|
de fabriek
Mail Imelda Haesendonck Inhoud Home
Web-versie: met blz, doorlopend Omslagfoto: © P.G., Vormgeving: epo, Druk: drukkerij epo, © Imelda Haesendonck en uitgeverij epo vzw, 1999, isbn 90 6445 074 9 d 1999/2204/6, NUGI 661, Verspreiding voor Nederland Centraal Boekhuis bv Culemborg Dankwoord 7 Bob 31 Vive Lahaut!, Levé Lahaut!:
Schets van de arbeidersstrijd tot1968 285
Dankwoord - Inhoud - de fabriek Erica, de tikster. Onze wegen kruisten mekaar omdat ze honderden bladzijden interviews letterlijk uittikte, nieuwe gesprekken met hetzelfde enthousiasme op diskette zette en zodoende veel meer voor me werd: een vriendin. Volgende mensen wil ik bedanken, de meeste kwam ik tegen op mijn weg door de streken waar 'de acht' wonen en meevechten in de arbeidersstrijd. Zonder hun getuigenis kon ik het boek niet schrijven. Roger De Busschere van Menen, kind van de 'Roo-campagne', grensarbeider, mijnwerker in de Borinage toen Marcinelle het graf werd van 262 van zijn kameraden; zijn vrouw Marcella, kind van Vlamingen die in Frankrijk gingen wonen, zelf grensarbeidster. Samen vertelden ze me de hele achtergrond van de grensarbeid en hoe geen enkele regering ooit iets deed voor deze arbeiders. Eric, delegee bij Lano (textiel), van Menen, die over de grensarbeid en de strijd van '58 van deze arbeiders aile détails kent. Jules uit de Borinage, daar geboren en getogen, en er werkend in de verzorgende sector. Hij leerde me aile hoeken van de Borinage die belangrijk zijn voor de arbeidersstrijd, kennen. Ik kon naar de steegjes van Monsville, 'Petit Moscou', gaan. Met hem klom ik op verschillende terrils. Dankzij hem kon ik het parcours van de betoging van de stakers van '32 te Wasmes overdoen. Een aanrader. De mijnwerkers die in de wijk achter de 'Grand Hornu' wonen en die de waarheid over deze 'modelpatroon' zoals Di Rupo De Gorge noemt, doorprikken. Herman, getuige van de armoede in de streek rond Bergen. In de straat waar hij woont, heeft hij als enige een vaste job. De staaksters van Bell-Colfontaine die vochten tegen de sluiting van hun fabriek en de solidariteit in de streek weer deden opleven. Die getuigen dat ze gelukkig zijn dat hun Italiaanse ouders naar hier kwamen, daardoor zijn zij geëmancipeerde vrouwen. De stakers van Albemarle in Feluy die me opnamen in het piket en me onmiddellijk een taak gaven in het verschalken van 84 rijkswachters. Arbeiders en delegees van Caterpillar die over Bob getuigden, die ons thuis ontvingen en me over de arbeidersstrijd van hun vaders en het leven in de streek vertelden. 7 De vele stakers van Cat die me kennis lieten maken met dat warme hart van de arbeiders. Gino, ex-mijnwerker en silicoselijder en zijn vrouw, die me een goed beeld gaven van het lot van de Italianen na de oorlog. De gids van 'Bois du Casier', die me in de ruïnes van de mijn rondleidde, zijn verdriet deed me beslissen de waarheid over de Casier uit te vissen. Verschillende Turkse syndicalisten in Charleroi die me vertelden waarom ze zo geëngageerd zijn in de arbeidersstrijd. Silvio en Mario, geboren en getogen in 'Bois du Luc', die ons door La Louvière gidsten en ons in de mijnhuisjes rondleidden en aan mensen voorstelden. Johnny Coopmans, die me de arbeidersstrijd in Luik van de laatste 25 jaar schetste. 'Je kent Luik maar als je in een staalfabriek geweest bent en gepraat hebt met de arbeiders die elke dag zo dicht tegen de dood leven.' Hij regelde dat ik in een staalfabriek met arbeiders en delegees kon gaan praten. De delegees en de arbeiders van de staalfabriek die een blijvende indruk op me maakten. 'Als je niet zelf vecht voor je veiligheid heb je zelfs geen veilige vloer in de cabines. Alles wat je hier aan veiligheid ziet, hebben we door strijd moeten afdwingen.' De delegee die me nog maar eens wees op de taken van een intellectueel in de arbeidersstrijd; hij gebruikte het boek Tête de Turc '(Ik, AH) van Günther Walraff. Henriette Steinbeck, partizane en arbeidster bij fn. Zij smokkelde tijdens de bezetting zoals honderden andere arbeiders onderdelen van pistolen en geweren voor het verzet uit de fabriek. Aanstookster, samen met drie andere vrouwen van KP-strekking, van de vrouwenstaking van fn in 1966 voor gelijk loon voor gelijk werk. Agnès Devrière, stakingsleidster van de vrouwenstaking van '66 op fn. Zij getuigt hoe de staking wild startte en door een stakerscomité van 10 - vooral revolutionaire - vrouwen geleid werd. Nico, om me in te wijden in de wereld van de Luikse jeugd; die me alles over 'taggen' vertelde en me wegwijs maakte in de linkse rapmuziek. Die steevast zonder sigaretten zit en waaraan ik graag een sigaret voor achter zijn oor en een voor nu gaf. Marc Bourguet, secretaris van het ABVV-Verviers voor zijn hartelijke verwelkoming in het ABVV-gebouw. Een echt huis van en voor arbeiders. Dank voor zijn getuigenis over zijn werk met Cathy Craen en Godelieve Van Damme. Die me een pracht van een dossier gaf over de strijd tegen de sluiting van het sociale kuuroord Les Heures Claires te Spa. Christina Wetz, ex-delegee van Les Heures Claires die tot de laatste gevochten heeft voor het behoud ervan en nu zelf werkers huisvest die de zorgen van het kuuroord van Spa nodig hebben. 8 De patiënten van Les Heures Claires Pasqualino Cicciotti uit Seraing en Antopov uit Dampremy, beiden ex-mijnwerker; mevrouw Brasseur van Charleroi en haar man, een ex-arbeider van Hanrez. En de vele anderen die getuigden over hun leven, verwoest in de mijn of door reuma. Anna, die met Cathy werkte en over haar en Godelieve Van Damme getuigde. Gilbert, die aan de dokken werkt en me dagen in de haven meenam, boot op boot af. Aan de matrozen die ons aan boord lieten, de dokwerkers die tijdens het werken vertelden, de arbeiders die werkten toen onbekende 1 en 2 dood in het ruim van de boot lagen, en tegen de regels in gingen zoeken naar de lijken. Johnneke, de dokwerker, voor zijn getuigenis. Freddy Bungeneers, ABVV-mijnwerkersdelegee en zijn makkers die een stuk van de ondergrond van een mijn nabouwden in Beringen. Een aanrader. De CGT-verantwoordelijken van Freyming-Merlebach (Frankrijk) en de mijnwerkers van de mijn La Houve die getuigden over de guerrilla tussen 1.000 eenheden van de oproerpolitie en 4.000 mijnwerkers. Die tot vandaag vechten tegen het sluiten van de Franse mijnen. Ga er eens je solidariteit betuigen als je in de streek bent. Thomas Gounet, altijd klaar om snel een statistiek op te zoeken of te duiden. Jean-Marie 'Zappa' Flémal, vertaler, woordkunstenaar en kameraad. Michel Hanotte van het IHOES (Seraing), voor de hulp tijdens mijn zoektocht in zijn instituut. 9 Men walkin' 'long the railroad tracks Hot soup on a campfire under the bridge The highway is alive tonight He pulls a prayer book out of his sleeping bag The highway is alive tonight Now Tom said "Mom, wherever there's a cop 10 Or decent job or a helpin'hand Well the highway is alive tonight (Bruce Springsteen) Vertaling met DeepL (nv jh): De geest van Tom Joad Mannen lopen langs de spoorrails Warme soep bij een kampvuur onder de brug De snelweg leeft vanavond Hij haalt een gebedenboek uit zijn slaapzak De snelweg leeft vanavond Tom zei: "Mam, waar er ook een agent is Of een fatsoenlijke baan of een helpende hand Nou, de snelweg leeft vanavond (Bruce Springsteen) 11 Inleiding - Inhoud - de fabriek Aan welke kant en in welk heelal? John Reed, Jacques Brel en Kwangju Acht intellectuelen die als arbeider in de fabriek gingen werken. Niet voor een jaartje, niet om 'eens te gaan kijken', maar voor het leven. Daarover gaat dit boek. Een advocaat, twee psychologen, een licentiaat wiskunde, een toekomstig bioloog, een studente geneeskunde, een pupil van Kruithof en een aankomend theoloog. Oude vrienden van me, de meeste al sinds mijn 19de. Zij gingen naar de fabrieken, waar het echte leven is, de zenuwknoop van deze maatschappij. Ze hadden na enkele jaren alsnog voor een intellectuele en prestigieuze carrière kunnen kiezen. Maar ze bleven. Hamer of laspost in plaats van vulpen en aktetas. Ze bleven in de buik van de maatschappij om mee het verschil te maken. Was de grote discussie na mei '68 niet dat een intellectueel moet kiezen aan welke kant hij staat? Bij de acht een priester-arbeider en een religieuze. Ik heb mijn vader in de weer gezien met een paar priester-arbeiders in Leuven, het werden zijn vrienden voor het leven. Tom uit Bengalen werd bij ons thuis opgenomen, 's Avonds las vader voor uit Max Havelaar. Saida en Adinda en hun buffel: het konden Bengaalse kinderen zijn. De keuze in dienst van wie ze hun kennis gaan stellen is een oude vraag voor intellectuelen. Aan de kant van de arbeiders, is een keuze van gisteren, vandaag en morgen. De jonge Amerikaanse journalist John Reed zocht stakende arbeiders op en dat gaf een wending aan zijn leven. Hij vertrok naar Rusland in volle revolutie en beschreef dat in het boek Tien dagen die de wereld deden beven, in de jaren '80 verfilmd onder de titel Reds. Norman Bethune, de jonge Canadese longspecialist, koos voor een praktijk in een armenwijk met veel TBC-patiënten, al kon hij topchirurg worden. Ook hij bezocht de Sovjetunie en aan het front van de Spaanse Burgeroorlog redde hij honderden gewonde antifascisten met een revolutionaire medische techniek die vandaag nog altijd in ziekenhuizen wordt toegepast. In China trok hij mee met de troepen van Mao. 13 En dan is er Jacques Brei. Een muzikant die hem begeleidde vertelde: 'Ik heb Brei gala's zien geven in een sanatorium voor mijnwerkers die in een stalen long lagen, dicht bij Luik. We moesten daar 's avonds optreden en 's namiddags gaf hij zijn voorstelling voor die rijen stalen longen, met evenveel vuur als in de Olympia in Parijs. Na elk nummer was het stil. Dat stoorde hem niet. Wij vonden het heel moeilijk om daar te spelen, hij niet. Na ons optreden ging hij van stalen long tot stalen long met de mijnwerkers praten, en nam daar op zijn gemak de tijd voor. Telkens we in Luik waren gingen we daar naartoe en we moesten erover zwijgen. Zo iemand was Jacques Brel.'(1) Joris Ivens was voorbestemd om de handel van zijn vader over te nemen. Maar hij wilde cineast worden en zo gebeurde. Zijn filmwerk was nieuw: een ode aan de arbeid. In de Borinage maakte hij een documentaire over de mijnwerkersstaking van 1932. In het geheim, want hij kreeg geen toelating. Hij verbleef weken bij de mijnwerkers en dat veranderde zijn leven. Misère au Borinage werd door leiders van de Belgische Werkliedenpartij weggehoond. Op een avond zegde zijn vader: 'Jij hebt eigenlijk maar één goede film gemaakt, De brug, en je zal er nooit nog een andere draaien'. Joris Ivens begreep dat hij moest breken met zijn vader. Hij heeft daarna nog vele prachtige films gemaakt over de bevrijdingsstrijd in Indonesië, Indochina, China... De schrijvers en kunstenaars Louis Aragon, Nazim Hikmet, Bertolt Brecht, Pablo Neruda, Jack London, Han Suyin, Max Havelaar, de priester Camillo Torres en zovele anderen kozen de kant van het volk, en dus vaak van de arbeidersstrijd. In mei 1980 brak er een volksopstand uit in Kwangju, Zuid-Korea. Een week lang was de stad in handen van de opstand. Met Amerikaanse militaire hulp en twee legereenheden helikopters en tanks kon het regime die opstand neerslaan. Meer dan 2.000 mensen werden vermoord. Na de opstand van Kwangju trokken vanuit de universiteiten duizenden intellectuelen naar de fabrieken en de arbeidersbeweging. Ze werden arbeidersleiders en speelden een belangrijke rol in de grote stakingen in Zuid-Korea in de jaren'90. De val van de Muur en wat daarna kwam De Berlijnse Muur is toch neergehaald! Volgens sommige ideologen meteen 'het einde van de geschiedenis'. Dan moet een intellectueel niet meer kiezen tussen twee klassen. Is dat zo? Geert Van Istendael schreef: 'Men mag niet vergeten dat het communisme de hoop van miljoenen en miljoenen is geweest.' De uitstraling van de 14 Sovjetunie, het socialistische alternatief aan de horizon, blijkt uit het volgende voorbeeld. In 1932 leden de mijnwerkers honger, de crisis had een sleep van loonsverlagingen, onveiligheid in de mijnen en repressie van de strijd meegebracht. In Saarbrücken kwamen mijnwerkers uit tien landen samen. De 125 afgevaardigden waren door 400.000 mijnwerkers verkozen; 89 waren lid van een revolutionaire vakbond, 19 van een reformistische bond, 10 van een christelijke bond en er waren 6 niet-gesyndiceerden. De vergadering van Saarbrücken stelde vast dat de crisis had geleid tot de sluiting van honderden putten terwijl in de overblijvende méér kolen werden bovengehaald en tegen lagere lonen. In één land ging de mijnindustrie op een geplande manier vooruit: in de Sovjetunie. En daar was er geen sprake van werkloosheid. Daar gingen de lonen omhoog en de arbeidstijd omlaag. Meer nog: woonst en gezondheidszorg en warme maaltijden waren er voor de mijnwerkers gratis! En in de mijnstreken werden universiteiten en theaters gebouwd. De mijnwerkersafgevaardigden stelden vast dat alleen in een socialistisch land het lot van de mijnwerkers radicaal kon veranderen.(2) Feitelijk werden in Berlijn twee muren gesloopt. De fysieke muur, waardoor de burgerij toegang kreeg tot een grote nieuwe kolonie, en een ideologische muur die voor alle werkers ter wereld een betekenis had van 'tot hier gaat het kapitalisme, vanaf hier is er een planeconomie waar de mensen voorrang hebben op de winst'. Niet dat er geen kritieken waren op aspecten van het socialisme daar. De restauratie van het kapitalisme in Oost-Europa werd een gigantische catastrofe. Er zouden geen klassen en geen klassenstrijd meer zijn? In Oost-Europa heeft de wereld van het kapitaal alle rechten, de wereld van de arbeid heeft er geen. Maar de 'verworpenen' uit het vroegere Oostblok zijn de sociale leiders van morgen. Ze zijn er wel degelijk en ze zullen de lessen trekken uit de eerste socialistische ervaringen om het beter te doen. In dit boek beschrijven de acht de moeilijke jaren na de val van de Muur. Omdat de arbeiders, zoals overal in de wereld, ontredderd waren. Er waren meer spanningen onderling, ruzies. Het kapitaal leek almachtig. Maar dan, na die moeilijke jaren, kwam alles weer in een stroomversnelling. Geen klassenstrijd meer? Na de stakingen tegen het Globaal Plan einde '93 lag het stakingsrecht onder vuur. Het moest gedaan zijn met de zoningpiketten, zo eiste het patronaat. Tijdens de textielstaking van '95 haalden 200 vakbondsmilitanten de arbeiders van Sofïnal in het West-Vlaamse 'Texas', waar geen vakbond toegelaten is, naar buiten. Sofinal stuurde een knokploeg en honden op de stakers af. Fabelta eiste een schadevergoeding wegens het stilleggen van de productie. 15 De stakende arbeiders van de Antwerpse chemie zagen dwangsommen tegen de delegees uitgesproken. Bij Caterpillar in Charleroi vonden ze daar een antwoord op. Niemand liet zijn identiteitskaart zien aan de deurwaarders: 'Iedereen heet hier mijnheer ABVV of mijnheer ACV.' Bij Albemarie floten de dwangsommen de arbeiders zo om de oren dat het belachelijk werd. Dan kwam '96. In de staalfabriek Forges de Clabecq maakten de arbeiders zich klaar voor een strijd tegen de sluiting: 'Wij hebben de rijken rijk gemaakt en nu worden we op de keien gegooid, we nemen het niet.' Dat viel samen met de Witte Mars. Toen Melissa, Julie, Ann, Eefje, Loubna vermoord en misbruikt werden teruggevonden, was de maat vol. De arbeiders van Volkswagen gaven het startschot voor een week van stakingen. Roberto D'Orazio, de vakbondswoordvoerder van Forges de Clabecq, stelde de ouders voor samen een betoging te organiseren voor werk en voor een gerecht in dienst van de gewone man. 'Wij arbeiders hebben tenslotte ook de kinderen uit de mijnen gehaald.' 70.000 mensen stapten mee op deze betoging in Tubize, het was 2 februari '97. Een paar weken later sloeg een nieuwe bliksem in: de sluiting van Renault. Na Renault is niemand nog veilig is het relaas van die strijd. Het boek greep zo naar de keel dat journalisten van de VRT voor het jaaroverzicht van 1997 citaten als bindtekst gebruikten. 'Men heeft ons boek gelezen, men heeft mij gezien op radio en tv, men heeft mijn gedicht gehoord, men heeft het diepste van mijn wezen horen kreunen en zelfs de ogen van mijn dochter hebben hen niet kunnen beroeren. Men heeft beslist om gewoon door te gaan. In mijn afdeling kijk ik terug in die radeloze ogen van arbeiders. Ik voel hun pijn, pijn aan het hart, de maag, de geest. Pijn aan de ziel. Zeg nu even samen met de rijken en de politiekers: 't is toch niet zo erg!(3) Renault ging dicht. Clabecq bleef open maar in de zomer van '97 werd alles gedaan om D'Orazio en de hele vakbondsstructuur van Clabecq uit te schakelen. De Beweging voor Vakbondsvernieuwing kreeg stilaan vorm. Een jaar na de aankondiging van de sluiting van Renault werd de vijf meter hoge vuist van Rik Poot in Vilvoorde neergezet. 'Dit is de vuist van de machtelozen, van de onderdrukte volkeren, van de weduwe van Karel Van Noppen en van de ouders van de vermoorde kinderen. Het is de vuist tegen corruptie en geldzucht, tegen de uitbuiting van de mens door de mens. En het is de vuist van de 3.000 ontslagen Renaultarbeiders,' zo zegde Rik Poot bij de inhuldiging. Geen klassen meer? West-Europa telt meer dan 20 miljoen werklozen. In de Borinage en in Charleroi is 30%, in La Louvière 35% van de actieven 16 werkloos. Er zijn in ons land 1.168.428(4) mensen slachtoffer van de werkloosheid. Op vijfjaar werden 960.000 werklozen het slachtoffer van een sanctie of schorsing. Elke zondagavond is er in het Antwerpse Centraal Station een gratis soepbedeling voor armen. In de vs, deze verschrikkelijke trendsetter van het liberale kapitalisme, zien liefdadigheidsorganisaties tot hun grote verbazing dat het vaak werkende mensen zijn die komen aanschuiven voor een gratis maal. De lonen zijn te laag om van te leven. Geen klassen en geen strijd meer? Ook bij de jonge migranten, onze kinderen met een iets donkerder huid, kwam de strijd op gang. Voor hen geen werk, geen toekomst. Voor hen overal repressie, overal als gangsters behandeld. 'Salaam aleikoum, aleikoum salaam' zingt de groep Marakbar, met vooral jongeren van Marokkaanse origine, wat betekent: 'Vrede hier en in heel de wereld!' Maar sinds 1991 werden in België 13 migranten door de rijkswacht doodgeschoten, en 8 zwaar gewond. De zwarte dichter Amiri Baraka schreef: 'De zwarte arbeiders zitten op de bodem van de arbeidsmarkt. Ze zijn de minsten van de arbeidersklasse. De multinationale arbeidersklasse is niet verticaal opgedeeld maar horizontaal, zwarten en andere arbeiders van de Derde Wereld onderaan. De vijand is niet "de blanke" maar het kapitalisme. De bondgenoot is niet "de zwarte", want er is ook een zwarte burgerij, maar de gehele werkende klasse.'(5) Célestin Demblon, Julien Lahaut en Roberto D'Orazio Vandaag hangen D'Orazio, Marra en elf anderen van Clabecq zware gevangenisstraffen en boetes boven het hoofd. Het is niet nieuw: wie de vakbondsstrijd een nieuw elan geeft, wordt uitgesloten. Uit de vakbond en uit de fabriek. Dat is geen kwestie van personen maar van visie: welke lijn in de arbeidersbeweging te steken? Zo zag de geliefde hoofddelegee van het ACV van de Boelwerf te Temse, Jan Cap, ineens een aantal deuren dicht gaan. De tentoonstelling 100 jaar ABVV levert een ander voorbeeld daarvan. Een foto uit deze tentoonstelling werd genomen tijdens de beruchte staking van Ougrée Marihaye in 1921. Men ziet er de kinderen van stakers naar Vlaamse gezinnen vertrekken opdat de ouders zouden kunnen voortstaken. Deze foto is in feite een aanklacht tegen wat er mis ging in die 100 jaar ABVV. Ze staat ook in dit boek. De staking van 1921 was een keerpunt. Een vrijgestelde van de metaalbond, Julien Lahaut, leidde de zeven maanden durende staking. Delvigne, Bondas en andere vakbondsleiders wilden deze staking reeds vanaf het begin beëindigen. 'Pak de leider, wij doen de rest', zegden ze tegen de patroon en regering. Lahaut vloog in de gevangenis, Bondas en Cie. zetten 17 de staking stop. Daarom nam Lahaut ontslag uit de vakbond en met hem bijna alle gesyndiceerde arbeiders van de fabriek. De vakbondsleiders gaven een beschamende brochure uit over deze gebeurtenissen, 64 bladzijden tegen de stakers, tegen Lahaut. (6) Maar de foto werd zonder gêne en zonder commentaar in de tentoonstelling verwerkt. Er is nog meer aan de hand met die foto. Rechts van Lahaut kan men duidelijk de schrijver Célestin Demblon herkennen. Demblon was toen nog vertegenwoordiger van de BWP maar moest later voor een partijcommissie verschijnen onder andere omwille van zijn samenwerking met Lahaut. Hij moest zijn bolsjewisme afzweren. Van zijn verdediging maakte hij een striemende aanklacht tegen het verraad van de BWP, voor de nieuwe vakbondsopvatting van Lahaut en tegen de motie Mertens die alle communisten uit verantwoordelijke functies van de metaalvakbond wilde. Zijn aanklacht wordt 'het testament van Demblon' genoemd, hijzelf noemde het een 'profession de foi', een geloofsbelijdenis. Als deze foto centraal hangt in de tentoonstelling, waarom dan ook geen foto van die van Clabecq? De geschiedenis van de arbeidersstrijd is er een van voortdurend breken met de nefaste reformistische opvattingen van leiders als Bondas, Delvigne, Mertens... De Vits, Jorissen. Niet alle arbeiders die zich in de steek gelaten voelen door de vakbond, zijn zo bewust om in de oppositie te gaan en geduldig een tegenmacht op te bouwen. Sommigen gaan een tijdje mee in een discours tegen de vakbonden, om daarna te beseffen dat samenwerken met de patroons (de redenering van het Vlaams Blok) nog veel erger is. Dan is het aan mensen zoals de acht van dit boek om deze arbeiders terug te organiseren. Cathy Craen nodigde ongeorganiseerde arbeiders uit op de arbeidersvergaderingen, zich bewust van het feit dat ook in Verviers, bepaalde hoge pieten van de vakbond de strijd tegen bijvoorbeeld de sluiting van de textiel verraden hebben. Arbeidersstrijd is geen kalm debat, soms vallen er klappen. De eerste vraag die zich dan opdringt: vanwaar komt het geweld? Arbeiders werken dagelijks in gewelddadige omstandigheden. Veel te veel arbeiders kwamen om door arbeidsongevallen. De fabrieken zijn onveilig door het hoge arbeidsritme, er wordt veel te weinig geïnvesteerd in veiligheidsvoorzieningen. Dat staat ook in het verhaal van Dirk over de doden op Sidmar, en Pipo heeft het over de doden in de Limburgse mijnen. Jef legt uit dat de arbeiders van de chemie een hoger loon krijgen omdat er van elke chemiereus al een plant in de lucht gevlogen is, 'bibbergeld' dus. Iemand vertelde mij het verhaal van haar vader. Die was bediende geweest bij Providence in Charleroi. Als er een dodelijk ongeval gebeurde, 18 moest hij de familie op de hoogte brengen. Soms ging het om arbeiders die in kokend staal gevallen waren, van hen bleef dus niets over. De arbeiders hadden afgedwongen dat dit staal niet werd gebruikt, het werd uitgegoten ergens op het fabrieksterrein. De bediende moest dan aan de nabestaanden zeggen: 'Daar ligt je man, je vader.' Later zag de deftige bediende dan ook nog al die fabrieken sluiten en... werd anarchist. Voor zijn part mochten ze alle fabrieken opblazen. Zijn vrouw zegde dat hij zoiets niet mocht denken. Hij antwoordde: 'Ik denk dat niet alleen, ik zeg het overal waar ik kom.' De doden van de arbeidersklasse worden nooit vergeten. In ontelbare liederen bezingen arbeiders de doden op het werk, hun woede, hun onmacht. En hier moeten we ook stilstaan bij wat er in de strijd voor de arbeiders op spel staat. Vaak niet minder dan hun toekomst en die van hun kinderen. Pipo vertelt dat er gevochten werd om hem binnen te laten op een belangrijke vakbondsvergadering. Hij moest de kameraad die voor hem op de vuist ging, overreden te stoppen met vechten. Hij beschrijft hoe stakers naar het vakbondslokaal trokken om de ABVV-vrijgestelde, die delegees hun mandaat had afgenomen, figuurlijk het mes op de keel te zetten. En telkens weer worden de arbeiders op zo'n momenten als terroristen voorgesteld. Het verhaal van Gilbert, die aan de dokken werkt, wilde ik graag in het boek maar het risico dat hij dan zijn werk zou verliezen, was te groot. Ik heb sommige namen moeten veranderen om mensen niet in moeilijkheden te brengen. Rechten voor de arbeiders? Formeel staan ze in de grondwet maar op het terrein is het anders. De ware verhouding tussen strijdbare arbeiders en de patroons kan je in één woord samen vatten: oorlog. Over deze oorlog, die gewone mensen dagelijks moeten voeren, gaat dit boek. De arbeidersklasse bestaat! De acht van dit boek werden een deel van het collectief dat de arbeidersklasse is. Ze brengen het beste van de arbeiders naar boven. Via de acht krijgen we een zicht op een solidaire arbeidersklasse. We krijgen zo voor het eerst een kijk op het leven en strijd in de fabrieken zoals het nooit verteld is: uniek en een verademing na al de 'objectieve' documentaires die ons sinds 'Zwarte Zondag' van '91 overspoelen met de stelling dat de minstbegoeden racist en egoïst zijn, Vlaams Blokkers met andere woorden. Brengt het Vlaams Blok de meest achterlijke standpunten van mensen naar boven, de acht brengen het beste van de werkende klasse naar boven. Maar is zo'n beeld over de arbeiders dan wel objectief? Nemen de acht hun eigen ideeën over de arbeiders niet voor werkelijkheid? Neen, want dat hou 19 je geen 20 jaar vol. In '68 zegden sommigen dat 'de maoïsten iedereen de fabriek instuurden om boete te doen voor hun kleinburgerlijke afkomst'. Gaan werken in de fabriek was gaan 'afzien'. Aanhangers van Mandel voegden eraantoe dat 'de voorhoede van de revolutie zich ging kapot maken in de fabrieken'. Geen enkele van de acht ziet zijn of haar leven als een kruisweg. In de fabrieken werkten zij samen met mensen met dezelfde capaciteiten als zij maar die door omstandigheden niet konden studeren. De acht ondervonden jaar najaar dat de industriearbeiders in staat zijn de gehele groep werkers van ons land te leiden op de weg naar een andere maatschappij. Voor de acht was het voor het eerst dat ze zo grondig over alle facetten van hun werk nadachten en vertelden! Nooit hadden zij daarvoor de tijd gehad. Steeds in de weer voor deze of gene strijd, voor deze of gene arbeider. Onze gesprekken kregen in die zin ook de betekenis van een balans van hun leven. Werkend aan dit boek werd mij duidelijker dat de wereld van de fabrieken eigen wetten heeft. Ik liet me meevoeren. Bob, Dirk en Jozef tekenden plattegronden van hun fabriek zodat ik wist waarover ze het hadden. Aan Katlijn vroeg ik: 'Doe alsof ik er niet ben en alsof je op je werkpost zit' en toen kwam er een Modem Times van Chaplin. Met Gilbert trok ik de haven in, schip op, schip af. Het was vooral zaak goed te luisteren. Tijdens het luisteren zocht ik naar structuren in dat werk in de fabrieken. Ik had een eigen mening over de arbeiders. Maar meerdere keren moesten de acht daar hartelijk om lachen. Leven wij niet in een computergestuurde maatschappij waar de arbeiders niet langer nodig zijn? Zijn de arbeidersbolwerken niet gesloopt? Het Amerikaanse gezaghebbende tijdschrift Dollar & Sense maakte een vergelijkende studie over hoeveel de verschillende klassen op tv, radio en in de andere media kwamen. Bleek dat de arbeidersklasse zo weinig aan bod komt dat er van censuur kan gesproken worden. Soaps worden in honderd talen geserveerd maar een staking krijgen we maar te zien als ze een regering of een regime in gevaar brengt. Maar toch, nogmaals: zijn er nog wel arbeiders? Een antwoord vinden we in het boek van Hans De Witte Op zoek naar de arbeidersklasse(7) De Witte wil een wetenschappelijk antwoord geven aan de bewering dat de arbeidersklasse niet meer bestaat, dat we met zijn allen naar één grote middenklasse geëvolueerd zijn. Tussen 1950 en 1990 evolueerde het aantal arbeiders in België van 1.429.735 naar 1.299.818, een heel kleine daling.(8) In 1996 waren er 1.238.018 arbeiders tegenover 1.301.169 in 1981 (cijfers RSZ). De totale loontrekkende bevolking (arbeiders en bedienden) steeg tussen '81 en '96 met 258.815 tot 3.196.229.(9) 20 Ook de stelling dat het aantal bedienden stijgt, verdient uitleg. Men kan moeilijk volhouden dat het onderscheid nu nog is wat het in 1900 was. Arbeiders die computergestuurd moeten produceren, doen geestelijke arbeid. En omgekeerd is de werksituatie van vele bedienden haast vergelijkbaar met die van arbeiders, een caissière in de distributie bijvoorbeeld. De lonen van veel bedienden gaan trouwens achteruit. Het onderscheid arbeider/bediende is juridisch en soms wordt aan arbeiders een bediendenstatuut gegeven om hen van staken af te houden. Dat er fabrieken sluiten betekent niet dat de arbeidersklasse verdwijnt. Het is een kenmerk van de markteconomie dat zij de arbeidersbevolking grote schokken en veranderingen laat ondergaan. Werk en inkomen om te overleven, gevolgd door werkloosheid en tekort. Charleroi was een kleine gemeente in 1830. Nu is het een voorbeeld van ruimtelijke wanorde. Koeien grazen er tot bijna in het centrum, als je al van een stadscentrum kan spreken. Er zijn alleen concentraties arbeiderswoningen rond mijnen, glas- en staalfabrieken. Maar eens de burgerij elders grotere winsten ruikt, is ze weg en laat ze de arbeidersgemeenschap verweesd achter. Zijn de werklozen van Charleroi dan geen arbeiders? Zeer zeker wel. We zouden naar een dienstenmaatschappij evolueren, maar er zijn toch maar diensten in de mate er industrie is. Het klonk als een triomf: de computers en robotten zouden de 'dure' arbeiders uitschakelen. De vakbonden konden nog wel even worden geduld maar het kon ook 'zonder' zoals Bob over het grote Caterpillar vertelt. Fiat ging in Turijn wagens maken met een minimum aan arbeiders, met robotten. In feite komen de auto's reeds grotendeels geassembleerd in de moederfabriek van Fiat aan. Alle essentiële onderdelen worden bij onderaannemers in en rond Turijn in elkaar gestoken. Een directeur bevestigde: 'We hebben de arbeid overgebracht naar onderaannemers die vreemd zijn aan de firma. De nieuwe industriële revolutie heeft het mogelijk gemaakt de grote productie-eenheden op te delen in kleine groepen van onderaannemers.' Een Turijnse arbeider: 'Over kleinschalig werken is niets positiefs te melden als je in één van de zeventig firma's werkt die 30 tot 50 arbeiders tewerkstellen en onderdelen voor Fiat maken. We moeten 's zaterdags werken en onze werkdag kan 10 tot 12 uur duren.(10) Ook de geschiedenis kiest Ik trok naar de streken waar de acht wonen en werken (of werkten), praatte met arbeiders die hen kennen en bleef er een tijdje. Daar, in Luik, Charleroi, 21 Menen, Antwerpen, de Borinage, Verviers of Spa, werd voor mij duidelijk dat er ook wat geschiedenis van de arbeidersstrijd in dit boek moest. Ik besloot enig zoekwerk te doen. Het moet maar eens gedaan zijn dat jongeren Julien Lahaut niet kennen omdat grote arbeidersleiders worden doodgezwegen. Want ondanks dat doodzwijgen zit geschiedenis toch in het geheugen van de mensen. Zo zegt men in de Borinage over een arbeider die zich installeert met goederen die hij 'ergens' goedkoop heeft kunnen krijgen: 'Hij heeft zijn huis ingericht met materiaal van de plundering van de mijn van de Gorge.'(zie geschiedenisoverzicht) De roots van de arbeidersbeweging worden via menselijke tam-tam en overlevering doorgegeven. Jozef vertelde mij over een oude arbeider in Hanrez die alles wist over de sociale geschiedenis, te beginnen bij de opstanden van 1886.' En Cathy: 'Velen zeggen dat de wieg van de marxisten in Verviers staat.' Toen ik een getuige van de moord op Pot en Grijp hoorde, toen ik bij het graf van de vermoorde Julien Lahaut stond en op de Citadelle van Luik de bloemen zag op de begraafplaats van de gefusilleerde verzetslieden, wist ik dat er in dit boek tenminste een schets van de arbeidersstrijd moest. Dat werd het stuk 'Vive Lahaut!' Bij het IHOES (Institut d'histoire ouvrière, économique et sociale) dat bijna zonder middelen werkt en een ruimte kreeg in het oude gemeentehuis van Seraing(11), vind je 25.000 boeken, 100.000 brochures en talloze affiches, videobanden. Veel unieke documenten van arbeidersmilitanten. Michel Hannotte, bezieler van het instituut wil de geschiedenis van de arbeidersstrijd bewaren zonder enige vervorming, zo volledig mogelijk. 'Het IHOES verwerpt de geschiedenisvervalsing die de gewone man wil doen geloven dat hij de maatschappij waarin hij leeft, niet kan veranderen.' Ik ging er buiten met een fier gevoel, met opgeladen batterijen zelfs. Ook op andere plaatsen vond ik materiaal: bij vrienden en kennissen van de acht, in bibliotheken, bij La Fonderie te Molenbeek, het ABVV van Verviers. Ik ondervond dat de geschiedenis van de arbeidersstrijd beschrijven ook een kwestie van kant kiezen is. Een voorbeeld. Eind 1994 werd door de SP en het ABVV de vijftigste verjaardag van de Sociale Zekerheid gevierd. De sociale zekerheid is er gekomen dankzij 'grote mannen' zoals Achilles Van Acker, zegden ze. Een paar prikken tegen deze stelling. Over de sociale zekerheid die na de Eerste Wereldoorlog is ingevoerd en waarmee de BWP pronkt, zegt de BWP'er Demblon: 'Ik ben voor de Russische revolutie, die een burcht vormt voor de arbeidersklasse van de hele wereld. Zonder deze burcht, zonder deze 22 revolutie, zou de burgerij geen toegevingen rond de sociale zekerheid aan de BWP gedaan hebben. Een sociale zekerheid die de burgerij uit panische schrik voor het bolsjewisme in ons land naar de arbeiders gegooid heeft zoals men een vette kluif naar een gevaarlijke hond gooit.(12) In 1983 maakte de nog jonge Dehaene, als toenmalig minister van Sociale Zaken, een studie over de sociale zekerheid. Hij stelde dat de sociale zekerheid geen statisch maar een dynamisch gegeven is, voortdurend in beweging en mee-deinend op de golven van de sociaal-economische krachtsverhoudingen. Dehaene: 'Bij ons werd na 1944 de sociale zekerheid aangepast aan de hand van het opmerkelijke rapport van Beveridge. Die legt de klemtoon op de solidariteit terwijl België tot dan toe meer het verzekeringssysteem van Bismarck toepaste, een verzekeringssysteem dat de band met arbeid legt.'(13) Met andere woorden: in België was er in '44 een revolutionair klimaat en dan moet je veel meer toegeven dan anders. Bekaert, de leidinggevende patroon, die collaboreerde met de Duitsers en besefte hoe revolutionair het klimaat tegen het einde van de oorlog geworden was, alarmeerde de regering in Londen: 'De maatschappij moet nu grondig veranderen, de levensomstandigheden van de arbeiders en de bedienden moeten drastisch verbeteren. Niet alleen moeten de lonen naar omhoog, er moet ook een volwaardige sociale zekerheid uitgebouwd worden.(14) Met andere woorden: geef de arbeiders wat ze eisen, behalve de macht, anders overleven we deze periode niet. Opnieuw 'arbeiders-studenten één front' Er wordt nogal eens gezegd dat de slogan 'arbeiders-studenten één front' een slogan van '68 is. Dat iedereen toen progressieve en linkse ideeën had, dat het 'bon ton' was om links te zijn. Vandaag gaat het er aan de universiteiten inderdaad anders aan toe. Studeren kost meer, er zijn de ingangsexamens en andere maatregelen om de toegang af te remmen. In Wallonië is het nog erger dan in Vlaanderen. Door de wet Lebrun moetje de eerste twee jaar unief in maximum drie jaar doen. Al die zaken hebben de onderlinge concurrentie doen toenemen. Werden vroeger driftig nota's overgeschreven, nu worden die slechts aarzelend doorgegeven. De groep studenten hangt niet meer aaneen. Kan er dan nog ooit een nieuw mei '68 komen? Wie denkt dat Leuven altijd links was, heeft het verkeerd voor. De Leuvenaar Louis Van Brussel, partizanenleider tijdens de Tweede Wereldoorlog, schrijft over de sfeer aan de Leuvense universiteit in 1950, ten tijde van de grote stakingen voor de Koningskwestie. Van Brussel schrijft: 'Te Leuven, dat tijdens deze staking 23 di ie volle weken in staat van beleg verkeert, komt het tot zware botsingen tussen socialistische en communistische arbeiders aan de ene kant en Leopoldistische studenten anderzijds. De arbeiders slaan de aanvallen van de honderden studenten meermaals af en zuiveren op een bepaald ogenblik het ganse stadscentrum van een twintigvoudige overmacht. Ze worden door de vroegere partizanen aangevoerd.(15) In 1965 schrijft hij: 'Het begin van een nieuw tijdperk in de geschiedenis van de kul is nu ingeluid. Van bakermat van profascistische en reactionaire kringen groeit de kul nu langzaam maar zeker uit tot het middelpunt van de progressieve ideeënvorming onder de intellectuele jeugd.'(16) Op een paar jaar kan er veel veranderen. Mei '68 is er gekomen niettegenstaande de rechtse krachten. Studentenrevoltes zijn altijd mogelijk. Het kan eender welk jaar in eender welk land gebeuren: intellectuelen gingen aan de kant van de arbeiders leven zolang het kapitalisme bestaat. Welke kant te kiezen is ook een vraag voor de student van vandaag. Misschien wordt het een keuze in de richting van de acht. De voorbije jaren beleefden wij een schuchtere toenadering tussen studenten en arbeiders. In '95 en '96 staakten de studenten tegen ondemocratische hervormingen in het onderwijs. De voorzitter van de fef (Fédération des Etudiants Francophones), Fabrizio Bucella, werd in de kranten aangevallen omdat hij wees op de band tussen de economische belangen van de burgerij en de besparingen in het onderwijs en omdat hij stelde dat er geen democratisch onderwijs was aangezien slechts kinderen van welstellenden hogere studies kunnen doen. Dat kwam gevaarlijk dicht bij een front van studenten en arbeiders. Op hun betogingen kwamen de studenten arbeiders tegen die hen kwamen steunen: die van Caterpillar Gosselies, Forges de Clabecq... Enkele maanden later konden de arbeiders van Clabecq... rekenen op de solidariteit van studenten. Honderden studenten volgden de oproep van de fef voor deelname aan de grote mars in Tubeke. Honderd jongeren brachten op initiatief van Jongeren-Aan-Bod het weekend van 1 en 2 februari 1997 in Tubeke door en deden er op grote schaal enquêtes in de arbeiderswijken. Toen Renault aankondigde te gaan sluiten ging de KAJ naar Vilvoorde haar solidariteit betonen. Zowel voor Clabecq als voor Renault gingen er aan bijna alle uniefs solidariteitsmeetings door. En een tiental studenten van MLB, de studentenorganisatie van de PVDA, legden enkele maanden hun boeken opzij om de stakingen te gaan ondersteunen. Men had hen gezegd dat het leven van de arbeiders rooskleurig was, dat alles nu mooi verdeeld is: zij met verstand zitten aan de unief en zij die goed zijn met de handen in de fabrieken. Zo was het nu eenmaal en zo was het goed. Niet iedereen kan 24 bij de 'elite' zijn. Neen, maar je kan wel met zijn allen gelijk zijn. Wat is er tegen jongeren die polyvalente arbeider-intellectueel zijn, die zowel algemeen als technisch gevormd zijn? Simon Schoovaert, de zoon van Dani - Vaya Con Dios - Klein in Humo: 'Ik ben blij dat ik van Schaarbeek ben, hier word je tenminste met je neus op de feiten gedrukt. Hier moet je bewust worden. Als ik studenten op Sint-Verhagen met hun witte lange jassen en petjes eieren zie gooien, denk ik dat die zich niet realiseren dat er mensen zijn die maanden sparen om een nieuw trainingspak te kopen, daar dolblij mee rondlopen tot er een paar van die idioten er eieren op smijten. Ik kan daar niet tegen. Ik loop in mijn buurt rond en zie hoe de politie mijn vrienden behandelt, en als ik bij hen ben, behandelen ze mij ook zo. En dan die razzia's naar dealers. Het is een erg moeilijke kwestie. Als ik een paar honderd meter verder geboren was en uit een minder ontwikkeld en open nest kwam zou ik misschien ook dealer zijn. De keuze is werkloos zijn of binnen de maand met een auto kunnen rijden. Je moet hier echt heel veel kracht, charisma en geluk hebben om niet in het circuit terecht te komen. Ik zou het heel goed vinden moesten de migranten in opstand komen, er zou tenminste over hen gesproken worden.' Als de journalist hem confronteert met de vraag 'wat zegt je het woord "puur"?' antwoordt hij: 'Puur? Bah! wat een walgelijk woord. Onrecht en romantisch, dat zijn echte woorden, puur bestaat niet, zelfs het water is niet meer puur. Puur, daar zit geen kracht in, geen bloed, geen geweld. Authentiek dat moetje zijn.' Gelijk heeft hij. Han Soete, van opleiding industrieel ontwerper, ging na zijn studies een tijd in de fabriek werken. Eerst deed hij interims aan de haven, daarna kwam hij als vaste arbeider bij Lemmerz terecht, waar wielen voor wagens gegoten worden. Er werken een duizendtal arbeiders. Veel migranten. 'Ik had Jan Cap leren kennen en als die over de burgerij begon dan verstond ik de haat niet die daaruit sprak. Toen ik begon te werken vroeg de ploegbaas mijn nummer, niet mijn naam. Heel mijn leven was ik Han geweest en waren er mensen geïnteresseerd geweest in wat ik dacht, in mijn studies en later in mijn ontwerpen. Van Han bleven twee handen over, gegevens over mijn snelheid, gegevens over mijn opstandigheid. De immense machines, de hitte; het leek of die machines vuur spuwden. Ik was veertien dagen totaal gedesoriënteerd. Wielen gieten is zwaar werk wegens de warmte, het gevaar, de snelheid. Er gebeuren veel ongevallen. Wij maakten zo'n vier a vijf wielen per uur en die worden aan 50 a 60.000 frank per vier verkocht. De arbeider krijgt honderd frank. Hoe hij er na tien jaar aan toe is? Kapot. 25 Het is volgens mij niet mogelijk om je pensioen daar gezond te halen. Er waren daar toestanden a la Daens. Wij moesten over onze grenzen gaan om te kunnen volhouden. Er waren er die moesten overgeven, anderen vermagerden, sommigen vielen flauw. Na veertien dagen was ik zoals die arbeiders: ik plofte thuis neer, ik kon niet meer. Ik kreeg ook die haat tegenover dit systeem. Nu weet ik waarover Cap het heeft. Ik leerde ook hoe inventief mijn makkers waren in het saboteren van de productie om de uitputting af en toe te verlichten.' Clo Cornelissen, studente geneeskunde te Leuven, altijd goedgeluimd, was maanden actief aan de Forges de Clabecq. 'Ik dacht dat arbeiders 's avonds thuiskomen en naar Tien om te zien keken. Ik wist wel dat er van hen geprofiteerd werd maar dacht dat anderen voor die arbeiders zouden moeten vechten. Mijn verblijf aan Clabecq heeft mijn leven veranderd. Ik wist niet dat ze zo erg uitgebuit worden en zeker niet hoe strijdbaar ze zijn. Ik heb woonsten gezien die ik niet voor mogelijk achtte in een Westers land. Onbetaalbaar om dat te verwarmen en daar dan nog buitengezet worden. Ik heb vrouwen leren kennen die zegden: "Ik zal de sluiting wel overleven maar mijn kinderen... Mijn dochter was begonnen met verpleegstersstudies. Zij is nu moeten stoppen en werkt aan de band." Een andere vrouw had met de dood in het hart haar zoontje zijn voetbalkamp moeten weigeren. Ik heb jongeren en vrouwen gezien met evenveel capaciteiten als ik maar die een wereld verwijderd zijn van de unief. Ik moest voortdurend denken hoe alles mij in de schoot geworpen was tot nu toe. Ook wat betreft strijdbaarheid heb ik dingen gezien die mijn leven hebben veranderd. Een vrouwencomité oprichten is niet evident. In maart '97 konden we toch 2.000 vrouwen en kinderen op de been brengen voor een optocht voor werk. Na drie maanden leidden ze dat comité zelf. Eenmaal actief, namen de vrouwen het werk zelf over. Ik was er niet meer nodig. Dat leerde me collectief denken: ik was een deel van hen. Een intellectueel is eerder geneigd om zichzelf heel bekwaam te vinden. Ik ben geschrokken van hun inzichten. Voor deze mannen en vrouwen is het duidelijk dat zij arm zijn niettegenstaande tientallen jaren werken en dat alleen de patroons en de banken rijker geworden zijn. Ze weten dat de patroons en banken dieven zijn en noemen hen ook zo. Wat me nog het meest opviel is de kameraadschap en de solidariteit voor alle arbeiders die onder de dreigende sluiting te lijden hadden. Maar ook de vriendschap die mij te beurt is gevallen. Ik heb een echte band met die vrouwen en de arbeiders. Ik was tegen onrecht, maar nu ben ik kwaad geworden samen met de families van Clabecq. Ik was erbij met de bulldozers, ik weet hoe daarover gelogen is, ken de waarheid 26 Als ze nu zeggen: "Clo, is dat niet wat radicaal, de rijken doen betalen", dan zeg ik: en de armen doen betalen, is dat niet radicaal?' Bob is 21. Tot voor enkele maanden studeerde hij voor verpleger. Hij wilde al altijd met mensen werken en een sociaal beroep uitoefenen. Maar die studies verpleegkunde waren een ontnuchtering: 'We moesten de mensen klanten noemen in plaats van patiënten. Ziekenhuizen zijn bedrijven geworden. De mensen worden technisch behandeld, tijd om met hen te praten is er niet, dat brengt niets op. Regelmatig overtrad ik de regels en zat ik te praten met menen die het niet zagen zitten. Eens zei een wanhopige vrouw mij wenend: "Jij ent de eerste die tijd heeft genomen om naar mij te luisteren." Ik dacht ook iat protest tegen deze vorm van verpleging zou helpen. Maar ik besefte dat ik tiet mijn hoofd tegen de muur liep. Ik moest een andere manier vinden om roor de gewone mens te werken. Ik heb studies geschiedenis overwogen, heb een cursus informatica gevolgd. Mijn leven veranderde toen ik betrokken werd in een belangrijke arbeidersstrijd. Er ging een wereld voor mij open. Ik begon na te denken over wat ik ging doen met mijn leven. De arbeiderswereld stond me aan. Mijn weg werd duidelijker: ik zou een technische opleiding volgen om in een fabriek binnen te geraken. Ik werk nu in een grote fabriek. Met mijn vrienden heb ik veel discussies over de stap die ik gezet heb. Sommigen verstaan niet dat ik dat zware werk wil doen maar ze verstaan wel dat ik aan de kant van de arbeiders wil staan. Ik stel me wel de vraag of ik dit mijn hele leven kan doen. Ik zal er zeker niet ongeschonden uitkomen. Langs de andere kant zijn de arbeiders ook ziek van het fabriekswerk. De schiften zijn moeilijk. Mijn leven is overhoop gegooid. Als je niet echt plant dan doe je buiten het werk niets, zo zwaar is het. Ik vind dat er veel respect is voor mekaar onder de arbeiders. Ik heb geleerd in een ploeg te werken, niet gemakkelijk en voor een intellectueel al helemaal niet evident. Als ik een fout maak dan zit de volgende arbeider in het productieproces met de gebakken peren. Het valt me op hoeveel de patroons van de arbeiders durven eisen. Nu eens moeten we in het weekend werken, dan weer zijn we technisch werkloos en we weten dat pas de dag voordien. Dat is voor niemand een leven. Een degelijk contract waarbij men weet wanneer men vast thuis is en vast werkt, bestaat minder en minder. De opleiding van jongeren is schandalig kort, daar komen natuurlijk ongevallen van. We hebben veel discussies in de fabriek. Je moet de arbeiders niet voor dommeriken verslijten, velen nemen de krant mee voor de pauze en daar wordt over gepraat. Niet direct over de beurs maar over Sémira is er veel gepraat. Sommigen vroegen zich al: 'Is dit nog België?' maar ook: 'Waar moeten we met al die asielzoekers blijven?' Arbeiders veranderen snel van gedacht maar ik kan nog niet op een 27 voordelige manier met hen discussiëren. Ik spreek waarschijnlijk te veel, overdonder de mensen nog. Het is een kunst om met arbeiders te werken en ik moet me die kunst nog eigen maken. Ik vind dat het geen kwaad zou kunnen als veel jongeren eens voor een tijdje in de fabriek zouden gaan werken, het zou ook goed zijn voor intellectuelen die bijvoorbeeld in de vakbond gaan werken. Die ongelooflijk brute uitbuiting, de antwoorden van de arbeiders daarop, de klassenreflex: dat moet je meemaken. In de fabriek werken: het is erg ingrijpend. Mijn idee over de maatschappij is gefundeerder geworden. Ik weet hoeveel arbeiders verdienen en welke winsten er gemaakt worden op de productie. Een klassenmaatschappij is het. De arbeiders hebben gelijk als ze zeggen dat ze werken om een minderheid rijk te maken, zelf niets overhouden en dan nog niet eens zeker zijn van werk.' Ook kunstenaars vinden opnieuw de weg naar de werkers. In de vs ziet men dat zangers kant kiezen en zich openlijk uitspreken voor de arbeidersstrijd. Zo brengt Bruce 'The boss' Springsteen The ghost of Torn Joad uit. Torn Joad is de held uit het boek De druiven der gramschap van Steinbeck over de seizoenarbeiders vorige eeuw. De cd staat vol liedjes van strijd en overleven van de arbeiders en de illegale migranten uit Mexico. Springsteen wilde niet langer in grote zalen spelen maar voor een klein publiek dat naar zijn teksten luisterde. Springsteen stelt dat de arbeidersbeweging nu op zoek is naar nieuwe leiders als Torn Joad. En bij ons? Het project van het Théatre équipe is historisch. Ze brengen het stuk De heilige Johanna van de slachthuizen van Bertolt Brecht. Het ging in première in de Borinage. Ze maakten een unieke krant die in de streek verspreid werd met getuigenissen over leven en strijd. Regisseur Laurent Watson en de acteurs trokken naar fabrieken, wijken en doplokalen. Ze dachten slechte reacties te krijgen, misschien zelfs racistische opmerkingen. Maar die kwamen er niet. De mensen waren enthousiast over dit theaterstuk dat met hun strijd en lot te maken had. De enige schok voor de acteurs was dat er iemand aarzelde de krant aan te nemen omdat hij niet kon lezen. Actrice Anne Marie Loop: 'Vroeger stond er een muur tussen mezelf en de arbeiders, tussen mijn werk als actrice en de realiteit. De vraag waar het om draait is: 'Wie dienen?' Ik besef dat ik niet buiten de strijd kan blijven. Dus zal ik op het podium spreken in naam van degenen die ik ontmoet heb in de Borinage. Ik weet nu dat ik in dienst van de werkers wil werken. Als ik in scholen optreed is er in elke klas wel iemand met een familielid dat gestorven is in de mijnen. Dan zing ik het lied over stoflong dat Laurent Watson voor een ander stuk geschreven heeft. Plots wordt het theater dan iets van hun geschiedenis, van hun leven. Dan voelen ze zich niet langer te min om naar theater te gaan.' De geest van 28 Joris Ivens is terug(17). Kunstenaars volgen de vergaderingen van de Beweging voor Vakbondsvernieuwing. Oktober 1998 Noten - Inhoud - de fabriek 1. Programma over Jacques Brei, La vie a mille temps, door Arte et la sept, 1993. 2. Documents pour les orateurs (Pour Ie rapportage sur Ie congres d'unité des travailleurs du charbon européens), Sarrebruck, 16-18 april 1932, p.6 en 7. 3. Stan Vanhulle en Tony Van Gorp, Na Renault is niemand nog veilig, EPO, 1997. Citaat uit de speech van Tony Van Gorp naar aanleiding van de voorstelling van dit boek. 4. Flashinfo, maandelijks bulletin rva, april 1998; studie van de oeso over de werkloosheid in België en Luxemburg van 1996. 5. Amiri Baraka, The Black Nation, 1993. 6. La grè ve d'Ougrée-Marihaye. Comment on noyaute une organisation? Comment onpousse auxabimés?, 5 mei-1 december 1921.7. Hans De Witte, Op zoek naar de arbeidersklasse, Hoger Instituut Voor de Arbeid van de Katholieke Universiteit Leuven, acco, 1994. 8. Idem,p.21. 9. Hotpoint van het Steunpunt Werkgelegenheid, Arbeid en Vorming (hiva) geeft de cijfers tot en met 1996. 10. Swasti Mitter, Common Fate Common Bond, Pluto Press, 1986, p.112. 11. IHOES, Avenue Montesquieu 3, Seraing (tel.: 04/3308428). 12. Célestin Demblon, 'Le dernier appel de Célestin Demblom' in La Vague de Jupill, 'Profesion de foi' zitting van 2 december 1923. 13. Jean-Luc Dehaene, Voorstellen van de Minister van Sociale Zaken tot hervorming van de sociale zekerheid, Ministerie van Sociale Zaken en Institutionele Hervormingen, 1983. 14. Robert Vandeputte, Leon-A. Bekaert. Een groot man, een goed mens, Lannoo, 1979, p.109-113. 15. Louis Van Brussel, Partizanen in Vlaanderen, Stichting Frans Masereel, 1971,p.242. 16. Idem,p.245. 17. Het levensverhaal van de cineast Joris Ivens wordt verteld in Robert Destanque, Joris Ivens. De geschiedenis van een leven. Aan welke kant en in welk heelal, Meulenhoff, 1983. 29 Bob - Inhoud - de fabriek
Bob Roeck (tweede van links) tijdens een betoging tegen de afdankingen en sluitingen van de staalfabrieken in Wallonië, Brussel '82. (Foto: P.G.)
