus een al dan niet bewust misverstand, een botsing van twee verschillende veiligheidsconcepten.[111] Vrijwel onmiddellijk na de oorlog begon de wapenwedloop. De tactiek van wederzijdse afschrikking zorgde ervoor dat er één grote winnaar was: de militaire industrie. Dit had als gevolg dat de investeringen in de burgereconomie in de Sovjetunie ontoereikend waren.  Reeds onder Chroesjstjov werden verregaande ontwapeningsvoorstellen gedaan, meer dan waarschijnlijk om de burgereconomie nieuwe zuurstof te geven, maar daar werd door de Verenigde Staten niet op ingegaan. Het Witte Huis en het Pentagon vermoedden immers dat de Sovjetunie op die manier zand in de ogen wilde strooien. Pas toen de Sovjetunie in een finale crisis was, werd er op de verregaande ontwapeningsvoorstellen van Gorbatsjov ingegaan, voornamelijk uit eigenbelang. Sommigen – veelal communisten - beweren dan ook dat de Sovjetunie door de Verenigde Staten uiteindelijk ‘doodbewapend’ is.

 

Het anti-communisme 

 

De rol van het anti-communisme in de val van het communisme wordt door vele auteurs onderschat. Nochtans is de geschiedenis van het communisme nauw verbonden met die van het anti-communisme. Vanaf het ontstaan van de revolutionaire stroming in de 19de eeuw werd door de ‘heersende klasse’ veel in het werk gesteld om de idee te discrediteren, om de beweging te criminaliseren. Dat ging van mediamanipulatie, infiltratie, spionage tot vervolging en moord. Wat de hier besproken periode betreft moeten we voor ogen houden dat dankzij de glasnost de pro-Westerse propaganda gemakkelijk kon verspreid worden. Verschillende groeperingen werden opgericht, niet om het systeem mee te verbeteren, zoals Gorbatsjov het aanvankelijk wilde, maar om het mee kapot te maken. De rol van deze anti-communistische groeperingen, maar ook die van westerse geheime diensten is zeker een piste die verder moet onderzocht worden.

 

Conclusie

 

Uit dit alles kan eigenlijk de eenvoudige conclusie getrokken worden dat de het ‘reëel bestaande socialisme’ in de Sovjetunie en de Oost-Europese staten door een veelheid van interne en externe factoren aan haar einde is gekomen. Een eenduidige verklaring bestaat er meer dan waarschijnlijk niet.

 

In Deel III zullen we zien hoe de Belgische radicale linkerzijde de val van het ‘reëel bestaande socialisme’ geanalyseerd heeft. Er zullen zeker raak- en verschilpunten te merken zijn met bovenstaande analyses.

  
HOOFDSTUK 3: REPERCUSSIES VAN DE VAL VAN HET 'REËEL BESTAAND SOCIALISME'

1.      Het einde van de Koude Oorlog

2.      De restauratie van het kapitalisme in Oost-Europa en in de ex-Sovjetunie

3.      De ‘Nieuwe Wereldorde'

4.      Het bankroet van het socialisme

5.      Het einde van de geschiedenis en van de ideologieën

6.      De ‘Nieuwe Wanorde’

7.      De opmars van het neoliberalisme of de neoliberale globalisering

 

Het verdwijnen van het ‘reëel bestaande socialisme’ had heel wat gevolgen voor de wereldordening. Hier volgt een bondige bespreking van een aantal belangrijke repercussies.[112]

 

1. Het einde van de Koude Oorlog

 

Het oplossen van de Duits-Duitse kwestie en de implosie van de Sovjetunie betekenden meteen het einde van de Koude Oorlog. In dat diepgaand conflict was de Sovjetunie vijfenveertig jaar lang de directe tegenstander geweest van het Westers blok onder leiding van de Verenigde Staten van Amerika. De militaire confrontatie, de tactiek van wederzijdse afschrikking verdween. De Sovjettroepen trokken zich terug uit Oost-Europa. Het Warschaupact werd ontbonden. Dat deed in West-Europa de vraag rijzen of haar Koude Oorlog-instituut, de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO) nog reden had om voort te bestaan, zeker omdat de Europese Gemeenschap zich verder tot een autonome grootmacht ontwikkelde. Vooral onder druk van Washington en de Atlantisten werd op deze vraag niet nader ingegaan. Een deel van de Amerikaanse legertroepen bleef in Europa gekazerneerd. De NAVO zou zelfs na verloop van tijd overgaan tot uitbreiding in oostelijke richting.

 

Het einde van de Koude Oorlog betekende ook het einde van de scheiding van Europa in Oost en West. Het Ijzeren Gordijn was verdwenen. De Europese landkaart was grondig hertekend. Rusland was de grote verliezer, Duitsland de grote winnaar. De Europese Gemeenschap zag in de toekomst haar kans om uit te breiden in oostelijke richting. Een groot en sterk Europa zou immers een soort tegenmacht kunnen vormen voor de dominantie van de Verenigde Staten van Amerika.   

 

2. De restauratie van het kapitalisme in Oost-Europa en in de ex-Sovjetunie

 

De omwentelingen in Oost-Europa en de Sovjetunie maakten niet alleen een einde aan de bipolaire internationale machtsstructuur, ze creëerden ook een soort machtsvacuüm in de landen waar een omwenteling plaatsvond. Dat vacuüm liet ruimte zat voor nationalisme, racisme, fascisme, egoïsme en sociale ellende.

 

Het ‘reëel bestaande socialistisch systeem’, gekenmerkt door een machtige bureaucratie maar ook door een ‘socialistische’ basis, werd volledig vervangen door een 19de eeuws kapitalistisch systeem. Massale privatiseringen, uitverkoop van de meest productieve activiteiten aan westerse multinationals, afbraak van sociale voorzieningen en toenemende werkloosheid stortten de Oost-Europese bevolkingen in doffe ellende. Chaos kwam in de plaats van een zekere vorm van zekerheid en stabiliteit. Verschillende rapporten van VN-organisaties bevestigen dat trieste verhaal.

 

Hulp uit het Westen kwam er maar met mondjesmaat. Duitsland nam het voortouw en begon sinds 1990 haar traditionele rol in Oost-Europa terug op te nemen. Na de ‘Anschluss’ van de DDR nam de Duitse industrie de leiding in de economische penetratie van de oostelijke regio. Het eengemaakte Duitsland was er ook als de kippen bij om de verschillende afgescheurde republieken in ex-Joegoslavië te erkennen en er de Duitse Mark aan te bieden als de belangrijkste munt. Voor waarnemers werd het duidelijk dat Duitsland terug het sterkste land van Europa wilde worden. Dat gebeurde nu wel in het kader van de Europese Unie.

 

Overal in Oost-Europa en in de ex-Sovjetunie dook eveneens het nationalisme op.[113] In veel gevallen kreeg het etnische en racistische trekken. Joegoslavië was en is daar wel het modelvoorbeeld van. De veelvolkerenstaat viel uiteen in Slovenië, Kroatië, Bosnië-Herzegovina, Macedonië en Servië-Montenegro. Dat ging gepaard met een bloedige burgeroorlog met vele duizenden doden. De Balkanregio blijft tot vandaag de meest onstabiele regio in Europa. In 1992 werd Tsjecho-Slowakije gesplitst in de republieken Tsjechië en Slowakije. In Polen voerde volksheld Lech Walesa een rechts-nationalistische politiek, soms op de rand van het anti-semitisme, onder het goedkeurend oog van de katholieke Kerk. In Hongarije was er eveneens een opstoot van nationalisme. Sommigen begonnen er luidop te dromen van het herstel van het Oostenrijks-Hongaarse rijk. De ex-Sovjetunie, waar de maffia de overhand gekregen had en waar de corruptie de beste manier was om rijk te worden, schakelde onder Boris Jeltsin over op een nationalistisch discours. Sommigen zoals de uiterst-rechtse Zjirinovsky wilden daarin nog verder gaan. Ook in vroegere deelrepublieken zoals Litouwen, Georgië en Kazachstan kende het nationalisme een angstaanjagende opbloei.

 

Dit alles gebeurde onder het dichtgeknepen oog van de internationale gemeenschap. In ex-Joegoslavië bijvoorbeeld werd er zeer halfslachtig opgetreden. Waarom liet de internationale gemeenschap dit nationalisme, etnicisme en religieus-extremisme toe en stelde ze jaren voordien alles in het werk om het ‘goddeloze communisme’ omver te werpen? Was het omdat nu de westerse bedrijven vrij spel hadden gekregen om in de Oost-Europese landen lucratieve activiteiten te gaan opstarten? Was het voor de ‘democratie’ en de ‘mensenrechten’?

 

Natuurlijk moet de gehele situatie genuanceerd worden. Niet alle Oost-Europese landen werden haarden van oorlog en nationalistisch geweld. Bepaalde landen zoals Tsjechië en Hongarije konden zich, ondanks het heropflakkerend nationalisme, over het algemeen sneller uit de overgangscrisis trekken en relatief welvarende landen worden, maar de zekere vorm van gelijkheid die er onder het communisme had bestaan werd er zoals overal vervangen door het recht van de sterkste.[114]

 

De vluchtelingenstroom van Oost naar West, die tot op vandaag aanhoudt, is het beste bewijs dat het verdwijnen van het communisme en het instellen van het kapitalisme geen garantie was voor stabiliteit en meer zekerheid. De meeste mensen die kunnen vluchten, doen dat uit sociaal-economische ontevredenheid. Ze hopen in onze contreien een beter leven te kunnen opbouwen. Vaak worden ze het slachtoffer van mensenhandel en racisme.

 

Het is duidelijk dat de transitieperiode van communisme naar kapitalisme een chaotische bedoening was en is. De gevolgen zijn vandaag nog merkbaar. Bepaalde landen zijn er nog steeds erg aan toe. De ex-communistische partijen, meestal omgevormd tot sociaal-democratische partijen, zijn na een oppositiekuur terug aan de macht gekomen, zij het in coalities met andere partijen. Ze zijn grote voorstanders geworden van toetreding tot de Europese Unie. Van hun socialistische achtergrond is nog weinig te merken.

 

3. De Nieuwe Wereldorde

 

Het wegvallen van het Oostblok zorgde bij een aantal Westerse leiders voor veel euforie. De Amerikaanse president George Bush senior verklaarde bij de val van de Muur op triomfantelijke wijze dat het Westers kapitalistisch model had gewonnen en dat het tijdperk van de ‘Nieuwe Wereldorde’ was aangebroken. Het communisme had definitief verloren. Het kapitalisme was het best mogelijke systeem dat de mensheid ooit gekend had. De socialistische ideologie werd doodverklaard. Het neoliberale kapitalisme à la Reagan en Bush was de juiste motor voor vooruitgang, welvaart en welzijn. Wie niet meedeed, werd als een ‘schurkenstaat’ bestempeld.

 

In die ‘Nieuwe Wereldorde’ moesten de Verenigde Staten van Amerika de leidende rol spelen. Op de vraag of de enige overgebleven grootmacht dat nog kon na vijfenveertig jaar van grote uitgaven aan bewapening kregen we in 1990 een duidelijk antwoord. Het Amerikaans superioriteitsdenken kreeg zijn volle glans in twee casussen: de invasie van Panama, die parallel met de crisis in Roemenië plaatsvond en de Golfoorlog, die niet veel later uitbrak.

 

De Panama-invasie vond plaats begin 1990.[115] Onder de codenaam Operation Just Cause  verdreven 24.000 Amerikaanse mariniers hun vroegere vriend Noriega van de troon en zorgden ervoor dat er een betrouwbare bodgenoot zijn plaats innam. Noriega gaf zich na drie dagen over en werd in Miami gevangen gehouden. Door het feit dat de gebeurtenissen in Panama zich parallel met het drama in Roemenië afspeelden, werd er relatief weinig aandacht besteed door de pers aan deze door vele Latijns-Amerikanen bestempelde daad van Yankee-imperialisme.

 

De Golfoorlog was veel diepgaander en kreeg ook veel meer aandacht van de pers. Irak was het rijke oliestaatje Koeweit binnengevallen, wat uiteraard een inbreuk op het internationale recht was. Een optreden van de Verenigde Naties was in principe gewettigd. In minder strategische conflictzones zou er een vredesmacht gestuurd worden. Wat zagen we hier? Voornamelijk uit economische en politieke belangen begonnen de Verenigde Staten en hun bondgenoten, waaronder Groot-Brittannië, Frankrijk en Duitsland, een regelrechte oorlog tegen het anti-imperialistische één-partij-regime van Saddam Hoessein. De spectaculaire bombardementen konden we vanuit onze luie zetel op het transnationale tv-station CNN volgen. De Irakese bevolking echter kon dit niet. Tot vandaag ondervindt ze de pijnlijke gevolgen van deze oorlog om olie. Het embargo dat op de oorlog volgde, doodde volgens rapporten van mensenrechtenorganisaties minstens een half miljoen Irakese kinderen.

 

Sinds de val van de Muur en het winnen van de Golfoorlog zijn de Verenigde Staten van Amerika zich meer en meer gaan opwerpen als de enige supergendarme van deze planeet. Op een zeer selectieve manier werd er ingegrepen in bepaalde conflicten, vaak onder het mom van een ‘humanitaire interventie’.[116] Een groot deel van de internationale gemeenschap, waaronder de Europese Unie, stapte mee in deze Amerikaanse imperialistische logica. 

 

4. Het bankroet van het socialisme

 

De val van het ‘reëel bestaande socialisme’ in Oost-Europa en de Sovjetunie werd door vele intellectuelen en politici, van uiterst rechts tot de sociaal-democratie, gezien als het bewijs voor het bankroet van het socialisme als alternatief voor het kapitalisme. De socialistische ideologie had in de ogen van deze pro-kapitalisten helemaal afgedaan. De ‘vrije markt’ en de ‘liberale parlementaire democratie’ hadden overwonnen op de dictatuur, de schaarste en de politieke willekeur. Met het socialisme werd ook het marxisme dood verklaard. Begrippen als ‘klassenstrijd’, ‘arbeidersklasse’, ‘klassenbewustzijn’, ‘proletarisering’ en dergelijke meer werden afgedaan als verouderd en verkeerd.[117] Parameters als ‘mensenrechten’ en de ‘vrije markt’ werden opeens bejubeld als nagelnieuwe concepten. De kapitalistische triomfanten vonden in de traditionele media hun objectieve bondgenoot. Er was nog maar één weg mogelijk, die van het kapitalisme. Ook bepaald historisch onderzoek bevestigde de heersende klasse in haar grote gelijk. Ik neem hier als voorbeeld het gigantische werk onder redactie van de Franse ex-maoïst Stéphane Courtois, het Zwartboek van het communisme dat op een niet altijd even genuanceerde manier de dodelijke slachtoffers heeft opgeteld die er onder de communistische regimes gevallen zijn.[118] Het deed vele politici en commentatoren, van uiterst-rechts tot de sociaal-democratie, besluiten dat het communisme - tout court - een misdaad tegen de mensheid was en is. Het communisme en het fascisme werden gelijkgesteld als twee extreme uitwassen van het enige juiste maatschappelijke model, de liberale democratie met de vrijemarkteconomie.

 

Gevolg van dergelijk anti-communistisch klimaat was natuurlijk een crisis van het socialisme en van haar belangrijkste uitdrager, de politieke linkerzijde. Ongetwijfeld heeft het Sovjetexperiment – en vooral de uitwassen ervan - de zuivere idee van het socialisme mee in diskrediet gebracht. Het offensief van de rechtse krachten, die hun kans mooi zagen om alles wat progressief was naar de marginaliteit te duwen, mag echter niet onderschat worden in deze turbulente historische periode.

 

5. Het einde van de geschiedenis en het einde van de ideologieën

 

Door verschillende intellectuelen en beleidslui werd de ondergang van het Sovjetsocialisme gezien als het einde van de geschiedenis. De belangrijkste van die rechtse intellectuelen was zonder twijfel de Japanse Amerikaan Francis Fukuyama. Als adviseur van George Bush senior schreef hij het wereldbefaamde essay Het einde van de geschiedenis en de laatste mens waarin op een triomfantelijke wijze werd verkondigd dat het kapitalisme en de liberale democratie hadden overwonnen en dat de verwezenlijking ervan op wereldschaal het einde van de geschiedenis betekende.[119] Vele politici, wederom van uiterst-rechts tot de sociaal-democratie, volgden Fukuyama in zijn analyse. Het was gedaan met ideologische steekspellen. Er was een consensus gekomen, die van ‘vrije markt’ en ‘liberale democratie’. De discussie over de maakbaarheid van de samenleving werd bijna onmogelijk. Alternatieven werden weggelachen als dwaze retoriek en wereldvreemde dromerij. Het TINA-denken overheerste het maatschappelijk leven.

 

6. De Nieuwe Wanorde

 

Nochtans was van de ‘Nieuwe Wereldorde’ of ‘het einde van de geschiedenis’ op het terrein niet veel te merken. Er kwam eerder een ‘Nieuwe Wanorde’ en ‘de start van een nieuwe geschiedenis’. Tijdens de Koude Oorlog, tijdens de periode van de bipolariteit was er enigszins een vorm van stabiliteit in de wereld. De meeste conflicten werden in het keurslijf van die bipolaire wereldordening gebracht. Er was een duidelijk kader. Met het wegvallen van de Sovjetunie werd de wereld plots veel complexer. De Amerikaanse auteurs McWilliams en Piotrowski spreken in hun overzichtswerk The World since 1945 van “the fragmentation of the world”.[120]

 

Door het wegvallen van de Oost-West tegenstelling kwam een andere reeds bestaande tegenstelling op de voorgrond, namelijk de Noord-Zuidkloof of de kloof tussen de haves en de have-nots. Die problematiek was jarenlang verdrongen geweest door de Koude Oorlog. De Derde Wereld werd geconfronteerd met toenemende armoede, toenemende gewapende conflicten, een enorm hoge schuldenlast, etc… Het optimisme van Bush, Fukuyama en hun aanhangers werd door vele volkeren in Afrika, Latijns-Amerika en grote delen van Azië niet gedeeld. 

 

Ook van internationale vrede was geen sprake. Overal ter wereld ontstonden oorlogen of bleven gewapende conflicten voortduren. Vooral Afrika was en is er op dat vlak het ergst aan toe, maar ook in de Europese achtertuin, in de Balkan, bleef het geweld een vast onderdeel in het dagelijks leven van de mensen. De internationale gemeenschap en haar voornaamste vertegenwoordigend orgaan, de Verenigde Naties (UNO) kon in veel gevallen geen oplossing brengen. Het instituut werd verder uitgehold door bepaalde landen, voornamelijk de Verenigde Staten van Amerika, maar ook door bepaalde andere internationale organen, zoals het IMF, de WTO en de NAVO.

 

Het optimisme over de ‘Nieuwe Wereldorde’ leek halfweg de jaren negentig duidelijk misplaatst. Een meerderheid van de wereldbevolking leefde in armoede en had geen toegang tot essentiële basisbehoeften. De wereld was onstabieler en complexer geworden en de enige overgebleven supermacht, de Verenigde Staten van Amerika, greep enkel in, in die conflicten waar haar belangen bedreigd werden.

 

7. De opmars van het neoliberalisme of de neoliberale globalisering

 

Het neoliberalisme, de huidige fase van het kapitalisme, rukte door het verdwijnen van een ‘bestaand alternatief’ verder op. De neoliberale ideologen en beleidslui zagen hun systeem als de enige mogelijke weg naar vooruitgang en vrede. Het neoliberale bestel was sedert de zware economische crisis van 1973-1975, de zogenaamde crisis van het Tayloristisch-Fordistisch model, opgekomen en het kwam het meest drastisch tot uiting in het beleid van de Amerikaanse president Ronald Reagan en de Britse premier Margaret Thatcher. De werkende bevolking werd het slachtoffer van grote besparingen in de sociale zekerheid en in de sociale voorzieningen. Ook in België werd gedurende de jaren tachtig een inleveringsbeleid gevoerd door de opeenvolgende regeringen.

 

Vandaag heeft het neoliberalisme zowat de hele wereld in haar greep. Zelfs de overgebleven communistische landen kunnen er moeilijk aan ontsnappen.[121] In deze neoliberale globalisering[122] zijn ‘vrijhandel’ en ‘vrije markt’ de dominante woorden. Het buitenlands economisch beleid van verschillende landen staat in de praktijk ver van vrijhandel en de groeiende macht van transnationale ondernemingen toont aan dat die vrije markt eigenlijk toch niet zo vrij is. De concentratiebeweging van transnationale ondernemingen holt volgens verschillende kritische waarnemers en intellectuelen het traditionele gezag van de natie-staat uit. Hierdoor kan de staat nog moeilijk instaan voor de belangen van haar burgers.[123]

 

Door de rechtse economen en rechtse politici wordt de huidige constellatie vaak voorgesteld als de natuurlijke gang van zaken, maar dat is historisch-economisch onjuist. Het kapitalistisch systeem is immers een historisch systeem en het wordt onder meer gekenmerkt door fasen van regulering en fasen van deregulering. Het neoliberalisme is eigenlijk zo’n fase van deregulering. Kenmerken daarvan zijn een deflatoir beleid, privatiseringen en besparingen in overheidsdiensten en sociale voorzieningen. De fase van deregulering, die we in het interbellum zagen, kende zijn ondergang door de beurscrash van 1929 en uiteindelijk ook door de Tweede Wereldoorlog. Nadien werd er vrijwel overal in het Westen overgeschakeld op het keynesiaanse model. Dat betekende kort samengevat een institutionalisering van het door de staatsoverheden gereguleerde kapitalisme.[124]

 

Ook de actualiteit bewijst dat het neoliberalisme gedoemd is te mislukken. De Aziatische crisis van 1997 en de crisis van 2001-2002 in Argentinië, ooit het tiende rijkste land ter wereld, bewijzen dat het een systeem is dat meer verliezers maakt dan winnaars. Het neoliberalisme is eigenlijk een doorgedreven vorm van liberalisme. Elke burger is vrij, maar het is het recht van de sterkste die bepaalt welke plaats die burger in de maatschappij inneemt.[125] De winstmaximalisatie is het hoogste goed. Groei, groei en nog eens groei zijn de noodzakelijke hefbomen.

 

Het neoliberalisme grijpt op een ongelooflijke manier in op ons dagelijks leven.[126] Werkonzekerheid, doorgedreven flexibiliteit, blind consumentisme, psychische ziekten zijn maar enkele fenomenen die de laatste jaren de westerse maatschappijen teisteren. Ook een ongebreidelde individualisering greep om zich heen. In een artikel in het Franse progressieve maandblad Le Monde Diplomatique van maart 1998 bekeek de onlangs overleden Franse socioloog en linkse publicist Pierre Bourdieu het neoliberalisme als een programma van “la déstruction des structures collectives” en als de promotie van een nieuwe orde gebaseerd op de cultus van “l’individu seul, mais libre”.[127]  In het februarinummer van 2001 werd daarop verder geborduurd en werd op zeer verhelderende wijze uitgelegd wat de symptomen zijn van de overgang van de moderne maatschappij naar de postmoderne maatschappij. Het gaat volgens de auteur om signalen die op een ernstige maatschappelijke crisis duiden. Ik som er hier enkele op[128] :

 

  • de groei van het individualisme

  • de vermindering van de rol van de overheid

  • de voorrang van de markt ten opzichte van elke andere consideratie

  • de macht van het geld

  • de groeiende publieke afkeer van de politiek

  • de oncontroleerbaarheid van machtige technologieën

  • de privatisering van het publieke domein

  • het uiteenvallen van de traditionele familiestructuur

  • het meer en meer openbaar maken van privé-aangelegenheden (cfr. Clinton-Lewinsky affaire)

 

In deze geschetste context, in deze neoliberale wereldordening is het zeer moeilijk voor de traditionele sociale bewegingen die zich beroepen op het collectief als instrument tot analyse en tot actie om goed te functioneren. Denk maar aan de tanende rol van de traditionele vakbonden. Sinds kort is in die negatieve evolutie langzaam verandering aan het komen met de opkomst van een nieuwe anti-systeembeweging, een nieuwe sociale beweging, namelijk de zogenaamde anti-globaliseringsbeweging.[129] Deze verscheiden wereldbeweging komt op tegen de dominantie van het neoliberale denken en handelen, de zogenaamde ‘pensée unique’ van ‘liberale democratie’ en ‘vrije markt’. In de ogen van de anti-globalisten betekent die ‘pensee unique’, dat eenheidsdenken, niet veel meer dan de heerschappij van financiële instellingen dan de Wereldhandelsorganisatie (WTO), het Internationaal Monetair Fonds (IMF) en de Wereldbank (WB). De anti-globalisten protesteren tegen de toenemende armoede en toenemende ecologische verloedering. Ze komen op voor een andere, betere, rechtvaardige wereld. Hun aanhang groeit gestaag.

  

DEEL II:

RADICAAL-LINKS IN BELGIË: EEN HISTORISCHE VOORSTELLING

  Hoofdstuk 1: De Kommunistische Partij van België (KPB)
 
Hoofdstuk 2: De Socialistische Arbeiderspartij, Belgische Afdelingvan de Vierde Internationale (SAP)

  Hoofdstuk 3: De Partij van de Arbeid van België (PVDA)

  

Communisten

 

Communisten zijn vieze mannen

Met snorren en een vette pet

Ze smeden meestal snode plannen

En liggen tot ’s middags in bed

 

Hebben de meest ongure koppen

En rijden met rode Lada’s

Vrijen het liefst met opblaaspoppen

Kopieën van Micha Marah

 

Knijpen hun ogen toe

Om te gelijken op voorzitter Mao

Maar nooit zal het ze lukken

Om d’er uit te zien als Fidel Castro

Of als Brigitte Bardot

 

Als ze zich willen vermommen

Trekken z’hun bivakmutsen uit

En gaan ze weg zonder hun bommen

Snelkookpannen vol buskruit

 

Ze hebben elk hun favorieten

Ze noemen zichzelf leninist

Trotskist of jezuïeten

Kinesitherapeutist

 

Hoed je voor, kijk uit, pas op, gevaar

De co…co… co…co…communisten zijn daar

Of we zijn de sigaar

 

Fascisten aller landen

Het wordt tijd dat ge u vereent

Toont ne keer uw valse tanden

En vergeet ne keer uw speen

 

Verdedig onze oude waarden

Godsdienst en portemonnee

 Harrio tegen de ontaarden

Were di … kssj kssj…Houzee

 

De verworpenen der aarde hebben simultaan de wekdienst opgebeld

Verzamelt u met katapult en thermos op ’t Groeningeveld

Op 11 juli appèl

Boer Dillen voert het bevel

 

[Jan De Wilde]

 

Zoals in de inleiding van deze verhandeling reeds vermeld, zullen de drie voornaamste vertegenwoordigers van de Belgische radicale linkerzijde besproken worden. Het gaat om de Kommunistische Partij van België (KPB), de Socialistische Arbeiderspartij (SAP) en de Partij van de Arbeid (PVDA). Wat de drie min of meer gemeenschappelijk hebben is dat ze zichzelf als de ware communisten zien of zich lange tijd zo gezien hebben. Afwijkingen worden of werden als ‘gauchisme’, ‘revisionisme’, ‘reformisme’ of ‘opportunisme’ bestempeld.

 

De term ‘gauchisme’ werd door Lenin gebruikt in zijn minder bekende werk De linkse stroming, een kinderziekte van het communisme[130] voor communistische stromingen in de jaren 1920, die revolutionaire frasen formuleerden, elk compromis weigerden, de parlementaire actie verwierpen, de zuiverheid van de leer koesterden, etc… Alle leninistische stromingen (stalinisme, maoïsme, trotskisme) hebben de term voorbehouden aan hun extreme vleugels of aan elkaar. Het ‘gauchisme’ vertrekt van de pure leer, de ‘juiste lijn’ en benadert van daaruit de realiteit, heeft weinig voeling met de arbeiderswereld, oordeelt, beoordeelt en veroordeelt. Het revolutionair ongeduld en het onvoorwaardelijk geloof in het revolutionaire karakter van de arbeidersklasse domineren de analyse. Het is dus eerder een orthodox geloof dan een concrete leidraad tot actie.

 

De termen ‘revisionisme’ en ‘reformisme’ gaan terug op het werk van de 19de eeuwse Duitse marxisten Edward Bernstein[131] en Karl Kautsky[132]. Bernstein herzag de leer van Marx en kwam tot de conclusie dat het kapitalisme niet op weg was om in te storten, dat het kapitaal niet in handen kwam van een steeds kleiner wordende groep mensen, dat de middenklasse niet zou verdwijnen en dat de arbeidersklasse niet zou getroffen worden door een toenemende ellende (‘Verelendung’ zoals Marx het noemde). Hij weerlegde eveneens Marx’ waardeleer, zijn economisch determinisme en zijn betekenis van de klassenstrijd. Deze grondige herziening werd door tijdgenoot Kautsky bestempeld als onverantwoord. Desalniettemin werden hij en zijn Duitse Sociaal-Democratische Partij er sterk door beïnvloed. Vanaf de Russische Oktoberrevolutie werden de termen ‘revisionisme’ en ‘reformisme’ door de communisten gebruikt om afwijkingen van de juiste marxistische(-leninistische) lijn te duiden. Zo werd Kautsky op zijn beurt door Lenin bestempeld als een ‘renegaat’.[133] Het ‘revisionisme’ en ‘reformisme’ betekenen doorgaans overdreven toegevingen toestaan aan de heersende klasse, het verzwakken van het revolutionair potentieel van de arbeidersklasse, de revolutie opgeven ten voordele van geleidelijke hervormingen of ten voordele van de parlementaire weg naar het socialisme, het medebeheer van het kapitalisme, het opgeven van bepaalde essentiële beginselen en dergelijke meer.

 

De toon is hiermee wel gezet. De drie radicaal-linkse partijen zijn niet de grootste vrienden van elkaar. Dat is te wijten aan historische, ideologische en strategische verschillen. Voor een niet-ingewijde komt dat vreemd over. In de bondige historische voorstelling die hieronder aan bod komt, is het de bedoeling dat daarin dan ook wat verheldering komt.

 

Voorts wil ik nog opmerken dat er een grotere nadruk ligt op de Vlaamse situatie.[134] Zeker voor de KPB is dit het geval. In 1988 federaliseerde die partij immers. Er werd een KP-Vlaanderen opgericht, een PC-Wallon et francophone en een overkoepelende Unie van Kommunisten. De grotere aandacht voor de Vlaamse KP levert misschien een reductionistisch beeld op aangezien de Kommunistische Partij van België haar sterkste inplanting had in het Franstalige landsgedeelte. Voor de SAP-POS en de PVDA-PTB is het gemakkelijker. Zij zijn tot op vandaag unitaire partijen, hetgeen vrij uniek is in het federale België.[135] 

 

   

                        HOOFDSTUK 1: DE KOMMUNISTISCHE PARTIJ VAN BELGIË

 

1.      Ontstaan van de KPB

2.      De jaren twintig: de scheuring en de bolsjewisering

3.      De jaren dertig: de grote stakingen in België en de Spaanse Burgeroorlog

4.      De jaren veertig: de Tweede Wereldoorlog en het begin van de Koude Oorlog

5.      De jaren vijftig: het anti-communisme en interne moeilijkheden

6.      De jaren zestig: een heropleving met interne moeilijkheden

7.      De jaren zeventig: de studentenradicalisering en het euro-communisme

8.      De jaren tachtig: verlies van het eurocommunisme en verdere neergang

9.      Conclusie

 

  

“Wij zullen alle oude vooroordelen, volgens welke de staat algemene gelijkheid betekent, over boord werpen, want dit is bedrog: zolang er uitbuiting bestaat, kan er geen gelijkheid zijn.”[136]

   

1. Ontstaan van de KPB [137]

 

Allereerst moeten we voor ogen houden dat geen enkele communistische partij is opgericht zonder de zegen van de Sovjetunie. Ook de Kommunistische Partij van België niet. In heel Europa vond het communisme zijn voedingsbodem in een buitenlandse evolutie en traditie, meer bepaald die van de bolsjewistische partij of de Kommunistische Partij van de Sovjetunie (KPSU) en de Oktoberrevolutie van 1917.

 

De eerste communistische groepen in België waren een allegaartje van partijtjes, tijdschriften en verenigingen. In 1920 verenigden die groepjes zich onder de naam Parti Communiste de Belgique, onder leiding van de kunstenaar War Van Overstraeten. Een tweede, grotere kern van Belgische communisten ontstond uit protest tegen het politieke opportunisme van de leiders van de Belgische Werkliedenpartij (BWP). Deze radicaal-linkse oppositiegroep binnen de BWP stond onder leiding van de opvallende en bij de arbeiders zeer populaire Joseph Jacquemotte. De groep van Jacquemotte kantte zich tegen de compromissenpolitiek, de regeringsdeelname en het reformisme van de BWP. Ze werkte binnen de BWP rond het weekblad L’Exploité en vormde de vriendenkring Les Amis de l’Exploité. In 1921 scheidde ze zich af en noemde zich voortaan de Parti Communiste Belge. Uiteindelijk zouden de twee groepen – de groep Van Overstraeten en de groep Jacquemotte – in september 1921 fuseren, in opdracht van Moskou, in de KPB-PCB.

 

Op het fusiecongres van 1921 bleek dat de twee groepen op bepaalde aspecten essentieel verschilden. De groep van Van Overstraeten werd gekenmerkt door anti-parlementarisme en revolutionair marxisme. De groep rond Jacquemotte was eerder pragmatisch.[138] Die ideologische en strategische verschillen leidden tot grote spanningen binnen de partij. Die spanningen zouden blijven oplopen tot in 1928, toen een definitieve breuk met de  vleugel Van Overstraeten - de zogenaamde trotskisten - tot stand kwam.[139] 

 

2. De jaren twintig: de scheuring en de bolsjewisering[140]

 

In 1925 kwamen zowel Jacquemotte als Van Overstraeten in het parlement. Daar ontpopte vooral Jacquemotte zich als een groot redenaar die met zijn vurige toespraken veel populariteit oogstte. Zijn rivaal Van Overstraeten was, volledig in overeenstemming met zijn afkeer voor het parlement, een totaal kleurloos en onopvallend volksvertegenwoordiger.

 

Ondanks de fusie van 1921 bleven de twee stromingen binnen de KPB naast elkaar bestaan. Op het politieke congres van 2 maart 1928 viel de belangrijke beslissing: de Sovjetgezinde of ‘stalinistische’ strekking won het pleit; een week later werden de zogenaamde gauchistische opposanten met War Van Overstraeten op kop van hun functies ontheven en uit de partij gezet. Vanaf dat moment consolideerde de beweging rond Jacquemotte haar machtspositie. Hoewel de KPB zich niet neerlegde bij het kapitalistisch-burgerlijk bestel, werd wel de politieke doctrine omgebogen naar de politieke mogelijkheden van het ogenblik. Het idee van de revolutie werd op de achtergrond geplaatst.

 

Met de breuk verloor de partij een aanzienlijk deel actieve en geschoolde militanten. Bovendien luidde de uitschakeling van de tendens Van Overstraeten het einde in van de directe actie en van een Vlaamsgezind communisme dat vooral in Antwerpen en Gent van belang was geweest.

 

De scheuring binnen de KPB moet ook in het licht gezien worden van de bolsjewisering van alle communistische partijen in de wereld. Reeds in 1920 bij de stichting van de Derde Internationale werd duidelijk dat de Sovjetunie het te volgen voorbeeld was. Volgens de statuten was het doel van de Derde Internationale de strijd voor de vorming van een internationale radenrepubliek met als staatsvorm ‘de dictatuur van het proletariaat’. De Internationale moest één gecentraliseerde partij zijn, waarvan de afzonderlijke nationale partijen secties zouden zijn. Vermits de Russische bolsjewistische partij had gezegevierd, genoot zij al snel de status van natuurlijke autoriteit. De verschillende secties waren onvoorwaardelijke steun aan de Sovjetunie verplicht. Wie niet mee wilde, werd eruit gezet.

 

In 1925 werd op het congres van de Derde Internationale een resolutie aangenomen over de bolsjewisering van alle secties. Alle nationale partijen moesten zich de stijl, de methodes en de strategie van de moederpartij eigen maken. Het was de bedoeling een radicalisering te krijgen binnen de communistische partijen door het apparaat op te delen in bedrijfscellen om het rechtstreekse contact met de arbeiders te bevorderen. Door het lage ledenaantal van de KPB op dat moment betekende dat niet echt een radicalisering, maar eerder een marginalisering.

 

Toch zou de partij geleidelijk aan groeien. De rol die de KPB speelde was misschien niet echt groot, maar het feit dat er links van de BWP een stroming bleef bestaan die vasthield aan fundamentele socialistische beginselen, was voor sommigen al belangrijk op zich. Bovendien gaf de aanwezigheid van de KPB in de politieke arena linkse politici binnen de BWP meer slagkracht; tenslotte bleef ze een potentieel toevluchtsoord voor BWP-militanten die het reformisme van hun partij meer dan beu waren.

 

3. De jaren dertig: de grote stakingen in België en de Spaanse Burgeroorlog[141]

 

In de jaren dertig, in de periode van economische crisis, nam de KPB het voortouw in de grote stakingen van 1932 en 1936, onder meer in de Borinage. Daarbij werd steeds heviger gefulmineerd tegen het reformisme van de BWP. De situatie was rijp voor diepgaande veranderingen, maar de sociaal-democraten bleven maar compromissen sluiten met de bourgeoisie. De communisten wilden meer. Ze lieten zich bij de stakingen opmerken door een enorme inzet en een groot geloof in de kracht en macht van de arbeiders.  Het prestige dat dit meebracht werd electoraal verzilverd bij de belangrijke verkiezingen van 1936. Naast de extreem-rechtse partijen VNV en REX wist ook de KPB haar stemmenaantal aanzienlijk te verhogen. Ook het ledenaantal van de partij begon aanzienlijk te stijgen.