Bob (met megafoon), FGTB-delegee tijdens een betoging tegen de sluiting van Renault. Links vooraan, Antonio Cocciolo, hoofddelegee van fgtb bij Caterpillar. (Foto: P.G.) Bob Roeck, een vriend uit Gent die verkoos in de fabriek te gaan werken, al was hij ontwikkelingspsycholoog. Sinds hij in '75 naar Charleroi verhuisde, zie ik hem minder, maar met de regelmaat van een klok zijn er stakingen in de fabriek waar hij sinds jaar en dag vakbondsdelegee is: Caterpillar te Gosselies, de grootste graafwerktuigenbouwer van de wereld. In Gent was hij bij de actieve kern vanaf het eerste studentenprotest. Hij richtte mee GSB op (Gentse Studentenbeweging) en was een van 'dé tien' die in de winter vóór de maartbeweging onder leiding van Ludo Martens Het Kapitaal van Marx bestudeerden. Resultaat was het erg belangrijke themanummer van de Cahiers voor politieke vorming: 'Arbeidersenquêtes-sociale enquêtes'. Mocht je er een ongetwijfeld beduimeld exemplaar van ontdekken, weet dan dat het om een kleinood gaat en mocht je bovendien van plan zijn je onder arbeiders te begeven, probeer het dan vast te krijgen. Het is een leidraad en marxistisch houvast bij ons sociaal engagement voor de arbeiders. Ook in de maartbeweging was Bob bij de actieve kern, al sprak hij liever niet vooraan. Een faculteit gaan buitenhalen zag hij wel zitten, en ook naar Turijn en Parijs rijden in zijn gele mini om te bestuderen welke richting ze daar uitgingen. Zijn vrienden van toen waren de kleurrijke figuren van de maartbeweging en het beginnende AMADA. Guido Van Meir, alias 'Cornelius Bracke' van 'het wordt te veel voor Corneel'. Humojournalist sinds 1971. Vessa, een Fin die in Gent studeerde en marxist werd. Sam, die uit On the wad van Jack Kerouac leek weggelopen, maar marxist was en drukker van de 'beweging' en Sus die een Gents sprak dat doorspekt was met uitdrukkingen uit fabrieken. Ook hij leek eerder een adept van Allen Ginsberg maar was een marxist. Sommigen begonnen als provo maar werden daarna lid van de revolutionaire beweging. Na enkele jaren gingen ze een andere weg op maar ze bleven geïnteresseerd naar Bob opkijken. Elk jaar zien ze mekaar minstens één keer. Na de mijnwerkersstaking van '70 maakte Bob zijn thesis over de Turkse migranten in Gent. Bob en zijn gele mini. Op allebei kon je rekenen. Hij bracht je op alle onmogelijke uren naar de ploegenwisseling van een grote Gentse fabriek. Over alles wilde hij het fijne weten. Niets ontging hem. Details die niemand zag, sloeg hij op en onthield hij voor ons allen. Nu ben ik het die het fijne wil weten over zijn leven. Met zijn minzaam karakter en begenadigd verteltalent kan dat geen probleem zijn. Bovendien weet ik dat hij desnoods met oeverloos geduld mijn vele vragen zal beantwoorden. 31 Achteraf beschouwd heb ik dat geduld van hem méér dan eens op de proef moeten stellen. Wanneer ik Bob vraag of ik zijn leven mag optekenen, stuurt hij als antwoord een grote hoeveelheid bruikbaar materiaal op diskettes. Typisch: geen woorden maar daden, en wel dadelijk! In '94 begin ik hem te interviewen. Ik ben buitenstaander en 't is voor de eerste keer dat hij over meer dan vijfentwintig jaar werken in de fabriek en goed achttien jaar leven in een multinational vol strijdbare arbeiders vertelt. Hij is veranderd en niet veranderd. Zijn handen hebben even vaak een laspost als een vulpen en computerklavier gehanteerd, zoveel is zeker. Bulderen van 't lachen en kleurrijke anekdotes; het is er nog steeds. Na interviews en veel dagboekmateriaal wil ik een tijdje naar Charleroi. Bob bezig zien en met arbeiders spreken over die psycholoog in de fabriek. April '95 is het goede moment. Een staking voor arbeidsduurverkorting en loonsverhoging is een krachtproef rond het stakingsrecht geworden. Bij Bob is er altijd plaats voor een vriend. Hij toont me in zeven haasten zijn huis- en keukenraad met de duidelijke boodschap: 'mia casa es tua casa'. Daarna verdwijnt hij richting stakingspiket. Zelfgemaakte wijn staat in grote damejeannes op de kasten te rijpen. Tijdens mijn verblijf in Charleroi kom ik vaak armoede tegen. Fontaine-l'Evêque, eens een bruisend industriegebied, ligt er doods bij. De mijnen zijn dan wel gesloten, de glasovens en veel staalovens gedoofd en meer dan 25% van de actieve bevolking werkloos, het vuur van de strijdbaarheid hebben ze in dit gebied niet kunnen doven. We springen binnen bij een delegee van Caterpillar. We worden onthaald op koffie en koekjes. We komen nog wat meer te weten over de toestand in de streek. De vrouw vertelt dat er geen vrouwenjobs meer zijn, tenzij hamburgerjobs. Ook moeder doet haar verhaal, 't Is een familie van migranten. De vader kwam hier alleen aan om in de mijn te werken. Nu is hij ziek en woont alleen in zijn geboorteland. Het klimaat is daar beter. In de tuin van het prachtig verbouwde mijnwerkershuisje ligt de Roton: de Waalse mijn die als laatste dichtging in 1984. De familie kijkt recht op wat eens de barakken waren waarin vader leefde. De woede die ze daarbij voelen kunnen ze moeilijk verwoorden. Maar zeker is dat het onrecht dat zijn vader werd aangedaan voor deze delegee een van de drijfveren is om de arbeidersstrijd mee te leiden. Hij leest revolutionaire poëzie en marxistische werken. Hij is een vrij man. In de huisgezinnen van zijn naaste vrienden staat de deur open voor Bob, als voor familie. Maar meestal ziet hij ze in de fabriek, of op vergaderingen en tijdens stakingen. 32 Een paar dagen later: Bob is blijkbaar thuis na de nachtploeg, 't Is nog geen middag of hij is al aan het rondlopen. Hij komt me een tekst geven en verdwijnt dan opnieuw richting bedstede. Half uur later: zelfde scenario. Heeft nog nota's gevonden die uniek zijn over arbeiders uit Eeklo. Terug richting bed. Als ik een boterham ga zoeken, is hij ook weer in de keuken. Wanneer slaapt hij? Straks moet hij een ganse nacht werken. Dat kan toch niet? Dit is dus de realiteit achter de zin: 'sinds tien jaar kan ik niet meer slapen overdag.' Woensdag 26 april 5 uur: ik ga naar 't piket van Caterpillar. Heb er met Bob afgesproken die uit de nachtploeg verschijnt. Er begint een 48-urenstaking en na het piket kan ik enkele delegees en arbeiders spreken over Bobs werk in de fabriek. De straat naar Caterpillar ziet zwart van 't volk. De stemming zit erin. Iedereen geeft mekaar de hand. 'Wie bij Bob hoort is goed volk' zie ik de arbeiders denken, en ik word opgenomen in het piket. Later komen de speechen van ACV'er Giovanni Imperato en ABVV'er Antonio Cocciolo. Hier geen dom gekibbel tussen ABVV en ACV. Men weet dat men moet samenwerken. De mensen houden van hoofddelegee Cocciolo en zijn fier dat hij met zoveel voorkeurstemmen gekozen is. Een arbeider toont een zilveren medaille waarop Lenin is afgebeeld. 'Heb ik altijd op zak.' Zijn geluksbrenger. Ontroerd vertelt hij over zijn vader. Als de ABVV-delegees niet langer nodig zijn aan het piket gaan we naar de kantine. Het is er een lawaai vanjewelste, iedereen brult door en naar elkaar. Voor hen is het normaal. In de fabriek is het lawaai van de machines enorm en er wordt altijd geroepen, ook zijn er veel mannen van Cat doof. Hoe kan ik hier een interview afnemen? Maar het moment voor 't gesprek is goed, de omstandigheden zijn in een strijd altijd wat ze zijn. Ik roep mijn vragen, maar het gesprek is dadelijk vertrokken, ze hebben hier al vaak over nagedacht, en de bandopnemer... hij doet het prima. Een delegee: 'Ik ken Bob ongeveer 15 jaar. Hij heeft me bewust gemaakt van het belang van de syndicale strijd. Mijn eerste contacten met Bob vond ik dadelijk erg interessant. Wij arbeiders hebben een technische opleiding, daar zijn we goed in, maar wij hebben niet de mogelijkheid om economische zaken te bestuderen. Bob bestudeert de bilans van deze multinational, maakt een politieke en economische analyse. Dat is echt zijn specialiteit, en hij is er heel goed in. Op gebied van het terreinwerk staan wij dan weer dichter bij de mensen: iedereen hier is samen opgegroeid en naar school geweest. Wij kennen de gevoeligheden van de arbeiders; we kennen hen zoals onze broekzak. Er zijn zaken die je niet in de fabriek vindt, die zich erbuiten afspelen en die je moet weten. Zonder reflexie over het geheel kun je niet verstaan wat er met de arbeiders gebeurt. Als je alleen de fabriekseisen 33 ziet loop je op een muur. Er zijn zoveel invloeden van buitenaf, de markten zijn internationaal. Als marxistische intellectueel moet je in de fabrieken zijn. Je moet arbeiders gewoon maken om over een aantal zaken te praten. Hen uit de sleur van het dagelijkse arbeidersleven rukken. Bij ons is er een symbiose gekomen van marxistische intellectuelen in de fabriek en arbeiders met een zeer goede kennis van het terrein. De een kan hier niet zonder de ander. Binnen de syndicale delegatie moet de intellectueel verstandig optreden. Hij mag niet beleren of pretentieus zijn; hij moet aanbrengen. Hij moet de andere doen aanvaarden dat hij nog veel te leren heeft. Bob kan dat. We beoordelen de marxistische intellectuelen streng, maar is dat niet het eerlijkste?' Een tweede delegee: 'Als ik sta waar ik nu sta, komt dat door Bob. Hij heeft mij overtuigd verantwoordelijkheid in de strijd op te nemen. Ik vraag me echt af hoe de delegatie hier zou zijn zonder hem. Ik kom uit een links gezin, ik had al eens een werkonderbreking geleid. Eerst heeft hij me syndicaal geïnteresseerd en meegenomen naar Melreux (vormingsinstituut van de metaalcentrale van het ABVV). Stelde ik daar syndicale en politieke vragen bij, kwamen de antwoorden van hem. Op een bepaald moment kan een vakbond niet overleven, of het nu in een grote of kleine fabriek is, zonder mensen die economische, politieke en internationale kwesties aanbrengen. De pamfletten hebben meer syndicale en politieke inhoud gekregen door zijn inbreng.' Ik kijk naar Bob die tijdens het interview met stakers praat. Zou hij weten hoe ze over hem denken? Als hij het uitgeschreven interview later leest vraag ik dat. 'Neen, dat wist ik helemaal niet.' Hij zegt er verder niets over, maar ik weet dat het hem gelukkig maakt. Mannen onder elkaar zeker? Bob Ik ben geboren te Antwerpen op 31 maart 1946. Mijn ouders waren verplegers bij de diensten van het ocmw. Mijn grootvader was een kopergieter. Zijn zussen werkten in de Gentse textiel en waren suffragettes. Ik kende al wat van de arbeidersstrijd door mijn ouders, 's Zondags gingen we zoals alle Antwerpenaars naar de boten op de Schelde kijken. Toen werkten de dokwerkers nog op de kaaien, tussen de stad en het water. Als kleine jongen zag ik daar ten tijde van de Koningskwestie een groep dokwerkers met een lap stof en een pop die koning Leopold III voorstelde, de stad doorkruisen. Ze gooiden 'onze' koning hoog de lucht in. De ene keer vingen ze de pop op, dan weer lieten ze hem op de straat vallen. De mensen 34 applaudiseerden. Het fascineerde me. Tijdens de Schoolkwestie betoogden we met de turnkring. Avondbetogingen door Wilrijk, alles wat rood was, liet zich zien. Eén mei betogingen. Ik herinner me dat ter hoogte van het huidige Tropische Instituut een man vanuit zijn venster roet op de betogers gooide. Er werd geroepen 'een zwartzak': vier man erop af, er kwam geen roet meer naar beneden. Van '60-'61 zijn de beelden van omgekeerde spoorwegwagons in Wallonië me bijgebleven. Staking van onze leraars, de trams reden niet, en overal grote hopen huisvuil. Er wordt gezegd dat de jaren '50 en '60 'kalme jaren' waren, dat is niet wat ik als kind zag. Ik ging naar een vrijzinnige lagere school. Na de school en op woensdagnamiddagen was er een arbeidersvrouw die ons, een hele bende kinderen waarvan beide ouders gingen werken, bijhield. Ik denk dat ze bij de communisten was. Ze vertelde veel over het verzet in Antwerpen. In '58 begon ik mijn humaniora in het Atheneum van Berchem, een degelijke school van het rijksonderwijs. De Latijn-Griekse. Ik heb altijd veel gelezen. In '65 stapten we met verschillenden van de klas mee in de anti-atoommars. Er waren 50.000 betogers. We waren tegen het racisme: in de Verenigde Staten en hier. In het laatste jaar was er zoals gewoonlijk in de school een afscheidsfeest van de laatstejaarsstudenten. Onze klas koos het thema van 'de verschillende soorten revoluties'. De Cubaanse, de Congolese, de Russische. Dat was de geest van de tijd. Een kritische klas. We zouden naar de universiteit gaan, hogere studies doen. De wereld lag voor ons open. Er hield maar één ding ons tegen en dat waren de voorbijgestreefde ideeën. De naoorlogse generatie stapte de wereld binnen! Er was nog geen universiteit in Antwerpen, Leuven was katholiek, dus ging ik naar Gent vanaf het academiejaar '65-'66. Ik wilde psychologie studeren uit interesse voor de maatschappelijke fenomenen. Ook wilde ik een stukje verpleger zijn zoals mijn ouders, maar dan op universitair niveau. In Gent was het de periode van de ondergang van de regionale clubs, van de folklore; er waren nog wel zwelg- en zuippartijen maar die moesten toch stilaan plaats ruimen voor ernstigere zaken. Het was rondkijken en overal je neus insteken: wat gebeurt er hier allemaal. En lezen, veel lezen. De universiteit barstte uit haar voegen, er was een enorme boom van studenten. Voor het eerst kwamen er nogal wat arbeiderskinderen naar de universiteit. Er was de mars voor Leuven Vlaams. Ik heb meegestapt van Antwerpen tot Leuven. In de mars hoorde je zowel roepen: 'antikapitalistische structuurhervormingen' als 'Leuven Vlaams'. Ik zigzagde door de betoging om te zien wat er allemaal te koop was: studenten met petjes en speldjes, provo's, alles liep dooreen. Zo'n mars was dat. Je moest goed uitkijken met wie je meestapte. Daarna werd de 'Gentse Studentenbeweging', GSB, opgericht, ik was daarbij. Het was de zusterorganisatie van SVB in Leuven. We stonden voor democratie in het onderwijs. In psychologie en pedagogie had 'de beweging' een sterke en brede kern. Guido Van Meir was toen provo, maar evolueerde als eerste naar 'democratie' en ook als eerste naar 'antikapitalistische structuurhervormingen'. In de eerste licentie gaven we met de vvpk Sinaps uit, Guido nam veel van de artikels voor zijn rekening. Hij had een goede pen en zijn afkomst uit het Antwerpse dokwerkersmilieu was ook meegenomen. In het eerste nummer stond een waarschuwing aan het adres van de behoudsgezinde studenten en profs. 'Enkele studenten doen hun uiterste best om de klok terug te draaien. Deze mensen vertegenwoordigen alleen zichzelf. En hun carrière. Laat je niet vangen. Ook de professoren moeten zich er niet aan laten vangen. Geen illusies: "De klok wordt niet teruggezet"!' Sinaps werd onder andere uitgegeven omdat wie tussenkwam in cursussen prompt werd buitengezet. Sinaps konden ze niet buitenzetten. In het vvpk werden drie werkgroepen opgericht: één over onderwijs, één over industrie die ik leidde en één over informatie. Er waren betogingen tegen de oorlog van de vs tegen Vietnam, voor steun aan de Vietcong; tegen de fascistische coup in Griekenland; we waren op de hoogte van de Culturele Revolutie in China. Ik heb psychologie buitengehaald om mee te staken en te bezetten in maart '69. De bezetting van de Blandijn was bittere ernst. We verwierpen de cursussen van de burgerlijke maatschappij, en staken onze hoofden bij elkaar om alternatieven te bedenken en te bestuderen. Er werd ook gepoetst. Regelmatig kwam op het podium vooraan iemand tussen in de zin van: 'Dit is nu ons terrein: gaan we hier een zwijnenstal van maken of gaan we de poetsvrouwen helpen en het proper houden.' Dat was consequent. De rotzooi van een paar honderd studenten moet niet door arbeiders opgekuist worden. De maartbeweging eindigde met het besef dat we in dienst van de arbeiders zouden gaan werken. Toen de Blandijn door de rijkswacht ontruimd werd, ging het debat elders verder. Kort daarna was er een algemene textielstaking in Gent en we gingen er met tientallen studenten naartoe. Het was een massale beweging naar de fabriekspoorten. We begonnen om vijf uur 's morgens en om één uur stonden we voor de middagpost aan de poorten. De rijkswacht reed met autobussen rond om ons op te pakken en te kunnen vervoeren, combi's waren te klein. Na een tijdje konden ze niet iedereen meer blijven oppakken. En dan kwam januari 1970: de mijnstaking! In de klassenstrijd werd de band arbeiders-studenten gelegd en na een tijdje was dat een definitieve keuze. Mijn eerste piket was de mijn van Waterschei. De rijkswacht wilde 36 dat piket uiteenjagen en kwam dichterbij met een combi. Plots kwam daar een Turkse vrouw, ze gooide een gigantische steen op die camionette met de historische woorden: 'niet betalen, niet werken!' Die camionette stond stil. Een paar dagen later werd ik opgepakt en ik hing de 'held' uit. Ik wilde echt laten zien dat ik niet bang was. Ze behandelden iedereen brutaal en ze dachten me te kunnen pesten door afmattende push-ups. Maar ik was turner geweest en daagde de rijkswachters uit van 'moeten er nog tien push-ups bij misschien?' Natuurlijk moest ik daar overnachten. Maar ik was apetrots. Die nacht in mijn stinkende deken, droomde ik dat ik een grote puist had en dat die openbrak. Eens wakker dacht ik: alle burgerlijke etter is eruit gelopen. Ik sliep als een tevreden man terug in. Toch had die aanpak van de rijkswacht me meer gedaan dan ik dacht. Ik had geen zin om onmiddellijk terug naar het piket te gaan. Precies de bedoeling van zulke repressie natuurlijk. De Isabellastraat in Hasselt was het veel te kleine zenuwcentrum van de studenten die in de mijnstaking actief waren. We sliepen er met een massa volk op een slaapkamer van 4 op 5 meter. Ik leerde er op korte tijd zeer veel bij. Ik wist bijvoorbeeld niet dat politie en rijkswacht zo hard op arbeiders konden slaan. In de Isabellastraat werd gevraagd: 'Ken je die arbeider al, ben je daar al geweest? Je gelooft niet hoe die leeft. Weetje dat de migranten in logementshuizen wonen waar "per matras en per acht uur" verhuurd wordt?' Ik weet niet of we zo'n grote betrokkenheid hadden ontwikkeld als we niet ter plaatse waren gekomen met zoveel. En er was alleen die Isabellastraat. Het was er vaak een ongewilde struggle for life. Vechten voor een zetel om op te slapen, vechten voor een stuk vlees, vechten voor alles. Niemand had voorzien dat er zovele tientallen naar de arbeiders zouden trekken. Het was dus wat chaotisch. De dag nadien werd met die chaos eens goed gelachen en werd alles weer bijgelegd. Mijn kameraden hadden gemerkt dat ik niet happig was om opnieuw naar de mijn te gaan. 'Jij gaat morgen terug, dat is de beste remedie: stel het niet uit want je angst zal toenemen.' Ik wachtte toch twee, drie dagen eer ik terugging. In een auto met zes studenten terug naar 't piket. Aan de andere kant een kolonne rijkswacht: overvalwagens, autobussen. Ik wilde onder het dashboard kruipen, maar deed het niet. Mijn vuurdoop was voorbij. Tussendoor, terug in Gent, werd een klein aantal studenten die enkel anekdotes over Limburg vertelden bekritiseerd: 'Waar zijt gij mee bezig, denkt ge? Sociaal toeristje!' Je ging daar niet kijken, je ging mee vechten en hun leven delen. De aula's zaten nu vol met studenten die naar mijnwerkers en studenten kwamen luisteren. Ze wilden alles weten over de arbeidsomstandigheden van de mijnwerkers. 37 En toen gingen we naar een tweede textielstaking in Gent. We waren voorgoed vertrokken. Een centrale discussie in de werkgroep arbeiders-studenten was het gaan werken in de fabriek, en wanneer we dat zouden doen. Dat betekende de totale en open oorlog met de trotskisten. Ze stelden dat we de intellectuele voorhoede van de arbeidersklasse (de intellectuelen) de nek omwrongen door hen de fabrieken in te sturen. We zouden allemaal kapotgaan in de fabriek. Boegbeeld professor Mandel deed er nog een schep demagogie bovenop. Wij zouden 'purificatie van onze ziel willen in het vagevuur van de fabriek'. De trotskistische kaders kwamen naar de vergadering om scheuringen te veroorzaken; dat werd echter niet geduld. Zij waren assistent of prof aan de unief maar noemden zichzelf 'arbeiderspartij'. Nu bleken het ook anticommunisten te zijn die misprijzen hadden voor het werken onder de arbeiders, en een nieuwe arbeiderspartij waren ze vijandig gezind. Volgens hen moest je druk uitoefenen op de bestaande reformistische 'arbeiderspartij'. Sommigen van ons onderbraken hun studies en gingen werken en startten een arbeiderswerking op, anderen studeerden eerst af. Bij die groep was ik. De studeerde academiejaar '70-'71 af en maakte mijn thesis over migranten. Met dat doel ging ik een jaar in de Sleepstraat wonen. Ik deelde zoveel mogelijk hun leven, was op een paar huwelijksfeesten aanwezig, deed erg grondige enquêtes. De dag van de deliberatie was de laatste dag van mijn studentenleven. De volgende dag nam ik boterhammen en thermos en begon bij de plastiekfabriek SEPP. Ik moest er het proces van het bedrukken van plastiekflessen afhandelen. In 't begin maakte ik veel fouten, daarna werd het werk eentonig. Zestig flesjes per minuut, vijfenzeventig flesjes per minuut. Leren tellen. Een doos vol flesjes doe je in zoveel minuten. Handigheid leren door van arbeiders af te kijken. Regelmatig werd de hele boel op de grond gegooid om wat stoom af te laten. Een vriend van me was beginnen werken in een fabriek waar ze deksels maakten, hij vertelde dat ze daar af en toe de deksels op de grond smeten, er een hels kabaal mee maakten en dan gewoon verder: stoom aflaten! Die monotonie moest even doorbroken, anders werd je gek. Dan ben ik naar Eeklo verhuisd, naar Paul en Xavier. Die hadden al heel wat arbeiders georganiseerd. Het was een modelwerking, en ze konden een derde intellectueel meer dan gebruiken. Ik werkte er bij De Puydt, een meubelfabriek. In Eeklo heb ik meerdere zaken geleerd. Bijvoorbeeld dat er ook strijdbare syndicale delegees zijn. Daar hadden we twijfels over na de mijnstaking. Een ACV-delegee contacteerde ons: hij had ons bezig gezien 38 aan een textielfabriek en vroeg onze hulp in de strijd tegen de invoering van het semi-continustelsel. Hij had een 'drieranden' theorie. 'Er is één rand met arbeiders, één met de vakbond en één rand met de studenten: als we die drie bijeen kunnen brengen hebben we een driehoek die niet meer kan omvallen.' We hebben samen met hem pamfletten gemaakt: de staking is er gekomen. Ik leerde praktischer op te treden onder arbeiders. Tijdens de dokstaking van '73 vroegen we aan de arbeiders van de Peignage-Eeklo uit solidariteit met de dokwerkers en tegen wetsvoorstel 430 te staken. Dat wetsvoorstel kan je vergelijken met het wetsvoorstel op de criminele organisaties van vandaag. We hadden al vier pamfletten uitgedeeld met uitleg over de dokstaking en het wetsvoorstel 430. Toen stapte Edgard, een arbeider van zijn fiets en zegde: 'Bobke, wat ge doet is flink, maar zo moet ge dat niet doen. Je moet een groot plakkaat maken waarop staat "Dokwerkers staken voor ons stakersrecht, betuig uw solidariteit: morgen staking".' Als enige fabriek is de Peignage de dokwerkers bijgesprongen, de nachtploeg begon te staken uit solidariteit. Ik leerde ook dat je bij repressie op de arbeiders moet steunen. Tijdens een staking stond ik niet in het piket toen de rijkswacht op me afkwam: 'Wat doe je hier, werkje hier?' De uitkomst van die vragen kende ik: opgepakt, weg van de stakers en ondervraging in het rijkswachtbureel. De volgende dag reageerden de arbeiders van het piket: 'Ge had naar ons moeten lopen, tussen ons hadden ze je nooit durven oppakken.' Een tijdje later ondervond ik dat dat waar was. Ik leerde er ook veel over de moed die arbeiders hebben. In de periode van de Koude Oorlog waren er twee communistische broers in de streek. Met een stoel onder de arm trok een van hen elke zondag naar de kerk en verkocht vanop die stoel De Rode Vaan. In dat landelijk gebied hield hij wekelijks toespraken van vijf a tien minuten. Zijn broer werd afgedankt en kwam op de zwarte lijst. Hij kon in geen enkel fabriek meer binnen. Toen zegde een patroon: 'We willen u aanwerven, maar dan moet ge openlijk zeggen dat ge niet meer voor de communistische partij zijt.' Hij heeft niet gewild. De man heeft tot zijn pensioen gewerkt in een lederfabriekje in Brussel. Er was ook een potdove wever die ze 'de bolsjewiek' noemden. Ik leerde dat er onder de arbeiders een dorst naar kennis aanwezig was, en een openheid voor het marxisme. Terug in Gent volgde ik bij de rva een opleiding als lasser. Zo kwam ik bij de Scheepswerven van Langerbrugge terecht. Ik werkte er graag, er was een syndicaal bewuste arbeidersgroep. Het feit dat er zoveel banden waren met scheepswerf Boel van Temse was daar zeker niet vreemd aan. Maar ik bleef er niet. In '75 werd me gevraagd naar Charleroi te gaan wonen. In 39 Charleroi waren toen geen revolutionairen van de PVDA aanwezig en iedereen wist dat het een strijdbare regio was. In het huisje dat we huurden werd op de benedenverdieping een kleine boekenwinkel ingericht en ons huis was ook het contactadres voor de PVDA. Er waren toen nog 20.000 staalarbeiders. De mijnen waren zo goed als allemaal dicht en de staalfabrieken sloten in ijltempo. De glasindustrie werd ook afgebouwd. En de vakbondsverantwoordelijken verdedigden overal 'reconversie' omdat ze zo dicht aanleunden bij de Parti Socialiste die als de dood was voor het strijdbare Henegouwen. Acec was er nog, met een syndicale delegatie die geleid werd door de communist Dussart. Acec trok elke keer weer de strijd op gang. Het waren erg bewuste arbeiders waar de sociaal-democraten niet veel aan te zeggen hadden. In die sfeer van heel veel strijd tegen sluitingen en een nog bestaande strijdbaarheid kwamen we terecht. We waren er meer dan welkom. Na een tijdje vond ik werk als kraanman bij fafer (Fabrique de Fer). Er werkten 600 a 800 arbeiders. Er werd veel over de werkomstandigheden gediscussieerd. Een eindje verder lag acec, er was daar regelmatig actie. Providence, dé staalfabriek lag naast de deur. Bij de ploegenwisseling zag het er zwart van 't volk. Fafer is een staalfabriek. Met een grote laadkraan moest ik staalplaten oppakken met grote magneten. De platen moesten op stapels of op wagons gelegd worden. Tussendoor kon ik al eens uit mijn kraan klimmen en zo kreeg ik contact met de andere arbeiders. In de nachtploeg werd er ontspannen gewerkt. In de winter raasde de wind door fafer, het was er berekoud. Er stonden enkele grote branders en brasero's om je te verwannen. Op die brasero's werd wel eens gebarbecued door de nachtploeg. De patroon kwam te weten dat ik boven de boekenwinkel van de PVDA woonde en ik werd op staande voet afgedankt. In '75-'76 was het de gewoonte ons niet bij een politieke afdanking neer te leggen. We gingen de fabriek terug binnen en probeerden er actie te organiseren. Ik voelde me allesbehalve een held maar ging toch terug binnen en heb daar geen spijt van. De eerste dag was het of ik lood in de schoenen had. Ik begon stilletjes met de ene en de andere te discussiëren over die toch onrechtvaardige afdanking. De eerste dag na de afdanking kon ik een uur blijven. De tweede dag ging ik terug in mijn kraan zitten en begon gewoon te werken. Er kwam overleg op hoog niveau onder de kaders van de fabriek: de chefgarde was onderweg uit Boel, La Louvière. Met kraanmannen wordt met gebaren gecommuniceerd, dat is overal zo: van de staal tot de dokken. Zo ook gebaarde men mij dat ik uit die kraan moest komen. Maar ik deed teken dat ik bleef zitten en dat ik wilde werken. Ik had de deur van de cabine gebarricadeerd met een borstelsteel. Ik kon gewoon met de andere arbeiders buitengaan 40 bij het wisselen van de ploeg. De volgende dag was er geen binnenkomen meer aan. Ik begon aan de poort te speechen, de arbeiders gingen zitten en weigerden te werken. Toen er een chef aan hun mouw kwam trekken zegden ze: 'Die man is niet uitgesproken, ik kom straks wel.' Dus moest ik zo lang mogelijk blijven spreken. Daar heb ik leren speechen in het Frans. Ware hagepreken waren het. We zijn een week lang elke dag teruggegaan: 's morgens, 's middags en voor de nacht. Ik kreeg een aantal telegrams van de baas. In de eerste stond dat ik mij niet meer moest aanbieden, in de tweede dat ik wegens binnendringen in de fabriek om zwaarwichtige redenen werd afgedankt. In een derde telegram van een bladzijde vol stond beschreven wat ik allemaal gedaan had en dat ze klacht gingen neerleggen en dat ik zeker een schorsing van zestien weken zou krijgen. Ik heb toen geleerd dat er veel repressie is, maar ook dat de arbeiders ver willen gaan tegen een onrechtvaardige afdanking en ik heb er leren speechen. Laatst kwam ik een arbeider tegen bij 't winkelen. Die vroeg: 'Ben jij niet die Vlaming die in zijn kraan bleef zitten bij FAFER?' Daarna heb ik gewerkt bij Lipsin: een kleine fabriek in Charleroi die broodovens maakt. Daar werkten veertien mensen. Ik heb daar anderhalf jaar gewerkt, tot maart '78. Ik leerde er vooral de arbeidersklasse van Charleroi kennen. Hun financiële situatie ook. Ik heb daar geleerd dat arbeiders het vaak moeilijk hebben met het volgen van hun kinderen op school, omdat ze zelf maar tot hun veertiende naar school waren gegaan. Op die manier hebben hun kinderen ook minder kansen natuurlijk. In de winter sneeuwde het door het kapotte dak van de fabriek, de patroon verwarmde met reeds gebruikte motorolie! Het is leerzaam hoe arbeiders in kleine fabrieken stakinGSBewegingen meemaken. Hoe ze hopen dat de piketten van grote fabrieken langskomen zodat ze ook kunnen staken. Want het was een periode van nationale vakbondsacties. Vliegende piketten zijn dus echt wel nodig en meer dan welkom. Ik werd ziek: ik zat door mijn rug en werd afgedankt. Daarna heb ik een tijdje met mijn diploma gewerkt. Er waren weinig aanwervingen in de fabrieken. Ik vond werk in een instelling waar kinderen door de jeugdrechter geplaatst werden om allerlei redenen. Kinderen met familiale moeilijkheden werden daar voor twee maanden geplaatst: moeder of vader overleden, diefstal, moord zelfs. Werken als psycholoog, het ging me toch niet goed af. Je kan links en rechts wel wat nuttigs doen, maar mijn mening over psychologie binnen deze maatschappij was sinds de universiteit door de praktijk alleen maar bevestigd. Het is als iemand met twee benen toch met krukken leren lopen omdat er zoveel putten in het wegdek zitten dat je aan twee benen niet genoeg hebt. Die mensen komen uit milieus zonder kansen en zeggen dat ze de hele tijd vallen 41 en die psycholoog zegt dan: 'Makker, als je valt, is dat omdat je niet goed kunt lopen, pak een kruk.' Dus dan valt die niet meer op zijn gezicht. Ik vind dat er een weg zonder putten moet gelegd worden. In '79 werden er een paar honderd arbeiders aangeworven in Caterpillar. Het waren aanwervingen in de vaste nachtploeg. Het was een grote stap. Werken in zo'n grote fabriek heeft een andere dimensie dan wat ik tot dan als fabriekswerk gedaan had. Dat besefte ik maar al te goed. Het was opnieuw kiezen voor een leven onder de arbeidersklasse. De beslissing in Caterpillar te gaan werken was heel duidelijk 'nu ga je mee het verschil maken'. Kon ik dat? Maar tegelijk voelde ik dat ik op mijn bestemming aan het komen was. Noot vooraf: De multinational Caterpillar schrikt er niet voor terug honderden strijdbare arbeiders in één klap af te danken, is openlijk tegen de huidige vakbondsstructuren en zou liever overal een 'huisvakbond' hebben. In de vs weigert de Caterpillar al jaren cao's af te sluiten. De multinational gebruikt de modernste methodes om stakingen te breken. In België ontving Cat enorme regeringsteun. In '94 en '95 kreeg Cat de rechter aan zijn kant in kortgedingen tegen stakers: de delegees moesten 50.000 frank per werkwillige die door een stakerspiket werd buitengehouden afdokken. Om dit vonnis uit te voeren werd een deurwaarder aangesteld. Op deze en latere aanslagen op het stakingsrecht hebben delegees en arbeiders tot vandaag antwoorden kunnen verzinnen. Maar de feiten blijven. In Brazilië werd een bezette fabriek van Cat door het leger ontruimd. Om deze reden zijn in het verhaal van Bob voorvallen, gesprekken en namen weggelaten. Er is dus gecensureerd. Zijn kameraden nemen reeds meer dan genoeg risico's. Bob zelfheeft men nooit weten af te danken en gaat binnenkort met brugpensioen. Belangrijker dan een boek is dat alle betrokken personen verder de geschiedenis van Caterpillar kunnen maken. Het is betreurenswaardig maar ook verhelderend te zien hoe weinig democratie er voor werkers is in ons land. De eerste jaren De beginperiode in zo'n grote fabriek is aanpassing, leren werken. Soms ging ik kijken naar ons eindproduct. Een reusachtige graafmachine. Knalgele verf over het felbewerkte staal gespoten en onder een spotlicht gezet. Samen met de andere arbeiders ben je fier op dat werk. Het was de periode van mekaar leren kennen. En arbeiders hebben de gewoonte met nieuwe arbeiders te grappen. Op een avond wilde ik aan de 42 shift beginnen: werkschoenen aan en vooruit met de geit. Ver geraakte ik niet: mijn schoenen waren aan de grond vastgenageld. Arbeiders keken hoe ik reageerde. De eerste keer lachte ik mee. De tweede keer ook, maar ik moest toch een grens trekken. Ik vond een goede methode: ik laste het werkmateriaal van de initiatiefnemer vast. Het ritueel was voorbij: ik was één van hen. Voor wat betreft mijn politiek werk op de fabriek: de eerste achttien maanden heb ik geluisterd. Greep krijgen op de gedachtewereld van de fabriek. Dat wordt bepaald door wat de arbeiders al meegemaakt hebben aan strijd of aan repressie. Het heeft te maken met de geschiedenis van de streek, met de aanwezigheid van veel of weinig migranten en welke ervaringen die van hun ouders meekregen. Het heeft ook te maken met het feit of er makkelijk kan gesproken worden met mekaar of juist niet, en met vele andere dingen. Een belangrijke vaststelling was dat de voorhoedearbeiders verdeeld waren over het al dan niet werken in de vakbond. Sommige strijdbare arbeiders zegden: 'Ge kunt daar niets gaan doen, die staan aan de kant van de patroon: het zijn allemaal Davisters' (een vakbondssecretaris die op arbeiders van Caterpillar sloeg toen die hem uitfloten). Over dit punt ben ik erg grondig in discussie gegaan met deze mannen. Ik was openlijk revolutionair in de fabriek. Daardoor leerde ik snel de arbeiders kennen die het dichtst bij marxistische standpunten stonden. Het waren er een goede vijftien die ik door en door leerde kennen en waarmee ik veel gewerkt heb. Ik noem hen dan ook 'de vijftien'. De eerste jaren van' 80 was er de strijd tegen de sluitingen in de staal. De vakbondsleiding was voor reconversie en liet alles sluiten. Het standpunt van 'voor elke arbeidsplaats vechten' was volgens hen voor dromers, zij waren realisten. De PVDA was voor het behoud van elke arbeidsplaats en onthulde hoe rijk staalbaronnen als Frère waren en hoe ze dat geworden waren. Wij stelden: de rijken, Frère en de banken moeten betalen. De 'vijftien' riepen me dikwijls naar hun werkplek om aan andere arbeiders nog eens uit te leggen hoe banken en holdings functioneerden. 'Bob banken en holdings!' noemden ze me toen. De 'vijftien' dat zijn revolutionaire arbeiders geworden. De 'vijftien' waren steeds verwonderd dat ik met iedereen praatte, ook met arbeiders die op het eerste zicht niet zo'n goede standpunten hadden: 'Datje daar je tijd aan verliest', zegde Michel. Je moet alles van het marxisme aan die beste arbeiders leren. Ook 'geloof in het volk'. Als ik een paar dagen niet in de fabriek geweest was, ging het van 'waar zijt ge gebleven, en wat staat er in de gazetten, vertel'. De morgenploeg werd door de directie 'de republiek' genoemd. Dat waren doorwinterde, al wat oudere mannen. Je kon niet meer in de morgenploeg 43 aangeworven worden, maar als delegee kon ik er later wel komen. De directie had daar niets meer te zeggen. In '79 moesten we nog voor fundamentele vakbondsrechten vechten. Caterpillar had steeds de werking van een serieuze delegatie tegengehouden. Delegees en voorhoedearbeiders afdanken: dat is het beleid van Caterpillar. Ze houden het gekende Hitlerstandpunt over de vakbond in ere: 'met de vakbonden als het niet anders gaat, tegen de vakbonden zo gauw mogelijk.' Caterpillar doet tot vandaag vergeefse pogingen om een 'huisvakbond' op te richten. Ik deed actief vakbondswerk en was snel vervangend delegee en daarna syndicale delegee en lid van de ondernemingsraad. Ik wilde ook dat die 'vijftien' syndicaal actief zouden worden. Dat zou later komen. Het was moeilijk werken als revolutionair in een delegatie die zegt dat ze links is maar die de complexiteit van de klassenstrijd niet altijd begrijpt. De delegatie van de jaren '80 was een strijdbare delegatie, en verschillende delegees waren gekend als marxistische arbeiders. Maar ze waren nergens georganiseerd. Het is dan ook normaal dat zo'n delegatie laveert tussen erg strijdbare en reformistische standpunten. Dat ze geen klare principes en alternatieven hebben en alleen staan met al die manoeuvres van patroon en vakbondsleiders. Ik pleitte binnen de delegatie ook voor minder voor de hand liggende solidariteit: naar de Limburgse mijnstaking gaan, verbroedering met de delegatie en de arbeiders van een fabriek in Vlaanderen. Maar dat is er niet meer van gekomen omwille van ' 89. Tot' 89 heeft de delegatie me mijn zeg laten doen omdat ik ook veel volk vertegenwooordigde. Maar '87-'88-'89 waren moeilijk voor strijdbare delegaties. De 'realiteitsstandpunten' werden uitvoerig in het licht gezet. Eisen als arbeidsduurvermindering werden in de kasten van de vakbondscentrales opgeborgen, in de vakbondsstructuren heerste de overtuiging dat strijd niet loont. De patroons dachten zich alles te kunnen permitteren. Ook onze delegatie werd bewerkt. Eerst was er een felbetwiste reis naar de vs waar de patroon een 'modelplant' liet zien, waar vakbonden ongeveer samenwerkten met de patroon. Ondertussen stookten PS-pionnen verder tegen de PVDA: 'Je kan geen twee heren dienen als delegee: het ABVV en de PVDA.' Er werd heel wat geïntrigeerd en ik moest me staande houden. Ik kon dat, omdat de strijdbare arbeiders achter een revolutionaire delegee blijven staan, ze zijn het eens met je standpunten wanneer ze weten dat je geen windhaan bent. Het was ook effectief niet simpel voor die delegees. Vandaag is bijna heel die vroegere delegatie verdwenen. Dat is te danken aan de patroon die hen heeft beetgenomen en hen over de streep van 'het realiteitsdenken' heeft getrokken en hen ten slotte zover kreeg dat ze 44 voorhoedearbeiders mee afdankten in '89. Daardoor had de delegatie voor alle arbeiders afgedaan: ze werd niet meer gekozen. Voor een aantal eisen hadden we van '79 tot '89 dus een voorbeeldige delegatie, maar ze capituleerde uiteindelijk onder druk van de standpunten van patroons. Vandaag hebben we een volledig nieuwe delegatie, ik ben een van de weinigen van de vroegere delegatie. Caterpillar: achttien jaar lassen in de vaste nacht Het nachtwerk is natuurlijk zwaar maar ik scheen bij de 20% te zijn die er tegen kunnen. Ik kon de eerste acht jaar tamelijk goed slapen in de dag en maakte me verder niet te veel zorgen. Ik was jong. Wat kon er me gebeuren? Maar toen kwamen er veranderingen in mijn nachtelijke routine. Er was een tijdje minder productie en alle ploegen werden door elkaar gegooid: ik moest voor een maand of vier naar de dagploeg en daarna terug naar de nacht, dan weer tijdelijk dop: dus opnieuw overdag leven. Twee weken nacht en twee overdag en 's nachts thuis. Die routines worden niet ongestraft overhoop gegooid. Als er zo met je bioritme gespeeld wordt, verandert alles. Ik heb alles geprobeerd: mijn zolder helemaal geïsoleerd, 't was er goed koel om te slapen. Maar het loste niets op, nu eens hoorde ik een grasmachine, dan weer wegenwerken en ander leven op de straat. Ik was niet langer bij de 20% die de nacht goed verdragen. Ik slaap niet goed meer overdag. Ik kom van de nacht thuis en wil dan vrouw en kinderen zien: dus blijf ik op tot die het huis uit zijn. Half negen: slapen. Wakker worden tegen halfeen: bed uit om een stukje te eten, terug naar bed. Woelen en woelen en weer wat rondlopen. Niet meer slapen en om halftwee opstaan. In de namiddag: boodschappen doen en avondeten maken. Jij bent tenslotte thuis. Nieuws om halfacht. Slapen tot halftien want om kwart voor tien moet ik weer aan het werk. Sommigen doen het anders en gaan als ze na de nacht thuiskomen dadelijk slapen. Die staan dan op om 's middags de kinderen van school te halen. Ze slapen na de middag. Enfin, ze liggen in hun bed. Maar ook deze arbeiders beginnen aan de nachtshift met veel te weinig slaap achter de rug. Iedereen is dan ook slaapdronken terwijl je klaarwakker moet zijn in zo'n fabriek waar alles rond kwaliteit draait, waar het ritme hels is en waar het gevaar in een klein hoekje schuilt. Bij dat tekort aan slaap komt de stress van het nachtelijk werken. Wij forceren ons allemaal. Soms kan je echt niet meer en dan rest er maar één ding: gaan slapen op de plee! Nadeel van een kwartiertje slaap in het kleinste kamertje is flanellen benen. Je haalt de slapers 45 er zo uit door hun manier van stappen. Zo kwam ik mijn chef eens tegen aan de toiletten. Hij draagt een bril en deed alsof hij de glazen aan 't poetsen was. In feite steunde hij tegen een muur en kon geen stap verzetten: flanel in de benen. Ik zei al lachend 'Jij hebt geslapen, hé.' 'Niets geslapen', vloekte hij. Een tijd nadien is hij naar een andere ploeg gegaan, hij hield het met uit: een chef kan van ploeg veranderen, de arbeiders niet. Ik moest verschillende keren thuisblijven met maagklachten. Begin jaren '90 heb ik overwogen met nachtwerk te stoppen. Ik moest dan wel uit Caterpillar weg en als psycholoog of als vertaler gaan werken. Ging ik niet beter weg? Ik kon me toch zoveel mogelijk nuttig maken voor de revolutionaire zaak buiten de fabriek maar met een regelmatig leven? Maar ik koos voor Cat. De j aren erna hebben me meer dan overtuigd dat die keuze de juiste was. Driehonderd arbeiders zijn in mijn geval: maag eraan door de nacht en de stress. Normaal zou het Fonds voor Beroepsziekten ons ten laste moeten nemen, we investeren toch heel ons leven een stuk loon in dat Fonds. Maar dat Fonds lijkt me alleen te bestaan voor beroepsziekten van vroeger. Mijn maag liet het definitief afweten eind '94. Maagbreuk. Operatie in Brussel begin '95. Mijn maag is niet meer dezelfde na de operatie. Als ik niet genoeg slaap is mijn maagstreek gezwollen en mijn middenrif gevoelig. Het is soms pijnlijk als je daarmee liggend moet werken. Een aantal keren thuisblijven en bijslapen dacht ik. De tijdelijke dop van juni '97 maakte het zwaar: opnieuw overdag thuis, opnieuw het bioritme overhoop. Dan heb je het element 'lasser'. Lassers zie je niet werken: je ziet alleen de rook rondom. In die dampen zitten schadelijke stoffen. Een lasser kan evengoed stoflong krijgen als een mijnwerker. Zo hebben Raymond, Franco en Thomas de Griek binnen de fabriek een andere job moeten vragen. Ze hadden ernstige ademhalingsproblemen. Raymond heeft twee weken na zijn overplaatsing een ernstig ongeval gehad: het onderste van zijn voet geplet. Ik geloof niet dat we Raymond nog terugzien in de fabriek. Hij had een beroepsziekte aan de longen en had als dusdanig moeten erkend worden. Maar neen, nu heeft hij een manke voet. Wat zal het lot van Raymond zijn? Stempelen? Ik heb in '94 tegen een directielid op de ondernemingsraad gezegd: 'Hier gaan nog lassers van 48 jaar dood buitengedragen worden'. Hij antwoordde: 'Maar mijnheer Roeck toch, u bekijkt de zaken altijd zo negatief.' Ik zie niet alles negatief. Er zijn erg veel ongevallen in de fabriek. En bij elk ongeval zijn wij razend: wij raken soms voor 't leven gehandicapt omwille van de concurrentiepositie en de productiviteit van de patroon. Door de drang naar nog meer winst dus. Terwijl wij ons vak kennen en normaal gezien een fabriek kunnen doen draaien zonder ongelukken 46 Hebben we dan geen reden om razend te zijn als Raymond nu mankend door 't leven moet? De arbeiders: de klasse van de toekomst Op Caterpillar werken hooggeschoolde arbeiders. Ze volgen op tv alle wetenschappelijke programma's, op alle zenders. Hun technische opleiding is van niveau en ze weten dingen die ik aan de universiteit geleerd heb. Weer die enorme dorst naar kennis. Ze lezen de National Geographic, kopen al eens een informaticatijdschrift. Begin '80 kwamen de eerste computers bij de kaders. Arbeiders bestudeerden hun handelingen. Ze waren er snel mee weg: eens ze de code gezien hadden konden ze ermee leren werken. Later kwamen de computergestuurde machines. Een chef deed dat eens voor en 70 a 80% waren onmiddellijk mee. Na een jaar deden die veel meer dan de baas met die computer. De programma's om de machine te sturen waren door bedienden gemaakt. Arbeiders ondervonden in de praktijk dat die programma's dikwijls niet deugden. Ze schudden het hoofd, 'het is toch dat niet'. Ze begonnen zelf te experimenteren en na een tijd had elke arbeider zijn eigen diskette en die nam hij mee naar huis. Stielkennis mag toch niet aan de patroon prijsgegeven worden! De patroon wist het. Er kwam een gevecht. De patroon eiste de diskettes terug. Daar zat jarenlange ervaring in opgeslagen en de enige die er wel mee vaart en zijn winsten kan vergroten is een multinational, niet de gemeenschap. Ik ken arbeiders van Sonaca, vliegtuigbouwers. Die werken met een uiterst licht maar moeilijk bewerkbaar metaal: titanium. Met een groepje maakten ze na hun uren een fiets: een technische uitdaging. Eerste klasse. Ik ken staalarbeiders die samen een boot gemaakt hebben, wees maar gerust, die zinkt niet. Ikzelf ben op dat vlak ook erg veranderd. Ik ben fier op wat ik kan. Daaraan zie je dat de arbeidersklasse de klasse van de toekomst is. In Rusland zegde men in de jaren '30 'arbeiders zullen ingenieurs worden'. Die wisten de capaciteiten van de arbeiders wel te ontplooien en te gebruiken voor de gemeenschap. Het is een van de redenen waarom de ussr zo snel moderniseerde en voor was op vijfjarenplannen. Een collectief economisch systeem en een gemotiveerde arbeidersklasse dat geeft samen welvaart, vrijheid en geluk voor de werkers. Bij ons kan je werken zolang een patroon dat wil, vindt hij elders goedkopere werkkrachten dan ben je je werk kwijt en worden je kwaliteiten weggesmeten. 47 Vierentwintig nationaliteiten in de fabriek De eerste grote immigratie in Wallonië was die van de Vlamingen. Vlamingen moesten hier komen werken want in Vlaanderen was er geen werk. Waar ik woon was er tot voor vijfjaar het café 'des Flamins'. In de fabriek zijn er veel arbeiders met een Vlaamse achternaam. Ze hebben een Vlaamse grootvader en spreken een mondje Nederlands. Op de werkvloer is niets te merken van het 'Vlamingen-Walen' probleem. Vanaf de jaren '30 kwamen dan de Spanjaarden, daarna de Italianen, Grieken, Hongaren, Tsjechen, Polen en ten slotte de Marokkanen en Turken. De Spanjaarden waren en zijn linkse arbeiders die moesten vluchten voor de fascist Franco. Ze hebben hier nog steeds hun 'Garcia Lorca'-clubs. Om de tien jaar is er een nieuwe golf migranten. Het doel is natuurlijk altijd hetzelfde: een rechteloze arbeidersgroep doen werken onder het bestaande loonniveau en zonder verworvenheden. Aan de ene kant wordt dat ook zo aangevoeld, en dan krijg je een schok naar beneden, maar daarop volgt de integratie in de arbeidersstrijd en dan komen er stakingen, mét de migranten. Ze vechten mee tegen de uitbuiting. En dan komt er een nieuwe groep migranten. Om de de tien, vijftien jaar wordt de arbeidersklasse hier dooreengeschud door de komst van nieuwe migranten en telkens is er integratie en wordt de eenheid gevormd in de klassenstrijd. Dat gemeenschappelijk gevoel van uitbuiting overwint alle andere ideeën. In de fabriek zijn er vierentwintig nationaliteiten. Kinderen van mijnwerkers en staalarbeiders, de tweede en de derde generatie. De grootste racist is zonder enige twijfel de patroon. Hij heeft eens een hele campagne tegen Turkse delegees opgezet, 'tegen de Turkse maffia'. Het liep af met een sisser. Tijdens de Golfoorlog ontdekten arbeiders lijsten die onze Amerikaanse patroon had gemaakt. Arbeiders van Maghrebijnse afkomst mochten niet meer op 'strategische' plaatsen werken. Zij waren de vijand. De meeste arbeiders waren geschokt. Het ging om kameraden. Ik heb elk racisme bevochten. Cheffen kunnen ook racistisch zijn. Toen iedereen de badge droeg 'Touche pas a mon pote', stond er een parodie in een fascistisch krantje: 'Touche pas a mon pays'. Een chef had dat gefotokopieerd en rondgedeeld. Ik ben als delegee mee rondgegaan en heb aan al de arbeiders gezegd: 'Wat die man doet kan niet, dit moet stopgezet worden'. De arbeiders hebben het werk neergelegd en geëist dat hij dat niet meer zou doen. Hij heeft dat dan plechtig beloofd. Ooit vloog een chef van de onderhoud uit tegen Gonzales, een Spanjaard: 'Vuile migrant, je wilt zelfs niet werken.' Gonzales antwoordde heel rustig: 'Doe het dan in mijn plaats, het is vuil genoeg.' 'Je bent hier toch om te werken. Wees tevreden 48 dat men je werk geeft.' Met een paar arbeiders hebben we met die chef gediscussieerd, geargumenteerd. Hij zag in dat hij fout was en heeft die arbeider een brief geschreven dat hij het niet meer zou doen, dat hij het zo niet bedoeld had. Dat was een verontschuldiging. Nu werken we eraan om van Caterpillar een 'Bedrijf zonder racisme' te maken, met de hulp van de antiracistische organisatie Objectief. Arbeiders gewoon maken een klassenstandpunt in te nemen De veiligheid, fouten in de productie, productiviteit: ik vind dat je van het principe moet vertrekken dat de arbeiders niet verantwoordelijk zijn als op dat vlak fouten gebeuren. Een bedrijf onder het kapitalisme wordt geleid ten dienste van een maximale winst. Dus kunnen de arbeiders onmogelijk verantwoordelijk zijn voor fouten, voor ongevallen. Dat is een klassenstandpunt. De verantwoordelijkheid ligt bij het patronaat. Dat is het principe en daar ga je niet van af. Als een arbeider aangevallen of gesanctioneerd wordt, ga je ervan uit dat de arbeider gelijk heeft, en de directie ongelijk. Neem nu de arbeidsongevallen. Een arbeider valt van een ladder. Volgens de directie is dat zijn schuld. Fout! Hoe is die val veroorzaakt? Waarom is die ladder omgevallen? Akkoord: een van de blokjes onder die ladder stond verkeerd. Maar de arbeider moest drie, vier keer per uur van de ladder komen om arbeiders door te laten. En dan hebben ze die blokjes anders gezet omdat hij dan niet altijd naar beneden moest komen en toen is hij gevallen. Dat is de verantwoordelijkheid van de directie, het werk is zo georganiseerd, de snelheid gaat voor alles. Als er iets verkeerd loopt, wordt er onmiddellijk met een sanctie gedreigd. Toen ik syndicale delegee was, zegde de directie dat er met mij niet te discussiëren viel, dat de arbeider altijd gelijk had. Dat ik het werk liet neerleggen als er sancties dreigden. En dat was ook zo: er valt niet over te discussiëren. De arbeiders kenden me zo. Er kwam eens een arbeider naar mij: 'Mijn chef zegt dat er een fout gebeurd is maar ik heb geen fout gemaakt, dat moet toevallig gebeurd zijn, zeg jij hem dat ik daar niets mee te maken heb?' Ik tegen die chef: 'Ik heb niets gezien en die man staat hier naast mij dus die zal dat ook niet gedaan hebben.' Vier jaar later vroeg die chef me opnieuw: 'Zeg dat is nu lang geleden maar die gast had een fout gemaakt, he?' Ik antwoordde: 'Ik heb toen gezegd van niet en dat blijft zo.' Een andere kwestie is hoe je cheffen-slavendrijvers aanpakt. Als ze begonnen van: 'Ik moet hier vonken en vlammen zien afspringen', dan antwoordde ik: 'Zie maar dat gij uw hemdsmouwen niet vuil maakt.' Dat ging snel rond. Geen collaboratie! 49 Op een zeker moment was er overal weinig werk en wij moesten een binnenplaats opruimen. Zo ook Antonio, een strijdbare arbeider die actief was geweest in de vakbond. Hij ging her en der een praatje maken, iedereen kon zien dat hij niet aan 't werken was. Een chef kwam eraan, een brutus die hem niet goed gezind was. Hij zag Antonio bezig en we zagen hem denken: 'Ik ga je volgen want ik vermoed dat ge een boterham gaat eten en het is nog te vroeg, ik ga u betrappen.' Ik riep: 'Antonio, Antonio moeten we die kast ook meenemen of is het die andere?' Hij draaide zich abrupt om, begreep de boodschap en riep: 'Ja, die moet erbij' en hij kwam terug. De chef wist wat er gebeurde maar kon niets zeggen. En dan de chef die er bij iedereen de zweep oplegde. Hij controleerde iedereen, hij wilde de productie nog meer opdrijven. Met Sint-Elooi is het de gewoonte dat de chef trakteert op een etentje of een paar pinten. En dan leggen de arbeiders wat geld bijeen en hij krijgt dan een of ander werktuig, een boormachine of twee automatische schroevendraaiers. Voor het etentje werden de cadeaus overhandigd. Ik gaf hem ook een pakje, een apart cadeautje. Altijd fier met zo'n pakje deed hij het mijne open. Een echte lederen zweep! Hij werd rood en zegde weinig. Maar de volgende dag was dat de hele fabriek rond. Een schot in de roos. Ik had dat cadeau op het goeie moment gekocht: de hele fabriek kende het portret van die man. Nu had hij een echte zweep. De grote aanval op de arbeiders: 1989 1989 was een moeilijke periode voor de arbeiders. In Berlijn was de muur neergehaald en multinationals dachten dat ze zich nu alles konden permitteren. Bij ons regende het straffen. Er waren nooit zoveel spanningen met de cheffen. Elke delegee voelde hoe moeilijk het werken was en telkens we mekaar kruisten, zegden we: 'Het is hard, 't is moeilijk, zijn er bij jullie ook zoveel spanningen?' De patroon probeerde de delegatie te verdelen en te winnen voor het participatief management. De delegees mochten naar Amerika om daar in de Caterpillar-plants naar de klassensamenwerking te gaan kijken. Sommige delegees gingen, de arbeiders keurden dit streng af. Het wantrouwen tegen een aantal delegees groeide. In die context viel de patroon de 4.200 arbeiders frontaal aan. Hij begon systematisch 103 van de strijdbaarste arbeiders te pesten en te straffen. Een strategie om zich te ontdoen van de voorhoede door een wig te drijven tussen hen en de delegatie. Het bevestigde ons vermoeden dat er een groot 50 herstructureringsplan moest doorgevoerd worden, en dat men eerst alle potentiële verzet tegen dit plan wilde opruimen. In twee bewegingen de kop van de arbeidersstrijd afsnijden: de voorhoede liquideren en de delegatie verdelen en verzwakken. En dan: de eerste afdanking van een strijdbare arbeider. De 102 andere voorhoedearbeiders krijgen allen een verwittiging, blamen. Dan wordt er een tweede afgedankt. Deze keer nog duidelijker onrechtmatig. De 102 groeperen zich en vragen onderhandelingen over het lot van de tweede. Beloftes, maar uiteindelijk blijft de man afgedankt. De bom ontploft. De 102 gaan onmiddellijk in staking voor de heropname van de man en leggen de fabriek stil. Iedereen doet mee. 't Is erop of eronder. Een onderhoud met de directie wordt toegezegd. Vele delegees komen hen maar schoorvoetend tegemoet. De 102 maken een afspraak met de delegatie: 'Wij doen mee aan een nationale vakbondsactie van het ABVV als de delegatie voor de 102 begint te vechten.' Maar op 18 november, dag na de nationale ABVV-actie, dankt Caterpillar alle 102 af. Heel de voorhoede staat op straat omwille van de staking voor hun makker. Een afdanking omdat er gestaakt is. Een aanval op het stakersrecht dus. De 102 beginnen aan een bezetting van de fabriek. De eerste vier dagen met 102, maar daarna met de hele fabriek. De patroon weet een aantal delegees te overtuigen 'van de gecompliceerdheid van de zaak'. Bij de 102 zouden dieven en halve gangsters zitten. Sommige delegees maken met de patroon een dossier van elk van de 102. Zij beslissen wie verdedigbaar is. De 102 zullen 'dossier per dossier' bekeken worden. Nu blijkt dat de directie de 102 al maanden afgeluisterd, bespioneerd heeft. Na 11 dagen bezetting heeft de delegatie een akkoord waardoor er nog 'slechts' 35 buiten staan en 35 'een tweede kans' krijgen: ze mogen blijven werken als ze aan geen enkele staking meer meedoen, en zijn dus ook uitgeschakeld voor elke toekomstige strijd. De 102 zijn geschokt. Diegenen die afgedankt blijven, verlaten de fabriek met het hoofd omhoog en zeggen aan iedereen 'Niet wij moeten beklaagd worden, maar jullie die achterblijven, want hier gaan fameuze klappen vallen, wij zijn er niet om de strijd los te trekken en de delegatie is verdeeld, een deel is die naam onwaardig.' Binnen de delegatie breekt de strijd los. Ik word beschuldigd omdat ik elke dag bij de bezetters was, en dat als enige delegee. Ik zou me niet aan de discipline van een delegatie gehouden hebben en meer als PVDA'er optreden. Ik mag niet langer functioneren als syndicale delegee. Dat is een tweede klap voor de arbeiders. Ik ben niet langer syndicale delegee en ga terug continu werken in de nachtploeg en krijg slechte jobs. Mijn lassen zijn te groot en het regent stukken die terugkomen met fouten. Ik krijg het nieuwe werk niet onder de knie. En 51 dan komt het: 1.500 naakte afdankingen op korte tijd. Caterpillar gaat van 4.200 arbeiders in twee golven afslanken naar 2.800. Duizendvijfhonderd arbeidsplaatsen verloren! De delegatie doet niets en ik ben door de delegatie zélf vleugellam gemaakt. Het pamflet van de trotskisten over de 102 is glashelder. Volgens de Parti Ouvrier Socialiste (pos) was de afdanking van de 102 'een valstrik' waarin ik met open ogen in gelopen ben.De problemen op Caterpillar komen niet door de patroon volgens de pos maar door 'het opbod in de strijd van de gauchisten' (lees Bob en de PVDA). Nooit zal ik dit pamflet vergeten. Ik moest een zware periode door. Uit die periode hebben de resterende strijdbare arbeiders en de 2.800 overblijvende arbeiders andere lessen getrokken. Die delegatie is niet meer herkozen. Een conclusie dringt zich op. Wie als delegee de weg opgaat van het 'realisme' op kritische basis, 'meegaan met de tijd', legt op zeker moment die revolutionair in de delegatie het zwijgen op. Een delegatie zonder principes wordt slachtoffer en speelbal van het spel en de manoeuvres van de patroon. Want de delegatie kan dan al denken dat ze 'een nieuw kritisch realisme heeft uitgevonden', de gewone arbeider bekijkt dat heel nuchter en die zegt 'het is de verantwoordelijkheid van die delegees met hun realisme dat die voorhoede afgedankt is en die 1.500 arbeiders afgedankt zijn, dus kiezen we die niet meer.' Zelfs een delegatie die tien jaar stakingen heeft geleid maar capituleert in de moeilijke jaren wordt door de patroon geliquideerd. De arbeiders hebben daarna andere delegees gekozen. Velen van de huidige delegatie waren in '91 zelfs niet in onze brede militantenkern. Jaren zo zwaar als steen De jaren '89-'90-'91-'92 waren erg zwaar. Je moet die periode goed situeren. Ik had met de dood in het hart die voorhoedearbeiders zien buitengaan en 1.500 arbeiders waren afgedankt zonder dat ik iets kon doen. Ik was één en al machteloosheid. Kreeg dat niet verwerkt. En er was de anticommunistische hetze na de val van de Berlijnse muur, de arbeiders waren hun alternatief kwijt. De trotskisten van de pos stookten: 'een leninistische partij zoals die van Bob is uit de tijd, die is zelfs misdadig.' In dat klimaat brak de oorlog tegen Irak uit. De baas bekeek alle Maghrebijnen als vijanden. Er werd een sfeer gecreëerd van 'haal alle stickers van Caterpillar van je persoonlijke zaken want de moslimfundamentalisten moesten maar eens aanvallen'. Een Arabier die in onderaanneming voor Cat werkte mocht de fabriek niet meer binnen. Zij zegde dat 'het spijtig was en dat hij betere tijden moest afwachten, dat hij zich ondertussen als werkloze moest inschrijven.' 52 Er waren erg veel discussies over de Golfoorlog. 'Het is duidelijk dat deze oorlog gevoerd wordt voor petroleum. Dat is crimineel. Wij zijn totaal afhankelijk van petroleum. Kunnen wij hier zonder petroleum leven en overleven? Is dat vraagstuk doden waard? Ik denk het niet. Het moet toch mogelijk zijn dat op te lossen zonder oorlog. Maar hoe?' 'Het is een schande dat ze de mensen die in onderaanneming werken voor Caterpillar fouilleren sinds de oorlog, 't Is vernederend.' 'Als dat zo voortgaat gaan ze Maghrebijnse makkers vervolgen omdat ze een tikkeltje donkerder zijn.' Ik kwam met informatie af zoals het feit dat de buitenlandse schuld van Irak 60 miljard dollar bedraagt terwijl het olie heeft en dat de oorlog tegen hen op dat moment reeds meer dan 40 miljard dollar gekost heeft. Zo zagen de mensen de hypocrisie en de onrechtvaardigheid van deze oorlog. Voor de Maghrebijnen was het soms keihard. Ahmed was zich aan 't wassen en werd aangevallen door een Belg. Hij bleef rustig en zegde: 'Ik ga nu mijn zeep wegleggen en jullie uitleggen wat er ginds gebeurt. Maar dat wil ik wel kwijt: ik zeg nooit iets over zaken die jullie aanbelangen en waar ik niets van weet. Ik zal het nog eens klaar uitleggen en als je me dan nog niet gerust laat dan leg ik niet alleen mijn zeep weg, maar geef je ook nog een mep.' Dat laatste was wel niet goed maar een reactie als die van Ahmed is beter dan eronderdoor gaan. Er waren ook dagen dat iemand in de ploeg de mensen bewerkte en dan was het zes tegen één. 'Gij zijt delegee en gij zoudt ons in de miserie storten met hogere benzineprijzen.' Ik liet dat over me heen gaan en de volgende dag begon ik weer. 'Moeten jullie horen: Amerika heeft veel meer petroleum dan de Arabische landen maar komt niet aan zijn reserves. De Arabische landen moeten hun reserves uitputten en daarna zullen de vs hun petroleun verkopen aan monopolieprijzen. Kom dus niet zeggen dat ik het ben die jullie dure petroleum wil aansmeren. Ik wil precies dat er een einde komt aan de alleenheerschappij van de vs in de wereld. Ik wil rechtvaardigheid voor elk volk dat onrecht aangedaan wordt.' In de lente van '92 begonnen al die zaken behoorlijk te wegen. Eens gaan kijken wat Lenin zoal deed in zware periodes. Ik heb toen over de periode van de repressie van Stolypine gelezen, in 1912. Lenin was naar het buitenland verbannen. Er was terreur, repressie en alle communisten werden vervolgd. Het lezen deed me deugd. Lenin stelde orde op zaken. Hij zette een aantal mensen buiten en richtte een bolsjewistische partij op. Daar gingen zijn debatten en brieven vanuit het buitenland over. De verraders uit de partij gooien. En wat gaven die als antwoord? 'Laat de oude maar zagen, hij is ver weg. Over wat heeft hij het nog? Er bestaat niets meer, er is geen partij meer, zijn woorden betekenen niets.' Lenin liet zich niet imponeren. Hij debatteerde, organiseerde, bracht een congres in het buitenland samen. 53 Dreef de tegenstrevers achteruit en liet een centraal comité kiezen dat de strijd zou leiden als het hoogtepunt van de repressie voorbij was. De arbeidersstrijd leefde weer op en de bolsjewieken wisten die te leiden en nadien zou Lenin zeggen: 'Men heeft ons niet voor niets hard als steen genoemd.' Vijf jaar later leidde hij de revolutie en ontvingen de arbeiders van heel Rusland hem als hun leider en bevrijder. Dat lezen heeft me meer dan goed gedaan. Ook ik had harde jaren achter me, maar was niet geïsoleerd. Het loonde dus om na acht jaar opnieuw te beginnen studeren, want in al die tijd had ik weinig of niets van 'zwaardere' werken doorgenomen. Maar ook in de fabriek hielpen arbeiders me erbovenop. Dat ik als enige delegee de 102 door dik en dun had gesteund wist iedereen en de arbeiders apprecieerden dat: 'Bob, tof dat ge bij die bezetters zijt gebleven, ze konden enkel op u rekenen als delegee.' Dat heeft me goed gedaan. Zes maanden na de zware afdankingen was er weer een eerste timide staking. Olivier, weer een strijdbare arbeider werd afgedankt en er werd twee dagen voor hem gestaakt. Er werd gediscussieerd of we de staking zouden proberen te veralgemenen. Het lag moeilijk. Het was allemaal maar net achter de rug. Olivier heeft dan een ontroerende brief geschreven, die we hebben uitgedeeld. 'Je moet voor mij niet tot de finish staken als dat nu niet gaat, maar de staking is een nieuw begin. Zo moeten jullie verdergaan, dat zal het tij doen keren op Cat. Er zal een nieuw zelfvertrouwen komen.' We hebben niet verder gestaakt. Hij heeft ons niets verweten. Het getuigt van veel collectivisme van zijn kant, want ook hij was zonder reden, zoals bij 't begin van de '102' afgedankt. Oliviers brief heeft iedereen goed gedaan. Arbeiders van de 'vijftien' stelden zich kandidaat-delegee en werden gekozen. Over de Muur van Berlijn die weg was, zegden de arbeiders vrij snel: 'Daar gaan ze nog veel spijt van hebben.' Van '89 tot '92 zijn er geen schokstakingen of gedeeltelijke stakingen meer geweest tegen sancties of ruzies met cheffen. Wat ook opmerkelijk was: in de jaren '80 vond je al eens een pamflet van de PVDA op de grond. Vanaf '89 werden er geen pamfletten meer weggegooid. Er waren vele vragen en de pamfletten gaven antwoorden. Welke taken voor een revolutionair in een multinational? Eerst de objectieve gegevens op een rij zetten, anders verdrink je in het werk. Feit: om de twee jaar is er staking rond de cao, er zijn ook stakingen 54 bij de nationale mobilisaties van het ABVV of in gemeenschappelijk front en er zijn stakingen voor specifieke problemen van het bedrijf: een chef die een arbeider afdankt, een chef die op een arbeider klopt met een fles, acties en stakingen tegen afdankingen en sancties, zo'n drie keer per jaar. Wij gaan ook altijd andere fabrieken en grootwarenhuizen buitenhalen bij nationale of regionale acties. Men heeft altijd opgekeken naar de strijd op Caterpillar. We weten dat we een voorhoederol in de streek opnemen. Cockerill staakt? Geen probleem: wij zijn solidair. Met Boel, twee jaar geleden, met de onderwijsstaking gingen we ook naar elke betoging in Brussel of Charleroi met een veertigtal man. Tevoren waren we solidair met Boel Temse, de mijnstrijd in Limburg en de beweging tegen de afdanking van 'de vier van Sidmar' te Gent. Dat was onze rol als arbeidersgroep in de regionale en nationale stijd. Maar Caterpillar is een multinational met 44 fabrieken en een strategie op wereldvlak. Zoals ik het zie zijn er drie grote opdrachten voor een revolutionair: zorgen dat er een strijdbare vakbond is, zorgen dat de voorhoedearbeiders je standpunten overnemen en studeren op de strategie van de multinational, er een antwoord op formuleren en dat op de delegatie en de arbeiders overdragen. Met betrekking tot het vakbondswerk wil ik het ook nog hebben over de ondernemingsraad. Dat is bij ons een maandelijks ideologisch gevecht tussen directie en de huidige delegaties. Delmelle, Cuisinier en Vanderlinden verdedigen voor de directie de kleuren van Cat. We plannen ons optreden. Als de onderhandelingen over de nieuwe cao beginnen, zoek ik alle nodige cijfers uit de balansen bij elkaar. Ik bestudeer de manier waarop Cat zijn winsten opdrijft, en heb na veel puzzelen ontdekt hoe in een cyclus van vijftien jaar hun winsten enorm stijgen. Ik kwam met de winstcijfers van de multinational op tafel. Door bloot te leggen hoe goed Cat op wereldvlak boerde, ondersteunden we de eisen van de arbeiders die door de delegatie naar voren geschoven werden bij die te vernieuwen cao. Met de jaren is de reactie van de directie op mijn analyses geëvolueerd. De eerste jaren luidde het: 'Daar zijn wij niet van op de hoogte.' Daarna werd het geweer van schouder veranderd. Als ik klaar was hen te zeggen wat ze de arbeiders aan offers gingen opleggen luidde het: 'Uw analyse, mijnheer Roeck, is fout. De resultaten van Amerika zijn niet te vergelijken met die van Gosselies, Charleroi.' Dus ik kende mijn job niet, maakte er een potje van. Ik zocht verder tot ik hen kon zeggen: 'Je kan wel een vergelijking maken als je naar het zakencijfer kijkt.' Daarop zegden ze: 'Daar is niet veel tegenin te brengen, dat is zo! Maar cijfers zeggen ook niet alles, er is de concurrentie, niet al het geld gaat naar de aandeelhouders.' De andere delegees telden de punten van de kamp: één voor Bob, één voor Cuisinier. Twee-een. Door te werken aan de ondernemingsraad kon ik andere delegees een marxistische kijk op de economie doorgeven. Zij die nu delegee zijn zullen zich nooit meer laten inpakken door de patronale logica. Voor mij was het hard blokken. Ik ben ontwikkelingspsycholoog van opleiding, geen economist. Maar de arbeidersstrijd eiste dat ik daarop zou werken. Vandaag is het zo dat de delegees die vergadering niet willen missen, de datum wordt vastgelegd in hun agenda, dan is er geen plaats voor andere dingen. Zo ageren we tegen de ideologische offensieven van de directie. De ondernemingsraad wordt nu breed besproken: 'De directie wist niet meer hoe zich een air te geven, ze draaiden heen en weer op hun stoel.' En de punten van de match worden telkens geteld. Op de ondernemingsraad kan je ook de plannen van rationalisatie, afdanking en afslanking kaderen in de algemene strategie van de multinational. Het is geen plaatselijk gegeven. Het plan van Fites, een van hun topdenkers, diende voor de 44 afdelingen, niet enkel voor de vs. Rationaliseringen en afdankingen in Gosselies hebben niets te maken met 'slechte tijden' maar met verhoogde uitbuiting, met nog grotere winsten willen. Uiteindelijk hebben ze hun antwoorden van 'je hebt het mis, of gedeeltelijk juist' opgegeven en zijn ze ter zake gekomen. 'Gij zit hier uit de doeken te doen hoeveel winsten een fabriek maakt, maar mijnheer Roeck, dat is toch het doel van een onderneming, dus moetje dat allemaal niet zo negatief voorstellen.' Ze kwamen voor hun zaak op. Ik had ze! Voor de hele arbeidersgroep zegden zij: 'Het is ons doel winsten te maken' en voor diezelfde arbeidersgroep antwoordde ik: 'Maar ik versta niet dat ge nu nog méér winst wil maken en daarom zegt dat het slecht gaat, ons armer wil maken.' Daar konden Delmelle, Vanderlinden of Cuisinier van de directie niet meer op antwoorden. We hadden het gevecht ideologisch gewonnen. Dat is één aspect van het vakbondswerk. Dan is er het werk onder de arbeiders. De weerslag van onder andere ons analysewerk vind je terug in pamfletten, de krant Solidair en in tientallen discussies in de fabriek. Daar zorgen ook arbeiders voor die ondertussen bij de PVDA zijn aangesloten. Hun invloed moetje niet onderschatten. En dan de massa van de 2.800. Bij een actieoproep van de delegatie is er steeds minstens 60% die de oproep van de delegatie volgt. In '96 met de guerrilla van zeven maanden en de fabrieksbezetting was er een actiebereidheid tot 98%. Dus wij staan sterk, er is een pak werk verzet. Dit cijfer bewijst ook dat 'geloven in de arbeiders' geen slogan is. Soms wedden we over hoeveel procent arbeiders bij een stemming, een referendum voor de strijd gaan stemmen. Sommige delegees zeggen dan: 60% gaat ons volgen. 56 Ik zeg dan 'minstens 70%' en ik ben er niet vaak naast. Als je op onze manier aan vakbondswerk doet, staan de arbeiders pal achter je. Sommige arbeiders doen voor de eerste keer mee, anderen hebben al de ervaringen van de laatste vijftien jaar in hun hoofd zitten. Dat maakt de strijd nog steviger. Een studiedienst op zolder Caterpillar heeft sinds '90 een wereldhoofdkwartier opgericht. Een plaats waar hun denktank zit die beweert 'alle problemen op alle gebieden en mondiaal aan te kunnen'. Mijn zolder is ook een documentatiecentrum. We volgen alles van Caterpillar en kunnen wat we ontdekken telkens weer gebruiken om hun steeds nieuwe aanvallen tegen de arbeiders te bevechten. Ik zou durven zeggen dat arbeiders en syndicalisten van de andere Cat-fabrieken zich kunnen scholen met het materiaal die we bijeengezocht hebben. Ons materiaal is natuurlijk niet geschikt voor reformistische doeleinden. Maar klassensyndicalisten en revolutionaire arbeiders kunnen er een eind mee verder. Vanuit Gosselies hadden we vroeger reeds contact met Cat Grenoble en Glasgow. Dat is natuurlijk veel te weinig. En we zouden op internet moeten, maar dat komt nog. Wij hebben ook ons hoofdkwartier: een delegatie op klassen-standpunten, revolutionaire arbeiders en onze studiedienst. Kort de belangrijkste gegevens over Caterpillar: de nettowinst van 1993 bedroeg 652 miljoen dollar, van 1994 995 miljoen dollar (23 en 31 miljard Belgische frank). Uit elk van de 58.000 arbeiders die wereldwijd voor Caterpillar werken wordt per jaar 585.000 frank winst geperst. Op het einde van de Tweede Wereldoorlog had Cat slechts twee vestigingen. Na de oorlog produceerden ze in plaats van militaire civiele werktuigen. In '88 had Cat 22 fabrieken en 89.000 arbeiders, in 1994 werkten 52.800 arbeiders in 43 fabrieken. Alle verlieslatende vestigingen zijn dicht. De loonkost was in 1994 even hoog als in 1980. Waar de markt in elkaar stort zoals in Mexico, of Brazilië of erger nog Afrika - dat te arm is om nog mee te tellen, maar waar Cat nochtans mooie winsten maakte in de jaren '80 - worden de vestigingen gesloten. In '81 verkocht Cat voor 1,9 miljard dollar in Afrika; in ' 87 was dat maar 532 miljoen meer, of een daling van 75% in zes jaar. Het woord Afrika komt vandaag in de verslagen van Cat niet meer voor. De sluiting van de vestiging in Brazilië ging gepaard met een bezetting door de arbeiders. Die werden door het Braziliaanse leger op vraag van Cat uit de fabriek gedreven. 57 In de vestiging van Caterpillar van Peoria, Illinois, begon in de herfst van '91 een staking die vijf maanden zou duren. Inzet: Caterpillar wilde geen cao's meer onderhandelen. Punt aan de lijn. De lock-out volgde en de uaw vakbond breidde de staking uit naar meerdere vestigingen van Cat zodat meer dan 12.600 stakers actief werden. Na vijf maanden van harde staking werd het 'de staking van de jaren 90' genoemd. De 12.600 stakers bevochten een lock-out: daarna dreigde Cat ermee werklozen in hun plaats te zullen aannemen op permanente basis. In de scholen werden de lessen onderbroken opdat de leerlingen naar de piketten konden. De mijnwerkers van Pittston Coal die ook al een staking achter de rug hadden die geschiedenis schreef, vertrokken naar de piketten van Caterpillar. Tamelijk plots werd een einde gemaakt aan de vijf maanden durende staking. De vakbondsleiding van de uaw werd door het stopzetten van de staking als verslagen beschouwd. Tot vandaag is er geen cao meer onderhandeld in Peoria, hoofdzetel van Cat. Stakers werden selectief terug aangenomen: de harde kernen bleven op straat staan, zoals het geval was in de staking van '69 in Gosselies. In '95 braken er in de vs opnieuw stakingen uit tegen het niet afsluiten van cao's. Cat deed beroep op een firma, gespecialiseerd in het verschaffen van ratten die bij een staking als uitzendkracht te werk worden gesteld en die ook over knokploegen beschikten. De stakers werden na het einde van de staking één na één bestudeerd en opnieuw aangenomen of afgedankt. Tienduizenden arbeiders hebben geen cao meer sinds 1991. In de vs wordt de sociale zekerheid door de patroon en niet door de staat betaald. De tienduizenden zijn dus niet meer in orde met pensioen en dergelijke. Het zakencijfer van transnationale ondernemingen als Cat overstijgt dat van sommige van de twintig rijkste landen. Hun infrastructuur en hun organisatorische efficiëntie is beter dan die van vele regeringen of beurzen. Cat hoort bij de 172 multinationals die op deze manier de eigenlijke bestuurders van de wereld zijn. Vijf kapitalistische landen hebben 172 van de 200 grootste multi's in huis: de vs, Japan, Duitsland, Frankrijk en Groot-Brittannië. In die landen moeien ze zich met de regeringspolitiek. In België vaardigde Hansenne een speciale wet uit zodat arbeiders tijdens een periode van een grote bestelling konden werken in een systeem van 'vrij., zat., zon., ma.', voor ons land een onbestaand arbeidscontract. Ik maakte een laatste studie over Caterpillar in '95, en actualiseer ze vandaag. La contre-ré volution transnationale. L'offensive transnational dans les années '80-'90. L'exemple Caterpillar. Te bekomen bij Bob Roeck, Chaussée de Chatelinot, 31,6061 Montignies-sur-Sambre.58 Ik hoor je al zeggen: dat werk is toch marginaal tegenover een multinational met zoveel kaders. Maar dat vind ik niet en wel om de volgende reden. De 3.000 arbeiders van onze vestiging zijn geen individuen, maar een kracht. Als die 3.000 overtuigd zijn van bepaalde principes dan kunnen ze bepaalde aanvallen van Caterpillar tegenhouden. Zo wilde Cat van Gosselies een pwaf (Plant With A Future - een fabriek waar arbeiders met de patroon samenwerken) maken, maar de arbeiders hebben het niet gewild. De grote voorlichtingsvergaderingen daarover zijn fluitconcerten geworden. Zijn wij dan marginaal? Zijn het slechts enkele prikjes? Hoe zit dat nu eigenlijk met de betekenis van je werk? Ik zie dat zo: wie niet fatsoenlijk leert vechten of ongetraind naar een gevecht vertrekt, zal zijn tegenstrever nooit finaal kunnen treffen. Met een multinational als Cat voer je hoe dan ook een defensieve strijd. Caterpillar valt voortdurend aan. Maar het is toch de vraag of ze in de vestiging van Gosselies sinds een aantal jaren nog wel precies kunnen doen wat ze willen. Het zag er goed uit voor Cat met 102 voorhoedearbeiders buiten en de vakbond verdeeld en buiten spel. Maar toen kwam de kentering. De directie kan de voorhoede niet meer losweken van de vakbond want de voorhoede zit in de vakbond, de massa heeft stappen vooruit gezet en uit '89 en de strijd erna lessen getrokken. We worden sterker. Neen, het is meer dan prikken geven. Als ze nu de vakbond willen afdanken zoals in Amerika, zullen ze iedereen moeten afdanken. We kunnen een zware strijd aan, en de hele streek zal ons steunen. In '95 mochten we ook niet staken, er waren dwangsommen. Het heeft onze strijd verhard, en we zullen hem nog verharden als 't moet. Eind '96 antwoordde men op onze guerrilla tegen het besparingsplan met 227 afdankingen. De fabriek werd bezet. Neen, het is echt meer dan prikken geven. Maar ook op andere vlakken doen revolutionaire arbeiders de zaken bewegen. Een makker verkocht op enkele uren 20 pakketjes van 350 frank om kinderen in Korea te redden na de mislukte oogst. Hij zegde me: 'Bob, ik verkoop meer kaartjes voor Korea dan bulldozertjes voor Clabecq op 't moment. Noord-Korea betekent veel voor me. Een socialistisch land, mijn droom is daar werkelijkheid. En dan denk ik aan de boycot van dat land en aan die kinderen, aan het imperialisme overal in de wereld en wat ik doe tegen dat imperialisme. Als het aan mij ligt hongeren ze die kinderen niet uit. Ik bestel nog eens 25 pakketjes.' Op 31 mei waren 600 arbeiders en hun familie in Charleroi bijeen voor een solidariteitsavond met die van Clabecq. We konden hen meer dan 150.000 frank steun overhandigen. Als dank schreef D'Orazio volgende brief: '... Door solidair te zijn met de acties van de openbare diensten, de privé-bedrijven 59 door solidair te zijn met Clabecq en Renault bewijst de delegatie van Caterpillar haar doorzicht, haar vastberadenheid en een hoge vorm van verantwoordelijkheid, dingen die de arbeiders hard gaan nodig hebben in de toekomst. Kameraden van Caterpillar, wees daarom waakzaam: zulke delegaties zijn de schrik van het patronaat die alles zal doen om jullie klein te krijgen. Alleen de eenheid van de arbeiders en de klassensolidariteit zal aan de arbeiders een volwaardige plaats in de maatschappij geven.' Staking '95: een nieuwe wind over Gosselies In '94 was er opnieuw actie, maar het was toch in '95 dat de strijd voorgoed terug van de grond kwam. Wat opviel was dat er vanaf '95 minder acties waren tegen sancties en in verband met ruzies met cheffen, er was een groter bewustzijn bij de arbeiders gekomen en de inzet van de strijd werd anders. Het was een meer principiële strijd tegen een patroon die de verworvenheden van de arbeiders maar blijft aanvallen. In de windstille periode tussen '89 en '93 werd er intern gewerkt. Alles moest eens goed bezinken. Het resultaat was een arbeidersgroep die rond fundamentelere zaken zou beginnen vechten en achter haar delegatie de rangen zou sluiten. Weg waren de delegees die onder de plak van de Parti Socialiste zaten, of door de patroon te beïnvloeden waren. De gevolgen bleven niet uit. Caterpillar speelde nog meer een voorhoederol in de streek. Toen in heel België na het Globaal Plan van eind '93 het stakersrecht werd aangevallen, bespraken we dit in de delegatie. In '95 voerden we dan ook een nieuw type strijd bij de vernieuwing van de cao. Nu eens 24-urenstaking, dan weer 48-urenstaking. De directie van Caterpillar trok naar de rechtbank en kreeg in kortgeding gelijk. Elke delegee die een werkwillige aan het piket tegenhield kreeg een dwangsom van 50.000 frank. Aan het piket van 7 april 1995 verschenen dan ook twee deurwaarders en zestig rijkswachters. Maar om een dwangsom uit te schrijven moetje een naam en adres hebben. Het piket sloot de rangen en zegde: wij noemen allemaal ABVV en ACV. Dan maar in het piket gevlogen. Het duurde een tijd voor men enkele personen kon oppakken. De delegatie antwoordde gepast: 'Dit is fascisme, dat laten wij niet passeren. Wij zullen vechten voor het stakersrecht.' Op 11 april stonden ze alweer buiten voor hun eisen en vooral voor de verdediging van het stakersrecht. De sfeer was gespannen maar er kwamen geen nieuwe aanhoudingen en geen nieuwe aanvallen op het piket. Ook een week later was de sfeer gespannen maar de rijkswacht kwam niet meer tussen. De staking van '95 werd 60 een overwinning. Ook de rest van het werkjaar '95-'96 lieten de arbeiders en delegatie van Caterpillar zich niet onbetuigd. Ze stuurden solidariteitsdelegaties naar de betogingen van de leraars en studenten. Ze waren solidair met Clabecq. Guerrilla van zeven maanden tegen besparingsplan Bezetting tegen 227 afdankingen In '96 bleek dat de grote baas, Mc Kee, een besparingsplan van 1,8 miljard op vijfjaar wilde doorvoeren. We beslisten om actie te voeren. Hoe konden we de patroon en het gerecht bevechten die zeker opnieuw het stakersrecht zou beknotten? We legden deze vraag aan de hele fabriek voor. Aan alle arbeiders. Eén antwoord: doordat alle arbeiders het gevecht van de delegatie en de militanten mee op hun schouders zouden nemen, alle 2.800. Als die 2.800 rond hun delegees stonden hadden we een oninneembaar fort. Alle arbeiders moesten dus hun verantwoordelijkheid opnemen. En ja, het lukte. Er werd massaal beslist in de fabriek op allerlei manieren actie te voeren. Tegen november '96 telden we 34 stakingsdagen, onaangekondigde stakingen die door meer dan 95% van de arbeiders werden opgevolgd. Zo konden de delegees niet voor de rechtbank gedaagd worden. Deze keer toch niet. De delegatie maakte de acties pas de dag zelf bekend. Nu eens een 24-urenstaking, dan weer een blokkeren van de burelen van de bedienden en kaders, dan weer het tegenhouden van de producten die in onderaanneming gemaakt worden of het blokkeren van de aanvoer van stukken. Ik heb nooit zo'n strijdvaardigheid gezien, zo'n hoog niveau van strijd onder de arbeiders dan met deze guerrilla. Zo kon het gebeuren dat we opriepen tot staking als de nachtarbeiders reeds aan hun machines stonden. Onvoorstelbaar. In twee gebouwen van elk 200 breed en 200 lang gingen we slechts met twee delegees binnen. We hadden een fluitje: het signaal dat het staking was en op een paar minuten tijd liepen die immense gebouwen totaal leeg. De arbeiders stonden gewoon klaar met hun tikkaart in de hand, klaar om aan de actie deel te nemen. Tot 98% van de arbeiders volgden de delegatie tijdens de guerrilla. Met deze strijdmethode gingen we terug naar de goeie oude tijd: de fabriek zélf als strijdtoneel. Alle ordewoorden werden ook lang besproken door de arbeiders zodat ze wisten waaraan ze begonnen. We slaagden er deze keer ook in om de bedienden aan de kant van de arbeiders te krijgen. In die zeven maanden is er een hechte band tussen 61 de delegatie en de arbeiders gegroeid, we zijn één geworden. Vroeger waren het de voorhoedearbeiders die als eerste een actie of staking op gang brachten. Maar die hadden niet altijd de meerderheid van de arbeiders achter zich. Maar nu zijn die voorhoedearbeiders delegee geworden. De patroon zat niet stil. Na zeven maanden guerrilla kwam het: 'Jullie willen niet inleveren, noch op lonen, noch willen jullie praten over nog meer flexibiliteit, en afvloeiingen komen er ook niet: ik dank 227 arbeiders af: hier is de namenlijst!' De 227 waren al opgebeld thuis. Ze moesten zich niet meer aanmelden. De reactie van delegatie en arbeiders was unaniem: Nooit! Bezetting van de fabriek! Na dat weekend kwamen de 227 naar de poort en probeerden binnen te geraken. Ze mochten niet meer binnen. De delegatie bracht hen op twee plaatsen samen. De overige arbeiders leken gewoon met hun vroege shift te beginnen. Eenmaal binnen en aan hun werkplaats braken de arbeiders de fabriek aan de twee kanten waar de ontslagen arbeiders stonden open. Iedereen binnen. De 227 begonnen aan de bezetting. Ze gingen naar hun gewone werkplaats. Uit de bezetting van de 102 in '89 hadden de arbeiders de les getrokken dat dit efficiënt was. De patroon had in die dagen geen gram productie. Hij zat op zijn knieën. Vandaag bezetten de 227 en de andere 2.500 hadden een hamer en een tang in de handen maar ze werkten niet. Eigenlijk bezetten die ook. Deze manier om de 227 binnen te krijgen was bijzonder efficiënt. Tijdens de eerste bezettingsdag gingen een aantal arbeiders slaapzak en luchtmatras halen maar de meesten wilden niet meer uit de fabriek, ze wilden niets missen, geen enkele toespraak. Ze hebben heel de bezetting geslapen in hun werkkledij en op een karton op de grond. Het was een fantastische bezetting. In het begin was het ordewoord gegeven dat de bezetters moesten gaan slapen op hun gewone werkplaats. Zo waren ze over de fabriek verspreid en konden ze op geen enkel moment door de rijkswacht bijvoorbeeld geïsoleerd worden. Maar tegelijk was de idee verspreid om zoveel mogelijk discussies te voeren met hun kameraden. Dus gingen de bezetters overal rond, ze konden zo de fabriek eindelijk eens bezoeken: dat wilden ze allang eens doen: de hele fabriek kennen. Je werkt daar jaren en je kan dat niet eens bezoeken. Of ze gingen zoeken naar vrienden en wat die precies moesten doen. Er is nooit zoveel gediscussieerd als tijdens deze bezetting. Analyseren, debatteren, discussiëren, uiteenrafelen, en na uren en uren alles verteren in die grote collectieve maag. De patroon moest alle afdankingen intrekken en moest bepaalde toegevingen doen in verband met onze eisen. We hadden gewonnen. 62 Gelukkig zijn: een collectief gegeven en gevoel Ik heb heel mijn leven een logica verdedigd tégen die van het kapitalisme. Op alle vlakken. Dat maakt je tot een vrij man. En is dat niet de basis van geluk? Als je ziet hoe arbeiders zich bijna lijfelijk moeten onderwerpen in de fabrieken en je bent daar heel je leven tegenin gegaan dan voel je je gelukkig, want bij ons hebben we daar toch resultaten van. Ik ben voor een andere maatschappij zonder uitbuiting van de werkmens. De arbeiders appreciëren dat. Om schouderklopjes te krijgen moetje niet in de fabriek gaan werken maar als je een paar dagen afwezig bent is het van 'we hebben je deze week niet gehoord'. De arbeiders weten ook dat elk van hen belangrijk is voor me, ze weten dat ik dat meen: dat ik hen serieus neem, elk van hen. Als individu en als collectief. Door mijn marxistische visie zie ik ook die solidariteit, door de band die er is onder de mensen. Hoe komt het toch dat die mannen van Caterpillar zo vaak solidair zijn met anderen en hoe komt het dat die altijd strijdbaar zijn? Daarbij horen, dat maakt me gelukkig. Gelukkig zijn is voor mij geen abstract iets. Wat wij meemaakten samen, de evolutie van 't begin van Caterpillar tot vandaag. Al de discussies, de strijd, de droefheid, de tegenslagen, we hebben het allemaal gedeeld. Die arbeiders dat is mijn familie: het zijn mijn broers. Wat me telkens weer pakt en doet zeggen dat de arbeiders een solidaire klasse is, is de houding tegenover mekaar op het werk. Als een arbeider te snel werkt dan wordt die op zijn plaats gezet. Maar als een arbeider niet meekan krijgt die heel veel steun van links en van rechts. Iedereen wil dan helpen. Als een arbeider het door familiale omstandigheden, of andere reden niet goed ziet zitten, staan daar twintig handen klaar om bij te springen, en die collega zal verdedigd worden omdat ze zichzelf erin terugvinden en dit is een collectief én individueel gegeven. 63 Dirk - Inhoud - de fabriek
1987, stakersvergadering van de Sidmar-arbeiders. Vooraan met uitgestrekte hand, Dirk Goemaere die de micro vraagt. (Fotoarchief Solidair)
Staking 1987. Midden piket: Dirk zoals iedereen hem kent. (Fotoarchief Solidair) Ik leerde Dirk Goemaere kennen toen hij 20 was. Lang, mager en gedreven op zoek naar antwoorden. Zou hij die vinden in de richting moraal aan de unief? Motor, provo en als scholier mei '68 meegemaakt. Zuid-Amerika lonkte. Hij was gefascineerd door het milieu van de Argentijnse bannelingen. Aan mensen die naast hun schoenen lopen had hij een hekel, hij bootste hen na met oog voor detail, cynisme en fijne mensenkennis. In Waasmunster en Noord-Frankrijk liggen zijn roots: Vlaamse arbeiders die in het oogstseizoen 'de campagne' gingen doen en er bleven hangen. Dirk verdraagt geen onderdanigheid. Hij is atheïst omdat de kerk dat 'lotsgevoel' van onderdanigheid bij zijn familie heeft ingeprent dat de kleine mens klein houdt. Maar 'naar de arbeiders gaan' zoals de studenten die naar de Limburgse mijnen trekken, ziet hij niet zitten. Van zijn zestiende af heeft hij in de vakantie onder arbeiders gewerkt en hij vindt dat de marxistische studenten hen idealiseren. Hij vindt arbeiders ingekapseld, ingeslapen en niet revolutionair. Hij geniet van de debatten met Kruithof aan de Gentse universiteit, van lezen en studeren. Zijn kennismaking met het marxisme is een schok. Het zet zijn wereld op z'n kop. Een totaal nieuwe visie op de arbeiders en op de wereld. Hij stopt met zijn studies. Kruithof ziet het een beetje met lede ogen aan, maar steunt hem toch: 'Was ik jonger en gezonder geweest, dan had ik die weg misschien ook gekozen.' Dirk werkt een tijdje in een textielfabriek in Lokeren. In '74 komt hij terug naar Gent. Als ik mijn reiszak pak en Gent stilaan verlaat, pakt hij zijn koffer uit om bij Sidmar te gaan werken. Ik wist niet dat hij ervan droomde grote groepen arbeiders toe te spreken. Zijn voorbeeld is Lenin: in het Winterpaleis in debat met het volk, de man van de polemiek ook. Een Argentijnse cantate speelt tot de jaren '80 in zijn hoofd, ook als hij naar de nachtploeg vertrekt, zeven dagen op rij, met lood in de schoenen. Het is het lied van de opgesloten spoorwegarbeider Eugenio die naar een zonnestraal hunkert, en naar de revolutie. Dirk vindt van zichzelf dat hij 'in ralenti' leeft. De cantate verzoent hem met dat nachtwerk. Esos pasos Ie buscan a é l?Nadie detiene al sol, Nadie detiene al gallo cantor 66 Nadie
detiene al dia (Een cantate van het Cuarteto Cedron, een gedicht van Juan Gelman.) Hoe onwaar dit 'ralenti' is, blijkt jaren later, in '87, als Dirk een staking van Sidmar leidt. De staking zorgt voor een stroomversnelling, tilt de arbeiders op in een groeiend zelfvertrouwen. Vakbondssecretaris Erik Van Assel (eva) keert zich tegen de staking en daarom eisen de arbeiders een nieuwe leiding. Ze zijn die man meer dan beu. Van Dirk verwachten ze dat hij als de bliksem vakbondsman wordt. Het is één verraad te veel geweest. Heel de syndicale zone Gent spuwt Eric Van Assel die ook in de sp van Wachtebeke het hoge woord voert, uit. Voor Dirk komt er een afspraak met de geschiedenis. Een frisse wind brengt een nieuw bestuur, een nieuwe secretaris. Maar met het geld van Sidmar saboteert Van Assel de werking. Hij wil niet opstappen, blijft onwettig de lakens uitdelen. Hij drijft het zover dat twee strijdbare delegees onwettig worden afgezet. Nieuwe verkiezingen lijken de enige uitweg. Een democratische lijst wordt aan de arbeiders voorgelegd. Als vrijgestelde delegees worden 'de vier' gekozen: Herman De Kegel, Frans Broer, Dirk Goemaere en Dirk Van Hecke. Voor de arbeiders begint een tweede leven, de poorten van de gevangenis die Sidmar is, worden opengegooid. Na zes weken dankt de patroon 'de vier' af, hij is bereid daarvoor vele miljoenen te betalen. De rechter bevestigt: de wettelijk verkozen delegatie is onwettig afgedankt. 'Er is de wijsheid van een rechter en de wijsheid van een directie', reageert de Sidmartop koeltjes. De wet heeft geen betekenis voor zo'n directie: ze hebben toch de macht. Vandaag vindt Dirk het verkeerd dat 'de vier' toen niet weer naar het werk zijn getrokken. Gaan werken en vanuit een planmatige strijd komen tot een situatie waarin de arbeiders sterk genoeg zijn om hun erkenning af te dwingen. In december '87 heeft niemand die gedachte doorgezet. De illusies overheerste dat de nieuwe ABVV-structuren hen wel voor definitieve afdanking zouden behoeden. De eerste vijfjaar na zijn afdanking was het gevoel 'weggerukt' te zijn groot. Veertien jaar continu werken en vechten en toch buiten. Bij de sociale verkiezingen van '91 riepen 'de vier' op voor zes linkse arbeiders te kiezen. En dat gebeurde ook: als ode aan 'de vier' werden de zes verkozen. In '94 won Dirk het proces rond zijn afdanking. De directie betaalde hem drie miljoen. Dirk overhandigde dit geld aan de poort van Sidmar aan Kris 66 Merckx van de PVDA. De fabriek juichte: 'Nu betaalt de patroon de pamfletten die Dirk en de PVDA schrijven', en binnenrijdende bedienden riepen door het raam van hun wagen: 'Gij hebt tenminste principes'. Dirk blijft koppig aan de poort van zijn Sidmar staan. Vandaag, elf jaar na de afdanking is hij nadrukkelijker aanwezig in de fabriek dan vijfjaar geleden. Jonge arbeiders die 'de vier' enkel van overlevering kennen, drukken hem de hand. 'De vier' zijn een referentiepunt geworden: zo'n leiders wil men. Een groep strijdsyndicalisten heeft de fakkel van 'de vier' overgenomen. De gevangenispoort staat opnieuw een stukje open: voor de Sidmararbeiders en voor Dirk. Een banneling komt thuis. De cantate is klaar. Ik ben geboren op 26 mei 1951 te Lokeren, en opgegroeid in De Ruyter een dorp bij Waasmunster. Een streek van boeren en textielarbeiders, een prachtige streek... Ik hield ervan op de heide rond te zwerven, ik ken de streek dan ook door en door. Je vindt er veel verwijzingen naar de Tweede Wereldoorlog en het verzet. Veel arbeiders en boeren van hier hebben in Breendonk gezeten. Mijn vader is in Rijsel opgegroeid. Zijn grootvader was de eerste seizoenarbeider vanuit De Ruyter. 'Ci§a' noemden ze hem omwille van zijn Frans stopwoord 'c'est 9a'. Op klompen trok hij te voet naar Frankrijk. Twee keer per jaar maanden van huis, eerst om de bieten uit te dunnen, daarna om ze te oogsten. Hij leefde daar in een barak en in de weekends werd er gedronken van heimwee en miserie. In Suiker schrijft Hugo Claus over die tijd. Mijn vader heeft me eens meegenomen naar de wijken in Rijsel. Rue de Flandres, houten huizen rondom een binnenkoer, waar hij zijn jeugd doorbracht. De dochter van 'Ci§a' huwde Victor Goemaere van de Kemmelberg en dat gezin ging in Rijsel wonen. Het leven van Victor was tragisch. Soldaat in de slachtpartij van de Eerste Wereldoorlog. Bij de cavalerie. Hij kreeg mosterdgas over zich en zijn paard viel dood neer. De gasvergiftiging was hem net niet fataal. Met zieke longen sleepte hij zich nog tot zijn 33ste verder, dan stierf hij. Mijn grootmoeder sprak het leger aan, maar kreeg geen frank. Ze kon niet 'bewijzen' dat het mosterdgas zijn dood was. Als naaister in Rijsel kende ze armoede na de dood van Victor. Zij was verplicht mijn vader tot zijn zeventiende bij de broeders in Westmalle te plaatsen. Daar kreeg hij een degelijke opleiding, zeker voor die tijd en voor zijn afkomst. Hij werd elektromechanicus. Zijn afkomst gomden de broeders weg. Tijdens de Tweede Wereldoorlog trok hij naar het huis van zijn grootmoeder in Waasmunster maar moest er vluchten voor de nazi's. Er waren patroons in het Waasland die collaboreerden maar net voor de Duitse nederlaag geld aan de 'witten' gaven. Zij werden 67 gespaard na de oorlog. 'Men kan niks veranderen aan de wereld: geld wint altijd, de kleine man is altijd en voor eeuwig de dupe, zelfs van zijn eigen verzet,' concludeerden mijn ouders. Mijn vader heeft tot zijn pensioen telefooncentrales voor Bell Telephone geïnstalleerd. Ook mijn moeder is afkomstig uit een arbeidersgezin. Op haar veertiende werkte ze al in de Manta-fabriek. 's Morgens om vier uur te voet naar het werk. Meestergasten waren de schrik van jonge meisjes en vrouwen. Moeder heeft er driejaar gewerkt, genoeg om nooit nog één stap in een fabriek te zetten. Daarna ging ze 'dienen' bij een rijke weduwe, Michiels, het hoofd van een textielimperium. Een echt decadente 'lustige weduwe'. Gaan 'dienen' was een gegeven voor vele jonge meisjes van moeders generatie. Die meisjes bekeken arbeiders door de ogen van mensen als mevrouw Michiels: er was 'gemeen volk' bij. 'Upstairs-downstairs': onderwerping aan de rijken en tegelijk neerkijken op de arbeiders van de fabrieken. Zo ben ik opgevoed. Mijn ouders droomden van een betere toekomst voor hun zoon maar tegelijk moest ik in de beslotenheid van thuis blijven. Geen stap erbuiten. Mijn moeder droomde ervan dat ik diplomaat werd en mijn vader zag me als kader van Bell-ITT de wereld afreizen. Dus mocht ik geen kind van de straat worden. Dat botste met mijn karakter: ik ben een 'sociaal beest'. Als ik voor veertien dagen op vakantie ga naar Italië, voel ik me vervreemd van mijn Belgische omgeving. Geen goeie eigenschap, maar zo is het. In de vrije tijd, in de 'cocon' van thuis, ontwikkelde ik technische vaardigheden: brommers en andere machines hadden stilaan geen geheimen meer voor me. 's Woensdagnamiddags werkte ik aan brommers. Daardoor had ik een band met jongens die naar de technische gingen. Ik ging naar het Atheneum van Lokeren. Ik las veel. De leraar maakte mij verantwoordelijke van de klasbibliotheek. Het wetenschappelijke boeide me. In mijn boekenrek filosofie, existentialisme, Jef Geeraerts en andere literatuur en poëzie. Elke week wachten op de nieuwe Humo. De lezersbrieven en de antwoorden van Willy Courteaux, de interviews met Fidel Castro en anderen. Mijn beste vrienden waren Rudy Van Doorslaer, Daniel Verhoeven, Michiel Van de Voorde en Laurette Muylaert. Daniel was in Gent uit een eliteschool gevlogen omwille van zijn rebels gedrag. Hij had voorsprong op de vier anderen. Hij kwam immers uit het middelpunt van het leven en de strijd zelf: in '68 volgde hij de studentenbeweging van Gent, was het leiderstype en ging tegen alle stromen in. Hij verdedigde de Palestijnse revolutie, de Vietcong en dat hij daarbij velen tegen de haren streek, interesseerde 68 hem zelfs niet. Michiel was een zweverig type. Hij was met cryptische gedichten bezig. En dan Laurette, ook op zoek. In '69 hield GSB, de Gentse Studentenbeweging, in Lokeren een voordracht voor scholieren. Ze legden uit waar het in Gent om ging. Er kwamen dertig a veertig jongeren luisteren. Van de laatstejaars van mijn school waren er acht. Een scholierengeneratie geraakte bij mei '68 en Gent '69 betrokken. In de vakantieperiodes zocht ik werk. Naar de haven van Rotterdam via een koppelbaas. Ik werkte er met 'zware gasten', met oorbel (in die tijd) en tatoeages, die om de zoveel minuten een vloek naar de hemel jaagden. Maar ik schoot goed met hen op. Daardoor ontgroeide ik wel snel de zorgeloosheid van het humaniorabestaan. Ik verlangde naar de universiteit en naar 'het volwassen leven'. En dan de provobeweging, Amsterdam en Parijs! We flirtten ermee. Ik ben eens een week naar Amsterdam getrokken, op zoek naar dé provo's. Ik ben met een kater teruggekeerd. Op de Dam vond ik alleen de reuk van joints en iedereen was meer dan stoned. Dat was mijn ding niet. Mijn slogan was: 'People are the trip'. Dan maar naar Parijs. Ook dat viel tegen: de studentenrevolte was afgelopen. Ik heb in Parijs alleen maar wat rondgezworven en heb me 's nachts aan de roosters van de metro verwarmd. Oktober'69: Gent In oktober 1969 begon ik politieke en sociale wetenschappen te studeren aan de universiteit van Gent. Het was een half jaar na de 'Maartbeweging'. Omdat ik niet direct 'op kot' ging maar over en weer spoorde, leerde ik bijna niemand kennen aan de unief. Ik was naar de universiteit gekomen om te discussiëren en te studeren, ik had gedacht veel kritische professoren te treffen, maar dat bleek niet het geval. Carrière maken, geld, 'goed leven' heeft me nooit aangesproken. De studenten van mijn jaar waren daar wel mee bezig: de herwaardering van hun beroep. Mijn ouwe vrienden Rudy, Daniel, Laurette en Michiel waren ook wel in Gent, maar die zaten op kot. In januari '70 waren er de grote piketten aan de Limburgse mijnen. Jef van GSB discussieerde met me om mee te gaan naar Limburg. Maar het zegde me totaal niets. Ik vond dat de arbeiders compleet waren ingeslapen om het zacht uit te drukken. Dat kwam natuurlijk door mijn opvoeding maar ook door mijn eigen evolutie als jonge intellectueel. Arbeiders en geld bijvoorbeeld. Ik had een 69 totaal ander idee over geld. Geld had je nu eenmaal een beetje nodig om te overleven. Ik herinner me discussies met de hele familie over geld. Mijn stelling was: 'Geld is er om boter te kopen, 't is geen streefdoel.' In de naoorlogse jaren smeten de gewone mensen alles wat oud was weg, inclusief oude meubelen, waar ik zoveel van hield. Ik herinner me dat ik een mooie oude stoel probeerde te redden bij een grote kuis. Ik zag niet dat de werkende klasse wilde laten zien dat ze niet langer arm was. Het biefstuk-socialisme was er goed ingeklopt door de sociaal-democratie. Het was het begin van het conflict tussen een jonge intellectueel en zijn thuismilieu. Ik liep erbij als een provo. Mijn moeder vond me 'de schande van het dorp' maar stilaan accepteerde ze mijn outfit toch. Voor de arbeiders in de streek was ik een zonderling met lak aan hun normen en op zoek naar 'flower-power', 'Jezus Christus in cowboy-kledij' (jeans) noemden ze me. Hun leven was harde realiteit. Ze zagen het broze van mijn idealisme. Ik bekeek de arbeiders als een outsider en ook de verandering van de maatschappij bekeek ik zo. In de fabriek gaan werken, dat deed je als je geld nodig had. Ik stond op mijn status van student: ik was erg intellectualistisch en ongeduldig in dat studeren. Een boek half uitlezen en aan het andere beginnen. Het werd een verloren jaar, ik wilde naar een andere richting: filosofie of moraal. Maar boven alles wilde ik op kot in Gent om 'echt aan de unief' te zitten. Ik ging in de zomermaanden werken bij Shell Rotterdam en bij l'Azote in Sluiskil bij Terneuzen. De 40.000 frank die ik bijeengewerkt had, gaf ik aan mijn moeder en elke week gaf zij mij daarvan een deel. In Gent ging ik in het Zilverhof wonen. Bij mijn Lokerse vrienden. Ik deed moraal en heb de beste herinneringen aan Kruithof. Academiejaar '70-'71 dus. Willem, die zijn studies had stopgezet en in de fabriek werkte, kwam met waterdichte argumenten uitleggen waarom je je als intellectueel moet verbinden met de arbeidende klasse. Maar ik bleef op mijn strepen van intellectueel staan. Ik had dan ook een hele batterij argumenten waarom ik niet onder de arbeiders wilde gaan werken. In '71 was er een grote beweging van solidariteit met Indochina. Het was het begin van een grote verandering in mijn leven. Er was een betoging met verboden parcours. Er waren arrestaties en daar was ik bij. Toen we vrijkwamen werden we als helden gevierd. Er werden ook films van Joris Ivens over Indochina gedraaid, over Vietnam: De zeventiende breedtegraad, over Laos: Het volk en zijn geweren. En met die films kwam ook de kennismaking met het wetenschappelijk socialisme. De langdurige volksoorlog van de Vietcong baseerde zich op het marxisme zoals het door Mao Tse-Toeng was uitgewerkt. En kwam ook een China-driedaagse met films 70 als De ondergrondse oorlog. Tegelijk met de films kwam de kennismaking met de wetenschappelijke benadering van het probleem van de opheffing van de uitbuiting. Dat was een taal die ik verstond, en waarin ik arbeiders kon plaatsen. Ik ontdekte waar ik al jaren naar op zoek was. Ik was onder de indruk over wat een volk kan eens het begeesterd is door marxistische ideeën. En dan, midden in de examenperiode brak er een staking uit bij Bell Gent en deze keer ging ik wel naar de piketten: dat was een duidelijk kiezen tussen studeren en aan de piketten staan van 's morgens vroeg. Vanaf die staking begreep ik de beweging naar de arbeiders. De idee om je voor een wetenschappelijk gefundeerd ideaal in te zetten sprak me enorm aan. Mijn tienerjaren hadden vele existentiële vragen onopgelost gelaten. Sartre zat daar voor iets tussen. Dat veranderde nu allemaal. In 't paasverlof werkte ik opnieuw in een textielfabriek van Lokeren met vernieuwde kijk op de arbeiders. Die vrouwen waren fijne mensen, in het geheel geen 'gemene wijven' zoals me in mijn opvoeding verteld was. Toen kwam natuurlijk de vraag wat ik met het diploma moraal aan nuttigs ging kunnen doen. Lesgeven. Willem benadrukte dat we in een periode van begin van een revolutionaire organisatie waren en dat de grondpeiler het werk onder de arbeiders was. Ik vroeg me af 'ga ik als leraar wel mee het verschil maken voor diegenen die uitgebuit worden?' Mijn antwoord was: neen! Aan Jaap Kruithof ging ik als eerste zeggen dat ik besloten had te stoppen met studeren aan de unief. Dat ik in de fabriek ging werken en het marxisme wilde studeren. Hij vond het spijtig want hij zag me wel zitten. Maar hij had vorige jaren al militanten van de Marxistische-Leninistische Beweging (MLB) zien vertrekken naar de fabriek. De reactie thuis op de stopzetting van mijn studies was verschrikkelijk. Moeder was erg emotioneel. Vader vond me een dommerik. 'Onnozelaar, ge zijt gewoon lui geweest, ge hebt het verbrod, we hadden u nooit op kot mogen laten gaan' en ook 'haal eerst uw diploma dan kan je ze van binnenuit pakken vanuit een hoge positie!' Daar gingen hun dromen van een beter leven voor mij. Ik vond het heel erg dat ze door mij verdriet hadden. 'De arbeiders gaan het u niet eens in dank afnemen Dirk.' Toen ik enkele jaren op Sidmar werkte is dat geluwd: een 'vaste job' is toch ook 'iets'. Samen met Freddy begon ik in Lokeren een arbeiderswerking van de PVDA. Onder de neus van mijn ouders werd ik marxistisch militant. We huurden een klein arbeidershuisje. De mensen van de buurt verstonden er niets van. Twee gasten samen die er totaal anders uitzagen dan de doorsnee arbeider. Ik weet nog dat de dokter eens moest komen omdat Freddy ziek was, die zei provocerend 'dag madame' tegen mij. Ik weet niet wie van ons twee toen het kwaadst was. Onze integratie in de arbeidersbuurt was niet helemaal gelukt. Maar ondertussen werkten we in de fabriek. Ik in de vlasbewerking. We bewerkten de grondstof voor fijn linnen. Het was er hard werken, 's Middags aten we onze boterhammen op straat, dan zaten we daar op een rij: arbeiders die wat frisse lucht kwamen happen. Het was ploegenwerk en na zes vroege shiften ging je naar vijf late en daarna opnieuw de vroege. Ik moest tot drie keer toe in ziekteverlof gaan om te recupereren. Dat is te veel voor een eerste jaar fabriek. Ze hadden me kunnen afdanken. De periode in Lokeren was mijn 'laboratorium' om daarna op Sidmar de zaken aan te kunnen, 't Is goed als je kan starten in een kleine fabriek waar je fouten 'kan' maken want in een reus als Sidmar zijn die fataal, en buiten is buiten. De periode in Lokeren was ook mijn 'alibi' waardoor ik zonder problemen in Sidmar kon beginnen. Ik werd niet verdacht als student: ik kwam uit een Lokerse fabriek. De schrik voor AMADA-studenten zat er bij Sidmar goed in. In februari '74 kwam het bericht dat ik proeven mocht doen bij Sidmar. Maar de dag van de proeven kwam ik van de vroege shift en was ik een wrak, moe tot in mijn ziel. Bij de technische proeven beefde ik meer dan een klein beetje. Ik dacht dat ik het verknald had en verwenste mezelf. Alleen een intellectueel haalt het in zijn hoofd in zo'n droomfabriek na een zware shift proeven af te leggen. Maar in maart '74 kon ik beginnen. Sidmar: staal aan zee Sidmar is in 1966 opgestart en produceert vlakstaal. Met moderne installaties wordt er geproduceerd in logische volgorde, van het begin tot het einde van het proces. De machines staan opgesteld in toevloeisysteem. Alle stappen volgen mekaar dus op in het productieproces, er is nergens verplaatsing of onderbreking nodig. Sidmar is aan een zeehaven gebouwd. Er werd op de export gemikt, maar dat bleek een misrekening: de Derdewereldlanden maken goedkoper staal. Daarom legt Europa zich toe op staal van een hogere kwaliteit. Twee derde van de productie wordt afgezet in Europa, een derde erbuiten. Er is lang gedacht aan drie hoogovens. Toch wordt vandaag met twee hoogovens en minder arbeiders meer staalproductie gemaakt dan wat met drie ovens was gepland. Er was werk voor 10.000 arbeiders beloofd in ruil voor enorme subsidies. Maar er waren nooit meer dan 6.650 arbeiders. Vandaag zijn er minder dan 6.000 werknemers waarvan 4.250 arbeiders. Er wordt in een zevendaags volcontinusysteem gewerkt met vier ploegen. Sidmar maakt grote winsten en had in 1996 89 miljard aan eigen 72 middelen, vandaag is dat reeds een veelvoud. De arbeiders kenden dit cijfer en waren dan ook niet akkoord toen Sidmar 10% wilde besparen. De arbeiders verdienen elke tien jaar deze 89 miljard voor de fabriek terug. Met de PVDA publiceren we regelmatig cijfers over hun winsten. De streek van Zelzate is sinds de jaren '30 een BWP, vandaag SP-streek. De BWP kreeg de stemmen van de stakers van' 32 en' 36 achter haar naam. Vanaf toen is er onafgebroken een BWP/BSP/SP-burgemeester in Zelzate. We spreken hier over de rechtervleugel van de in het Gentse zo machtige sociaal-democratie. Van in de jaren '30 werden communisten en antifascisten die in de Spaanse Burgeroorlog gingen vechten, systematisch zwartgemaakt door deze sociaal-democraten. Niet dat die zich lieten doen. Berke Fiers, Sidmar-arbeider, die als communist in Spanje vocht, kon ervan meespreken. Bij de economische expansie van de Kanaalzone was de sp aanwezig bij alle deals, heeft twee voeten in huis in alle grote bedrijven. En de vakbond? Sidmar wil een huisvakbond en repressie en willekeur tegen de werkers. De vakbondsleiders moeten dus mannen zijn die de sociale rust bij de arbeiders kunnen blijven verzekeren. De ideale man is de populistische tafelspringer van Volvo-cars, Eric Van Assel (EVA), uit een groot BWP-gezin van Wachtebeke. En inderdaad hij lust de communisten rauw, en heeft bewezen dat hij in zijn communistenhaat zelfs de vakbeweging durft te schaden. Een getrainde demagoog: 'Sidmar geeft werk, daar spuw je niet op: werk maar wat harder en zwijg!' Bij het opstarten in '66 hadden de arbeiders geen syndicale ervaring, de Waalse arbeiders die de hoogovens moesten opstarten niet te na gesproken. Vier jaar na het opstarten van de fabriek brak reeds een harde wilde staking uit, onder leiding van deze Waalse makkers. Ze werd met zware rijkswachtrepressie en dagelijkse opsluiting van AMADA-militanten gebroken. De namen van mijn makkers zijn fictief Sidmar is een multinational. In '93 werd Klöcker (Duitsland) overgenomen met meer dan 4.000 arbeiders en drie miljoen ton staal per jaar, daar waar Sidmar goed is voor vier miljoen ton. In augustus '97 verwierf Arbed 35% van de grote Spaanse staalgroep csi, nu Aceralia. Dit alles kadert in het plan om de derde grootste staalproducent ter wereld te worden. Er wordt geëxperimenteerd met productieprocessen zonder hoogoven en met hypermoderne gieterij. Als dat lukt staan tegen 2002 één op drie arbeidsplaatsen op de tocht bij Sidmar. Arbed, de multinational. In haar walsdraadfabriek in Brazilië, Belgo Minièra, werken 18.000 arbeiders, Arbed is ook in de vs aanwezig. Sidmar-Arbed heeft reeds bewezen dat ze desnoods verkozen delegees en vakbondsmilitanten afdankt. We kunnen grote herstructureringen verwachten. Er komt nog harde strijd. Al mijn makkers waren het er dan ook over eens dat het belangrijker was klaar te staan voor de strijd dan een afdanking te riskeren door met hun echte naam in dit boek te komen. Start op Sidmar als kelderman Ik had goede testen afgelegd. De verwelkoming door de Sidmardirectie was in ieder geval onvergetelijk. Wij, pas aangeworven arbeiders, werden welkom geheten door de grote baas Devriendt, gebruinde huid in de winter: 'Wat is het leven toch stralend voor jullie!' We kijken niets begrijpend naar mekaar. 'En waarom is het leven zo stralend? Omdat gij allen op Sidmar begint te werken, en er is meer: uw baas is goedgezind want hij komt van de wintersport, wat moet ge nog meer hebben?' Het kostte ons moeite om ernstig te blijven. Dat was dus de bedrijfscultuur! Uw baas is uw baas niet maar een medewerker. En tegen een 'mede'werker zegje alles. Verklikken noemen werkers dat. Ik werd kelderman, kelderopzichter in de koudwals, afdeling Tandem. Ik werkte er samen met een ex-zelfstandige en met een boer die dacht dat die kelder zijn akker was. De machines zijn er tien tot vijftien meter hoog. Onder de machines, in de kelder staan vele complexe machines voor het walsprocédé. Veertig a vijftig punten van het koudwalsproces moest je onder controle houden. Niet op één verdiep, maar op twee. Steeds weer trappen op en af, en snel zijn. Een groot werkgebied. Bij koudwalsen komt veel olie en druk te pas. Naast de kelder staat een pompstation. Daarvan moest ik regelmatig 10.000 liter olie overpompen. Slechts zeven arbeiders in de ploeg. Ik stond in voor alle smeringen van de machines van één Tandem en moest de druk in de gaten houden. Ik werd overvallen door die uitgestrektheid, de duisternis, de leegheid van dat gebouw, het gedonder en het hels lawaai, de gangen in de kelders, de eenzaamheid. In het begin vond ik dat de rotste karwei die ik ooit moest doen, maar achteraf vond ik het een tof werk, omdat ik er veel vrijheid had, daarom heeft de directie me er ook uitgehaald. In die kelders verstopten we ons tijdens een actie na onze afdanking. Een tijdje later maakte ik twee fouten en leerde ik de échte Devriendt kennen. De eerste fout was niet erg, iets met de druk, ik kon het oplossen zonder een uitbrander te krijgen, maar de tweede keer vloog ik naar de directie. Ik moest 10.000 liter olie overpompen en was ondertussen ander 74 werk aan 't doen. Geen probleem: het vullen duurt twee uur. Na 8.000 liter had ik nog wel even tijd voor een boterham. Maar ik geraakte in een discussie gewikkeld en vergat de olie. Plots kwam er iemand aangelopen: 'Ben jij de kelderman?' De olie was reeds een tijdje aan 't overlopen! Ik moest naar Devriendt: 'Ge zijt niet genoeg gemotiveerd: Weetje wel hoeveel dat grapje ons kost? Dertig frank de liter. Dat wil zeggen dat ge twee maanden zult moeten komen werken om dat terug te betalen. Dat zouden we kunnen vragen, hoor!' Dat was Devriendt in zijn gewone doen: intimidatie. Toen ik mijn makkers over die uitbrander vertelde, zeiden ze: 'Per dag gaan duizenden liters olie verloren door de vele lekken, daar gaat meer olie verloren dan door je foutje. Die lekken worden niet systematisch gedicht, dus met welke recht spelt hij je de les? 't Is intimidatie. Niets van aantrekken Dirk.' Wat ik onthoud uit de eerste zeven jaar Sidmar is een kazerne, een gevangenis. Als je vijf minuten niet op je plaats bent, krijg je een vermaning en na een paar vermaningen wordt dat een waarschuwing. Strijdbare arbeiders hangt elke dag het zwaard van Damocles boven het hoofd: 'mutatie'. Je krijgt dan een andere job waarvan de directie denkt datje die niet zal aankunnen. Bij je makkers weg. De eerste jaren moetje de arbeiders leren kennen. Welke meningen leven in de fabriek? Staalarbeiders denken anders dan arbeiders van een koekjesfabriek. Een strijdbare ploeg kan helemaal stukgemaakt worden door jaren werk van de directie. Je mag geen vooroordelen hebben. De eerste jaren moet je je ook aanpassen aan de arbeiders. Arbeiders staan totaal anders tegenover uitbuiting dan intellectuelen. Ik verstond eerst niet hoe. Zo was er de ingenieur die een arbeider onterecht uitmaakte. De arbeider had gelijk maar zei niets. Ik dacht: 'Zeg dan toch iets.' Maar zo werkt dat niet. Die arbeider deed wat de ingenieur eiste, ook al wist hij dat het fout was. Arbeiders reageren anders: die maken een dossier van zo'n ingenieur en wachten hun moment af om terug te slaan. Ik reageerde als intellectueel, ongeduldig en individueel, zonder nadenken over de gevolgen. Voor die arbeider is dat werk zijn leven, ze moeten dat proberen houden. Ze vloeken een aantal keren in zichzelf, maken een vuist in hun zak, spuwen naar de hemel en als hun moment gekomen is slaan ze terug en vliegen niet buiten. Ik wilde ook veel arbeiders leren kennen. Door de uitgestrektheid van het productieproces zag ik er te weinig tijdens het werk. Ik sloot me dus aan bij allerlei hobbyclubs van Sidmar: de volleybalclub, de zwemclub, de foto-club. De meeste linkse arbeiders verstonden dat niet: 'Dirk, na mijn uren wil ik niets meer met Sidmar te maken hebben.' Sommige van die clubs heb ik mee opgestart. Ik hield er fijne contacten aan over. Verschillenden van hen doken op tijdens de strijd rond 'de vier', anderen gingen in de vakbond, werden revolutionair. Ik begon ook stelselmatig in de refter te spreken. Ik had dan steeds een klein papiertje bij me. Ook op die manier leerden meer mensen me kennen. Ik werd vaak 'gestraft' met allerlei vervelende jobs, maar daardoor leerde ik arbeiders in de hele fabriek kennen. Op de vakbondsvergaderingen wilde ik zo snel mogelijk een andere toon laten horen dan die van Van Assel. Die gelegenheid kwam eerder dan gedacht: naar aanleiding van een te vernieuwen cao. Ik wist niet goed wat te zeggen, had geen tijd gehad voor een papiertje, was bloednerveus, maar wie het moest horen had het gehoord. Als arbeiders je pas kennen, zeggen ze: 'Hier heeft hij een grote mond maar wat gaat het zijn op vergaderingen?' Ze hadden nu gezien dat ik wilde optreden, ook tegen vakbondsleiders en vrijgestelden. Ook besloot ik uit de eerste jaren dat discussies met de meest revolutionaire werkers perfect kunnen samengaan met een goede opstelling tegenover de middengroep. Je moet het zó zeggen dat de meerderheid van de arbeiders je begrijpt. Dat ben ik blijven doen tot '87. Het aantal vijanden moet je zo beperkt mogelijk houden. Meestergasten heb ik laten links liggen: dat roept en tiert, maar 't is wind. Je kan er problemen mee hebben als je populair geworden bent ten koste van hen. Het hangt natuurlijk ook af van de plaats van een meestergast in de fabriek. De fabrieksdokter: zolang hij niemand echt kwaad doet, moet je hem gerust laten. In '79 ging ik naar China. Ik moest me laten inenten. Voor de laatste spuit kreeg ik geen verlof van Sidmar. Het was pesten: ze wisten dat het voor een Chinareis was. De fabrieksdokter, waarvan ik dacht dat het mijn vijand was, begon toen te discussiëren over China. Op het laatste zei hij: 'Kom, ik zetje snel dat spuitje.' De eerste jaren moetje leren werken. Volcontinu voor een student! Ik die niet graag vroeg ging slapen en leef van contacten met andere mensen. Mijn vrienden waren thuis als ik ging werken, mijn vrienden gingen werken als ik thuis zat. Plezierig was dat niet. Zaterdag: plannen voor 't weekend. Ik niet, ik ging de nacht op. Dat was aanpassen. Veel maagzuur, vaak kapot zijn. In 1975 reeds weten of je in het jaar 2000 met Pasen, Kerstmis of Nieuwjaar moet werken. Nachtwerk gewoon worden. Maar dat ben ik nooit gewoon geworden. Je moet je werk altijd goed doen. Ik leerde als revolutionair ook functioneren over heel Sidmar, eigenlijk tien fabrieken over vele kilometers verspreid, met veel beroepen, tot en met dokwerkers op de eigen kade. In zo'n uitgestrekte fabriek werkje veel verder van mekaar dan in de automobiel. 76 Dat heeft nadelen, maar ook voordelen. De ploegen zijn zo klein dan je iedereen gauw kent. Met twaalf man heb je een heel stuk van de productie in handen, met een vingerknip versta je mekaar. Je kan met weinig volk enorme lokalen en machines stil leggen. Je kan met alle 6.000 arbeiders als communist werken en discussiëren, je moet ze alleen te pakken krijgen. Buiten vakbondskwesties gaan de meeste discussies over socialisme en racisme. Voor en na mijn Chinareis van '79 was de interesse enorm. De hervormingen in China werden druk besproken. Van: 'Het socialisme is wel goed maar niet haalbaar', werd het 'Het gaat de verkeerde weg op met de hervormingen.' Racisme! Er was racisme in de fabriek. Een principiële kwestie; racisme is niet te tolereren. Zo kenden alle arbeiders me. Kwam ik in de refter, was het soms van: 'Zie maar dat Goemaere u niet hoort.' Dan had er één een racistische mop verteld en wilde een andere daar discussie over. De hevigheid van deze discussies! Wie zou het halen? De discussies over het racisme kun je allemaal winnen: jij bent immers rationeel terwijl elk racisme juist emotioneel en irrationeel is. Als een ingenieur racistisch is, reageer ik anders. Zo was er een spoorwagon vuil uit Italië teruggekomen. De ingenieur: 'Wat wil je met die spaghetti vreters.' 'Dat kan niet, iemand met uw rang in zo'n grote fabriek, uw racisme schokt me.' De beste discussies heb je als je een arbeider zijn idee volledig laat ontwikkelen, en dan geef je tikjes: 'Je spreekt je hier en daar tegen'. In de refter stonden er telkens vele arbeiders bij. Als je een mens vriendelijk op de fout in zijn redenering wijst, verandert die van gedacht voor de rest van zijn leven en de toehoorders kijken reeds uit naar de volgende discussie. Ik kan het belang van veel discussiëren niet voldoende beklemtonen. Je moet altijd denken: de arbeider waarmee ik nu aan 't debatteren ben kan binnen tien jaar een strijd leiden. De vakbond in, de vakbond uit en de staking van '76 In '75, een jaar nadat ik er begon, waren er vakbondsverkiezingen. Maurice, de delegee van de kraanmannen kwam me opzoeken en spoorde me aan me kandidaat te stellen. Ik stond achtste. De EVA-kliek kwam me zwart maken in mijn ploeg, maar het pakte geen verf. 'Dat Goemaere de vakbond kapot wil? Absoluut uitgesloten', zei mijn ploeg. Het zwartmaken werd feller. Ik ging raad vragen aan oudere arbeiders: 'Is het misschien te vroeg om delegee te worden?' 'Niet plooien' was hun raad. In moeilijke momenten ben ik steeds naar die 'wijze mannen' gegaan: ze konden me zeggen hoe ver ik kon gaan. Later wist ik dat zelf, maar ik bleef op hen steunen. 77 In die periode verkocht ik Solidair in de fabriek. Zo circuleerde een nummer met citaten van Lenin over het belang van het werk in de vakbond in de fabriek. Die citaten had ik in 't rood aangestreept. Op de vakbondsvergadering waar we onze foto moesten meebrengen voor de verkiezingsfolder, had eva maar één punt op de agenda: mij van de lijst krijgen. Pathetisch stak hij van wal: 'Mannen, binnen twee maand is 't verkiezing maar we hebben een groot probleem. Er wordt verteld dat een van onze kandidaten lid is van de PVDA.' Je kon een speld horen vallen. Er was vijftig man en ik kende er maar twee van. 'Ik wil hier duidelijkheid over want met een PVDA'er in de delegatie is het onmogelijk om vooruit te gaan met het ABVV. Dus: Dirk zijt gij lid van de PVDA?' Ik: 'Ik lees die mannen hun krantje soms.' Gewoon ja! of neen!', brulde hij. Maar ik bleef rond de pot draaien en hij bereikte zijn doel niet. Een van zijn mannen nam het woord: 'Ik ben ook sympathisant, waarom dat verzwijgen. Vandaag heb ik krullen, morgen een snor, waarom zo geheimzinnig doen. Hebt ge mij dan nooit gezien op de PVDA-vergaderingen, Dirk?' Nu kon ik natuurlijk de rollen omdraaien: 'Maar daar is iemand die naar de vergaderingen geweest is. Die kan zeggen of ik lid ben. Wel?' De man ontkende. Ik trok de discussie open: 'Als die man dan toch zegt dat het geen geheim is, meerdere kameraden hier aanwezig kennen de stellingen van de PVDA.' Van Assel kookte. Hij haalde die onderstreepte krant boven als ultieme bewijs. Ik vroeg om dat eens te mogen zien, bestudeerde het: 'Neen, niet van mij'. Hij begon Lenin voor te lezen, maar hij had het pleit al verloren en moest de vergadering afsluiten. 'Oké kameraden, kunnen we dan de vergadering met een stemming eindigen: om alle roddels de kop in te drukken zal Dirk een pamflet uitdelen waarin staat dat hij geen lid is van de PVDA.' Eva ten voeten uit. Dat het een verdomd moeilijke fabriek was, besefte ik nu pas echt. Ik heb dat pamflet nooit uitgedeeld. Dat is tegen me gebruikt. Ik werd verkozen als reservedelegee, een goed resultaat. Vanaf toen zocht de baas me: de dag van de verkiezingen moest ik met een arbeider in de kelder een put gaan maken zodat ik niemand zou zien, en daarna werd ik naar een strafjob overgeplaatst: ik moest voortaan trappen kuisen. De meestergast probeerde me naar mijn kookpunt te drijven zodat ik een fout zou maken, dan kon ik afgedankt worden. Ik ging naar mijn 'wijze' mannen. Hun raad: 'Morgen begin je fit als een hoentje en zegje dat je ook nog andere trappen wil kuisen.' Het werkte. Die meestergast was verbluft, het was mijn laatste dag trappen kuisen. Een nieuw manoeuvre van eva. De hoofddelegee kwam me opzoeken en zegde dat ik geen reservedelegee meer was, dat ik zelfs geen lid van het ABVV meer was, ik was uit de vakbond gezet. Ik naar huis en de volgende 78 dag hield ik een petitie onder mijn maten dat zoiets niet kon. Enkele weken later schreef eva me een brief dat ik daags na een vertrouwelijk gesprek met een delegee een pamflet van de PVDA had uitgedeeld. Ik werd uit de vakbond gezet. Zou ik Van Assel ooit aankunnen? Ik werd weer overgeplaatst: als stapelaar in de knipbanen en dat voor staalplaat tweede keuze van 3 mm, een erg zware job. Schroot verwijderen aan begin en einde van tonnen wegende bobijnen, ook zwaar. Bovendien kreeg ik een brief van Sidmar dat die knipbanen 'mijn laatste kans was om mijn arbeidsverplichtingen na te komen'. Op 23 december 1975 was er een actie van het gemeenschappelijk vakbondsfront: een kwartier staking. Maar de arbeiders bleven na dat kwartier zitten, ze wilden een langere actie. Vierhonderd man in de refter. De directie riep eva erbij om de staking te doen ophouden. Ondanks veel blaffen lukte dat niet. Hij sprong op tafel, provoceerde de mensen. Plots duwden arbeiders me van drie kanten tegelijk naar voren: 'Spring ook op tafel, Goemaere!' Mijn knieën knikten door mijn overall, 't Was gewaagd. Er was die waarschuwinGSBrief van 'de laatste kans'. Maar de arbeiders bleven aandringen. Moest ik eerst denken aan mijn job of moest ik het doen omdat ik door de massa gedragen werd? Ze zouden me niet laten afdanken. Ik sprong op tafel. Groot applaus nog voor ik een woord gezegd had. Eva bekeek me alsof hij een spook zag. Hij wilde met me vechten. Maar ik negeerde hem, sprak en legde de nadruk op een eis die toen hard leefde: 20 frank loonopslag en sprong terug van de tafel. Toen begon eva de mensen nog harder te bedriegen en ik sprong opnieuw op die tafel. Als een koning ben ik naar de koudwals teruggekeerd. Iedereen kende me nu. Die uitdrukking op het gezicht van de werkers: een zalige, gelukkige blik vol hoop: één van hen had eva getrotseerd. Arbeiders die ik niet kende, kwamen een praatje met me maken, de remmingen vielen weg. Als ik voel dat de mensen achter me staan, overwin ik mijn onzekerheid en treed ik op als leider. Anders niet. De patroon hecht enorm belang aan je invloed onder de mensen. Een jaar later noemden de arbeiders me nog 'Goemaere 20 frank'. Ik kreeg een verwittiging van de directie. In een actie van de onderhoud in februari '76 speelde ik opnieuw een rol en ik werd de dag nadien zo goed als afgedankt. Ik moest naar de personeelsdienst bij de buitenwipper. 'Hier is uw badge, uw praktijken van de laatste maanden kunnen echt niet meer, wilt ge hier tekenen: voor een berisping.' Ik zegde dat ik niets tekende en de man antwoordde: 'Dan zal het aangetekend opgestuurd worden.' Ik heb er nooit meer iets van gehoord. 79 Mei '76: vreemde staking van zes weken Op 3 mei begon de onderhoud met acties. Zij wilden een gedeeltelijke staking. Die zou de patroon meer kosten dan een algemene staking. Eva riep dus ineens de algemene staking uit. Een rare staking, bijna geen piketten. Ik werd uit het piket geweerd. Weggeklopt: dit keer door rechtse ACV'ers onder leiding van secretaris Walraet, die trouwens in niets moest onderdoen voor eva. Na drie weken staking waren er wekelijkse stakersvergaderingen in de Eurohall. Ik werd aan de ingang buitengehouden door dezelfde ACV'ers. 'Gij kunt niet binnen want ge zijt niet gesyndiceerd.'Ik sprak de mensen toe en probeerde toch binnen te gaan, maar ze sloegen me een bloedneus. De mensen waren geschokt maar zagen niet onmiddellijk een oplossing. Tot op de markt van Stekene werd schande gesproken over het ACV dat een arbeider van Sidmar zelf uit de stakersvergadering hield. De vierde week verstopten de mecaniciens me in hun midden en probeerden me zo binnen te smokkelen. En weer greep die knokploeg me bij mijn nekvel en zette me buiten. Die dag heb ik met de mecaniciens een militair plan opgemaakt voor de week erna. De vijfde week zelfde scenario: verstopt tussen de mecaniciens, kameraden van Frans Broer. Maar dan, zonder geluid hieven de arbeiders me van de grond en ik werd over de hoofden van de massa doorgegeven en in de Eurohall neergezet. Eens binnen zag ik 2.000 arbeiders voor me staan. Maar de mensen wilden dat ik sprak en nog steeds geruisloos opende die mensenzee van duizenden arbeiders zich. Zo ontstond er een corridor tot aan de micro's vooraan, waar de vakbondsleiders stonden. Een bijbels tafereel dat ik nooit meer vergeet, 't Was precies als bij Mozes voor wie de zee openging. Tweehonderd arbeiders die zich in alle stilte verzetten tegen die ACV'ers, allen waren opzij gegaan om me door te laten. Was ik niet binnengeraakt, dan waren mijn dagen op Sidmar geteld geweest. Is er een beter voorbeeld dat je invloed onder de arbeiders essentieel is? Het is niet voldoende in syndicale structuren te werken. Als zij je als een voorman beschouwen kan je zomaar niet afgedankt worden. Cantate Na 't jaarlijks verlof met een reis naar het buitenland, had ik het moeilijk om terug over te stappen naar een leven in continu en in de fabriek. Ik had dan drie weken in rust, regelmaat en harmonie geleefd. Ik moest mezelf terug op gang trekken en overtuigen van het nut van dat leven in Sidmar. Ik heb daar uiteindelijk iets op gevonden. Logica, maar ook gevoel. Logica: 80 ben ik bezig aan het revolutionair proces? Mijn ratio zegt ja, maar mijn gevoel zegt neen. Ik vind mijn leven niet revolutionair in vergelijking met het leven van marxisten in de guerrilla, die gevangenisstraffen riskeren, vakbondswerk doen in een fascistisch land. Argentinië! Ik heb altijd van de muziek van Argentijnse bannelingen gehouden. De cantate die het Cuarteto Cedron maakte van een gedicht van Juan Gelman beluisterde ik keer op keer. Die zit in mijn hoofd gebrand. Elke toon, elk woord. Eugenio die in de gevangenis op de zonnestraal van de morgen wacht, werd mijn kameraad als ik naar de nachtshift reed. Ik had Eugenio 'nodig' tot in de jaren '80 omdat ik onvoldoende greep en voeling had op het revolutionaire proces hier bij ons. Ik dirigeerde dat leven in continu en in de arbeidersstrijd niet echt, was te weinig ingeplant waar ik woonde. Ik zweefde wat, had hoogtes en laagtes en die vielen samen met de opgang en neergang van de spontane strijd van de arbeiders. Wilden zij het gevecht, dan kon ik niet hard genoeg werken voor de zaak. Was er een terugslag in die strijd, was dat aan mij ook te zien en te voelen. Het was ook een feit dat ik de nacht niet verdroeg. Fysiek niet maar ook psychisch niet. Ik werd snel emotioneel als ik zeven nachten werkte. Met kredieturen volgde ik Spaanse avondles. Op die manier werkte ik maar drie nachten, twee dagen thuis en naar de avondles en dan opnieuw twee nachten. Na drie nachten zat ik nog niet in het bioritme van de nacht: na vier wel. Zo kon ik het volhouden. En toch heeft het continuwerk zijn tol geëist. Na mijn afdanking bleek dat ik een deel van mijn concentratievermogen kwijt was. Negen jaar na mijn afdanking was die concentratie weer op peil, maar helemaal komt dat niet terug, het is een degeneratieproces. Dat wil niet zeggen dat je intellectuele capaciteiten verloren gaan door shiftwerk. Als je er bewust aan werkt kun je ze behouden. In de jaren '80 kwam daar verandering in en had ik de cantate niet meer zo nodig. Zomerverlof werd vanaf dan verlof. Tegen ' 83 was alles in evenwicht. In '94 ben ik naar Argentinië gegaan. Ik ben er Eugenio's tegengekomen. In Cordoba leerde ik een man kennen die jaren in de gevangenis gezeten had. Enkele maanden geleden kwam ik te weten dat een Argentijnse vriend zeven rubberkogels in zijn lijf kreeg, twee raakten zijn hoofd. Opnieuw bij het ABVV In juni 1979 zorgde Des Debuck, vrijgestelde delegee van de koudwals, ervoor dat ik opnieuw lid werd van het ABVV. 'Het zou zeer spijtig zijn als zo'n actieve arbeider niet mee zou kunnen staken door materiële omstandigheden', zegde hij op een vakbondsvergadering. Wie kon daar iets 81 tegenin brengen? Eens terug lid, begon eva opnieuw: 'Dirk is lid maar heeft beloofd nooit meer kandidaatdelegee te zijn.' Een leugen, maar met die leugen hield hij me in '83 opnieuw van de lijst. In maart '81 begaf mijn fysiek het: ik had een gebarsten tussenwervelschijf, hernia. Vier maanden plat liggen, dokters die in de verte staren als je naar je toekomst vraagt. Hun stilte. Medisch bekeken moest ik lichter werk doen. Ik kreeg een brief mee. In zo'n magazijn staan van Sidmar, ver van de arbeiders? Neen, dat wilde ik niet. Ik stond voor een keuze: moest ik mijn werk als arbeider opgeven? De ben terug gaan werken aan de knipbaan. Daar kreeg ik een lichtere job. Van de zwaarste staalplaat naar de lichtere: die voor auto's. Ik tilde de platen anders dan tevoren. Ik zette mij achteraan maar was nooit op tijd en de anderen moesten op mij wachten. Maar de ploegmakkers sprongen bij, iedereen hielp. Ik kon verder werken. Ik heb me die beslissing niet beklaagd. 'Kleine Daniels' Mijn verhaal zou niets zijn als ik het niet zou hebben over mijn makkers waarvan ik zoveel leerde en omgekeerd. 'Kleine Daniels!' Ik heb onvoorstelbare dagen met hem beleefd. Een kritisch, strijdbaar en sluw man. Hij verstond de kunst om rond schijnbaar onbelangrijke dingen een geest van verzet binnen te brengen. Een voorval: we waren in staking en zaten met delegee Des De Buck in de refter. Een ingenieur had het lef zich bij ons te zetten. Hij leunde achterover, de handen achter het hoofd, alsof hij op die syndicale bijeenkomst thuishoorde. De sfeer daalde naar het nulpunt. Ik had reeds teken gedaan naar Des, maar Des wist met de situatie geen raad. Ik: 'Misschien is het niet duidelijk maar dit is een arbeidersvergadering. U bent bediende, als u informatie wil richt u zich beter tot een delegee van de bedienden.' Hij antwoordde doodleuk: 'Op mij moet ge niet letten, ik hoor niets en ik zie niets!' Mijn optreden was zinloos geweest. Zei 'Kleine Daniels' fijntjes: 'Moetje horen, dat hoort niets, dat ziet niets en toch is dat ingenieur bij Sidmar.' De stilte was te snijden, de ingenieur was binnen seconden verdwenen. 'Kleine Daniels' heeft me technisch leren speechen. Door de intercom van Sidmar moet je heel duidelijk praten anders hoor je enkel lawaai, geroep, gehuil van motoren. Als ik er iets door riep, zei 'Kleine Daniels': 'Dirk, wat zegje? Haal die vod eens uitje mond dan kan ik je verstaan.' Ik spreek soms erg onduidelijk. Zo leerde ik goed spreken in de refter en aan het piket. Je woorden moeten over de mensen rollen traag, gevat, zonder 'euhs'. 82 Marcel, 'de zwarte' mecanicien in de knipbaan: een consequente klassenstrijder. André T., mijn tegenbeeld: een geschoold christen-democraat, die de kunst van het discussiëren beheerste, een 'causeur' en met hem heb ik alle mogelijke politieke discussies gevoerd waarnaar de ganse knipbaan gefascineerd luisterde. André T. was 'de gazet van de knipbaan'. Op een bepaald moment zei hij: 'Je kan hier veel vertellen Dirk, maar je hebt nog niets bewezen. Zal je hier wel blijven? Zal je later nog hetzelfde verdedigen?' Ik zei hem dat we mekaar binnen tien jaar terug zouden spreken. En tien jaar later heb ik hem daarmee geconfronteerd. Hij zei: 'Ja, ik respecteer je, je bent consequent, maar ik heb een andere mening.' Elie, een onmisbaar man. Werner, die als jonge arbeider bij ons kwam werken. Een cynische kerel uit het juiste hout gesneden. Zijn vader was schoonbrander geweest in Sidmar. Toen die erg ziek was geworden heeft Sidmar hem ongenezen terug aan 't werk gestuurd. Het werd zijn dood, hij is bezweken op weg naar huis. Sidmar heeft hem in de feiten vermoord. En tegen zijn weduwe zegden ze: 'We willen een geste doen omdat uw man gestorven is. Wemer mag in Sidmar komen werken.' Maar Werner was een levende aanklacht tegen hen. 'Ze hebben mijn vader vermoord en daarom mag ik hier nu werken.' En dan Fred, stapelaar bij de knipbaan, een arbeider, eerlijk en principevast. Als hij me aan de poort ziet zegt hij: 'Stap in, ik neem je mee binnen.' Umberto, een man om een film over te maken. Een echte volksfiguur. Zijn taalgebruik! Als het op actie aankwam was hij er en hij tekende alle petities. Mark, een echte makker en Eric, een zwijgzame arbeider die aan alle acties deelnam. Dankzij 'de gazet van de knipbaan' en 'Kleine Daniels' hadden we een perfect informatie- en propagandanet, inclusief roddelcircuit in de honderden vierkante meters knipbanen. Een goed voorbeeld van de onderlinge kameraadschap kwam er toen Frans Broer onwettig als delegee werd afgezet. Het begin van 'de vier'. Die dag was ik weer eens op straf gezet in de schrootkelder. Aan de knipbaan is er een gat in de grond van twee op vijf, via een trap kom je beneden. Daar wordt gewerkt, twee verdiepingen onder de grond in een netwerk van gangen. Ik moest onder de knipbaan de schrootbandjes opvangen en oprollen. Daar zat ik voor wat de directie betrof veilig, weg van mijn makkers. Dachten ze. Maar de makkers vonden er altijd iets op. Als ze met hun taak klaar waren staken ze hun hoofd door het gat of ze maakten met veel gebarentaal duidelijk wat boven het laatste nieuws was. Toen de EVA-kliek het syndicaal mandaat van Frans Broers onwettig afnam, sprong Gilbert op een fiets en stond op geen tijd aan 't gat: 'Goemaere, kom daaruit, Broer is zijn mandaat kwijt!' Ik wist het als een van de eersten en kon onmiddellijk reageren. De directie kon me niet isoleren. 83 De arbeiders zijn een sociale en solidaire klasse en niet een bende met extreme gevoelens zoals ze soms in 'sensationele' series worden voorgesteld. Zo weten ze allemaal dat ik op mijn zenuwen leef. Ik kan daarmee leven, functioneer zelfs best als ik onder grote stress sta: dan pompt de adrenaline goed door. Dat is soms aan bepaalde zenuwtrekjes te zien. Daar is nooit mee gelachen op Sidmar. De syndicale ommekeer De nationale vakbondsacties tegen het St.