 

Het conflict met de BWP in de eerste helft van de jaren dertig moet wederom in een bredere context geplaatst worden. De Komintern had de internationale communistische beweging laten weten dat de sociaal-democratie de grootste vijand was van de proletarische revolutie. Dit bereikte een hoogtepunt met de zogenaamde ‘klasse-tegen-klassestrategie’ van de Komintern. Parlementaire democratie of fascisme was een valse tegenstelling. Het waren gewoon twee versies van de dictatuur van de burgerij, het ene verdoken, het andere openlijk. De socialisten dansten naar de pijpen van de bourgeoisie. Ze werden als ‘sociaal-fascisten’ bestempeld. Vanaf 1935 schakelt de Komintern uit strategisch-politieke overwegingen over op de zogenaamde ‘Volksfrontpolitiek’, het verenigen van alle linkse democratische krachten tegen het opkomend fascisme. De wederzijdse haat tussen communisten en socialisten ebde dan ook weg.

 

De groei van het communisme had ook veel te maken met het prestige van de Sovjetunie. Het land bleek het enige te zijn dat immuun bleef voor de wereldomvattende crisis. Op tien jaar tijd, van 1929 tot 1939, verdrievoudigde de industriële productie. Dat was vooral te danken aan de razendsnelle en meedogenloze industrialisatiepolitiek van de vijfjarenplannen onder Stalin. De omvangrijke terreur en repressie die daarmee gepaard gingen werden door de communisten verzwegen. De Sovjetunie was de ‘werkplaats van de nieuwe mens’. Verschillende intellectuelen gingen op bezoek naar de Sovjetunie en keerden vol lof over het Sovjetregime terug.[142]

 

De Volksfrontpolitiek en het prestige van de Sovjetunie gaven een nieuw elan aan de KPB. Dit en haar inzet in de grote stakingsbewegingen van 1932 en 1936 deed haar populariteit groeien.

 

De partij verhoogde haar prestige nog meer toen in 1936 een aantal KPB-leden (ook BWP-leden) naar Spanje vertrokken om aan de zijde van de door de Komintern gesteunde Internationale Brigades te vechten voor de Spaanse republiek tegen het reactionair-fascistisch regime van Franco.[143] Door de afwezige houding van Groot-Brittannië en Frankrijk en de openlijke steun van de fascistische staten Duitsland en Italië ten aanzien van Franco, werd de Spaanse burgeroorlog een strijd tussen het fascisme en het communisme. De Sovjetunie maakte er een erezaak van en leverde vele inspanningen. De communisten sloten een verbond met de socialisten en de liberalen om de republiek en de parlementaire democratie te herstellen. De anarchisten en de trotskisten vonden dat dit niet kon. Zij ijverden voor arbeidersraden en voor zelfbestuur in de bedrijven. Door de onderlinge verdeeldheid van de tegenreactie, door de militaire steun van Duitsland en Italië en door de afwezigheid van alle burgerlijk-democratische landen kon Franco het laken naar zich toe trekken. De communisten verloren het pleit, maar hun antifascistisch engagement was overeind gebleven. 

 

De Spaanse burgeroorlog was achteraf gezien in feite een algemene voorbereiding op de Tweede Wereldoorlog die in september 1939 begon met de inval van Nazi-Duitsland in Polen. In datzelfde jaar in augustus was er commotie ontstaan in de internationale communistische beweging omtrent het niet-aanvalspact tussen de Sovjetunie en Nazi-Duitsland. Ook in de KPB woedde een hevige discussie over deze realpolitik van Stalin.[144] De Tweede Wereldoorlog zou echter uitwijzen dat het antifascisme dat de Sovjetunie had getoond in de Spaanse burgeroorlog, overeind bleef en dat het niet-aanvalspact niet meer was dan een ‘mariage de raison’ in bepaalde historische omstandigheden.

 

4. De jaren veertig: de Tweede Wereldoorlog en het begin van de Koude Oorlog[145]

 

Ondanks het niet-aanvalspact en het niet zo duidelijke standpunt van de partijleiding dat de oorlog omschreef als een conflict tussen imperialistische staten, traden veel KPB-leden al in de begindagen in het verzet tegen de Duitse bezetter. Het officiële communistische standpunt was immers tegenstrijdig aan de situatie op het terrein. Van een goed georganiseerde linkse verzetsbeweging was in het eerste oorlogsjaar nog niet echt sprake.

 

Na de Duitse inval in de Sovjetunie stuurde Moskou een richtlijn naar al haar secties van de bezette landen waarin die ertoe werden aangespoord een nationaal eenheidsfront te vormen met andere democratische krachten. De KPB had hierop echter niet gewacht. In mei 1941 waren de eerste aanzetten gegeven tot de oprichting van het Onafhankelijkheidsfront. Die verzetsbeweging zou uitgroeien tot de grootste en de actiefste van het land.

 

Het Onafhankelijkheidsfront maakte het de Duitse bezetter niet gemakkelijk. Een groot en actief deel werd gevormd door de partizanenlegers van de communisten.[146] Zij ijverden voor de Duitse terugtrekking en voor de bevrijding van het Belgische volk. Ze ontpopten zich als ware patriotten.[147] Vele communisten sneuvelden of kwamen om in de concentratiekampen. De KPB kreeg zware slagen door de harde Duitse repressie, maar verhoogde door haar gepassioneerd verzet haar prestige. Geschat wordt dat de partij tweeduizend leden verloor in de oorlog.

 

Na de bevrijding en de uitzinnige vreugde die daarop volgde, begon de periode van repressie tegen de collaborateurs. De KPB wenste strenge straffen voor de grote collaborateurs en lichtere straffen voor de kleinere vissen. De volkswoede was echter enorm en heel wat mensen werden al dan niet terecht bestraft.

 

De regering die vreesde voor een communistische machtsovername ging over tot de ontwapening van het verzet. Voor de communisten was dit onaanvaardbaar. Zij hadden een groot deel van de oorlogsinspanningen op zich genomen en zouden nu onvoorwaardelijk moeten ontwapenen. Na een verwarrende periode, waarin door sommige beleidsmakers werd gevreesd voor een revolutie, gaf de KPB uiteindelijk toe. 

 

Die cruciale toegeving en haar grote prestige bij de bevolking droegen ertoe bij dat de KPB vlak na de oorlog kon deelnemen aan vijf regeringen.[148] Electoraal zat de KPB op haar hoogtepunt. Ze was de derde grootse partij van België, na de katholieken en de socialisten en voor de liberalen. In 1947 echter begon de neergang. De KPB verliet de regering onder druk van haar achterban naar aanleiding van een stijging van de steenkoolprijzen. Ook het uitbreken van de Koude Oorlog had daar veel mee te maken.  Nu het fascisme verslagen was, was het communisme vijand nummer één geworden. De Sovjetunie moest ingedamd worden en een massale propagandamachine werd opgestart om het communisme te discrediteren. Dat werd maar al te duidelijk met de Fulton-rede van Churchill, het Marshall-plan, de Truman-doctrine en de Nous avons peur-speech van Paul-Henri Spaak. De KPB werd in België het voornaamste slachtoffer van deze hetze.[149]

 

5. De jaren vijftig: het anti-communisme en interne moeilijkheden[150]

 

De Koude Oorlog kwam tot volle ontwikkeling in de jaren vijftig. In 1950 brak de Korea-oorlog uit. De KPB verzette zich hevig tegen de agressie van de Verenigde Staten en diens geallieerden. Hierdoor plaatste de partij zichzelf in een moeilijke positie: ze werd binnenlandse vijand nummer één. 

 

In de westerse wereld werd het Koude Oorlogsklimaat voornamelijk gekenmerkt door een virulent anti-communisme. Ook de KPB was hier het slachtoffer van. Zo werden KPB-militanten bedreigd of ontvingen ze dreigbrieven. Verscheidene keren werd een bom geplaatst aan het partijbureau aan de Stalingradlaan in Brussel. De Staatsveiligheid, de rijkswacht en de politie bezochten herhaaldelijk verschillende militanten. Infiltratie, intimidatie, misleiding en verraad waren dagelijkse kost.

 

Het Belgisch anti-communisme kende haar trieste hoogtepunt met de moord op Julien Lahaut op 18 augustus 1950.[151] De republikeinse houding van de communisten in de Koningskwestie werd afgestraft met de fysieke liquidatie van de geliefde Luikse communistenleider Lahaut. Hij had bij de eedaflegging van koning Boudewijn heiligschennis gepleegd door ‘Vive la république’ te roepen. Eerder had de communist Jean Terfve in volle koningskwestie ‘A bas le roi’ geschreeuwd. De daders van deze politieke moord waren meer dan waarschijnlijk Leopoldisten. De rechtse regering Pholien deed echter niets om de schuldigen voor deze aanslag op te sporen. Overal in het westerse blok vierde de haat tegen het communisme hoogtij. In Italië werd in 1948 PCI-voorzitter Palmiro Togliatti vermoord, in Frankrijk PCF-kopstuk Jacques Duclos en in de Verenigde Staten werd een ware heksenjacht georganiseerd op alles wat naar links rook onder leiding van de republikeinse senator McCarthy.[152]

 

In 1951 werd zelfs een koninklijk besluit afgekondigd dat ambtenaren verbood om lid te zijn van de KPB.[153] In vrijwel alle overheidsdiensten werden communisten ontslagen, geïsoleerd of kansen op promotie ontnomen. Het waren de hoogdagen van misplaatste haat en stemmingmakerij.

 

Door die anti-communistische hetze, maar ook door interne problemen, belandde de KPB in een periode van neergang. Om zich meer aan te passen aan deze nieuwe situatie werden er hervormingen gelanceerd. Die bereikten hun hoogtepunt in het Elfde Nationaal Congres van de KPB, het zogenaamde Congres van Vilvoorde in 1954. Dit congres betekende een breukpunt in de geschiedenis van de partij. Cruciaal was dat er afgestapt werd van het ‘dogmatisch marxisme-leninisme’. De oude leiding werd de laan uitgestuurd en een jongere meer dynamische groep kwam aan het roer. Het congres legde de algemene trekken van de politieke lijn voor jaren vast. De KPB reikte de BSP en het ABVV de hand om eendrachtig te werken aan de eenheid van alle democratische krachten tegen de politiek van de monopolies en de holdings. Een meer democratische partijwerking met een zekere vorm van tendensrecht kwam in de plaats van de typische bolsjewistische sterk gestructureerde werking. De termen ‘proletarische revolutie’ en de ‘dictatuur van het proletariaat’ verdwenen in de mist en vanaf 1964 werden die typische leninistische begrippen niet meer gebruikt. De gevolgen hiervan waren verregaand. Het duurde jaren vooraleer de ware betekenis van die nieuwe partijlijn tot in alle partijgelederen doordrong. Vooral de Luikse federatie kon zich moeilijk verzoenen met de nieuwe lijn van de partij.

 

De ‘geheime speech’ van Chroesjstjov op het Twintigste Congres van de KPSU deed een schokgolf veroorzaken over de gehele internationale communistische beweging. Uit de redevoering van Chroesjstjov bleek dat zijn voorganger Stalin zich schuldig had gemaakt aan een waanzinnige repressie, aan massale terreur, aan willekeurige martelingen en moord op partijfunctionarissen. Vele communisten weigerden lange tijd te aanvaarden dat de uitgelekte speech authentiek was. Wat ze erin lazen, was een schok, het kwam zeer hard aan. Vermits op het Congres van Vilvoorde al afstand genomen was van het ‘model van oktober’ en van het ‘stalinisme’, was de schokgolf in België niet zo groot als in sommige andere landen. De leiding van de partij was sinds dat cruciale congres ook in handen gekomen van de gematigden.

 

De politiek van Stalin werd dus meer en meer openlijk in vraag gesteld, terwijl dat voordien ‘totally not done’ was. Stalin had volgens zijn aanhangers het socialisme opgebouwd en hij had het Rode Leger naar de overwinning geleid in de oorlog tegen Nazi-Duitsland. Vooral bij de oude garde en bij de Waalse basis bleef die bewondering voor Stalin bestaan. De breuk met het ‘stalinisme’ op het Congres van Vilvoorde van 1954 en het uitkomen van de speech van Chroesjstjov werd door sommige KPB-leden, vooral uit het Franstalige landsgedeelte, dan ook aanzien als ‘heiligschennis’ en ‘revisionisme’.

 

De destalinisatie (in het Oostblok ‘herstel van fouten’ genoemd) zorgde voor een grote crisis. Vooral in Hongarije laaiden de gemoederen hoog op. De regering onder leiding van de hervormingsgezinde Nagy wenste met de Sovjetunie te breken en wilde uit het Warschaupact stappen. Met deze schending van het veiligheidsconcept kon de Sovjetunie echter niet lachen. Het resultaat was dat sovjettroepen intervenieerden en de opstand neersloegen. Nagy werd geliquideerd en in zijn plaats kwam de meer Sovjetgezinde Janos Kadar.

 

De KPB, die sinds het beruchte congres naar een meer autonome lijn was geëvolueerd, veroordeelde de sovjetinterventie niet. Het officiële standpunt was dat de opstand een contra-revolutionair karakter had en volledig was geïnfiltreerd door fascisten en CIA-agenten. De niet-veroordeling van de Sovjetinterventie was voor de vooraanstaande communist Bert Van Hoorick een reden om de partij te verlaten en over te stappen naar de BSP.[154]

 

Het was onmiskenbaar dat de destalinisatie het communisme wereldwijd in een legitimiteitscrisis bracht. Decennialang waren de verheerlijking van Stalin en de erkenning van zijn leiderscapaciteiten de bindende elementen geweest van de internationale communistische beweging. De ontmaskering van zijn figuur en van zijn beleid brachten een hele machtsstructuur aan het wankelen en die zou maar moeizaam herstellen. De KPB zou dat, net zoals haar andere West-Europese zusterpartijen, voelen.

 

6. De jaren zestig: een heropleving met interne moeilijkheden[155]

 

In 1960-1961 kende de KPB een heropleving dankzij haar inzet in de grote staking tegen de ‘Eenheidswet’. De KPB steunde in die staking alle combattieve krachten van het ABVV en het ACV. Er werden onder andere goede relaties onderhouden met de Waalse strijdsyndicalisten van André Renard. De partij zag de acties (stakingen, betogingen, langzaam-aan-acties) als een vooruitgang in de klassenstrijd. In de tweede helft van de jaren zestig stonden de communisten weer op de barricades naar aanleiding van de mijnsluitingen in Limburg. De woede was enorm toen in januari 1966 twee stakende mijnwerkers werden vermoord door de rijkswacht. Het was de eerste keer in de sociale geschiedenis van België dat arbeiders werden doodgeschoten door rijkswachters die onder bevel stonden van een socialistische minister van binnenlandse zaken: Alfons Vranckx.

 

Intern bleef de partij met moeilijkheden kampen. De belangrijkste daarvan had veel te maken met de nasleep van het Congres van Vilvoorde en met een grotere breuk in de internationale communistische wereld: het conflict Sovjetunie versus China.[156] De destalinisatie- en hervormingspolitiek van Chroesjstjov werd door Mao Zedong gehekeld als ‘revisionisme’. Ook binnen de KPB was er een fractie aanwezig die de standpunten van Mao aanhing. Deze zogenaamde maoïstische dissidentie onder leiding van verzetsheld Jacques Grippa[157] was van mening dat de KPB een ‘revisionistische’ partij was geworden. In 1963 werd deze fractie van ‘grippisten’, die vooral in de Brusselse federatie over wat aanhang beschikte, uitgesloten. Door zich van deze fractie te ontdoen, hoefde de KPB zich na 1963 niet meer in te spannen om China nog langer te ontzien in zijn buitenlandse stellingnames. Naast de grippistische dissidentie waren er ook nog enkele communautaire dissidenties.[158]

 

En dan was er het belangrijke jaar 1968. Het werd in de eerste plaats het jaar van de Praagse Lente. Die gebeurtenis  veroorzaakte wederom een schokgolf binnen de internationale communistische beweging. Na de Hongaarse opstand van 1956 had de KPB een actieve vredespolitiek gevoerd, waarin zij zeer schematisch de communistische wereld (de Sovjetunie) als vredesblok plaatste tegenover het oorlogszuchtige imperialistische blok onder leiding van de Verenigde Staten. Het was in feite een steunbetuiging aan de politiek van vreedzame coëxistentie van Chroesjstjov. In de jaren zestig werd de KPB-politiek meer autonoom. De jonge garde nam daarin het voortouw. De strenge veroordeling van de interventie van de troepen van het Warschaupact in Praag 1968 moet dan ook in die context gezien worden. Voor veel oudere partijleden was de Praagse Lente net als de opstand in Hongarije twaalf jaar eerder een offensief van rechtse en extreem-rechtse krachten. De solidariteit met de Sovjetunie en met de Oost-Europese landen mocht niet opgegeven worden.

 

Na de veroordeling, die de partij niet in dank werd afgenomen door bepaalde zusterpartijen, laat staan de KPSU, sloot de KPB, wat haar buitenlandse lijn betreft, weer dichter aan bij de Sovjetunie, voornamelijk onder druk van haar Waalse basis. De term ‘kritische solidariteit’ werd verder gehanteerd. Het niet naleven van bepaalde mensenrechten werd betreurd, maar anderzijds werden ook de realisaties van het sovjetregime voor ogen gehouden.  De Belgische publieke opinie lag er echter niet wakker van. In haar ogen bleef de KPB een instrument in handen van het ‘goddeloze’ Moskou.

 

7. De jaren zeventig: de studentenradicalisering en het eurocommunisme[159]

 

In 1968 heerste er niet alleen onrust in de straten van Praag. Ook in de grote steden van West-Europa heerste er een semi-revolutionair klimaat. Het groeiend protest tegen de onrechtvaardige wereldorde, tegen de consumptiemaatschappij, tegen het Amerikaans imperialisme en het Sovjethegemonisme kwam in eerste instantie niet uit de traditionele arbeidersklasse, maar uit de radicaliserende studentenmilieus. Vooral in Frankrijk en in Italië ging het er broeierig aan toe. De traditionele communistische partijen waren hier echter niet zo mee opgezet. De PCF in Frankrijk bijvoorbeeld stond uitermate vijandig tegen de idealistische en strijdlustige studenten die de arbeiders gingen overtuigen van mee op straat te komen. Ook de KPB miste de boot. Er was wel een kleine vooruitgang, maar die was niets vergeleken met de opkomst van tal van nieuwe sociale bewegingen. Toch bleef er hoop op een bundeling van de progressieve krachten, zeker na de oproep van BSP’er Leo Collard in 1969 voor ‘progressieve frontvorming’.[160] Sinds het Congres van Vilvoorde was het immers de strategie geworden om via een progressieve eenheid van de combattieve krachten uit de vakbonden te ijveren voor structurele maatschappelijke en socio-economische veranderingen. 