-Annaplan van de regering waren voor ons erg belangrijk. Met die syndicale acties is de ommekeer ingeluid, er kwam een keerpunt. We riepen op om met nationale vakbondsacties mee te doen. Zonder die acties zouden we nooit de fabrieksproblematiek overstegen hebben. Eva deed er liever niet aan mee, en als hij meedeed was het om 'stemmen van het ACV af te pakken', of omdat hij onder onze druk niet anders kon. De tam opgevatte piketten van Sidmar keerden we om in een heel strijdbaar gebeuren. Een Sidmarpiket werd de moeite waard om naartoe te gaan. Een anekdote geeft een goed beeld van hoe de strijdsyndicalisten moesten werken. Met een nationale vakbondsactie stonden we piket aan Sidmar. Onze vorige hoofddelegee, René Van Dingenen, 'Nete', een brave man die vaak de mond werd gesnoerd door eva hield het kalm, hoewel we met een hele bende aanwezig waren. Tussen de vroege en de late shift zei hij: 'Ja mannen, hou het hier even in 't oog, ik ben seffens terug, ik ga een kakske doen.' Toen hij terugkwam hadden we heel de Kennedybaan geblokkeerd, er was geen doorkomen meer aan, de files stonden tot in de tunnel. Ons broos strijdsyndicalisme had toch aantrekkingskracht op de beste arbeiders, want er waren ACV-militanten die omwille van die actie naar het ABVV overkwamen. Op basis van strijdervaringen droeg Frans Broer me in '83 voor als kandidaat op de lijst voor de delegeeverkiezingen. Eva: 'Hoe, Goemaere op de lijst? Wat, Goemaere op de lijst? Hij heeft beloofd dat hij dat nooit meer zou doen. Hij breekt weer zijn woord.' Broer wist niet waarover eva het had en de verwarring was gezaaid. Van Assel had stembriefjes klaar: 40% voor, 60% tegen. Hij schrok van die 40% militanten die ervoor waren dat ik op de lijst zou staan. Ondanks zijn dictatuur waren er toch 40% die 'de communist', 'het rode gevaar van Zelzate' op de lijst wilden en ermee wilden samenwerken. Teken dat de tirannie niet lang meer zou duren. Maar ik was er weer eens niet bij. Ik ben woedend naar huis gereden en pakte alles wat met Sidmar te maken had eens stevig vast. En ik heb toen gezworen: 'In '87 sta ik op de lijst, daar begin ik nu aan te werken. Ik zal eva aankunnen, er moet een weg zijn.' 84 Wie rond de veiligheid werkt staat met één been buiten Veiligheid en een staalreus, dat vloekt. Een staalfabriek is een grote alchemisterij, met zoveel grote verwarmingsprocessen dat er veel kan mis gaan als de veiligheid van de werkers niet prioritair is. Je kan verschillende arbeiders permanent op de veiligheid doen werken, ze zullen handen te kort hebben. Je kan hulp aan geneeskundestudenten van de unief van Gent vragen. Een paar ongevallen wil ik toch vermelden. Een gasalarm dat velen niet hoorden: drie doden en zeven gewonden. Na dit zware ongeval hielden we een vergadering met een dokter van Geneeskunde voor het Volk en die informatie werd aan delegees en militanten doorgegeven. Eén ongeval zal ik nooit vergeten. De onderhoudswerken in het ertsenpark worden steeds voorbereid door twee controleurs die een lijst opstellen van wat er moet gebeuren. Die controleurs zijn altijd met twee. Maar een van de twee ging met pensioen en werd niet vervangen. Dus moest de overblijvende alleen op controle. Toen ze onder de pauze hun boterham bovenhaalden misten ze hem. Hoe ze hem vonden! Hij was met hoofd en schouders in de transportbanden gedraaid. Geplet. Een erg lange doodstrijd. In de vloer waren er putten geschopt door zijn voeten: hij moest uren geprobeerd hebben zich te redden. Zo te moeten sterven. Een moord! Waren ze met twee geweest, hij had geleefd. De mensen waren woedend. Een ACV-vrijgestelde zegde: 'Hij had een walkietalkie moeten bijhebben.' Het was dus zijn eigen schuld. Wij hebben met de PVDA een pamflet uitgedeeld: 'Kunitsky (naam van de verantwoordelijke directeur) heeft bloed aan de handen.' Er is op Sidmar een gezegde: 'Moei je niet met de veiligheid want dan sta je al met één been buiten.' Regionale crisis binnen het ABVV in '86 Om deze crisis te begrijpen is het belangrijk te vermelden dat er enkele jaren voordien een groot schandaal van gesjoemel met vakbondsgeld ontdekt werd. Canipel, secretaris van de Metaalbond voor Oost- en West-Vlaanderen, ook SP-senator én hoge functionaris in de Socialistische Mutualiteit, had 17 tot 30 miljoen uit de kas van de PMB naar de sp overgesluisd. De sp bleef toen buiten schot gezien Canipel opstapte en alles op zich nam. Door zijn aftreden werd de post van secretaris van de PMB vacant en eva wilde die. Na het Canipel-schandaal werd er principieel beslist dat wie één frank vakbondsgeld achterover drukte onmiddellijk afgedankt zou worden. In '86 sloot het strijdbare PMB-Waasland met de Boelsyndicalisten bij PMB-Vlaanderen aan. Dat was erg goed nieuws. Hun secretaris Stroobant was 85 gekend voor zijn strijdbare posities. Eindelijk iemand die binnen de hogere vakbondsstructuur tegen eva kon ingaan. Het begon te spannen in de PMB-Gent. Toen de Boeldirectie de ABVV-delegees afdankte wilde Stroobants natuurlijk solidariteitsacties met Boel opzetten. De Boeldelegees bezetten een boot en verspreidden pamfletten over hun actie. Eva trok het in en herschreef het. Nog meer spanning. Dan was er een regionale ABVV-vergadering waar dokwerkers van de Algemene Centrale de EVA-lijn verwierpen en zijn autoritaire gedrag niet meer namen. Ze lieten op die vergadering een motie stemmen waarin stond dat eva niet langer als officiële stem van het ABVV-Gent mocht optreden. Maar hij negeerde die motie. Zijn politiek doodvonnis tekende hij na de betoging Boel-De Morgen. Secretaris Stroobant had overschot van gelijk toen hij van Boel en de bedreigde krant De Morgen één strijd maakte. Het werd een grote betoging die eindigde aan de Vooruit in Gent. Daar klom eva op het balkon en wilde de betoging toespreken, ondanks de motie. Hij werd weggefloten en weggejaagd. Ook de gematigde figuren in de PMB-structuren vonden nu dat de rechtse standpunten van Van Assel het ABVV meer en meer schade toebrachten. Ze wilden ook niet dat hij voorzitter van PMB-Vlaanderen zou worden want ze kenden zijn terreur. Vele gewesten van het PMB keerden zich tegen hem maar gewest Gent bleef hem als monoliet blok trouw. De meeste bestuursleden van Gent waren immers door eva zelf aangeduid. Door zijn isolement plooide hij zich op gewest Gent terug en werd nog rechtser. Wij van Sidmar en het gewest waren nog niet van hem verlost. Gebroken staking van '87. Een verraad te veel Eind' 86 moet er een nieuwe cao komen bij Sidmar. Na zes weken gesprekken in de fabriek maak ik een samenvatting van de eisen die leven bij de arbeiders: een syndicaal eisenprogramma van veertien punten. De arbeiders vragen elke dag hoe het zit met de cao. Ik spreek erover in de refter en de reactie is nog maar eens: 'Je moet delegee worden'. In mijn ploeg laat ik dan ook een petitie in die zin rondgaan. Iedereen tekent, ook in de andere ploegen. In augustus was ik naar het syndicaal bureel gegaan met de vraag of ze me op de lijst wilden zetten voor de sociale verkiezingen van '87. Het antwoord: neen! In september schrijf ik een brief naar 120 syndicalisten van de fabriek die ik allen persoonlijk ken. De petitie 'Dirk op de lijst' geef ik aan de hoofddelegee. De brief aan de 120 laat ik in de fabriek rondgaan. Op 12 december wordt er vergaderd over de samenstelling van de lijst. Delegee Frans Broer kaart mijn kandidatuur aan en zeven militanten doen een tussenkomst om dat te ondersteunen. Eva zit klaar: 'Kameraden wij 86 zijn geïnfiltreerd: wij krijgen allemaal post van de PVDA. Dirk speelt onze adressen door, als we dit toelaten is onze werking naar de knoppen.' Stemming: 7 voor, 21 tegen. Er zijn nu twee stromingen. Een derde voor een strijdbare vakbond, twee derde blijft hem trouw. Zo gaan we naar de onderhandelingen rond de nieuwe cao. In januari' 87 verwerpen 75% van de arbeiders het CAO-voorstel. Er komt een stakingsaanzegging, maar de arbeiders willen daarop niet wachten. Het is onmiddellijk staking in bepaalde delen van de fabriek, zoals in Post 150 en in grote stukken van de koudwals. Ik sta met de late en Frans Broer roept de mensen op om samen te komen in de centrale refter van de koudwals: driehonderd man. We beginnen met die mannen de fabriek leeg te halen. Eerst naar de kade, de grondstoffen: de transportbanden stilleggen. Stakende mechaniekers van de warmwals vragen me: 'Goemaere, roep uw mannen bijeen en kom de warmwals stilleggen, wij krijgen ze niet in staking: er zijn ingenieurs en jullie hebben minder kans op sancties dan wij.' Ik weet niet of dat zal lukken maar proberen kan geen kwaad. Op naar de warmwals! Die mag echt niet stilvallen want ondertussen rekent de directie op een verzoening via eva en dan wordt de staking afgeblazen. De warmwals blijft aanvankelijk werken. Het is opletten voor gloeiende bobijnen. We moeten het anders proberen. Met de beste arbeiders gaan we de cabines van de walsers binnen. Lange discussies. De verwachtingen van honderden arbeiders worden met de minuut groter. We kunnen de walsers overtuigen te staken. Fier komen we via de passerelle terug en ik spreek de arbeiders toe: groot applaus. We gaan naar de refter: drie-, vierhonderd man bijeen en in staking. Op het einde van de shift houd ik een toespraak met een bilan van een dag strijd. Reactie: 'Verdomme dat is goed gezegd: gij moet delegee worden.' Het is mijn beste toespraak ooit. Ik voel me ook groeien, samen met de arbeiders. Zo had ik me de taak van een revolutionair reeds op mijn twintigste voorgesteld. De volgende dag wordt de Kennedybaan geblokkeerd, met de auto geen doorkomen aan. 't Werk van de mecaniciens van Post 150! Aan het piket komen de stakers van de dag voordien in een cirkel rond mij staan, dus neem ik opnieuw het woord. Een heel strijdbaar piket, 's Namiddags is er militantenvergadering van het ABVV. Als ik wil binnengaan houdt een EVA-getrouwe me tegen: 'Buiten, gij maakt het ABVV kapot.' Zestig arbeiders van het piket zijn meegekomen, ik begin te discussiëren en ga toch binnen met die kerel aan mijn mouw. Eva aan 't woord. En opnieuw valt hij me aan. Ik neem het woord en zeg dat ik het recht en de plicht heb om te spreken en dat de arbeiders vinden dat ik vakbondsdelegee moeten worden. Van Assel en de ACV-leiding nemen de dagen nadien de leiding van 87 de staking in handen. Je kent dat: in handen nemen om te breken. We moeten vechten tegen de sabotage. Ik word overal buitengehouden, krijg zelfs geen piketkaarten. Elke morgen, gedurende drie weken, wordt er vanaf 's morgens zeven uur geknokt voor een militante staking. Grote piketten, bijna geen ratten. Als eva opgeëiste auto's doorlaat, controleren wij die wat verder eindeloos lang. We worden met de dag vindingrijker. De confrontatie met de vakbondsleiding is ernstig, de sfeer onder de syndicalisten en arbeiders uitstekend, ook al vriest het stenen dik. Maar de cokesvuurtjes branden, en onze strijdwil ook. De directie schat de stevigheid van de staking juist in, het wordt gevaarlijk spannend als tientallen arbeiders aan de vele directieleden eens duchtig zeggen wat hen reeds jaren op de maag ligt. Zo ook tegen Delorie. De arbeiders verhinderen hem de fabriek binnen te gaan. Nooit gezien. Woedend zoekt hij een uitweg, maar vergeet zijn aktetas aan 't piket. Een ACV-vrij gestelde loopt hem achterna. Tot vandaag wordt hij 'de valiezendrager' genoemd. Eva komt met een compromis. Neen! Zeggen de arbeiders. Op een nacht wordt met de vakbondsleiding een akkoord bereikt. Om 9 uur was er vergadering voor de ABVV-militanten voorzien en om 9.30 uur een algemene vergadering van de arbeiders in de Eurohall in Gent. Een eis: verderzetting van de staking. Van Assel maakt zich razend: 'Ge moet dat akkoord voorleggen'. Voor delegee Frans Broer is de maat vol: 'Gij hebt niet het recht dat voor te leggen, de mensen hebben dat vroeger al afgewezen.' Maar voor Van Assel is de vergadering gedaan. De linkse delegees en militanten besluiten in de Eurohall te vechten voor de staking, we verspreiden ons onder de stakers en brengen hen op de hoogte van het slechte akkoord. Als de vakbondsleiders hun hoofd laten zien klinkt een luid boeh-geroep. Ze verdedigen het akkoord met vuur maar er is van overal in de zaal verzet. De linksen gaan naar voren en vragen de micro. We krijgen hem niet. Velen proberen de micro te bemachtigen, maar dat lukt niet. De arbeiders tillen me op het podium. Ik kan enkel zeggen: 'Kameraden!', dan wordt de stekker uitgetrokken, de vakbondsleiding slaat op de vlucht. Zonder geluidsinstallatie draagt je stem natuurlijk niet ver in een zaal met 2.000 man. Bovendien is de stemming reeds begonnen. Ook dat nemen de arbeiders niet en velen scheuren het 'ja' van hun stembrief en gooien dat op de grond. Later worden zo'n papiertjes teruggevonden in de stembus. Vervalste stemming in ieder geval. Toch zijn er 64,5% neen-stemmen! De zaal is te klein. Wat nu, net geen 66%? De mensen eisen dat ik spreek. Mijn stem is schuurpapier. Plots gaat de poort open en arbeiders geven een megafoon door tot bij mij. We staken dus verder. We staan met tweehonderd man aan het piket van 13 uur. De massaal aanwezige rijkswacht moet nu de staking breken. Een majoor van de rijkswacht: 88 'Ge hebt u democratisch kunnen uitspreken. We leven in een democratie. De minderheid moet zich neerleggen bij de meerderheid. De staking is ten einde.' Een intellectueel met een matrak. Kunt ge u de reactie voorstellen van de mensen: het hoofd van de gewapende rijkswacht neemt het woord democratie in de mond. Een andere rijkswachter roept: 'Godverdomme Goemaere, gaat gij de boel hier weer verknoeien.' Verblufte arbeiders! 'Die man hebben wij nooit eerder gezien en die spreekt u persoonlijk aan.' Een bewustzijn rijker. We proberen de staking te redden maar dat gaat niet: het verraad is een feit. De dagen nadien word ik om het uur gecontroleerd door een ingenieur, hij moet er vele overuren voor doen. De mannen van Post 150 willen de stemming overdoen. Het was één verraad te veel van Van Assel. Er moeten snel structurele veranderingen in de vakbond komen. Aan goede wil geen gebrek. Twee arbeiders die wél op de ABVV-lijst staan willen hun plaats aan mij afstaan. Juridisch kan dat. Maar eva wil niet. Op 2 april ziet de 'Waakhond' het leven: arbeiders van de drie vakbonden eisen vrije delegee verkiezingen. Op een druk bijgewoonde persconferentie worden de 750 in der haast opgehaalde handtekeningen getoond. En dan zijn er nog petities in beslag genomen door de bende van eva. Onze zaak krijgt persbelangstelling. Veertien dagen later gaan de sociale verkiezingen door en ze zijn niet vrij. Ik had de staking geleid en sta niet op de lijst. De staking was pas verraden. Woedende arbeiders. Frans Broer en Herman De Kegel, twee delegees die voor de staking waren, krijgen veel stemmen maar voor de rest krijgt het ABVV een afstraffing. Van 30% van de stemmen vallen ze op 20%. Ook het ACV wordt om dezelfde reden afgestraft. De liberale bond krijgt al die proteststemmen. Eva geeft Broer en De Kegel de verantwoordelijkheid voor de achteruitgang van het ABVV. Alsof de achteruitgang beperkt was tot Sidmar. Overal had de EVA-lijn een afstraffing gekregen. De spanningen binnen de metaalbond worden nog groter. En dan komt aan het licht dat eva met geld van de vakbond gesjoemeld heeft. Hij wordt ontslagen. Op 9 oktober komt er een nieuw bestuur voor het gewest Gent. De Batselier wordt aangeduid als overgangsfiguur tot er een nieuwe secretaris voor de PMB wordt gekozen op een congres. Het nationale ABVV staat achter de nieuwe structuren. Voor Sidmar zitten vier personen in het nieuwe bestuur: Herman, Frans, Dirk Van Hecke en ikzelf. Maar vanaf dan zitten we met een dubbele vakbondsstructuur. Wat er de maanden nadien gebeurt is een boek op zich. Eva weigert zich neer te leggen bij zijn ontslag, staat elke dag met politie aan 'zijn' bureel in 89 Gent. Een vakbondsman die de politie bij interne zaken betrekt. Nooit geziene zaken. Eva blijft als secretaris optreden en in Sidmar en Volvo weigeren de EVA-getrouwe delegaties op te stappen. In Sidmar worden ABVV-pamfletten gedrukt met geld van de directie. Het wordt een 'vuile' oorlog vanuit het EVA-kamp en de patroon. Op de militantenvergadering van 13 oktober vragen Frans Broer en Herman De Kegel: 'eva is afgedankt sinds 26 september als gewestelijke secretaris van de cmb, wat doet hij hier dan nog op de vergadering?' Eva springt recht en roept: 'Al diegenen die het oude gewestelijke bestuur volgen, staan recht en gaan met mij buiten.' De helft gaat mee, de andere helft blijft zitten. Herman maakt een verklaring en laat die tekenen door de aanwezigen. 15 oktober: nieuwe 'coup de théatre' op de vergadering van de syndicale delegatie van Sidmar. Wanneer Frans Broer opnieuw zegt dat eva afgezet is door de PMB, neemt George De Cooman, een rechtse sp'er, het woord en zegt dat er niet meer samen te werken valt met Broer en De Kegel. Hij eist een vertrouwensstemming. Daarmee keert deze sp'er zich tegen de arbeiders want het zijn Broer en De Kegel die voor het merendeel van de 20% stemmen van het ABVV hebben gezorgd en bovendien zijn zij leden van het nieuw verkozen Gentse PMB-bestuur. Met achttien tegen twee worden De Kegel en Broer uit de delegatie gezet. Onwettig. Gardes van Sidmar verwijderen hen uit het syndicaal bureel. Eva en hoofddelegee Bauwens haasten zich als echte patronale agenten naar de directie om deze onwettige afzetting te melden. De directie schrapt Frans en Herman als delegee. De oorlog op Sidmar is nu goed op gang. 'De vier' Er kan nu maar een antwoord meer komen van het ABVV: de nietigverklaring van de voorbije delegeeverkiezingen en de organisatie van nieuwe. In de refter vraag ik aan de arbeiders een mandaat om dat op de volgende vergadering van het gewestelijke bestuur te gaan verdedigen. We leggen de datum vast op 5 en 6 november. De verkiezingen mogen niet doorgaan op de fabriek. Dan maar aan de poort. Op het verkiezingspamflet worden de namen van de kandidaten in stervorm gezet: geen eerste en geen laatste, de oude delegatie kan zich kandidaat stellen. Verder volgende tekst: 'Intentieverklaring: De 17 bovenstaande kandidaten verbinden er zich toe tegenover de Sidmararbeiders werk te maken van een vernieuwde syndicale werking: - daadwerkelijke inspraak vanwege de leden; 90 - delegees zijn de advocaten van de arbeiders; En de arbeiders kiezen als vrijgestelde delegees: Herman De Kegel, Frans Broer, Dirk Goemaere en Dirk Van Hecke. Ik, de jarenlange verguisde communist heb de derde meeste voorkeurstemmen. Maar we mogen niet in het syndicaal bureel: daar zitten de rechtsen. De EVA-getrouwen en de directie beginnen aan watje kan vergelijken met de strijd van de contra's in Nicaragua. Op 18 november wordt de uitsluiting van eva ook door het provinciaal ABVV-congres bekrachtigd. Van De Voorde wordt de nieuwe PMB-secretaris. Vanaf 19 november zet het ABVV-Metaal Gent gerechtelijke stappen tegen eva. De vakbond richt een officieel schrijven naar de directie van Sidmar: 'Sinds 16 november zijn dit de ABVV-delegees en dit is de nieuwe secretaris. Van Assel heeft niets meer met het ABVV te maken.' Maar ook Van Assel heeft een nieuwe delegatie ingediend en de directie zegt: 'Interne kwestie: we erkennen niemand. Los het onder mekaar op.' Maar in de praktijk drukken zij het materiaal van de Van Assel-getrouwen. Eén december: arbeidersfeest voor nieuwe delegees Op 30 november is er een vergadering tussen de nieuwe secretaris en de directie over onze erkenning. De directie deelt mee dat de situatie 'bevroren' is: met andere woorden: de oude delegatie wordt verder erkend, wij niet. Een directie die op die manier tussenkomt in vakbondskwesties, het is een precedent in België. Wij waren de wettige, democratisch verkozen delegees en de Sidmardirectie blijft ruimte geven aan de Van Assel-kliek. Daarover roepen we de militanten van het ABVV bijeen. Wat te doen? De arbeiders hebben gekozen voor strijdbare delegees: 'de vier'. Ze hebben recht op hun delegees. We beslissen dat we als delegees zullen beginnen werken, met of zonder erkenning van de patroon. De arbeiders kozen een nieuwe leiding voor hun strijd: wij moeten die leiding opnemen en de risico's durven nemen. De uitslag van de delegeeverkiezingen dient gerespecteerd, dat kan enkel door de functies op te nemen. Anders maken wij zelf een vodje papier van onze verkiezing en gaan we het gevecht voor een klassensyndicalisme op Sidmar uit de weg. Dit wil zeggen dat Van Hecke en ik op eigen risico heel de dag syndicaal werk zullen doen. De Kegel en Broer waren voor hun afzetting reeds vrijgestelde delegees. Maar voor alle vier is 91 het een onwettige werksituatie. We beslissen niet te vechten rond het syndicaal bureel en ons werk te doen vanuit de refter van de Centrale Werkplaats. Eerst met de arbeiders werken, de rest is voor later. Op 1 december om 9 uur beginnen we eraan. We stellen ons voor in alle refters. Arbeiders vragen: 'Is het in orde, erkent Gent?' 'Natuurlijk.' 'Is het in orde met de directie?' 'Neen, maar daar vechten we voor.' Dan barst de vreugde los. Op de vergaderingen in de refters wordt geschiedenis geschreven. Geluk, applaus. 'Gedaan met die rechtse bende die we weggestemd hebben.' Jaren hadden de arbeiders het moeten meemaken hoe die 'delegees' langskwamen en zegden: 'Wel, geen nieuws zeker?' En dan begonnen ze met hun vriendjes over de voetbal en verdedigden ze patronale standpunten. De EVA-kliek ziet ons optreden met lede ogen aan, ze dachten dat wij ons zouden uitputten in een strijd om het syndicaal bureel, dat we op hun provocaties zouden ingaan, ons zouden vastrijden. Maar niets van dat alles: wij gaan naar de arbeiders en beginnen aan ons delegeewerk. De ingenieurs krijgen van de directie een richtlijn niet op onze syndicale vragen in te gaan. Maar we kunnen dat doorbreken. Het gaat goed. Die eerste veertien dagen komt de EVA-delegatie permanent saboteren in de refters. De arbeiders volgen aandachtig of we dat aankunnen. Ja dus. Hun woede tegen die kliek wordt met de dag groter en heftiger. Ik ben delegee van de staalfabriek en de warmwals. Ik maak een schema om alle arbeiders regelmatig te kunnen zien. In elke groep productiearbeiders en onderhoudsmannen, telkens in vier ploegen. Ik blijf vaak na 17 uur in de fabriek om bepaalde shiften te kunnen bereiken. We beginnen om 8 uur 's morgens, maar regelmatig ben ik om 19 a 20 uur 's avonds nog daar, bij arbeiders die ik anders niet zie en dat betekent toch gauw een halfuur discussie. We hadden dat gevecht om door de massa erkend te worden als onderdeel van een plan moeten zien om de mensen voor te bereiden op een gevecht voor hun nieuwe delegees. We dachten dat de structuren van het ABVV-Gent dat wel in orde zouden krijgen. Nochtans moet ik eerlijk zeggen dat ik die zes weken elke dag naar de fabriek vertrokken ben met het idee 'we kunnen vandaag afgedankt worden'. In die periode kregen de arbeiders pamfletten van ons én van de onwettige delegatie, elke week. Ik had een programma als revolutionaire delegee. Ik wilde een strijdbare delegee zijn, geen sociaal assistent. De inhoud van mijn werk draaide rond volgende punten: Ten eerste. Tegen het participatief management. Er waren steeds meer discussies over. Elke arbeider leidt een dubbel leven. Een tegenover de patroon en een als arbeider onder arbeiders. Charel, een kelderman, leerde mij het vak maar wilde het niet aan een meestergast leren. Al zijn knepen 92 legde hij me uit: omdat ik een van hen was. Maar die meestergast drong aan want die wilde de hele productie kunnen beheersen, ook het vak van kelderman. Charel vertelde hem enkel wat er in 't boekje stond. Niets aan te doen. Op een dag was er alarm. Charel spurtte naar de controlekamer, duwde enkele knoppen in en de zaak was opgelost. De meestergast: 'Zeg me wat je gedaan hebt.' Charel stond te twijfelen: hij kon niet zeggen dat hij niets gedaan had. Hij heeft dan de helft verteld. Een makker van de zwemclub, een walser, kende zijn vak als geen ander. Dat was zijn geheim. Maar met het participatief management willen ingenieurs die kennis vastkrijgen. Het is moeilijk die kennis voor jezelf te houden. Maar het moet. Je stielkennis houdt je aan het werk. De arbeiders hebben een zwaar werk: afstompend en toch moeten ze alles van zichzelf geven. Ook als verweermiddel tegen de flexibiliteit moeten ze hun stielkennis geheim houden. Binnen het kapitalisme een grens trekken ten koste van de eigen honger naar meer kennis en ten koste van hun bekwaamheden. Een tweede punt van mijn programma was het opvoeden van de arbeiders rond de winstcijfers, zodat ze vrij kunnen nadenken over cao's, hun eisen en acties. Ten derde het racisme. Optreden tegen het Vlaams Blok dat beweert de mensen te kennen. Ze kennen alleen de achterhoede en de stakingsbrekers. Ze halen het minst mooie onder de werkers boven: daar moet maar eens een einde aan komen. Ten vierde: tegen het Vlaams-nationalisme van de Volksunie en een deel van de sp: voor de eenheid tussen Vlaamse en Waalse arbeiders in de staalsector. Ten vijfde: een actieve arbeidersgroep. Op Sidmar zijn er honderd revolutionaire arbeiders nodig. Daar wilde ik aan werken: als delegee en als communist. Want op dat moment waren we maar met een dertig a veertigtal en dat is te weinig voor Sidmar. Ten zesde: 'adjudanten' voor de strijd opleiden. In '87 was Patrick mijn adjudant, de arbeiders noemden hem ook zo. Je hebt er tien nodig. Ten zevende: de vorming van arbeiders fulltime-specialisten inzake de veiligheid. Hun opleiding kon met de hulp van de dokters van Geneeskunde voor het Volk of met geneeskundestudenten van MLB gebeuren. Ten achtste: een democratisch vakbondsleven in de fabriek. Ten negende: de discussie over het socialisme verder zetten en films daaromtrent vertonen in de streek. Tot 15 december wordt ons werk als nieuwe delegatie steeds beter. Op 16 december roepen we dan ook een belangrijke arbeidersvergadering bijeen. 93 We willen met honderden arbeiders in betoging naar de directie trekken om onze erkenning af te dwingen. Ondertussen was secretaris Van De Voorde in de fabriek over de zaak aan 't onderhandelen en de betoging zou hem steunen. Maar de vergadering wordt vakkundig gesaboteerd door Bauwens, de EVA-getrouwe weggestemde ABVV-hoofddelegee. Hij weet dat hij nu erg gehaat is door de werkers maar dat komt hij juist bespelen om de betoging te verhinderen. Hij begint te roepen en te tieren. De arbeiders brullen en roepen terug. Bauwens moet verdwijnen. Daardoor wordt de vergadering een chaos: mensen rekenen af met Bauwens wat begrijpelijk is, maar wij willen een betoging naar de echte verantwoordelijke van onze niet-erkenning: de patroon. Bauwens bereikt zijn doel. Achteraf komt hij naar ons: 'Ge hebt ze niet naar de directie gekregen, hé.' Ik moet mezelf in de hand houden, vechten met Bauwens heeft geen enkele zin. Ik besef dat het steeds moeilijker wordt. Ik voel de bedreiging afgedankt te worden elke dag méér. Nu denk ik dat we toen hadden moeten besluiten dat de zaak van onze erkenning muurvast zat en dat we terug hadden moeten gaan werken. Ons officieel mandaat tijdelijk neerleggen en verder werken in de diepte, in de ploegen, de arbeiders voorbereiden op acties en staking voor onze erkenning. Uit die illegaliteit gaan. Dat had hoogstens een paar maanden geduurd. Het was een situatie zonder precedent: verkozen delegees die hun functie niet uitoefenen. Maar ik denk dat we naar andere krachtsverhoudingen hadden kunnen gaan door terug te gaan werken. Waar moesten we bang voor zijn? Onder de arbeiders waren we als vissen in het water, de tijd kon enkel in ons voordeel werken. Ik heb dat toen ook gezegd, de meesten dachten dat ons niets kon gebeuren, dat de patroon ons niet zou afdanken omdat heel het ABVV achter ons stond. Voor nieuwjaar '88 krijgen we de eerste aangetekende brief van de directie. 'U zal worden afgedankt indien u verder werkt als vakbondsdelegee.' Maar de meesten bleven van mening dat we niet zouden afgedankt worden gezien het hele vakbondsapparaat achter ons stond. Afdanking van 'de vier' 11 januari krijgen we de derde verwittiginGSBrief. De dag nadien trekken we naar de directie en vragen het personeelsregister. Daarin tekenen we schriftelijk protest aan tegen deze brieven. Dezelfde dag is er 's avonds militantenvergadering van het ABVV. Daar komen secretaris Stroobant en Van De Voorde binnen met het bericht dat we afgedankt zijn. Unaniem besluiten we dat we onder de arbeiders moeten zijn om er de strijd tegen 94 onze afdanking te organiseren. Stroobant had gezien dat de rijkswacht rond de fabriek was opgesteld. Via een echte commandoactie geraken we in de fabriek: 'de vier' én veertien ABVV-vakbondsmilitanten die nog niet afgedankt waren, geen klein detail. We gaan naar de refter van de Centrale Werkplaats, waar een strijdbare ploeg werkt met Herman als delegee. Acht uur 's avonds. Secretaris Van De Voorde zit bij de directie om onze heropname te eisen, maar omdat hij weigert ons uit de fabriek te halen wordt hem vanaf dan de toegang tot de fabriek ontzegd. In de fabriek spreekt Herman de arbeiders toe die van overal naar ons toekomen, de laskappen nog op. De aanwezige ingenieur bedreigt hen met afdanking, maar ze laten hem brullend en tierend achter. Met tweehonderd trekken we vastberaden naar de grote refter van de Koudwals. Arbeiders van Skinpass en Knipbanen vervoegen ons, maar we krijgen de Koudwals niet in staking, ook niet tijdens de ploegenwisseling. We besluiten in de fabriek te overnachten. We weten immers met zekerheid dat er een algemene staking zal komen als we in de fabriek kunnen blijven tot de mecaniciens van de ploeg van Frans Broer met de vroege aankomen. We installeren ons met achttien in de refter en wachten op de ochtendploeg. Ook de directie beseft dat de staking nog slechts een kwestie van enkele uren meer is. Niets wordt dus onbenut gelaten om ons buiten te krijgen. Om het uur worden kaderleden op ons afgestuurd om ons dringend te vragen buiten te gaan. Chantage tegen de veertien die nog niet afgedankt waren. 'Jullie zijn de volgenden.' Het lukt niet. Als syndicalist ben je een collectief Aanval 2. De oude delegatie wordt opgevoerd, Bauwens op kop. Ze proberen ons ervan te overtuigen de verkiezingen van 5 en 6 november nietig te verklaren en zeggen dat we akkoord moeten gaan met een compromis en de oude delegatie opnieuw moeten erkennen, dan zouden we niet afgedankt worden. Aan de stakende arbeiders zeggen ze 'Ga terug werken, je maakt het alleen erger voor "de vier".' Allemaal leugens. Hun aanpak was listig: ze deden alsof we niet zouden afgedankt worden als we met het compromis akkoord gingen. Ik kan dat ontmaskeren: 'Betekent dat dat we niet afgedankt zijn'. Daar was geen sprake van, dat moesten ze toegeven. Wat ze echt wilden was onze politieke dood. Dat we (voor een onbestaand compromis) onze principes en idealen als strijdsyndicalisten openlijk zouden afzweren. Afgedankt waren we in ieder geval. Zouden we akkoord gegaan zijn onze eigen verkiezing nietig te verklaren dan zouden ze tegen de stakende arbeiders kunnen zeggen: 'Ze hebben zelf verraad gepleegd'. Deze psychologische oorlog overleven 95 we. Ze kunnen onze wil niet breken. Maar hun optreden is een enorm blok aan het been. We kunnen ons niet splitsen in twee groepen: negen in de refter en negen die in de fabriek rondtrekken. De nacht vordert erg traag en we moeten bijeen blijven, anders is er geen ABVV-Sidmar meer. Aanval 3: om twee uur 's nachts druipen de EVA-getrouwen af en neemt de directie het opnieuw over: chantage over afdanking van de veertien. We sturen ze telkens wandelen, maar kunnen niet uit de refter.'Samen kunnen we tot vier uur 's nachts de repressie weerstaan, ze moeten uit de refter weg. Aanval 4: om 4 uur 's morgens komt een grote groep kaderleden en bewakers in uniform in de refter aan. Ze zetten hun offensief nog meer kracht bij. En deze keer gaan ze niet weg na een tijd. Ze blijven. Ze dreigen met afdanking van iedereen in de refter. Er volgt een lange stilte, en de spanning stijgt. De wachters beginnen te dreigen en een aantal kameraden staan recht. Een syndicalist is een collectivist: in goede en in slechte tijden. Uiteindelijk moet ook ik rechtstaan en de fabriek samen met de anderen verlaten. Halfvijf in de morgen. Als een bende misdadigers worden we in de donkere nacht voortgedreven naar buiten: tussen twee rijen auto's, in de lichtstraal van de autolampen. Argentinië lijkt dichtbij. Ik ben alleen een strijdlied beginnen zingen, in de wetenschap dat ik me daar beter zou door voelen. Veertig minuten later! Om tien na vijf komen de eerste mecaniciens in de kleedkamer binnen. Als ze horen van onze afdanking gaan ze prompt in staking. Wij zijn er niet: we zijn in Gent bij secretaris Van De Voorde voor overleg. En de stakers horen enkel de versie van de EVA-bende: '"De vier" willen geen "compromis", Gent laat hen vallen.' Twee dagen later kwamen de mecaniciens van Post 150 in betoging vanuit de fabriek naar de poort. Met 'de vier' zijn we dan elke dag naar de poort gegaan om de arbeiders toe te spreken, alle arbeiders stopten en kwamen praten. Het was een zaak van het ABVV, maar de ACV'ers stopten ook. Er was enorme intimidatie van de rijkswacht aan de poort. Soms kwamen die met twintig man op ons af. Maar de mensen stopten toch en riepen tegen de rijkswacht. Als de bussen toekwamen staken werkelijk alle arbeiders de vuisten de lucht in en reden zo binnen. Soms werd ik op een bus getrokken om pamfletten uit te delen tot op de parking. Enkele dagen later deden tweeëntwintig ABVV-militanten een geslaagde actie onder de codenaam 'actie café op de hoek'. Ze zetten daarmee heel wat op het spel: de avond van de actie zat er reeds een aangetekend schrijven in hun bus: hun laatste verwittiging voor de afdanking. Die brief zit nog altijd in hun dossier en zes zijn effectief afgedankt. Soms bleven de mensen gewoon uit protest in de refter zitten. Ze wilden actie tegen onze afdanking, maar er was geen leiding. 96 De strijdwil, de staking zat erin, maar we kregen die gedeeltelijke stakingen, acties en betogingen niet tot een algemene staking voor onze heropname. Het ontbrak ons aan bekwaamheid dit tegen alle tegenwerkende krachten in te organiseren. Het gewest Gent deed een stakingsaanzegging voor 28 januari '88, drie weken na onze afdanking. Op 28 januari stond er een piket van vijfhonderd man aan de poort. Vierhonderdvijftig syndicalisten vanuit heel België en vijftig van Sidmar. De rijkswacht chargeerde onmiddellijk en dreef ons weg van de poort zodat diegenen die van Gent kwamen de fabriek niet konden bereiken. De algemene staking lukte niet. De repressie in de fabriek was te groot, wij waren er niet, de EVA-kliek wel, er zijn vele factoren waarom niet iedereen staakte. Er staakte honderdtwintig man die dag, een deel van de kern die achteraf voor de ideeën van 'de vier' bleven vechten. De EVA-kliek werd die dag uit de refters gejaagd: de arbeiders gooiden met hun koffiebekers naar dat tuig, maar als volleerde agenten van de patroon kwamen die altijd terug. Op 12 februari kwam onze afdanking voor de arbeidsrechtbank. We wonnen. We waren onwettig afgedankt. Op 15 februari gingen we ons opnieuw aan de poort aanbieden, met secretaris De Batselier erbij. Vele arbeiders werkten mee aan een plan om ons in de fabriek te krijgen. Alle vier raakten we binnen, met de slaapzak. We werden verstopt in de Centrale Werkplaats, 's Morgens doken we dan in hun refter op. Iedereen zong: 'Hand in hand kameraden!' Ge had de gezichten moeten zien. Een blij weerzien, een enorme sfeer. Ik vergeet het nooit, want die dag was het 'zotte maandag', na carnaval in de streek. Er werd weer gedeeltelijk gestaakt. De directeur stond er dadelijk met een deurwaarder en een fotograaf: foto's van alle stakers, van de actievoerders, chantage voorjaren. De mecaniciens hebben de foto's in beslag genomen en vernietigd. Sidmar had beroep aangetekend, maar we werden weer in het gelijk gesteld. We gingen ons dus opnieuw aanmelden in de fabriek met secretaris De Batselier. Dat is de laatste keer dat ik bij de personeelsdienst van Sidmar was en Carpentier zei: 'Ja, het vonnis is er wij leggen ons neer. Je hebt de wijsheid van de rechter, maar er is ook de wijsheid van de algemene directie.' Met andere woorden: wij hebben de macht en maken zelf onze wetten. Toen zijn we voor de vierde keer de fabriek binnengetrokken, helemaal vermomd. Om 10 uur doken we in de refter van de Centrale Werkplaats op. Groot alarm! Maar wij verborgen ons en om 12 uur doken we opnieuw op in Post 150 bij de mecaniciens van de Koudwals, de ploeg die in staking ging na onze afdanking. Herman had een pruik op, ik had geverfd haar en een klak van een buitenfirma, Dirk Van Hecke had een plakker over zijn 97 zwarte snor en droeg een zonnebril. Twintig arbeiders hadden dit helemaal uitgedokterd in samenwerking met vele anderen. In de Koudwals begon Herman te speechen in de kleedkamers, wij hadden daar ook direct respons. De arbeiders hadden vragen over de rol van Gent, steunden die wel 100%? Opnieuw alarm en op een gegeven ogenblik konden we niet meer weg. De mecaniciens trokken ons naar de refter en gingen in staking. Wij zijn toen als koningen buiten gereden, met de vuisten omhoog en veel gejuich. Alles samen hebben er honderden arbeiders voor ons gestaakt. Ik denk dat wij niet beschaamd moeten zijn over dit resultaat, gezien de vele tegenkantingen en de desinformatie. Silvio Marra De delegatie van Clabecq kwam naar de rechtbank vanaf de eerste keer dat onze zaak voorkwam. Ik leerde vooral Silvio Marra kennen. Hij steunde ons 100% maar hij maakte één bepaalde kritiek op 'de vier' die hij steeds is blijven herhalen. Hij vond dat we een korte tijd de band met de arbeiders verloren, ongeduldig geweest waren. Hij zegde datje goed moet weten hoe ver je kan gaan, want eens afgedankt duurt het tien jaar voor er een nieuwe syndicale delegatie opgeleid is die de klappen van de zweep kent. Hij zegde: 'Dirk, quand j'ai des problèmes, je me plonge dans les masses.' Vaak heb ik aan die woorden gedacht, ook in de jaren voor de strijd rond Clabecq losbrak. Ik vind dat hij gelijk heeft. Ik had mij veertien jaar lang gebaseerd op 'wijze arbeiders' en op mijn eigen instinct als ik moest beslissen. Met 'de vier' had ik die methode even niet meer toegepast, vanwege gebrek aan tijd. Punt is natuurlijk datje daar tijd moet voor maken. Het ontbrak me als communist aan een plan. Wat zou de patroon doen? Wat zouden de ps, de nationale en regionale vakbondsleiding doen? Welke zijn de gevaren bij 'de vier', waarvoor moeten we bij onszelf opletten? Een eenheids-werking met het ACV organiseren. Hoever staan de arbeiders, de strijdbaarste, de middengroep en de anderen? Op basis van een bilan van onze eerste drie weken delegee-zijn hadden we moeten beslissen terug te gaan werken, want we zaten vast. We zijn ongeduldig geweest. Een marxist kent het principe om naar de massa te gaan luisteren als hij in de problemen zit nochtans erg goed. Desnoods herbegin je van nul, maar wél met de mislukte ervaring in je hoofd opgeslagen. Het principe van 'niet verder gaan dan dat de arbeiders je kunnen dragen' is een marxistisch principe dat ik veertien jaar heb toegepast en toen even uit het oog ben verloren. 98 Niet alleen Silvio Marra maakte deze kritiek. Ook de driehonderd arbeiders van de kern van de strijd rond 'de vier' en ook andere arbeiders zegden het ons 'Jullie zijn fantastisch, maar Dirkje bent te snel gegaan.' Ook vandaag zeggen ze dat keer op keer en nu er terug strijdsyndicalisten zijn in het ABVV zeggen de arbeiders: 'Deze keer zullen we voorzichtiger zijn.' Ze zijn daar ook wel naïef in: 'We gaan zo voorzichtig werken dat de patroon niet weet dat hij opnieuw linkse delegees heeft.' De patroon weet onmiddellijk welk vlees hij in de kuip heeft. Maar ze hebben natuurlijk gelijk als ze nu hun hoofd breken over hoe voorzichtig de strijdsyndicalisten van vandaag moeten zijn. Overschot van gelijk. 'De vier' als referentiepunt van hoe een vakbond moet zijn 'De vier' was strijd voor vakbond met principes! Zonder 'de vier' leefden we nog in het EVA-tijdperk: ook dat krijg je steeds weer te horen van de Sidmararbeiders. De ervaringen en strijd rond 'de vier' zitten diep verankerd bij de mensen. 'De vier' zijn het referentiepunt voor de arbeiders. Als de arbeiders niet tevreden zijn over de vakbond zeggen ze 'dat zou bij de vier niet gepasseerd zijn'. Jonge arbeiders die er begonnen na onze afdanking, komen geregeld aan de poort naar mij: 'Ik heb al zoveel over je gehoord, maar ik heb je nog nooit gezien. Goemaere, 'de vier' dat was perfect.' 'De vier' was een fantastische propagandatocht voor een klassensyndicalisme. Een beweging die de gehele arbeidersbeweging van Gent vooruitbracht. We hebben zes weken lang een heel ander syndicalisme gevestigd, dat krijg je niet meer weg. Zes weken zaaien en ploegen heeft een enorme oogst gegeven. Zes weken actieve campagne waarop de arbeiders reageerden met discussies van 's morgens tot 's avonds. Ze wilden erg ver gaan voor een andere vakbond, kregen een perspectief. En al die jaren van strijd daarna, rond de delegeeverkiezingen van '91: allemaal strijd voor een goede vakbond: niet voor fabriekseisen, al zijn die er genoeg. Mensen kan men wegrukken, hun ideeën niet! Na onze afdanking was er pessimisme in de fabriek. Het heeft een tijd geduurd eer er opnieuw grote acties waren. De strijd is dus een aantal jaren achteruit geslagen. Maar het gevecht voor een andere vakbond is eigenlijk geen dag stopgezet. Bij de delegeeverkiezingen van '91 hebben we met 'de vier' besloten om een oproep te doen aan de arbeiders. Er was een compromis vanuit het 99 nationale ABVV geweest waardoor de twee militantengroepen terug werden samengevoegd. De eerste reactie van sommige linkse syndicalisten was: 'Er valt niet die rechtse zakken niets aan te vangen.' En het moet gezegd: nationale figuren van de metaalvakbond zoals Jorissen, dé Jorissen die de solidariteitsslaking met Renault persoonlijk is gaan verhinderen, en waarvan geweten is dat hij meer verantwoording aan Tobback dan aan Nollet aflegt, kwam in '90 naar Sidmar om de rechtervleugel van de ABVV-militantenkern nieuw leven in te blazen. Die zaten aan de grond, bestonden bijna niet meer, werden door de arbeiders veracht na onze afdanking. Jorissen heeft met geld van de Sidmardirectie militanten vergaderingen gehouden tijdens de werkuren. Wij met 'de vier' riepen met de delegeeverkiezingen op om op zes linkse arbeiders te stemmen: we deelden een pamflet uit met hun foto erop. Ze werden alle zes gekozen: Peter Verniers, Benny D'Hondt, Patrick Vancauwenberghe, Antoine Vancauwenberghe, Eddy Van der Jeugt en Antoine Ronald. Verniers had meer dan 250 voorkeurstemmen; de zesde had er 149. Peter Verniers werd vrijgestelde syndicale delegee, Benny afdelingsdelegee met zestien syndicale uren en Eddy reservedelegee. De arbeiders hebben hen gekozen als ode aan 'de vier' en omdat ze het syndicalisme waar we voor stonden een tweede leven wilden geven. Ze hadden in '88 onze afdanking niet kunnen tegenhouden: dit konden ze wel. Toen de uitslag van de verkiezingen bekend werd, was het feest op Sidmar. Iedereen wenste de zes mannen proficiat. De arbeiders kruisten mekaar in de fabriek de duim in de lucht. 'Zo gaat het terug de juiste kant op.' Er was constante discussie, hoewel ze die zes bijna niet kenden. In '91 ging het ABVV via linkse stemmen opnieuw van 20 naar 30%. De catastrofale periode eva was voorbij. Maar de eerste jaren zag je nog niet veel resultaat van die zes. Ze moesten hun weg zoeken, met veel verwikkelingen. Drie van de zes blijven tot vandaag een rol spelen en hebben vanaf '93 mee de strijd van de arbeiders geleid tegen 'interim en regie'. De Sidmar-versie van onderaanneming en uitbesteding van ganse delen van de productie. De arbeiders zijn daar niet over te spreken. Een spontane betoging hiertegen binnen de fabriek in '93 was de eerste strijd sinds onze afdanking. In het voorjaar van '94 zijn er verschillende referendums geweest rond 'interim en regie'. Drie keer door de arbeiders verworpen. Dan heeft de directie dat punt moeten schrappen of er was geen cao afgesloten tegen de wettelijke datum. De driehonderd syndicalisten en arbeiders die als leeuwen gevochten hebben rond 'de vier' blijven erg actief. Ze zijn gestaald in die beweging en hebben die mee bezield. Ze stonden als een muur rondom ons. Ondanks 'afdanking van de 4' is de vernieuwing en verlinksing verdergegaan onder de paraplu van de vier. Je kan een delegatie buitensmij ten, 100 maar niet hun ideeën als die geworteld zijn in de massa. Binnenin blijven de mensen vrij en met een nieuwe leiding kunnen de meningen van de arbeiders terug naar buiten komen. Tijdens de strijd tegen het Globaal Plan waren er driehonderd arbeiders aan het Sidmarpiket op 'vurige vrijdag': samen hebben we de tunnel geblokkeerd en de Kennedybaan bezet. Veel volk van de tijd van de vier. De kern van de strijd toen, blijft de strijd vandaag trekken, heeft nooit opgegeven. Zo stemde Sidmar een solidariteitsmotie toen Clabecq failliet verklaard werd, maanden voor de eindstrijd. En een volle autobus Sidmar-syndicalisten trok naar de betoging van 2 februari '97, en naar de betoging tegen de leugenaars in Namen gingen ze met de trein. Honderden arbeiders ondertekenden een solidariteitspetitie met Clabecq. Terrein van de psychologische strijd niet verlaten De patroon heeft mij afgedankt: een klassendaad. Op dat moment scoorde hij. Maar toen ik die drie miljoen afdankingsgeld aan Kris Merckx van de PVDA overhandigde, werd dit de hele dag op de plaatselijke tv uitgezonden en toen scoorden de arbeidersklasse en de revolutionairen. Dat heeft de moraal een duw omhoog gegeven, ook voor de afgedankte militanten van het ABVV die voor de 'vier' gevochten hebben. Ik heb ze alle zes persoonlijk verwittigd dat ik dit zou gaan doen. Hun reacties en die van vele arbeiders waren enorm. Het was na de hele 'vernieuwinGSBeweging' van '87-'88 een fantastisch indringend gebeuren. Het deed deugd dat ik de patroon zes jaar later zo'n loer kon draaien. In de hele kanaalzone, maar vooral in Sidmar en Volvo is daar uitvoerig over gedebatteerd. Door de premie volledig af te geven aan de PVDA zagen ze dat communisten uit een totaal ander hout gesneden zijn, dat wij 'het volk dienen'. Dat ik me vandaag niet echt 'buiten' Sidmar voel heeft ook met dat geld te maken. De arbeiders waren al jaren begaan met mijn lot: had ik ander werk? Hoe was het met mijn proces? Stel: ik had het geld niet afgegeven. Wat hadden ze dan gezegd als ik daar stond op te roepen naar aanleiding van de strijd tegen een volgende Globaal Plan? Ja, 't is een toffe vent, maar wat is zijn oproep waard, hij heeft drie miljoen op de bank staan. De patroon had dat niet verwacht en was ziedend. Binnenshuis verklaarde hij: 'Als ik dat had geweten dan was ik tot cassatie gegaan.' Maar tegenover de plaatselijke pers speelde hij perfect zijn rol: 'Goemaere kan doen met zijn geld wat hij wil: het is van hem.' 101 'Gelukkig als een vis in het water' Toen ik pas in de fabriek werkte was ik een onervaren intellectueel: alle onderwerpen breide ik aan elkaar, 't Was waarschijnlijk zwaar om naar die gesprekken te luisteren. Dat heb ik grondig moeten veranderen. Ik ben gaan werken en gedeeltelijk gaan leven als een arbeider. Toch is mijn leven anders dan dat van hen. Ge moet niet in de fabriek gaan werken om de strijd los te trekken, maar je moet er bij de voormannen de moed inhouden, al hun twijfels en illusies kunnen opvangen. Bij de arbeiders zijn er meerdere leiders die vaak over het hoofd worden gezien. Die kopmannen moetje kunnen begeleiden en leiden. Niet elke communistische intellectueel kan een arbeidersleider worden. Niet iedereen kan dat. Ikzelf vind een communist wel een volksmens, en een menner. Volksmenner. Aangezien je zo niet geboren wordt moet je dat leren. En bepaalde mensen zullen daar problemen mee blijven hebben. Ik vind de arbeiders een klasse die wil vechten voor principiële zaken, en een revolutionaire klasse. Ik ben blij dat ik mijn leven bij hen heb doorgebracht. Ik vind het één van de knapste zaken die je met je leven kan doen. Ik voel me wel nog steeds weggerukt, dat is geen nostalgie, ik voelde me daar op mijn plaats. Nochtans bleef ik de 'rare', 'de andere' die ze respecteerden, en die ze niet meer wilden missen. Ik hoop dat ik nog steeds een deel van hen ben. Ik heb lang geloofd in een erg lange strijd voor onze heropname die dan eventueel na vele jaren nog tot een staking zou kunnen leiden. Ik vind het verschrikkelijk dat ik afgedankt ben. Het is een klassendaad van de patroon: 'Gij komt niet meer bij die arbeiders.' Hij heeft me afgeschoten, hij heeft de macht dat te doen. Net zoals de Argentijnse bannelingen ben ook ik weggerukt. Maar dat kan je werk niet wegvagen. Ge bouwt steen voor steen iets op: een bouwwerk met veel componenten, jaren en jaren. En uiteindelijk kom je daardoor in een bepaalde positie die je enkel aan de arbeiders te danken hebt en in die positie word je erkend en gekend. Dat heeft een hele kracht: de kracht van al die stenen samen die ervoor nodig waren om het op te bouwen. Ik voelde me goed in mijn vel op Sidmar. Ik spreek graag, niet zomaar: maar na een hele dag actie maakte ik graag een synthese van de dag. Bepaalde zaken bespreken voor honderden mensen: dan was ik op mijn gemak. Dan was ik op mijn best. De vakbond betekent zeer veel voor de arbeiders. Ze verwarren die heel vaak met een partij. Ze zeggen 'mijn partij' en ze bedoelen het ABVV of het ACV en ik heb de arbeiders leren kennen die gevochten hebben voor een ander ABVV, maar eigenlijk voor veel meer: voor een ander leven. Eind '97 102 was er grote beroering onder de bedienden. Toen vroegen al de bedienden die ik tegenkwam aan de poort of elders: 'Is het nu maandag staking, Dirk?' Dan vraag ik je: ben ik weggerukt? Het is dankbaar werk. Je wordt populair bij het volk. Ik weet nog hoe we na de staking van '87 in een café binnengingen: ik kreeg er groot applaus voor mijn leidende rol, maar in de café ernaast kenden ze mij niet. Anders zou ik het niet willen. Dat is voor mij gelukkig zijn. 103
Cathy - Inhoud - de fabriek
Cathy (met 'hygiënisch kapje') heeft als delegee werklozen uitgenodigd om met de vrouwen van Sherwood het belang van de strijd voor werktijdverkorting uit te leggen. Verbroedering tussen werklozen en Sherwood voor de fabriek. (Fotoarchief Solidair) 104 Verviers, 12 februari '93 De zoning van Petit Rechain. Twee vrouwen kamperen reeds zes weken voor Sherwood, de fabriek waar ze als delegee onwettig werden afgedankt. Vijf keer hebben de arbeiders hen tot delegee gekozen. Hun caravannetje is de zenuwknoop van een strijd tegen alle afdankingen van delegees geworden. Aan de muren tientallen moties, faxen, solidariteitsboodschappen. Van de CSC-vrouwen: 'Tegen tirannie en heksenjacht, leve de solidariteit, vriendschap en de vrijheid.' Van de voorzitter van het uitvoerend bestuur van de Algemene Centrale van Verviers: 'Het patronaat moet weten dat er drie dingen zijn die men nooit kan afnemen aan syndicale militanten die dat woord waardig zijn: ten eerste de vrijheid van mening, ten tweede de vrijheid om in een ideaal te geloven, ten derde de vrijheid om volgens dit ideaal te handelen.' Maar bovenal woorden van aanmoediging van dappere Sherwood-arbeiders die uren in de caravan doorbrengen, vaak als het donker is en niemand hen kan gaan verklikken. Cathy Craen ken ik meer dan 20 jaar. Goed genoeg om te weten dat ze met de zenuwen zit voor ze moet spreken. En spreken doet ze. Met een hoog stemmetje. Wat ze zegt is vuurwerk: 'Als personen zijn Paula en ik te vervangen, maar onze progressieve ideeën en de principes van ons strijd-syndicalisme kunnen niet vervangen worden, daarom vechten wij voor onze heropname. Sinds wij afgedankt zijn op 14 december zeggen de arbeiders ons dat zij er slechter aan toe zijn dan de afgedankten. Inderdaad, als een patroon 11 miljoen uitgeeft om van zijn delegees af te zijn, dan is het niet zomaar. Het werk van elke arbeider van Sherwood is in gevaar. De patroon heeft het syndicale hoofd van de fabriek afgedankt om later de rest af te danken. Dat is de echte reden van onze afdanking.' In 1997 blijken Cathy's voorspellingen spijtig genoeg uit te komen. Op 14 januari 1997 maakt Sherwood-Scimed-Boston bekend dat alle activiteiten in Verviers worden stopgezet. De fabriek wordt ontmanteld en naar Ierland overgebracht. Jacky Bronchain van het ABVV-Verviers: 'Zoals Cathy het altijd gezegd heeft: eerst het hoofd afgesneden door hun afdanking en nu de totale sluiting. Tweehonderd arbeiders staan op straat.' Na Cathy en Paula is er in Sherwood geen vakbond meer geweest die naam 105 waardig. Er is geen verzet geweest. Wij hebben een symbolische actie gedaan in het Sheraton in Brussel: 'Hoe sluit ik best mijn fabriek' voor ondernemers. Er werkten nog vijftien arbeiders die alle machines uit de grond vezen. In Ierland krijgt de patroon meer miljoenen subsidies omdat Ierland 'rampgebied van niveau één is voor Europa; wij zijn maar van niveau twee'. Katlijn/Cathy Ik ben in juni '47 geboren als jongste in een rijk, burgerlijk gezin. Vader en moeder waren scheikundigen. Mijn vader studeerde er apotheek bovenop. Hij had een grote apotheek in Hoboken en was dé plaatselijk CVP'er. Hij was voorzitter van allerlei, de Koninklijke Harmonie bijvoorbeeld. Hij verzorgde ook de apotheek van fabrieken zoals de Métallurgie. Een man van aanzien. Zijn broer was kabinetschef, tweede man op het ministerie van Economie na de oorlog. De twee broers hadden vaak discussie over wie de zaken het slimst had aangepakt, het hoogst was geraakt... Marnix Ghysen, mister-USA, was hun man. Moeder kwam uit de traditionele Franssprekende burgerij van Leuven. Als scheikundige werkte ze mee aan de ontwikkeling van de 'pil'. Maar daarna wijdde ze zich aan de apotheek, de geplogenheden van de burgerij van Antwerpen en aan de kunst. In haar familie had iedereen gestudeerd, behalve haar moeder. Bij oma mochten we niet op verlof gaan: 'die had ons niets te leren'. De 'Cultuur droop van ons af. De kastelen van de Loire was een must: het mooie verleden van de Franse burgerij. Eén maand per jaar naar de Cöte d'Azur. Kwestie van volgens onze stand te leven, 's Zondags gingen we rijkelijk uit eten met het hele gezin. Moet je eens proberen met het loon van een textielarbeider. Schooljaren Ik ben binnen de muren van een groot huis opgegroeid. Buiten was onze wereld niet. Ons enig contact met de buitenwereld waren moeder 'haar' meiden. Mijn broer was verliefd op een van hen. We waren zijn 'cover' om met de veerboot naar Kruibeke te varen: naar zijn liefje, 'onze' meid. Die uitstapjes waren voor mij het echte leven. Ik gluurde uren in de tuin van de buren: kijkend naar het spel van de kinderen van de viswinkel. Het fascineerde me. De dreunende mokerslagen die uit Cockerill Yards 106 opstegen, maakten me nieuwsgierig maar het was verboden terrein. Wij moesten piano of dwarsfluit oefenen, op onze kamers lezen of acte de présence geven op de vele high-societyfeestjes. De grote living gevuld met de notaris, advocaten, kunstenaars... Mijn moeder was beginnen schilderen. Aan de piano een muzikant. Wij moesten in onze mooiste kleren handjes gaan schudden! Na dit protocol vluchtte ik naar de keuken, naar de meid. Bij haar voelde ik me goed. Ik wilde uit die wereld weg. Eerder vroeger dan later. Nochtans bestaan er genoeg 'gelukkige familiefoto's'. Maar zo is dat bij de burgerij: aan de buitenkant lijkt alles oké. Bij verkiezingen moesten we helpen vaders stemmen binnen te halen. In een auto, de hand uit de wagen, twee vingers omhoog: het nummer van de CVP. Vader maakte foto's van plassen en kuilen in de straten van Hoboken om de socialistische meerderheid aan te vallen. Mijn vaders waarden brachten me in de war. Binnen de CVP was hij 'de progressieve'. Hij las boeken die op de index stonden, betwistte het gezag van de paus, en was voor de 'hardwerkende arbeider'. Onze meid was er zo een. Ze werkte bij ons van haar veertiende tot haar dertigste. Vader betaalde haar huwelijksfeest. Mijn vader was een 'enfant terrible' van de CVP. De kleuterschool was te volks, dus taboe. Geen kleuterschool dan maar! Ik zat thuis, alleen. Mijn lagere school deed ik in Sint-Agnes in Hoboken. Daar zaten gewone kinderen. Ik mocht niet met hen spelen, en ze mochten niet bij ons thuis komen. Ik bedacht daar oplossingen voor: mijn schoolboeken bij die meisjes vergeten bijvoorbeeld. Op school was iedereen bij de jeugdbeweging, ik mocht dat niet. Ik begon mijn middelbaar in Sint-Lutgardis, door Lieven Gevaert opgericht als vrouwelijke pendant van de jezuïeten. Elite-onderwijs en bijbelindoctrinatie. Ik voelde me er slecht en presteerde onder de verwachtingen. Ik buisde in de vierde Latijnse. Ik voelde me schuldig: je bent de elite en je verpest dat. Ik voelde me eenzaam en de boeken die ik toen las hadden één zaak gemeen: hoe redden mensen zich die alleen zijn op de wereld? Siske de Rat, De hut van oom Torn: huilend gelezen en herlezen. Mijn ouders deden me naar een andere school: Les Dames de l'Instruction Chrétienne. Ik leerde er alle fijne maniertjes, wellevendheid en hypocrisie. Die nonnen waren perfect om de tuin te leiden. Een leiderstype was ik niet en spelen had ik nooit gedaan. Ik had wel organisatietalent, dus regelde ik picknicks en uitstapjes. Tegen de non van dienst zegde ik dat ik alles al met de directrice had besproken. Ik was de perfecte christen geworden. 107 Een vriendin! In de periode dat ik Kafka las kreeg ik een vriendin. Haar ouders waren niet echt rijk, maar ze was de eerste van de klas. Dus mocht ik ermee omgaan. Haar moeder had ook wel een meid, maar raakte toch ook zelf de kookpotten aan. Ik discussieerde eindelijk met iemand, en ik zag bevestigd dat niet iedereen leefde zoals mijn ouders. Het racisme in de USA, dat zwarte kinderen geen opleiding konden krijgen zoals ik, zat me in die tijd hoog. De apartheid in de USA doorprikte de verhalen van mijn pro-Amerikaanse thuis. Ik werd wat socialer: via de school gingen we eens per maand naar een oudje, een arme of een eenzame. We gingen veel meer naar die mensen dan van ons verwacht werd. Ik ontmoette mensen zonder elektriciteit. Ik voelde me onwennig bij die arme mensen omdat ik geen dialect verstond. Men stuurde ons naar armen en eenzamen, dikwijls generatiearmoede. Dat gaf voeding aan de idee van mijn ouders dat armoede erfelijk is, een persoonlijke en geen maatschappelijke kwestie. In de laatste jaren van de humaniora werd ik monitrice bij de vakantiekolonies aan zee. De kinderen die 's nachts niet konden slapen, vertelden er verhalen van ongelukkig zijn door situaties thuis. Dat leek te bevestigen dat alle ongeluk voortkomt uit persoonlijke situaties. Armoede, kinderverdriet: een kwestie van geluk of ongeluk. Ik begreep niets van een maatschappijmodel. Ik besefte niet dat die kinderen hun vader niet zagen omdat die in de fabriek in een shiftensysteem zat. Mijn vader volgde mijn sociaal engagement op de voet. Hij zag al een nieuwe CVP-carrière openbloeien. Gewichtig sprak hij: 'Je kan het goed zeggen en je kan goed organiseren, ga bij de CVP-jongeren.' Ik ben twee keer naar een vergadering van de CVP-jongeren gegaan. Het ging daar niet over de wereld veranderen, maar over het organiseren van feesten. 'Laat je niet doen. Als je iets wil veranderen in de wereld dan moet je binnen de CVP vechten, aan politiek doen.' Hij bedoelde eigenlijk: manoeuvreren, aan burgerlijke politiek doen. Maar mijn ervaringen met de CVP-jongeren hadden mij een afkeer van 'de' politiek gegeven. Ik werd anarchistisch op het eind van de humaniora. Weg uit dat burgerlijk keurslijf! Mijn ouders rekenden erop dat ik de apotheek zou overnemen. Maar ik dacht daar anders over. Ze werden bij het pms geroepen om mijn verdere studies te 108 bespreken. 'Katlijn wil eigenlijk vooral weg uit Antwerpen.' Mijn ouders oefenden nog druk uit om rechten te doen, maar het werd psychologie. In oktober '66 begon ik in Gent. Ik zat op kot bij mijn zus. Ze studeerde geneeskunde en deed haar stagejaar. Gent was de persoonlijke bevrijding die ik op dat moment nodig had: weg van die burgerlijke benepenheid en hypocrisie, weg van waarden die de mijne niet waren. Ik ging bijna nooit naar de les. Er was mijn eerste lief en ik nam die prompt mee naar huis. Mijn vader las ons de levieten: 'Een lief hebben en slagen aan de unief is niet mogelijk.' Ik zweerde er steeds door te zijn en dat is ook gebeurd. Vanaf het tweede jaar werd ik lid van de Vlaamse Psychologische en Pedagogische kring. We waren met zestig. Er waren veel discussies en tegenstellingen in die groep. Ik wilde kinderpsychologe worden. Ik zette de zaken eens op een rij: zwarte kinderen, daaraan wil je les geven? Blanke kinderen met problemen thuis, daaraan wil je therapie geven? Ik voelde aan dat dat neerkwam op missiekleedjes naaien, dweilen met de kraan open. Hoe moet je oplossen dat de meerderheid van de kinderen van deze wereld geen kansen heeft? Daarover moest ik verder nadenken. In een werkgroep maakten we een studie over de iQ-test. Die test is maatschappijbestendigend, ze bepaalt in welke mate iemand cultureel geïntegreerd is. Arbeiderskinderen komen er automatisch als minder verstandig uit omdat taalvaardigheid essentieel is. Later heb ik honderden keren aan arbeidsters uitgelegd dat verstand een kwestie van klassenstrijd is. Je mag niet toelaten dat arbeiders geloven wat hen gezegd wordt: 'Jullie zijn er niet om te studeren, jullie zijn daar te dom voor, jullie zijn er om met de handen te werken, het is mooi verdeeld in onze democratie.' Hoe komt het dat er in Rusland in de jaren '30 zoveel 'slimme' arbeiders ingenieurs werden? Waarom zijn er in Cuba zo'n verstandige arbeiders? Waaraan ligt dat? Aan een politiek systeem, niet aan de mensen. Het eerste wat Mussolini deed was het afschaffen van het onderwijs voor vrouwen. Zonder goede opleiding, zonder de mogelijkheid om je verstand te ontwikkelen, is er geen democratie voor de gewone mensen. Als je niet begrijpt hoe de wereld in elkaar zit, wordt de vloer aangeveegd met je. Kind van Mei'68 In de faculteit eisten we projectonderwijs en een andere aanpak van de eindwerken, meer groepswerk. We verwierpen onze cursussen. Ik deed mee aan de debatten en betogingen die over Gent rolden in '68, '69 en '70. Ik bezette mee de Blandijn, maar was nog passief, luisterde en nam alles in 109 me op. Maar heel mijn wereld was aan het veranderen. Aangezien ik tamelijk rationeel ben, plaatste ik twee discussies systematisch tegenover elkaar: de maatschappij in vraag stellen of het vinden van een individuele uitweg voor een betere ontplooiing van studenten alleen. Zo was er in de faculteit een groep aanhangers van Timothy Leary: dé man van de geestes-verruimende middelen. Hij beweerde dat je jezelf maar kon vinden als je drugs nam. Dat ging er bij mij niet in. En zo elimineerde ik gedurende drie jaar standpunten die geen antwoord gaven op mijn vragen. Ik nam niet alle standpunten van de Maartbeweging van '69 over. Studenten die naar de arbeiders gaan: ik vond het logisch dat de meest politieke studenten dat deden, ikzelf twijfelde tussen werken als goeie psycholoog of als arbeidster. In '69 stierf mijn vader. Na zijn dood ben ik als jobstudente beginnen werken. Ik wilde de gelijke zijn van arbeiderskinderen aan de unief. Ik maakte politiek komaf met mijn achtergrond en milieu. In '70 studeerde ik af. Er waren twee mogelijkheden: me in Nederland gaan bijscholen of een job aannemen die mijn oom voor me kon versieren: jeugdrechter worden. Kinderrechter zegde me wel iets, maar ik wou onder geen beding via hem een job. Ik stond voor de keuze: psychologische hulp bieden of de maatschappij veranderen. Zwarte kinderen in de USA individueel helpen of het racisme bevechten als een hoeksteen van het kapitalisme. In Cuba was dat afgeschaft door het socialisme. De marxistische ideeën wonnen na drie jaar van nadenken en elimineren steeds meer veld. Ik vond die ideeën logisch. Eenmaal overtuigd moest ik consequent naar die overtuiging leven en handelen. Ik ben getrouwd op 17 mei 1972, met Johnny, ook een psycholoog. Na onze huwelijksreis naar Amsterdam zouden we de knoop doorhakken over werk en engagement. In augustus '71 waren we lid geworden van de 'Beweging' die toen al AMADA heette. Voor mij was het dan ook logisch dat ik in een fabriek ging werken. Ik heb dan het kind wat met het badwater weggegooid, want ook in de arbeidersstrijd kon ik met mijn studies nuttige zaken doen. Maar toen was er een breuk nodig, de aansluiting bij de arbeiders zou al mijn energie vergen. Een analfabeet aan de machine Mijn 'cover' om als arbeidster aangeworven te worden dank ik aan vaders apotheek. Ik vertelde dat ik tot dan bij mijn vader in de winkel had gewerkt, dat hij overleden was en dat de winkel opgedoekt was. 110 Mijn eerste werk kreeg ik via een interimkantoor. Een plastiekfabriek. Het was ontnuchterend. Toen ik op mijn werkplek kwam, besefte ik dat ik nooit een machine had gezien buiten een typemachine. Ik zag het verschil tussen begin en einde van het productieproces niet. Ik moest kleine flesjes op de band zetten, de machine verfde die, etiketje erop, stopje erop, klaar. Niemand gaf me uitleg. De vrouw achteraan de band was zeer vriendelijk, maar ze zegde niet hoe het moest. Zij was blij met mijn geklungel, daardoor moest zijzelf even minder werken. Ik was gekomen om revolutie te maken maar vocht met honderden flesjes. Het zweet liep in beekjes over mijn lijf. De andere vrouwen speelden als het ware met hun flessen, en babbelden vrolijk onder elkaar. Toen was er pauze. Iedereen stoof weg. Voor ik wist waar de cafetaria was, kwam iedereen al terug, we hadden maar twaalf minuten pauze. De sigaret was gerookt, de thermosfles opgeborgen. In deze wereld tellen de minuten en seconden. Mijn machine bleek stuk. Alles wat ik gedaan had, was verkeerd. Ik moest alles met thinner afvegen. Tot een arbeidster me verloste. 'Ge moet uw technieker zeggen dat hij daar niet moet staan babbelen maar dat hij uw machine repareert want zolang gij niet werkt, krijgt gij geen loon.' Ook dat nog! Niet betaald! De tweede dag stond de machine trager, maar de derde dag vlogen die verrekte flesjes opnieuw uit de band. Het werd weer een worstelwedstrijd. Drie ingenieurs in witte jassen bleven op mijn gesukkel staan kijken. Ik pakte massa's flesjes en smeet ze in hun armen: 'Doe het zelf, als u dat kan tenminste!' riep ik, 'Want ik doe het niet meer!' Op het moment zelf deed dat deugd. Daarna drong tot me door: ik kon geen arbeider zijn. Ik had in die drie dagen enkel kunnen glimlachen naar de arbeidsters. Ik kon niet méér afgegaan zijn. Ik heb later veel arbeidsters ontmoet die de slag hadden om iemand op korte tijd goed te leren werken aan een bepaalde machine. Maar ze leren dat niet aan iedereen. Iemand die systematisch de productie opvoert leer je geen trucs om vlot te werken. Het gaat toch over de meerwaarde die je maakt. Je geeft die moeizaam verworven kennis van de machines, de knepen van het produceren, niet zomaar door. In Sherwood konden de mecaniciens uren discussiëren of ze een nieuwe hun geheimen zouden doorgeven. De patroon vroeg hen hun kennis in een boek te noteren. Maar dat deden ze nooit. Daarna werkte ik in een textielfabriek. Ik moest vijftig bobijnen in de gaten houden. Viel er eentje stil, dan was de draad gebroken en moest ik vliegensvlug met een speciaal schaartje een weversknoop maken. Je moest wel handig zijn want alles bleef intussen draaien. Er kwam veel stof vrij en ik had 111 continu een bronchitis. Daarom werd ik naar een ander atelier verplaatst. Hier moesten natte, dikke, bijna rotte vezels op bobijnen gedraaid worden. Minder stof. Het waren zware ploegen. Om vier uur 's morgens opstaan voor de vroege, tot negen uur werken met de late. Er werkten jonge meisjes en Turkse vrouwen. Die meisjes waren 16, 17 jaar en moesten na de fabrieksshift thuis nog op de boerderij werken of hun moeder helpen met wassen en plassen, op de kinderen van hun zuster letten, zorgen voor hun grootouders... Ik stond perplex over zoveel arbeidskracht. Was dit een tienerleven? Ik had tot mijn 24ste gestudeerd. Er waren kameraden van AMADA die zuchtten: 'En nu nog vergaderen!' Ik dacht dan aan mijn jonge vriendinnen die nog aan 't wassen en plassen waren. Ik dacht anders over vergaderen: ik kon dan tenminste op een stoel zitten! Het was moeilijk aansluiting te vinden met die jonge meisjes, ik was 8 jaar ouder. Ze vroegen me niet: 'Katlijn, kom ons nu eens het marxisme-leninisme uitleggen.' De meisjes die hun mond roerden, moesten aan een slechte machine gaan werken. Maar ze dachten dat de meestergast de goeie machines aan de mooie meisjes gaf. Ik zei dat het premiesysteem moest afgeschaft worden, dat het veel beter zou zijn als iedereen hetzelfde salaris zou hebben. Heel korte discussies aan de toiletten bij het roken van een sigaret. Meer kon niet: 'mijn' bobijnen wachtten. Ik was nog niet handig genoeg om mijn machines lang alleen te laten bollen. Die meisjes deden drie bobijnen als ik er een deed. Ze speelden soms. Dat ging als volgt: twee van de drie speelden, de derde hield drie werkplaatsen draaiende. Dat waren wervelwinden. Ik leefde in een wereld van wit-zwart. Ik was een vreemde in deze wereld. Ik was afkomstig uit de 'verboden stad', de cocon waarin al die 'gruwelen' niet voorkwamen. Ik zocht op alle mogelijke manieren contact, ook met de Turkse vrouwen. Een paar keer was er een Turks pamflet van AMADA tegen Vranckx' migrantenbeleid. Ik kon het hen wel geven maar praten konden we niet. Ik nam een meisje mee met de auto: dan kon ik wat langer praten maar toch bleef ik een vreemde voor hen. Mijn contact bleef beperkt tot vriendelijk zijn en de deur openhouden. Medische testen hadden mijn allergische aanleg aan het licht gebracht. Eind 1974 werd ik afgedankt wegens te veel ziek. Ik had reeds testen bij Monsanto gedaan. Ik kon daar beginnen. Sherwood: medisch materiaal maken In '75 vertrokken kameraden van me naar Wallonië. Johnny en ik wilden dat ook. We zouden naar Luik gaan, de vurige stede. Na een talencursus bij 112 de RVA ging ik solliciteren bij fn. De maximumleeftijd voor aanwerving was toen 25 jaar. Ik was 28 en dus te oud! Alle fabrieken in Luik draaiden continu, dus met nachtploeg. Verboden, en maar goed ook, voor vrouwen. Toen las ik in La Meuse dat er vrouwen vanaf 25 aangeworven werden bij Sherwood in Verviers, 40 km verderop. Ik werd er aangeworven. Zo komt het dat ik zeventien jaar lang in twee streken tegelijk heb geleefd. Werken en syndicale activiteiten in het arrondissement Verviers. Wonen en politiek actief zijn in Luik: de arbeidersconcentratie van Wallonië. De Sherwoodfabriek was in '72 opgestart. Er werkten 300 arbeiders, vooral vrouwen. Sherwood Medical: dat is medisch materiaal. Tot aan je kin in een witte schort, niet één knoopje mocht open, ook niet in de zomer. Je haar in een muts; de mannen hadden verbod een baard te hebben. Make-up en nagellak verboden. Eten noch drinken aan je werkplaats. De fabriek een grote hangaar. Ik ben aan het begin van de productieketen begonnen, waar men uit plastiek-korrels producten maakte door verhitting en snelle afkoeling. Fijne darmpjes waarop men baxters kan aansluiten bijvoorbeeld. De darmpjes noemen we spaghetti's omdat ze ongeveer zo dik zijn. Of zuurstofmaskertjes en spuitjes. Mijn volgende job was het afronden van de producten: uiteinden verhitten en afkoelen. Zonder zachte randen zou een zieke zich kwetsen. Zuurstofmaskertjes afronden is precisiewerk: handigheid en snelheid, daar komt het op aan. Links een grote doos onbewerkte producten; rechts de doos waar je afgeronde producten invliegen. Je grijpt links een pak van vijftig stuks die je per acht in gleufjes legt. Pedaal indrukken, afronden, in de rechtse doos, klaar. Tienden van seconden tellen. Dat is wennen. Een arbeidster leerde me het te overleven: 'Je moet tellen, anders haal je het niet. Neem een pak producten uitje linkse doos. Tel: twee, vier, zes, acht. Duw op je pedaal om de randen te doen smelten. Gooi wat je nog in je hand hebt weg.' Effectief de enige manier om dit te overleven zonder gek te worden. Vrouwen aan het einde van de keten moesten alles natellen, en toen ik daar later als delegee geroepen werd of langs ging, spraken ze al tellend. Discussiëren en tellen tegelijk. Regelmatig gooiden ze een volle doos weg: de tel kwijt en geen tijd om te hertellen: dus de vuilbak in. Leren de pedaal niet te lang ofte kort ingedrukt te houden, of alles was gesmolten. Gaatjes in de producten werden gemaakt met een apparaat, een soort van kleine stikmachine. Je moest op tijdje vingers weghalen of je had een diepe prik in je duim: een 'gepunchte' vinger. Daar mocht je drie dagen mee thuisblijven. Daarna met verband rond de vinger verderwerken. Maar verband zit in de weg, vliegt eraf en dan werkje met die ongenezen wonde verder. Pijnlijk! 113 We maakten ook injectiespuiten. Onder andere enorme spuiten voor koeien. We moesten die van de patroon extra controleren. Wij hadden andere controlecriteria: bij materiaal voor baby's duldden we geen fouten. Kinderen... het belangrijkste op deze wereld. Per dag werd je vier, vijf maal gecontroleerd. Een controleuse nam één van je producten en testte de zachtheid aan haar eigen wang: als het schuurde was je gezien. Toen ik begon, maakten we 4.000 producten per dag, bij mijn afdanking 10.000, met dezelfde machines, dezelfde handen en hetzelfde systeem! Wat moet ik met mijn karakter bij arbeiders? De vrouwen van Sherwood hadden tegen de sluitingen van de textiel in Verviers gevochten. Ze hadden een grote syndicale strijdervaring meegebracht naar Sherwood. Bij de cao van '76 vonden ze dat de delegee haar werk slecht had gedaan. 'Oké', zegde de delegee, 'wil je meer uit die cao dan zul je ervoor moeten staken.' Het was mijn eerste staking: twee stakingsdagen. Ik wist enkel hoe je vakbondszegels in je lidboekje plakte. Ik was mijlen achter op die vrouwen. Me echt verenigen met die vrouwen! Hen echt leren kennen en aanvoelen wat hun noden waren. Het was een droom en een raadsel. De kastelen van de Loire of de muziek van Mozart konden me niet helpen in de gesprekken op de werkvloer. Ik had een tergend groot probleem door mijn afkomst. Bovendien had ik ook mijn karakter tegen: stijf, ernstig, verlegen, een intellectueel van het ex-cathedra type. Ik had een mirakel nodig. Vergaderingen met PVDA-kameraden brachten redding. Ik kreeg hulp van kameraden die empatisch waren. Heel concreet werd me geleerd hoe je op een standpunt van een arbeider moet reageren, wat een arbeider met bepaalde uitspraken bedoelt. Ik was beschaamd zo ver van het werkvolk af te staan. Maar het begon te dagen. Het Chinees werd stilaan ontcijferd, ik had al minder hulp nodig. Toen een staking met bezetting eraan kwam, kon ik op eigen vleugels vliegen. In april '77 werd Richard, een delegee, om zwaarwichtige reden afgedankt. De directeur had hem uitgescholden en hij had teruggeblaft. Richard liet het er niet bij. Elke dag stond hij aan de fabriek te agiteren. Zijn vrouw deed binnen de fabriek hetzelfde. Lieve Van Damme en ik maakten een pamflet van de PVDA. De delegees konden na onderhandelingen een betere formulering van zijn afdanking in de wacht slepen maar de arbeiders wilden verder. Ze gingen de delegees onder druk zetten om te staken. We hebben de 114 fabriek bezet want bedienden en kaders namen de productie over tijdens onze staking. We richtten een bezetterscomité op en na twee weken liep de bezetting op wieltjes. We deelden overal pamfletten uit en verkochten bloemen, gemaakt van geverfde nylonkousen om de kas te spijzen. Er kwam veel volk naar de bezetting. In de pers begon men ons zwart te maken: we zouden orgieën in de fabriek organiseren. Er was wel een ander soort animatie: filmavonden, debatavonden met arbeiders van elders die ook in strijd waren. Na zes weken bezetting kwam de totale overwinning: Richard terug binnen als delegee. Door de bezetting kende iedereen me. Mijn basis om delegee te worden is in die strijd gelegd. Nico en Maxime Het is niet evident kinderen te hebben als vrouw in een shiftsysteem. Bovendien waren zowel Johnny als ik revolutionair. Dat betekent weinig vrije tijd. Maar het is een plezier kinderen rondje te hebben. Kinderen dus? We waren vijf jaar getrouwd voor we een beslissing namen. Nico werd geboren op 3 juni 1978. Daarna hebben we opnieuw vijfjaar gewacht en gediscussieerd over een tweede kind. Maxime werd geboren op 17 juli 1983. Nico en Maxime zijn een grote vreugde, 't Zijn grappige kerels, we hebben een goede band. Het zijn echte Luikse jongeren. Ze hebben het hart op de juiste plaats. Cathy die arbeiders leidt? Ondenkbaar Bij de delegeeverkiezingen van '79 was ik kandidate op de ABVV-lijst. Christine, een andere kandidate, kwam naar me toe: 'Wat zegt die permanente allemaal? Hij zegt datje me binnen de maand na de delegeeverkiezingen van mijn plaats wipt. Maar ik heb je in de bezetting bezig gezien en je lijkt me niet iemand die een ander een loer zou draaien.' De toenmalige permanente was een anticommunist. Christine heeft me altijd gesteund als men me aanviel. Zij werd de hoofddelegee voor het ABVV, ik werd tweede man: wij waren een prima 'koppel'. Een anekdote geeft goed weer uit welk hout Christine gesneden is. De patroon probeerde haar eens iets te doen tekenen, en zegde: 'Ja, 't zijn overuren, maar de dames Craen, Hertogen en Mavropoulos zijn al akkoord, we hebben nog alleen uw handtekening nodig.' Natuurlijk niet waar. Ze liet zich niet doen, kwam eerst naar ons en maakte daarna van haar neus tegen de patroon. Naar congressen van de 115 vakbond ging ze liever niet. 'Doe jij dat Cathy.' Maar in de fabriek was ze erg strijdbaar. Speechen als delegee, algemene vergaderingen leiden, naar de patroon gaan... Had men me op mijn 20ste gezegd dat ik dat zou doen, ik zou het niet geloofd hebben, 't Is de arbeidersstrijd die me veranderde. In die zes weken bezetting leerde ik iedereen kennen en iedereen wist waarvoor ik stond, en dan gaat alles snel. Mensen verwachten meer en beginnen in een nieuwe wind te geloven. Daaruit moet je consequenties trekken. Schrik en karaktertrekken moeten naar de achtergrond. Godelieve was geliefd door de arbeidsters. Ik moest leren tussenkomen op algemene arbeidersvergaderingen. Lieve zweeg opzettelijk en de vergadering ging alle richtingen uit: de vrouwen praatten er maar op los; zonder richting, zonder leiding. Lieve keek dan naar mij: 'Zeg jij het. Doe het.' Zo ging dat. Ik stond er niet alleen voor, Lieve kon nog zaken rechttrekken als het moest, maar toch. Als ik die ogen zie denk ik: ze kijken naar mij, en ik zeg niks. Het was als in de diepte springen. Ik riep naar mezelf: 'Spring! spring!' Later stelde ik verbaasd vast dat ik op moeilijke vergaderingen als eerste sprak en dat ik me verantwoordelijk voelde voor het verloop van een algemene vergadering. Ik was eerder bang van geweld en van de rijkswacht. Vechten is mijn ding niet. Bij een actie werd mijn jas eens stukgetrokken door de rijkswacht: ik maakte me kwaad omwille van die jas. De arbeiders hadden mijn verlegenheid aanvaard, mijn fouten werden me niet kwalijk genomen. Maar als ik zweeg als intellectueel en de patroon een slag liet winnen, dan was ik wel verantwoordelijk. Zo zie ik het. Sinds de verkiezing van Paula Hertogen in het ACV besloten we alle acties gemeenschappelijk te doen. Dat werkte en vanaf toen hadden we een groen-rood front. Gedaan met ACV tegen ABVV. Het bracht een erg goede sfeer in de fabriek. De delegatie bereidde alles samen voor. We maakten een actieve militantenkern. Een van onze principes was dat ook niet-gesyndiceerde arbeiders hun mening moeten kunnen geven. Sommige arbeiders zijn strijdbaar maar ontgoocheld in deze of gene verantwoordelijke van de vakbond. Ik vind dat die ook deel zijn van de strijdende arbeidersklasse. Dus kwamen die ook naar de algemene vergaderingen. De algemene vergaderingen zijn altijd een strijdpunt geweest. Want die liepen vaak uit. Op een half uur kun je niet veel uitleggen. De patroon was dan op van de zenuwen: 'Ze zitten daar weer.' Om vijf na half twaalf belde hij naar het cafetaria: 'Wat is er aan de hand? Waarom komen jullie niet werken?' En dan zei je: 'Het loopt een klein beetje uit; we zijn nog bezig.' 116 Meer niet. Hij had daar geen zaken mee. Ook met de syndicale militanten vergaderden we tijdens de werkuren, eens per maand. Dat hadden we afgedwongen. We zagen hen als dat nodig was natuurlijk ook buiten de werku ren.Werken tot je flauwvalt Op hete zomerdagen was het in de fabriek niet houdbaar. De late ploeg zuchtte meest onder die hitte. Zelfs arbeidsters die onwel werden mochten geen knoop van die schort openzetten, dat moest maar in de pauze gedaan worden. Mouwen oprollen mocht evenmin. Ventilatoren? Neen. Drinken tijdens het werk? Neen. De patroon zat in zijn bureel met ventilator en een drankje binnen bereik en opgerolde hemdsmouwen. De vrouwen crepeerden in de hitte en die man verpinkte niet. Tijdens een warme zomer vielen vier of vijf vrouwen flauw aan hun werkpost. Mijn richtlijn als delegee was dan ook: 'Wacht niet tot je valt, maar ga buiten.' Ik ging naar de baas en eiste een oplossing. Zijn antwoord: 'Madame, u reclameert over hitte, maar in juli rijden jullie duizend kilometer naar 't zuiden om te gaan bakken in de zon.' Een ander argument was: 'Mevrouw, iedereen in België heeft het warm, dan gaat u mij toch niets verwijten? Bij u thuis is het toch ook warm? Het zijn nu eenmaal medische producten.' Op de duur pakte ik het anders aan. In plaats van een flauwgevallen vrouw buiten te dragen, haalde ik de directeur uit zijn bureel: 'Kom mee, er ligt weer iemand flauw en nu gaat u dat oplossen.' De volgende zomer was er plots een bolthermometer, een thermometer die niet enkel warmte maar ook vochtigheid meet. De temperaturen worden dan lager aangeduid. Wettelijk mag je dan bij 30° tien minuten per uur rusten. Die bolthermomether was een slechte zaak. Hij had er weer iets op gevonden. Veiliger werk of hoe ingenieurs dat verstaan Er waren te vaak gepunchte vingers. We moesten iets doen. We vroegen de ingenieurs om een veiliger ontwerp. Ze wilden er zich niet mee bezighouden. We vroegen het aan een mecanicien. Hij kwam met een eenvoudig en goed voorstel. Met vier delegees en vier arbeidsters trokken we opnieuw naar de veiligheidsingenieur en toonden het ontwerp. 'Maar 117 dames toch, wat stellen jullie zich voor?' Hij maakte ons belachelijk. Onnozele kiekens van vrouwen die een ingenieur over techniek spreken? Ongezien! Wat gaan we hier nog beleven? Wij terug naar onze mecanicien. Hij met ons naar de ingenieur. Wettelijk moet de ingenieur rekening houden met de opmerkingen van de mecanicien. En de manitou, de slimme bol van de fabriek antwoordde: 'Ja, daar zit iets in, we zullen zien of dat in het budget van volgend jaar kan.' Toen hebben de ingenieurs zelf iets uitgewerkt dat waardeloos was: plexiglas over de machines. Dat was niet werkbaar. Je kon niet voldoende door die plexi zien om gaatjes aan te brengen, je lamp voldeed niet meer. Bij een windstoot was er al statische elektriciteit waardoor de plastiekdeeltjes tegen de plexi vlogen. Zichtbaarheid: nul. De vrouwen deden die plexi weg en 'punchten' hun vingers zoals voorheen. En nu kon de patroon zeggen: "t Is hun eigen schuld.' En dat allemaal omdat ingenieurs niet begrijpen hoe ongevallen tot stand komen, omdat ze de concrete situatie niet beheersen. Ex-cathedra als ze zijn, kijken ze alleen naar de theorie in de boeken. In de Sovjetunie leidde men arbeiders op tot ingenieurs: logisch, ze hebben de technische aanleg maar ook de sociale motivatie om in dienst van de gemeenschap te werken. Uiteindelijk zijn er echte afzuigers gekomen. Maar toen we aan de vrouwen zegden dat die syndicale eis eindelijk was ingewilligd zegde de baas: 'Dat die nu geplaatst zijn heeft niets met de vakbond te maken.' Het gevecht om de seconden Iedere minuut wordt er winst uit ons gehaald. Arbeiders weten dat. Ons antwoord: geen seconde te lang. De strijd om de arbeidstijd kon beginnen. We hebben die meer dan vijftien jaar volgehouden. Alles wat met arbeidstijd te zien had is onderwerp van strijd geworden. Hoe lang duurt de pauze, wanneer wordt de tikkaart afgetikt, hoe verloopt de ploegenwisseling? Het was knokken! Zo eisten we bij een cao 38-urenweek. De patroon zegde: Oké, als je tweemaal vijf minuten minder pauze neemt. Voor ons niet aanvaardbaar, 't Bleef aanslepen, we lichtten de arbeiders in en ze deden acties om de werktijdverkorting door compensatie-uren en dagen af te dwingen. We wonnen. We bleven na de pauze steeds in een grote groep voor de deur wachten om binnen te gaan. Als iedereen er was gingen we in één blok binnen. Niemand eerste of laatste. Dan kwamen er directeurs langs die zegden: 'Mevrouw, vooruit, 't is tijd. U moet gaan werken.' En de vrouwen: 'Wij 118 weten heel goed wat we moeten doen mijnheer.' Als je één voor één naar je werkplaats gaat, produceer je meer. Dan de tikklok. Wij werkten in ploegen van 6-2 en 2-10. Je werd ook maar betaald voor die acht uur. Maar als je durfde tikken om 6 uur en één seconde dan werd er een kwartier van je loon afgehouden. Wij namen dat niet, en wilden betaald worden vanaf het tikken. In het reglement stond dat je om zes uur moest beginnen. Maar je kon niet om zes uur tikken en op uw plaats staan tegelijk. Op de algemene vergadering zegden we: 'Stel, je tikt om vijf voor zes, dan wordt een kwartier van je loon afgetrokken. Dat is onwettig. De sancties, daar hebben we hard tegen gevochten, met succes. Bij ons waren veel vrouwen die alleen stonden met hun kinderen. Slapeloze nachten. Tientallen jaren in ploegen werken. Er voor zes uur staan of loonsancties. We hadden overschot van gelijk ons been stijf te houden rond de tikklok. Communisten zijn voor afschaffing van de tikklok, maar dat haal je niet in één fabriek. Dan de ploegenwisseling. Wij hebben tien minuten marge afgedwongen bij de wisseling van de ploegen. Om informatie over de productie door te geven aan de volgende shift zogezegd. Maar die tien minuten waren om te praten over mekaars leven buiten de fabriek, de kinderen, de partner. Voor acties was die wisseling essentieel voor het aaneenhouden van de arbeidersgroep. Wij maakten in '92 10.000 producten per dag. De strijd om je geen seconde te lang te laten uitbuiten is natuurlijk een kwestie van krachtsverhoudingen, maar de jaren ' 80 waren op dit vlak in het voordeel van de arbeiders. De patroon probeerde die krachtsverhoudingen te veranderen door een nachtploeg op te richten waarin vooral marginale mannen werkten, omdat de lonen zo laag waren. Met die nachtploeg mannen wilde hij ons syndicaal bastion afbreken. We hebben die uitdaging aangenomen. We hebben strijdbare syndicalisten in de nachtploeg gevormd en 'zijn mannenploeg' is als een boemerang in zijn gezicht terecht gekomen. Een anekdote. Toen er mannelijke delegees verkozen waren, gingen die samen met ons naar de onderhandelingen. Die kregen een hand, wij niet. Zo van 'met die extreem-linkse vrouwen van de dagshiften valt niet te werken, maar met jullie wel, wij mannen onder elkaar.' De nachtploeg is de syndicale achillespees geworden! 'Het gaat slecht met Sherwood'... en de cijfers dan? Je kon er je kop op wedden dat de baas zijn 'Het-gaat-slecht-liedje' zong als er onderhandelingen voor een nieuwe cao op komst waren. Wij waren dan 119 al bezig de échte cijfers bijeen te brengen: het was wel puzzelen. Een arbeidster was ontzettend goed in rekenwerk. We deden ook enquêtes onder de arbeiders: wat is de trend: meer of minder productie en hoeveel producten heeft iedereen gemaakt. Onze resultaten werden op grote borden gezet. Mooi geschreven, met kleuren, pijlen, cirkels. Sommigen noemden me daarom 'Cathy cijfers en letters'. Sherwood is een wereldleider en hij maakte veel winst. Dat een delegee met behulp van de cijfers kan zien dat het met een bedrijf goed gaat is één zaak, de arbeiders moeten het ook verstaan, je moet het kunnen overbrengen. Onze borden gaven een overzicht van wat de patroon wilde en wat de arbeiders wilden. De vrouwen kwamen die borden bestuderen, rimpels op het hoofd. Veel vragen. Ze trokken grote ogen bij onze berekeningen: 'De patroon wil dat en jullie zeggen dat we recht hebben dat te eisen.' Dan rekenden ze na. Welke rekening klopt er? 'Cathy, leg dat nog eens uit.' En dan 'Ja, natuurlijk, hij pikt weer, de dief! Hij wil ons weer eens afzetten.' Toen het een periode minder goed ging, werden we op de tijdelijke dop gezet. Dat kostte hem niets. We verdedigden ook: 'Als het slecht gaat, is dat onze schuld niet en het is onze zaak niet: wij willen als arbeiders deftig overleven, we blijven eisen stellen.' Dat was verworven, want er is een staking tegen een controledokter geweest die niet correct met de vrouwen omging bij huisbezoek, een delicate kwestie. We dachten dat het te vroeg voor actie was, ook omdat de tijden aan het veranderen waren in de tweede helft van de jaren '80. Maar ze vonden dat het er niets mee te maken had. Die controledokter werd ontslagen. Over de wettelijkheid der dingen Als delegee moetje de wetten kennen of de patroon slaatje plat met kennis. Dat is een grote opdracht voor de delegees van het comité veiligheid en gezondheid, maar ook voor de anderen. Deze wettelijke kennis wordt aangeleerd in het FAR (Fondation André Renard): vormingsinstituut van het ABVV voor Wallonië. De wetten worden er haast militair bijgebracht: 'Maar meisje, ge moet echt de lettertjes lezen'. Ik ben er ook voor om te weten wat een patroon legaal allemaal mag. Maar wat doe je daarna? Dan zeg ik: daar gaan we eens goed over discussiëren, of we het wel nemen. Aangezien we in een klassenmaatschappij zitten dienen de wetten een bepaalde klasse. Neem tijdelijke contracten; interims. Ik ben daar tegen. Dat ligt moeilijk, toch begrijpen arbeiders dat als je er praktisch over praat: heeft een mens maar tijdelijk nood aan eten en drinken, aan werk? 120 Eten en werken dat is voor een heel leven. De wetten staan aan de kant van de patroon en dan nog doen de patroons erg veel illegale zaken. Het niet correct uitbetalen van het loon is er één voorbeeld van. Vanaf het moment dat we in een fabriek binnenstappen, stappen we in een ongelijke situatie, dat is het eerste en belangrijkste punt. Want hij heeft alles te zeggen en wij niets, als we ons niet verzetten. Nog over de tijdelijke contracten: 'Hij mag daarna een arbeider terug afdanken.' Ik zeg er staat nergens 'Hij moet hem afdanken.' Kennis van de feiten is één zaak. Dan moetje vooral op de massa's steunen en je moet die wettelijkheid durven en willen overtreden als het nodig is. Bijvoorbeeld door acties voor de vaste aanwerving van een tijdelijke arbeider. Eerst zegje binnen de delegatie: we beginnen met een petitie. 'Wij kennen hem nu een tijd en het is een goeie arbeider.' Ga je dan met die petitie naar de patroon, als delegee, dan zegt hij: 'Mevrouw, we kunnen die echt niet aanwerven, excuseer, ik heb werk te doen.' Vervolgens ga je met drie en is het antwoord: 'We gaan er eens over nadenken.' Ga je terug met tien begint hij de discussie dat hij dat niet moet, hij geeft zijn standpunten. Ga je dan met iedereen dan zegt hij: 'Ga direct werken, want ik discussieer niet als je staakt.' Maar de arbeiders willen die arbeider behouden. Een 24-uren-staking dus. Zo hebben we verschillende tijdelijke arbeiders kunnen laten aanwerven. Om de haverklap kwamen arbeiders me vragen: 'Mag dat?' Ik antwoordde eerst dat de patroon van mij niets mag. Schandalig wat hij allemaal doet. Maar hij doet het. Daar was een grapje rond: 'Je moet dat niet aan Cathy vragen want die geeft je een ganse uitleg van wat hij niet mag en toch doet.' Ook de manier van staken is in België vastgelegd: een aanvraag indienen, een verzoeningsperiode. 'Wilde' stakingen zijn verboden. Ik noem dat directe actie als de arbeiders dat willen, en ben er voorstander van. De verzoeningsplicht is precies wat het woord zegt. Uitstel is vaak afstel in de arbeidersstrijd. Maar een delegee mag daar wettelijk dus niet voor oproepen. Dus moetje dat anders aanpakken. De arbeiders moeten beginnen staken en dan steun en erken je. Vanaf het moment dat er rond iets beroering was onder de arbeiders, kwamen de cheffen ons controleren: 'Wat doe je daar bij die arbeiders?' 'Ik geef uitleg.' Naar de baas gingen we officieel in de onderhandelingsfase. Maar ondertussen zaten we te wachten op een telefoontje. Waren ze nu aan het staken of niet? En ondertussen: 'Meneer, u moet deze of gene zaak intrekken want de arbeiders gaan dat niet nemen.' Op het puntje van je stoel, waar bleef die telefoon? Dan gerinkel bij de secretaresse: 'Maar mijnheer Pinna is in gesprek met uw afgevaardigden... Dan: 'Mevrouw Hertogen, mevrouw Craen, er is telefoon voor u.' En na de 121 telefoon: 'Mijnheer Pinna, de mensen zijn in staking, onderhandelingen zijn niet meer aan de orde.' O, zalig moment. Leren hoe de patroon aan te pakken Arbeiders kunnen hun woede tegen de baas jaren opkroppen. Dan komt er een druppel die de emmer doet overlopen en volgt er een Waalse scheldpartij van formaat en natuurlijk ook een sanctie. Dat moest veranderen. Dat leek ons het beste te gaan door zelf te tonen hoe wij met hem omgingen. Als wij ons syndicaal werk deden, probeerde hij ons te betrappen op 'illegale' praktijken. We namen dat niet en zegden hem: 'Mijnheer, wij zijn syndicaal werk aan het doen, ga aub terug naar uw eigen bureel.' De vrouwen hebben dat later overgenomen toen hij een campagne begon om ons zwart te maken: dat we niet werkten, dat we altijd syndicaal actief waren en een gemakkelijk leven hadden. 'U zult het werk van mevrouw Craen weer eens moeten doen, ze is weer niet op haar werkplaats.' Dan antwoordde die: 'Mijnheer, ze doet wat ze moet doen, omdat ik het daarmee eens ben.' Soms probeerde hij de mensen individueel te intimideren. Zo hadden we eens andere stoelen geëist. Hij wachtte tot ik er niet was en ging naar een vrouw: 'Is het waar dat gij ongemakkelijk op die stoel zit?' Hij hoopte dat die vrouw bang zou zijn en dat hij twee vliegen in één klap zou kunnen slaan: dat de klacht door de vrouw in kwestie werd ingeslikt en twee dat: 'Craen maakt van alle hout pijlen omdat ze communist is, en de mensen staan niet achter haar.' Die vrouw antwoordde: 'We zitten inderdaad erg ongemakkelijk op deze stoelen en die klacht hebben we aan Craen overgemaakt.' De vrouwen durfden omdat ze het ons zien doen hadden. Strijdbaarheid dwingt gezag af. Er zijn delegees die zich laten intimideren als de patroon hen aanpakt. Die met iemand aan het spreken zijn, en die patroon komt daar op af en die weggaan, betrapt. Wij bleven als de patroon erbij kwam staan. Je moet hem zeggen weg te gaan, de vakbond heeft zijn rechten. Ik vind dat je regelmatig voor de arbeiders aan de patroon moet zeggen: 'Dat is ons eisenprogramma.' Niet om de twee minuten, maar als je de kans ziet moet je hen in zijn bijzijn vertegenwoordigen. Dan weet hij dat delegees en arbeiders één blok zijn, twee handen op één buik. Denk dus maar eens na voor je ons weer beduvelt. Op zo'n ogenblik wordt hij ontwapend. Je moet als communist elke situatie apart beoordelen. Als de arbeiders collectief razend zijn is het weer anders. Dan gingen we het de directeur eens goed zeggen. Zo waren de salariszakjes vaak niet in orde. 122 Essentieel. Te weinig loon uitbetalen is de arbeiders voor een tweede keer bestelen. De dag van de uitbetaling controleerden we de ganse dag zakjes. Zo was er de vrouw die alle dagen 60 km verplaatsing had en na een jaar werd vastgesteld dat ze geen vervoersvergoeding kreeg. Gewoon diefstal. Op de ondernemingsraad maakte hij ons dan belachelijk. 'Dat wij van 5 frank een spel maakten en dat iedereen zich wel eens kon vergissen.' Als hij daarna in de buurt kwam, zegde ik: 'U bent een dief.' We trokken met z'n allen naar zijn bureel om tot de laatste frank te eisen die hij gepikt had, ook al moest hij het uit zijn eigen portefeuille halen. Hij dan: 'Maar mevrouw Craen er staan hier 300 fiches en gij komt met een dertigtal klachten.' Ik antwoordde dat dat er dertig te veel waren. Je moet sluw zijn in je omgang met de baas, en je emoties onder controle houden. Niet gemakkelijk want er zat een enorme razernij om zoveel uitbuiting in mijn hart en hoofd. Er is altijd een probleem met de patroon. Is het niet over de warmte, dan is het over de kou. Is het niet over de accidenten, dan is het over iets anders. Altijd, van 's morgens tot 's avonds, heel het jaar door, problemen. Sluwheid leer je ook op de vergaderingen van de veiligheid. Je ziet die sluwe vos van een patroon daar bezig, je ziet al snel zijn tactiek om niet op je probleem in te gaan of het op te lossen. Toon je dat je het doorhebt dan beginnen zijn manoeuvres om het op de vergadering systematisch over iets anders te hebben, of het te laten aanslepen. Dan kan je aan een tegenoffensief beginnen. Voor al de arbeiderseisen heeft hij patronale argumenten: voorbereiding en alertheid is de boodschap. Bezetting voor Bognani In Sherwood kwam er steeds meer verzet tegen de willekeur van de patroon, tegen grof onrecht. Het werd soms erg principieel. Het voorbeeld van de bezetting tegen de onterechte afdanking van een tijdelijke was een strijd die vooral uit solidariteit voortkwam. Er was geen eigenbelang van de arbeiders mee gemoeid. Zover waren we gekomen. Toch wel wat anders dan al die standpunten over 'de arbeiders en hun strijd voor hun corporatistisch eigenbelang' . Bognani, tijdelijk aangeworven, werd na zijn proefperiode afgedankt. Hij voldeed niet. Flauwekul! Hij begon bij ons te midden van grote verhuizingen in de fabriek. In het magazijn kregen zelfs de oude ratten een punthoofd, maar die deden de dozen even open en wisten het dan wel. Bognani kon dat niet: hij kende de producten niet. Zijn afdanking ging de arbeiders te ver: 'Dat los je niet op met een nieuwe tijdelijke aan te werven, 't is een verhuis. Die 123 afdanking is onrechtvaardig.' Het werd een harde staking met bezetting. Van in 't begin was er een groepje ratten dat om de twee dagen opdook. Een heel andere bezetting dan in '77 dus. We moesten altijd een piket hebben aan de fabriek en de patroon was ook erg intimiderend aanwezig. We hadden een goed bezettingssysteem: iedere arbeider bezette vier uur. De mannen van de nachtploeg werden verdeeld in twee groepen: van 22 tot 2 en 2 tot 6. De vrouwen deden de dag. Permanentie verzekerd. Wettelijk moesten we dat compromis in een referendum aan de bezetters voorleggen. Er kwam een moeilijke algemene vergadering. De permanenten wilden stoppen, die waren tevreden met de belofte op papier, en de mensen hadden een week gestaakt, de ratten waren actief. Bijkomende moeilijkheid: we kenden die arbeider maar veertien dagen. Er was toen al veel werkloosheid. Paula Hertogen en ik hebben toen niet geslapen. Wat moesten we doen als 62% voor verder staken was? We zaten gans de tijd in de cafetaria ons hoofd te breken. Hoe ver zouden de arbeiders gaan voor een principiële zaak? We hebben dat referendum gewonnen. 70% wilde verder vechten. Drie dagen later had de patroon een ander werk voor hem, in een plantenkwekerij. Bognani zelf was er tevreden mee. Van de 240 bezetters wilden er 20% verder doen: 'Hij moet in Sherwood aan het werk.' Tot eind '92 werd er niemand meer afgedankt. Minder werklozen door 36-urenweek Als marxist en delegee zijn er een aantal principes waar je de delegatie, arbeiders van de fabriek en van de streek rond moet opvoeden. De werkloosheid was daar in de eerste helft van de jaren '80 een belangrijke kwestie van. Als allen die werk hebben minder lang zouden werken, zouden er in ons land honderdduizenden werklozen minder zijn en voor de werkers zou het meer leefbaar zijn. Maar onder dit liberale systeem is er de omgekeerde logica: meer werken met minder arbeiders. Toen we bij de onderhandelingen over een nieuwe cao ons eisenprogramma opstelden en ik voorstelde om de 36-urenweek op te nemen met behoud van loon, zegde de meest strijdbare delegee, Christine: 'Cathy, de werklozen dat is mijn zaak niet, ik ben gekozen voor Sherwood. Ik bevecht goede eisenprogramma's voor 't fabriek, daarmee heb ik al genoeg te doen.' Maar het had alles met Sherwood vandoen omdat de patroons altijd een reservegroep werklozen, hetzij migranten, hetzij jongeren of vrouwen achter de hand houden om een gesyndicaliseerde arbeidersgroep te ondermijnen. Verdeel en heers: werklozen zijn lui; migranten horen er niet bij. 124 Je moet arbeiders en werklozen regelmatig samenbrengen: voor een debat over tewerkstelling. Zo namen we contact op met de werklozenwerking van het ACV. Op een dag stopte er aan de fabriek een bus vol werklozen die één voor één kwamen vragen of er geen werk was. De verantwoordelijke van het ACV sprak in naam van alle doppers en vertelde hoe moeilijk het was voor deze werklozen om aan werk te geraken. Waarom die werkloze vrouwen zich georganiseerd hadden om samen werk te zoeken. Wég waren de vooroordelen over 'luie werklozen'. We verbroederden in lange gesprekken. De vrouwen van Sherwood begrepen dat het hun taak was geen enkele arbeidsplaats te laten verloren gaan, ook geen halftijdse. We eisten 36-urenwerk en aanwerving van veertig werklozen! De vrouwen waren akkoord met die eis. Ze hadden dat echt goed begrepen. Want toen de patroon naar deeltijds werken wilde overstappen ving hij bot, niemand ging erop in. Op de duur liet hij de vrouwen persoonlijk naar zijn bureel komen. 'Madame, met uw kinderen kunt ge toch beter halftime werken: de crèches zijn dicht na uw schift, de winkels ook. Dan hielden we algemene vergaderingen: 'we vechten voor een maatschappij waarin er crèches zijn die van 5 uur 's morgens tot na 10 uur 's avonds open zijn, en ook de wasserijen en plaatsen waar je na de shift kan gaan eten. Maar dat is enkel mogelijk onder het socialisme.' Toch maakten we een brief voor de stad Verviers om de kribben langer open te houden. Antwoord hebben we nooit gekregen. We hebben ook brieven geschreven naar de busmaatschappij om de bussen langer te doen rijden. We weerlegden de patroon zijn bezorgdheid voor hun kinderen. Hij was de eerste om je af te danken als je thuis bleef voor een ziek kind. Slechts vijf vrouwen hebben deeltijds werk aanvaard. Een zwarte delegee Er was weinig racisme in de fabriek. Toch zijn er altijd enkelingen die vermeende fouten in het werk van een migrant aangrijpen om een sfeertje te creëren. Zo was er de Marokkaanse mecanicien. Als hij bij het afstellen van de machines van de vrouwen één foutje maakte, was er gestook: 'Zijn werk is niet goed omdat het een Marokkaan is.' De meeste vrouwen antwoordden dan: 'Welnee: dat heeft met zijn kleur niets te maken, hij heeft dat gewoon niet goed gedaan.' Vanaf '83-'84 zijn we actief tegen het racisme beginnen optreden. Wij spraken in de algemene vergaderingen veel over het racisme als verdeelmiddel. De arbeiders begrepen dat goed. Dat kennen ze: verdelen. Er was 125 een goed klimaat tegen racisme in de fabriek. We waren ons wel bewust dat we sommige monden hadden gesnoerd en we hadden die gefrustreerde racisten beter in 't oog moeten houden. Maar. Er was een strijdbare zwarte arbeider, afkomstig uit Rwanda: Eugène Rutagarama. Hij was technisch ingenieur maar zoals zoveel intellectuelen uit de Derde Wereld, vond hij geen werk met dat diploma. Hij werkte bij ons als mecanicien. We wisten dat hij een erg goed syndicalist zou zijn. Hij werd echter bekritiseerd omdat hij niet handig genoeg was. Een typisch intellectuelenprobleem. We vroegen Ivo Tops, delegee van het ABVV en mecanicien, om hem als de bliksem onder zijn vleugels te nemen en er een eersteklas mecanicien van te maken. Ivo leerde hem al de knepen van 't vak, knepen die hij nooit aan een baas had prijsgegeven. We stelden hem voor als kandidaat bij de delegeeverkiezingen. De delegatie ging akkoord. Op de algemene vergadering van de arbeiders was hij zenuwachtig en doddelde een beetje toen hij zichzelf moest voorstellen. Hij moest zijn moed bijeenrapen, want een groot spreker was hij niet. Hij werd verkozen als ACV-delegee. Het gedoddel bleef en op algemene vergaderingen giechelden sommigen, anderen mompelden en anderen lachten hem openlijk uit. We traden op en vroegen aan de vrouwen om hun gedacht te geven over wat hij inhoudelijk zegde. En ik sprak ook die giechelaars aan: 'Kan je het beter, kom het dan maar vooraan zeggen.' Eugène werd erg actief. Hij leidde de algemene vergaderingen in de nachtploeg. Ivo is een taaie, door de wol geverfde delegee geworden, Eugène ook. De nachtploeg werd strijdbaarder met het jaar en nam op sommige momenten de rol van voorhoedeploeg over van de vrouwen. Syndicalisme à la Sherwood voor heel Verviers? In '85, '86 en '87 rolde de ene trein na de andere met regeringsmaatregelen over de arbeiders. Telkens kwamen we met onze militanten bijeen: we deden mee aan alle nationale vakbondsacties. We staakten in Sherwood, we hadden een groot piket van veertig vrouwen en mannen. Mare Bourguet, de ABVV-secretaris van de Algemene Centrale voor Verviers en vandaag regionaal voorzitter van ABVV-Verviers steunde onze werking. We deden zoningpiketten. Met een groot syndicaal piket ging het van fabriek tot fabriek: we haalden zo alle fabrieken buiten. Bourguet voerde strijd om in actie te gaan voor het hele gewest. Aan sommige delegees die acties in twijfel trokken en hem zegden: 'Komt gij het eens bij ons uitleggen', antwoordde Bourguet: 'Vraag Cathy dat ze het uitlegt. Die heeft daar 126 nooit problemen mee, en gij 'bonk van een vent', ge geeft zelfs geen algemene vergadering!' Een raar soort feminisme, maar kom. We werkten samen met de delegees van Fiberglas, X-pack, Intermills, Norton, La Céramique Nationale De Welkenraedt, PWA Mabelpap, Spa Monopole, Utamo, Sonneville, Les Heures Claires en andere, zo'n tachtig delegees. Als die vroegen waarom ik zo werkte, dan gaf ik hen materiaal van de PVDA. Nu denk ik dat ik veel meer had kunnen doen. Als je werkelijk een netwerk van linkse delegees wilt, dan moetje contact houden en vragen hoe iets verlopen is en wat de problemen zijn. Ze wilden leren van onze werking: waarom hebben jullie veertig man aan een piket voor een nationale actie? Dat stak hun ogen uit. Steunen op de arbeiders: dat is het abc van revolutionair syndicalisme. Algemene vergaderingen geven, zien wie er daar spreekt, daar de besten uithalen om stakingen te beginnen. Maar vooral principiële standpunten innemen en de arbeiders erin opvoeden. De beste arbeiders in het vakbondswerk betrekken. De Derde Wereld: ver of dichtbij? In de multinational Sherwood maakten wij de 'Rolls Royce' der medische producten voor de rijke landen en voor de rijke mensen. Elke arbeider vindt dat onrechtvaardig: de ene zieke krijgt een steriele spuit omdat er geld is, de andere zieke gaat dood omdat er geen geld is voor die spuiten. Daar kan je toch niet over zwijgen. De meeste landen van het Midden-Oosten hebben nooit spuiten van Sherwood gezien, maar Israël wel. De meeste landen van Afrika niet, en Zuid-Afrika wél? In de ondernemingsraad vroegen we de klantenlijst en we maakten dat bekend. Sherwood werkt ook voor de oorlogssector. Dus wij hebben tijdens de oorlog tegen Irak de landen bevoorraad die dat land bombardeerden. We draaiden gelijk de geweren. De directie was woedend over onze standpunten tegen de oorlog tegen Irak. Ook daarover praatte ik met de arbeiders. De derdewereldlanden zijn leeggeroofd. Armoede is daar geïnstalleerd. Ten tweede heeft men er het natuurlijke systeem van overleven kapotgemaakt. Neem nu Burkina Faso. Het was er goed leven tot Amerika er slaven kwam halen. Een hele generatie werd weggehaald. Als men in België alle mannen tussen twintig en veertig jaar op een boot naar god weet waar voert, dan gaat er niet veel meer gebeuren. Oké, er zijn ook klimatologische veranderingen geweest. Maar de mens is in staat om al die problemen op te lossen. Men wil ons doen geloven dat zwarten dommer zijn dan wij. Maar een arbeider doorziet dat wel, want hij is ook de domste in ons 'democratisch' land. De arbeider is 'de zwarte', die 127 begrijpt het maar al te goed als we het over uitbuiting van de Derde Wereld hebben. In de vakbond hoor je soms: 'Zo'n patroon als die van Sherwood, dat heb ik nog nooit gezien.' Terwijl de patroon van Sherwood precies dezelfde is als in de Filipijnen, als om het even waar. En dan stelden we voor om projecten te steunen in de Derde Wereld. We verkochten elk jaar mandarijnen, speculaas en chocolade met Sinterklaas en de chocolade eieren van de Anti-Imperialistische-Bond (AIB) met Pasen. Daarvoor wilden ze hun geld bovenhalen. Niet voor onduidelijke zaken: daar worden ze zo moedeloos van. Ook kochten tien vrouwen Internationale Solidariteit, het blad van AIB. We verkochten kilo's eieren vanaf '85. Het werd een hele handel en het vergde enige organisatie. Eerst hadden we onze stock in de wagen, daarna in onze kastjes, maar 't werden zo'n hoeveelheden dat we ten slofte in het syndicaal lokaal verkochten. De patroon werd elke keer ingelicht over de verkoop. Slechts één op vijf kocht niet. Arbeiders zijn tamelijk rijk? Ik heb er moeite mee als intellectuelen zeggen dat arbeiders in Europa het toch tamelijk goed hebben. Omdat je niet in de goot ligt of onder een brug slaapt heb je het goed. Meer dan twintig jaar heb ik in de arbeidersstrijd gestaan en als delegee kende ik de financiële situatie van al de aangesloten arbeiders. Enkel arbeiderskoppels die met twee werken, geen kinderen hebben en geen ouders die beroep doen op hulp, hebben het 'makkelijk'. Die kunnen zich 'luxe'-producten permitteren, die pikken soms een reisje mee. Maar zelfs die gaan aan het 'glijden' als er een van hen medische hulp nodig heeft. Arbeiders zelf denken soms dat ze het goed hebben omdat ze zich vergelijken met werklozen of met hun ouders, omdat ze nooit vergelijken met de welstand van de burgerij. In feite zijn de lonen laag, als men ziet wat men ervoor presteert. Carla had geen kinderen: zij en haar man hadden een 'goed' loon. Ze ging elk jaar op vakantie, kocht kleren bij de solden, was mooi gekleed en mooi ingericht, dat wist iedereen. Op een bepaald moment kon haar moeder, een weduwe, niet meer alleen leven. Carla kon kiezen: moeder in een home zetten en een stuk loon afgeven, want een home kost 40 a 45.000 frank per maand. Of een stuk bijbouwen en moeder daar laten wonen, 't ocmw, dat wil een arbeider zijn ouders niet aandoen. Ze heeft haar huis aangepast. Vanaf toen kon ze niet meer weg. Dat is mooi van Carla, maar eigenlijk zou de staat toch moeten zorgen voor de oude dag van mensen die heel hun leven gewerkt hebben. Moeder werd ziek, heel haar budget was uit evenwicht. Over arbeiders met kinderen spreken we beter niet want met kinderen is er altijd wel wat. Die 128 arbeiders gaan nooit uit eten, enkel als het werkelijk feest is. Die gaan niet naar de cinema, zeker niet met de kinderen erbij. Dat 'goeie' leventje van de arbeiders is dus betrekkelijk en het gaat steeds achteruit: niet vooruit. In de jaren zeventig kon je meer doen met je loon. Bovendien zijn de mensen nu werkonzeker: vandaag werkje, morgen niet meer. Jonge vrouwen die pas bij Sherwood begonnen, waren tevreden over hun loon. De 'anciens' zegden dan: 'Nu vind je dat een fantastisch loon, maar wij zien wel datje minder en minder kunt kopen en langer moet nadenken als je maar 37.000 frank uit te geven hebt. Twintig jaar geleden had een arbeider zijn huis, een arbeider van nu is daar niet meer zeker van.' Arbeiderskoppels die scheiden kunnen van nul herbeginnen. Zo ken ik zelf tientallen koppels. Een van onze delegees wilde scheiden. Ze heeft daar met ons twee of drie jaar over gediscussieerd, dan is ze bij haar man weggegaan. Ze ging op een gemeubelde kamer wonen, nochtans werkte ze sinds haar zestiende. Dus heel haar leven heeft ze gewerkt om op een gemeubileerde kamer te eindigen. Maar hoeveel miljoenen winst is er uit haar geperst? Over vrouwenarbeid werd vaak gezegd dat de vrouwen gingen werken voor de 'luxe en het verlof' dat is voorbij: je kan niet met twee leven van één arbeidersloon. Vrouwen werken uit noodzaak. Er zijn ook veel arbeidsters die alleen staan of alleen kostwinner zijn. Er was bijvoorbeeld een vrouw wier man ziek was, invalide, dus dat mens had niks. De werkloosheid in Verviers en Luik is hoog. FAR: intellectueel aan welke kant? Elke intellectueel die vorming geeft in de FAR werkt mee aan het mondig maken van delegees. Intellectuelen in onze maatschappij dienen om iets te rechtvaardigen, hun stellingen dienen altijd iemand, hoe objectief die intellectueel ook beweert te zijn, hij is dat niet en moet kiezen. Neem de psychologen die crèches wetenschappelijk aanraden als de patroons de vrouwen in de fabrieken nodig hebben 'Een kind ziet zijn moeder werken, ziet dat ze actief deelneemt aan de economische strijd. Dat komt ten goede aan de emancipatie van het kind, een kind dat zelf zijn boterham maakt wordt een zelfstandig kind.' En afraden als er werkloosheid is: 'Een goede moeder is bij haar kind, waarom moet die meer geld hebben? De moeder is een egoïste die van alles wil kopen en geen vrede neemt met het ideaal van het moederschap.' Zulke totaal tegenovergestelde studies tonen hoe intellectuelen het instrument zijn van de kapitalisten, en al naargelang de economische conjuncturen de situaties moeten rechtvaardigen. Voor de FAR is mondigheid alles. Men leert er de delegees vaststellen, niet vechten. Het belangrijkste is toch wat ge doet met uw vorming. De vorming die in de FAR wordt gegeven, leidt vaak tot het begrijpen van de problemen van de patroon. Solvay gaf ook vorming aan zijn arbeiders, de eerste avondscholen waren van Solvay, de eerste vakbondsschool werd zelfs door hem betaald. De vorming van mensen heeft een klasseninzet. Wie gaat ze dienen en wat doet ge ermee? De FAR geeft vorming om te vechten voor de kruimels die van de tafel vallen. Maar als er geen kruimels zijn kunt ge niks vragen. In de FAR moesten we een dossiertje maken over een onderwerp en dat een uurtje op video inspreken. Dat werd dan in groep besproken. Doe je dat goed? Kom je goed over? De mensen leren formuleren wat ze willen zeggen. Een delegee moet mediamiek zijn; Oké, hij moet goed kunnen spreken, niet staan doddelen. De FAR gaat door als degelijk en links vormingsinstituut omdat zij intellectuelen maakt van de delegees. Maar een delegee zonder klassenpositie: wat zijn de arbeiders daarmee? Hij gebruikt zijn kennis niet om de strijd te voeren, maar om de patroon te begrijpen en zo lopen er nog te veel rond. Met intellectuelen krijg je in de fabriek ook te maken. De bedrijfsdokter is allesbehalve neutraal. Ik heb ook met verschillende controledokters te maken gehad, dat zijn geen neutrale intellectuelen. Een huisdokter schrijft een arbeider een week ziek, de controledokter zegt: 'Niet meer dan drie dagen.' Dan zegje tegen die arbeider: 'Gij zijt ziek en ge blijft ziek en bel uw huisdokter om die week te bevestigen.' In praktijk belden wij de huisdokter, maar er waren weinigen die dat wilden doen: 'Ik wil geen partij kiezen noch voor mijn patiënt noch voor de patroon.' Door zijn lafheid moet een zieke weer aan het werk. In feite zegt hij aan de controledokter dat hij een verkeerde analyse heeft gemaakt, hij plooit gewoon voor wie de macht heeft. Loopbaanonderbreking Vanaf 1987 tot midden '92 werkte ik half time in de fabriek. Dat werd besproken met het ABVV en het ACV en we regelden het zo dat er een continuïteit bleef in het vakbondswerk. Was ik er niet, dan was Paula Hertogen er. De PVDA in Luik had in '87 dringend mensen nodig voor de opbouw van het geheel van de werking. Maar de arbeiders wisten dat ik er niet de delegee naar was om mijn syndicaal werk voor Sherwood te verwaarlozen. Er veranderde wel veel aan de conjunctuur, en er kwamen andere krachtsverhoudingen binnen de fabriek. Het was de periode na de sluiting van de Limburgse mijnen, de tunnels van besparingen kenden geen einde, de Berlijnse 130 Muur werd neergehaald. Het kapitalisme juichte. Delegees die principiële eisen stelden, waren 'onrealistisch'. Toen begonnen de herstructureringen en de aanvallen op de vakbond. Er was ook een sterke verzwakking in de delegatie: Maria keerde terug naar Griekenland, Christine verliet de vakbond, Michèle ging op de ABVV-centrale werken en was dus niet meer in de fabriek. En in de delegeeverkiezingen van '91 vond de permanente dat het beter was dat de hoofddelegee van het ABVV fulltime werkte. De nieuwe hoofddelegee stond op slechte standpunten. De patroon wist dat we in een overgangssituatie zaten met de delegatie: van die malaise profiteerde hij. Scimed: een tweede bedrijf binnen Sherwood In de jaren '80 had Sherwood een fabriek in Ierland gezet. In '90 werd er binnen Sherwood een tweede 'bedrijf' opgericht: Scimed. Scimed maakt producten voor hart- en vaatchirurgie. Zo kregen we als delegatie dubbel werk: er waren andere arbeidsreglementen en Scimed wilde geen vakbond. Het was een uitputtingsslag: er waren arbeidersvergaderingen voor Sherwood en aparte voor Scimed. Het werd de vakbond erg moeilijk gemaakt maar we behielden voor de arbeiders die voor Scimed werkten de verworvenheden van bij Sherwood. Op 20 februari '92 liet directeur Delmotte voor het eerst verstaan dat Sherwood door Scimed zou gekocht worden. Eind mei, extra-ondernemingsraad: Sherwood zou volledig verhuizen naar Ierland. Geleidelijk, omdat er in Ierland tijd nodig was om de arbeiders in te werken. Daarom bleven wij bepaalde producten maken. De patronale strategie: 'Scimed heeft ons gekocht en dat is een goede deal voor alle betrokken partijen. Scimed verbindt zich ertoe 200 arbeiders aan het werk te houden. Er komen wel 56 afdankingen, maar daarvoor is er een sociaal luik. Geen naakte afdankingen, wél prepensioenen en vrijwillige vertrekkers'. Dus alles is oké in Verviers. Leve Scimed. Op de algemene vergadering verwierp Paula Hertogen de 56 afdankingen. Maar haar secretaris viel haar openlijk aan: 'Dat is je persoonlijke interpretatie, jouw mening heeft niets te maken met het standpunt van de delegatie van de twee vakbonden.' Ikzelf was thuis met ziekteverlof. Uiteindelijk werd over een sociaal luik onderhandeld: prepensioenen en vrijwillige vertrekkers. Later bleek dat het niet om een sociaal luik, maar om een zwarte lijst ging: 36 arbeiders moesten afgedankt. Meerdere vrouwen mochten dan weer niet op pre-pensioen. Op 23 augustus vroeg de patroon de opheffing van de bescherming van ons syndicaal mandaat in het paritaire comité, 'omdat er met ons niet 131 samen te werken valt', en voor mijzelf 'omdat ze lid is van de PVDA' . Dus eerst de strijdbare arbeiders afdanken die zouden kunnen staken tegen een afdanking van delegees en pas dan de delegees afdanken. Dat was de strategie. Augustus '92. Niets is verloren Na het zomerverlof begon ik terug te werken na een ziekteperiode van zes maanden. We konden geen eengemaakt strijdplan opmaken met de syndicalisten. Zo'n situatie van onenigheid binnen de delegatie was nieuw. De nieuwe hoofddelegee zegde me: 'Ik ga je openlijk tegenwerken in het belang van iedereen.' Ik had haar standpunten beter moeten weerleggen: 'niet vechten of er komt geen sociaal luik' 'de communisten wegschuiven, om uw job te bewaren.' Typische PS-standpunten binnen de vakbeweging. Maar zoveel invloed had ze nu ook nog niet. We dachten de strijd nog te kunnen winnen. Op 25 september werd een eerste voorstel tot sociaal akkoord verworpen door de arbeiders. Ze eisten een hogere afscheidspremie en het opheffen van de zwarte lijst. In oktober wilden de arbeiders actie. We hielden een algemene vergadering en er was een wil tot strijd. Maar diezelfde delegee dwarsboomde me. Achter mijn rug was het van: 'Cathy heeft woensdag wel tot actie opgeroepen maar de permanente, Bourguet, wil dat niet.' Dat was niet juist. Toen deze delegee me uitkafferde dat door staking de hele fabriek zou dichtgaan, zagen de arbeiders dat ik niet met dezelfde autoriteit sprak: ik aarzelde. Zij was nu hoofddelegee. Zo'n verdeeldheid: ik stond alleen om voor de strijd op te roepen, Paula was teruggefloten door haar secretaris. De patroon liet de zaak aanslepen, de mensen werden in slaap gewiegd. Alleen de communisten zeiden wat er van aan was, maar wij stonden toen alleen. Op 9 oktober vroeg de patroon officieel de opheffing van de bescherming van delegees: 'om economische redenen, fabriek in herstructurering'. Het paritaire comité weigerde. Later zou de patroon onze opheffing vragen 'omwille van gebrek aan samenwerking'. Donderdag 5 november was er een kleine wilde staking. Strijdbare arbeiders wilden niet wachten tot de afdankingen er waren, ze vonden dat ervoor moest gestaakt worden. Met een arbeidster ging ik overal rond om de staking uit te breiden. Maar we lukten er niet in de rest ook mee in staking te krijgen. Die vrijdag werden er elf mensen afgedankt, een ploeg mecaniciens. Thuis lag een telegram dat ze afgedankt waren. Geen prepensioenen dus, een zwarte lijst. 132 Als de fascisten van Agir manipuleren Op 27 oktober bood de patroon elf miljoen aan om mij, Paula en de vakbondsmilitante Lieve af te danken. De delegees en hun secretarissen weigerden. Er werden nieuwe onderhandelingen voor 12 november aangekondigd. De twee vakbonden riepen voor die dag een staking uit. Op 10 november hielden we een algemene arbeidersvergadering. Ook de ACV-secretaris van de Chemie zou er het woord nemen en oproepen voor staking. We riepen de mensen op om te staken tegen onze afdanking, de bescherming was niet opgeheven. Agir begon de vergadering te saboteren. De ACV-secretaris, Galère, werd uitgescholden. Dobbelstein en Sougnez van Agir hadden een strategische plaats genomen in de zaal met een kring van acht a negen mensen rondom hen, allemaal gekende ratten. 'Die secretaris heeft geen recht van spreken want hij werkt niet bij Sherwood': plat populisme. 'Er was een sociaal luik aanvaard door de arbeiders.' 'De staking van 12 november is manipulatie want die is niet door de meerderheid van de mensen gestemd, er is wel voor opgeroepen (door mij), maar de mensen hebben zich er niet over uitgesproken.' 'Wij hebben die delegees niet nodig.' 'Wij willen werken: voor Scimed en voor Sherwood daar zal niemand ons in tegenhouden, we roepen op om niet te staken.' Delegee Ivo Tops vloog op de fascisten af. Begrijpelijk, maar precies wat de fascisten wilden: grote verwarring. Paula Hertogen en verschillende strijdbare arbeiders moesten met Ivo naar buiten want die was niet meer te kalmeren. Agir kwam het werk van de patroon opknappen binnen de vakbond. Ik probeerde de vergadering in handen te krijgen want ACV-secretaris Galère was volledig verstomd blijven staan toen die fascisten zegden dat hij niets te zeggen had omdat hij er niet werkte. Ik verdedigde spreekrecht voor de secretaris en ten tweede 'de vakbond is nodig om de arbeiders te leiden, en gij die uw gans leven al in Sherwood zit hebt op heel die tijd nog nooit iets gedaan voor de arbeiders van Sherwood, nu zit gij de patroon hier goed te praten, maar met uw systeem hadden de mensen hier nooit een frank opslag gekregen, was er geen strijd geweest en zouden ze nu nog als slaven gewerkt hebben.' Ik kende de man goed: al twintig jaar zegde die op de vergadering dat wij moesten rekening houden met de patroon, maar wij hadden altijd zijn pas afgesneden. Ik wist niet dat hij georganiseerd bij Agir was. Altijd een rat geweest. De vergadering eindigde in anarchie. Ik riep op om te blijven omdat de zaak niet opgeklaard was. Maar Agir had de zaak goed voorbereid: die acht, die een hele groep leek, stonden op en zegden: 'Wij weten wat we moeten doen, wij gaan morgen werken.' Ze verlieten de zaal, verschillenden gingen mee. Het was de eerste keer dat ik zoiets meemaakte. 133 Patroon en Agir: 't wordt moeilijk Nu wisten we hoe moeilijk de strijd zou zijn. Fracheris, de delegee die me op de hielen zat en me afbrak, kreeg alle mogelijke voorrechten van de baas. Men noemde haar 'madame kusje geven' omdat de arbeiders zo het beste konden weergeven hoe zij een fabriek met een strijdbare arbeidersgroep had omgeturnd in een plaats waar iedereen 's morgens drie kussen kreeg: ook de rechtsen. Klassensamenwerking dus. Dit was geen lokale kwestie meer. De oorlogsverklaring tegen de vakbond moest op drie niveaus beantwoord worden: 1. Geen bazenvakbond in Sherwood-Scimed: we moeten de strijd tegen onze
dreigende afdanking op gang krijgen en de strijdbare delegees en militanten
aaneen smeden, Fracheris stoppen. Dat was de oorlog die we moesten beginnen, met verdeelde troepen in de fabriek. Maar we begonnen eraan. De permanenten hielden op 30 oktober een persconferentie waarmee ze ons ten volle steunden in onze strijd tegen onze dreigende afdanking. Dat was erg belangrijk. De patroon had dit niet gedacht. We kondigden op die persconferentie ook een staking af tegen de zwarte lijst en tegen onze geplande afdanking voor 12 november, dag van de volgende onderhandelingen tussen patroon en vakbonden. 12 novemberstaking: toch 24-urenstaking Agir stookte verder in de fabriek en de hoofddelegee van het ABVV was tegen de staking. Op 12 november was er een goed piket. De directie probeerde iedere arbeider persoonlijk aan te spreken om hem binnen te krijgen. Ze kwamen de mensen opnieuw individueel chanteren. 40% van de mensen kwam naar het piket. Van de vroege ploeg ging niemand werken, maar de ratten, aangevoerd door Agir, waren georganiseerd en braken om 8 uur door het piket met hulp van de directie. Van het piket viel niemand af, het werd een overtuigingspiket. Het piket stond er 24 uur. De nachtploeg kwam op en 23 van de 30 staakten. Het was 134 een staking waarin elke persoon geteld moet worden. Die strijd wonnen we. In de pers sprak men van een 'zeer bescheiden staking'. De patroon verklaarde aan de pers dat er 10% stakers waren. Woedend over zo'n zware desinformatie maakte secretaris Bourguet een 'recht op antwoord'. Daarin legde hij gedetailleerd uit dat één derde van het personeel aanwezig was in de fabriek op 12 november. Een heel ander beeld dan de 90% aanwezigen van de patroon. In zijn 'recht op antwoord' aan de pers deed hij de kwestie van die zwarte lijst nog eens haarfijn uit de doeken. Deze staking was gelukt. Hierdoor besliste het paritair comité definitief onze opheffing niet goed te keuren. De vakbondsafgevaardigden deelden mee dat de vraag om onze bescherming op te heffen niets te maken had met economische noodzaak maar alles met het vereffenen van een oude rekening met strijdbare delegees. De dag erna was er een overwinningssfeer in mijn ploeg, de vroege. De meesten hadden gestaakt en vonden dat er goed gestaakt was. De delegatie was volledig verdeeld, er was zelfs een delegee die niet mee gestaakt had. Dat was totaal nieuw, en op dat moment heeft die delegee alle vrijheden van de patroon gekregen. Zij zei dat de staking en het piket een PTB-staking was. Ik was van de PTB en het piket ook. Om te antwoorden op de aanklacht van 'zwarte lijst' heeft de patroon dan snel het brugpensioen voor een paar mensen in orde gebracht en het vrijwillig vertrek voor diegenen die het vroegen. Dan kwamen er weer twee weken dat ik niet werkte, ge kunt dan wel naar de ondernemingsraad gaan en een vergadering geven, maar ge werkt dan niet onder de mensen, ge kunt de strijd niet aanzwengelen. De fascisten en Fracheris waren er wel permanent. Sticker Agir Toen ik op 3 december terug begon te werken, hing er een fascistische sticker op het syndicaal bord. Er zat dus een fascist in de vakbondsstructuur die de sleutel had van ons syndicaal bureel. Agir had een variante gemaakt op de gekende sticker met vliegend tapijt waarop Arabische mensen zitten: 'Agir zal ze repatriëren'. Op de Sherwoodsticker zaten op het vliegend tapijt: ikzelf met sluier, waarop PVDA stond, secretaris Bourguet, secretaris Galère en verder een hoop migranten. Bourguet kreeg 'dief en leugenaar' op het hoofd en boven de tekening stond: 'als het van Agir afhangt verdwijnen ze'. Wit van woede heb ik dat naar Bourguet gestuurd. Met Tops en Eugène kwam ik samen om uit te zoeken wie het was. Ze hadden een vermoeden en 135 we ontwikkelden een strategie om de dader te pakken. Het was Leon Sougner, vakbondsmilitant. Als je dat eenmaal weet, besef je ook dat je met je democratische werking van de vakbond moet opletten. Elke militant en delegee kon al mijn dossiers inkijken. Sougner werd onmiddellijk uit de vakbond gezet maar veel kwaad was geschied. De veranderde krachtsverhouding bleek ook uit het feit dat die fascistische sticker daar dagen was blijven hangen. Ivo Tops en Eugène, twee delegees vertelden ons hoe ze onder druk werden gezet sinds die vergadering van 10 november. Ze konden ons werk nog niet overnemen. Vrijdag 11 december: illegale afdanking Vrijdag 11 december stond ik met de vroege; de directeur liet me roepen. Ik werd op staande voet afgedankt. Hij vroeg of ik iets te zeggen had. 'Alleen aan de arbeiders', zegde ik. Maar er was zeer weinig volk, op vrijdag werd er dikwijls verlof genomen en zeker in de maand december. Het bericht sloeg in als een bom. Ik ging naar het syndicaal lokaal met een paar arbeiders die iets wilden doen. Ze wilden actie maar niet zonder voorafgaandelijke goedkeuring van de permanente, Bourguet. Vergeet niet dat er een totaal verscheurde delegatie was. Maar er was geen tijd om contact op te nemen met Mare Bourguet. In 1977 hadden wij gestaakt en bezet tegen de afdanking van een delegee. Nu waren de omstandigheden anders. Ik ging zelf naar de ateliers. De directeur liep naast mij, iedereen die stopte om naar me te luisteren, duwde hij terug naar zijn werkplaats. Dan heb ik me opgesloten in het syndicaal bureel: om de patroon van me af te schudden. Daar ben ik beginnen telefoneren: naar Bourguet, naar Paula, naar de PVDA. In de ateliers, in de gangen en de cafetaria krioelde het van directeurs en kaders. De patroon kwam dreigen: 'Als je daar blijft zitten, bellen we de rijkswacht, ge hebt twee minuten om uw zaken bij mekaar te nemen en weg te gaan.' Ik besloot te blijven. Ik heb de mensen opgeroepen tot actie terwijl de directeur naast me stond. De mensen zegden: 'Dit kan niet waar zijn'. Sommigen weenden luidop, anderen stil, en opnieuw: 'Dit geloof ik niet'. 'Cathy, het zal wel een vergissing zijn, je moet maandag gewoon terug komen werken, zoveel onrechtvaardigheid bestaat niet.' Machteloosheid. Een wilde staking zat er niet in. Dus wilde ik snel overleg plegen met Paula, met Mare Bourguet en met de PVDA. 's Maandags gingen Paula en ik ons aanmelden om te gaan werken in aanwezigheid van een deurwaarder. We hadden zelfs geen vooropzeg gekregen. De laatste week van december zijn we elke dag naar de fabriek teruggegaan. 136 Zes weken in een caravan We hadden iets nodig om permanent aan de fabriek te kunnen zijn en onze reïntegratie te eisen. Zo zijn we op het idee van de caravan gekomen. Een goeie mobilisatiefactor. De eerste solidariteitsdelegatie stond er vóór de caravan. Delegees van de streek. Van één van hen kregen we een mobiele telefoon. We waren er permanent. Met een beurtsysteem. De caravan draaide in vier ploegjes van zes uren. De arbeiders van de fabriek kwamen meestal na de late ploeg. Sommigen bleven hangen in de fabriek om ongezien naar de caravan te kunnen komen. We hebben er een nationale strijd van gemaakt. Op zeker vijftien vakbondsbijeenkomsten en -congressen is er over onze strijd tussengekomen. De eerste discussie betrof de reïntegratie. Het geld dat de patroon uitbetaalde, lieten we op een vakbondsrekening blokkeren. De tweede discussie betrof het oprichten van een comité voor een nieuw wetsvoorstel. Nu is er een wet die niet deugt. We willen dat de reïntegratie van delegees wettelijk verplicht wordt. De ene dag kwamen vijf solidariteitsdelegaties, dan was het weer een paar dagen stiller en kwamen vooral arbeiders van de fabriek. In totaal kwamen er een zeventigtal delegaties vanuit heel het land. De delegatie van Forges de Clabecq was een grote delegatie, die zal me het meest bijblijven omdat we ons daarin herkenden. Ze kwamen tot in Verviers om iets te doen. De arbeiders van Sherwood kwamen vertellen dat er gestookt werd tegen de caravan. We probeerden verder hun delegee te zijn. In de fabriek begon men met kwaliteitscirkels, de directeurs evalueerden op het einde van de week het werk samen met de arbeiders. Rechten werden afgenomen, mensen moesten twee shiften na elkaar werken, iemand moest werken met een been in het gips. Verboden, maar het gebeurde. Veertig arbeiders van Sherwood bleven naar de caravan komen. Die kern van veertig bleef, maar ze hadden geen hoofd meer: wij waren niet meer in de fabriek. De bitterheid van deze mensen tegenover de anderen die niet meegestaakt hadden, groeide: maar ze sloeg niet om in actie voor onze heropname. Secretaris Bourguet wilde niet meer in de fabriek binnengaan uit kwaadheid, uit verzet, maar de mensen vroegen leiding, ook aan hem. We hebben veel getelefoneerd, vaak de pers verwittigd, pamfletten gemaakt in die caravan. Veel gediscussieerd met de bezoekers. Bij elke ploegenwisseling stonden we aan de fabriek zelf en discussieerden we met de meesten. 137 Comité Paula-Cathy voor bescherming van alle delegees We kwamen veel op tv, in de pers, er was nood aan een comité en aan een bijeenkomst rond de afdanking van delegees. We besloten op 11 februari een nationale bijeenkomst van de twee vakbonden te organiseren rond de caravan. Op deze concentratie was er 500 man. Het groot probleem van afgedankte delegees is dat ze daarna niets meer doen, hun leven is gedaan als ze delegee af zijn. Daarom moest er een comité komen. Een comité voor het bijeenbrengen van de afgedankte delegees; voor het eisen van een goede wettelijke bescherming. We eisten als comité het heropnemen van al de afgedankte delegees. Bovendien vochten we voor een wetsvoorstel: 'Geen afdanking van een delegee, geen achterpoorten zoals zwaarwichtige reden om toch af te danken. Ten tweede, sancties tegen de patroon met gevangenisstraf anders blijft hij miljoenen uitbetalen, ten derde het uitbreiden van de bescherming van delegees.' In het comité zaten mensen uit heel België, van de twee vakbonden, van de verschillende centrales, ook mensen die in de vakbond werkten als vormingsverantwoordelijke. We zijn met een telefoonlijn begonnen: de mensen kunnen ons verwittigen bij een afdanking, wij op onze beurt zeggen het via ons krantje aan iedereen door. Het comité heeft twee soorten bijeenkomsten: in Verviers met de leidende groep, daarnaast vergaderingen op de plaatsen waar er delegees afgedankt worden. Zo hebben we actief gewerkt tegen de afdanking door Sabena van delegee Maaike Seegers. Het comité werd een comité ter verdediging van het stakingsrecht. Want in '94 zijn de dwangsommen en de aanvallen tegen het stakingsrecht begonnen. Tot besluit Na onze afdanking en na de vergeefse strijd om ons terug op de fabriek te krijgen was ik erg triest, een depressie nabij. Ik voelde me als een vis die op het droge was gegooid en naar adem hapte. Ik kon niet terug naar die arbeidsters, die zeventien jaar het water waren geweest waarin ik kon zwemmen, vrij bewegen, leven. Als iemand vroeg 'Cathy, wat nu?' kreeg ik het moeilijk. Ik moest in het reine komen met wat er gebeurd was. Vandaag denk ik dat we de patroon toch wel echt pijn gedaan hebben. Ik denk dat onze afdanking door het nationale chemiepatronaat en het plaatselijke patronaat is besproken. Men moet feitelijk nadenken over een afdanking, niet emotioneel want dat is verlammend. 138 Nu denk ik dat eens je voor de arbeidersklasse hebt gekozen dat niet stopt als je geen delegee bent, niet meer in de fabriek werkt. Ik ben tevreden dat ik marxist ben geworden, en als consequentie daarvan in de fabriek ben gaan werken. Het geeft veel energie als je begrijpt waar je aan werkt en waarom. Het geeft voldoening als je zaken kunt kaderen. Ik ontmoet intellectuelen die niet begrijpen wat er in Rusland gebeurd is, waarom de Muur gevallen is. Ze worden defaitistisch. Ik zie bepaalde intellectuelen die 'fin de sciècle'-standpunten rondstrooien. De wereld is rot en we gaan er voor onszelf het beste van maken. Na ons is er niets meer! Sartre achterna: 'Après nous les mouches'. De wereld is rot, wij kunnen er niets aan doen. Een marxist zegt ook dat het kapitalisme rot is, maar samen met de werkers, samen met de verschoppelingen van de wereld gaan we het kapotbreken en iets anders beginnen; dus gebruik uw hoofd, en steek dat hoofd niet vol spielerijen. Het is de zaak het beter te doen dan de vorige generaties marxisten. Ik ben tevreden dat ik daaraan werk, en kan me levendig voorstellen datje nihilist wordt als je dat niet hebt. Ik ben van klasse veranderd Hoe ik nu ben en hoe ik vroeger was, dat kan je niet meer vergelijken. Ik ben een ander mens geworden. Ik ben van klasse veranderd. Ik voel mij meer communist dan arbeider. Ik heb twintig jaar in de fabriek met arbeiders gewerkt, geleefd, geleden, gestreden, maar ik ben geen arbeider geworden. Ik ben een marxistisch intellectueel. Ik denk dat het juist was in de fabrieken te gaan werken. Ik kan mij niet voorstellen dat in Europa een marxist-leninistische partij anders zou tewerkgegaan zijn. Ik zou ze bekritiseren omdat ze zich niet echt met de uitgebuitenen van hun land verenigen. Als ik niet in het fabriek zou zijn gaan werken zou ik niet zo makkelijk marxist gebleven zijn. Het heeft voor mij veel vergemakkelijkt. Ik zou geen leidersfiguur geworden zijn, ik zou me neergelegd hebben bij mijn verlegenheid en geen leiding genomen hebben. Als ik in Gent de krant ging verkopen, vond ik dat zeer moeilijk, nu ik jaren onder arbeiders heb gewerkt weet ik dat arbeiders krediet geven, erg democratisch zijn, je je fouten niet aanrekenen als je eraan werkt. Storende kleinburgerlijke trekjes zoals 'over alles praten, maar weinig organiseren' worden in de arbeiderswereld ook veel sneller aangepakt. Je moet een eisenprogramma hebben: dat is dus geen pamflet of een intentieverklaring. 139 Je moet op alle situaties snel kunnen reageren: toch wat anders dan het academische leven van 'alle tijd voor je hebben, er is niets dat haast heeft'. Je moet doelgericht werken en denken. Dat leer je niet van de arbeiders, maar wel door als marxistisch intellectueel in de strijd te staan. Ze zullen niet direct zeggen datje fout bent, maar je moet regelmatig voor jezelf nagaan: wat ben ik hier in feite aan het doen? Doe ik wat ik moet doen? Je moet ook een goed organisator zijn: in de verschillende zalen mensen hebben die de fabriek kunnen stilleggen: anders kan je niet aan staking denken. Ik heb nog steeds zenuwen als ik voor honderden mensen het woord moet nemen, mijn stem gaat dan altijd een paar tonen hoger. Maar de zenuwen zullen mij niet beletten om te spreken, in het begin was dat wel zo. Mijn karakter is nog altijd hetzelfde, maar ik gedraag me anders, en niet alleen maar 'omdat het moet'. Het is volgens mij ambigue: ik sta te zweten en te bibberen als ik moet spreken, maar ik voel me er ook goed door. Ik doe iets nuttigs. Ik voel het als een verrijking. Je moet aan je omvorming werken, maar het is niet alleen maar lijden. De voldoening is er. Je staat niet in de fabriek om te lijden, maar om de klassenstrijd te voeren en te leiden dat moetje heel bewust doen. Binnen de arbeidersklasse leeft de idee dat de uitbuiting er altijd al was en zal blijven. Dat is taai, omdat ze maar één streek, één periode, één deel zien. Het is een moeilijke zaak. Dat is een van de punten die ik bewust heb willen binnenbrengen: de veranderlijkheid van het economisch systeem, de veranderbaarheid van de wereld en de mensen. 140 Jozefine - Inhoud - de fabriek