 

De KPB hield zich dus tamelijk afzijdig van de studentenradicalisering. Er werd zelfs wat minachtend gedaan over de ‘betweterige jongeren van de kleinburgerij’. Zeker toen begin jaren zeventig nieuw-links opdook met als voornaamste exploten de trotskistische Revolutionaire Arbeidersliga (RAL) en het maoïstische Alle Macht Aan de Arbeiders (AMADA). Deze jonge concurrentie begon zich ook op het traditionele actieterrein van de communisten te begeven en dat werd niet echt geapprecieerd. Zo bestempelde Jef Turf de nieuwkomers als ‘gauchistische’ groepen, die het imago van de communisten schade toebrachten en waarmee elke samenwerking uitgesloten was.[161]  

 

Het was inmiddels ook duidelijk geworden dat het sovjetcommunisme zijn monopolie op de marxistische waarheid verloren had. De breuk met China in 1962-1963 had dat al duidelijk gemaakt en in West-Europa werd dat duidelijk met de opkomst van het eurocommunisme. Voortrekkers waren in de eerste plaats de PCI met hun leider Enrico Berlinguer en de PCE met Santiago Carillo.

 

In de tweede helft van de jaren zeventig ontstond in navolging van die twee grote zusterpartijen ook binnen de KPB een eurocommunistische strekking. Voortrekker van die stroming binnen de KPB was Jef Turf.[162] Verschillende jonge intellectuelen zoals Koen Raes en Ruddy Doom vervoegden de partij. Het eurocommunisme betekende in theorie het zoeken naar een eigen nationale of regionale weg naar het socialisme met aandacht voor thema’s als vrede, ecologie en democratische opbouw. In de praktijk betekende het eigenlijk een sociaal-democratisering van de partij. Deze ingrijpende vernieuwing riep binnen de partij heel wat weerstand op. Het kwam tot openlijke botsingen met de meer orthodoxe en sovjetgezinde militanten.[163] Ondanks die hevige interne strijd behaalde de partij een goede score bij de verkiezingen van 1978. Het was zelfs de beste uitslag sinds 1950. In 1979 leek het eurocommunisme het nog te halen toen het zelfs officieel werd goedgekeurd op een partijcongres.  

 

Maar wat gebeurde er: de sovjetgezinde en orthodoxe fractie won het pleit. Het eurocommunisme stierf een stille dood. Het was een ingrijpende poging geweest om een meer autonome koers te gaan varen, maar de weerstand bleek dus te groot.

 

In de eerste helft van de jaren tachtig verdween het eurocommunisme trouwens overal van het toneel, volgens Jef Turf omwille van twee grote redenen: ten eerste omdat het voor een deel berustte op achterhaalde socio-politieke verhoudingen en ten tweede omdat het teveel verbonden was met de traditionele communistische partijen.[164] In Italië zou het eurocommunisme (‘eurosinistra’) zich openlijk ontwikkelen tot de sociaal-democratie.

 

De invasie van de Sovjetunie in Afghanistan in 1979 liet nog maar eens zien dat de Sovjetunie geen modelstaat was, maar zich gedroeg als een agressieve grootmacht. Resultaat van deze Sovjet-agressie was een groeiend diskrediet van de communisten bij de publieke opinie. Hoewel de KPB de invasie veroordeelde en trachtte duidelijk te maken dat, wat zij in België deed, niets te maken had met de Sovjetunie, bleef de partij door de mensen gezien worden als de ‘Belgische luitenant van Moskou’.

 

8. De jaren tachtig: verlies van het eurocommunisme en verdere neergang[165]

 

De teloorgang van het eurocommunisme deed de KPB leegbloeden. Velen verlieten de partij. Volgens Sarah Van Beurden was dit het cruciale moment in de teloorgang van de KPB. Het verlies van de eurocommunistische strekking betekende het einde van de vernieuwing.[166] Ook de promotor ervan, Jef Turf, ervaarde dat als een pijnlijke nederlaag. In 1988 zou hij de partij verlaten.[167]

 

Electoraal stelde de partij in de jaren tachtig haast niets meer voor. De hoop van 1978 was volledig verdwenen. In 1981 moest Brusselaar Louis Van Geyt zijn zetel in de Kamer afstaan en in 1985 verdwenen de twee laatste communisten uit het parlement.[168] Het electoraal failliet van de KPB was daarmee een feit. Opnieuw verlieten verschillende militanten de partij  Degenen die bij de partij bleven deden dit uit aanhankelijkheid aan het partijbestel, uit nostalgie of uit een sprankeltje hoop op verbetering en vernieuwing. Voor toenmalig voorzitter Louis Van Geyt was de periode 1981-1985 het zo goed als politieke einde van de partij. Dat kwam volgens hem in de eerste plaats door het openlijke neoliberale offensief van de rooms-liberale regeringen, waarbij de arbeidersbeweging nodeloos verdeeld werd, wat een teruggang van de sociale strijd betekende. Het verleden had volgens Van Geyt immers bewezen dat de KPB stemmenwinst kon boeken in een links klimaat, zoals in de verkiezingen van 1974 en 1978.[169] Dat lijkt enigszins paradoxaal, maar de evolutie van de verkiezingsresultaten bewijst deze stelling. Een tweede belangrijke reden volgens Van Geyt was de negatieve impact van het Oostblok op de communistische partijen in het West-Europa. De publieke opinie toonde zich over het algemeen afkerig tegenover de communistische beweging en haar ideeën.[170]

 

Nochtans was er, ondanks dat neoliberale offensief, een betrekkelijke heropleving van het politieke leven in de eerste helft van de jaren tachtig met de grote anti-rakettenbetogingen. De KPB vormde een belangrijk deel van de vredesbeweging. Volgens Louis Van Geyt was haar streefdoel een zo breed mogelijke beweging vormen tegen de door de Verenigde Staten van Amerika én de Sovjetunie opgevoerde rakettenescalatie.[171] In het parlement werden regelmatig tussenkomsten gedaan door de communistische parlementsleden. Door de rechtse politici en de rechtse pers werd de vredesbeweging echter dikwijls voorgesteld als een door de Sovjetunie gestuurde beweging. Toenmalig CVP-voorzitter Frank Swaelen noemde de communisten ‘wolven in schapenvacht’. De KPB heeft haar aandeel in de vredesbeweging niet meer electoraal kunnen verzilveren.

 

Een bijkomend fenomeen dat de KPB mee discrediteerde was de golf van aanslagen door de ‘Cellules Communistes Combattantes’ (CCC). Volgens Louis Van Geyt ging het om een georchestreerde hetze vanwege buitenlandse en nationale veiligheidsdiensten tegen de communistische beweging in het bijzonder en tegen de gehele vredesbeweging in het algemeen.[172] Bij de andere radicaal-linkse partijen vinden we die hypothese ook terug.

 

Ook het aantreden van Gorbatsjov in 1985, die in het westen toch aanzien werd als een vredesengel, omdat hij wist in te spelen op de eisen van de grote vredesbeweging, kon geen soelaas bieden voor de partij. De crisis van de KPB was dus een feit. Toch was er van een opheffing of van een verdwijnen geen sprake. Bij een aantal leden was er nog steeds hoop op verbetering. Om de partij beter te laten werken, werden een aantal initiatieven genomen. Zo werd de volledige federalisering van de partij geopperd om beter te kunnen inspelen op de regionale maatschappelijke problemen.

 

Op het 26ste Nationaal Congres van 18 juni 1988 werd met een zeer grote meerderheid de definitieve federalisering van de KPB goedgekeurd. In De Rode Vaan konden we daarover het volgende lezen:

 

“Op dit congres werd de basis gelegd voor een Kommunistische Partij waarbij tot nu toe het politiek gewicht van de partij vooral lag bij de nationale instanties (Centraal Comité en Politiek Bureau), en voortaan het politiek gewicht van de Kommunistische Partij vooral zal liggen in de structuren van gewesten en gemeenschappen. […] Er wordt een volwaardige Vlaamse komponent opgericht, de Kommunistische Partij, een Waalse komponent, de Parti Communiste, alsook een zelfstandige Brusselse entiteit en een zelfstandige Duitstalige federatie. De Federale Unie van de Kommunisten van België heeft een algemene raad waarin politieke materies gemeenschappelijk worden behandeld en de materies i.v.m. het algemeen beheer en de financiën van de Unie. De Kommunistische Partij en de Parti Communiste zullen elk voor zich en rekening houdend met de bepalingen van de statuten van de Unie, statutaire werkingsregels vastleggen. We zijn ervan overtuigd dat met dit congres de Kommunistische Partij van Vlaanderen beter is uitgerust om zich in Vlaanderen te ontwikkelen als een politieke faktor zonder de klassensolidariteit op te geven. Deze herstrukturering moet toelaten dat de partij in Vlaanderen het kader schept waarin de Vlaamse dimensie van de ideologische, sociaal-ekonomische en politieke klassenstrijd kan bijdragen tot een Vlaanderen dat een demokratische en progressieve plaats weet te veroveren in een verregaand gefederaliseerd land en in Europa.”[173]

 

Zoals blijkt uit bovenstaand tekstfragment was dit congres er (nog) één van hoop. Er werden inspanningen geleverd om de werking te verbeteren. Men dacht dat, door de partij op te splitsen, men beter kon inspelen op bepaalde maatschappelijke problemen, die van regio tot regio verschilden. Een jaar later, met de finale crisis van het ‘reëel bestaande socialisme’ zou van die hoop op verbetering niet veel meer overblijven.

 

9. Conclusie

 

Eind jaren tachtig was de KPB een schim van wat ze ooit geweest was. Een veelheid van interne en externe factoren verklaren de neergang van de partij. De negatieve impact van de Sovjetunie, het anti-communisme tijdens de hoogdagen van de Koude Oorlog, de interne tegenstellingen in de partijleiding en tussen bepaalde federaties, het falen van het eurocommunisme en de teloorgang van de industriële sector met de daarmee gepaard gaande afkalving van het traditionele electoraat zorgden voor de geleidelijke ondergang van de partij. Het verdwijnen uit het parlement in 1985 kwam bij de partij aan als een grote nederlaag. Wat de volledige ineenstorting van het Sovjetsysteem zou betekenen voor de door commentatoren ten dode opgeschreven partij, kunnen we in deel III lezen.

  
HOOFDSTUK 2: DE SOCIALISTISCHE ARBEIDERSPARTIJ VAN BELGIË (SAP), BELGISCHE AFDELING VAN DE VIERDE INTERNATIONALE

  

1.      Ontstaan van de trotskistische stroming

2.      De trotskisten, 1928-1945

3.      Het naoorlogse entrisme

4.      De contestatiebeweging van de jaren 1960: nieuwe inzichten

5.      De Revolutionaire Arbeidersliga (RAL)

6.      De Socialistische Arbeiderspartij (SAP)

7.      Conclusie

8.      Nog een opmerking

  

“Een huis heeft grondvesten. Om het te doen ineenstorten moet gij aan die grondvesten raken. Ge kunt het dak veranderen. Ge kunt nieuwe vensters plaatsen. Ge kunt de gevel opnieuw schilderen. Nu kunt ge niet meer zeggen: er is niets veranderd, als ge in plaats van pannen een ander dak hebt, als ge in plaats van een witte gevel, een roze gevel hebt, dan is er iets veranderd. Maar ge kunt natuurlijk niet beweren dat het wezen, de natuur van dat huis gewijzigd is.”[174]

 

De SAP-POS werd onder deze benaming gesticht in 1984. De partij was de feitelijke opvolger van de Revolutionaire Arbeidersliga (RAL-LRT). Die was in 1971 gesticht. Die datum was zeker niet de geboorte van het Belgisch trotskisme.

 

1. Ontstaan van de trotskistische stroming[175]

 

Bij het ontstaan van de KPB in 1921 zagen we al dat er onenigheid was tussen de groep rond War Van Overstraeten en de groep rond Joseph Jacquemotte. De trotskistische stroming bestond al binnen de KPB sinds 1925, parallel met de opkomst van de zogenaamde Linkse Oppositie onder leiding van Leon Trotski[176] in de Sovjetunie. In maart 1928 kwam het tot een openlijke breuk. Die had alles te maken met de politieke evolutie van de Sovjetunie. Van 1923 tot 1927 woedde er een hevige machtsstrijd binnen de KPSU over de bureaucratisering van de partij. Leon Trotski profileerde zich als de leider van de stroming die zich verzette tegen de bureaucratisering. Zijn Linkse Oppositie verloor het pleit van Stalin en de zijnen.  

 

2. De trotskisten, 1928-1945[177]

 

Een sterke minderheid binnen de KPB sloot zich aan bij de Russische Oppositie. Ze werd uitgesloten uit de partij en richtte de Kommunistische Oppositie op. Ideologisch steunde men op de theorieën van Marx, Engels, Lenin, aangevuld met die van Trotski over de permanente revolutie, de noodzaak van arbeidersraden, het revolutionair internationalisme, de ‘bureaucratische ontaarding’ van de Sovjetunie, etc…[178] De Oppositie startte met veel enthousiasme, maar werd op haar beurt verscheurd door een strategische keuze: een nieuwe partij oprichten, ofwel heraansluiting vragen bij en oppositie voeren in de Derde Internationale. Ook deze discussie had internationale wortels: tot 1933 hoopte Trotski dat de Derde Internationale kon hervormd worden tot een instrument ter verspreiding van de revolutie, en bijgevolg moest er voorlopig geen nieuwe organisatie opgebouwd worden. Inlichtingen van een dubieus informant deden hem echter besluiten om de Belgische Oppositiegroep – gezien haar relatieve sterkte – als aparte partij te laten werken. In 1930 kwam Trotski op deze beslissing terug, maar enkel de afdeling Charleroi onder leiding van Leon Lesoil volgde de nieuwe richtlijn. Deze minderheid scheurde zich af en noemde zichzelf de Linkse Kommunistische Oppositie. Ongeveer hetzelfde moment richtte de meerderheid de Liga van Internationale Kommunisten op, onder leiding van Adhemar Hennaut. Deze organisatie verloor snel aan belang door een reeks problemen: de gebrekkige centralisatie, het wegvallen van een internationaal verband, de overstap van enkele militanten naar de groep rond Lesoil, etc… Op het einde van de jaren dertig stond Hennaut aan het hoofd van een marginale organisatie.

 

In 1933 opperde Trotski de oprichting van de Vierde Internationale. De houding van de Duitse communisten en de Komintern tegenover de machtsovername van Hitler in januari 1933 was voor Trotski het bewijs dat de Derde Internationale gefaald had en niet meer kon worden omgevormd in een daadkrachtige revolutionaire organisatie. Een nieuwe internationale gebaseerd op onafhankelijke partijen was daarom nodig. In de loop van de volgende jaren zocht hij medestanders om dit project te doen slagen.

 

De Linkse Kommunistische Oppositie werd onder impuls van Leon Lesoil herdoopt in de Ligue Communiste Internationaliste (Bolchévique-léniniste). In 1934-1935 besliste de meerderheid van deze groepering om lid te worden van de Belgische Werkliedenpartij (BWP). Dit betekende het begin van de strategie van het entrisme.

 

Trotski dacht dat er een beslissende strijd ging geleverd worden in West-Europa en wilde via de weg van het entrisme krachten winnen om tot een revolutionaire hergroepering te komen. Een minderheid onder leiding van Georges Vereeken weigerde dit entrisme en richtte een  groupuscule op: de Ligue Communiste Internationale (Trotskiste).

 

Begin 1936 werd de entristische groep uit de BWP uitgesloten en werden onmiddellijk besprekingen gestart met de groep Vereeken. Het resultaat was een fusie in oktober 1936: de Revolutionair Socialistische Partij/Parti Socialiste Revolutionnaire (RSP/PSR). De belangrijkste leiders waren Leon Lesoil, Georges Vereeken en Walter Dauge. Binnen deze partij was er heel wat onenigheid over de aanpak van de Belgische politieke toestand. Toch was het weer de internationale politieke oriëntatie die voor een nieuwe splitsing zorgde. Een groepje rond Vereeken ging niet akkoord met de oprichting van de Vierde Internationale in 1938 en ging op gescheiden weg verder[179]. De grote meerderheid was voor de oprichting van de Vierde Internationale. Centraal document werd het Overgangsprogramma[180], een programma dat een reeks overgangseisen stelde zoals planning van de economie, arbeiderscontrole en machtsbeperkende maatregelen tegenover kapitalisten. In 1941 was er weer een naamsverandering. De PSR werd nu de Parti Communiste Révolutionnaire (PCR). Er werd een clandestiene werking uitgebouwd om het verzet te organiseren. De PCR engageerde zich echter niet in het Onafhankelijkheidsfront (OF) dat ze te burgerlijk en te nationalistisch vond, maar probeerde vergeefs een Arbeidersfront op te richten.

 

Door de nazi-terreur was de PCR op het einde van de oorlog herleid tot een kleine club. In januari 1946 kwam er weer een fusie met de Groupe Communiste Trotskiste, die niet meer onder leiding van Vereeken stond maar onder leiding van Pierre Le Grève. De nieuwe partij heette de Parti Communiste Internationaliste (PCI). De verhoopte pre-revolutionaire toestand kwam er niet. Het uitbreken van de Koude oorlog en de uitvoering van het Marshall-plan verkleinden de mogelijkheden van de trotskisten nog verder. De partij verschrompelde door verkeerde analyses, door interne crisissen, door persoonlijke conflicten, etc… Ook van de internationale leiding kwam er geen oplossing: het Tweede Wereldcongres in 1948 gaf nog steeds als richtlijn om autonome massapartijen op te bouwen. Niet lang daarna werd een koerswijziging voorgesteld: er moesten geen inspanningen meer geleverd worden voor het oprichten van autonome partijen, maar er moest binnen de traditionele arbeidersorganisaties aan basiswerk gedaan worden.[181] In vele landen weigerde een aanzienlijk deel van de trotskistische partijen deze strategische wijziging. In België was de meerderheid gewonnen voor het entrisme. Dat had veel te maken met het prestige van Ernest Mandel, die lid was van het Internationaal Secretariaat van de Vierde.

 

3. Het naoorlogse entrisme[182]

 

In verschillende landen had het entrisme plaats in de communistische partijen; in België werd gekozen voor de Belgische Socialistische Partij (BSP) omdat men op grond van de bestudering van de Koningskwestie meende dat een toekomstige radicalisatie zich daar zou voordoen. Bedoeling was om via revolutionaire propaganda en ledenrecrutering een brede voorhoede te vormen die op basis van haar ervaringen tot een revolutionair programma zou komen. De groep entristen wist in te spelen op verschillende evoluties: neergang van de traditionele Belgische industrie gecombineerd met de opgang van het renardisme, de oppositiekuur van de BSP, de crisis in Kongo en vooral de staking tegen de eenheidswet. Na enkele moeilijke beginjaren werd een eerste succes geboekt door Emile Van Ceulen die de Jeune Gardes Socialistes (JGS) activeerde op basis van een radicaal programma. De eerste recruteringen vonden plaats binnen de JGS.