Jozefine (met bril) aan het werk in de fabriek. 'Vakbondswerk gebeurde dikwijls tussen de kleren, daar werden de acties vaak voorbereid.' 142 Ik ben geboren in Hamme bij Brussel, op 13 maart 1936. Mijn zus is ouder, mijn broer jonger. Mijn vader was gemeentesecretaris in Relegem en bewerkte ook een stuk land. Mijn ouders waren van boerenafkomst. Mijn moeder verzette veel werk op het boerderijtje. Wij hadden zelfs geen paard. De kinderen moesten helpen. De oogst werd bepaald door het weer, dan konden we nooit weg. Ik liep lagere school in Wemmei want in Hamme was zelfs geen school. Achter onze straat lag het bos met het kasteel. De kasteelheren hadden dat bos aangeplant om het klein grut niet te moeten zien. Een generatie vroeger was dat klein grut nog een soort lijfeigenen en moesten de meisjes gaan dienen op het kasteel. In de fabriek gaan werken, was nog erger. De fabriek was vulgair, want in de fabrieken zaten de socialisten. Vader vond dat we middelbaar onderwijs moesten doen. Moeder vond die pendel naar Brussel te gevaarlijk voor haar opgroeiende dochters. De pastoor kende een goed internaat in Heverlee. Zo werd het probleem van onze opvoeding aan de nonnekes van het Heilig Hart van Heverlee overgelaten. Mijn zus en ik trokken tezelfdertijd op internaat. Na twee jaar Latijn-Grieks schakelde ik over naar de 'normaalschool'. Universiteit zag ik toen niet zitten. Ik kende niemand die dat deed en het was heel kostelijk. Ik dacht dat wij dat niet konden betalen. Na vier jaar normaalschool was mijn middelbaar gedaan. Ik was 18. Het gebeurde regelmatig dat leerlingen of oud-leerlingen 'binnengingen'. Naar het klooster gaan was je christen zijn radicaal beleven, het ernstig menen. Ik was heel religieus, maar ik wilde die beslissing niet overhaasten. Ik zat op het internaat bij de zusters en vroeg me af of ik niet te veel beïnvloed was. Bovendien was ik erg beschermd opgevoed en zeer bedeesd. De wilde dus voor mezelf uitmaken of die beslissing geen 'vlucht uit de wereld' was. Ik besloot de keuze twee jaar te laten rusten. De vond een plaats als onderwijzeres in Wemmei waar ik op de lagere school gezeten had. Zo kon ik ook mijn ouders wat vergoeden voor de inspanningen die zij voor mijn studies geleverd hadden. Ik had het eerste en tweede leerjaar, een veertigtal kinderen. Ik woonde bij mijn ouders, 's Morgens stond ik heel vroeg op om naar de mis te gaan. Ik moest eerst nog een koe melken omdat moeder veel last had van reuma in haar handen. Uiteindelijk nam ik toch mijn beslissing. Ik werd 20 jaar 143 en de zusters in Heverlee vroegen om binnen te komen in september, ik zou aan de universiteit gaan studeren. Eerst moest ik nog een jaar Latijn, Grieks en wiskunde inhalen. Daarna kwam er een jaar noviciaat. Op dat moment was ik vrij zeker van mijn zaak. Ik wilde goed doen, radicaal zijn. Op de meest consequente manier gelovig zijn, zoals Christus die het opnam voor de armen. Wie 'binnengaat' is eerst zes maanden tot een jaar postulant. Ik heb me gedurende dat jaar voorbereid om voor de middenjury mijn humanioradiploma te behalen. Dan volgt een jaar noviciaat waarin de kloosteropleiding centraal staat. Het noviciaat start met een ceremonie waarbij heel de familie aanwezig is, de 'inkleding'. Die dag stapje de kapel binnen in bruidskleren, als 'bruid van God', en tijdens de plechtigheid ontvang je je kloosterkledij en je kloosternaam, tekens dat je je wil toewijden aan Christus: 'Geheel afgestorven aan de wereld zul je voortaan heten zuster Jacinta.' Na een jaar noviciaat spreek je je geloften uit voor een periode van drie jaar. Ik werd naar de universiteit gestuurd om wiskunde te studeren. De congregatie had scholen overal in het land. Ik zou een goede lerares wiskunde worden, dachten ze. Studeren en mediteren De afzondering van de wereld werd in die tijd wel ten top gedreven. Als je binnenging, was het de bedoeling datje nooit meer naar huis ging, noch dat je zomaar mensen opzocht. Dat kon alleen in functie van je taak, bijvoorbeeld de school. Ik ben nog een keer thuis geweest, voor verkiezingen. De familie kon drie maal per jaar op bezoek komen. Aan de unief keerden we na de lessen terug zonder met iemand te praten en zonder deel te nemen aan studentenactiviteiten. Dat was ook de tijdgeest want de weinige meisjesstudenten moesten altijd vooraan op de eerste rijen zitten. Onze tijd ging op aan bidden en studeren of werken. Vanaf 's morgens 6 uur was er kruisweg, meditatie, brevier en de mis en 's avonds nogmaals brevier. Er was een beperkte tijd voor ontspanning, natuurlijk binnen de muren van het klooster en onder elkaar. De postulanten, novicen en zij die hun geloften voor driejaar hadden gedaan, zaten in een apart gebouw. Dat was een groep van een veertigtal, vooral jonge mensen tussen de 16 en de 26. Soms waren er een paar ouderen bij, de late roepingen. Het kon er plezant aan toe gaan en streken werden er ook uitgehaald, we waren tenslotte jong. De school en het klooster zorgden toen zelf voor alles: boerderij, beenhouwerij, bakkerij, wasserij en een grote keuken. 144 Na driejaar tijdelijke profetie moest je geloften afleggen voor het leven. Een zware beslissing. Ik wist ondertussen beter wat zo'n leven inhield. Ik denk dat de eerlijke en radicale keuze voor mijn overtuiging doorwoog, al de rest nam ik er dan maar bij. Daarover vallen zou capituleren zijn. Ik bleef me wel afvragen: 'Wat bakken we nu feitelijk van alles wat we pretenderen te zijn?' Die vraag kwam steeds meer op. De jaren '60 kwamen eraan. Wie geloften voor het leven had gedaan, kwam in de grote communauteit van Heverlee terecht of in een andere communauteit, verbonden aan een klooster ergens in Vlaanderen of Wallonië. Ik bleef in Heverlee. Ik studeerde nog aan de unief in Leuven. Tegen het einde van mijn studies was er het tweede Vaticaans concilie met paus Johannes XXIII. De vensters werden opengegooid en een nieuwe wind waaide door het kerkgebouw. De Kerk was toen al erg achteruit aan het boeren en velen zochten eerlijk naar wat er misliep. In grote lijnen wilden we Kerk worden midden in de wereld, geen beslotenheid en uiterlijke vormen meer die ons al te veel afsloten van de mensen. Alles moest openlijker en eenvoudiger. Zo bijvoorbeeld ook onze kleding. Gedaan met de lange kleren en de grote kappen. Wél een eenvoudig uniformkleed en een sluier. Het laatste jaar aan de unief verscheen ik dus op een bepaalde dag in die nieuwe tenue. Ik ging bij een groepje medestudenten staan, ze begroetten mij als een vreemde tot er iemand zegde: 'Ah, ben jij het? Ik had je niet herkend. ' Na de universiteit gaf ik wiskunde in de school van het klooster in Heverlee. Daar zaten nogal wat schavuiten en ik had problemen met de tucht. Ik was niet de enige. Het belangrijkste wat ik ze wilde leren was logisch redeneren. Zonder daarvoor toelating te vragen, liet ik hen bij een examen hun boeken gebruiken om vraagstukken op te lossen. Zo wilde ik hen tonen dat als ze niet logisch konden redeneren, ze met hun boeken ook niet veel waren. Ik had mij op de universiteit ook gestoord aan dat van buiten leren. Ooit stelde een prof mij een vraag die ik niet begreep, maar het antwoord kende ik van buiten. Ik gaf drie jaar wiskunde in Heverlee en daarna twee jaar in Woluwe. Eén van hen worden Ondertussen waaide de wind verder. Als wij 'meer' naar de wereld moesten gaan, naar wie moesten we dan gaan? Wij zusters konden nu ook over alles 145 veel vrijer spreken. De grote traditie van stilte had flinke deuken gekregen. Een jezuïet die in onze kapel de mis kwam doen, begon in de fabriek te werken. Na de viering hadden wij contact met hem. Een van de zusters begon ook te denken aan fabrieksarbeid. Deze nieuwe wind had ook invloed op mij. Ik had met een groepje zusters en enkele jezuïeten van tijd tot tijd een recollectie, dat is een korte retraite. Hoe konden we die levensechte Kerk realiseren? Voor ons moest dat de Kerk van de armen zijn. Zo had Christus het toch gewild. We zagen dat de Kerk afwezig was bij de arbeiders en de armen. In Woluwe werkte ik mee in de parochie. De rijkere mensen zaten in de parochiale activiteiten, de arbeiders niet. De Kerk kon maar van hen worden als wij eerst een van hen werden, hun leven en werk deelden. We kozen ook niet voor werking onder de armen van de Vierde Wereld, dan zouden we weer boven de mensen staan. Het caritatieve in de Kerk, daar hadden we genoeg van! Iets voor de armen doen maar zelf niet arm zijn. Je zat niet in hun vel. Maar door als arbeider te gaan werken en leven, kon je in hun vel zitten en hun situatie meemaken. Naar de fabriek gaan vertrok voor mij dus niet van een analyse van de maatschappij. Priester- en zuster-arbeid(st)ers zagen wel de verdrukking van de arbeider. Hoe dat verder moest ingevuld worden, was voor iedereen verschillend. We hadden geen plan. Aanvankelijk waren we allen terughoudend om syndicaal actief te worden. Zouden we dan niet opnieuw organiseren en handelen in plaats van de arbeiders? Zo dachten we toen. In 1968 kwam mijn in vraagstelling in een stroomversnelling. Ik zat in Woluwe met een drietal jongere zusters. Met ons vieren kwamen we tamelijk goed overeen. Eén van ons studeerde in de sociale school in de Poststraat in Brussel en deed stage in de Marollen. Een andere zou in Zaïre gaan werken en stond ook open voor nieuwe ideeën. Toen we voor de zoveelste keer aan het praten waren, zei een van die zusters: 'Als ge er toch altijd over bezig zijt onder de arbeidsters in de fabriek te gaan werken, dan moet ge het doen.' Een paar dagen later kwam ze af met werkaanbiedingen uit de krant. Met drie zijn we naar onze overste gegaan om dat gedaan te krijgen. De assistente van de overste stond nogal open voor onze plannen. Schoorvoetend gaven ze toestemming. Dus naar de arbeiders. Een aanpassing. Ik had nog nooit op eigen benen moeten staan. Wij waren ook een raar stel om iets te gaan huren. Ons huis moest in een volksbuurt liggen, mocht niet te duur zijn en moest gemakkelijk toegankelijk zijn, een 'open deur'. We vonden een gelijkvloers met twee kamers en twee achterkamers. We vroegen een van die priester-arbeiders 146 eens te komen kijken, want wij kenden niets van de formaliteiten. De eigenares vroeg wanneer de meubels kwamen. Die hadden we niet. Wij waren wereldvreemd. Het klooster gaf een bed, een kleerkast en een tafeltje en ook dekens, kuisgerief en wat geneesmiddelen uit de apotheek. Wanneer er in Heverlee een huis moest ingericht worden, was er een zuster-binnenhuisarchitect om alles te regelen. Wij wilden alles zelf inrichten, we zouden onze plan trekken met tweedehandsmeubelen en gekregen potten en pannen. En dan werk zoeken. Ik was er geweldig bang voor. Als ik voor een fabriek stond, dacht ik: 'Waar begin ik eigenlijk aan?' Werd ik niet aangeworven, was ik opgelucht. Een van ons kon in een wasserij beginnen. Maar ze wilde die job niet. Ik daar naartoe. Ik verdiende weinig maar ik had de moed niet om nog verder te zoeken. En de minst betaalde job, was dat niet wat we zochten? Ik moest natuurlijk goed liegen bij de aanwerving. De priester-arbeiders hadden me voorbereid. Op dat moment waren wij rebel. Ook de arbeidsters zou ik mijn achtergrond verzwijgen. Toch in het begin. De wasserij: tellen en nog eens tellen De eerste dag kreeg ik een beetje uitleg. Madame Roza, de chef van de cheffen, ging met mij naar het atelier. In het atelier moest er getrieerd worden: de gestreken was werd per klant gelegd, op verschillende hoogten. Ze zei: 'Gij zijt nogal groot, gij zult daar wel aankunnen. Anna zal het u uitleggen.' Anna legde mij dat uit terwijl ze zelf voortwerkte. Een echte Molenbeekse, Frans en Vlaams door elkaar. Het werk lag me omdat ik er mijn gedachten wat moest bijhouden. Ik moest het gestreken wasgoed per klant in vakjes leggen. De installatie was genummerd van 1 tot 40, je moest 40 klanten tegelijk triëren. Zogauw die 40 klaar waren, werd de kast gedraaid en stond er opnieuw een lege voor je klaar. De volle kant werd uitgeladen aan de andere kant. Wat volledig was, werd ingepakt. In de meeste gevallen kwam dat wel in orde tegen het eind van de dag. Was dat niet het geval, moest je een chef roepen die noteerde wat ontbrak. Het was altijd staan. Het eerste jaar in de fabriek ben ik 12 kilo vermagerd en die kilo's zijn er nooit meer bijgekomen. Later toen de fabriek van familiale naar industriële was overschakelde, moest ik de werkkledij nakijken. Gaatjes zoeken, noemden wij dat. Verstelwerk moest apart gehangen worden. Heel eentonig. Op het einde van de dag zag ik geen gaten meer. Ik snakte ernaar dat een rij kledingstukken 147 gecontroleerd geraakte en weg kon. Maar de volgende rij schorten, broeken, overalls... stond al te wachten. Het was zo afstompend dat ik fouten maakte. Frustrerend. De meeste arbeiders willen hun werk goed doen. Ze hebben hun fierheid. Maar in sommige omstandigheden lukt het niemand. Achter mij plooiden arbeidsters de was die ik had nagekeken. Altijd kwam er wat terug. Gaatjes niet gezien. Om te ontploffen. Ik vroeg mij af of ik wel zou blijven, ik stompte af met de dag. Het was mijn keuze, dus bleef ik. Door dat werk ben ik een deel van mijn intellectuele capaciteiten verloren. Dat vergeef ik de patroon nooit. Of was het niet gebeurd als ik buiten de werkuren meer rust had genomen en samen met anderen gestudeerd had? Maar dat was onze visie toen niet. We wilden leven zoals de arbeiders. Een arbeider studeert niet, dus ik ook niet. Boulot, metro, dodo. Na een jaar of vier heb ik een inzinking gehad. Ik had mijn diploma, ik kon nog weg. Als ik het nu niet deed, zou de deur naar die uitweg dichtvallen. Ik zou dan te lang uit de wiskunde zijn om me opnieuw in te werken. Zo voelde ik dat toen. Maar waar zou ik dan staan met mijn keuze voor de armen en de onderdrukten? Van die keuze kon ik niet afstappen. De arbeiders hadden helemaal geen keuze. Die kwamen 's morgens binnen met een: 'Dat het maar rap vijf uur is.' En de woensdagmiddag: 'We zijn weer halfweg' en dan uitkijken naar het weekend. Al die vrouwen sloegen er zich toch ook doorheen. Ik wou dat van hen leren. Ik vond de knoop. Wat meer babbelen en wat minder gespannen zijn. Al bleef ik de nood voelen mijn verstand te gebruiken, alles op een rij te zetten, te lezen. En dat kon thuis ook niet. Door onze 'open deur' was er wel altijd iemand. Soms kwamen er ook Turkse kinderen spelen, kinderen van een van onze collega's. En dan hingen de dagen erna een hele groep kinderen aan de bel. Ik verdronk in dat leven, ik zag geen evolutie. Toch ben ik blij dat ik toen doorgezet heb. Ik heb veel steun gehad aan die groep van zuster- en priester-arbeiders. Ik deelde lief en leed met mijn huisgenoten. Het leven dat ik toen leidde, was een basis waarop ik verder kon zoeken. Steeds meer drong de vraag zich op: zijn de mensen geholpen met een arme of een verdrukte meer? Ze kunnen aan jou een goede kameraad hebben maar wat ben je daarmee? Wie zegt dat ik een betere vriendin ben? Omdat ik non ben? Een kameraad zijn van de arbeiders, dat is een beetje suiker op de bitterheid. Ik ben mij gaan afvragen wat de vakbond in de fabriek deed. Ik was lid van het ACV en die hadden bij Euroblan bijna geen leden. Ze vroegen mij op 148 de lijst te staan. Ik heb dat gedaan, zonder mezelf aan te prijzen. Ik werd plaatsvervangend delegee in 1975. Toen de effectieve delegee met pensioen ging, kreeg ik zijn plaats in het comité veiligheid en gezondheid. Calama In 1976-'77 leerde ik de organisatie Calama kennen. Calama is de naam van een Chileens mijnwerkersdorp. In de jaren '60 waren daar Europese missionarissen van mening veranderd over de rol van de Kerk in de Derde Wereld. Zij hingen de bevrijdingstheologie aan. Ze werkten in de mijn van Calama, vanuit de bevrijdingstheologie, in linkse organisaties en het volksfront van Allende. Na de staatsgreep van Pinochet en de moord op Allende in 1973 waren zij erg bedreigd. Terug in Europa richtten ze een organisatie op die zowel in Europa als in de Derde Wereld op marxistische basis wilde deelnemen aan de strijd van de verdrukten. Door kennis te maken met het marxisme besefte ik dat je de socialistische visie niet spontaan verwerft. Vanuit de realiteit van de uitbuiting verwerf je wel het besef van de uitbuiting maar je begrijpt het mechanisme niet. Daarover was ik erg gefrustreerd geraakt. Dat het socialisme een wetenschap is, werd me dankzij Calama heel duidelijk. Dankzij de analyse over de economische onderbouw van de maatschappij die de bovenbouw, de politiek, de cultuur enzovoort bepaalt. Ik had gevonden wat ik jarenlang gezocht had. Thuis gingen we alle drie onze eigen weg. Het werd tijd dat we mekaar ruimte gaven. Met respect voor ieders evolutie. Dat hebben we aan onze overste gezegd. Niet evident want meestal nam zij de beslissingen. Ik bleef in de fabriek en woonde nu samen met leden van Calama. Daar werd het engagement gedepersonaliseerd. Ik leerde datje om een structuur te veranderen een tegenmacht moet opbouwen. Ik begon weer te lezen. Elke week was er vergadering en vorming. Problemen op het werk werden daar in een juist kader geplaatst. We bespraken de teksten over bevrijdingstheologie en marxisme. We hadden een coördinator en telkens moest iemand de vergadering leiden. Ik leerde verantwoordelijkheid nemen en evaluaties maken. We deden alles collectief. We werden als familie. We hadden bijeenkomsten van drie types: vorming en politieke discussies rond de werksituatie en bijeenkomsten rond de vraag 'hoe ga ik daar persoonlijk mee om?' en rond motivatie. Calama stelde dat je politiek kant moest kiezen. Voor mij het grootste probleem. Anderen hadden meer problemen met de stap naar de fabriek 149 maar daar had ik mijn draai gevonden. Ik zat ondertussen al acht jaar op de fabriek. Politiek was niets voor mij. Ik vond dat mijn sterkte lag in het naar de basis gaan. 'Als ik nu beter ben als verpleegster, waarom moet ik dan dokter worden?' Maar die van Calama argumenteerden dat arbeiders strijd en politiek hand in hand gaan. Stilaan zag ik dat de regeringsmaatregelen altijd bezuinigingsmaatregelen waren voor de werkers en voordelig voor de patroons. De 'lasten van de patroon lichter maken' om de winsten van de fabrieken groter te maken dat is antiwerkerspolitiek. Want waar moeten die miljarden vandaan komen? Daar moet een arbeiderspolitiek tegenover gezet worden. Die kan niets anders dan antikapitalistisch zijn. Ik ben voor de afschaffing van het kapitalisme en voor het socialisme. Dat alles leerde ik in Calama. We bestudeerden alle werkjes van Marta Harnecker en Gabriela Uribe, boekjes voor 'volksonderricht' zoals 'Uitbuiters en uitgebuitenen... en werken als 'De la pratique' van Mao Tse-Toeng. Wat ik tot dan toe over socialisten en communisten gehoord had, was niet fraai. Nu was ik beschaamd dat ik me zo had laten indoctrineren. Na de oorlog kwam de Koude Oorlog. Paters van Averbode voerden in Zonneland en Zonnekind propaganda tegen het communisme. In Suske en Wiske in China werd getoond hoe een arme boer verplicht werd het kruisbeeld te onteren. Omdat hij weigerde, werd hij in de gevangenis opgesloten. De spekpater ging 'vervolgde christenen' in het oostblok helpen. Brevieren smokkelen. Die waren ginder verboden en daarvoor moesten wij spekken. De christenen werden vervolgd. Dat was alles wat we van het communisme wisten. Toen ik het socialisme en communisme begon te studeren, was ik beschaamd. Ik weet dus uit eigen ervaring dat mensen tegen het communisme zijn en niet weten wat ze zeggen. Ik bekeek de fabriek waarin ik werkte met nieuwe inzichten. Calama plaatste de syndicale strijd in een juist kader, stelde dat vakbondswerk alléén slechts zou leiden tot hervormingen. Toch vond men dat ik werk moest maken van een strijdbare delegatie. Ik vond dat niet simpel. Euroblan Je fabriek kennen is een eerste vereiste. We begonnen gegevens op te zoeken. We bestudeerden de syndicale situatie en van daaruit legde ik objectieven vast. Het was een bevrijding zo te leren werken bij Calama. Euroblan is gelegen in Molenbeek, rue Adolphe Lavalée. Het is een bedrijf met 150 Amerikaans en Canadees kapitaal dat industriële werkkledij verhuurt, wast en herstelt. In 1985 waren er 682 personeelsleden, verspreid over Aarschot, Merksem, Vilvoorde, Schaarbeek en Molenbeek. Molenbeek was de grootste vestiging met 211 personeelsleden. Een Waalse vestiging was al weggevallen, Aarschot zou later wegvallen. In België was Euroblan toen de grootste in de sector van de wasserijen. Friswit was de concurrent en Mireille derde. Ik liet mij horen telkens er problemen waren. Bij het werken op zaterdag bijvoorbeeld. Wie niet was komen opdagen, werd 's maandags geroepen en kreeg dan een saus. Ik ging een paar keer opzettelijk niet werken om bij die groep te zijn. Zo kon ik weerwoord geven en de mensen verdedigen. In 1979 werd ik zowel voor de ondernemingsraad als voor het comité verkozen. Later kwam ik niet meer op voor het comité zodat de functies beter verdeeld werden. Een syndicale delegatie was er niet zodat ik ook alle delegeetaken opnam. Maar ik wilde geen vakbond op mezelf spelen. Ik organiseerde vergaderingen voor de militanten die op de lijsten hadden gestaan. Zo slaagden we erin maandelijks na het werk in het bedrijf een vergadering te houden met zeven a tien militanten, vooral vrouwen. Sommige wettelijke bepalingen aangaande syndicale aangelegenheden werden grof overtreden. De maandelijkse bijeenkomst van de ondernemingsraad was de uitzondering. Maar we kenden de agenda nooit. 'We gaan eens luisteren wat hij te vertellen heeft', zegden de syndicale afgevaardigden. Soms werd er een concrete vraag van de mensen gesteld. De patroon voerde het hoge woord omdat er niets kon voorbereid worden. Ik begon te bestuderen wat er wettelijk voorzien was. Punt voor punt kon ik laten afdwingen: de agenda op voorhand krijgen, een half uur tijd voor de voorbereiding van de vergadering... Als een chef een arbeidster afblafte, stond ik in het begin paf. Later leerde ik te reageren. Mijn karakter veranderde door de werksituatie. Wist ik hoe iets in mekaar zat, dan hield ik voet bij stuk. Delegees worden zeer kritisch bekeken door de arbeiders. Ze testten onze reactie als er ondernemingsraad was: 'Jullie mogen daar op een stoel zitten'. In het atelier stond nergens een stoel. Zitten betekende rust. Juist door die betrokkenheid was ik verplicht mijn mond open te doen. Vijfjaar voordien kon ik me niet indenken dat ik zelf de gelegenheden zou zoeken om de mensen te verdedigen. Dat ik in de refter zou opstaan en de mensen zou toespreken. Als ik terugdenk aan de ondernemingsraad! Ik zei de patroon dat hij verplicht was het verslag uit te hangen. Hij antwoordde: 'Niet nodig want de arbeiders lezen dat niet.' Waarop ik: 'Dat is uw zaak niet. Het verslag 151 moet uitgehangen worden. De arbeiders moeten de kans hebben het te lezen.' De verklaring was altijd: ik doe dat niet want de arbeiders zijn toch dom. De vroegere directeur gaf mij een verslag in het Nederlands. Ik moest verschillende keren naar Franse teksten vragen. 'Mais une feuille, c'est deux francs', zei hij en dat terwijl ze miljoenen winst maakten. Er werd veel over eten gepraat op het werk. Ooit zegde ik iets tegen een vrouw in het voorbijgaan. Zij antwoordde niet. Een beetje later kwam ze naar mij: 'Jozefien, wat heb je gezegd? Ik heb je niet gehoord, ik was mijn soep aan het maken.' Ik was ook dikwijls in gedachten met mijn eten bezig. Ik schreef op een papiertje wat ik nodig had en op weg naar huis deed ik mijn boodschappen. Als de arbeidsters goedkope kledij of spullen nodig hadden voor de kinderen, brachten ze dat voor mekaar mee. We pasten kleren op de toiletten van de fabriek, dat spaarde tijd en geld. Over make-up werd ook veel gesproken, maar minder met mij want ze zagen wel dat ik daar niet veel verstand van had. Ik probeerde ook gesprekken te lanceren. Ik raadde aan om naar het nieuws op de tv te kijken. De volgende dag analyseerden we dan hoe een minister de belangen van de patroons had verdedigd. Het vele losse gebabbel vind ik niet negatief. Het helpt de eentonigheid van het werk doorbreken. Het is een afweerreactie. Op een bepaalde plaats werden de gewassen kleren op kapstokken gehangen en dan gingen ze naar de droogkamer. Telkens je op een knop duwde, draaide die zaak verder. De tellers stonden in de bureau van de chef. Dat zette kwaad bloed omdat de mensen niet konden zien hoeveel ze al gedaan hadden. Zo werd het ritme opgedreven. De patroon antwoordde: 'Dit is gevoelige apparatuur. Ik moet die teller hier zetten. Elders is het te warm en te vochtig.' De machines waren dus belangrijker dan de arbeiders want die hadden vaak reuma, precies door het vocht. Op sommige plaatsen was de hitte niet uit te houden. Ook de verluchting was een probleem. Op elk comité veiligheid en gezondheid kwam het ter sprake. Maar als de mensen zegden dat het echt niet meer ging, haalde ik de chef erbij. Op een keer in de zomer was het bijna staking. De chef wilde de tien minuten voorziene rust niet geven. 'Het is nog niet warm genoeg.' Ik kwam samen met hem uit zijn bureau en de arbeidsters riepen: 'Dix minutes!' Ik deed achter zijn rug teken van roep maar voort. Terug op mijn plaats begon ik te discussiëren en de collega's deden mee. Er was bijna niemand meer aan het werk, de chef moest toegeven. 152 'Madame De Prins gunt u het loon van de overuren niet' In 1987 kwam er veel werk bij want gb werd klant. Voor ons betekende dat overuren. De machinetijd werd verlengd. De ene groep arbeiders begon om 6 uur, anderen om 7 uur, nog anderen om 9 uur. Veel arbeiders kwamen van buiten Brussel, van Aalst, Bergen, Namen. In 1988 werden alle machines vernieuwd maar in die inlooptijd moesten toch alle klanten afgewerkt worden. Gekkenwerk. Er was wel tamelijk wat voorbereidend onderzoekswerk gebeurd, maar toch had elke machine haar kinderziekten en dat kostte de arbeiders veel overuren. Wij als vakbond zaten niet stil. Omtrent die overuren hielden we een vergadering met militanten en vakbondssecretarissen. Daar bepaalden we ons standpunt. Daarna maakten we een overeenkomst met de patroon. We riepen de arbeiders op geen overuren te doen zonder het wettelijk overloon en recuperatie. Omwille van de tewerkstelling. De mensen verstonden dat. Maar niet allemaal en niet altijd. Van de andere kant waren ze toch tevreden als ze dan naderhand een beetje verlof hadden. Rond de overuren hield ik mijn been stijf. Maar er waren mensen die uit geldnood toegaven. De patroon kwam dan op de ondernemingsraad zeggen dat de arbeiders zelf wilden dat hun overuren uitbetaald werden in plaats van ze te recupereren. Een psychologische oorlog. Op een dag liet hij in de refter een papier ophangen: 'Madame De Prins ne veut pas que vous êtes payés' (Madame De Prins wil niet dat u betaald wordt). Interims, zowel fulltimers als halftimers, hadden geen enkele zekerheid. Sommige halftimers verplichtte hij twaalf uren lang te werken. Daar verzette ik me tegen, maar: 'Het mag weer niet van madame De Prins.' Ik was nu de vijand van de werklozen, ik gunde hen hun geld niet. Ons antwoord: 'Geef ze een vast contract, dan zijn ze niet meer werkloos. Betaal ze meer per uur.' De patroon had nog andere munitie: de blamen. De bedoeling: druk uitoefenen. Eerst wist ik niet goed wat we daarmee moesten. De groep wou dat het ophield. Zo hebben we dat aangepakt: 'Wat is eigenlijk een blaam? Moeten we daarmee tapisseren? Of naar de wc gaan?' Hij antwoordde dat het een schriftelijke opmerking was die in het dossier kwam. Daarna waren er een tijd minder blamen. Het was een voortdurend gevecht tegen de repressie, tegen de almacht van de patroon. De eindejaarspremies waren een diepe vernedering. De eerste jaren was daarover niets vastgelegd. We moesten per afdeling naar boven en één voor één bij de baas komen. Daar kregen we te horen wat we dat jaar waard waren geweest. De bedragen werden doorverteld. Het was geen moment 153 van grote vreugde. Het was het drukkingsmiddel van de patroon tegen afwezigheden: 'Wij hebben zoveel dagen voor u moeten betalen terwijl ge niets deed en we kunnen u dus nu niets meer geven.' Ik zie mezelf daar nog staan op een bepaald jaar. Ik kreeg nul frank. Ik draaide mij om en ging buiten. Reageren zou toch niet geholpen hebben. Iemand kwam met 50 frank buiten. Kwaad: 'Ik had ze moeten teruggeven en zeggen dat ik mijn brood zelf nog kan betalen.' Later kwam er een cao rond de eindejaarspremie. Het bedrag was niet hoog maar er was geen willekeur meer. We dwongen regelmatig verhogingen af. Ik had geen recht op syndicale uren. Toch was ik delegee. De arbeidsters kwamen tijdens het werk naar mij met hun problemen. Goed kwaad want ze verlieten niet zomaar hun werkplaats. Niet makkelijk voor mij want ik moest ondertussen verderwerken. Als ik weer wat bij was, stond er soms al iemand anders tussen de kleren: 'Ik moet u eens iets vragen.' Het was echt behelpen. In de cao over de syndicale delegatie stond dat de middagpauze mocht gebruikt worden om mededelingen te doen, alleen over zaken die betrekking hadden op het werk natuurlijk. Als er iets ernstig aan de hand was, liet ik toch alles in de steek. Dikwijls zat ik 's avonds nog te telefoneren om een probleem op te lossen. Controledokter of beul? Onze patroon had een contract met de 'mutuelle patronale'. Zij controleerden de zieke arbeiders. Het gebeurde dikwijls dat ziektedagen niet betaald werden. Bij protest kreeg je dan de kaart van de controledokter te zien waarop stond dat de betrokkene twee of drie dagen eerder het werk had moeten hervatten dan vermeld op het certificaat van de huisdokter. Bleek dat de mensen dat zo niet begrepen hadden. De controledokter zette niets op papier voor de arbeiders en vooral voor migranten die moeite hadden met de taal was dat een ramp. Onmogelijke discussies over wat die dokter wel of niet gezegd had. We eisten dat de controledokter zijn besluit ook voor de arbeider op papier zou zetten. De patroon antwoordde grofweg dat dit niets zou veranderen, dat de arbeiders die papieren zouden laten verdwijnen. De zieke arbeider als profiteur dus. Bij betwisting tussen een huisdokter en een controledokter mag je beroep doen op een derde dokter. Wat dat recht waard was, ondervond ik zelf. Ik had een 'tenniselleboog', een veel voorkomend iets. Na twee weken was ik beter maar volgens de huisdokter onvoldoende hersteld om het werk te hervatten. Volgens de controledokter kon ik dat wel. De huisdokter bleef bij zijn standpunt en stelde me 154 voor gebruik te maken van mijn recht om een derde dokter in te schakelen. Die man onderzocht alles nauwkeurig. Hij zat ermee verveeld. Hij maakte me duidelijk dat hij moeilijk tegen de controledokter kon ingaan en dat hij in zijn onderzoek alleen moest nagaan of ik op dat moment de bewegingen kon uitvoeren die nodig waren voor mijn werk. Dat alleen telde, de rest was zijn zaak niet. Of ik pijn had, deed niets ter zake. Ook niet wat er met die elleboog gebeurd was of zou gebeuren. Ik had dus niet het recht op een volledig herstel. Ik was een stuk machine die bepaalde bewegingen moest kunnen uitvoeren. Al deed het pijn, ik moest terug ingeschakeld worden. Ik had verloren en de dagen van deze betwisting werden niet betaald. De rekening van de 'derde' dokter kwam toe op de fabriek: 5.000 frank. De personeelschef riep me: 'Ik zal voor één keer een geste doen: het bedrijf zal betalen.' Het was de eerste keer dat dit zich voordeed. Ze waren nog niet zo lang met die controles bezig. Het was ons wel duidelijk dat de verliezer de factuur van de 'derde' dokter in 't vervolg zou moeten betalen. Een ander probleem was dat arbeiders die ziek waren pertinent beweerden dat ze de controledokter niet gezien hadden. Hun ziektedagen werden niet betaald. Weer een probleem voor mij als delegee. Ook nu werd er met een kaart gezwaaid: van de controledokter, met dag en uur van het huisbezoek. 'Niet thuis' stond op de kaart. Die kaart werd in je bus gestoken en je moest je dan zelf melden en dat was dus niet gebeurd en dus werd je niet betaald. Ik heb dat zelf ook voorgehad. Ik was er zeker van dat ik mijn huis niet verlaten had, die dokter was niet aan onze deur geweest. Maar toen ik dat naar voren bracht, begon hij mijn voorgevel te beschrijven. Maar dat kon hij nog weten van een vorig bezoek. De vakbondssecretaris ging bij de rechtskundige dienst van de bond navragen of we daarmee naar de rechtbank konden. 'Het is uw woord tegen dat van de dokter. Uitspraken van de rechtbank in dergelijke zaken tonen aan dat het woord van de dokter het haalt op het woord van de arbeiders'. Zo'n uitspraak van de vakbeweging blijft in je hart en je hoofd gegrift. Dan weetje weer wat een klassengerecht is. Als arbeider ben je in elk geval een leugenaar als je de dokter of de patroon tegenspreekt. En ik die dacht dat alle mensen gelijk zijn. We zullen nog lang moeten vechten eer het zo ver is. Die controledokter hebben we uiteindelijk wel buiten gekregen. In het gewestelijk ACV-bestuur Op een bepaald moment werd ik opgenomen in het gewestelijk bestuur van het ACV, op vraag van de secretaris. De secretaris kan niet overal zijn en de mensen zijn een beetje onzeker. In het begin was ik actief zoals iedereen, later 155 werd ik voorzitster van het gewestelijk verbond. Soms vergat ik de vergadering te leiden. Tot iemand zei: 'Zeg, maar gij zijt voorzitter. Zeg eens iets.' Dat gebeurde als de secretaris iets zegde waarmee ze niet akkoord waren. Als voorzitster heb ik wel wat gewicht in de weegschaal. Ik kan een vergadering samenroepen rond een bepaald punt. Voor het gewestelijk comité nodigen wij zoveel mogelijk uit want de mensen komen niet gemakkelijk. Als ze komen, zijn we tevreden. We hebben ongeveer 10.000 leden in het tweetalige gewest Brussel-Halle-Vilvoorde. Vele leden werken in kleine bedrijven zonder syndicale vertegenwoordiging. In het nationaal comité van ACV-Textiel zitten we met twee vertegenwoordigers van het gewest. Je kan daar veel doen. Vechten voor een klassenstandpunt. Bepaalde besparingsmaatregelen van de regering waren niet van toepassing op de laagste lonen. Dan zouden wij van de textiel kunnen zeggen: het treft ons niet, we trekken het ons niet aan. Maar we weten dat die loongrenzen zullen verlaagd worden zodat ook wij getroffen worden. We moeten altijd verder kijken, een breder klassenbewustzijn ontwikkelen. Op het bedrijf deden we aan alle nationale vakbondsacties mee. Dat vroeg vele discussies maar we deden actief mee. Je hebt ook een gevecht binnen de syndicale structuren. De top van de vakbond van een sector kijkt soms alleen naar de belangen van 'de sector', de belangen van de patroons. Dan zeggen de mensen: 'Waarom zouden wij nog iets doen als ze ons toch niet willen ondersteunen.' Meer en meer heb ik de mensen gezegd dat ze zelf in actie zullen moeten komen. Het is normaal dat ze verwachten dat de top hen zal steunen. Maar de praktijk leert dat het soms anders is. Voor de kwestie van de flexibiliteit was de nationale organisatie dan weer een groot voordeel en we waren voorbereid toen het probleem zich bij ons op het bedrijf stelde. Ik kon het ritme op de duur niet meer volgen, temeer omdat de mensen dikwijls iets kwamen vragen. Ik had meer en meer last met mijn rug en was regelmatig thuis. Altijd rechtstaan. Ik was ook niet meer de jongste. Vanaf mijn 45ste begon mijn rug op te spelen. Ik had zwaar werk. Het is te begrijpen dat de jongeren niet altijd het zware werk willen overnemen. Je krijgt wrijvingen met de mensen, je bent vermoeid, zenuwachtig en krikkel. Ik kon niet meer. Op mijn 50ste besloot ik parttime loopbaanonderbreking te nemen. Met mijn laag loon verloor ik financieel niet veel. Balans: bewust een klasse zijn Mijn mening over 'onder de onderdrukten gaan werken' is helemaal veranderd. Ik heb me helemaal verbonden met hun lot. Ik heb hetzelfde inkomen. 156 Als er bezuinigingsmaatregelen aankomen, begin ik te rekenen. Weer minder en mijn inkomen is al zo laag. Moet ik daarmee rondkomen? Ik zit er volledig in. Ik ben een deel van het strijdende volk en in die strijd moet elke arbeider al zijn capaciteiten gebruiken. Een van hen zijn is al mijn capaciteiten inzetten voor die strijd, mijn leven lang. Ik bekijk dat heel ruim. Ik voel mij betrokken bij de strijd van de arbeiders in de Derde Wereld. De uitbuiting hier en ginder is dezelfde, de afpersing hier is even groot maar in een kleedje gestoken. Een affront en een vernedering voor een arbeider is een affront en een vernedering voor mij! Bijvoorbeeld het woord van een arbeider tegen het woord van een dokter. Die vernederingen voel ik lichamelijk. Ze hebben mij veel afgepakt, materieel en ook wat studeren betreft. Mijn opstandigheid tegen het kapitalisme zit in mijn hoofd en in mijn lichaam. Dat gaat niet meer weg. Dat nemen ze me niet af. Arbeiders toonden vaak hun respect voor mijn inzet. De chef was in verlof en een van de meisjes moest haar vervangen. Ze kwam mij over iets spreken. Ik zat verveeld met mijn rendement. 'Vertel maar voort, dat is belangrijker', zei ze en zette mijn teller een heel stuk verder. Toen ik op brugpensioen ging, zeiden ze: 'Op u konden we rekenen. Wat gaat dat hier nu zijn?' Nu bleek hoe belangrijk die maandelijkse vergadering van vakbondsmilitanten was. Daar werden gezamenlijk beslissingen genomen. Ik had een grotere intellectuele bekwaamheid en meer politieke vorming om alles te duiden. Maar arbeiders hebben niets te verliezen en de strijd gaat toch door. Met de acties tegen het Globaal Plan in de herfst '93 waren die van Euroblan er weer bij. Ik ben natuurlijk fier mee piket gaan staan en mee gaan betogen. Ik ben in het gewestelijk ACV-bestuur gebleven tijdens mijn brugpensioen en daar zagen we mekaar en bepaalden we ons standpunt. Wat mij treft aan de arbeiders waartussen ik meer dan twintig jaar gewerkt heb, is dat zij een kracht zijn in deze maatschappij. Maar ze beseffen het te weinig. Ze zijn een kracht die naar verandering zal werken, zij hebben er nood aan. Je kan steunen op het besef van arbeiders: 'De patroon wil zoveel mogelijk voor zijn zak, wij moeten zorgen voor onze zak.' Als hij afkwam met argumenten als 'we hebben een nieuwe grote klant' of 'we hebben nu nieuwe machines' of 'we gaan klanten verliezen' om overuren erdoor te krijgen, dan zeiden arbeiders: 'Dat is zijn probleem. Wat zit er voor ons in? Wij hebben ons gezin en onze kinderen. Dat is ons probleem. Wij kijken naar onze zak.' Het klassenstandpunt is niet bij iedereen even duidelijk. Mensen zeggen ook niet altijd hetzelfde. Soms komt er een klaar bewustzijn naar voren als het genoeg geweest is, dan weer laten ze zich vangen. Je moet geduld hebben om onder de arbeiders te werken. Als bruggepensioneerde ben ik zeker niet in een leegte gevallen. De militanten vonden dat bruggepensioneerden ook hun plaats moesten hebben in het ACV. Ik moest voorzitster blijven van het gewest en hen vertegenwoordigen in het nationaal bestuur van het ACV-Textiel. In 1994 ging ik met militanten uit het gewest naar de Filipijnen. In 1976 had ik veel steun aan de drie vergaderingen per week van de Calama-groep. We werkten ook veel binnen het christelijk milieu, met publicaties in alle mogelijke christelijke tijdschriften. Maar zoals binnen de maatschappij het elan van 1968 gerecupereerd werd, zo gebeurde dat ook binnen de Kerk. Bovendien nam de crisis toe en werk vinden in een fabriek was moeilijk geworden. De Calama-groepen stagneerden, er kwamen geen nieuwe mensen meer bij en de 'oude' leden kregen op hun werkplaats steeds meer verantwoordelijkheden. Calama had een goede methode om vooral christelijke intellectuelen over moeilijke barrières te helpen en ze tot consequent engagement te brengen. Natuurlijk zijn er banden gebleven, al zijn mensen over heel de wereld uitgezwermd. Als ze naar België komen vinden we mekaar terug. Maar elk vond ook zijn terrein met eigen vormingsmogelijkheden. Sinds '95 woon ik in Schaarbeek en in 1996 ben ik gepensioneerd. Dat was ook het einde van mijn syndicale functies. Ook hier blijven bepaalde contacten en activiteiten. In 1995 heb ik, na het neerschieten van een migrant in Molenbeek, besloten om me kandidaat te stellen op de antifascistische eenheid van de verkiezingslijst van de PVDA. Geneeskunde voor het Volk (GVHV) vind ik een prachtig initiatief van de PVDA. Als medewerker van de Sleutel, het centrum van GVHV in Schaarbeek kan ik mijn engagement doortrekken. 158 Jozef - Inhoud - de fabriek Sinds priester-arbeider Schoonbroodt het bij de begrafenis van Julie en Melissa uitschreeuwde: 'Is God soms doof?' werden we aan hun bestaan herinnerd: de priester-arbeiders. In '78 leerde ik Jozef kennen: priester-arbeider en syndicalist. Hij werkt al van '69 in de fabriek. In de streek van Charleroi vonden de arbeiders hem aan hun kant. Ze maakten van hem een arbeidersleider. Hij maakte ook indruk op de artiestengroep gam, die met hun liedjes van staking tot staking trokken. Die wilden van hem een anarchist maken en gaven hem de werken van Bakoenin cadeau. Maar Jozef was toen niet overtuigd van studie tijdens de strijd, en liet Bakoenin onaangeroerd. Ook De Nieuwe Scène kruiste zijn pad toen ze een tournee in Wallonië maakten. De streek was in de ban van de harde staking tegen de afdanking van René, een delegee van Hanrez. Jozef zat in de leiding van de staking. Onder impuls van René trokken de stakers met een volle bus naar Mistero Buffo van Dario Fo. Wie is dit buitenbeentje van het bisdom Doornik? Met dertig jaar werken in de fabriek achter de rug. Als onze gesprekken zowat halfweg zijn, is er door de drukte van de staking geen tijd meer. Daarom ga ik ter plaatse logeren. Jozef leidt een maandenlange sociale guerrilla met lock-out, fabrieks-bezetting en staking. De patroon gijzelt de delegatie in dagenlange neponderhandelingen om haar van de leiding van de strijd weg te houden. Onze afspraken verschuiven, maar ondertussen laat hij me papieren en documenten bezorgen om ons gesprek voor te bereiden. Er komt geen gesprek. Hij is wel enkele momenten beschikbaar maar hij is uitgeput. Geen probleem, ik zie hem wel aan het piket of in de bezette fabriek. Een nood blijkt achteraf een deugd. Op het terrein zie ik wie hij is: een 'tribuun'. Dat zou hij nooit over zichzelf gezegd hebben. Op 22 april '95 staan er veertien overvalwagens, gevuld met rijkswachters, klaar voor een piket van twintig arbeiders. Jozef overlegt snel met zijn mannen over de te volgen tactiek. Maanden later komt hij op die dag terug: 'Heb jij dan echt niet gezien dat ik die dag slecht functioneerde?' 'Neen, je leidde de zaak toch!' 'We hadden geen mobiele telefoon om de streek te verwittigen, dat is niet goed te praten in '95.' Passioneel en vol vuur staat hij in de strijd. Onvermoeibaar en toch ziek geworden. Maar ziek gaat ook. Zijn kameraden zegden hem al jaren dat hij 160 uit die helse vijf ploegen moest, naar de dagploeg. Maar hij wilde niet: een goed leider blijft bij zijn beste mannen. De diabetes besliste er anders over. Vandaag grappen de makkers: 'Jozef begint samen met de directeur als de helft van de dag om is.' In '97 krijg ik hem maanden niet te pakken voor een laatste gesprek. Het is weer druk: de vermoorde meisjes en Clabecq brengen veel in beweging. Maar Jozef wordt ook uit zijn slaap gehouden door het ongeval van een interimarbeider in de fabriek. Die blijft misschien blind aan een oog. Wat zal de toekomst van die man zijn? Jozef kent geen rust. Hij wil niet loslaten eer de patroon zwart op wit tekent dat hij deze halfblinde arbeider zal aanwerven, ongeacht zijn gezondheidstoestand. Een slachtoffer uit de winstoorlog zal kunnen leven in plaats van overleven. Zo is Jozef: gedreven als een jonge man, niets laat hij liggen. Waar Jozef onder de arbeiders gewerkt en geleefd heeft, zijn de sporen niet uit de wissen. Er zijn jongere arbeiders die na jarenlang contact met hem revolutionair worden. Dan zeggen ze in de fabriek: 'Nog een zoon van Jozef.' Theoloog 'op blote voeten' is hij niet. Een man met twee voeten in de strijd is hij wel. Tijdens onze gesprekken voor het boek waren de vermoeidheid en uitputting van hem af te lezen. Ik maak me zorgen om zijn gezondheid. Bij 't slapengaan mikte onze goede moeder ons alle acht een half kruisje ergens op het voorhoofd en ze prevelde dan: 'God zegene en beware je deze nacht'. Sinds '95 zeg ik altijd tegen Jozef: 'Zorg goed voor jezelf.' Er zijn zoveel arbeiders die hem kennen en zoveel die hem nog niet kennen. Zoveel onuitputtelijke ervaring zit in zijn koppige hoofd opgeslagen. En telkens als we elk onze weg verder zetten denk ik: laat hem verdomme 100, of toch zeker 90 jaar worden! Het leven volgens de boer Ik ben geboren in 1943 in Moeskroen. Niet ver van de Franse grens. Mijn ouders waren allebei kinderen van boeren. Onze boerderij was niet echt groot, niet klein. We waren met negen kinderen. Tot mijn twaalfde ben ik opgevoed binnen de muren van de in 't vierkant gebouwde boerderij. Enkel mijn ouders' mening kende ik. Als zesde van negen moest ik mijn zussen helpen bij de karweien binnen. Mijn oudere broers bewerkten het land. Mijn vader is nog voorzitter van de kerkfabriek geweest. Een boer om een voorbeeld aan te nemen, 's Zondags werd er niet gewerkt. Met tweeëntwintig beschikbare handen kon vader zich dat permitteren. Een boer met minder kinderen moest 's zondags werken. Maar arbeiders hadden thuis een slechte naam. Omwille van hun lage scholing, hun 'lage moraal', hun ongelovigheid. De katholieke partij deed alles om hen te marginaliseren. Mijn vader was schepen voor de katholieken. In onze boerderij waren schuilplaatsen, daar zaten mensen ondergedoken. Bij de bevrijding werden vader en moeder daarvoor gevierd. De binnenkoer van ons erf stond afgeladen vol. Mensen kwamen bloemen afgeven, iets wat toen nooit gebeurde. Het belangrijkste dat vader ons bijbracht, is dat werken met je handen de essentie van het leven is. Werken doe je om te kunnen leven, niet om te bezitten. Na de schooluren moest ik mijn zussen helpen bij 't melken, het proper houden van de melkinstallaties. Helpen als de koe kalvert, mee verkopen in ons 'melkhuis' waar de buurt melk, boter en aardappelen kwam kopen. Dat werk in de aardappelen was zwaar in de winter. Elke winter bevroren handen. Radio beluisteren na het nieuws werd niet gedaan. Lezen was een luxe, iets voor luiaards. Enkel lezen wat met de boerderij te maken heeft. Dagen van tien uur werken waren normaal. Was bij ons het werk gedaan, werden we naar ooms en tantes gestuurd met minder kinderen om 'een handje toe te steken'. Terwijl overal elders jongeren lazen tot een stuk in de nacht, was ik , aan 't melken. Nieuwe landbouwmachines hadden we als eersten in de streek. Door mijn werk op de boerderij besloot ik vrij jong dat ik nooit boer zou worden. Als ik moest assisteren bij het kalveren gebeurde het dat een kalfje moest opgeofferd worden om de koe te redden, ik zag ook koeien sterven. Er was geen keizersnedetechniek toen. Om een of andere reden wilde ik zo'n leven niet. Niet dat ik niet hard wilde werken. Ik wilde het niet. Misschien heeft het zien sterven van dieren een te sterke invloed op me gehad als kind. Hoe zou ik dat doen als volwassen man? Stel dat ik een fout maakte en 't kalfje of de koe was dood. Neen, dat was niets voor mij. 's Zondags naar de mis en 's namiddags naar de vespers! De jaren '50 waren die van de triomferende kerk. Kapelletjes in alle mogelijke veldwegen. Grote bijeenkomsten van duizenden mensen. De kerk die iedereen recupereerde die een sociale strijd voerde. De ideologie die ons werd meegegeven, was dat men goed, eerlijk en rechtvaardig moest zijn. Men moest goede werken doen. De humaniora was niets voor ons, boerenzonen. Enkel beroeps- en technisch onderwijs. En je kon natuurlijk boer worden. Ik wilde naar het technisch onderwijs. Waarom geen arbeider worden? Mijn ouders waren er tegen. Ze trapten in de intoxicatie tegen de arbeiders. 'Ze zijn immoreel, in de fabrieken gebeurt van alles.' Maar ik deed toch de technische. De school was verbonden met de industrie. Men hield zich in de streek aan één industrie 162 om de lonen van de arbeiders laag te houden: de textiel. Ik kon onderhoudsmechanica studeren. Eerst vier jaar beroeps, dan driejaar technisch. De KAJ van Cardijn In de school zaten alleen arbeiderskinderen. Van doorslaggevend belang voor mijn priesterkeuze. Ik werd met mijn neus op de armoede van de arbeiders gedrukt. Met mijn schoolkameraad moest ik een project afwerken. Ik kwam bij hem thuis. Een klein arbeidershuisje. Wat een armoede. Ik heb altijd een grote kamer gehad. Ik was ontdaan door de leefsituatie van dit arbeidersgezin. Die mensen werkten hard. Wie stak de vruchten van hun arbeid dan op zak? Waarom waren ze zo arm terwijl ze in de fabriek zweetten en zuchtten? De aalmoezenier van de Katholieke Arbeidersjeugd (KAJ) spoorde mij aan om ook KAJ-activiteiten op te zetten in de streek. Dat deed ik drie jaar. We organiseerden jongeren tot 20 jaar. We gingen samen naar de bioscoop, brachten ons lokaal in orde, gingen naar de KAJ-raden en naar het plaatselijke ACV. Maar de jonge arbeiders kwamen er niet naartoe. De dynamiek om mensen bijeen te brengen moet vanuit een fabriek komen. De KAJ had twijfelachtige eisen voor de fabrieken. Zo wilden ze werkonderbrekingen op Goede Vrijdag om drie uur. Kunt ge u dat voorstellen? De arbeiders vonden dat natuurlijk krankzinnig. Cardijn was een volksmenner, een redenaar. 'Zien, oordelen, handelen' had wel iets. Maar hoe de man zijn zaak bracht, dat had iets van acteren. De idee 'het christendom gaan binnenbrengen in de arbeidersklasse' had invloed op mij. Had ik niet zelf kunnen vaststellen dat jonge arbeiders geen christelijke moraal hadden? De liederen die men ons in de KAJ deed zingen, logen er niet om: 'Wij gaan het katholicisme in ons dierbare Wallonië herinvoeren.' 'We gaan Wallonië herchristianiseren.' Maar 't was om meer dan het geloof te doen. Wallonië was toen helemaal verloren voor de burgerij: 'rood', 'gewelddadig', 'met bloed aan de handen', 'Dracula'. Het anticommunisme van na de oorlog. Arbeiders van Wallonië waren bolsjewieken! Ik had een nonkel scheutist missionaris in Congo en een tante non was er lerares. Eigenlijk was de 'missie naar Wallonië' hetzelfde. Ik vond dat ikzelf ook best naar de Derde Wereld ging, mijn technische opleiding zou me van pas komen. Mijn oom scheutist was schrijnwerker en had een verantwoordelijke post in een missie, hij kende alle Congolese bomen. Het menselijk avontuur dat hij er beleefde, trok me aan. Ik had enkel de vier muren van de boerderij gezien. Daarbuiten was er alleen armoedig arbeidersvolk 163 De KAJ heeft mijn horizon verbreed en aldus bevrijdend gewerkt. Priester voor de armen Ik zou dus priester worden. Iedereen was akkoord. Ik moest Latijn leren en theologie: vijfjaar studie. Ik belandde bij de late roepingen. In het seminarie kreeg ik in het eerste jaar ook de Franse schrijvers: Baudelaire, Verlaine, Pascal. Werd er een toneelstuk opgevoerd dan deed ik de decors, coulissenwerk, knutselen. Ik moest geen rol hebben, ik vond mezelf niet terug in de personages. Ik moest dat soort cultuur niet. Vanaf het begin kwam ik in opstand tegen de inhoud van de leerstof. Ik zag niet hoe die stof me naar de 'armen-kerk' zou leiden. Ik vond mezelf nergens in terug en vroeg me af waar ik terechtgekomen was. Ik was afgesneden van de techniek, afgesneden van de arbeiders waarvoor ik priester wilde worden. Maar ik onderwierp me, dacht dat er geen andere weg was om mijn doel te bereiken. In het tweede jaar theologie kon ik niet meer akkoord gaan met dat binnenskamers denken. Het 'goede' en het 'kwade', los van elk materialisme: ik wilde het niet langer. Zelfs vóór Mei '68 kon men dat in vraag stellen. Ik wilde een studie vertrekkend van feiten. Debatten met leraars. We werden opgeleid weg van 't volk. We werden klaargestoomd om elitair boven de armen te staan. Ik was een vat op ontploffen. Sommige profs zegden: 'Hij heeft iets te zeggen, laat hem praten en debatteer met hem, want hij vertegenwoordigt een hele strekking.' Maar ik wist niets van die strekking en wilde weg. Zij waren voorzichtig als ze me weerlegden in de les. Er waren leraars die zeiden dat ik zo dacht 'omdat ik een boer was', omdat ik niet van intellectuele afkomst was. Ik besefte dat daar niets kon veranderd worden van binnenuit, dat het geen zin had om daar te blijven en te rebelleren. Ik had er vele vrienden maar dat is de essentie niet van het leven. Objectief was ik woordvoerder van diegenen die de maatschappij wilden in vraag stellen. Mei '68 had effect op de gehele maatschappij en op alle intellectuelen, dus ook op jonge seminaristen. Priester worden was een belangrijke stap in mijn leven. Mijn vader zag dat allemaal gebeuren, als man van de praktijk begreep hij mijn kritiek maar hij was bezorgd. Mijn moeder sprak die bezorgdheid ook uit. Een priester-arbeider uit de streek was communist geworden en zijn familie had totaal gebroken met hem. De man was naar Luik getrokken. Moeder vroeg: 'Gaat ge geen communist worden in Charleroi?' 164 Ik verhuisde naar Charleroi, waar meer priester-arbeiders waren. Het bisdom: 'Je blijft je priesterschap voorbereiden, hier zijn de cursussen. Die kan je ook blokken buiten klasverband.' Maar ik wilde die cursussen niet studeren, ik moest de inhoud niet. Ik wilde alles herbekijken vanuit een maatschappelijke praktijk. Ik stak mijn brommertje in vaders wagen en zo reden we weg. Onderweg ging ik solliciteren bij Caterpillar. Vader had bij de dienst bevolking van Moeskroen mijn paspoort laten veranderen: van student werd ik landbouw-arbeider. Hij was dus medeplichtig. Het raakte me. Als vierentwintigjarige student had ik problemen kunnen hebben bij de aanwerving. Caterpillar Twee maanden later stond ik aan de lopende band van de motoren bij Caterpillar. De eerste dagen was ik overweldigd. Het was voor de arbeiders al zwaar fysiek werk, dus voor een beginner als ik zeker. Ik voelde me ook bekeken door de arbeiders. Wees maar zeker, het was niet enkel een gevoel: arbeiders bestuderen je doen en laten gedurende dagen. En ik dacht: 'Ga ik dit zware handwerk wel aankunnen, ga ik hier niet falen?' En: 'Als de arbeiders zich zo geven dan kan ik dat ook.' In feite heb ik die eerste achttien maanden met veel rugpijn gewerkt. Wat me meest schokte, was de scheiding tussen het denken en het doen in de fabriek. Er gaapte een kloof tussen manueel en intellectueel werk. Kennis is voor arbeiders verboden vrucht. De arbeider is geen baas van zijn bewegingen. Het is de ingenieur die het productieproces bestudeert en jij bent daar een onderdeel van. De ingenieur komt je dan zeggen hoe ge uw vege lijf beter kunt plooien opdat de productie sneller zou gaan. Wij waren niet langer vrije mensen, wij waren een deel van de band. Altijd al vond ik dat manuele en intellectuele arbeid door een en dezelfde persoon moeten gebeuren, door een polyvalent opgeleide arbeider. Ik was in de hel terechtgekomen. Geen meester zijn van mijn bewegingen vond ik onverdraaglijk, de ergste vorm van slavernij. Van het kapitalisme vind ik dit het ergste. Ik kon me maar moeilijk aanpassen. Een ingenieur observeerde me een aantal dagen en kwam dan op me af: 'Uw bewegingen zijn allemaal verkeerd.' Ik moest me ergonomisch plooien naar de machines, zegde hij. Ook ik werd stilaan slaaf. De blikken van de arbeiders op mij, de 'nieuwe', stelden me een andere vraag: Zou ik onbekend blijven en observeren of zou ik uit de schaduw komen? 165 De vakbond op Caterpillar In 1965 werd Caterpillar opgestart om de sluiting van de vele mijnen te compenseren. De fabriek zou 5.000 arbeidsplaatsen brengen. Dat is nooit gebeurd. Maar het verklaart de basishouding van de ABVV- en ACV-vrijgestelden. Caterpillar was de redding van de streek, bracht werk. Daar mocht je niet op spuwen en je mocht zeker niets eisen, je moest er respect voor hebben en er moest absolute sociale vrede zijn. Allemaal jonge arbeiders, veel tweedegeneratiemigranten. Zonen van mijnwerkers. In Caterpillar zou je tenminste niet dood bovengebracht worden, dacht men. Dezelfde miserie die ik aangetroffen had bij mijn kameraad op de school herkende ik in verhalen op Caterpillar. Arbeiders waren en bleven arm ook al werkten ze als gekken. Er waren arbeiders die al na een dag stopten omdat het niet uit te houden was. Anderen bleven een maand en half. Dan hadden ze drie loonzakjes bijeengezweet. Na zes maanden was ik een 'ancien' aan de band. De arbeiders waren boos op de vakbonden. Ze reageerden antisyndicaal en duwden hun eigen vertegenwoordigers naar voren. Er was ook de geschiedenis van de mijnsluitingen. Waren de vakbondsleiders daar tot het uiterste gegaan? Al snel duwden ze mij als hun vertegenwoordiger naar voren. Maar ik wilde niet. Ik wilde niet boven de arbeiders staan, ik wilde onder de mensen blijven en niet opvallen. Terwijl zij riepen dat ik verantwoordelijkheid moest opnemen. De patroon wist wanneer de lijn kookte. Hij wist dat hij via ABVV en ACV de mensen niet stil kon blijven houden. De productiedirecteur stelde zelf afgevaardigden aan. Niet wetende wie ik was, beoordeelde hij me enkel als een ernstig persoon die de zaken goed kon uitleggen en die door de arbeiders vertrouwd werd. Maar ook toen wilde ik het woord niet nemen en zegde aan de patroon: 'Kom maar aan de lijn vragen wat er scheelt.' Maar toen de baas verscheen, bleken alle arbeiders stom en doof: geen klachten. Op een dag moesten drie vertegenwoordigers van de arbeiders naar de directeur om te zeggen hoe het gesteld was. Hij duidde er drie aan voor de lijn van de monteurs, daar was ik bij. Charlie Chaplin achterna Er kwamen vaak bezoekers in de fabriek: studenten, kaders van andere bedrijven. In witte schorten gestoken, 'beter' dan wij, keken die langs je heen alsof je niet bestond. Daartegen vond ik een soort van verzet waarvoor 166 niemand me kon sanctioneren. Als zo'n groep voorbijkwam, begon ik te werken zoals Charlie Chaplin in Modern Times: veel te snel, met een blik op oneindig: vijzen, vliegen rond de ketting als een dolgedraaide. Ik was acteur geworden. Maar wie in mijn ogen keek kon de boodschap lezen: 'Ik ben niet gek, ik speel, het is hier onhoudbaar.' De meeste bezoekers dachten dat ik zot gedraaid was. Maar soms was er een blik van iemand die zag dat ik speelde. Dan keken we mekaar als samenzweerders aan. Deze act duurde vijf minuten. De chef krabde zich in het haar. Wat was er toch met Jozef? Mij deed de vertoning deugd. Het was een mijlpaal in mijn leven. Ik kon de decadentie van het kapitalisme uitbeelden, op de juiste plaats, het juiste moment en onder de juiste mensen. Zo'n intellectueel was ik toen. Een beetje anarchist. Die kloof tussen manuele en intellectuele arbeid was de essentiële tegenstelling in de maatschappij. Arbeiders ervaren die breuk anders, ze vinden dat ook erg 'maar dat is het leven'. Het ritme werd opgedreven. De productiviteit werd tot het uiterste getest. Wanneer breekt een mens? Tot aan die grens werd het ritme opgedreven. Onervaren als ik was, hield ik het niet uit. Maar de ervaren arbeiders waren ook kapot. De hel op aarde. De arbeiders van de andere lijn zaten er ook totaal door. Werken werd iets rauw, niet uit te houden. De vakbondsverantwoordelijken deden niets. Mijn rug werd gebroken aan die lijn. Ik moest de injectiepomp in de moteur aanbrengen. Die weegt 20 kilo. Maar dan moest je ze nog geplaatst krijgen. Je moest je lichaam daarvoor in een bepaalde houding balanceren: ik werd jongleur, een echte acrobaat. Ik liet de pomp op één bovenbeen rusten, maar de band liep ook verder, je moest mee vooruit met dat gewicht. Om kort te gaan: ik heb afgezien, veel pijn gehad. Ik stond altijd voorovergebogen met dat gewicht. En steeds was er dat standpunt: nieuwe fabriek, geduld hebben. Maar dat vakbondsleiders als Cammarata en Davister daaraan meededen begreep ik niet. Moest een vakbond niet aan de kant van de arbeiders staan? Blijkbaar had de goede God er in Caterpillar anders over beslist. De arbeiders vonden dat ze op God niet moesten wachten. Toen ik ingeburgerd was in de arbeidersklasse had priester zijn enkel nog de betekenis van vechten met de strijdende en onderdrukte klasse. Ver weg waren Verlaine, Latijn en theologie. Dit was het leven ven de onderdrukten en ik stond er middenin. Twee a drie arbeiders wisten dat ik priester in opleiding was. Ik kon het niet loochenen want het waren mijn buren. Er kwam weer beroering aan de twee montagelijnen en in de nachtploeg. Wij eisten een menselijk ritme, die van de nacht eisten daarbij loonopslag. 167 De nacht begon met de staking en die werd uitgebreid. Het werd een echte wilde staking. Tegen de vakbond en tegen alles: de zuivere basis zou zonder politieke invloed de macht van de kapitalisten wel breken. Dat is natuurlijk gedroom, en een van die dromers was ik. We richtten een stakerscomité op met de beste arbeiders. Dat stakerscomité stelde looneisen als compensatie voor het hels ritme. Ik was daar tegen. Ik vond niet dat de arbeiders hun uitbuiting moesten laten verionen. Dat was natuurlijk sectair, maar ik wist in 't geheel niet wat een massalijn of wat het 'niveau van de massa was'. In de tweede week van de wilde staking kwam de verantwoordelijke van het ABVV-metaal, Davister, zelf naar de poort en riep via de megafoon op om binnen te gaan. Hij werd weggefloten. Maar er was meer. Vele mensen getuigen dat Davister arbeiders met een matrak bedreigde omdat ze hem uitfloten en uit het piket wilden zetten. Tot vandaag noemt men Davister 'matrak'. Cammarata van het ACV speelde het anders. Die kwam in het piket en discussieerde om ons binnen te krijgen. Het stakerscomité haalde zwaar uit naar de vakbond. Ikzelf was niet tegen de vakbond. Ik discussieerde met de ACV-verantwoordelijken. In de tweede week moesten we vechten tegen de rijkswacht. Maar niet alleen tegen hen. Daarachter stond Davister met zijn megafoon de arbeiders op te roepen om binnen te gaan. Veertien dagen wilde staking zonder stakersgeld is niet slecht, maar daarna brokkelde de staking stilaan af. Ons comité was niet opgewassen tegen zo'n taak. Na een zoveelste oproep tot werkhervatting gingen de meeste arbeiders uiteindelijk binnen. Er was niets bereikt. De patroon wilde ons leren dat we door te vechten niets konden bereiken. Kort daarop gaf hij loonopslag, twee frank, om zijn bazen-vakbondstheorie te bewijzen: 'Vraag en ge zult het krijgen van Caterpillar, strijd en vakbond brengen niets.' Het ritme bleef. Toen de arbeiders begonnen binnen te gaan bleken er vijftig arbeiders afgedankt. Naast vijftig namen stond een rode stip, ook naast de mijne. Ik wist al dat we niet op de vakbond moesten rekenen, maar ik wist nog niet dat ze tégen de arbeiders waren. Met die vijftig kwamen we bijeen. De vakbond beloofde iets te zullen doen. Om die vijftig nog eens te verdelen en de echte leiders te pakken, bleven er uiteindelijk vijfentwintig arbeiders afgedankt. Wij mochten de fabriek zelfs niet meer binnen. Mijn eerste besluit uit die staking was dat de politiek volledig afwezig was bij de arbeidersstrijd. Ik vroeg me af hoe dat kwam. Waren die dan verkocht? Ik ging eens met de communistische partij praten en kijken wat die te bieden had. Ze waren gewoon niet geïnteresseerd in stakingen. Die partij 168 was in verval. Van hen viel niets te verwachten. De trotskisten dan? Daar was mijn kameraad Leopold tegen en ik had met reden volle vertrouwen in zijn oordeel. Bleven de anarcho-maoïsten van Parole Au Peuple. Ten tweede. Ook al is de vakbond verkocht, toch is de vakbond nodig. Dus: hoe kwam iemand in de leiding om daar iets te veranderen? Ik ging samen met een vriend, een priester-arbeider, Cammarata opzoeken. Ik dacht met een redelijk man te doen te hebben. In zijn bureel hadden we een gesprek. Uit respect voor mijn vriend liet hij me uitspreken. Nadien legde hij zijn kaarten op tafel en de echte Cammarata verscheen: 'Priester-arbeiders moeten zich niet met de vakbond bemoeien. Priester-arbeiders hebben niets te zeggen in de vakbond. Gij hebt het voor 't zeggen in de kerk, wij in de vakbond. Die priester-arbeidertoestanden keur ik trouwens totaal af. Caterpillar brengt brood op de plank voor duizenden. Alle mijnen zijn dicht. Wat weet gij feitelijk? Bemoei u niet met zaken waar ge niets van weet.' Dat was tenminste duidelijk. Gezondheid eraan Ik was 26 toen mijn rug het begaf. Ik werd geopereerd in Leuven. Na die operatie nam ik opnieuw zwaar fabriekswerk aan, alhoewel ik wist dat ik het niet zou volhouden. Ik wilde me niet gewonnen geven maar moest toch stoppen. Na mijn tweede operatie zat ik in de put. Ik stond alleen met mijn problemen. Het waren jaren van eenzaamheid en gemis. In het seminarie van Jumet kon ik op begrip rekenen, maar ze konden me niet helpen. De Kerk besefte dat het fenomeen 'priester-arbeider' in Wallonië een zekere omvang had. In Frankrijk waren bijna alle priester-arbeiders bij de communistische partij aangesloten. Dat wilde de Kerk hier vermijden door een seminarie als Jumet te dulden. De lijn van het seminarie was die van Cardijn. Zo dacht men de beweging van het marxisme af te houden. Er waren bij die priester-arbeiders ook mensen die uit een arbeidersgezin kwamen maar er ook echt uit wilden. Ze wilden 'beter' worden. Dat kan als een bepaald soort priester. In Jumet verstonden ze niet dat mijn wereld ingestort was na die mislukte rugoperatie. Ik zou waarschijnlijk nooit meer aan de band kunnen werken. Ik zag mijn toekomst, losgerukt van de arbeidersklasse. Ik had de theologie, de studies stopgezet, uit dat milieu was ik dus weg. Ik was uit de fabriek en ook mijn gezondheid was weg. Waar moest ik heen? Ik geraakte niet meer voorbij de controledokters met dat operatielitteken op de rug. Ik 169 besloot toch als arbeider verder te doen. Terugkeren op mijn stappen en ergens pastoor worden was uitgesloten. Ik had de arbeidersklasse en de vakbond ontdekt en ik zou ze niet meer loslaten, net zoals zij me nooit meer zouden loslaten. Na een tweede operatie in Charleroi werd mijn rug trouwens een heel stuk beter. Hanrez Ik werd in '72 aangeworven als magazijnier bij Hanrez. Lichter werk. Magazijnier zijn heeft ook zijn voordelen. Je kent iedereen en iedereen kent jou. Er waren een goede vijfhonderd arbeiders en daar kan je toch ook syndicaal werk doen. De arbeiders wisten dat ik me voorbereidde op het priesterschap. De fabriek was te klein om het te verzwijgen. Ik woonde tenslotte in Marchienne. Mijn makker in het magazijn was een oudere arbeider, een fiere Karolinger. Zijn grootvader was een van de grote leiders van de revolutionaire opstand van 1886. Hij leerde me alles over de arbeidersklasse, als een vader. In die periode veranderden mijn ideeën radicaal. Met mijn mening over de scheiding tussen theorie en praktijk kon ik de hele maatschappij niet analyseren. Ik begreep dat dat maar secundair was. De essentie van de maatschappij was de tegenstelling tussen arbeid en kapitaal. Ook de invloed van Mei '68 had iets van doen met deze veranderde inzichten. Ik koos voor dezelfde weg als de linkse intellectuelen aan de unief: de tegenstelling ligt tussen arbeid en kapitaal. Ik was voor de harde syndicale strijd, verder stond ik niet. Ik was tegen politiek en tegen studie. In Hanrez maakte ik kennis met een strijdbare delegee: René. We werden goede vrienden. Zo zijn we in 1973 naar de dokstaking in Antwerpen getrokken. Dat was een hele stap. Renée was een uitgesproken linkse arbeider. Mijn contact met Renée was een nieuwe trap in mijn ontwikkeling. Hij rekende duidelijk op organisaties van buiten de fabriek. Hijzelf was lid van een zeldzame soort trotskisten, de port (Parti Ouvrier Révolutionnaire des Travailleurs). Davister weigerde me als lid van het ABVV. Zo sloot ik me aan bij het ACV. In '75 waren er delegeeverkiezingen. Het ACV wist dat ik aan invloed had gewonnen onder de arbeiders en stelde me voor bij hen op de lijst op te komen. Ik bengelde onderaan de lijst. Ik begreep dat ze liever iemand van de productie vooraan zetten. Maar dan sloeg de bliksem in. In januari '75 werd onze delegee René, in overleg met Davister matrak, afgedankt. 170 Twee maanden staking bij Hanrez Onmiddellijk in staking. Wild. Van 15 januari tot 15 maart '75. Een principiële strijd voor het recht op een strijdbare vakbond. Het wordt een harde en bittere staking. De vakbond leidt de staking niet, maar betaalt stakersgeld en denkt dat ze na enkele dagen wel zal doodbloeden. We maken een stakerscomité met veertig arbeiders. Het functioneert voorbeeldig. De tien actiefsten vergaderen tussen de comitévergaderingen door. Veel politie en rijkswacht. Ik leer veel bij. Ik krijg net als de anderen geregeld kniestoten in de buik en wordt regelmatig gestampt. We beschilderen de huizen van ratten en cheffen die de piketten willen doorbreken. Maar het geweld komt van de politie en onze vuist is slechts een antwoord en een verdediging van onze strijd en ons lijf. Voor het eerst zie ik linkse groepen aan de poort staan. We hebben machtige piketten; in de koude winter staan we elke dag rond de brasero's. Het is een heel specifieke periode in België, de ene wilde staking volgt op de andere, nu al vijf, zes jaar lang. Een groep jonge artiesten komt naar deze stakingen en maakt er liederen over. Gam is geboren. Ze trekken met die liedjes van piket tot piket en kennen een groot succes. De groep is een allegaartje van anarchisten, trotskisten en onafhankelijken. Ik leer hen goed kennen. Ze maken voor onze staking het liedje Delegee. Een van de ideologen van de gam, Redoudou, geeft me een stapel boeken van Bakoenin. 'Moest ik echt eens lezen.' Ik heb daar geen tijd voor zoals er op de boerderij ook geen tijd was om te studeren. Op dat moment sta ik gekend als communist. Ik zie mijn wijding minder zitten. Maar dan gebeurt er iets ontroerend. Midden in de staking, in volle repressie trekken stakers op een avond naar het seminarie van Jumet. Er zijn socialisten, communisten en katholieke arbeiders bij. Tegen de verantwoordelijke van het seminarie zeggen ze: 'Jozef moet priester worden, dan kan hij meer voor ons doen.' Mij zeggen ze: 'Je zal toch aan onze kant blijven staan?' Wat waren de tijden veranderd. Het was de bedoeling van de Kerk opnieuw zieltjes te winnen in Wallonië. Vandaag gingen fiere arbeiders naar die Kerk en eisten dat ik priester werd om meer gewicht aan de arbeidersstrijd te geven. De Kerk kon hen gestolen worden. Een priester bleef voor hen een autoriteit en die moest ik volgens hen opnemen en gebruiken. Ik begreep dat toen niet helemaal, maar zette toch de nodige stappen voor mijn wijding. Ondertussen was er armoede onder de stakers. De patroon had een enorme moestuin. Wij hadden geen geld meer en de verse groenten staken onze 171 ogen uit. We zijn 's nachts 48 grote zakken prei gaan stelen en hebben die uitgedeeld aan de stakers. De dag nadien stond in de regionale kranten dat de prei giftig was. De prei moest binnengeleverd worden. Een valstrik om iedereen die zich aanmeldde te noteren en later te beschuldigen van diefstal. Het was maar prei en geen tafelzilver van de koning maar voor de stakers had die prei een mobiliserende factor: 'De arbeiders durven gaan stelen bij de échte dieven.' We hielden het twee maanden vol. Toen moesten we terug aan de slag. René bleef buiten. Maar bij de delegeeverkiezingen werd een gans nieuwe delegatie gekozen. Allemaal leden van het stakerscomité. Het was een overwinning dat strijdbare arbeiders delegee werden, maar feit was dat die geen syndicale ervaring hadden. We waren nog niet bekomen van de staking of de patroon dankte achtenveertig arbeiders af om economische reden. Er kwam geen oproep tot staking. De patroon ging verder in de aanval. Hij zette een aantal ratten onder druk om klacht neer te leggen omwille van het beschadigen van hun auto's. Er kwam een proces. Vijf beklaagden: René, de afgedankte delegee, Garinne van de gam en nog een paar. We richtten een comité op voor de bescherming van de vakbondsstrijd. Ik gaf me op als getuige ten gunste van de beschuldigden. Mijn kameraad in het magazijn zag dat met lede ogen aan. Hij zag mijn C4 al liggen. 'Pas toch op Jozef, in het gerechtshof zijn alleen de muren recht.' Velen zullen die uitspraak vandaag beamen. In het comité zaten buiten arbeiders van Hanrez en van de streek ook organisaties van intellectuelen die zich op het marxisme beriepen en in de staking actief waren. Men vroeg mij om coördinator te zijn, de brug tussen al die organisaties te slaan. Ik kwam blijkbaar over als een diplomaat. Feitelijk had ik de meeste sympathie voor Parole Au Peuple, een groep intellectuelen die een mengeling van marxisme en anarchosyndicalisme aanhingen. Ik wilde op het proces zeggen dat het echte geweld van de politie kwam. Ik had een hele speech klaar. Naïeveling die ik was. Mijn makker bleek overschot van gelijk te hebben. De 'onpartijdige' rechter onderbrak me brutaal en zei: 'Maar mijnheer, u lijdt aan verbale diarree.' Ik moest zwijgen. De mensen in de zaal waren woedend. Iedereen die in de zaal zat, werd opgepakt. Ik was geschokt. Ik stopte met spreken, vandaag zou ik doorgaan. Dat proces vergeet ik nooit meer, dat vertel ik nog heel mijn leven aan iedereen die er belang bij heeft. We verloren. Eind '75 kwam er nog een grotere mobilisatie en een groter comité voor het proces in beroep. Eind '75, tijdens de mobilisatie van het proces in beroep, leer ik de PVDA kennen. Ze zijn net aangekomen in Charleroi. Trotskisten zeggen me dat ze 172 tegen de eenheid zijn, dat ze zich opdringen, dat ze niet voor de strijd maar uit eigenbelang in stakingen aanwezig zijn. Ik wil dat toch wel voor mezelf uitmaken, want mijn eerste ervaringen met hen zijn anders, 't Is de eerste keer dat ik een marxistische organisatie aan de fabrieken zie die de arbeidersstrijd kent. Ze geven praktische tips in verband met de repressie. Ze helpen bij collectes voor het proces aan de fabrieken en in de wijken. Er wordt 30.000 frank opgehaald. Maar hun standpunten over buitenlandse kwesties versta ik niet. Dus blijf ik partijloos en 'onafhankelijk'. Als begin '76 het proces in beroep begint staan we enorm sterk: de hele streek is gemobiliseerd. Stakingen tegen een nieuwe veroordeling zijn niet uitgesloten. Ik ben opnieuw getuige en kan nu wél spreken. We winnen het proces. Het patronaat van de streek beslist dat de koorts onder de arbeiders niet verder moet verhoogd, maar verlaagd worden. De ratten moeten hun klachten intrekken en er komt geen proces meer. In februari werd ik samen met twee andere arbeiders afgedankt. Twee van de drie waren getuigen op het proces. Het kwam niet opnieuw tot staking omdat de nieuwe delegatie ook voor de achtenveertig arbeiders het jaar ervoor niet tot actie had opgeroepen. Ik stond opnieuw op de keien. Ik besefte dat ik te vaak werd afgedankt en moest nadenken. Maar toch kon mijn afdanking ons optimisme niet drukken. De hele streek had dat proces gewonnen. Mijn priesterwijding zou een groot arbeidersfeest worden. Ik was nog steeds een beetje anarchist. We genoten van de opgang van de spontane arbeidersstrijd. Priesterwijding Mijn priesterwijding zou doorgaan in mei '76, in de zaal van het gemeentehuis, waar we maanden hadden vergaderd tijdens de staking van Hanrez. Dat was het terrein van de arbeidersstrijd. Het bisdom ging akkoord. Niet de Kerk zette haar stempel op de arbeiders, maar de arbeidersstrijd zette voor een keer een stempel op de Kerk. Het was een komische situatie. De feestzaal was versierd door mijn vrienden. Een poster verbeeldde de verwevenheid van de kerkoversten, het leger en het patronaat. De bisschop riep me: 'Jozef dit kan niet, verwijder dat.' Ik zegde dat ik dat niet kon. Hij richtte zich tot zijn chauffeur en verplichtte hem de poster te verwijderen. Maar mijn vrienden hingen hem elders terug op. De spanning steeg. De bisschop had aanvaard dat er een aantal getuigenissen zouden komen: mijn zus en enkele sprekers over de arbeidersstrijd. Ook ikzelf zou spreken. 173 Daarna keek de bisschop me aan met een dwingende blik: 'Nu is het genoeg geweest. Kunnen we nu eindelijk met de eredienst beginnen?' Maar René, een echte atheïst, stak zijn hand op en vroeg het woord. De bisschop zag dat niet meer zitten: 'Jozef, het is nu gedaan, 't echt genoeg geweest.' Ik zei dat de Kerk moest tonen dat de arbeiders echt het woord kregen in de Kerk. Maar ik was toch niet gerust over de toespraak van René. René kreeg toch het woord. René, de communist stond recht: 'Ik heb naar alles geluisterd, en als ik de Christus tegenkom waarover Jozef spreekt, dan zal ik geloven.' Ik vond dat fantastisch; het was zeggen: 'Ik erken watje in de staking gedaan hebt.' Ik was gered, ik dacht immers dat hij mijn wijding zou aanvallen. De bisschop stortte in elkaar. Dat was er te veel aan geweest. Voor het culturele gebeuren had ik De Nieuwe Scène gevraagd en ze brachten de gehele Mistero Buffo. Ze waren gekomen omdat ze mijn werk in de staking gezien hadden. Welk lied uit Mistero Buffo zou die avond het meest beroerd hebben: het grappige Margrietje of Waar beefde gisterenavond mijn kind dat geschreven lijkt voor elke chemiearbeider, of is het Beverloo dat iedereen naar de keel grijpt, omdat elke arbeider er zijn lot in herkent: arbeiderssoldaten die naar de oorlog worden gedreven en zonder benen terugkeren, of arbeiders die in 't begin van de eeuw de fabrieken werden ingejaagd en er kreupel of dood uitkwamen? Waar is juist het verschil? Precies! Hun optreden was zeer mooi. Daarna was er bal: een groot volksfeest van tweehonderd arbeiders en hun familie, tot in de late uurtjes. Een wijding is als een huwelijk. Dat kost dus veel geld. Ik wilde mijn ouders niet op de kosten jagen dus zette ik vrijblijvend een 'steunpotje' in de zaal. Op het einde van de avond zat er 23.000 frank in, dat was veel in die tijd. We stevenen op de revolutie af. Of niet soms? In de streek heerste een sfeer van revolutie. De opmars van de volksmassa's was in volle gang. We stevenden regelrecht op een omwenteling af. We waren ervan overtuigd dat de burgerij afgedaan had, dat ze aanval na aanval van de arbeiders moest ondergaan. 'We waren vertrokken voor de revolutie.' Een typisch anarchistische analyse als de spontane strijd in volle opgang is. Ook in de Derde Wereld kregen de heersende klassen slagen van het volk. Zoals in Vietnam, waar de Verenigde Staten zich moesten terugtrekken. Ook daar lag de macht voor het grijpen. Zo dachten we. En toen, op het hoogtepunt van onze naïeve euforie, begon de crisis van het kapitalisme en was er overal repressie en een terugslag van de 174 arbeidersbeweging. Iedereen van deze strekking, ik inclusief, werd als het ware tegen de muur gezet. Baf! De zeepbel brak stuk: gedaan met dromen, want in de crisis leer je 't kapitalisme pas kennen. Verschillende 'marxistische' groepjes stortten in en vielen uit elkaar. Velen haakten af, vandaag zijn ze zelfs niet meer geëngageerd. Anderen verlieten de arbeidersstrijd en vonden andere bewegingen belangrijker, zoals de ecologische beweging en het feminisme. De arbeidersklasse had voor hen afgedaan als revolutionaire klasse. Want die had het moeilijk en plooide voorlopig terug op zichzelf. Slechts één organisatie bleef opvallend overeind: de PVDA. Ik nam daar akte van. Maar ik sloot me niet aan. Frits Stahl: theoreticus van linkse priester-arbeiders Na de terugslag ging ik op zoek naar een wetenschappelijke uitleg. Want ik wilde in de arbeidersklasse blijven. Maar ik werd te vaak afgedankt, ik wilde mijn fouten begrijpen, alles begrijpen. Ik sloot me aan bij een groep geëngageerde christenen die voor de bevrijding van de arbeidersklasse een uitweg bij Marx zoeken: calama, later solima (Solidariteit met de Massa), een nationale en zelfs internationale organisatie. In de streek was er een afdeling. Calama is de naam van een Chileense mijnstad waar priesterarbeiders werkten die bij de staatsgreep van Pinochet naar België terugkwamen en hun organisatie zo noemden. Eindelijk kwam ik met marxistische werken in aanraking, ik was toch al een kleine tien jaar 'bezig'. We studeerden marxistische werken. Frits Stahl is theoreticus van deze organisatie. Hij had Mei '68 in Parijs meegemaakt omdat hij er aalmoezenier van de Duitse studenten aan de Parijse universiteit was. Hij had de bagage van die beweging. Hij was geëvolueerd tot arbeider in de fabriek. Tot hij zware hartklachten kreeg, bleef hij werken als vakbondsman. Frits zegde tegen mij: 'Jozef, op het terrein ben jij niet te kloppen, maar je verwaarloost en minimaliseert op schandelijke wijze de studie.' Hij had gelijk. Een openbaring. Ik begon te studeren. Ik weet niet of ik zonder het marxisme de crisis van eindjaren '70 fatsoenlijk was doorgekomen. Deze groep heeft bewezen dat christenen ook kunnen zien dat het marxisme een uitweg biedt aan de onderdrukten. Het marxisme was dus niet enkel te ontdekken door de linkse intellectuelen uit Mei '68. Het was verenigbaar met priester-arbeider zijn. Maar het marxisme studeren, los van de praktijk vind ik niet aanvaardbaar. Ik was gepassioneerd in de discussies en vuurde vragen af op Frits. 'Wie gaat bepalen wat marxistisch is en wat niet?' vroeg ik hem. Deze 175 vraag duwde de groep vooruit. Hij was akkoord. Inderdaad, een individu kan dat niet beslissen, een collectief wel. Frits maakte een theoretische tekst die een marxistische organisatie als kern van de beweging naar voren schoof. Zijn tekst werd fel bediscussieerd. De richting van de tekst was juist. Ik was akkoord met Frits. De stappen die calama en later solima zette, zijn volgens mij vergelijkbaar met wat de studenten na Mei '68 doormaakten. De meest consequenten richtten een nieuwe marxistische arbeiderspartij op: de PVDA. Ik vond dat die er niet snel genoeg kon komen. Zonder Stahl had ik het niet gered in de arbeidersklasse. Ik besloot me aan te sluiten bij de PVDA. Ondertussen verdedigde ik in het seminarie van Jumet mijn nieuwe inzichten. Tegen al mijn vrienden zegde ik: 'We moeten ons organiseren'. En ik maakte er geen geheim van dat alle priester-arbeiders die de kant van de arbeiders kozen in een marxistische partij moesten gaan. In België bij de PVDA. Maar het was stil, er kwam geen antwoord. Ze wilden geen discussie, ik begreep dat ze geen breuk met me wilden. Er was democratie: ieder zijn gedacht. De verantwoordelijke van het seminarie bleef achter me staan. Toen ik hem zegde dat ik op een verkiezingslij st van de PVDA zou gaan staan, was dat een test. Wat zou de man doen? Wat zou het bisdom doen? Hij verdedigde deze stap bij de bisschop. Ook bij linkse christenen ging deze stap niet ongemerkt voorbij. Het feit dat het bisdom zich niet distantieerde, toont het belang van deze stroming van priester-arbeiders aan. Twintig jaar in een chemiefabriek Na drie afdankingen kon ik in Charleroi geen werk meer vinden. Bandwerk mocht niet meer voor mijn rug. De chemie dus. Een totaal nieuwe wereld. Jongere arbeiders, goed opgeleid, 'betere arbeiders'. Mijn nieuwe makkers waren producten van de golden sixties. Voor mij was de uitdaging bijzonder groot. Ik begon met een standpunt in te nemen rond de veiligheid. Om de haverklap kregen de arbeiders immers een berisping of een waarschuwing. Ik vond dat we geen enkele verantwoordelijkheid in verband met de veiligheid op ons mochten nemen. Een chemiefabriek is onveilig op zich en door hoe ze gerund wordt, 't Is dankzij het verantwoordelijke werk van de arbeiders dat ze niet in de lucht vliegt. Vrienden van Charleroi zegden: 'Jozef hou ermee op, je loopt met je kop tegen de muur. Die arbeiders zijn niet syndicaal, 't is klein, je gaatje tanden kapot breken.' 176 Het was de periode van de 'theorie' van Gorz met zijn boek Adieu au prolétariat. Daarin stond te lezen dat door de nieuwe technologische revolutie en werktijdverkortingen en door het werk in ploegen veel tijd voor de arbeiders vrijkwam, dat ze werkten voor geld en buiten de fabriek een tweede leven hadden als blije vrije burger. De strijdbaarheid van de arbeiders was bijgevolg verdwenen en het waren nu andere groepen die de maatschappij wilden veranderen zoals ecologisten en feministen. In de fabriek vond ik gehoor rond de veiligheid. We bouwden de vakbond vanaf nul op. Vanaf het moment dat ik de delegee van de arbeiders werd, ben ik beginnen studeren op het shiftensysteem en de gezondheid. Er waren tonnen papier over geschreven, allemaal even 'wetenschappelijk'. Studies in de uitverkoop. Er waren veel werklozen in de streek. Die begonnen en bleven soms maar één dag, ze vonden het veel te gevaarlijk en kwamen niet terug. Er waren ongevallen. Arbeiders die over hun toeren waren en dan naar huis reden en een ongeval hadden. Als Gorz denkt datje na je shiften aan zelfontplooiing kan doen, noem ik hem een gewone verrader. Arbeiders vertelden me hoe ze hun gezin verloren door de shiften. Hoe ze schelden op hun vrouw omdat ze niet meer kunnen. Sommigen werken hun agressie af op een groentetuin, anderen op vrouw en kinderen. Een hel. Na de nacht kan je de dag nadien thuis niets verdragen. Waarom zoveel stress? In een chemiefabriek mogen je gedachten geen seconde afdwalen. Dat kan rampzalig zijn. De zenuwen staan altijd gespannen, en die koord breekt thuis. De hel. Ikzelf overleefde omdat ik alleenstaande was. Ik besefte niet hoe erg het voor het familieleven was. Ikzelf kwam thuis, eender van welke shift en moest met niemand rekening houden. Zo overleefde ik vijftien jaar. Wist ik veel hoe mijn makkers op datzelfde moment geen geduld meer hadden om hun dochter of zoon bij het huiswerk te helpen, wist ik veel dat ze uitvlogen tegen de vrouw waarvan ze zo hielden omdat ze niet meer konden. Ik beweer vandaag dat het volcontinusysteem een ergere uitbuiting is dan de band. Ik wil daarover met iedereen in discussie gaan: vakbond, dokters, kenners van de bioritmes. In de toekomst zullen er nog meer zulke jobs komen. Stress omwille van gevaar en hoge productiviteit, de shiften en het tekort aan slaap maken je kapot en eenzaam. Je bent asociaal. Elke shiftarbeider weet zijn huwelijk in gevaar, terwijl zijn gezin het enige is wat telt. 17.000 frank méér verdienen om zich stilletjes te laten doodmaken. Bij ons zouden vele arbeiders die 17.000 frank willen afgeven om in twee ploegen te kunnen werken en hun gezin en leven te kunnen behouden. Maar zo'n werk is er niet in de streek. 177 Wij werken in een 35-dagen cyclus. Niet een week of een maand is ons referentiepunt, maar die 35 dagen. Dat gaat zo: je begint drie dagen in de ochtendploeg; dan zonder vrije dag twee late shiften en vervolgens opnieuw zonder vrije dag twee nachten. Dan vier dagen vrij. Bijslapen, bekomen, als je familiale toestand dat toelaat. Dan begin je met drie vroege shiften, dan drie late shiften en twee nachtshiften. Volgen vijf vrije dagen, terwijl niemand vrij is. Opnieuw bekomen van de voorbije acht dagen. Je doet vervolgens twee vroege shiften, twee late en drie nachten. Volgen vier vrije dagen en we zijn aan de 35. De helse cyclus kan herbeginnen. Tot aan je pensioen. Je weet op voorhand welke zon- en feestdag je 'van corvee zal zijn'. Wat is nu het grootste probleem? In je lichaam zijn er 72 bioritmes die een rol spelen. Het systeem gaat ervanuit dat hoe sneller en meer je van shift wisselt, des te minder je bioritmes overhoop gehaald worden. Je bent je bioritmes als het ware te snel af. Voor je aan een shift kan wennen, zitje in een andere en dat zou de gezondheid ten goede komen. Meer en meer mensen zijn het erover eens dat het de slechtst mogelijke regeling is. Een voorbeeld: je hebt de late gehad en geraakt pas laat in slaap, je staat echter vroeg op om je vrouw en kinderen even te zien, maar straks begin je aan een nacht, terwijl je veel te weinig geslapen hebt. Je bent kapot na die nacht, en je bent pas bezig. Dat wisselen is des duivels. Vandaag komen er bijna geen studies meer uit over de invloed van shift-werk op de gezondheid. Dat is alarmerend, want meer en meer arbeiders moeten zo werken. Of zou het kunnen dat er precies daarom geen studies meer verschijnen? Na verschillende jaren syndicaal en revolutionair werk op de fabriek is er een intens syndicaal en politiek leven onder de arbeiders ontstaan. In de delegatie zitten er bijna uitsluitend strijdbare syndicalisten. We hebben ons omringd met arbeiders en syndicalisten die vechten voor principes in de arbeidersklasse. Op 2 februari '97, dag van de Mars voor Werk in Clabecq, moest de directie een beroep doen op vrijwilligers omdat vele arbeiders wilden gaan betogen. Als revolutionair heb ik ook niet stil gezeten. Er zijn revolutionaire arbeiders gevormd. Dat geeft soms komische toestanden. Jongere arbeiders die voor hun mening uitkomen, doen dat soms een beetje onhandig. Dan hoor je: 'Bij ons zit nu ook een zoon van Jozef.' Om het met Lenin te zeggen: ze worden door de arbeiders dadelijk herkend omdat ze lijden aan de 'kinderziekte van een communist'. Binnenkort moet ik met pensioen. Ik heb een generatie arbeiders opgeleid die verder zullen werken en bovendien ben ik niet van plan om het land te verlaten, tenzij dat zou gevraagd worden voor de strijd. 178 Kroniek van een belangrijke strijd Als ik begin '95 nog interviews plan over zijn werk in de chemiefabriek blijkt dat er bij Jozef een stukje arbeidersgeschiedenis gemaakt wordt. De arbeiders voeren een maandenlange guerrilla met de patroon die veel te complex is om via telefoongesprekken te vatten. Ik kan er maar beter naartoe gaan. Bovendien wil ik hem wel eens bezig zien en met arbeiders over hem spreken. Welke rol speelt hij in hun leven na al die jaren? En moet ik niet hoe dan ook in die streek zijn in 't voorjaar? Als ik in april aankom weet ik niet dat ik midden in de belangrijkste strijd van de fabriek terechtgekomen ben. Jozef heeft alleen tijd voor me om documentatie over de strijd te geven. Hem terugzien kan ik enkel aan en in de fabriek. Van '80 tot nu werd in de fabriek steeds het werk neergelegd om druk uit te oefenen voor de arbeiderseisen tijdens de onderhandelingen voor een nieuwe cao. In de jaren '84-'85 hebben ze werktijdverkorting geëist mét aanwervingen en met behoud van loon. En dan de 36 uren. Niemand sprak nog over die eis. De vakbond had die eis begraven. Jozef heeft eerst de syndicale delegatie, de militanten en de beste arbeiders opgevoed rond deze principiële strijd tegen de werkloosheid. Het komt vaak terug in zijn leven. Je moet de mensen overtuigen van principes zoals solidariteit; ze moeten hun eigenbelang overstijgen. Om de twee jaar werd werktijdverkorting geëist en verkregen. Oorspronkelijk was die eis ook bedoeld om bestaande jobs te behouden en de shiften wat leefbaarder te maken. Maar na een aantal jaren zagen ze in dat die paar uren niet veel verschil maakten voor hun gezondheid. Sinds ' 86 werkt men 36 uur in 5 ploegen. Een vijfde van de arbeiders zouden er niet werken zonder deze strijd. De eis van de arbeidsduurverkorting belandde vervolgens een paar jaar in de koelkast. Tot de eis terug bovengehaald werd met de cao van '93. 'Geen sprake van', zei de patroon. Ook na acties bleef het 'njet'. De arbeiders gingen in staking voor arbeidsduurvermindering. Maar klassenstrijd in een vijfploegen chemiefabriek is niet makkelijk. De staking van '93 was keihard. Kaders werden aan het werk gezet. Gevaarlijk. Ze brachten een heel gebied in gevaar. Maar er werd wel geproduceerd. De staking duurde drie weken en eindigde zonder overwinning. Maar binnen in de fabriek werd ze verwerkt terwijl men werkte en op de tanden beet. Nooit is er zoveel gediscussieerd. Op het eerste gezicht leek de fabriek verscheurd rond de arbeidsduurverkorting. Dan komt 1995 en een nieuwe cao. De syndicalisten en arbeiders zijn klaar voor de strijd. Alles begint met acties van de arbeiders die de afgewerkte 179 producten op de treinwagons en camions moeten laden. Ze laden maar de helft, een andere dag nog minder, goed wetende dat de fabriek geen stocks kan opslaan. Er komen problemen in heel de fabriek. De vakbond erkent en steunt de acties. Na een aantal dagen verschijnt de deurwaarder. De patroon laat vaststellen dat de productie niet meer op wagons geladen wordt zoals het hoort. De arbeiders die aan de actie deelnemen worden per dag en per man met 10.000 frank dwangsom beboet. Dat klinkt erg bedreigend, maar in een fabriek met een erg grote groep strijdbare arbeiders is het dat niet. De gehele fabriek heeft namelijk beslist dat niemand zijn naam zal geven aan de deurwaarder. Het is een komisch zicht. De grote baas loopt met fotokopietjes van de personeelsfiches de arbeiders aan te duiden door de gangen van de fabriek met de deurwaarder in zijn kielzog: de enige manier om dwangsommen uit te schrijven. Jozef herinnert zich een arbeider die van ver riep: 'Wel, geef er mij maar een, geef mij maar een dwangsom, ik zal je tonen wat ik ermee doe.' Maar die deurwaarder moet die dwangsom afgeven in de wijk waar die arbeider woont en niet in de fabriek. Een deurwaarder aan het huis van een arbeider! De zoon of de dochter op 't slechte pad? Drugs? Een factuur niet betaald? Gestolen in de gb of schulden? In ieder geval: zo iemand krijgt een slechte naam. Dus besluiten Jozef en de stakers de vrouwen in de strijd te betrekken. Niet iedereen vindt dit een goed idee. Sommigen houden het voorzichtig op 'werken met vrouwen is nog complexer dan met mannen'. Maar het is een principe: de arbeidersstrijd mag niet langer tot de poorten van de fabriek herleid worden. De buurt en de streek zijn er ook. Eind maart laat de patroon officieel weten dat hij niet ingaat op de eis van de arbeidsduurvermindering. De arbeiders stemmen met 89% voor een staking voor onder meer twee uur werktijdverkorting. Dat zou hun werktijd op 33,36 uur per week brengen. De strijd begint zonder stakingsaanzegging. Er komen meer acties. Wagons worden niet geladen. De arbeiders zijn aanwezig in de fabriek maar werken traag. De patroon is razend. De staking van '93 leek een nederlaag, in feite was het een bezinningsproces met een guerrilla als resultaat. De repressie wordt opgevoerd. De patroon verklaart dat het rampenplan Seveso van kracht is, dat de arbeiders de plant in gevaar brengen. Hij wil dat de politie de arbeiders uit de fabriek zet, want hij kondigt een lock-out af. De arbeiders reageren: wij willen werken. De fabriek wordt dag en nacht bezet. Daar is de deurwaarder opnieuw. Voor elke arbeider die de fabriek niet wil verlaten, wordt een dwangsom van 10.000 frank per dag uitgeschreven. De actievoerders nemen nu ook een deurwaarder onder de arm en laten vaststellen dat ze willen werken. De solidariteit in de streek groeit. De delegees van alle chemiefabrieken van de streek maken 180 later een motie waarin ze de 32-urenweek eisen met loonbehoud en aanwervingen. De nationale verantwoordelijke van het ABVV voor deze fabriek, Michel Nollet, staat in principe achter de strijd. Maar als het echt warm wordt en er met dwangsommen gedreigd wordt, wil hij weer blussen. Dan, in de nacht van 20 op 21 april, valt de politie binnen. De ene helft bezetters slaapt, de andere helft waakt en is aan 't kaarten. Maar ze zijn niet opgewassen tegen een gans peloton 'wetsdienaars'. Vanaf vrijdag 21 april verklaren de arbeiders dat ze in staking zijn. De syndicale delegatie wordt bijna permanent tot onderhandelingen verplicht, met als enig doel haar van de leiding van de strijd weg te houden. Dat is zonder de arbeiders gerekend. Voor maandag 24 april verwachten de stakers dat de patroon een bestelling zal doen laden door kaders en dat het stakerspiket zal gebroken worden door de politie. Maar het laden gebeurt op zaterdag 22. Gelukkig zijn er verschillende arbeiders aanwezig vanaf 6 uur. Ik ga er ook naartoe om eens rustig met Jozef te spreken. En om met arbeiders over Jozef te spreken. De weg naar het piket wordt aangewezen door veertien overvalwagens van de rijkswacht. Ben ik niet goed wakker en droom ik over Chili onder Pinochet of is dit België? Er zijn massa's rijkswachters voor twintig arbeiders. Wie betaalt dat? En waarom kunnen die niet naar de Bende van Nijvel zoeken? Een gesprek met Jozef zal moeten wachten. Nog geen zeven uur. Een kader van de fabriek rijdt aan het piket in op een staker. Die voelt zich gedekt door de rijkswacht. De arbeiders nemen me onmiddellijk op in hun midden. Ze beslissen de commandant van de veertien overvalwagens naar het piket te halen en hem te vragen wat er gaat gebeuren. Een snotaap van een officier: 'Ge moogt symbolische acties doen, maar als ge saboteert treden we op.' De burgemeester komt aangereden en geeft iedereen een slap handje. Hij zegt dat Seveso opnieuw van kracht is; Hij, liberaal, kan er niets aan doen: beslissing van de ondergouverneur. Seveso, terwijl er in de hele streek enkel koeien te bespeuren zijn. De klucht is compleet als de civiele bescherming arriveert en een ambulance rond de fabriek toert. Woede ook om deze Seveso kwestie. Niet de arbeiders brengen de streek of de fabriek in gevaar maar de kaders die werken en dat niet kunnen. Seveso is nog nooit gebruikt als het nodig was bij een ongeval in een chemieplant. Wel tegen de arbeidersstrijd. Vele arbeiders hebben meerdere dwangsommen ontvangen sinds het begin van het guerrilla. De RTBF komt nu ook. Arbeiders zeggen me hen geen woord te zeggen. 'Attention media' moet hier niet uitgelegd worden. De RTBF is door de patroon verwittigd dat hij deze morgen een wagon naar buiten wil. Jozef 181 overlegt met de arbeiders over de te volgen tactiek. Geen woorden van 'die rijkswacht kunnen we niet aan'. Ze zullen er het beste van maken en vechten. Jozef vloekt omdat hij nog steeds geen mobiele telefoon heeft. Anders zou hij tientallen arbeiders en delegees opbellen. In alle vroegte hebben de stakers het rangeerstation, waar de locomotief moet vertrekken, geblokkeerd. Bovendien hebben ze ervoor gezorgd dat geen enkele treinwagon de fabriek kan binnenrijden. Het kost de patroon dan ook vele uren om dit op te lossen. Het piket splitst zich maximaal op in kleine groepjes. Ze hopen dat daar telkens acht rijkswachters achteraan gaan. Enkelen blijven ter plaatse om te zien hoe de sabotageactie het laden uren tegenhoudt. Het werkt. Een arbeider trekt met veel 'poeha' lange botten en regenkledij aan en vertrekt met twee anderen. Geen minuut later gieren de rijkswachtauto's met loeiende sirenes en ook wij erachter. Op de plaats waar de locomotief moet vertrekken gaan ze op de sporen zitten. De jonge 'coming man' van de rijkswacht sluit hen in met twintig van zijn mannen. Bij de neus gepakt. De hele operatie moest een kwartier duren, ze heeft een goeie halve dag geduurd. Jozef vindt zijn optreden die dag ondermaats. Regelmatig zal hij me (Jaarna vragen: 'Zag je dan niet dat ik kapot was?' Het is goed om te zien dat zelfs een oververmoeide arbeidersleider op automatische piloot nog steeds goed functioneert. De staking gaat verder, de dwangsommen hebben als een boemerang gewerkt. Er zijn er zoveel uitgeschreven dat het ondenkbaar is dat die ooit zullen betaald worden, sommige arbeiders hebben er zes en meer. Het vrouwencomité krijgt vorm en organiseert een barbecue. De vrouwen steken de vlam aan de dwangsommen. Fier staan hun mannen en sympathisanten te applaudisseren: 'Een rebelse meid is een parel in de klassenstrijd.' De sfeer zit er in, maar de mannen wacht een moeilijk moment. Michel Nollet heeft vergaderd met de delegatie: 'De patroon trekt alle dwangsommen in als we de staking stoppen, we hebben dus gewonnen.' De delegatie is verdeeld. Het standpunt van Nollet moet op een algemene arbeidersvergadering voorgesteld worden als vakbondsstandpunt. Maar Jozef verdedigt de lijn Nollet niet want: 'We hebben geen arbeidsduurvermindering, de staking is niet gedaan.' Bij de stemming is 33% voor verdere staking. Veel gezien de omstandigheden. Maar er is meer. De arbeiders zeggen reeds weken: 'Hoe gaan wij nog ooit voor zo'n patroon werken, de sfeer is voorgoed verpest: hij heeft deurwaarders, rijkswacht en gouverneur tegen ons gebruikt. De lock-out, de ontzetting van de fabriek, de veertien overvalwagens. Dat komt niet meer goed.' 182 Het vervolg laat zich raden. Van mei '95 tot eind '96 saboteren de arbeiders de productie op alle mogelijke manieren. Ze gaan niet meer naar vormingen. De baas moet vaststellen dat er met die mannen niets meer aan te vangen is. Een ramp, want hij is niets zonder hen. En eind '96 kent de staking van '95 haar echte ontknoping. Bij de onderhandelingen voor de cao in oktober '96 gaat de baas plots akkoord met de eisen van '95. Maar dan wel zo dat het officieel geen arbeidsduurvermindering lijkt. Bovendien geeft hij de arbeiders een loonopslag van vijfentwintig frank terwijl dat niet mag volgens het Globaal Plan. De arbeidsduurvermindering wordt 'drie extra vormingsdagen thuis' genoemd. In een creativiteit het patronaat eigen, doorbreekt hij twee keer het Globaal Plan. De hele zoning kijkt op naar deze verworvenheden. De arbeiders zijn fier over hun principiële strijd. In '97 vraag ik Jozef hoe hij nu precies onder de arbeiders werkt. Hij wil me gerust een aantal gouden regels toevertrouwen, verworven met vallen en opstaan, in strijd met zijn vroeger anarchisme, door ondervinding en studie. De zeven vuistregels van Jozef 1. Je moet vooropgezette ideeën overboord gooien als je de fabriek binnenstapt. Ik heb standpunten waarvan ik de arbeiders wil overtuigen, maar in discussies vertrek ik daar niet van. Je moet fundamenteel leren luisteren naar wat arbeiders zeggen, hoe die zich uitdrukken en dat moetje systematiseren. Het gebeurt dat mijn zakken uitpuilen van papiertjes waarop ik opmerkelijke ideeën van arbeiders schrijf. Ik systematiseer ze veel te weinig maar een voorbeeld zal mijn stelling duidelijk maken. Een arbeider zegde: 'Om aan politiek te doen moetje vader en moeder vermoord hebben.' Wat wil die zeggen? Als je daaruit verstaat dat de arbeiders tegen het marxisme zijn dan kan je beter niet in een fabriek werken. Dan blijkt dat hij het over Di Rupo en consorten heeft. Ja, die hebben het wezen van de arbeiders vermoord en die arbeider mag dat zeggen want Di Rupo heeft een arbeidersafkomst. Hij bedoelt dat zelfs politici van arbeidersafkomst de arbeidersklasse verraden hebben. Als je zo iemand antwoordt met: 'Je moet aan revolutionaire politiek doen', dan blokkeer je de gesprekken met die man misschien voor jaren. Via praktische zaken kan je hem tonen dat revolutionairen aan een ander soort politiek doen. De man in kwestie is vandaag een revolutionair. Of neem een gesprek waarin je een arbeider vraagt revolutionair te worden. Antwoord: 'Ik heb daar geen tijd voor.' Welk soort antwoord is dat? 183 Hij was toch akkoord met al je principes? Een arbeider hou je niet voor de gek. Hij zegt: 'Je vraagt me om gans mijn leven om te gooien. Alles moet ik dan herbekijken, want dat is een strijd voor de rest van mijn leven. Je vraagt steeds solidair te zijn en dat te tonen in daden. Ik zal moeten vergaderen, bijleren, studeren, acties doen. Wel, dat wil ik niet.' Sta je niet met een luisterend oor in de fabriek, dan zal je enkel ontgoocheld worden. Je zal vinden dat de arbeiders racisten en idioten zijn terwijl jij de idioot bent die niets begrepen hebt. 2. Sluit geen enkele arbeider uit. Als je enkel praat met degenen die reeds antiracistisch en voor het socialisme zijn kan je er beter wegblijven. Je moet dit trouwens zo snel mogelijk met jonge revolutionaire arbeiders bespreken. Je moet aan de beste arbeiders leren hoe ze met anderen moet werken. Jonge revolutionaire arbeiders voeren gepassioneerde discussies en komen dan bij je terug: 'Het zijn hier allemaal achterlijken, niks mee te doen.' Dan moetje vragen wat er gebeurd is. Een racistische opmerking? Neem die opmerking met die arbeider door: de racisten zijn de moeilijkste arbeiders. Dat is dus een grote uitdaging. Het grote werk: je zoekt een positief punt van deze 'racist' en je leidt hem stilaan naar andere posities tot hij effectief inziet dat hij fout was. Er is echt maar een kleine minderheid rechtse arbeiders. Je moet de beste arbeiders steeds tonen dat de rechtse groep niet groeit. In de beweging rond de vermoorde kinderen zag ik mensen die wat bang overkomen mee in de strijd springen, mee de essentie van het kapitalisme in vraag stellen. Ook tegenstrevers zag ik de strijd vervoegen. Dat gebeurde vroeger ook al maar dit jaar was het massaal. 3. Het is mogelijk arbeiders voor een principiële strijd te winnen en hem te voeren. Eerst moetje zelf goed weten dat bijna alles van wat er gebeurt met een principe te maken heeft. Bij het begin van een principiële strijd moetje de arbeiders deze principes heel duidelijk voor ogen houden. We hebben dit gedaan met arbeidsduurvermindering. In '90 hadden we alle arbeiders overtuigd. Toen kwam een hele groep nieuwe, jonge arbeiders binnen. Die wilden zoveel mogelijk uren werken om te verdienen, te trouwen, een huis te kopen. We konden herbeginnen. Op de algemene vergaderingen zegden we dat onze centrale eis ook in '93 arbeidsduurvermindering was. Ze waren niet overtuigd. Dan spreek je hen aan: 'Als alle arbeiders in België standpunten hadden als die van u dan zou de productiviteit stijgen en de flexibiliteit nog erger worden en er zouden nog meer jobs sneuvelen. Zijt ge zeker dat uw job er dan nog zal zijn? Niemand is daar vandaag nog zeker van. Of zijt gij de volgende zonder job? En gaat gij dan 184 de job van de kameraad naast u afpakken? Is het zo'n wereld dat ge wilt? Wel, daarom moet ge principes hebben en ervoor vechten.' We hebben ze overtuigd. Tegenover de beste arbeiders van de vergadering, die daar al jaren mee akkoord gaan, gebruik je de discussie over de werkloosheid om het over de essentie van het kapitalisme te hebben en over het socialisme. Dan zeggen ze: 'Jozef de communist is er weer.' Ze verwachten het van me. Een ander voorbeeld. Het werk in onderaanneming. De syndicale beweging heeft daar geen enkel principieel antwoord op, terwijl dat een lopend vuurtje is. Welk principe staat hier op spel? De vakbond zegt niets. Ze hebben geen visie op lange termijn. Wel: dan kan de strijd daarrond enkel gedoemd zijn snel uit te doven, omdat men de principes die op het spel staan niet ontwikkelt. 4. Een intellectueel zijn die aan de kant van de arbeiders in de fabriek werkt, dat is niet zo eenvoudig. In stakingen worden de jongeren en militanten van de PVDA vaak met open armen ontvangen, maar dat wordt anders als je de fabriek instapt, voor goede en kwade dagen. Het is dansen op een smalle koord. Datje gedragen wordt als marxist kan je beter vergeten, de arbeiders zullen je geen schouderklopje geven. Arbeiders hebben nu eenmaal vaak met burgerlijke intellectuelen te maken gekregen in hun leven en daar besluiten uit getrokken. Het begrip 'intellectueel' heeft geen goede klank onder de arbeiders. Er zijn de patronale kaders, de controledokters, de rechters en zelfs intellectuelen die in het vakbondsapparaat opklommen en geen roots van klassenstrijd hebben. Alle taken van intellectuelen aan de andere kant van de strijd moetje ook doen en beter, dat terwijl je even moe en versleten geraakt als de arbeiders. Je intellectuele ambities moeten hoger liggen dan die van burgerlijke kaders, maar het heeft geen enkele zin dat aan de arbeiders te zeggen. Ik heb de titel intellectueel nooit opgeëist, maar ik weet dat ik er een moet blijven. Arbeiders zitten complex in elkaar. Ze zeggen zaken op een manier die wij niet kennen, vaak ongenuanceerd. Ze poneren een stelling. En dan moetje naar de kern van hun stelling zoeken want vaak is die kern een stuk juist en een stuk mis. Of de verpakking is mis. Maar je mag je daarop niet blindstaren. Wat ga je anders doen, ze als klasse veranderen? Gij moet u aanpassen, gij blijft steeds een 'rare' en 'serieuze'. Ook essentieel is dat men ziet dat je nooit verandert. Als intellectueel moet je van klasse veranderen voor je hele leven. Ze houden je in 't oog, wees maar gerust, altijd. Ze geven je maar vertrouwen als ze zien dat je overeind blijft tegenover de patronale pletwalsen. Je moet hen tonen dat je een intellectueel van een ander type bent. Schoonpraters horen ze dagelijks op tv. 185 Moet een marxistische intellectueel een echte arbeider worden? Hij kan als een arbeider gaan leven maar dan wordt hij een arbeider onder de honderdduizenden. Dat vind ik ook een vorm van verraad. 5. Je wordt een collectief. Je moetje in de fabriek omringen met mensen die ook vechten voor principes in de arbeidersstrijd. Deze cirkel van mensen die verantwoordelijkheid dragen, moet de hele tijd vernieuwd worden want de strijd staat nooit stil; sommigen haken af en anderen sluiten aan. Je moet die cirkel voortdurend vergroten zodat je richting kunt geven aan de arbeiders van het centrum. Dit neemt tijd in beslag en het is een zigzaggend parcours. Je zult telkens weer een tandje moeten bijsteken. Zo'n cirkel bestaat niet alleen uit marxisten. Maar je bent een gelukkig mens als die in aantal toenemen. Want hoe steviger de kern hoe meer stormen die kan doorstaan. De delegatie gedurende jaren op juiste standpunten houden is geen geschenk uit de hemel. Je moet steeds voor een klassenpositie vechten. Het is nooit verworven. Dat is een permanente strijd met elk van hen. Als je op je lauweren gaat rusten zit je fout. Er is steeds druk van allerlei burgerlijke invloeden. Dus je moet steeds met hen werken, vanuit een vertrouwen dat de juiste standpunten winnen. Vertrouwen als basis en overtuiging als dagelijkse kost. 6. De arbeidersstrijd is steeds in beweging. Neem de veranderingen van de laatste tien jaar. We kunnen de veranderingen onder de arbeiders van '69 tot nu hier niet beschrijven. Maar de laatste tijdspanne van tien jaar wel. Voor al diegenen die zeggen dat het een te optimistisch beeld van de arbeiders geeft, zeg ik vooraf dat ik geloof in het revolutionair karakter van de arbeiders. En wel in deze zin: arbeiders zijn permanent gerevolteerd. De Bende van Nijvel, politieke corruptie, de kinderen en de manipulatie van de regering daaromtrent, de werkloosheid. Arbeiders zijn steeds gerevolteerd. Ik weet ook niet precies hoe een revolutionaire opstand zal verlopen, maar komen zal hij. Dat is mijn vertrekpunt. De laatste tien jaar zijn er bewegingen geweest die mijn standpunt enigszins staven: de stakingen tegen het Globaal Plan, de strijd rond de vermoorde kinderen en tegen de sluiting van Clabecq en Renault. 1987: de treinen van Martens waren aan 't passeren, de werkloosheid greep om zich heen, maar buiten beperkte nationale vakbondsacties, de strijd van de mijnwerkers en de openbare diensten was het tamelijk kalm. Internationaal was het ook kalm. 1989: een totaal ander beeld. De Muur van Berlijn. Moet die nu weg of niet? Ik denk soms in termen van 'voor en na de Muur'. Er waren arbeiders 186 die zegden: 'Je kan er toch niet tegen zijn dat die Muur daar verdwijnt. Je kan er toch niet tegen zijn dat die mensen van de ddr kunnen reizen.' Ze zagen de bedoeling van Amerika en Duitsland niet. De beste arbeiders wisten wel dat er meer aan de hand was. En toen viel de Muur en de arbeiders ginder konden toch niet op verlof. Ze zagen dat. Ze waren ontgoocheld. Ze hadden zich laten foppen want ondertussen was het socialistische alternatief weg. 1992: diegenen die gezegd hadden: 'Je kan daar toch niets tegen hebben' zwijgen in alle talen en de anderen zeggen: 'Maar verdomme is dat nu het lot van die mensen? Die zitten drie maanden opgesloten in een miezerig restaurant of atelier ergens in een kelder in Brussel te werken, gaan weer een tijdje naar hun land om illegaal terug te keren, om te kunnen overleven. Zijn dat hun reizen? Dat kan toch niet. Het is een catastrofe voor die mensen.' Europa '92: Voor ons zijn de consequenties ook niet mis te verstaan. Sinds de Muur weg is kennen we hier het wilde kapitalisme. Zo is de 'Muur' een aanlooppunt geworden in de discussie over de noodzaak van een socialistisch systeem. En zou het kunnen dat het neerhalen van de Muur van Berlijn en het heroveren van het sovjetblok ook een boemerang wordt? Dat was vijfjaar na de val van de Muur. Eind 1993: de strijd tegen het Globaal Plan. Een formidabele strijd. En het is maar een vingeroefening. 1995: een reeks belangrijke stakingen, al van eind '94 begonnen in de textiel, dan zowat overal in Wallonië en Vlaanderen. Met een afbraak van het stakersrecht: dwangsommen. Maar anders dan de jaren ervoor leidden die dwangsommen niet tot het stoppen van de strijd. De boemerang. De aanwezigheid van deurwaarder en rijkswacht deed olie op het vuur van de strijd. Vele arbeiders herwonnen hun dapperheid. Dat is wat er tot '95 gebeurde. 1996: de ontgoocheling in de nationale vakbondsleidingen stijgt, de strijdwil ook. Er komt een begin van bewustwording dat er eenheid moet zijn met de studenten, leraars en scholieren die vechten. Als die in Luik in de val worden gelokt door Dehousse 'matrak', zijn die van Clabecq en Caterpillar, maar ook andere fabrieken solidair met de studenten. Zomer '96: de vermoorde kinderen en de rijkswacht die ze niet heeft willen vinden. Connerotte. De immense etterbuil barst open. De arbeiders reageren met strijd. De ouders Russo en Lejeune sturen via de begrafenis van hun kinderen een arbeidersstandpunt de wereld in. En tienduizenden arbeiders herkennen die klacht tegen het gerecht. 300.000 mensen op straat, vele fabrieken die staken tegen dat klassengerecht. D'Orazio weet de strijd 187 van Clabecq voor werk aan de strijd voor de kinderen te binden. Kinderen: de achillespees van elke arbeider. 1997: 70.000 man in Tubeke, 30.000 in Namen. Marx verschijnt op straat en D'Orazio zegt: ik lees Marx. Vandaag maken de arbeiders geschiedenis. Bij elke begrafenis van een vermoord kind hebben wij het werk korte tijd neergelegd. De kaders moesten overnemen. Telkens opnieuw: voor Julie, Melissa, An, Eefje, Loubna. Vandaag zeggen de arbeiders andere dingen dan vijf jaar geleden. De democratische beweging, Clabecq, de schandalen hebben hun gedachtegang in een fundamentele versnelling gebracht en dus moet je als intellectueel mee versnellen. Renault! Niemand is nog werkzeker, het front van de strijd wordt breder, de vakbondsstructuren staan op een kruispunt. Wat ze zo prachtig vinden aan de mannen van Clabecq is dat ze de rijkswacht ervan langs geven en dat ze Nollet een lesje geven. Op dit moment kom ik uren te kort. Er komen volgens mij nog nieuwe Clabecqs. De generatie arbeiders die nu politiek bewust is, zegt vaak: 'Het zijn onze grootouders en niet onze ouders die ons over de arbeidersstrijd hebben opgevoed.' Ook dat is nieuw. Een paar weken terug maakte ik een grappig gesprek mee. Een jongere arbeider, zijn vrouw, vader, moeder en tante zijn aanwezig. De jonge gast wil bij de PVDA aansluiten en zegt aan zijn vader: 'Alles wat ik wilde weten over het socialisme heb ik van opa geleerd. Waarom hem je niet meer over zijn strijd verteld.' De vader, moeder en tante moeten hem gelijk geven. Ze kijken op naar deze jongere die vandaag openlijk zegt: 'Ik ben marxist.' En zijn opa was een van de Italiaanse communisten die moest vluchten voor Mussolini en hier in de mijn heeft gewerkt. Ze waren in de jaren '30-'40-'50 voor de Sovjetunie, hebben daar boeken en foto's van. Opa dacht op een naïeve manier dat het socialisme van Rusland de arbeiders van de hele wereld in de schoot zou vallen. Dat gebeurde niet, maar ze bleven trouw aan het socialistisch ideaal. Hun ideaal wordt vandaag terug levend, want zij zijn al lang gestorven door stoflong. De vader is fier op zijn zoon. De vader behoort tot de zogenaamde 'gekochte' arbeiders van na de Tweede Wereldoorlog. 'Zogenaamd gekochte' want de strijd heeft eigenlijk niet stilgestaan. Er was '60-'61, Zwartberg, de strijd tegen de sluitingen van de mijnen in Wallonië, de vele wilde stakingen van de jaren zeventig. Laat het ons houden op de vaststelling dat die generatie af en toe werd in slaap gewiegd door de 'realiteitslijn' van de nationale ABVV-en ACV-ideologen. Die vernieuwde fierheid om een communistische opa is nieuw en hoopgevend, want in de streek van Charleroi, La Louvière en de Borinage zijn er veel kleinzonen van zulke arbeiders. En hun zonen 188 kunnen en willen de erfenis vandaag aan hun kinderen en kleinkinderen doorgeven. 7. Wees een gelukkig man zoals ik. Ik ben gelukkig omdat ik mijn leven geslaagd kan noemen. Zelfs op het meest zelfkritische moment blijft het een gelukt leven. Ik ben een tevreden man. Al de stappen die ik zette waren noodzakelijk. Ik heb mijn verleden niet verloochend, heb niets fundamenteels afgezworen en toch ben ik fundamenteel veranderd. Ik ben niet veranderd als persoon, wel qua ideeën en overtuigingen. Wat ik echt wilde bereiken doe ik elke dag. Het is niet altijd gemakkelijk geweest, er kwam een moeilijke periode, maar wie heeft dat niet meegemaakt? Voor mij is het niet belangrijk te weten of ik een leiderstype ben, mij interesseert wie je leidt en hoe. Je wordt niet als arbeidersleider geboren, je leert dat doorheen de strijd. Vooral de laatste jaren zijn bijzonder: ik besef dat ik invloed heb op vele mensen. Als we met de autobus of met auto's naar betogingen van Clabecq of andere gaan, zie ik vrouwen naar hun man kijken: 'Is dat nu Jozef?' Je weet dat er in dat gezin al jaren over mijn standpunten gepraat wordt, en dan wil de vrouw ook discussiëren over de kern van de zaak. De tijd ontbreekt me om al die gesprekken te voeren, ik zou bij hen thuis moeten kunnen gaan, maar ik kom uren te kort. En ik ben toch een beetje ziek en wat versleten. Maar ik hoop al die discussies te kunnen voeren. C'est la classe ouvrière qui est la plus belle a mes yeux Ik weet niet meer wie dat liedje maakte, of van wie ik het onderweg opraapte, 't Kan van de gam zijn. Ik zing het nog steeds op belangrijke momenten. Het liedje is niet van toepassing als de arbeiders dagelijks aan 't zwoegen zijn. Maar als ze aan het strijden zijn wel, want dan zijn ze eventjes bevrijd van een loodzwaar juk dat hen neerdrukt: het kapitalisme. 189 Myriam - Inhoud - de fabriek
De staking van de dappere vrouwen van Armco. Laatste rij tweede van rechts: Myriam. Vierde van rechts laatste rij: Christian Van Laetem, vriend en delegee van Twin Disc, komt zijn solidariteit met de vrouwenstaking betuigen. Gehurkt: eerste van links: Jeanine Tips, kameraad van Myriam, delegee van het ACV, eveneens PVDA-lid.
190 Als je ter hoogte van Blandijnberg nummer 160 in Gent Die Dreigroschenoper van Bertolt Brecht hoorde ('Ein guter Mensch sein? Ja, wer war's nicht gern? Doch die Verhaltnisse, sie sind nicht so!'), wist je dat Myriam thuis was. Wat ons daar buiten de vriendschap verbond, was dat we beiden regelmatig gingen klussen als jobstudent. In een bloembollenkwekerij in Lochristi bijvoorbeeld, waar we met een stalen borstel de aarde van de bloembollen moesten borstelen. Na enkele uren lagen je handen open en werd het een bloederige boel. De werkplaats was een ijzig koude schuur, spreken was verboden. We kregen al snel een verwittiging omdat we ons daar niet te veel van aantrokken. De verwittiging was koren op de molen. We vonden onszelf best dapper toen we de baas lieten verstaan waar hij zijn bloembollen en folterborstels kon steken, we vonden wel weer een andere klus. De arbeiders zullen het wel gehouden hebben bij een schamper 'die gaan terug naar d'unief'; voor hen ging het leven gewoon door. 's Avonds zaten we vaak om elkaar te lachen, we waren gegarandeerd op de verkeerde verliefd of de verkeerde op ons. Onze vriendschap gaat nu al meer dan een kwarteeuw mee. Soms gaan we samen naar een stakerspiket. Daar krijg je Myriam niet weg voor ze zeker is dat de rijkswacht niemand zal oppakken. Of we verkennen La Louvière met een paar Italianen. Via de binnenwegen van hun jeugd brengen die ons bij de houten barakken waar hun vaders woonden toen ze hier als mijnwerker naartoe kwamen. 'Bois de Luc', een gerenoveerde mijncité: huis in, huis uit, met de mensen praten. We reisden samen al liftend naar Frankrijk en Andorra en sliepen in open lucht. Aan haar manier van reizen is niet veel veranderd, bij mij wel. Ze maakt me deelachtig aan die reizen door haar verhaal. Een andere keer geeft ze me weer een dichtbundel door of laten we haar petekind de dokken van Antwerpen zien. Daniel is onder de indruk, Myriam ook. 'We moeten meer arbeiders van Charleroi de haven laten zien!' Ze is vrij Afrikaans geworden: mijn dochter is ook haar dochter. Enkele jaren terug verloor ze een goede vriendin aan aids: voor haar een zus die stierf. Maar er zijn ook enkele brieven uit Libanon, toen ze er op missie was om de vermiste dokter Jan Cools terug te vinden. Vanuit een schuilkelder in Beiroet schreef ze mij in 1989: 'Mijn werk gaat moeilijk vooruit, en nu weer de bombardementen. Ik denk dat ik op 1 mei niet in Brussel zal zijn, 191 erg jammer maar we moeten Jan vinden.' Ze interviewde Leila Khaled, die mee een vliegtuig kaapte om de Palestijnse zaak onder de wereldaandacht te krijgen. Laila intrigeerde ons. Vroeger hadden we veel bewondering voor La Gauche Prolétarienne dat in Parijs fietsen stal om ze in armenwijken uit te delen, toeristenbussen 'overnam' om het Parijs van de bidon villes te tonen. Als het even kan is ze 's zaterdags in Chatelineau, dé B'ara markt van Charleroi. Het lijkt wel of ze iedereen kent: arbeiders, migranten, kunstenaars. Ze fluistert me hun verhaal toe en eindigt steevast met een: 'Het is een goeie, strijdbare mens.' Ze houdt van de poëzie van deze strijdende mensen en van de liederen uit de Belgische en internationale klassenstrijd. De beweging die ijvert voor het behoud van de mijnterrils, krijgt Myriams steun: Qui donc de chez nous n 'a pas joué sur les terrils ? (Terrils, Editions de Vie Ouvrière, Brussel, 1978.) Myriam is een stukje Charleroi geworden, Charleroi een stukje Myriam. Sinds '71 werkt ze in de fabriek. Soms neemt ze loopbaanonderbreking om politiek werk buiten de fabriek op te nemen. Maar de fabriek blijft na 26 jaar nog steeds haar uitvalsbasis. Ik zeg dat ik haar hele verhaal wil horen, maar ze aarzelt: 'Ik heb niet veel gedaan, er zijn er die zoveel beter werk hebben geleverd dan ik.' Maar ze wil het wel proberen. Door de bandopnemer zitten we er allebei wat formeel bij. Uiteindelijk wordt ze heel stil, ze wikt haar woorden en steekt van wal. Ik leer een onbekende Myriam kennen: ze formuleert haar verhaal bedachtzaam, de woorden voorproevend terwijl ze alweer een nieuwe sigaret rolt, maar ze spreekt met hart en ziel. Enkel als het over de baas van de fabriek gaat, verandert haar fijne lach in een gebulder. Ze minacht hem en heeft hem met de hele fabriek een paar keer lelijk te grazen genomen. Een jeugd in Brasschaat Ik kom uit Brasschaat, uit het dorp zelf, waar de 'gewone' mensen wonen, niet het Brasschaat van de rijke Antwerpenaren en Nederlanders. Mijn ouders waren arbeiderskinderen, een grootvader kasseilegger, de andere 192 een havenarbeider in Oostende. Mijn vader was douanier in Wuustwezel, mijn moeder huisvrouw. Voor mij, hun enige kind, wilden ze 'niet langer een blauwe kiel maar een witte schort,' zoals een oom het zei. Heel de familie was er zich al over aan het verheugen dat ik dokter zou worden nog voor ik mijn middelbare studies achter de rug had. Alles stond in het teken van die geplande sociale 'vooruitgang': spelen gebeurde bij de jeugdbeweging, vanzelfsprekend niet op straat. Ik bezocht ook de 'betere' scholen. Voor mijn humaniora het Stella Mans in Merksem, waar ik de wetenschappelijke humaniora volgde. Het was een autoritaire school: in de rij staan, zwijgen, middagmalen in een donkere refter, wachten voor het gebed,... Af en toe probeerden we aan die dril te ontsnappen, maar we werden steeds onderschept en teruggevoerd. Die nonnen hadden overal hun tentakels. Na de school nam ik geregeld de bus naar Antwerpen, ik was nieuwsgierig wat er gebeurde in een grote stad. Als de nonnen dat te weten kwamen, verwittigden ze mijn ouders. Thuis werd daar niet mee gelachen. Hielden ze hun kind van de straat, zoekt het zelf zo'n oord van verderf als Antwerpen op! Maar ik amuseerde me ook wel. Ik las veel in die tijd, de gedichten van Paul Van Ostayen vond ik bijzonder goed. En bij het Vlaams Verbond van Katholieke Meisjesgidsen, VVKM, in de jeugdbeweging, kon ik het juk van de nonnen en die overbeschermende thuis van me afwerpen. Dat werd nog beter toen ik in leiding ging. We moesten dan zelf van alles organiseren, wekelijks de 'vergaderingen' voorbereiden, in de Ardennen een kampplaats zoeken. En via de jeugdbeweging kwam ik ook in contact met de Derdewereldbeweging. Een aantal ex-scoutsleiders studeerde in die periode aan de unief in Gent en zat daar in de marxistische vleugel van de GSB, de Gentse Studenten Beweging. Die kwamen bij ons discussies op gang trekken over 11.11.11., over de zin en onzin van dat soort solidariteit met de Derde Wereld. Door hen kwamen we te weten dat niet al het geld van de projecten de mensen ter plaatse ten goede kwam. We hebben toen zelfs Brasschaat in rep en roer gezet. De aalmoezenier bezorgde ons elk jaar promotiemateriaal over de projecten, en iemand van ons moest de mensen in de kerk oproepen giften te doen voor 11.11.11. We besloten dat jaar met heel de groep naar de kerk te gaan en de parochianen duidelijk te maken waarom ze 11.11.11. niet langer moesten steunen. In de eerste mis is dat heel ordelijk verlopen, maar in de volgende mis kreeg onze woordvoerster de micro niet meer van de pastoor. Ze is dan na de communie beginnen spreken zonder micro, waarop de koster haar probeerde te overstemmen met zijn orgel: de kerkgangers waren geschokt, en wij werden allemaal uit de jeugdbeweging gezet. 193 Maar met een harde kern van tien gingen we door. Door de discussies met de ex-scoutsleiders trokken we nu ook de rol van de Kerk in de Derde Wereld in twijfel. Heeft de Kerk in Brazilië bijvoorbeeld niet mee indianen vermoord, verkocht, gedwongen gekerstend? Wat bleef er over van al die edele christelijke waarden als het over de machtsuitbreiding van de Kerk ging? We besloten dit aanschouwelijk aan te klagen. We namen een stootkar, haalden de stoel van de deken uit de kerk en bonden die op de kar. Op de stoel een skelet dat een geneeskundestudent had bemachtigd, en zo trokken we door Brasschaat. Het was mijn eerste betoging. We hadden het virus van actievoeren te pakken. We protesteerden ook tegen een militaire taptoe in het park van Brasschaat door er de boel op stelten te zetten. Een andere keer gingen we protestaffiches op de kerk plakken, maar daarbij werden we betrapt en opgepakt door de politie. Mijn vader kreeg daarna bezoek van de Bijzondere OpsporinGSBrigade. Hij werd zwaar onder druk gezet om me op 'betere' gedachten te brengen en hij kreeg te verstaan dat hij zelf wel eens zijn werk zou kunnen verliezen als zijn dochter zo verder zou gaan. Intimidatie die werkte, ik mocht niet meer buiten. Niet dat ik me aan dat verbod hield. Ik wilde op de hoogte blijven van de acties van La Gauche Prolétarienne. Duidelijke, radicale acties tegen de armoede en het onrecht; ik wilde er alles over weten. Maar om die krant te kopen moest ik buitenbreken. Het einde van mijn humaniora verliep dus vrij tumultueus, maar mijn ouders dachten dat studies aan de universiteit me wel op andere gedachten zouden brengen. Geneeskunde in Gent In '69 begon ik in Gent een studie geneeskunde, net zoals mijn ouders het voor mij gepland hadden. Alleen: ik begon die studie om daarna naar de Derde Wereld te gaan. Volgens mij waren er hier dokters genoeg, terwijl ik me ginder echt nuttig kon maken. Ik wilde in Vietnam of elders als dokter gaan werken aan de kant van de vrijheidsstrijders. De eerste maanden studeerde ik heel hard. Maar ik werkte ook als jobstudente, om zelf mee in te staan voor de studiekost. Als werkstudent was ik geshockeerd door het milieu van het eerste jaar geneeskunde; voor het merendeel kinderen van advocaten en dokters. Met hen ontstond er een kloof die ik zelf wilde, met de anderen had ik een goed contact. Na een paar maanden begon ik naar debatten te gaan, en nadat ik eens aan de Brug een boekje van Mao Tse-Toeng gekocht had (Over de tegenstelling) werd ik door GSB uitgenodigd op een vergadering. Het bleek een vergadering met filosofiestudenten. Het 194 debat oversteeg duidelijk mijn niveau, maar ik vond het heel boeiend. In januari 1970 kocht ik een krantje over de mijnstaking die toen bezig was. Ik was zo geïnteresseerd dat de student van wie ik het gekocht had me vroeg het mee te verkopen. Ik kende die wereld van arbeiders en fabrieken wel niet, ik had alleen over de stakingen van La Gauche Prolétarienne in Frankrijk gelezen, maar eigenlijk vond ik dat wel een goeie manier van werken. Er waren in die periode in bepaalde faculteiten solidariteitsstakingen voor de mijnwerkers. Geneeskunde deed niet mee, maar met een paar mensen gingen we wel mee piket staan. Er was toen veel beweging aan de unief en de marxist-leninisten van GSB trokken de acties open naar de arbeiders en de Derde Wereld. De trotskisten bleven steken in het werk in de faculteit, bij de democratisering van het onderwijs, en dat was niet echt mijn ding. Toen GSB de studenten opriep om naar de fabrieken te gaan, of om pamfletten uit te delen die de solidariteit met de Limburgse mijnwerkers moesten versterken, ging ik mee naar Fabelta Zwijnaarde. Praktisch gevolg: dat jaar was ik niet geslaagd, waardoor ik het volgende jaar weer meer tijd vrij had. Vanaf mijn tweede jaar in Gent zat ik midden in de beweging: als ik niet op een of andere vergadering zat, was ik wel ergens pamfletten aan het uitdelen. Stilaan veranderde ook mijn verlangen om naar de Derde Wereld te gaan. Ik was nog steeds met die problematiek begaan (dat academiejaar was voorafgegaan door de 'Zwarte September': de afslachting van de Palestijnen in Jordanië, en daar was ik ook voor in het getouw), maar door de confrontatie met de onderdrukking van de arbeiders hier in België zag ik voor het eerst dat er hier ook fundamentele problemen waren. Ik ging naar debatten van GSB waar arbeiders kwamen spreken van grote fabrieken als Ford en Renault. Een nieuwe wereld ging voor mij open. Ik was geïntrigeerd door hun werkomstandigheden, hun protestacties, de repressie. In de loop van dat jaar heb ik dan de beslissing genomen om hier te blijven en in de fabriek te gaan werken. Ook een uitspraak van Mao over de jeugd speelde daarin een rol: 'Het enige criterium om te beoordelen of een jongere werkelijk revolutionair is, is of hij in staat is om zich werkelijk te verbinden met de brede massa's van de boeren en van de arbeiders.' Ik wist wat me te doen stond, ik zou geen dokter worden. Dat was natuurlijk niet naar de zin van mijn ouders. Toen ik op kot ging waren ze zelfs naar Oostende verhuisd, in de hoop me van mijn vrienden in Brasschaat te isoleren. Ze hadden er geen idee van dat ik ondertussen in het centrum van de politieke actie terechtgekomen was. Ik ging steeds minder naar huis en uiteindelijk besloot ik dus mijn studie stop te zetten. Mijn ouders waren zeer ontgoocheld, ze hadden er alles voor gedaan opdat ik het verder 195 zou schoppen dan zij. Maar daar kon ik zelf echt niet voor kiezen. Er was toen tijdelijk een kortsluiting in onze verstandhouding. Zij konden slechts zien dat ik misschien wel een 'intellectueel' was, maar dan wel een die steeds arm zou blijven. Zelf heb ik in die tijd ook niet veel moeite gedaan om hen uit te leggen wat mijn motieven waren. Later deed ik daar meer moeite voor, en onze relatie is ook veel verbeterd. Als astmapatiënt weet mijn moeder hoe duur de geneeskunde is. En zaken als de gratis geneeskunde van Geneeskunde voor het Volk konden ze begrijpen en appreciëren. Textielfabriek 1971: is dit een leven? Ik bood mij aan bij een textielfabriek van de groep uco en werd er aangeworven in een wolspinnerij. Ik moest vijf machines controleren, elk meer dan tien meter lang. Tussen die machines was er een gang, veel te smal. Op elke machine stonden vijftig bollen wol die tot fijne draad gesponnen werden. Er konden dus tweehonderdvijftig draden breken, en als dat gebeurde moest ik daar met een kar vol materiaal naartoe om met een textielknoop de draad te herstellen. Was ik niet snel genoeg ter plaatse dan draaide de draad overal tussen. Je moest die dan met een mes wegsnijden, maar snel, snel want ondertussen konden andere draden breken. Op mijn kar stonden ook zware wollen bobijnen die ik op de machine moest zetten als de vorige bol helemaal tot garen gesponnen was. Soms moest ik echt heksentoeren uithalen om met die zware kar door de veel te smalle gangen te laveren. Enorm lastig werk. Maar misschien was het stof wel erger dan die stress. Boven de machines werd lucht over de bobijnen geblazen om het vrijkomende stof weg te blazen. Dat stof kroop overal, net fijne sneeuw. In onze ogen, onze mond, onze neus. We aten stof, hadden voortdurend verschrikkelijke dorst en iedereen liep met pijnlijk rode ogen. Zelfs thuis, als ik 's ochtends wakker werd, moest ik enorme hoeveelheden drinken. Bovendien maakten die machines een enerverend scherp lawaai, we moesten werkelijk roepen om mekaar te verstaan. Er was dan ook weinig contact met de andere arbeiders, en iedereen had zijn gangen te surveilleren. Achter ons stond iemand te chronometreren: snelheid van het vervangen van de bollen wol, snelheid waarmee we de draad loskregen. Shockerend. Was dit het lot van jonge arbeidsters? Beduusd en verbouwereerd keek ik terug op mijn makkelijke leven tot nu. Studeren, vrije tijd in de jeugdbeweging, nooit financiële zorgen. Deze meisjes werkten in ploegen van 5 tot 13 uur of van 13 tot 21 uur en sommigen gingen na de vroege shift nog ergens kuisen. Meisjes van 15, 16, 17 jaar! Ik had er geen idee van dat 196 er in België zo'n uitbuiting bestond. Ik had dan wel de keuze gemaakt om in de fabriek te gaan werken, ik 'wist' dat arbeiders uitgebuit werden, maar nu ik het bij uco ook aan den lijve ondervond, bleek het nog veel erger dan ik had gedacht. En zeggen dat het totaal anders kan. In 1974 bezocht ik in Albanië een textielfabriek: hetzelfde werk, vergelijkbare machines. De arbeidsters controleerden er maar één gang in plaats van vier of vijf, ze zaten op een stoeltje dat ze naar links en naar rechts konden verplaatsen, er was zelfs een toestel om het stof weg te trekken. En het was er relatief stil. De situatie van de arbeiders was er duidelijk veel beter dan bij ons, en dat in een land met zoveel achterstand op België. Ik had het heel moeilijk om het vol te houden, kon 's morgens om 4 uur maar moeilijk uit mijn bed. Temeer daar ik 's avonds nog naar allerlei vergaderingen ging. Maar ik was niet de enige die last had. De meeste arbeidsters namen pillen om vol te houden, overal lagen papiertjes van medicamenten op de grond. Sommige vrouwen die van Eeklo kwamen, moesten om half vier opstaan. Dat was in feite nachtarbeid, verboden voor vrouwen. Later heb ik nooit meer zo'n job gehad. Maar ik vond dat ik aan iets goeds begonnen was en wilde ermee doorgaan. Ik maakte het mezelf ook zwaarder door 's avonds nog naar vergaderingen te gaan of de arbeiders van het werk thuis op te zoeken. Onder het werk over de werksituatie en politiek praten deden we toen nog niet. Mijn revolutionaire werk deed ik dus volledig voor en na. Als ik 's avonds naar huis fietste na een vergadering of een huisbezoek kon ik vaak zelfs niet meer fietsen, en moest ik mezelf naar huis sleuren met de fiets aan de hand. Ik weet niet of ik dit had kunnen volhouden als ik geen revolutionair was, ik denk het niet. Uiteindelijk werd ik ziek van die vermoeidheid, ik was constant koortsig, en moest een tijd rusten. Daarna werd ik afgedankt: 'te veel afwezig'. Men zou kunnen denken dat zo'n extreme uitbuiting automatisch met revolte wordt beantwoord, maar dat is niet zo. Als de vakbond de arbeiders niet mobiliseert, gebeurt er vaak niets. Dat was het geval bij uco. Ik heb het later meer meegemaakt: ofwel is er een goede syndicale werking en een solidaire sfeer onder de arbeiders, ofwel is het 'ieder voor zich'. Met spanningen, ruzies en zelfs vechtpartijen. Armco Nijvel:'78-'98 Na uco heb ik een tijdje bij Bell gewerkt in Gent, instrumenten controleren onder de microscoop. Bij Bell was de sfeer veel beter, veel minder 197 spanningen en een goede syndicale werking. Maar na een tijd vroeg de PVDA me om mee de werking van onze studentenorganisatie te leiden: velen waren naar de fabrieken gegaan en we dreigden onze basis aan de universiteit te verliezen. Daarna werkte ik een tijd in een plastiekfabriek waar etiketten op potjes geplakt werden, smerig werk. Weer zo'n fabriek met heel veel spanningen en geruzie. Ik had soms zin om met die potjes te gooien, de werkdruk was er onmenselijk. Toen zocht de PVDA vrijwilligers om een werking in Wallonië op te bouwen. Ik ging naar Charleroi, naar Marchienne-au-Pont, waar ik eerst een tijd voor de PVDA-opbouw werkte. Tot ik besloot opnieuw in de fabriek gaan werken. Ik heb toen alle fabrieken afgelopen, maar op dat moment werd er nergens meer aangeworven in Charleroi. Uiteindelijk vond ik werk op 21 km van Charleroi, bij een bedrijf in de fabriekszone rond Nijvel. Armco produceerde remsystemen voor alle soorten wagens, voor Renault, Caterpillar, Volkswagen, Volvo en vele anderen. Zo'n remsysteem is een lange buis van een paar millimeter dikte waar remvloeistof doorheen moet, buizen van koper en nikkel, van ijzer, met plastiek overtrokken. Die buizen moeten op verschillende plaatsen gebogen worden. Het werk zelf leerde je op twee dagen tijd. Maar na zoveel jaren hebben velen van ons flink last van nekklachten. En hoewel het werk nu bijna helemaal geautomatiseerd is, blijft het even zwaar. We moesten er zeer snel werken. In een bepaalde periode moesten er 's avonds zo'n 650 stuks klaar zijn. We werkten dan als gek om er tegen de middag 350 af te hebben, dan waren er 's namiddags nog 'maar' 300 te doen. Ondertussen liepen er in de hal drie controleurs, maar die leken wel met vijftien. De werkdruk kwam van twee kanten. De productiechef wou het snel en de controlechef, tsja, degelijk. De ene vocht voor de kwantiteit, de andere voor de kwaliteit. Geregeld constateerden wij serieuze fouten, maai'ja de vraag ging voor. Als arbeider voel je je toch verantwoordelijk. Remsystemen moeten toch betrouwbaar zijn. Wij controleren nu zelf en elk stuk, elk pakket wordt afgestempeld. We werkten van 8 tot 17 uur. 's Vrijdags stoppen we wel vroeger. Vanaf drie uur 's middags waren we kapot, 's Middags dronken we een kom soep. Daarna zat ik vaak, de voeten op een andere stoel, te slapen net als de andere arbeidsters. Zeker als ik de avond voordien een vergadering had, moest ik dat wel. Als ik thuiskwam was ik vaak volledig uitgeteld. Ik was pas thuis rond zes uur en moest meestal om acht uur alweer op een vergadering zijn: zogauw ik thuis was snel eten en terug op pad. Op woensdagavond was ik al doodmoe. Een aantal kameraden die niet in een fabriek werkten begrepen dat niet, maar dat waren wel uitzonderingen. 