 

1954 was een zeer belangrijk jaar. Naast niet te onderschatten internationaal werk, namelijk steun aan de Algerijnse FLN in diens dekolonisatiestrijd, begon ook de werking in het ABVV. De eis voor structuurhervormingen en economische planning werd door de trotskisten en de renardisten gesteld. Het renardisme was van centraal belang voor de trotskisten: zij konden immers deze syndicale strijdbeweging op het  politieke terrein brengen. Het was de wil van de trotskisten om met die beweging druk uit te oefenen op de BSP-leiding. Hiervoor werd het blad La Gauche opgericht door Ernest Mandel met de steun van de syndicalisten Jacques Yerna en André Renard. Enkele jaren later, in 1959, richtte Marcel Deneckere de Vlaamse tegenhanger Links op. Hetzelfde jaar nam de BSP de eis van structuurhervormingen over. De situatie werd minder gunstig tijdens de staking tegen de Eenheidswet. Er kwam een breuk tussen La Gauche en André Renard toen het blad aanstuurde op een mars op Brussel. Renard koos tijdens de staking voor de federalistische uitweg en richtte in 1961 het Mouvement Populaire Wallon (MPW) op. De trotskisten trachtten een breuk met het MPW te vermijden. Na het overlijden van Renard in 1962 waren er drie tendenzen die elkaar de leiding van de MPW betwistten: de trotskisten onder leiding van Ernest Mandel, de syndicalisten onder leiding van Jacques Yerna en de nationalisten onder leiding van François Perin. In 1964 zou de MPW uiteenspatten.

 

Ondertussen waren op internationaal vlak weer enkele wijzigingen en splitsingen gekomen. Begin jaren zestig brak de Argentijn Posadas met de Vierde Internationale en richtte zich tot trotskisten en niet-trotskisten om een nieuwe internationale op te bouwen. Ook in België werd een ‘posadistische’ groep opgericht. In 1965 verliet Michel Raptis (‘Pablo’) de Vierde Internationale en richtte de TMRI op, de internationale revolutionair marxistische tendens. In België sprong het groepje rond Vereeken op de kar van de zogenaamde ‘pablisten’.    

 

Nog in 1964 kwam een einde aan het entrisme in de BSP op het zogenaamde ‘Onverenigbaarheidscongres’: lidmaatschap van de BSP was niet verenigbaar met een leidende functie in het MPW of met het schrijven in La Gauche of Links. De trotskisten probeerden na deze breuk, die ze zeker niet gewenst hadden, organisaties links van de BSP te creëren. In Brussel, waar ze het sterkst stonden, resulteerde dit in de oprichting van de Union de la Gauche Socialiste. In Vlaanderen kwam Marcel Deneckere, hoofdredacteur van Links tot een compromis met de BSP-leiding. Er was reactie van enkele dissidenten en van een aantal Socialistische Studenten en Jongsocialisten. Zij verenigden zich in de Socialistische Beweging Vlaanderen en gaven De Socialistische Stem uit, dat in 1969 werd vervangen door Rood. Ook in Wallonië moesten de trotskisten zich aanpassen aan de nieuwe situatie. Het MPW verloor het grootste deel van haar linkerzijde. Het deel dat in het MPW bleef was in de minderheid ten opzichte van de wallinganten. Dat kwam duidelijk aan de oppervlakte in 1965 toen de Parti Wallon des Travailleurs (PWT) werd opgericht: wallingant François Perin werd de leider van deze sterke federatie. Na  de verkiezingen van 1965 kwam er een breuk tussen de linkerzijde en Perin. Die laatste vormde met andere wallingante partijen het Front Wallon. De trotskisten en hun sympathisanten bleven voort werken in de PWT.

 

Het eindresultaat na 14 jaar entrisme was niet echt fantastisch: er bleven slechts drie kleine organisaties: de PWT in Wallonië, de UGS in Brussel en de SBV in Wallonië. In oktober 1965 werden ze overkoepeld door de Socialistische Arbeiderskonferentie (SAK) die ongeveer 1000 leden telde.

 

Ondertussen was de JGS uitgesloten uit de BSP door een incident op een viering van 100 jaar Eerste Internationale in 1964. De JGS was numeriek zwak na de uitsluiting. In Vlaanderen waren in 1962 en 1963 nieuwe kernen van de Socialistische Jonge Wacht ontstaan. Zij leunden sterk aan bij de trotskisten van de Vierde Internationale.

 

4. De contestatiebeweging van de jaren 1960: nieuwe inzichten[183]

 

De trotskisten reageerden verward op deze nieuwe situatie. De SAK raakte niet echt van de grond, de strategie van het entrisme had gefaald. Mei 1968 zou de doorslag geven in de oprichting van een nieuwe voorhoedepartij. Voor een aantal geradicaliseerde jongeren was noch de sociaal-democratie, noch het Moskou- of Pekingcommunisme een aantrekkelijk alternatief. Daarom grepen sommigen terug naar de geschriften van Trotski. Om twee redenen vonden de trotskisten de studentenopstand belangrijk: men kon er kaders recruteren en de opstand had een voorbeeldfunctie. De studenten konden als minst controleerbare groep in de samenleving een eerste bres slaan in het kapitalistische bestel en zo aan de arbeiders tonen dat een oppositie tegen het kapitalisme en de politieke en sociale leiders mogelijk was. Het Negende Wereldcongres van de Vierde Internationale speelde daarop in en stelde een koerswijziging voor. Het entrisme moest verlaten worden ten voordele van de strijd met ‘open vizier’. De grondlijnen van deze nieuwe strategie en nieuw type partij werden een jaar later, op 21 en 22 november 1970 op een massabijeenkomst te Brussel vastgelegd. 3000 afgevaardigden uit verschillende landen kwamen er bijeen onder het motto Voor de Socialistische Verenigde Staten van Europa. Het congres stelde vast dat de wereldsituatie zich gevoelig gewijzigd had. Nieuwe generaties waren in de contestatie gevormd, de stalinistische bureaucratie was in crisis, de sociaal-democratie miste elke slagkracht. Een nieuwe leninistische organisatie moest de spontaneïstische beweging van studenten en arbeiders een revolutionair perspectief bieden. De herboren Vierde Internationale sprak zich uit voor een socialisme gegrondvest op de collectieve toe-eigening van de productiemiddelen en de financiële instellingen, op de socialistische planning van de economie en op het zelfbeheer van de bedrijven en de staat door de arbeiders. Om daartoe te komen was in de industriële kapitalistische landen een ‘socialistische revolutie’ (via een revolutionaire algemene staking) nodig, die een overgangsprogramma moest verwezenlijken van planificatie en arbeiderscontrole. In de Derde Wereld werd de ‘permanente revolutie’, de overgang van het antikoloniaal via het anti-imperialistisch naar het socialistisch stadium noodzakelijk geacht. In de gedegenereerde bureaucratische arbeidersstaten (Oost-Europa en de Sovjetunie) was de ‘politieke revolutie’ nodig om tot een waarachtig socialisme te komen. 

 

5. De Revolutionaire Arbeidersliga (RAL)[184]

 

In juni 1971 werd de Revolutionaire Arbeidersliga (RAL) opgericht door militanten van het SAK, van de SJW en de JGS. Het stichtingscongres had tot doel om de ervaringen van de oude en de nieuwe generatie samen te brengen. Dat mislukte ten dele. De aanwezigheid van twee boegbeelden als Ernest Mandel en Van Ceulen betekende een gedeeltelijke continuïteit. In de leiding zaten echter vooral kaders van de nieuwe generatie. Er vond een geleidelijke centralisatie plaats en er werden vrijgestelden verkozen.[185]

 

Tijdens de eerste jaren van het bestaan van de RAL bleef de werking onder de radicale jongeren zeer belangrijk. Dit betekende dat de meeste aandacht uitging naar studenteneisen en de internationale problematiek (de militaire coup in Chili, de Vietnam-oorlog, etc…). Het hoogtepunt was ongetwijfeld de massabeweging in 1972-1973 tegen Van den Boeynants, wanneer deze als minister van defensie het uitstel voor militaire dienst na de middelbare school wilde afschaffen. De discussie over de ‘sterke staat’ en de ‘fascisering’ was op dat moment zeer levendig. Na weken van betogingen, prikacties, stakingen en bezettingen moest Van den Boeynants in het zand bijten. Na een tijdje werd dit studentenwerk ondergeschikt gemaakt aan binnenlands politiek en syndicaal werk. Er werd tussengekomen in stakingen en geijverd voor de 36-urenweek.[186] Het werk binnen de georganiseerde vakbonden ABVV en ACV werd van primordiaal belang. Verschillende militanten trokken de fabrieken in om de revolutionaire ideeën te verspreiden en om het leven van de arbeiders beter te begrijpen. De uitstraling van de RAL werd eveneens verhoogd door de recrutering van vele bekenden uit de culturele sector. Bekendste voorbeeld was de toneel- en filmregisseur Robbe De Hert.

 

In 1972 was er een kleine afscheuring. De Groupe Marxiste Internationaliste werd opgericht onder leiding van Guy Desolre. Tot 1980 gaf hij het blad La Brèche uit.

 

De RAL leed niet veel schade en bleef koortsachtig verder werken. Het socialisme moest gevestigd worden door een grote algemene staking met actieve bezetting van de bedrijven, de democratische verkiezing van stakingscomités, de coördinatie daarvan op regionale en nationale schaal, de instelling van de arbeiderscontrole in de bedrijven, de onteigening van het grootkapitaal en de vorming van een arbeidersregering.[187]

 

De RAL had niet alleen een syndicalistische kern. Ook het socialistisch feminisme werd hoog in het vaandel gedragen.[188] De discriminatie van alle onderdrukte groepen (vrouwen, migranten, homoseksuelen, etc…) werd aangeklaagd.  

 

Zoals reeds vermeld was de KPB als traditionele vertegenwoordiger van de Belgische radicale linkerzijde niet echt tevreden met de opkomst van die nieuwe radicaal-linkse bewegingen. KPB-voorman Jef Turf uitte duidelijke kritiek:

 

“De Revolutionaire Arbeidersliga (RAL) recruteert meest uit de kringen van sociaal-democratische jongeren, hoofdzakelijk aan de universiteiten. Hun specialiteit bestaat er in de fouten die de communisten in vroegere perioden hebben begaan om te vormen tot karikaturen en ze nadien als beginsel te nemen. Ze verwerpen alle democratische verworvenheden van de arbeidersstrijd en houden het bij een model van arbeidersraden die alle macht naar zich toe trekken. Zij verwerpen de idee van een breed democratisch front en zoeken hun heil veeleer in harde, revolutionair ‘zuivere’ kernen die de arbeidersklasse naar de algemene werkstaking moeten leiden, waardoor het socialisme bereikt zal worden.”[189]

 

Vanaf 1977 werd aan alle verkiezingen deelgenomen. Tot de oprichting van de SAP in 1984 werd nooit meer dan 1% behaald. Meermaals werd gepoogd een kartel af te sluiten met de KPB en in mindere mate met AMADA. Onder het motto ‘Eenheid in Verscheidenheid’ groeide de RAL uit tot de pleitbezorger voor linkse eenheid, links van de sociaal-democratie. Dat moet natuurlijk met enige nuance bekeken worden. In een brochure uit 1977 typeerde de RAL haar wil tot eenheid namelijk als volgt:

 

“De RAL is niet van plan om af te zien van haar revolutionaire ideologie, programma en strategie. En we vragen dit uiteraard ook niet van de andere organisaties en militanten. Wat we wel vragen is: laten we nagaan waarover de eenheid nu reeds mogelijk is. Laten we dat telkens en telkens weer onderzoeken. Systematisch ijveren om vooroordelen, maneuvers, sektarisme en ultimatums weg te werken. En aldus vanaf nu de samenwerking in de praktijk verwezenlijken.”[190]

 

De houding tegenover de KPB werd verderop in de brochure duidelijker omlijnd:

 

“De Kommunistische Partij heeft een dubbele tactiek van eenheid. Enerzijds zoekt de KP ten allen prijze de eenheid met de leiding van BSP, ABVV en, in mindere mate, ACV. […] Anderzijds weigert de KP een politieke eenheid aan haar eigen linkerzijde. […] De eenheid van de linkerzijde die de KP wel nastreeft, maakt deel uit van haar strategie om zoveel mogelijk krachten op te doen om de BSP te dwingen de ‘grote eenheid’ op te leggen.”[191]

 

Over AMADA was de RAL helemaal niet te spreken:

 

“AMADA, tenslotte, heeft een radicaal-sektaire opvatting en een manipulatorische praktijk.”[192]  

 

Het was vrij duidelijk dat de RAL háár opvatting van de eenheid als de enige juiste zag. Het eigen ideologisch platform werd als het beste naar voren geschoven.

 

Wat de internationale politiek van de RAL betrof, steunde de partij de revolutionair-socialistische krachten tegen de ‘stalinistische bureaucratieën van de gedegenereerde arbeidersstaten’ van Oost-Europa en de Sovjetunie. In de Derde Wereld steunde ze alle anti-kolonialistische en revolutionaire krachten in hun ‘permanente revolutie’ naar het socialisme. Zo werd in 1979 de hoop gesteld in de Sandinisten in Nicaragua. De RAL en later de SAP zouden de Nicaraguaanse revolutionairen blijven steunen.[193]

 

Eind jaren zeventig, begin jaren tachtig begon de neergang van de RAL. De studentenradicalisatie was verdwenen, een groot deel van de jonge generatie van 1968 stapte het professionele leven in en verliet de partij. Het activisme daalde gevoelig. De partij voerde noodgedwongen hervormingen door. Er moest een verbeterde arbeiderswerking komen, er moest een goede leiding komen met zorg voor het financiële en materiële aspect, er moest meer duidelijkheid in het politieke werk komen. Uit deze hervormingen ontstond in 1984 de Socialistische Arbeiderspartij (SAP).

 

6. De Socialistische Arbeiderspartij (SAP)[194]

 

De nieuwe partij bleef de revolutionaire trotskistische principes trouw. In de Statuten van 1984 stond duidelijk dat de SAP, als Belgische Afdeling van de Vierde Internationale zich tot doel stelde “om de diktatuur van het proletariaat over de uitbuitende klassen en de socialistische demokratie in te stellen”.[195] Dat zijn volgens de SAP noodzakelijke voorwaarden om te komen tot een klassenloze maatschappij, bevrijd van alle uitbuiting en onderdrukking.

 

Het programma van de nieuwe partij bleef steunen op de klassieke teksten van het marxisme, de programma-teksten van de eerste vier congressen (1919-1922) van de Derde Internationale (Komintern), van de Internationale Linkse Oppositie en van de Beweging voor de Vierde Internationale (1933-1938), op het Overgangsprogramma (1938) en op de programmateksten van de Vierde Internationale en van het stichtingscongres van de RAL (1971).[196]

 

De partijwerking bleef gebaseerd op het principe van het ‘democratisch centralisme’. Kort samengevat betekende dat: democratie in de interne discussie om tot beslissingen te komen; discipline in de toepassing van de beslissingen.[197] Het tendensrecht bleef eveneens gelden. Dit recht kwam op het volgende neer:

 

“De SAP erkent het recht van haar leden om tendenzen of frakties te vormen op basis van een geschreven platform. Dit recht betekent het onvervreemdbaar recht van elke minderheid om een tendens of fraktie te vormen en te genieten van de demokratische rechten die daaruit voortvloeien. […] Om over deze rechten te beschikken, moet een tendens of fraktie erkend worden door het Centraal Komitee, of door het afdelingsbureau in geval van voorbereiding van een afdelingskonferentie.”[198]

 

Boegbeeld van de partij bleef professor Ernest Mandel. Hij stond internationaal bekend als een voortreffelijk marxistisch econoom en als dé trotskistische ideoloog bij uitstek. Hij zat niet alleen in de leiding van de partij, maar ook in die van de overkoepelende Vierde Internationale. De meeste analyses kwamen dan ook van zijn hand.

 

In de partijkrant Rood van 1985 formuleerde de SAP klaar en duidelijk wat voor een partij ze was en wat haar doelstellingen waren. Ik neem hieronder die partijvoorstelling over om de lezer duidelijk te maken wat voor een soort partij de SAP is.

 

Wat wil de SAP?

 

1.          De SAP is een Partij van arbeiders en jongeren, van strijdsyndicalisten en feministen. De SAP is aktief in de bedrijven, de vakbonden, de vrouwenbeweging, de internationale solidariteit, de jongerenstrijd, de strijd tegen fascisme en racisme. De SAP gelooft dat alleen het socialisme een einde kan stellen aan uitbuiting, onderdrukking, krisis en oorlog.

 

2.          De SAP is een demokratische partij. De SAP wil de voorhoede van de arbeidersklasse organiseren om de strijd te voeren voor het socialisme op wereldvlak. Daarom is de SAP ook de Belgische afdeling van de Vierde Internationale.

 

3.          Het demokratisch socialisme heeft niets te maken met de bureaukratische diktatuur in de USSR, Oost-Europa of China. De politieke en ekonomische macht moet werkelijk in handen zijn van de werkende bevolking, georganiseerd in demokratisch verkozen en afzetbare raden (zelfbeheer).

 

4.          We zullen het socialisme niet bereiken door langzame hervormingen, parlementsverkiezingen, regeringsdeelname met de burgerij, sociaal overleg met het patronaat. De SAP strijdt voor de revolutionaire verovering van de politiek macht door de algemene staking, de ontbinding van het burgerlijk repressie-apparaat, de onteigening van de kapitalistische klasse, de vorming van een arbeidersstaat, steunend op de arbeidersraden in bedrijven en wijken.

 

5.          De arbeidersklasse zit in een moeilijke defensieve positie. De traditionele leiders verergeren die situatie, de SAP voert een strijd op lange termijn om de arbeidersbeweging voor een politieke koersverandering te winnen. De SAP verwerpt iedere “soberheid” en wil het geld halen waar het zit. De SAP eist de nationalisatie van de banken, holdings en sleutelindustrieën, arbeiderskontrole in de bedrijven, drastische inkorting van de werktijd zonder loonverlies en met aanwervingen, een Plan dat iedereen werk en een degelijk inkomen geeft.

 

6.          De SAP staat vooraan in de organisatie van de weerstand tegen de patronale aanvallen. De SAP roept op voor het eenheidsfront van alle syndicale en politieke arbeidersorganisaties, om het kapitalistisch offensief te breken. De algemene staking moet voorbereid worden, de rechtse regering moet verjaagd worden. Er moet een regering komen van de grote arbeidersorganisaties, gesteund op het gemeenschappelijk vakbondsfront, die de werkelijke belangen van de arbeiders verdedigt. Als zo’n arbeidersregering wordt afgedwongen, zal de SAP eisen dat ze radicale en antikapitalistische maatregelen treft.  

 

7.          De kracht van de werkende bevolking om te strijden tegen werkloosheid, miserie, oorlog, diskriminatie berust in de eerste plaats in de twee grote vakbonden. De SAP militeert om van ABVV en ACV opnieuw strijdbare, demokratische organisaties te maken, in dienst van de arbeidersbelangen. De SAP wil samenwerken met alle strijdsyndicalisten voor de herovering van de vakbonden.

 

 

De opvolger van de RAL bleef al bij al zeer klein. Het werk binnen de vakbonden bleef het belangrijkst. Doelstelling daarbij was in de eerste plaats het strijdsyndicalisme bevorderen en revolutionair-socialistische standpunten verspreiden onder de vakbondsmilitanten.

 

Ook in andere massabewegingen was de SAP actief. Zo had ze ook haar aandeel in de grote vredesbetogingen in de eerste helft van de jaren tachtig. Ze bleef eveneens de pleitbezorger van de linkse frontvorming.

 

De aanslagen van de CCC brachten ook de SAP in vervelende papieren. Er werd echter van in het begin duidelijk gemaakt dat de partij niets met die aanslagen te maken had. Vermoed werd dat het om een complot ging van binnen- en buitenlandse geheime diensten om de linkerzijde en de vredesbeweging te discrediteren. 

 

7. Conclusie

 

De trotskistische beweging is altijd zeer klein gebleven. We hebben gezien welke turbulente geschiedenis ze achter de rug heeft. Verschillende organisaties met verschillende benamingen zagen het daglicht. Ook werd er gewerkt binnen de sociaal-democratie en de vakbonden. Vanaf 1970-1971 kwam er meer duidelijkheid met de oprichting van de RAL. Deze partij, die in eerste instantie vooral studenten wist aan te trekken, groeide uit tot een vaste, weliswaar kleine kracht in de radicale linkerzijde. Door interne problemen werd de RAL in 1984 omgedoopt in de SAP. De partij bleef grotendeels op dezelfde weg voortdoen. Het werken binnen de vakbond, het streven naar meer democratische rechten en het actief deelnemen aan massabewegingen bleven de voornaamste activiteiten. De linkse eenheid op basis van een democratisch socialistisch platform bleef de doelstelling van de SAP.

 

Of de SAP door haar afstandname van de - in haar ogen - bureaucratische regimes in het Oostblok terreinwinst kon boeken na de val van die regimes, zullen we zien in deel III, hoofdstuk 2.

 

8. Nog een opmerking

 

De SAP is vandaag niet de enige vertegenwoordiger van het Belgisch trotskisme. Tot in 1991 had je binnen de SP-PS de revolutionair marxistische tendens Militant-Vonk, de Belgische afdeling van de Committee for a Workers International (CWI). Het kwam in 1992 tot een splitsing. Militant ging alleen verder als Militant-Links en begon zich te profileren als een onafhankelijke linkse beweging/partij. Vonk ging gewoon verder als Vonk en bleef binnen de SP-PS opereren. Vandaag lijkt Militant-Links, onlangs omgedoopt tot Linkse Socialistische Partij (LSP), de overhand te krijgen binnen de Belgische trotskistische beweging, vooral door haar deelorganisatie Internationaal Verzet, die heel wat radicale jongeren aanspreekt.

  

HOOFDSTUK 3: DE PARTIJ VAN DE ARBEID VAN BELGIË 

  

1.      Het maoïsme in België

2.      De contestatiebeweging van de jaren zestig

3.      Alle Macht Aan de Arbeiders (AMADA)

4.      Partij van de Arbeid (PVDA)

5.      Conclusie 


“Als er geen tegenstellingen in de partij zouden zijn, en geen ideologische strijd om ze op te lossen, zou het leven van de partij tot een einde komen.”[199]

 

De PVDA-PTB werd in 1979 boven de doopvont gehouden. Ze was de opvolger van AMADA-TPO (Alle Macht Aan de Arbeiders – Tout le Pouvoir aux Ouvriers). Die groepering was in 1970 ontstaan uit de studentenbeweging van de tweede helft van de jaren zestig.

 

1. Het maoïsme in België[200]

 

We hebben reeds kunnen vaststellen dat begin jaren zestig de maoïstische dissidentie onder leiding van Jacques Grippa uit de KPB werd uitgesloten. Deze pro-Chinese fractie deelde de kritiek van Mao Zedong op de Sovjetunie. Mao was van mening dat de Sovjetunie met Chroesjstjov en zijn hervormingsgerichte politiek de revisionistische weg op ging. Dat zou volgens hem op termijn leiden tot het herstel van het kapitalisme in de Sovjetunie. De grippisten deelden deze mening. Zij vonden dat het marxisme-leninisme niet mocht aangetast worden, laat staan de politiek en de leiderscapaciteiten van Lenin, Stalin en Mao. Na enkele jaren ontaardde deze pro-Chinese fractie naar aanleiding van meningsverschillen omtrent de ‘Culturele Revolutie’ in allerlei groupuscules. De groep Clarté-PCMLB was de enige maoïstische groep die officiële bindingen had met China. Zij zou na enkele jaren ook uit het radicaal-linkse spectrum verdwijnen.

 

2. De contestatiebeweging van de jaren zestig[201]

 

Zoals in de inleiding al vermeld bracht de contestatiebeweging van eind jaren zestig, die vooral aan de Vlaamse universiteiten plaatsvond,  een jonge generatie in contact met het marxisme-leninisme en het denken van Mao Zedong.

 

Naar aanleiding van de kwestie rond Leuven-Vlaams ontstond in 1967 aan de Katholieke Universiteit Leuven de Studenten Vakbeweging (SVB): een links-georiënteerde afsplitsing van het Katholiek Vlaams Hoogstudentenverbond (KVHV). Kopstukken waren de studenten Ludo Martens en Paul Goossens. De linkse oriëntatie werd verder uitgewerkt rond de Leuven-Vlaams beweging, de Ford-staking in Genk, de staking van de textielsector in Gent, etc… Er werden SVB-groepen in Antwerpen, Gent en Brussel opgericht. Daarnaast waren er begin 1969 her en der regionale scholierenkernen opgericht. De ideologische afbakening was in deze periode niet erg duidelijk. De SVB-kernen werden gevormd door anarchisten, communisten, trotskisten, spontaneïsten en maoïsten. Een veelgehoorde slogan was: ‘Arbeiders-Studenten: één front!’. In Gent maakte de SVB een opgang door de Maartbeweging van 1969. De link tussen de studentenproblematiek en de arbeidersstrijd werd gelegd. In september 1969 werd in Gent de Gentse Studentenbeweging opgericht (GSB). Ondertussen waren in de zomer van 1969 overal in Vlaanderen groepen van de Derde Wereldbeweging (DWB) opgestart. Hun voornaamste invloeden waren het tiersmondisme en het maoïsme. Hun objectief was actie voeren tegen het officieel ontwikkelingsbeleid, tegen het Nationaal Centrum voor Ontwikkelingssamenwerking (NCOS) en vóór de bevrijdingsstrijd van de onderdrukte volkeren in de Derde Wereld. Deze regionale inplanting was later voor AMADA zeer belangrijk. Voor de GSB was de te bewandelen weg nog niet echt duidelijk. Met de oprichting van de werkgroep ‘Arbeiders-Studenten’ kwam daar verandering in. Ook in Leuven was er ondertussen ideologische klaarheid gekomen: het marxisme-leninisme en het denken van Mao Zedong werden tegenover revisionisme en reformisme gesteld; de vijand was de patroon, de vakbond en de regering. De spontaneïstische en anarchistische delen van de SVB en de GSB zouden versplinteren in allerlei kleine groepjes.

 

3. Alle Macht Aan de Arbeiders (AMADA)[202]

 

De vele initiatieven uit voornamelijk Gent en Leuven bereikten hun kristallisatiepunt in januari-februari 1970 toen een grote staking in de Limburgse mijnen plaatsvond. Mijnwerkersmacht werd opgericht door het dagelijks contact tussen studenten en een groep mijnwerkers. Vrijwel tegelijkertijd ontstond bij de Ford-Genk-staking een gelijkaardige organisatie: Arbeidersmacht. Er werden verschillende pogingen ondernomen om revolutionaire arbeiderscomités op te richten. Het was ook de periode dat de meest gepolitiseerde studenten de universiteiten verlieten om in de fabrieken te gaan werken. In september 1970 werd een soort eenmaking doorgevoerd. De fabriekskernen die inmiddels waren uitgebreid tot enkele andere steden en de verschillende groepen van de Derde Wereldbeweging werden voorzien van een nationale coördinatie. Een voorlopig Centraal Comité en een ideologische commissie zagen het licht. Niet lang nadien verscheen het eerste nummer van het krantje Alle Macht Aan de Arbeiders. De partij was geboren. Studentenleiders Ludo Martens en Kris Merckx waren de bekendste figuren. 

 

AMADA werd snel de voornaamste Belgische vertegenwoordiger van het maoïsme. De andere maoïstische groeperingen verdwenen even rap zoals ze opgekomen waren. De revolutie in China en het charismatische leiderschap van Mao Zedong oefende op zeer veel jongeren een grote aantrekkingskracht uit. Bezield met de kennis van de marxistisch-leninistische klassiekers trachtte de organisatie kennis en ervaring te bundelen en een aantrekkingspool te vormen voor de voorhoedewerkers. Volgens Jaak Brepoels trok AMADA in de beginperiode vooral jongeren aan die hun eigen verlangens projecteerden in een ideaalbeeld en hun revolutionair geloof vooral putten uit het prestige dat China op het einde van de jaren zestig genoot en uit de herlevende klassenstrijd, die hun stellingen een zekere legitimering verschafte.[203]

 

AMADA ontwikkelde een hiërarchische partij-organisatie, volgens het leninistische type. De partij beschouwde zichzelf als de voorhoede van de arbeidersklasse. Een nationaal bureau moest de politieke lijn uitwerken. Basiscellen in fabrieken en in steden stonden in voor de recrutering van militanten en voor ideologische vorming. Provinciale leidingen fungeerden als doorgeefluik tussen de nationale leiding en de basiscellen. De principes van het ‘democratisch-centralisme’ en de regels van de clandestiene werking werden hierbij strikt in acht genomen. Van het anarchistisch getint ideeëngoed van eind jaren zestig bleef niet veel meer over.[204]

 

De politieke lijn van de beginperiode van AMADA kon volgens historicus en ex-lid Rudi Van Doorslaer het best vergeleken worden met de lijn die door de Komintern was uitgestippeld tijdens de periode 1929-1934. De burgerlijke parlementaire democratie en de fascistische dictatuur werden beide beschouwd als dictaturen van de burgerlijke klasse, de ene bedekt, de andere openlijk. De sociaal-democraten werden als sociaal-fascisten bestempeld, de traditionele communisten waren ‘revisionisten’ en de trotskisten werden ‘misleiders van de arbeidersklasse’ genoemd.[205]

 

De eerste jaren van AMADA werden gekenmerkt door een hevig anti-syndicalisme en in mindere mate spontaneïsme. Volgens Kris Merckx kwam dat voornamelijk door een gebrek aan ervaring. AMADA had amper oudere communisten kunnen aantrekken, waardoor er vaak overdrijvingen waren door het jeugdige ongeduld.[206] Aanzienlijk succes werd geboekt in 1972-1973 bij de massabeweging van de studenten en scholieren tegen de minister van defensie op dat moment, Van den Boeynants. AMADA kon in die acties tegen de ‘disciplinering’ en ‘fascisering’ rekenen op de in 1971 opgerichte Kommunistische Jeugdbond (KJB). Deze studentenafdeling had drie duidelijke taken: ideologische opvoeding, steun aan de arbeidersstrijd en scholing van toekomstige militanten. Radicale jongeren vonden tijdelijk of definitief hun onderkomen bij de maoïstische groepering.

 

Het anti-syndicalisme van AMADA had niet alleen met het jeugdige ongeduld te maken, maar kwam ook voort uit de eerste praktijkervaringen: de vakbonden hadden de arbeiders verraden, de vakbondsleiding werd op één lijn gesteld met de kapitalisten, de grote delegees werden ‘de waakhonden van de patroons’ genoemd. De partij rekende het tot haar taak de vakbonden te ontmaskeren en was ervan overtuigd dat de klassenbewuste arbeiders hun revolutionaire rangen zouden vervoegen. De heksenjacht binnen de vakbonden en de talrijke processen die AMADA opliep, stijfden haar in die analyse. De partij van Ludo Martens en Kris Merckx deed zich in tal van stakingsacties opmerken door maximalistische ordewoorden naar voren te schuiven. Ze kantte zich tegen de oprichting van arbeiderscomités en wenste de voorhoede te organiseren in bedrijfscellen die de basis voor de nieuwe partij moesten leggen. Strijdobjectieven op middellange termijn die onder meer de KPB en de RAL voorstelde (structuurhervormingen) wees AMADA af, want dergelijke zaken konden de arbeidersklasse alleen maar afhouden van haar revolutionaire roeping. De partij zocht naar terreinen waarop de klassenstrijd haast fysieke vormen aannam: op straat, aan fabriekspoorten, op internationale handelsbeurzen, etc… Tegenover de toenemende repressie riep AMADA op tot het revolutionair geweld van de massa’s.

 

AMADA voerde niet alleen actie met woorden. Er werd ook aan basiswerk gedaan. Het grote activisme zou één van de typische kenmerken worden van de partij. Meest bekende exploot werd de gratis geneeskunde van de groepspraktijken van Geneeskunde voor het Volk. De eerste praktijk werd in 1971 opgericht door de artsen Kris Merckx en Michel Leyers.[207] Dat veroorzaakte heel wat ophef bij de Orde van Geneesheren. Die wilde van het experiment niet weten en voerde verschillende processen tegen de dokters van Geneeskunde voor het Volk. Zelfs de KPB vond aanvankelijk dat dergelijk ‘missionariswerk’ niet kon. AMADA reageerde strijdlustig en bouwde de dokterspraktijken verder uit. In bepaalde arbeiderswijken in Hoboken, Zelzate en Genk wist de groepering zich zo bekend te maken. Het is niet toevallig dat ze ook in deze steden haar meeste stemmen haalde.

 

Er werd hoog opgelopen met China. De evoluties daar werden met grote aandacht gevolgd. Het Pekingcommunisme was het juiste model en dat werd dan ook constant naar voren gebracht in analyses, in publicaties en dergelijke meer. De politieke lijn van AMADA kwam dan ook hoofdzakelijk overeen met die van de Chinese Communistische Partij. De werken van Lenin, Stalin en Mao werden gretig gelezen en als handleiding gehanteerd voor de praxis.[208]

 

Interessant om na te gaan is welke buitenlandse politieke lijn AMADA verdedigde. Mao had in de ogen van Ludo Martens en co gelijk wanneer hij gesteld had dat de politiek van Chroesjstjov op termijn een terugkeer naar het kapitalisme betekende. Dat ‘revisionisme’ zou de hele boel verzieken volgens de Grote Roerganger. Wat later nam AMADA blindelings de zogenaamde ‘drie-werelden-theorie’ van de Chinese Communistische Partij (CCP) over. Meestal wordt die theorie toegeschreven aan Mao, maar het zou een groep rond Deng Xiaopeng geweest zijn die ze heeft uitgedacht.  De ‘drie-werelden-theorie’ kwam op het volgende neer: de wereld was verdeeld in drie grote kampen: 1. De eerste wereld bestond uit de twee supermachten, de Verenigde Staten van Amerika en de Sovjetunie; beiden werden op voet van gelijkheid behandeld; meer nog, de Sovjetunie werd voorgesteld als de potentieel gevaarlijkste, omdat ze pas op het terrein was verschenen en dus agressiever was; een derde wereldoorlog lag in het verschiet. 2. De tweede wereld bestond uit zogenaamde ongevaarlijke kapitalistische staten: Europa, Canada, Australië, Nieuw-Zeeland en Japan. 3. De derde wereld werd gekenmerkt door een aantal ‘agenten van het Sovjet-sociaal-imperialisme’: belangrijkste landen waren Viëtnam, Cuba en Angola. Het kritiekloos overnemen van deze theorie bracht AMADA soms in het rechtse kamp. Zo werd Fidel Castro een revisionist genoemd, werd in Angola de rechtse UNITA-beweging van Jonas Savimbi gesteund tegen de MPLA, werden de Oost-Europese landen ‘Sovjetkolonies’ genoemd. China en Albanië waren de enige ware lichtbakens van het internationale communisme.[209]  Ex-lid Wim de Neuter heeft achteraf spijt van het mee de wereld insturen van deze hoogst bedenkelijke theorie:

 

"Je kon met de ellebogen voelen dat deze ‘chinoiserieën’ van geen kanten klopten, maar je kon hierover geen zinnig debat voeren binnen de partij. Je moest je conformeren, je aanpassen aan de enige en ware lijn. In mijn politieke loopbaan als revolutionair is dat eigenlijk de grootste capitulatie, waarover ik me diep schaam. Ik had toen de ‘guts’ moeten hebben om aan de boom te schudden en ik heb er nooit de moed voor gehad. Een aantal jaren heb ik dit soort onzin ook als journalist van het partijweekblad mee de wereld ingestuurd.”[210]

 

Jaren later, met het aantreden van Gorbatsjov in de Sovjetunie, zou de pro-Chinese en pro-Albanese buitenlandse lijn begraven worden. Het is belangrijk om dat voor ogen te houden als we verderop de analyse van de PVDA met betrekking tot de omwentelingen van 1989-1991 gaan bekijken.

 

Nieuwe ervaringen, zoals de staking van Vieille Montagne en Boel-Temse, zorgden na de beginperiode voor een meer gematigde houding tegenover de vakbonden en de delegees.[211] De partij wenste niet immers niet in het isolement te belanden. De spontaneïstische acties ebden weg. Er kwam een betere organisatie. Bij haar eerste deelname aan de verkiezingen in 1974 behaalde AMADA in Antwerpen een aanzienlijke score. Haar inzet in de dokstaking werd beloond met ongeveer 15.000 stemmen.

 

Vanaf 1975 werd een nieuwe politieke lijn in de breedte uitgewerkt. Intern kwam er een strijd tegen het sektarisme en het dogmatisme op gang. Naar buiten uit was er een streven naar eenheid van de syndicale beweging. Er werd teruggeplooid op de vroeger verguisde overgangsstrategie. Structuurhervormingen en arbeiderscontrole waren geen vieze woorden meer. Het strijdsyndicalisme moest bevorderd worden. Aan de basis moest een stevige eenheid opgebouwd worden voor een revolutionaire regering en om het hoofd te bieden aan een onafwendbaar geachte derde wereldoorlog (cfr. drie-werelden-theorie).

 

De KPB vond het niet zo amusant dat andere communistische partijen op hun traditionele actieterrein kwamen. Jef Turf uitte de KPB-frustratie ten opzichte van AMADA als volgt:

 

“De organisatie ‘Alle Macht aan de Arbeiders’ (Amada) is gegroeid uit de katholieke kleinburgerij en vindt haar feitelijke oorsprong in de Katholieke Universiteit van Leuven. Ze hebben naar de vorm vele kenmerken van hun godsdienstige opvoeding overgehouden: hun ideologie stoelt op enkele eenvoudige dogma’s die steeds herhaald worden, zij werken met een catechismus, vatten hun taak als een apostolaat op en zijn totaal afkerig van wat maar iets met de Kommunistische Partij te maken heeft. Hun voornaamste inspiratiebronnen zijn verlegd van de hemel naar de aarde: het zijn de bijbelse geschriften van Mao, het zijn de Chinese en de Albanese modellen. Het kapitalisme gaan ze uitgerust met helm en stok te lijf.”[212]

 

Dat grote wantrouwen was ook omgekeerd. AMADA beschouwde de KPB als een revisionistische partij, die verraad had gepleegd aan de essentiële marxistisch-leninistische principes. Vooral de leiding van de KPB werd ervan beschuldigd van een links aanhangsel van de SP-PS te zijn. Maar de grote vijand binnen het linkse spectrum was zonder twijfel de trotskistische RAL. Dat was in de ogen van de ‘Amadezen’ een beweging van verraders die in dienst stond van het imperialisme.

 

Eind jaren zeventig was er door de dood van Mao Zedong (1976) en de economische hervormingspolitiek van Deng Xiaopeng een crisis van het maoïsme. De leiding van AMADA wilde hieraan verhelpen door een beter gestructureerde partij op poten te zetten met een nieuwe benaming. 

 

  

4. De Partij van de Arbeid van België (PVDA)[213]

 

In 1979 werd AMADA omgevormd tot een meer klassieke communistische partij, namelijk de Partij van de Arbeid. Op het stichtingscongres, waar onder meer de toen nog onbekende Laurent Désiré Kabila aanwezig was, werden interessante discussies en debatten gehouden. Ex-lid Wim De Neuter, die al bij AMADA militeerde sinds 1972, vond het een hoogtepunt in de partijgeschiedenis:

 

“Voor mij was een hoogtepunt het stichtingscongres in 1979. Er was toen een goed politiek debat. Er was openheid. De belangrijkste conclusies waren toen komaf maken met het dogmatisme en het sektarisme. Er heerste een boeiend politiek leven binnen de partij.”[214]  

 

De structuur werd opener dan voorheen en een sterk bedrijfsgerichte aanpak werd ingevoerd. Het basiswerk in de vakbonden werd zeer belangrijk. Doel was in de eerste plaats het strijdsyndicalisme te bevorderen en vakbondsmilitanten aan te trekken.  Bij belangrijke conflicten kon de partij zich op die manier laten opmerken. Dit werd haar door de vakbondsleidingen van het ABVV en het ACV zelden in dank afgenomen.

 

De Statuten die op het stichtingscongres goedgekeurd werden, toonden duidelijk aan welk type partij de PVDA was en is. Er werd vastgehouden aan de leninistische principes inzake partij-organisatie. De werking van de partij werd geregeld via het principe van het ‘democratisch centralisme’. Dat betekende het volgende: democratie in de interne discussie om tot beslissingen te komen; strikte discipline in de toepassing van die beslissingen. Het centralisme garandeerde de noodzakelijke eenheid van een marxistisch-leninistische partij.[215]

 

Het Partijprogramma van 1979 was eveneens klaar en helder. Het marxisme-leninisme en het denken van Mao Zedong bleven het ideologisch cement van de partij vormen:

 

“De Partij van de Arbeid van België baseert zich op het marxisme. Zij staat een terugkeer voor naar de bronnen van het socialisme, naar de wetenschappelijk leer van Marx en Lenin. Zij hebben de onoplosbare tegenstellingen van de kapitalistische ekonomie ontleed. Zij hebben een revolutionaire leer ontworpen voor het voeren van de klassenstrijd en het doorvoeren van de bevrijding van de arbeid. De Partij van de Arbeid van België baseert zich eveneens op de werken van Mao Zedong. Het is zijn verdienste geweest de lessen te trekken uit het totale verval van de Sovjetunie en uit het herstel van het kapitalisme in dit land.”[216]

 

Ultieme doelstelling bleef de ‘proletarische revolutie’ te bewerkstelligen en een onafhankelijke communistische staat te vestigen. De ‘dictatuur van het proletariaat’ was daarvoor het essentiële instrument. Het in dienst staan van de massa’s of van de arbeidersklasse was de hoofdtaak voor de PVDA-militanten.[217]

 

Wat de buitenlandse politieke lijn betrof, bleef de PVDA vasthouden aan de Chinese en Albanese thesen. De Sovjetunie bleef in de ogen van de partij een agressieve hegemon waar alle volkeren ter wereld zich tegen moesten verdedigen. De oorlog die de Sovjetunie uitvocht  in Afghanistan was het ultieme bewijs voor deze stelling. Door deze stelling te verdedigen belandde de partij soms in het rechtse kamp. Gedurende een korte periode werd zelfs Lech Walesa en zijn Solidarnosc gesteund omwille van hun inzet tegen het ‘sociaal-imperialisme’ en het ‘sociaal-fascisme’ van de Sovjetunie. China en in mindere mate Albanië bleven de lichtbakens van het ware communisme.[218]

 

Aan de periode van betrekkelijke openheid die volgde op de vernieuwing,  kwam een einde in 1983 met de zogenaamde strijd tegen de liquidatiestroming. In dat jaar ondervond de PVDA interne moeilijkheden. Voor een deel hadden die te maken met het verdwijnen van de KPD, de marxistisch-leninistische partij van West-Duitsland. De leiding van de PVDA had het vermoeden dat er ook binnen haar eigen partijrangen een liquidatiestroming aanwezig was. Verschillende partijleden die vonden dat het ‘democratisch centralisme’ een achterhaalde en nutteloze theorie was en dat er in België meer democratie was dan in China of Albanië, verlieten de partij. In 1983 vond als reactie op deze interne spanning het tweede congres plaats van de PVDA. Er werd beslist om een campagne op te starten om de partij te versterken en de ideologische cohesie te verbeteren. De leden werden aangemaand zich harder en correcter in te zetten voor de partij.[219]

 

Volgens ex-lid Wim De Neuter was 1983 een breukmoment in de partij:

 

“In 1982 of 1983 werd er komaf gemaakt met dat open debat met de zogenaamde strijd tegen de liquidatiestroming. De leiding had een complot ontdekt van enkele leden tegen de partij. De schrik om zoals de marxistisch-leninistische partij van West-Duitsland ten onder te gaan zat er goed in. Gevolg was een veel strakkere politieke lijn en een einde van het open debat.”[220]

 

De PVDA nam eveneens deel aan de vredesbeweging in de eerste helft van de jaren tachtig. De partij kantte zich tegen de plaatsing van de raketten en tegen de wapenwedloop. De Sovjetunie en de Verenigde Staten waren de grote boosdoeners. Opvallend was dat de PVDA een eenzijdige ontwapening vanwege Europa afwees. De Sovjetunie werd, zoals al een aantal keren vermeld, nog steeds gezien als een gevaarlijke imperialistische supermacht.

 

In het midden van de jaren tachtig werd België opgeschrikt door de aanslagen van de ‘Cellules Combattantes Communistes’ (CCC).[221] De rijkswacht en de staatsveiligheid viseerden al gauw de PVDA. Deze voelde zich gecriminaliseerd en deed al het mogelijke om zich van het dubieuze terrorisme te distantiëren. De partij opperde eveneens de hypothese dat de CCC, zonder het te beseffen, vanuit een duistere (extreem-rechtse) hoek logistiek werd gesteund bij het creëren van een landelijke psychose en de daaruit volgende roep om een sterker politieapparaat.[222]

 

In diezelfde periode liet de PVDA zich ook opmerken bij de doodsstrijd van de Limburgse steenkoolmijnen.[223] Er werden grote acties opgezet voor het behoud van de tewerkstelling. Bij die acties werd er niet altijd doordacht opgetreden. Zo was er heel wat kritiek op de manipulatieve tactieken van de partij. Bedoeling was om de partijrangen te versterken met strijdbare syndicalisten en militante arbeiders. De uiteindelijke balans van de strijd was niet echt schitterend te noemen. De aanhang werd niet echt vergroot en de mijnen gingen definitief dicht.

 

Electoraal stelde de partij net als haar twee andere radicaal-linkse collega’s (rivalen) niet veel voor. Op nationaal vlak was er sinds de oprichting nooit een doorbraak. Enkel in bepaalde steden zoals Antwerpen, Zelzate en Genk kon de partij lokale zetels binnenhalen. Het electoraal falen werd op verschillende manieren verklaard. In Wallonië zou het chauvinisme van de PS de massa bedwelmen. In Brussel kon geen winst geboekt worden omdat de talrijke gastarbeiders er geen stemrecht hebben en de Belgische arbeiders meestal buiten Brussel wonen. In Vlaanderen kon er niet doorgebroken worden omdat de partij door de media doodgezwegen werd.[224]

 

Om dit deeltje te beëindigen, lijkt het me interessant om hier - net als bij de SAP - de partijvoorstelling in de partijkrant weer te geven. Het gaat hier om de voorstelling uit Solidair van 1985.  Let vooral nog eens op de analyse van de Sovjetunie.

 

PVDA

 

De Partij van de Arbeid van België is:

Een aktiepartij die zich volledig ten dienste stelt van de strijd voor het socialisme;

Een partij die zich volledig ten dienste stelt van de strijd die de werkers voeren tegen het kapitalisme;

Een partij die zich zelfstandig een weg zoekt naar de socialistische revolutie in België;

 

Het stichtingskongres van de PVDA vond plaats in november 1979. Tevoren werkten we sinds 1970 onder de naam AMADA-TPO. In die organisatie verenigden zich intellektuelen die 1968 meemaakten, kommunisten die de ‘Kommunistische Partij van België’ verlieten, leden van verscheidene revolutionaire organisaties, militanten van ABVV en ACV. Wij vormen een nationale partij die werkers uit Vlaanderen, Wallonië en Brussel verenigt.

 

Tegen wie strijdt de PVDA?

De PVDA strijdt tegen het grootkapitaal: tegen de banken, de holdings, de grote ondernemingen, de multinationals. Zij hebben de produktiemiddelen in privébezit en daarom wordt de hele produktie en de hele maatschappij geregeld volgens hun winsthonger. Zij veroorzaken uitbuiting en miserie, afbraak van demokratie en repressie, sociale achteruitgang van de werkende klassen. De PVDA richt haar strijd tegen de huidige staatsmachine die een instrument is waarmee het grootkapitaal zijn macht in stand houdt. De huidige staat is niet neutraal, hij is gemaakt door en voor de patroons. Elk jaar hevelt hij honderden miljarden belastingsgeld naar de kapitalisten over. De rijkswacht is een privémilitie van het patronaat.

 

Wat wil de PVDA?

De PVDA wil de onteigening zonder schadeloosstelling van de grote kapitalisten: de produktiemiddelen moeten het kollektieve bezit worden van het werkende volk. Er moet een nationale planning van de ekonomie komen volgens de noden van het volk. De PVDA wil de ontbinding van de huidige staatsmachine, de vorming van een socialistische staat gebaseerd op het zelfbestuur van de werkers. Een staat waarin alle ambtenaren door het volk worden verkozen en gekontroleerd, en waarvan de werkzaamheden volledig openbaar zijn. De PVDA wil een socialistisch leger en een socialistische militie gevormd door arbeiders en werkers, verbonden met het volk, gekontroleerd door het volk.

 

Komt er oorlog?

Twee supermachten streven naar wereldheerschappij. De VSA proberen de gebieden te behouden die zij sinds 1945 kontroleren. Tijdens de jaren ’70 heeft het VS-imperialisme nederlagen geleden in Kampuchea, Laos en Vietnam, in Iran en Ethiopië, in Nicaragua. De PVDA is van mening dat in de Sovjetunie staatskapitalisme heerst en dat de Sovjetunie een imperialistische politiek voert. De Sovjetunie gebruikt militair geweld om haar overheersing te vestigen over Afghanistan, Kampuchea en Ethiopië-Eritrea. Sinds de Reagan-administratie is er een evenwicht ingetreden in de krachtsverhoudingen tussen de Verenigde Staten en de Sovjetunie. De rivaliteit tussen beide strekt zich uit over alle kontinenten en oceanen, alsook in de ruimte. Dit kan uitmonden in een derde wereldoorlog. Alle volkeren moeten hun nationale onafhankelijkheid verdedigen en elke inmenging en agressie van de Sovjetunie en de Verenigde Staten bekampen.

 

Welke eenheid, welke solidariteit?

Onze kapitalisten hebben zich verrijkt met de genadeloze plundering van de derde wereld. De PVDA steunt elke strijd voor politieke en ekonomische onafhankelijkheid van de volkeren van Afrika, Azië en Latijns-Amerika. De arbeiders van de hele wereld vormen eenzelfde klasse en moeten elkaar steunen. De PVDA is solidair met de landen die een eigen weg zoeken voor een authentiek socialisme, zoals China, Joegoslavië, Noord-Korea. Wij leren van hun positieve ervaringen en wij leveren op kameraadschappelijke wijze kritiek op wat – naar onze mening – fout is. In België zal de weg naar het socialisme nog lange tijd vergen en een ingewikkeld proces doormaken.Wij willen allen die werken voor de socialistische revolutie in België verenigen binnen de Partij van de Arbeid. Wij geloven dat alle werkers zich moeten aaneensluiten binnen de vakbeweging. De PVDA werkt binnen het ABVV en het ACV en ijvert ervoor dat zij demokratische strijdorganisaties zijn. De PVDA is voor eenheid in de aktie rond konkrete punten met alle partijen en organisaties van alle arbeiders en werkers.

 

Het is belangrijk deze partijvoorstelling voor ogen te houden als we in deel III hoofdstuk 3 gaan kijken naar de partij-analyse met betrekking tot de politiek van Gorbatsjov en de uiteindelijke ineenstorting van het communisme in het Oostblok.

 

5. Conclusie

 

De PVDA, de opvolger van AMADA wist zich binnen de Belgische radicale linkerzijde te consolideren. Gegroeid vanuit het spontane studentenprotest evolueerde de partij van Kris Merckx en Ludo Martens naar een serieuze communistische partij met een sterk hiërarchische structuur. Het marxisme-leninisme en het denken van Mao Zedong vormden de enige juiste ideologie om de revolutie te bewerkstelligen. De houding tegenover de andere radicaal-linkse partijen was vaak sektair[225]. De partij zag zich als de enige, ware communistische partij. De PVDA werd gekenmerkt door een groot activisme. Bij vrijwel alle belangrijke sociale en maatschappelijke acties stond ze mee op de barricaden. Midden jaren tachtig was ze in Vlaanderen de belangrijkste radicaal-linkse partij geworden, ten koste van de ‘revisionisten van de KPB’. Op electoraal vlak brak ze echter nooit door.   

 

Het verdere verloop van de geschiedenis van de PVDA heeft zeer veel te maken met internationale ontwikkelingen sinds de tweede helft van de jaren tachtig. Het aan de macht komen van Gorbatsjov zou een verandering van de ideologische lijn inhouden. De analyse van de gebeurtenissen 1989-1991 moet dan ook in dat licht bekeken worden; meer daar over in deel III.

  

DEEL III

RADICAAL-LINKS EN DE GEBEURTENISSEN VAN 1989-1991: OVERLEVEN OF STERVEN?

  Hoofdstuk 1: De Kommunistische Partij van België (KPB)
  Hoofdstuk 2: De Socialistische Arbeiderspartij, Belgische Afdeling van de Vierde Internationale (SAP)
  Hoofdstuk 3: De Partij van de Arbeid van België (PVDA)
 
Hoofdstuk 4: De analyse van drie Belgische radicaal-linkse intellectuelen
     

In dit deel wordt de hoofdvraag, de kern van deze thesis, behandeld: hoe overleefden de KP(B), de SAP en de PVDA de val van het communisme? Het bronnenmateriaal dat ik hiervoor geconsulteerd heb, is vrij divers: partijkranten, ledenbladen, congresdocumenten, partijresoluties en persberichten. Ook worden enkele interviews in de tekst verwerkt. In voetnoot staat steeds de persoon, de datum en de plaats.

 

Bij elke partij zal ongeveer dezelfde indeling gevolgd worden. Eerst volgt steeds de analyse en de reactie met betrekking tot de politiek van Gorbatsjov en de gebeurtenissen 1989-1991. Vervolgens wordt er getracht om een overzicht van gevolgen voor de partij op te stellen en in een laatste onderdeel wordt een bondig besluit geformuleerd

   

HOOFDSTUK 1: DE KOMMUNISTISCHE PARTIJ VAN BELGIË (KPB)

1. Partij-analyse

1.1.  Gorbatsjov: op hoop van zegen!

1.2.  De gebeurtenissen in China en Oost-Europa

1.3.  De implosie van de Sovjetunie

1.4.  Conclusie

2. Gevolgen voor de partij

2.1.  De ontgoocheling

2.2.  Partijverlaters

2.3.  Partijwerking

2.4.  Partij of beweging?

2.5.  Toenadering naar andere progressieven

2.6.  Verdwijnen van De Rode Vaan in 1992

2.7.  Verkiezingsresultaten 1971-1995: waar zijn onze kiezers naartoe?

3. Conclusie

4. Extra: Hoe zat het met de andere officiële communistische partijen in West-Europa?

 

Zoals reeds in de historische voorstelling vermeld, was de KPB in 1988 een federale partij geworden. Het merendeel van het geconsulteerde bronnenmateriaal heeft betrekking tot de Vlaamse Kommunistische Partij. De analyse die de Franstalige KP maakte van de internationale gebeurtenissen is echter gelijkaardig.[226]

 

 

1. Partij-analyse van de val van het ‘reëel bestaande socialisme’

 

1.1. Gorbatsjov: op hoop van zegen!

 

The ascent of Mikhail Gorbachev to power in March 1985 as General Secretary of the Communist Party of the Soviet Union (CPSU) was initially welcomed by all sections of Western Communist opinion. [227]

 

Er was oprecht geloof in de figuur van Gorbatsjov. De KP dacht dat Gorbatsjov de man was die de noodzakelijke hervormingen en verbeteringen kon doorvoeren na de periode van stagnatie onder Brezjnev. Men zag hem als een vredestichter, als een vertegenwoordiger van het ‘democratisch socialisme’.[228]

 

De perestrojka- en glasnostpolitiek van Gorbatsjov werd met grote aandacht gevolgd. In de maanden juli en augustus van 1987 schreef Jef Turf wekelijks een artikel over de evolutie van de Sovjetunie. Daaruit bleek dat de KP geloof hechtte aan de politiek van Gorbatsjov. De serie was niet voor niets getiteld “70 jaar later: op weg naar een volwassen socialisme.”  Turf zag de nieuwe Sovjetlijn als een “globale revolutie”[229]  en als een “nieuwe weg naar een nieuwe wereld”[230].

 

In een artikel in november van dat jaar werd de perestrojka zelfs bestempeld als een absolute ‘must’. De Sovjetunie en het internationale communisme kon in de ogen van de KP enkel overleven mits grondige hervormingen en vernieuwingen.[231]

 

1.2. De gebeurtenissen in China en Oost-Europa

 

1.2.1. China: het Tien An Men-incident

 

Het neerslaan van de studenten- en arbeidersprotesten in China, op het Tien An Men-plein, werd door de KP veroordeeld. In De Rode Vaan werd er niet echt uitvoerig over bericht. Een diepgravende analyse van de feiten in China konden we niet terugvinden. Naast een interview met toenmalig BRT-radiocorrespondent Paul De Maeseneer[232] konden we ook volgende bedenking van filosoof Rudolf Boehm over de situatie in China lezen:

 

“De bloedige konfrontatie tussen leger en ongewapende jongeren in Peking is een vreselijk feit. De in dit verband gevoerde diskussie over ‘revolutionair’ of ‘kontrarevolutionair’ lijkt nergens op. De revolutie in China bestond in de afschaffing van de private eigendom in de produktiemiddelen, en niemand heeft vernomen dat de protesterende studenten deze revolutie ongedaan wilden maken.”[233]

 

1.2.2. Oost-Europa: de omwentelingen

 

De omwentelingen in Oost-Europa werden uitvoeriger gevolgd in de partijpers. Er verschenen tal van artikels over de evoluties in Hongarije, Oost-Duitsland, Tsjecho-Slowakije en Roemenië. Op een vrij genuanceerde manier werd hierover bericht. Er werd ingezien dat de Oost-Europese communistische regimes aan het einde van hun latijn waren.

 

Op 22 december 1989 verscheen in De Rode Vaan een editoriaal van partijlid Filip Delmotte. Daarin werd de analyse van de KP omtrent de vele gebeurtenissen die in het najaar van 1989 plaatsvonden grotendeels duidelijk gemaakt. Ik neem hieronder een deel van zijn tekst over:

 

“De stormachtige verandering van het internationale klimaat doet sommige geesten op hol slaan. Fukuyama, medewerker van president Bush van de Verenigde Staten, behoort tot dat soort. Zijn boodschap luidt: de koude oorlog is voorbij, het kapitalisme is eruit tevoorschijn gekomen als overwinnaar, de geschiedenis heeft haar eindpunt bereikt. Amen.

 

Dergelijke profetieën over de Heerlijke Nieuwe Wereld moeten een zwaar belaste keerzijde verdoezelen: armoede en werkloosheid, sociale onzekerheid, schrijnende ongelijkheid, vernietiging van het natuurlijke evenwicht, verslindende wapenproduktie, nukleaire waanzin,… Men hoeft alleen maar achter de glitter op de reklamepanelen te kijken om het te zien. Een realiteit die in de derde wereld tot de zoveelste macht vermenigvuldigd wordt. […]

 

Het refrein van het failliete kommunisme moet elke hoop op een alternatief de grond inboren. De euforie van de nieuwe profeten zou wel eens een grote vergissing kunnen zijn. Dat beseffen zij ook wel, en bijgevolg moet elk uitzicht op een demokratisch socialisme de grond ingeboord worden.

 

De Vlaamse kommunisten hielden zaterdag jl. een trefdag over de ontwikkelingen in het reëel bestaande socialisme. Er tekende zich een ruime consensus af: wat zich afspeelt is niet het failliet van het kommunisme of socialisme, maar van het Stalinisme en zijn uitwassen. Met geweld en repressie kan men geen duurzame maatschappij vestigen. Het is niet eensklaps dat de KP dat ontdekt, zij zegt dat al jaren.

 

De KP heeft de Russische inmenging in Tsjechoslovakije in 1968, de militaire staatsgreep in Polen in 1981, ondubbelzinnig veroordeeld. Zij keurt radikaal de bloedige repressie in Roemenië af, net zoals het bloedbad van Tienanmen. Het reëel bestaande socialisme gaat ten onder aan de tegenstelling tussen de eigen idealen en de bestaande realiteit, tussen de menselijke behoeften en de remmende strukturen van staat en partij.

 

In sommige Oosteuropese landen zijn de ontwikkelingen zorgwekkend. Velen zijn er verblind door de artikelen in de Westerse uitstalramen. De illusie in het westers systeem is omgekeerd evenredig met de afkeer tegen de bestaande regimes.

 

Maar de ontwikkelingen in Oost-Europa stellen ook nieuwe perspektieven. Met het verdwijnen van de koude oorlog zullen de militaire uitgaven in toenemende mate in vraag worden gesteld. De vredesbeweging heeft een reservoir aan ideeën en verwachtingen geschapen die niet zo gemakkelijk meer te counteren zijn.

 

De strijd voor een demokratisch socialisme gaat onverminderd voort. Nu is de inzet in West en Oost de radikale demokratie. Niet alleen op het politieke vlak, maar ook op het beslissende domein van de ekonomie. De hernieuwde SED-PDS is als eerste kommunistische partij in Oost-Europa daarmee begonnen: het zoeken van een weg tussen het stalinistisch socialisme en de heerschappij van het multinationale monopoliekapitaal. Ze verdient daarin al onze steun.”[234]

 

De KP zag dus in de omwentelingen van 1989-1990 de val van het ‘stalinisme’ en niet de val van de gehele socialistische ideologie, zoals Fukuyama het beweerde. Het was niet omdat de Oost-Europese regimes gefaald hadden, dat de hele socialistische idee gefaald had. De KP trachtte dit duidelijk te maken door haar perspectief, dat van een ‘democratisch socialisme’ diametraal tegenover het ‘stalinisme’ te zetten. De verstarde bureaucratieën werden zonder enige vorm van goedpraten veroordeeld.[235]

 

Een zeer krachtige veroordeling kwam er ook naar aanleiding van de bloedige gebeurtenissen in Roemenië:

 

 “In nauwelijks een week tijd heeft het Roemeense volk diktator Ceaucescu en zijn klan vermorzeld. De ‘grote leider’ was een levend voorbeeld van de verwording en het totaal verlies aan realiteitszin die voortvloeit uit onbeperkte alleenheerschappij.”[236]

 

De partij putte hoop uit het feit dat de Koude Oorlog en daarmee de directe Oost-West-confrontatie was afgelopen. Ze meende dat dit een kans was voor de democratische linkerzijde om met een propere lei te herbeginnen. Er werd echter gewaarschuwd voor een grootschalig offensief van de rechterzijde om met het falen van het ‘reëel bestaande socialisme’ in Oost-Europa ook de West-Europese welvaartstaten, die er gekomen waren door de strijd van de linkerzijde, in vraag te stellen en af te bouwen. 

 

Over het ophefmakende essay van Fukuyama verscheen in dezelfde Rode Vaan van 22 december 1989 een gans dossier met extra uitleg en kritieken van verschillende progressieven. De ideeën van Fukuyama werden beschouwd als ‘misplaatst triomfalisme’ en ‘a-historisch optimisme’. De geschiedenis was immers nooit gedaan zolang de mensheid zou bestaan. De mens zou altijd streven naar sociale verbeteringen.[237]

 

Veel aandacht ging ook uit naar de Duitse kwestie. De opstand die in de DDR had plaatsgevonden tegen het verstarde regime was volgens de KP in de eerste plaats een roep naar meer democratie. Er was nog altijd een sprankeltje hoop dat de DDR zou evolueren naar een democratische socialistische staat. Om die hoop duidelijk te maken verschenen er tal van interviews in De Rode Vaan met Oost-Duitse politici die geloofden in een democratisch socialisme, zoals Jürgen Tallig van de linkse oppositie[238], Markus Wolf, ex-chef van de Stasi[239] en toenmalig staatshoofd Egon Krenz[240]. Toch werd er al gevreesd dat de BRD de DDR op termijn zou opslokken en dat er terug sprake zou zijn van een eengemaakt Duitsland.

 

De uiteindelijke eenmaking van Duitsland in oktober 1990 deed de redactie van De Rode Vaan besluiten tot een extra dossier over de DDR. Daarin werd gesteld dat de kapitalistische restauratie een feit was en dat het onmogelijk was geworden de klok terug te draaien. De BRD had de DDR op minder dan een jaar tijd opgeslokt. De DDR was ten prooi gevallen aan een massale uitverkoop van haar economische activiteiten. Er werd voorspeld dat de Oost-Duitse bevolking een sombere tijd tegemoet ging.[241]

 

1.3. De implosie van de Sovjetunie

 

Over de implosie van de Sovjetunie werd uiteraard veel gepraat en gediscussieerd. De ondergang van de Oost-Europese satellietstaten deed de vraag rijzen hoe lang het ‘moedersysteem’ het nog zou trekken.

 

Rudolf Boehm stelde zich in een artikel in De Rode Vaan ernstige vragen bij de evolutie van de perestrojkapolitiek van Gorbatsjov:

 

 “De gehele nieuwe geschiedenis (of om voor de geleerde wereld begrijpelijk te blijven: ‘recente evolutie’) in de landen van het enige tot nog toe reëel bestaande socialisme is toch wel begonnen in maart 1985 met de plannen van Michail Gorbatsjov voor een ‘revolutionaire’ hervorming van de ekonomie in de Sovjetunie. Net die plannen hebben echter na bijna vijf jaar nog steeds geen grijpbare vruchten gedragen.”[242]

 

Meer en meer werd duidelijk dat de desintegratie van de Sovjetunie onomkeerbaar was. Het sterk opkomende nationalisme in de verschillende republieken en de enorme kloof tussen perestrojka en glasnost ondermijnden het hele Sovjetsysteem. In het laatste nummer van De Rode Vaan van 1990 verkondigde partijlid Filip Delmotte volgend standpunt met betrekking tot de evolutie van de Sovjetunie:

 

“De Sovjet-Unie staat op een kruispunt van wegen. Een definitieve machtsstrijd lijkt ingezet. Het tijdperk Gorbatsjov staat of valt met de oplossing van de dringende binnenlandse problemen. Zal er een Unie van Sovjet-republieken blijven bestaan, en hoe zal die eruit zien? Of valt de USSR uiteen in 10, 15 natie-staten? Blijft de Sovjet-Unie überhaupt socialistisch, en wat zal dat inhouden? Of evolueert de USSR naar een (in het beste geval: sociaal gekorrigeerde) kapitalistische marktekonomie? En tenslotte, zullen deze veranderingen de demokratie verdragen? Of zal een militaire coup het vroegtijdig einde bezegelen van een revolutie die nu reeds de wereldorde grondig heeft dooreengeschud?” [243]

 

De augustuscoup, hoewel door sommigen voorspeld, kwam als een donderslag bij heldere hemel. Zowel de Vlaamse als de Waalse KP veroordeelden de staatsgreep. Zo liet de Vlaamse KP volgend persbericht verspreiden:

 

 

Vlaamse KP veroordeelt staatsgreep USSR (19 aug. 1991)[244]

 

De Vlaamse Kommunisten zijn geschokt door het bericht deze morgen dat er een staatsgreep heeft plaatsgehad in de USSR.

 

De KP meent dat door deze ondemokratische gang van zaken het probleem van de legitimiteit van de macht nog meer in gevaar komt.Het is duidelijk dat de Soviet-Unie op verschillende vlakken in de moeilijkheden was geraakt (we verwijzen daarbij naar de nationaliteitenkwestie en naar de ekologische, ekonomische en sociale problemen). Maar er kan geen twijfel over bestaan dat de problemen moeten aangepakt worden via een sterkere uitbouw en steviger fundering van de demokratie, niet via het tegendeel.

 

De KP is er zich tevens van bewust dat nu ook het gevaar bestaat van een repressie tegenover hervormingsgezinde en demokratische krachten in het land, wat ten stelligste dient afgekeurd. We hebben niet alleen schrik voor de mogelijke repressie, maar we hopen ook dat met de staatsgreep geen sneeuwbal op gang wordt gebracht die de ontspanning en demokratisering in Europa en het wereldwijde ontwapeningsproces (toch de belangrijkste verwezenlijkingen van Gorbatsjov) in het gevaar zouden brengen.

 

Ook in De Rode Vaan werd er gereageerd op de staatsgreep van de zogenaamde hardliners van de bureaucratie. Op de voorpagina van het nummer van 23 augustus 1991 stond de kop Back to the Future? Politiek redacteur Miel Dullaert schreef in zijn editoriaal:

 

“Deze week sloeg de schrik ons om het hart. Was men in de Sovjet-Unie begonnen met een eigen versie van de film Back to the Future, vrij vertaald ‘Terug in de tijd’, waarvan de ingrediënten veel minder vredelievend zijn. Werden de tanks, de censuur, de leerboekjes van Stalin begin deze week terug van zolder gehaald? Is het zo moeilijk te leren uit de geschiedenis? Ooit werden al eens soldaten en tanks ingezet. In Polen en Tsjechoslowakije bijvoorbeeld. Men kent het resultaat. Het is een cliché maar voor sommigen blijkbaar nog niet gekend: met bajonetten kan men veel maar niet er op gaan zitten.”[245]

 

Ook toenmalig voorzitter van de Unie van Kommunisten, het overkoepelend orgaan van de Vlaamse en de Waalse KP, Louis Van Geyt, reageerde geschokt op de staatsgreep in de Sovjetunie:

 

“Als je de rug toekeert naar demokratisering maak je de moeilijkheden alleen maar groter. Als je de rug keert naar een federaliseringsproces, als je de centrale macht terug probeert op te bouwen ten nadele van de autonomie van de republieken, dan drijf je de spanningen op.”[246]

 

Zeer interessant was ook de reactie van Regenboog-woordvoerder en ex-Humo-hoofdredacteur Willy Courteaux:  

 

“Een coup gebeurt altijd zeer bruusk, maar er waren tekenen dat een staatsgreep erin zat. Men spreekt over de fouten van Gorbatsjov, maar de vraag is of het wel fouten waren. Met zo’n erfenis. Men spreekt nu over de erfenis van Stalin en Lenin. Het gaat natuurlijk veel verder: de erfenis van de geschiedenis van Rusland. […] Eén van de fundamentele fouten die men in de Sovjet-Unie gemaakt heeft is dat men met een ander politiek ekonomisch systeem, niets anders gedaan heeft dan het Westen nabootsen en getracht het te overtroeven op domeinen waar het Westen oogverblindende resultaten boekte. Zij hebben niet geprobeerd een andere maatschappij op te bouwen. Zij hebben geen homo sovieticus gekreëerd. Zij hebben geen ander soort groei voortgebracht, alleen het Westen geïmiteerd in het soort levenswijze, in de bewapeningswedloop. Denk aan Kroetsjovs’ uitspraak tegen Nixon over het inhalen en voorbijsteken van de VSA.”[247]

 

1.4. Conclusie

 

We hebben kunnen vaststellen dat de KP de gebeurtenissen in het Oostblok en in de Sovjetunie vrij genuanceerd benaderde. De artikels in De Rode Vaan lieten zich kenmerken door een zekere afstandelijkheid. De redenen voor het falen van het socialistisch experiment werden in het systeem zelf gezocht. Er werd weinig gegrepen naar excuses of verzachtende omstandigheden. Het falen werd toegegeven. Kernachtig samengevat kwam de KP-analyse hier op neer: wat er in het Oostblok ten onder gaat is een commando-socialisme, een stalinistisch socialisme, dat te weinig inspanningen deed om zichzelf een democratisch karakter te geven en onder druk van volksprotesten zichzelf heeft moeten ontbinden. Verderop in dit hoofdstuk vinden we een historisch referentiekader terug dat de partij opmaakte naar aanleiding van een poging tot partijvernieuwing. In dat referentiekader wordt de analyse nog eens zeer duidelijk uitgelegd (cfr. infra).

 

2. Gevolgen voor de partij

 

2.1. De ontgoocheling

 

De snelle opeenvolging van de turbulente gebeurtenissen 1989-1991 betekende de zo goed als finale doodsteek voor de KP. De meerderheid van de leden die de partij nog niet verlaten had, reageerde ontgoocheld. Een gevoel van ontreddering had zich van hen meester gemaakt. Het falen van de Sovjetunie werd ook als een persoonlijk falen gezien. KP-lid Jos De Raedt verwoordde het als volgt:

 

“De omwentelingen in Oost-Europa – de totale ineenstorting van het socialistische kamp, het triomf van het kapitalisme – laten bij ons kommunisten diepe sporen na. We voelen ons verweesd, ontmoedigd. Toch denk ik dat er aspekten zijn in deze nieuwe toestand die perspektieven bieden voor de toekomst van de klassestrijd."[248]

 

Bepaalde andere leden waren er heel snel bij om ideologische conclusies te trekken uit het falen van het Sovjetexperiment. Onder hen toenmalig Vlaams KP-voorzitter Ludo Loose:

 

“Grootscheepse idealen zijn uit de mode, en het socialisme is nu eenmaal, na de recente ontwikkelingen, een nogal onbescheiden ideaal. Ook de potentiële aanhang van radikaal-links staat kritischer tegenover dat soort ideaal dan in het verleden. De huidige generatie laat zich niet meer door een partij voorschrijven wat ze er moet van vinden. Voor radikaal-linksen moet dat een extra argument zijn om voorgoed te breken met dogmatisme en ideologische scherpslijperij. Het is juist een argument om het streven naar een integrerende, socialistische visie op de maatschappij zeer kritisch te benaderen en eerder op te komen voor een radikaal alternatief en het kapitalisme te begraven samen met de tot op heden gevoerde ‘experimenten’ van zgn. Reëel socialisme.”[249]

 

Ook Ludo Abicht stelde vast dat het falen van de Sovjetunie het hele socialistische project mee in diskrediet had gebracht:

 

“De kater is reëel: de internationale solidariteit heeft een gevoelige deuk gekregen (China, Vietnam, Cuba); niets is nog netjes zwart/wit.”[250]

 

Jan Debrouwere, die jarenlang internationaal secretaris was, verliet de KP in grote ontgoocheling. In zijn boek Waarom valt Icarus? Het communistisch netwerk verwoordde hij het als volgt:

 

“Ik deed wat ik dacht goed te zijn. Al denk ik vandaag over vele dingen het goede niet meer, wat ik er eens over dacht. Ik had een aandeel in het nemen van besluiten, die ik nu verkeerd vind. Ik heb dingen geloofd, waarvan ik nu de onwaarheid wil aantonen, en waarvan ik me heb moeten bevrijden. […] Maar ik hoopte dat de communistische partij nog een instrument ten goede zou kunnen blijven, en wou daarbij helpen. Ik vreesde dat menige discussie ongeneeslijke wonden zou slaan, en dat de partij ze niet meer aankon, zonder uiteen te spatten. Erdoor zijn mensen van me vervreemd, waarvan ik niet wilde dat ze van me vervreemdden. En dat spijt me.”[251]

 

Ook in het boek De laatste communisten: hun passies, hun idealen van VRT-journalist Ivan Ollevier uitten verschillende KP’ers hun ontgoocheling over de ondergang van het ‘reëel bestaande socialisme’ en van de partij.[252]

 

Een minderheid van de partij reageerde eerder boos en strijdlustig. Volgens hen was de Sovjetunie ten onder gegaan door een grootschalig kapitalistisch offensief en door het werk van buitenlandse geheime diensten. Deze KP’ers die door de anderen werden gezien als ‘stalinisten’ of  ‘brezjnevianen’ konden zich niet verzoenen met het failliet van het Sovjetexperiment en met de teloorgang van de KP. Sommigen van hen zouden overstappen naar de PVDA (cfr. infra).      

 

2.2. Partijverlaters

 

Zoals reeds vermeld verlieten er heel wat mensen de partij naar aanleiding van het einde van het Sovjetsysteem. De daling van de ledenaantallen was echter al veel langer ingezet. In een artikel van José Gotovitch in Brood en Rozen, Tijdschrift voor de geschiedenis van sociale bewegingen is een tabel te vinden met de evolutie van de ledenaantallen.[253] Ik neem deze tabel hier over.

 

1921

467

1936

8500

1953

17000

1967

12927

1980

8135

1922

500

1937

8892

1954

16239

1967

12590

1981

7583

1923

500

1938

8829

1955

14265

1968

12159

1982

6846

1925

700

1939

10000

1956

13664

1969

11634

1983

5957

1926

900

1943

8035

1957

11794

1970

10553

1984

5528

1927

900

1944

11306

1958

11328

1971

10012

1985

5446

1928

1200

1945

87892

1959

11345

1972

9953

1986

5044

1929

250

1946

76194

1960

11589

1973

9570

1987

3372