198 Delegee in een zoning van solidariteit Bij Armco, net als in alle fabrieken van de zoning trouwens, was er een grote strijdtraditie. Vanaf het moment dat er zich een serieus probleem stelde werd er een algemene vergadering opgezet. Ik maakte me vrij snel bekend als communist en mijn delegee maakte daar geen probleem van. Ze stuurde me zelfs door naar de delegees van Twin Disc, de grootste van de dertig fabrieken in de zoning; met tweehonderd man produceerden ze daar motoren voor boten. Hier waren twee delegees communist. Ik nam contact met hen op en we hebben jaren samengewerkt. Twin Disc was vaak de spil van de acties in de zoning. Daarnaast was er Dubru, een fabriek waar machines gemaakt werden om flessen te wassen. Daar was de felle hoofddelegee een priester-arbeider. Maar vooral Christian Van Laetem van Twin Disc was de motor van de strijd in de zoning. Hij was een delegee met een erg grote autoriteit, iemand van wie ik heel veel geleerd heb. Christian wilde zijn revolutionaire ideeën aan alle arbeiders doorgeven: als delegee wilde hij zoveel mogelijk arbeiders voor het socialisme winnen. De arbeiders vonden dat niet meer dan normaal. We werden kameraden voor het leven. Van Christian leerde ik hoe je de vakbondsstrijd moet leiden. Je moet geloven in de arbeiders: als je hen met goeie standpunten en eisen weet te begeesteren, komen ze makkelijk tot actie. De delegatie van Twin Disc probeerde steeds met een unaniem standpunt naar buiten te komen. Ze hadden ook contacten met alle andere delegaties in de zoning en werkten samen met het ACV. Wat secretaris Raymond Coumont zeer genegen was. Het gebeurde dat we met de hele zoning op straat kwamen voor arbeiders van fabriekjes waar geen vakbond was. Hoe klein de fabrieken soms ook zijn, als je met anderen kan samenwerken kan je soms heel wat doen. In de zoning werkten toch zo'n 500 arbeiders. Het blijft natuurlijk wel belangrijk wie de vakbond draagt. Ik leerde ook antwoorden op de aanvallen van rechtse krachten die steeds hetzelfde liedje zingen: 'Communisten maken de vakbond kapot, je moet vakbond en politiek strikt scheiden.' Je kan je dan verdedigen, maar ik leerde dat aanvallen beter is dan verdedigen. En datje de arbeiders beter vertrouwd kan maken met je revolutionaire standpunten, hen de krant bezorgen en ander informatiemateriaal. Ze hebben daar gewoon recht op en ze vinden het normaal. Ik verkoop nog steeds onze krant in de fabriek, knip bepaalde artikels uit om op te hangen. Dat heeft altijd goed gewerkt. Ook de pamfletten van de PVDA leg ik op verschillende plaatsen in de fabriek. Na een korte tijd vroegen de arbeiders of ik vakbondsdelegee wilde worden. Natuurlijk wilde ik dat. Ik zei tegen de vrijgestelde van de vakbond dat 199 ik openlijk marxist wilde blijven. Ik kwam op de lijst met de delegeeverkiezingen van 1979 en werd voor 4 jaar gekozen. Door de syndicale samenwerking in de zoning was ik ook een beetje delegee voor de andere fabrieken. Toen ik nog met de trein ging werken zat ik altijd te praten met arbeiders van kleine fabriekjes. De werkomstandigheden en repressieve toestanden waren daar vaak verschrikkelijk, precies omdat er geen vakbond was. In de wafelfabriek bijvoorbeeld kregen arbeiders een boete per gebroken wafel. Bij Tolemail moesten de arbeiders 's winters in veel te lage temperaturen met metaal werken. Op KSm viel een meestergast een arbeider aan met een ijzeren staaf, gevolg: een ernstig oogletsel. Al deze mistoestanden leidden tot acties in de zoning, meestal in een gemeenschappelijk front ABVV-ACV. Terwijl sommige vakbondsleiders denken dat de arbeiders niet meer tot solidariteit te bewegen zijn, was er bij ons de ene solidariteitsactie na de andere. Zo trokken we met honderden naar KSm en organiseerden aan de poort een protestmeeting tegen die meestergast. Henri Gilot, de vrijgestelde van het ABVV was daar niet aanwezig, al hadden we hem dat nog zo gevraagd. Ik begreep dat toen niet. Achteraf leerde ik dat hij dergelijk syndicalisme gewoon niet wil. De regionale verantwoordelijke van het ACV, Coumont, zegde: 'Zo'n prachtige solidariteit onder de arbeiders vergeet je nooit meer.' Je kan zo'n actie steeds gebruiken als er beweerd wordt dat arbeiders niet solidair zijn. Tot vandaag is die solidariteit in de zoning een verworvenheid. In 1979 hadden de arbeiders van Dubru hun fabriek bezet om een aantal afdankingen tegen te houden. Voor we begonnen en onder de middag sprongen wij, delegees en arbeiders van de andere fabrieken, er even binnen. Op een morgen merkten we tot onze verbijstering dat de rijkswacht de stakers uit de fabriek had gedreven. Dubru zat vol met politie. We haastten ons met het nieuws naar Twin Disc en besloten om tien uur in betoging naar Dubru te trekken om de politie buiten te gooien. Twin Disc zou alle delegaties opbellen. In onze fabriek hielden we onmiddellijk een algemene vergadering. Iedereen ging akkoord met de actie. Mannen en vrouwen namen lange buizen van de remsystemen als wapen mee. We wachtten tot de betogers van andere fabrieken zouden voorbijkomen. Toen we hen eindelijk zagen aankomen, schrok iedereen van de omvang en de strijdvaardigheid: vierhonderd arbeiders trokken op naar Dubru. De politie kreeg een echte menselijke vloedgolf over zich heen. In een handomdraai werden ze buiten gewerkt. Sommige arbeiders hadden matrakken bemachtigd, anderen liepen rond met politiekepies. De fabriek was weer van de bezetters. Als de politie wordt ingezet tegen stakers wordt de strijd voor vele arbeiders directer. 200 Jeanine Tips was net als ik naar Wallonië komen wonen om er de PVDA op te bouwen. Jeanine werkte ook op Armco en werd delegee bij het ACV. Op die manier konden we een gemeenschappelijk front uitbouwen. Niet onbelangrijk, zoals verder zal blijken. In alle acties, discussies konden de arbeiders op haar rekenen. Samen organiseerden we de staking van 1982. Staking van 'de acht moedige vrouwen van Armco' In '82 was er een herziening van de lonen. Er waren drie loonschalen, en voortaan zou iedereen aangeworven worden in de laagste: 205 frank, een loonsverlaging van 19 frank per uur. Die arbeiders zouden dus aan een lager loon werken: de tegenstellingen onder de arbeiders zouden geen einde kennen. We waren met elf betrokken bij die loonsverlaging, en we besloten in staking te gaan. We eisten eenzelfde loon voor de drie groepen: 220 frank. We probeerden de staking tot de hele fabriek uit te breiden, maar dat lukte niet. Wel wisten we passieve solidariteit los te weken op twee manieren. De overige arbeiders weigerden onze job te doen, zodat er geen enkel stuk afgewerkt werd. En we kregen hulp bij sabotage-acties. De eerste dag van de staking haalden we met behulp van de mecaniciens een essentieel onderdeel uit een machine zodat er niet meer mee gewerkt kon worden. De ABVV-vrijgestelde, Gilot, stond niet achter de staking. Hij vond dat er wel recht was op staking, maar ook recht op arbeid. In sommige fabrieken had deze stelling invloed op de delegatie. Daar gingen we dan onze visie uiteenzetten, en lieten we steunpetities rondgaan. Meestal stonden de mensen dan wel achter onze staking. Het was een heel moeilijke staking. Eigenlijk deden we het in naam van de hele fabriek, maar de anderen waren gewoon aan het werk. Ook wij waren van 8 tot 5 aanwezig, maar we maakten dan pamfletten en deelden die uit in de hele zoning en in de metaalindustrie van de streek. Onderweg kalkten we het op de muren: 'De vrouwen van Armco zijn in staking.' Van overal kwamen er solidariteitsbetuigingen. Na drie weken wilde de patroon nog steeds niet onderhandelen. In een brief aan alle arbeiders beweerde hij dat we het voortbestaan van de fabriek bedreigden, een ridicule beschuldiging. Als antwoord maakten we de rekening en vergeleken die met een paar andere uitgaven. Onze eis kostte de patroon 175.000 frank, een pak minder dan de 2,9 miljoen die hij elk jaar kreeg door recente regeringsmaatregelen. De kaders kostten elk jaar niet minder dan 23,3 miljoen. Kort voordien waren er twee kaders weggegaan met een afscheidspremie van zo maar eventjes 8 miljoen, als het voortbestaan van de fabriek zou afhangen van 201 175.000 frank dan zag het er voor alle arbeiders niet goed uit. Die berekeningen hebben we verspreid, we haalden zelfs de pers. Na drie weken zijn er van de elf drie mensen gaan werken. Met acht werd het nog moeilijker, maar na een tijd raakten we bekend als 'de acht dappere vrouwen van Armco'. We hadden het gevoel dat het wel wat stoutmoediger kon. We waren er zeker van dat vele honderden arbeiders achter ons stonden. We haalden nog meer stukken uit machines, telkens met de hulp van de anderen: wij wisten niet welk onderdeel een machine deed stilvallen. Het was onze oorloGSBuit, onze onderhandelinGSBasis. Alles gebeurde op klaarlichte dag. Toen een meestergast ons met een stok wilde slaan brulde een delegee hem toe: 'Laat die stok onmiddellijk vallen.' De man schrok zo dat de stok uit zijn handen viel. We hebben de fabriek ook een tijd zonder elektriciteit gezet nadat een elektricien ons had verteld hoe we een elektriciteitscabine konden stilleggen. We hebben vrachtwagens tegengehouden die de fabriek wilden buitenrijden met materialen. En telkens haalde dat de pers. We hebben de patroon zelfs een paar uur opgesloten. Maar hij bleef het been stijf houden, tegen iedereen in. De hele streek verwierp deze loonsverlaging in crisistijd. Een mooie motie van solidariteit kwam van Wiggings Teape, de grootste fabriek van Nijvel van het gemeenschappelijk vakbondsfront ABVV-ACV op 7 juni '83: 'Nadat wij de stakende vrouwen van Armco ontvangen hebben, vinden we dat we onze solidariteit met deze acht moedige vrouwen moeten betuigen. Wij willen dat deze vrouwen hun doel bereiken in deze staking, zodat de toekomst van vele andere arbeiders en arbeidsters rechtvaardiger zou zijn. De vertegenwoordigers van de arbeiders van het ABVV en ACV van Wiggings Teape en het hele fabriek staan achter hun actie. Alleen zijn wij niets, verenigd kunnen we alles. Leve de strijd van de vrouwen van Armco.' Gevolgd door pagina's handtekeningen van arbeiders en arbeidsters. De vrouwen leerden ontzettend snel bij, schreven pamfletten of persmededelingen, gingen spreken in andere fabrieken. Eén vrouw staat mij bijzonder voor de geest, Angela, een vrouw die echt alles had moeten bevechten. Vroeger deed ze thuiswerk omdat ze niet buitenshuis mocht werken van haar man. Na een tijd zag ze dat niet meer zitten en zo kwam ze bij Armco terecht. Toen werd ze actief in de vakbond, en ook daarrond moest ze strijd voeren. Daarna moest ze het recht afdwingen om mee te kunnen naar de meerdaagse vormingen in Melreux. Tijdens onze staking was ze de verantwoordelijke uitgever van onze pamfletten, en het contactadres. Ze leerde ook alle andere delegees van de streek kennen. Veel later, toen ik na een antirakettenactie in de gevangenis zat, kwam Angela op bezoek. Van een huisvrouw naar een strijdsyndicaliste en sympathisante van de PVDA, 202 een hele metamorfose. In al dat soort van dingen ligt de rol van de intellectueel in de arbeidersstrijd: het gemak waarmee wij naar de pers bellen, de pers als gelijke zien, het gemak waarmee we schrijven, het analyseren van de tactiek van de patroon. Door die kennis door te geven kan je een arbeidersgroep begeesteren en een nieuwe horizon geven. Eens ze dat allemaal zelf aandurven, worden ze een gevaar voor elke patroon. Succes! Na zes weken hadden we acht stukken van verschillende machines buitgemaakt. Een ingenieur vroeg schamper 'of ik daarvoor naar Wallonië gekomen was?' Maar de vrijgestelde van het ABVV begon de staking te ondergraven. Op 24 juni belegde hij een vergadering met de niet-stakende arbeiders om te zeggen dat hij een voorstel tot akkoord aanvaard had en dat voor het ABVV het conflict gedaan was, ze zouden geen stakersgeld meer uitbetalen. Gelukkig hadden we overal collectes gedaan en wat geld verdiend met een feest waar 250 arbeiders waren komen opdagen. Met die stakingskas konden we toch een paar dagen voort. De ABVV-verantwoordelijke, Gilot, begon de niet-stakende arbeiders nu echter ook onder druk te zetten. Ze werden aangeraden onze job te doen 'want ze gaan u allen op de dop staken' . Aan de patroon liet hij zelfs weten er niets op tegen te hebben 'als hij de stakers zou vervangen'! Dat een PS-gezinde zo ver durfde gaan tegen een syndicale strijd! Er moest nu snel iets gebeuren. We besloten een regionale actie op te zetten samen met mensen van het ABVV en ACV. We trokken met vijftig wagens naar de fabriek om de burelen te bezetten. De fabriek zelf lieten we ongemoeid, de arbeiders stonden immers achter ons. Alles verliep zeer professioneel: de draden van de telefoon werden doorgeknipt, de machines stilgezet, de burelen zaten vol syndicalisten. Jean-Marie Anciaux, een vakbondskader van het cne, nam royaal plaats in de leren fauteuil van de baas. 'Wie denkt u wel dat u bent?' De syndicalist laconiek: 'En u, wie denkt u dat u bent?' De patroon was sprakeloos. Op het einde van de dag wilde hij eindelijk onderhandelen. Hij wilde 218 frank geven, geen 220, maar we gingen dus toch akkoord. De patroon tekende het akkoord 'onder voorbehoud van goedkeuring door het ABVV', want Gilot wilde niet tekenen. De dag nadien hebben we opnieuw gestaakt opdat het ABVV het akkoord zou tekenen, en op 30 juni was het zover. Toen alles in kannen en kruiken was zijn we met ons achten de fabriek binnengekomen, elk één van de strategische machineonderdelen in de hand. Eén voor één legden we die op de bureau van de patroon. De 203 staking was gewonnen. We waren immens tevreden. Arbeiders die in 1984, 1985 en 1986 werden aangeworven, konden beginnen aan 218 frank in plaats van aan 202. Onze principiële opstelling in '83 had verregaande gevolgen. Bij volgende syndicale acties gaf de patroon veel sneller toe, hij wist nu hoever we wilden gaan. Hij probeerde wel de strijdbare geest die was ontstaan zoveel mogelijk te ondermijnen. Hij wierf bijvoorbeeld geen ACV'ers meer aan omdat die vakbond ons door dik en dun was blijven steunen. Zelf besloten we in het vervolg nog slechts met de hele fabriek te staken. Maar we hadden de andere arbeiders nu ook getoond dat de patroon niet noodzakelijk het laatste woord heeft. Ze leerden datje een gevecht voor bepaalde principes ook kan winnen, mits je kan steunen op de andere arbeiders. Dat je zelfs kan winnen in zeer moeilijke situaties, met chantage en repressie, én tegen de wil van de vrijgestelde van één van de twee bonden. In '87 besloten we terug tot de actie over te gaan, onder andere om de voorkeursbehandeling van de bedienden aan te klagen. In ons eisenpakket zaten naast een loonopslag van 10 frank ook de maaltijdcheques en de hospitalisatieverzekering die de bedienden reeds hadden. Het belangrijkste was echter een definitief contract voor vijftien tijdelijke werknemers. Het gebeurde immers meer en meer dat mensen aangenomen werden met tijdelijke contracten, een echte pest. Het werd een wilde staking, met een bezetting van de fabriek. Zowel de staking als de bezetting waren algemeen. De poorten van het magazijn werden dichtgelast en er was dag en nacht een permanentie. Na tien dagen gaf de patroon toe. Hij wist van in '83 hoever we wilden gaan en wilde dat te allen prijze vermijden. Hij stond een loonopslag toe van 8 frank (de ene helft onmiddellijk, de andere enkele maanden later), een groepsverzekering voor de eerste 5.000 frank hospitalisatiekosten en drie onmiddellijke aanwervingen. De anderen zouden later aangeworven worden. Vooral die laatste toegevingen waren een formidabele overwinning in de strijd tegen de werkloosheid. Een pittig detail nog over die onderhandelingen. Toen het over de hospitaalverzekering ging, had de patroon het lef de voordelen voor de bedienden te verantwoorden: 'Je kan de dweilen niet voor servetten nemen'. Een jaar later hebben we het gevecht tegen de tijdelijke contracten nog eens overgedaan voor een Portugese arbeider, Carlos. Ontslagen na twee keer een contract van zes maanden. Hij was een goed arbeider en er was veel steun onder de arbeiders om voor hem te staken. Na twee dagen werd hij opnieuw aangeworven. De patroon vond dat er 'rotte appelen' onder zijn personeel waren. Kort nadien hing er in de refter een boodschap: 'Wij zijn allen rotte appelen.' 204 ABVV-vrijgestelde wil me niet meer als delegee Na de staking van '86 werd mij als delegee een te grote samenwerking met het ACV verweten. Stel je voor: het ABVV, dat voor de eenheid van de arbeiders is, verwijt haar delegee dat ze te veel met het ACV samenwerkt. De hele zoning stond trouwens zo sterk door steeds in een gemeenschappelijk front te werken. Later dat jaar mocht ik niet meer opkomen bij de syndicale verkiezingen, en ook bij de verkiezingen in '87 en '91 werd ik tegengehouden. Steeds omdat ik te veel samenwerkte met het ACV en lid was van de PVDA. Ik heb daar iedere keer tegen geprotesteerd, met een petitie die door alle arbeiders ondertekend werd. Maar hij legde die naast zich neer, en ik ben geen officiële delegee meer geworden. Officieus bleef ik het wel, de arbeiders stonden immers achter mij, hoewel het na een tijd wel wat moeilijker werd. In de jaren '85-'86 is er een grote personeelswisseling geweest, van de acht vrouwen uit de staking bleven er maar drie meer over. De nieuwe arbeiders hebben dat allemaal niet meegemaakt, en er werden veel geruchten verspreid over die staking. Ik heb de fout gemaakt daar de laatste jaren niet meer op te reageren maar de tegenstanders van de staking zaten niet stil. De klassenstrijd is nooit gedaan. Ook een gewonnen staking moet je steeds blijven verdedigen. De patroon probeert nog steeds de geest van '83 kapot te maken. Maar dat lukt toch niet, zelfs al ben ik geen delegee meer. De delegatie zet het begonnen werk verder. In 1995 kon ik wel op de lijst omdat die vrijgestelde met pensioen was. De man had zijn invloed echter nog niet verloren. Hij voerde een ware hetze tegen mijn principes. 'Als Myriam terug officieel delegee wordt, zal er zoveel gestaakt worden dat de fabriek zal moeten sluiten. Nu, met de crisis, kunnen we dat missen als kiespijn.' Een lacher, want waar de fabriek vandaag echt door bedreigd wordt, is de sluiting van Renault. In '86 heeft Armco, vandaag Bundy, een filiaal geopend in Beringen vanwege het aantrekkelijk investeringsklimaat daar na de mijnsluitingen. In een nieuwe fabriek is er ook nog geen syndicale traditie, en dat blijkt: de arbeiders in Beringen werken in zeer slechte omstandigheden, mogen hun machines niet verlaten, kunnen bijna niet naar toilet. Als gevolg produceerden wij nog bijna uitsluitend voor Renault, Volvo en Volkswagen. Als Renault wegvalt, dan kan Beringen de rest gemakkelijk overnemen en kunnen wij sluiten. Enfin, in '95 stond ik wel op de lijst, maar op een onverkiesbare plaats. De delegee die in 1983 zo hard tegen staking was, kon het ABVV overtuigen mij op de laatste plaats te zetten. Maar de arbeiders weten dat ik er voor hen ben, en hun vertrouwen blijf ik houden. Sinds november '96 ben ik opnieuw in loopbaanonderbreking, maar de syndicalisten bellen me wel af en toe op. 205 Florennes 1985 In de jaren '80 was er een nooit geziene massabeweging tegen het plaatsen van Amerikaanse kruisraketten in ons land. De raketten zouden worden gestationeerd in de militaire basis van Florennes. Het protest werd voornamelijk gedragen door progressieve intellectuelen, pacifisten en jongeren. Aan Waalse kant kwam het verzet in ' 85 ook goed op gang, en ook ik engageerde me in deze strijd. Een vredesbeweging huurde een huis bij de militaire basis en deed van daaruit acties tegen de raketten. We zouden betogen op 14 september. We besloten met een kleine groep over de omheining te kruipen om een symbolische bezetting te doen. Omdat de 'bezetters' zeker zouden opgepakt worden, werd eerst nagegaan wie daarvoor in aanmerking, wie daartoe bereid was. Ik beoordeelde mijn situatie en besloot mee te doen. De vreedzame betoging was een afleidingsmanoeuvre voor de bezettingsactie. In Florennes was er namelijk een verbod op samenscholingen van meer dan drie personen afgekondigd van 2 september tot 2 december. We vertrokken met een tamelijk grote betoging, maar na een tijdje kropen wij met achttien man ongezien over de draad: onze symbolische bezetting van de basis was een feit. Enkele minuten later werden we al opgepakt, samen met de hele betoging, kinderen incluis. Van de bezetters bleven vier vrouwen en tien mannen aangehouden. We dachten dat het een administratieve aanhouding van 24 uur zou worden, het werd echter een tikkeltje meer. Na drie dagen kwamen we voor de raadkamer en alle achttien bezetters werden veroordeeld tot één maand effectieve gevangenisstraf, de vrouwen in Dinant, de mannen in Lantin. Ik was nogal bezorgd om mijn werk, omdat ze me daar konden afdanken wegens onwettige afwezigheid. Maar mijn positie op het werk was toen erg sterk en ze hebben het toch niet gedurfd. Ik kreeg heel wat blijken van vriendschap en solidariteit. Op de dag dat ik voor de raadkamer in Dinant moest komen wou Angela me bezoeken. Een rijkswachter vernielde het boeket rozen dat ze bij had. Zeven vrouwen van het werk schreven me een gezamenlijke brief. Christian van Twin Disc schreef: 'Op een algemene vergadering van de arbeiders heb ik de strijd van de vredesbeweging uitgelegd. Ik heb aan de arbeiders uitgelegd hoe men de bende van Nijvel laat doden en vrij rondlopen, terwijl pacifisten een maand effectieve gevangenisstraf krijgen voor een symbolische actie. De arbeiders kennen je en begrijpen nu meer van de vredesbeweging. We hebben met de delegatie een motie opgesteld om jullie vrijlating te eisen. Deze is op applaus onthaald. Ik hoop datje snel vrijkomt.' Ook van de ABVV-jongeren van Charleroi kwam er een motie: 'Beste Myriam, een woordje van 206 steun: Hou vol! Diegenen die je vrij willen krijgen en de raketten wegwillen zijn met veel meer dan diegenen die ze willen plaatsen en vredesactivisten in de gevangenis gooien. Wij eisen dat jullie vrijgelaten worden. We hopen je snel terug te zien.' Veel steun uit de arbeiderswereld, dus toch wel een goede zaak. Het gevangenisleven was zwaar. We werden extra streng behandeld, allicht omdat we 'links gespuis' waren. Zo mocht ik geen bezoek krijgen. Een vriend wilde zich voor mijn verloofde uitgeven, maar hij werd geweigerd omdat hij niet op hetzelfde adres als ik woonde. En mijn ouders wilde ik hier niet bij betrekken. We hebben een week een hongerstaking gedaan, waarbij Koen, één van de mannen, bijna gestorven is. Drie dagen lag hij te kermen van de pijn voor men hem wilde onderzoeken: hij had een gesprongen appendix! Uiteindelijk werd hij geopereerd, de dokter verklaarde dat hij zonder die ingreep geen vier uur meer had geleefd. Voor wie ageert tegen de nato kan men blijkbaar niet hard genoeg zijn. Direct na zijn operatie vloog hij terug in de cel, zonder verzorging. Met als gevolg dat zijn wonde infecteerde. De laatste keer dat we voor de Raadkamer moesten verschijnen, zag Koen vuurrood van de koorts. En nog werd hij door de rijkswacht geduwd: bruut geweld. Ik kan het niet beter uitdrukken dan Christian van Twin Disc: 'vredesactivisten behandelden ze als beesten, en beesten zoals de bende van Nijvel blijven in vrijheid.' Na een maand werden we plots vrijgelaten, zonder boe of ba. Ze wilden allicht de betoging voor onze vrijlating niet afwachten... Nadien is er in de fabriek veel discussie geweest over de gevangenis. Men was er daar geweldig van onder de indruk dat je voor een dergelijke actie werd aangehouden. Ook over de uitbuiting van de gevangenen waren ze geschokt. Sabena en sommige banken schamen er zich niet voor werk in de gevangenis te laten doen tegen 12 frank per uur. Er zijn vrouwen die heel de was doen voor een fabriek. Daar zie je dat het kapitalisme tot het uiterste gaat als het zijn zin kan doen, dat het eigenlijk aan geen enkele wetgeving gebonden is. In de gevangenis heersen echt Germinaltoestanden. 'Notre drapeau reste rouge' Eind '89 overspoelde de tv ons met 'nieuws' uit Roemenië. Ceausescu, de vroegere vriend van de vs omwille van zijn 'onafhankelijkheid' tegenover de ussr, was plots 'het monster van de Karpaten' geworden. In Timisoara werd een massagraf met 'slachtoffers van zijn schrikbewind' gevonden, hij had zijn tegenstanders vermoord! Wilfried Martens sprak van 12.000 207 doden. Allemaal leugens, zo bleek nadien. Achttien lijken van het massagraf kwamen uit het mortuarium van een ziekenhuis. Kranten met enig prestige gaven de leugen toe, maar de massahysterie was niet meer te stoppen. Vele mensen wisten niet wat te denken. Ik was zelf ook soms in de war. Het was de eerste keer dat ik een anticommunistische campagne van dit formaat meemaakte. Bijzonder grotesk was wel het 'proces' van Nicolae en Elena Ceaucescu. De aanklager sprak over 64.000 doden en behandelde het echtpaar op een fascistische manier. Elena, van opleiding chemicus, vroeg de aanklager eindelijk eens met bewijzen te komen. Waarop die antwoordde: 'Ziedaar een analfabete, een zogezegde geleerde. Ge kunt niet eens praten of lezen.' Imelda Marcos is blijkbaar een doetje naast Elena, want zij leeft nog, ze heeft alleen 2.000 paar nieuwe schoenen moeten kopen. Het echtpaar Ceaucescu werd als honden neergeschoten. En in het 'democratisch' Europa was er enkel begrip voor deze moord, de mensenrechten waren blijkbaar tijdelijk opgeschort, de doodstraf zonder verzet even heringevoerd. In december '89 en januari '90 had ik een paar opmerkelijke discussies met de delegees van Twin Disc. Zelfs op het hoogtepunt van de hetze wilden zij zich niet laten intimideren. Ik interviewde hen voor onze krant Solidair. Christian Van Laetem sprak enkele profetische zinnen: 'Om de dingen goed te begrijpen moetje even terug in de geschiedenis, denk ik. De Sovjetunie heeft de revolutie doorgevoerd in 1917. Onder het tsarisme kende de moezjieks, de boeren, de zwartste miserie, ze kregen vaak nog van de zweep als de heer langs kwam. En dan was er de wereldoorlog: 20 miljoen doden in de ussr, hele steden weggeveegd. En toch is het socialisme erin geslaagd een omvangrijke economie uit te bouwen. De bevolking is er ongetwijfeld sterk op vooruit gegaan. Maar er kwamen kaders die zich in naam van het socialisme niets tekort deden, die echt ontaardden. Dat soort 'communisten' heeft ook ons hier veel schade toegebracht. Toch betekent dit geenszins dat we het marxisme moeten laten vallen. Een kapitalistische economie daar hebben we niets bij te winnen. Kijk eens naar de kinderen in de Derde Wereld, die zullen niet door het kapitalisme gered worden. Miljoenen kleine Braziliaantjes slapen op straat omdat ze geen huis hebben. Daar krijgen we geen reportages van te zien, daar rijden geen vrachtwagens naartoe om ze wat te eten te geven. Zet maar in je krant dat het me woest maakt. Tot een paar weken terug kende bijna niemand Albanië. Nu is het al Albanië wat de klok slaat. Ik was daar in '65. Dat land is in '45 pas uit de Middeleeuwen gestapt, ik heb gezien wat ze in twintig jaar verwezenlijkten. Er was daar gratis geneeskunde, als iemand in de bergen ziek werd vertrok de dokter met een jeep, met een soldaat van het Volksleger achter het 208 stuur. Het openbaar vervoer was gratis. Heel wat kinderen maakten busritten in de vakantie, ze vonden dat plezierig. Tevoren hadden de kinderen nooit op vakantie kunnen gaan, nu wel. Zo'n regime heeft het hart op de juiste plaats. Ik verdraag namelijk niet dat men kinderen slecht behandelt. In Cuba krijgt elk kind een gratis warme maaltijd op school, schoenen en kleren zijn er gratis.' Vandaag weten we hoe het kapitalisme de kinderen van gewone mensen in België behandelt. Vandaag weten we wat het lot van tienduizenden kinderen was in Rwanda. Christian en de ganse delegatie hadden al zo vaak medialeugens meegemaakt. De Koude Oorlog van de jaren '50, de 'Korea crisis', '60-'61 waar de propagandamachine tegen de stakers op volle toeren had gedraaid. Arbeiders, communisten en vreemdelingen, Christian kende de psychologische oorlogvoering van de media. De Roemeense massabeweging 'made in the USA' had geen invloed op hen gehad. Deze arbeiders bezaten iets erg kostbaars: een communistisch klassenstandpunt. Het waren arbeiders die alles wantrouwden wat de burgerij zei. Terwijl ik me soms vertwijfeld afvroeg wat ons toch allemaal overkwam, ging de delegatie van Twin Disc pal tegen de stroom in en overal zeiden ze hetzelfde: 'Laat u niet beetnemen door die anticommunistische hetze: de vlag van de arbeiders moet rood blijven.' De PVDA heeft die slogan overgenomen voor 1 mei 1990: 'Onze vlag blijft rood.' Een jaar later was het weer prijs: de oorlog tegen Irak. Aanvankelijk gingen veel arbeiders mee in de hetze tegen Irak en de Arabische wereld, wat heel pijnlijk was voor de migranten die van daar kwamen. De baas stuurde mij al snel een verwittigingsbrief. Ik mocht geen pamfletten tegen de oorlog uitdelen in de fabriek. Toen ik dat vertelde aan de delegees in de fabriek moesten ze niet lang nadenken: zij zouden mijn pamfletten wel komen uitdelen. Nadat ze dat een paar keer hadden gedaan, deelde ik ze verder zelf uit. Ik luisterde elk uur naar de radio, ook in de fabriek, ik had een kleine transistor dicht bij mijn werkplek gezet. De arbeiders noemden me 'radio Bagdad'. Het racisme flakkerde toen echt op in de fabriek. Een Arabier die toen bij ons werkte, Fouad, was heel actief in het protest. In Charleroi nam hij samen met mij deel aan een hongerstaking tegen de oorlogsvoorbereidingen. Binnen het ACV mobiliseerde hij om mee te betogen. Hij belde al zijn vrienden op, mobiliseerde delegees, mensen van een Palestinacomité. Maar in de fabriek ontstonden er hevige discussies, en daar werd Fouad bepaald niet gespaard. Ziek geworden van de racistische opmerkingen, kwam hij uiteindelijk niet meer werken. Hij huilde voor de ogen van zijn kinderen. 209 Toen ik hem ging hem opzoeken was hij er echt slecht aan toe. Later is hij afgedankt omdat hij te veel ziek geweest was. Maar het was een sterke man en hij kwam versterkt uit de hele zaak. Na de oorlog ging hij Irak bezoeken, en toen ik hem terugzag was hij een andere mens geworden. Gewapend met dia's ging hij overal spreken over Irak en het embargo. We hebben hem betrokken bij het uitwerken van de solidariteit met Irak. Hij heeft onder andere mee gezorgd voor de ontvangst van jonge Palestijnen in België. Racisme is iets ingewikkelds. Enerzijds werden er standpunten van de burgerij overgenomen en werd Fouad uitgesloten. Maar toen hij problemen kreeg met de politie in Nijvel stond de fabriek als één man achter hem. En nadat de vs een Iraakse melkfabriek had platgebombardeerd, steunden vele arbeiders het project om melk voor zuigelingen ter plaatse te krijgen. Ik verkocht veel 'melkbonnen', de steunkaarten voor dit project. De arbeiders waren ook tegen het geheel van het embargo. Het racisme bestaat, onder invloed van de burgerlijke media, maar het is ook relatief. Globaal Plan 1993 Bij de stakingen tegen het Globaal Plan eind '93 was de zoning van Nijvel erg actief. Zowel woensdag als donderdag werd er gestaakt. Christian Van Laetem kon niet van de piketten wegblijven, ook al was hij ondertussen met pensioen. Hij had ook niets van zijn autoriteit verloren, integendeel. Tijdens een betoging in Nijvel sprak hij de arbeiders toe. Hij riep op voor een algemene staking en waarschuwde ons voor een versnipperde strategie. Hij riep de nationale vakbondsverantwoordelijken op zich tegenover de basis te komen verantwoorden over hun weigering een algemene staking uit te roepen. De arbeiders waren er immers klaar voor en het Globaal Plan kon alleen op die manier weggekregen worden. In Nijvel hebben we als een van de weinigen drie dagen na elkaar gestaakt. De verschillende ingangen van de zoning werden door piketten met auto's afgesloten, zodat de arbeiders van de fabrieken zonder vakbond konden meedoen. Op een grote algemene vergadering bij Twin Disc waren de delegaties van de ganse streek aanwezig. Die van Twin Disc hadden ook de regionale secretarissen van de vakbond uitgenodigd om de stopzetting van de nationale acties te bespreken. Een van hen zei dat hij onze kritiek begreep, en hij stelde voor om de nationale secretarissen uit te nodigen. Daarvoor werd een zaal gehuurd in Nijvel waar Robert D'Hondt (ACV) en Jean-Claude Vandermeeren (ABVV) 'het vuur aan de schenen werd gelegd'. Het werd een heel goede vergadering met een grote opkomst: alle delegees en militanten waren er. Nadien heeft 210 de directie van Twin Disc de toegang tot de fabriek verboden aan delegees die niet van de fabriek zelfwaren. Een terugblik Als ik terugblik op mijn engagement in de arbeidersstrijd dan kan ik toch wel een aantal conclusies trekken. De grootste moeilijkheid die je als intellectueel in de fabriek moet zien te overwinnen is niet de patroon, maar het gevaar dat je je werk als routine gaat bekijken. Na zoveel jaren denk je dat je de arbeiders door en door kent. Je bent steeds bij dezelfde groep arbeiders, vaak komen dezelfde argumenten in hetzelfde soort van discussies terug. Als je dan de politieke discussies zou laten vallen bega je een grote fout. Niets is immers veranderlijker dan de mens, al was het maar omdat de maatschappij en de omstandigheden steeds veranderen. Je moet jezelf dus steeds voor ogen blijven houden dat er altijd, op wat voor manier ook, evolutie is opdat je nieuwe invalshoeken zou blijven zoeken om bepaalde zaken te bespreken. Ook al weetje dat de arbeiders al klaarstaan met hun: 'Ze is daar weer, hoor, met haar socialisme.' De essentie van die gedachte is niet dat ik een dwaze dromer ben, maar wel dat vele arbeiders voor het socialisme zijn, maar niet weten hoe dat er zal komen. Het is aan jou de uitdaging een antwoord te geven. Zo waren er bij de acties tegen het Globaal Plan vele arbeiders die me verbaasden met hun strijdbaarheid, omdat ze de jaren ervoor zo weinig toegankelijk leken. Een van hen zie ik vandaag zelfs als een goeie delegee. Jaren geleden had hij een schitterend voorstel om al onze stempels binnen te leveren. De actie lukte niet omdat maar de helft van de arbeiders hun stempel hadden ingeleverd. Blijkbaar was hij daar zo door teleurgesteld dat hij zich volledig had teruggetrokken. Maar sinds de stakingen tegen het Globaal Plan zijn al zijn sluimerende capaciteiten naar boven gekomen. De grootste verandering die ik in die jaren heb ondergaan heeft betrekking op het luisteren naar wat de arbeiders echt zeggen. Vroeger zou ik er bij elke onrechtvaardigheid in de fabriek ingevlogen zijn, vandaag weet ik dat ik een stuk van een collectief ben. Individueel ben je niets, samen alles. Voor een intellectueel is dat een grote verandering en die komt er niet na een paar maanden. Ik ben impulsief, nog steeds, ik kan geen onrecht zien. Maar het enige datje alleen kan bereiken is tien, vijftien keer ergens aan de deur gezet worden omwille van eenmalige eenpersoonsacties. En dat kan wel moedig lijken, maar wat gebeurt er achteraf? Jij wordt afgedankt en 211 daarna neemt de baas terug wat hij moest geven toen het even kookte. Wat je moet leren is van die honderden mensen één gebalde vuist maken door te luisteren en te studeren. Je moet leren vertrouwen en geloven in de mensen. Als communist ben je het ook aan de arbeiders verplicht hen de arbeidersprincipes bij te brengen. Ze verwachten dat trouwens. Je kan hen leren internationalist zijn. Maar je weet datje deel bent van een collectief. Er zijn geen eenzame helden onder de arbeiders. Ze zijn allemaal heldhaftig, zowel als ze werken als wanneer ze vechten. Arbeiders hebben me alleen nog maar positief verrast, niet negatief. Sommige mensen vinden dat je niet langer een intellectueel bent als je zolang in de fabriek werkt en niet koos voor een intellectuele job — een job met 'aanzien'. Ik ben het daar echter grondig mee oneens. Maar als je gestudeerd hebt sta je totaal anders in het arbeidsproces dan een arbeider. Je bent en blijft een vrij mens, zelfs na 20 jaar repetitief manueel werk. Dat is immers niet de essentie van watje daar doet. Je bent daar om je intellectuele capaciteiten aan de collectieve strijd te binden. Je moet je er goed van bewust zijn dat je vertrek sowieso een leegte nalaat in de fabriek, omdat je vaak als enige een tegengewicht biedt voor beïnvloeding door de burgerlijke media. Je verdedigt heel de dag revolutionaire standpunten over de fabriek, het gebeuren in het land, over politieke thema's, principes en over het buitenland. Ook op persoonlijk vlak blijf je altijd een intellectueel. Als een fabriek sluit dan is dat voor de arbeiders echt het einde. Tenzij ze erg jong zijn, kunnen ze elders niet meer aan de slag. En nergens vinden ze nog zo'n strijdbare sfeer. Maar wij kunnen altijd wel ergens beginnen, als vertaler, als bediende, als weetikveelwat. Ik ken in ieder geval niemand van de intellectuelen van de PVDA die lange tijd werkloos is geweest. Je kan nog altijd 'terug' naar de betere klasse, zelfs al heb je 25 jaar in de fabriek gewerkt. Daarom heb ik ook niet het gevoel dat ik zo'n groot offer gebracht heb. Ik kan altijd terug. Arbeiders kunnen niet terug. Zij kunnen slechts vechten voor een andere maatschappij, voor heel hun klasse. Mijn werk in de fabriek heeft ook een invloed op mijn werk voor de PVDA. Ik heb al een paar keer een halftijdse loopbaanonderbreking genomen om partijwerk te kunnen doen. Ik vind dat het voordelen heeft dat ik ook in de fabriek werk, eigenlijk zou iedere kader een engagement buiten de partij moeten hebben. Zo heb ik geleerd op steeds andere manieren over internationale problemen te discussiëren, afhankelijk van de groep. Met school-jongeren spreken of met arbeiders, dat is toch een heel verschil. Tijdens de 212 Golfoorlog waren er in de fabriek veel discussies over de verhoging van de benzineprijs, terwijl de propaganda tegen de oorlog bij de jongeren veel gemakkelijker was. Jongeren zijn veel idealistischer, kiezen bijna onwillekeurig voor vrede, tegen de oorlog. Een ander voordeel dat ik uit mijn werkervaring heb gehaald, is dat ik ook thuis of voor de partij gedisciplineerder werk, met een zekere regelmaat. In de fabriek ben ik verplicht langs de prikklok te passeren. Wel, toen ik die loopbaanonderbreking nam, en twee dagen op de vier werkte, probeerde ik ook op te schrijven hoeveel tijd ik besteedde aan een bepaalde taak. Het is een manier om efficiënt te werken en om verantwoording af te leggen. In de fabriek berekent men hoeveel tijd ik nodig heb voor een bepaalde taak: je legt verantwoording af van hoeveel werk je gedaan hebt. Mensen die geen rapporten maken, dat kan dus niet. In de fabriek ben je ook verantwoordelijk voor de kwaliteit, de mensen hebben zorg voor hun werk. Maar ik had ook verkeerde ideeën. Aanvankelijk dacht ik dat werken in de fabriek ook je werk als kader verbeterde. Tot ik eens een groep syndicalisten had georganiseerd die via mij de PVDA beter wilden leren kennen, een behoorlijke grote groep. Wel, ik moest een ander kader vragen om die vergaderingen te geven: ikzelf had te weinig gestudeerd. Dat kan natuurlijk niet. Dat is me niet meer overkomen. Elk kader moet zijn massabasis hebben. En die van mij lag toen in de fabriek, in de vakbond, bij de delegaties van de streek en van de metaal. 213
Jef - Inhoud - de fabriek
Jef Bruynseels spreekt de arbeiders toe over de afloop van zijn proces. (19 juni 1981) Rechts: ABVV-secretaris Schoeters. 214 Mijn moeder kwam uit een boerenfamilie, mijn vader uit een familie van boeren en arbeiders. Tijdens de oorlog ging vader bij de boeren melk ophalen om naar de melkfabriek te brengen. Na de oorlog is hij omwille van de werkzekerheid bij de rijkswacht gegaan. Hij had enkel lagere school gelopen. Mijn ouders woonden toen in Herentals, waar ik geboren ben op 8 juli 1949. Toen ik vijf was, werd mijn vader overgeplaatst naar Meerle, een boerendorp tegen de Nederlandse grens, heel katholiek ook. Aan een grote boom voor de kerk hing tijdens de schoolstrijd een pop van socialist Collard. De adel had er nog kastelen en hield er met de nieuwe burgerij jachtpartijen. De plaatselijke rijkswachter kreeg dan een paar fazanten of konijnen om een oogje dicht te knijpen. Als jonge gast heb ik daar een fantastische jeugd beleefd, een beetje zoals de Witte van Zichem. Ik was met mijn vrienden altijd op weg met de fiets. We klommen in de bomen om vogelnesten uit te trekken, die we dan van vader moesten terugzetten. We zijn eens tot op het hoogste topje van de kerktoren geklommen om daar onze naam te schrijven, zonder dat de pastoor het wist. Tijdens het verlof was ik bij mijn grootouders op de boerderij. Ze ontzagen me wel een beetje omdat ik nog een klein gastje was, maar ik moest toch mee aardappelen rapen tot het langs mijn oren uitkwam. Boeren hebben het niet gemakkelijk, ze leven sober en bijten elke frank in twee. Maar ze denken zoals kleine zelfstandigen. Ze onderschatten het werken in een bedrijf zoals Renault bijvoorbeeld. Tien uur aan de band is zwaarder dan tien uur op de boerderij. Toen ik elf was, zijn we naar Duffel verhuisd, naar een buurt waar voornamelijk kleinburgerij woonde. Aan de andere kant van de Nete, in Duffel-Oost, woonden de arbeiders. We woonden in een huis van de rijkswacht, op 500 meter van 'den blok', een sociale woonwijk. Er stond een muur tussen die twee werelden. Mijn moeder doorzag dat wel, zij vond dat wij niet beter waren dan iemand anders. Ik werd naar een katholieke school gestuurd. En vanaf het zesde leerjaar zat ik op internaat in Sint-Katelijne-Waver, waar ik mijn humaniora gedaan heb. Aanvankelijk was dat wel prettig; er waren voetbalvelden en het lag op de buiten. Ook het vast regime lag me wel: collectief studeren, ontspanning, terug studeren, nog wat ontspanning en daarna naar de grote slaapzaal. Maar na een aantal jaren werden we wereldvreemd, afgesloten als we waren van de buitenwereld. Het waren de 215 kweekscholen van Vlaanderen, dat werd ons ook ingehamerd. Stilaan sijpelde toch het protest binnen. Tijdens de speeltijd luisterden we naar Boudewijn de Groot, en er kwamen hoe langer hoe meer discussies over 'lang haar' en opvallende kleren, over het aantal keren dat we naar de mis gingen of de foto's van rockgroepen op onze kamer. Ons jaar was dan ook het eerste zonder priesterroepingen. Mijn protest richtte zich tegen het autoritaire, het conformisme en de hypocrisie van de burgerlijke maatschappij. Ik las ook veel, boeken van de Russische schrijvers, Tolstoj en Dostojevski, en veel over criminologie. Woelige jaren in Leuven Na mijn humaniora was ik eerst van plan bij de rijkswacht te gaan, daar zou ik mijn interesse voor criminologie kunnen combineren met mijn nood aan sport. Het ingangsexamen bestond uit meerdere delen. Het sportexamen was geen probleem. Voor het psychotechnisch examen moest ik vijf man een praktische opdracht laten uitvoeren: munitiekisten over een ravijn brengen. Ik moest dus laten zien dat ik kon commanderen, en dat lag mij al minder. Het theoretisch examen was de echte afknapper: toen er een generaal binnenkwam met twee assistenten moesten wij allemaal rechtspringen. Dat was aan mij niet besteed. Ik ben dan in Leuven rechten gaan studeren, ook wel met het romantisch idee dat je als advocaat tegen de onrechtvaardigheid in de weer bent. In Leuven vond ik de vrijheid waar ik de laatste jaren van gedroomd had, hoewel de waarden van thuis belangrijk bleven: goed studeren, een goede job vinden, iemand zijn. De eerste maanden van het academisch jaar verliepen rustig, maar in januari 1968 begonnen de betogingen en de stakingen voor 'Leuven Vlaams'. Na een grote volks vergadering in de Alma viel de regering. Ik deed mee zonder lid te zijn van een organisatie. Er was toen echt veel in beweging. Studenten gingen naar de middelbare scholen om ook de scholieren bij het protest te betrekken. Ikzelf sprak scholieren toe op een actie in Lier. Ik weet niet meer op welk moment ik me vragen begon te stellen over de verschillende strekkingen binnen de beweging. In het begin was ik gewoon overal tegen, 'tegen het klootjesvolk, tegen de bourgeoisie, tegen de fils-a-papa, tegen het gezag en tegen de Kerk'. In het tweede jaar kreeg mijn protest een meer linkse inhoud. Er waren weer volksvergaderingen en er werden werkgroepen gevormd over verschillende thema's. Ik werkte mee aan een groep die zich boog over de vraag of dat wel kon, 'een democratische 216 universiteit in een ondemocratische samenleving?' Dat was de eerste stap naar links, maar ik was nog lang geen marxist. Ik kende wel een aantal mensen van de Studenten Vakbeweging (SVB) en ik had sympathie voor hun engagement, maar ik stond daar nog ver van af. Maar ik las wel veel, linkse tijdschriften, Het Communistisch Manifest en brochures van de SVB over Angola, de nato en Vietnam. In Duffel heb ik een Derdewereldgroep opgezet in de parochiale jeugdclub. Ik had er veel discussies met onze pastoor die de ondermijning van zijn gezag niet zag zitten. Ik was ook gitaar beginnen spelen, vooral muziek van Bob Dylan. Met een paar anderen speelde ik in jeugdclubs, nadien kwam dan de politieke uitleg. Onze Derdewereldgroep had succes. We maakten een tentoonstelling over de strijd van de volkeren in de Derde Wereld. We hebben ook eens een enquête gedaan: waar leggen mensen de oorzaken van de onderontwikkeling van de Derde Wereld? In dat tweede jaar ging ik nog naar de les, het derde jaar niet meer. Het was het jaar van de mijnstaking. Er waren toen in Leuven grote volksvergaderingen rond de staking, betogingen en een solidariteitsstaking. Ik deed aan alles mee, maar ik ging niet mee naar de mijn. Ik was toen vooral actief rond de Derde Wereld. Maar uiteindelijk bracht mijn bewondering voor Che Guevara en Het Rode Boekje van Mao me dan toch tot het communisme: als dat het communisme was, als dat de principes waren, dan kon ik daar achter staan. Omdat ik er meer over wilde weten ging ik naar een vormingsweekend van SVB. Het werd een ware breuk met mijn vroegere opvattingen. Het ging niet alleen meer om een democratische universiteit maar om een antikapitalistische en socialistische maatschappij. Ik leerde tijdens die vorming ook heel wat mensen kennen waarmee ik in contact bleef. Met vier van hen reden we op een morgen naar Cockerill Yards in Hoboken om er pamfletten uit te delen. Ik werd meer en meer in de beweging betrokken. In augustus brak er een staking uit in de Stordeur bij Leuven. Wij hielpen piketten organiseren om iedereen buiten te houden. Dat was mijn eerste activiteit in een staking, en ik was misschien wel de actiefste van de groep. Toch had ik nog geen definitieve keuze gemaakt, het was nog meer een proces van het marxisme leren kennen. Tijdens die staking begon ik het marxisme nu ook te bestuderen. In de bibliotheek lazen en bediscussieerden we het dialectisch en historisch materialisme. Ik had tot dan toe wel het gevoel dat er ergens iets niet klopte in de maatschappij: je gaat naar de universiteit om een betere job en een gemakkelijker leven te hebben dan de arbeiders. Een keuze voor de strijd betekende dus niet alleen stoppen met studeren maar ook: een moeilijker leven en zwaarder werk aan de kant van de werkende klasse. Ik had 217 het daar vrij moeilijk mee en kon niet beslissen. Ik bewonderde de mensen van SVB omdat ze er hun leven in staken, er de repressie bijnamen. Maar de oproep om naar de fabriek te trekken was niet echt aan mij besteed. De oudere militanten waren daar nochtans al twee jaar mee bezig. Bij mij was alles nieuw, ik kwam nog maar juist luisteren en kijken. Maar omdat ik de band tussen theorie en praktijk wel belangrijk vond ging ik mee pamfletten uitdelen aan de fabriek. Propaganda, dat lag mij: met uw zaak naar buiten komen, uw zaak verdedigen bij de arbeiders. Afscheid van de universiteit? Ook in mijn vierde jaar aan de universiteit bleef ik worstelen met de vraag of ik nu moest stoppen met studeren. In de arbeiderswerking stappen was voor mij de verste stap van de unief. Ik bleef wel actief aan de poorten van Stordeur, Persil, Remy, Philips. Bij Philips verkochten we zo'n zeventig a tachtig nummers van het blad dat intussen Alle macht aan de arbeiders heette. Vooral met de jonge arbeiders hadden we goede contacten. We probeerden hen te organiseren, een aantal van hen droegen toen een Maospeldje. We gingen bij de arbeiders op enquête en samen met hen schreven we pamfletten over de uitbuiting, de ongezonde werkomstandigheden, het premiestelsel en de cao. Op vrijdagavond gingen we discussiëren in de arbeiderscafés van Leuven en Kessel-Lo. In de herfst van 1970 ging Kris Merckx naar China, was er de campagne voor Vietnam en het protest tegen de maatregelen van Vranckx tegen de vreemde studenten. Hoewel ik nog ingeschreven was, ging ik niet meer naar de lessen. Ik legde geen examens af, maar de breuk was nog niet definitief. Ik had dan wel ideologisch de stap gezet om niet meer verder te studeren maar dat thuis gaan zeggen was andere koek. Ik schreef een brief naar mijn ouders om het uit te leggen. Voor mijn vader stortte de wereld in en mijn moeder had het er heel moeilijk mee. Ik had geschreven dat het besluit vast stond en dat ik er niet op terug kwam. Ik ben dan een aantal maanden thuis weggebleven, later vroegen ze me om terug te komen. Ze hadden er zich bij neergelegd. Ondertussen zat ik toch al een jaar in de arbeiders werking. Op het einde van dat jaar ben ik gaan werken bij een meubelmaker in Leuven, een klein bedrijf met een ploeg van vijf arbeiders die de meubels moest afleveren. Hard werk. De baas weigerde ook maar het minste te besteden aan technische hulpmiddelen. We hadden nog geen katrol. We moesten dus op de camion gaan staan en soms zelf die meubels omhoogtrekken. De rug van onze chauffeur ging kapot van dat werk. Het mocht 218 allemaal niets kosten, afgezien van onze ruggen, én van de meubelen. Want soms vielen die dingen naar beneden, en brak er links of rechts een stuk af. Dat werd dan rap geplakt, en dan moesten we zo'n stuk bij levering voorzichtig neerzetten zodat de klanten niets zagen, en dan maken dat we weg waren. Mijn collega protesteerde daartegen. Die had nog beroepsfierheid, de mensen hadden voor een goed meubel betaald. Ondertussen ging de discussie verder over een definitieve keuze voor een leven in de fabriek en over de keuze om de strijd van de arbeiders te leiden. Op een vergadering waar werd gesproken over goede banden met de arbeiders werd gezegd dat ik mijn haar best liet kort knippen. Ik tilde daar toen niet zwaar meer aan. De man die zijn haar kort liet knippen. Vroeger, als student, was ik vrij, bepaalde zelf wanneer ik naar de poort ging. Nu was het werken geblazen. Maar ik begon me ook af te vragen of dit nu mijn leven zou zijn? De twijfel knaagde en ik wist niet waar de knoop zat. Het zware werk? De kritiek op dat werk? Waarschijnlijk een beetje van alles samen. Ik had allicht niet bewust genoeg gekozen. In de vakantie ging ik terug naar huis. Ik vertelde niets van mijn twijfels, maar ik zat ermee in mijn maag. Het volgende academiejaar, 1972-'73, schreef ik me terug in aan de universiteit. Maar ik had al te veel afstand genomen van hetgeen daar gedoceerd werd. Ik volgde de lessen, maar ik hoorde niet meer thuis in het studentenmilieu. Na een aantal maanden ben ik terug het marxisme gaan studeren. Ik wist dat ik fout zat met dat stoppen en wilde klaarheid. Ik wilde ook niet zomaar terug gaan en volstaan met een 'hier ben ik weer'. Misschien is alles niet zo bewust gebeurd, maar het was toch een confrontatie met een aantal problemen. Dat vierde en vijfde jaar heb ik gedaan met opflakkeringen van actief militantisme, zoals tijdens de dokstaking. Ondertussen moest ik ook examens doen. Dat was zeer moeilijk. Ik had in feite met dat leven gebroken, ideologisch en psychologisch, ik had geen contact meer met de studenten, ik ging niet meer naar de les. Ik heb die studie uitgedaan omdat ik iets moest doen. Een opdracht voor een werk over de sociale zekerheid greep ik aan voor een studie over beroepsziekten, op basis van getuigenissen van arbeiders. Het was een antikapitalistisch en min of meer marxistisch werk. Het was een politieke keuze, met wat ik wist kon ik niet schipperen, ik was in feite communist geworden. Renault Tijdens mijn laatste jaar rechten ging ik bij Renault werken, in de eerste plaats om geld te verdienen. Ik kwam in de bodyshop terecht, de zwaarste 219 afdeling: de verschillende grote delen van de auto werden er gemonteerd. Je begon met de bodem, dan de twee zijkanten, en dan met een katrol het dak erop. Iedereen had het daar moeilijk, één op vier arbeiders kon het daar niet volhouden. Wie het werk echt beheerste, voldoende routine had, kon een halve minuut voor geraken op het schema en het gevoel hebben het even wat rustiger aan te kunnen doen. Allemaal een maat voor niets, want als de timekeeper dat merkte, werd de werkbelasting weer opgevoerd. Het laatste uur van de werkdag was ik totaal uitgeput. Alles begon dan te draaien, alsof ik tien kilometer gelopen had en de laatste kilometer te veel was geweest. En dat elke dag. Ik voerde vanaf de eerste dag vele en 'grote' discussies. Ik deed mijn mond open over alles wat er mis was. Na een paar weken had ik al een discussie met een delegee die daar rondkwam. Ik had gereclameerd over de veiligheid: het lasmateriaal hing aan grote blokken met scherpe delen. Je liep daar met je hoofd tegen. Na een maand was er een samenkomst met de nieuwe arbeiders en ik gooide dat probleem op tafel. De arbeiders apprecieerden dat wel en zeiden dat ik delegee moest worden. Maar de brigadier had last met mij en na een maand of twee werd ik op het matje geroepen. Ze wisten van mijn banden met AMADA en lieten me verstaan dat ik moest oppassen. Op lange termijn werken, dat was niet echt mijn sterke kant. Ik vloog erin, de zaak moest op punt staan, je moest op je rechten staan. Op dat moment dacht ik er nog niet aan heel mijn leven in de fabriek te werken, en na drie maanden ben ik gewoon van de ene op de andere dag weggebleven. Het hing me de keel uit. Ik had het gevoel in een keurslijf te zitten, vooral door voortdurend aan die band vast te zitten. Misschien dat de gewenning het wel gemakkelijker maakt, maar zoveel geduld had ik niet. Het was echt een werkkazerne waar alleen de sterksten het uithielden, zowel fysisch al psychisch. En je had bijna geen tijd om met de mensen te praten, nu eens één minuut, onder de middagpauze een paar minuten. Alles was in functie van de productiviteit georganiseerd, slavenwerk. Ik was er mij wel van bewust dat ik daar kon uitstappen, en dat deed ik dan ook en sneller dan ik had gedacht. 'Parel van de Generale': de Métallurgie Ik wilde wel actief zijn in de beweging maar nog niet te georganiseerd. Ik ging terug naar mijn eerste interesse, de Derde Wereld. Toen de AIB (Anti-Imperialistische Bond) boven het doopvont gehouden werd, was ik één van de eerste activisten. De eerste campagne was voor de volksoorlog in Cambodja, 220 de eerste brochure ging over Chili. Zo heb ik me een aantal maanden ingezet, tot mijn studies in de rechten afgelopen waren. Daarna vroeg ik mij af wat ik kon gaan doen. Men stelde me voor in Antwerpen te gaan wonen en er advocaat te worden. Met mijn vriendin Els trok ik naar Antwerpen. We kenden Antwerpen van haar noch pluim, we stapten op een tram, stapten in Deurne af en huurden er het eerste het beste appartement in een arbeiderswijk van Deurne-Noord. We trouwden in november '74. Mijn partner was een belangrijke steun voor mijn engagement... Het was toen in AMADA de gewoonte dat dokters en advocaten naar Chinees model een stage deden in de fabriek. Voor mij werd dat de Métallurgie-Hoboken. Ik zou er een korte periode blijven en dan advocaat aan de balie worden en een advocatenpraktijk opzetten. De eerste zes jaren ben ik echter niet meer uit de fabriek gekomen. Bij de sollicitatie op de Métallurgie in 1974 deed ik me voor als een perfect hard werkende arbeider. Ik probeerde het beeld op te hangen van iemand die juist getrouwd was, zich wou 'installeren' en daarvoor overuren wilde doen. Ik kon natuurlijk niet gaan vertellen dat ik wel een universitair diploma had, maar toch in de industrie wou werken. Je moest dat dus goed voorbereiden, opdat je niet door de mand zou vallen. De Métallurgie was toen een onderdeel van Union Miniere, de parel van de Société Générale. Een deel van de ertsen kwam uit Congo, ze werden aangevoerd via binnenschepen. Ze werden gelost met grote stofwolken. Sommige grondstoffen kwamen in blokken toe. Die werden dan gesmolten en verwerkt. De 'Zilver' was zeer uitgestrekt en vuil: stof, hete brijen, hitte, ovens. De arbeiders kwamen van overal, van de Rupelstreek, van over 't water. Velen onder hen waren zich van geen gevaar bewust. De helft van de arbeiders waren migranten, zij kregen de vuilste jobs. De betere jobs waren bijna allemaal voor Belgen. Ik deed hetzelfde werk als de migranten: opruimen, kuisen, het afval weghalen. We werkten daar met vrij gevaarlijke producten, maar daar werd niets van gezegd. Een borstel in uw handen en 'kuis maar op'. De heb zo een ongevalletje gehad. We werkten onder andere tussen de zakken met bijtend zuur, dat werd gebruikt om bij de producten te doen. Op een bepaald moment voelde ik precies een steentje in mijn schoen, maar ik gaf er geen aandacht aan. Toen ik na de karwei mijn bottine uitdeed, had ik een zwarte plek op mijn voet. Dat 'steentje' was een brokje soda en mijn voet was verbrand tot in de derde graad. Het is nu nog altijd een litteken. De veiligheidsmaatregelen waren op alle vlakken beschamend. Een migrant is eens met zijn been in een oven gestapt. De helft van de tijd lag die oven open 'omdat 221 daar toch altijd iets moest bijgekapt worden'. De arbeiders van de hoogoven hadden wel een kap om zich tegen de dampen te beschermen, maar het was daar zo gloeiend heet dat ze die soms niet aandeden. Je kreeg die dampen allemaal binnen. Er waren dan ook veel gevallen van loodziekte, een ziekte met een aftakelingsproces tot gevolg. Ik denk dat de helft van de mensen daar lood in het bloed had. Daarom stonden daar ook zoveel migranten. De migranten moesten dan nog eens in continusysteem werken, de Belgische arbeiders in dagploeg. Maar ook de Belgen stonden in de looddampen. Mecaniciens, lassers, elektriciens... moesten immers overal zijn. Waar ik echt perplex van stond was de hypocrisie. Terwijl de fabriek vol dampen hing waar niks tegen gedaan werd, was er wel een veiligheidscampagne tegen het roken. Aan de muren hingen plakkaten met: 'Roken kan uw leven verkorten.' Maar erger nog dan het gebrek aan veiligheid was de zwaarte van het werk. Als je niet gewoon was te werken, moest je toch een aantal maanden inlopen, je fysiek aanpassen, het ritme gewoon worden. En een paar dagen in de week moest je diep in je reserves tasten om het eind van de dag te kunnen halen. Het was voor iedereen verschillend, maar iedereen was kapot. Het was nog het oude kapitalisme, bijna koloniaal. Er liepen opzichters rond, gepensioneerde rijkswachters. Vóór een bepaald uur mocht je de refter niet binnen. En er was nog het boetesysteem. Kousen vergeten in te leveren bijvoorbeeld kostte je 20 frank boete. Op een bepaald moment, na een maand of zes denk ik, kreeg ik weer een terugval. Ik zag het niet meer zitten en nam een week ziekteverlof. Op zulke momenten gaf ik er op alle vlakken de brui aan, ook dus op politiek vlak. Ik denk niet dat het abnormaal is, je moet natuurlijk ook een strijd voeren met jezelf. De beslissing om in de arbeidersklasse te werken voor de rest van mijn leven, zo'n gemakkelijke weg was dat toch niet. Minder gemakkelijk in ieder geval dan advocaat worden. Ik was al in de fabriek gaan werken maar ik kon nog alle wegen uit. Het was geen uitgemaakte zaak, ik bleef nog wel geloven in de arbeidersstrijd. Ik heb dan toch de stap gezet naar AMADA. Onze organisatie was sterker geworden tijdens de dokstaking; er waren statuten, teksten; in Hoboken was er de dokterspraktijk, de omkadering was in orde, enz. Er was een fabriekscel op de Métallurgie en ik sloot me daar bij aan. Hoe meer je je engageert in een marxistisch-leninistische organisatie, des te steviger de basis waarop je werkt. Louter uit liefde voor de arbeiders hou je het bijna nooit vol. Wie zich engageert om in die uitbuiting politiek werk te doen, heeft een analyse nodig van het kapitalisme, waar die miserie een element van is. Maar ik vloog er weer te impulsief 222 in. In plaats van te leren luisteren was ik vanaf de eerste week beginnen discussiëren. Ik greep echt alle gelegenheden aan om er in te vliegen. Ik kreeg al snel een berisping omdat ik niet genoeg werkte. Ik dacht ook dat het zo moest voor de strijd. Achteraf besefte ik datje in het begin beter je ogen en oren de kost kunt geven, zodat je iedereen en alles leert kennen. Maar die belangrijke periode van aanpassing had ik overgeslagen. Ik had wel een boekje waarin ik elke discussie noteerde, maar ik kende de problemen van de arbeiders zelf niet. Alles was politiek, de grote politiek. De meeste arbeiders hadden trouwens geen oren naar mijn verhalen. Ik had wel contact met de delegees. Ik wilde zelf ook militant worden van de vakbond, maar dat is niet doorgegaan: ik was al aangebrand voor de PMB, de Metaalbond. We hadden een open brief opgesteld tegen onze niet-aanvaarding in de vakbond, tegen het verbod van communistische arbeiders in de vakbond. Ik schreef pamfletten samen met een aantal mensen, georganiseerd in een cel die rond de fabriek werkte. Er direct invliegen, dat is het kleinburgerlijk ongeduld om op korte termijn resultaten te zien. De arbeiders zouden ons dan vanzelf wel steunen. Zo zouden we bij de onderhandelingen voor een nieuwe cao eens iets lostrekken. Toen de delegees verslag kwamen uitbrengen van de onderhandelingen en vroegen of er nog iemand iets te zeggen had, pakte ik de megafoon en riep op tot staking, een schokstaking. De volgende dag werd het werk één uur stil gelegd, dat was dan een oproep van de vakbond. De mensen bleven gewoon een uur langer in de refter zitten. Men begon uit te zoeken wie in de refter gesproken had, en uiteraard werd ik opgespoord. Door dat speechen kwamen ook mensen van andere afdelingen discussiëren. Iemand met durf werd wel geapprecieerd. Ik begon ook steunkaarten van AMADA te verkopen, ik nam een dag verlof voor de dokprocessen. De directie knoopte vlug alles aan mekaar. Ze hadden me gelokaliseerd. Zo werkte ik echt wel op zeer korte termijn. Enige tijd later werd ik opgezocht door een garde, een ex-rijkswachter. Hij herkende mijn familienaam, hij kende mijn vader. Ik zei dat hij mij verwarde met mijn broer. Maar men hield mij te goed in het oog. In september 1975 begon ik opnieuw met een actie rond de veiligheid. Dezelfde dag nog moest ik bij de directie komen. Ik verwittigde de hoofddelegee, maar hij was al op de hoogte. Ik werd afgedankt, ik was 'niet geschikt voor dit werk', 's Maandags stonden we daar met een pamflet. Dinsdag kroop ik in overall langs achter over de muur. Ik mengde mij onder de arbeiders die naar de refter gingen. In de refter ben ik op een bank gaan staan om de mensen toe te spreken. Over de wereldrevolutie! Ook wel over de situatie van de fabriek, maar toch over de hoofden van de mensen. De arbeiders vonden mijn afdanking een schande, maar een 223 echte reactie kwam er toch niet. Ik ben dan met de massa terug buiten gegaan. Mijn actie was wel niet echt gelukt, maar ik had me ook zomaar niet laten afdanken. Ford Daarna ben ik bij Ford-Motor begonnen, niet zo'n grote fabriek in het Antwerpse havengebied, wel een met naam. Er werkte toen zo'n 200 man in verschillende kleine afdelingen. Ford-Motor was een transitcentrum. De wagens kwamen van het schip, werden nagekeken, opgekalefaterd, gekuist en overgedragen aan de verdelers. De meeste arbeiders waren plaatslagers. Ik was aangenomen als handlanger. De auto's werden onderaan bespoten met een dun laagje 'undercoating' tegen het roesten, een smerig goedje dat overal rondvloog en op de vloer terechtkwam. Wij moesten elk dag die vloer kuisen: een beetje thinner erop en dan met een industriële borstel de vieze brij afschrapen en wegtrekken. Het was minder smerig dan op de Métallurgie. Het was een modernere fabriek met een beetje meer syndicaal leven. Een van de delegees was bij de kp geweest. Mijn ontslag bij de Métallurgie had me sterk aan het denken gezet. Ik had geleerd wat politiek werk in de fabriek inhield, welke fouten ik beter niet meer kon maken. Het werk moest op langere termijn gezien worden. Ik discussieerde nu wel makkelijker met de collega's. Na een tijd waren er twee arbeiders waaraan ik elke week de krant verkocht of doorgaf. Met een derde arbeider, wiens vuilbak ik wekelijks moest ophalen sprak ik af om de krant Alle macht aan de arbeiders in zijn vuilbak te deponeren. Maar er gebeurde iets doms waardoor ik ook bij Ford niet echt lang zou blijven. Met de verkiezingen was ik opgekomen voor AMADA, en we hadden met de post stickers opgestuurd aan de sympathisanten. Een arbeider had er niet beter op gevonden dan daarmee de wc's en andere plaatsen vol te plakken. Ik kon wel bewijzen dat ik dat niet zelf had gedaan, maar van dan af werd ik echt gezocht. Er werd over alles gevit. Ik moest bijvoorbeeld de bureau van de baas kuisen en dan verweet hij me nadien dat de telefoon niet op zijn plaats stond. Ik werd gepest. Een gesprek met de personeelschef en de hoofddelegee wees uit dat dit niets met mijn werk te maken had maar met mijn lidmaatschap van de partij. En toen een tijdje later een tiental mensen om economische reden ontslagen werden, was ik er bij. Ook nu probeerden we een actie los te weken. Na een vergadering in de refter trokken we de fabriek rond om met de mensen te discussiëren. Een van de wachters liep achter mij om me aan te 224 manen de fabriek te verlaten. En met een arbeider die ook afgedankt was, ging ik 's maandags een pamflet uitdelen aan de poort. Er ontstond even wat commotie toen ik werd aangevallen door een chef, maar au fond gebeurde er niets. Die chef was een klein ventje van ongeveer vijftig jaar. Hij hing aan mij. Ik zwierde hem als een katapult rond en hij viel op de grond. De mensen lachten ermee. Nadien bleef ik aan de poort nog een tijd AMADA verkopen, toch wel tien kranten op een honderd man. Er was een goede sfeer, ik kon steeds wat praten met de arbeiders op de parking. Maar ik stond dus weer op straat. Het moest duidelijk anders. Door ervaringen kan je veranderen Twee afdankingen had ik nu op zak, mijn leergeld. Zo verging het velen in die jaren. We hadden nog veel te leren. Je hebt zes maanden tot een jaar nodig om te weten hoe een fabriek in mekaar zit, het werk te leren, de mensen te leren kennen en te leren hoe ver je kan gaan in discussies. Na één jaar ken je een fabriek nog niet. Soms ken je ze zelfs na twee of drie jaar nog maar gedeeltelijk, je komt immers niet overal. In oktober 1977 ben ik in de petrochemie begonnen. Ik was wel niet geslaagd in de technische proeven, maar werd toch aangeworven door usi, later Exxon-Chemicals. Ze hadden een handlanger nodig, iemand voor het vuile werk. Zelfs mijn hoogtevrees was geen probleem: 'Kunt ge in een diep bord kijken? Wel, dat is dan in orde.' Er werkte zowat 500 man bij usi, de helft arbeiders en de helft bedienden. De fabriek produceerde polyethyleen, een soort plastiek in bolletjes. De grondstof daarvoor, ethyleen, was een bijproduct van de petroleumraffinaderijen in de buurt. Het werd aangevoerd door een leiding onder de Schelde. Het polyethyleen werd in zakken naar andere bedrijven in het land vervoerd om er o.a. plastieken flessen en emmers van te maken. Ik werd ingedeeld bij de losse onderhoudsploeg, de 'strontploeg'. Ik moest stellingen aanbrengen, maar meestal bleef ik beneden om alles aan te geven. Ik moest putten graven om leidingen te herstellen en verroeste stukken zandstralen. Een aantal jobs waren duidelijk niet zo goed voor de gezondheid. Soms droegen we een soort van astronautenpak en soms werkten we in een weeë geur van warm plastiek. Dan had 's middags niemand honger. We kregen dan wel een fles melk. Na een actie werden daarvoor een paar 'vuile uren' betaald, een hoger uurloon. Voor het productieproces is onderhoud onontbeerlijk. De fabriek was in 1968 gestart, en in het begin kon men niet genoeg arbeiders rekruteren voor dat gevaarlijk en ongezond werk. Tot de directie er iets op vond: 'Als jullie 225 van de onderhoud niet werken, wil dat zeggen dat alles goed verloopt in het productieproces'. Ondertussen waren dat verworven rechten: in de onderhoud moest niet veel gewerkt worden. De arbeiders gingen er wel vanuit dat het een gevaarlijke onderneming was. Hier moet alles juist gebeuren want er kon veel mis gaan. Een ontploffing bij een ander petrochemisch bedrijf, Union Carbide, met negen doden tot gevolg, liet zien dat het gevaar niet denkbeeldig was. Enkele jaren geleden is daar nog eens een ontploffing geweest. Toen vielen er als bij wonder geen doden omdat er net een aflossing van de ploegen geweest was. Petrochemie is gevaarlijker dan 'de petrol', de gewone raffinage. Ook elders in de wereld gebeuren er veel ongelukken. Er wordt gewerkt met gevaarlijke stoffen en de gassen die vrijkomen kunnen ontploffen. Chemieplants zijn potentiële bommen. Het loon van de arbeiders is 'bibbergeld'. De arbeiders werkten globaal minder uren dan op Ford en de Métallurgie. In de periode dat ik er werkte wilde men de arbeiders toch harder doen werken. Toen Esso het bedrijf overnam, werd alles geïnformatiseerd. We kregen een badge om 's morgens te tikken. Dan moesten we ook binnen de fabriek tikken als we gingen eten, roken, een klus begonnen of beëindigden. Maar dat deed niemand. Rond de onderhandelingen voor een nieuwe cao in 1978 braken er in de petrochemie overal spontane stakingen uit. Union Carbide lag naast onze fabriek en wij hoorden dat de arbeiders daar een prikactie hielden. Op rechteroever lagen ook al sommige bedrijven plat. Onmiddellijk veranderde het klimaat in de fabriek, iedereen wilde mee in actie. De volgende dag was er een algemene vergadering van mijn groep, syndicaal bewuste mannen die niet op hun mond gevallen waren. Toen de delegee verslag kwam uitbrengen besloten we de blok erop te leggen. We trokken de fabriek rond om de rest mee buiten te krijgen, de stielmannen en die van de bagging en de productie legden het werk neer. Dat gebeurde geleidelijk, want anders zou de fabriek zwaar beschadigd kunnen worden. Toen de staking gewonnen leek, zijn we terug binnengegaan. Maar na een dag werken bleek dat alles toch niet in orde was en werd het werk terug neergelegd. Usi was een van de strijdbare bedrijven van de petrochemie, wij hebben die staking het langst volgehouden. Ik zocht contact met delegees en militanten van de vakbond. Er was toen grote hetze van het patronaat tegen de vele wilde stakingen. De nationale vakbondsleiding tekende na een wilde staking bij Polysar, het huidige Bayer-rubber, ook een strijdbaar petrochemisch bedrijf, een clausule over sociale vrede. Wij besloten daar in Antwerpen geen rekening mee te houden: 'Wij gaan dat omzeilen.' Dat is gebeurd, maar principieel was die clausule ook niet te aanvaarden. Door terug buiten te komen werd de staking een overwinning. 226 Het ondersteuningscomité een jaar later was er een beroering rond de geplande sluiting van de raffinaderij van rbp. De arbeiders bezetten hun bedrijf. Ik werd lid van een syndicaal ondersteuningscomité dat solidariteit wou losweken met de strijd tegen die sluiting. Ik vroeg aan mijn hoofddelegee of ik pamfletten over rbp mocht uitdelen op het bedrijf. Zo was ik gedekt en hij kon op de Algemene Centrale zeggen dat wij ook mee deden. Ik heb daar hard in gewerkt, maar heb ook leergeld moeten betalen. Er waren voortdurend discussies met syndicalisten van de Kommunistische Partij (kp) en de Socialistische Arbeiderspartij (sap). De kp moest zich een beetje neutraal opstellen omdat ze het comité formeel leidde, maar er waren ook KP'ers die vrijuit de stellingen van de kp verdedigden. De KP'ers zetten alles op parlementaire steun; andere strijdsyndicalisten en wijzelf vonden dat we het moesten hebben van de solidariteit aan de basis, van de sector, van de andere bedrijven. Er kwam een interprofessionele betoging en een actie van de diensten van de havenkapiteins. Het interprofessioneel comité liet toe solidariteit uit andere bedrijven te organiseren. Je kon er ook veel ervaring opdoen. Ten eerste in de strijd voor solidariteit met rbp en ten tweede door contacten met andere syndicalisten. Een maand na het einde van de bezetting in september '79 werd onderzocht wat we met het comité gingen doen in de toekomst. We besloten verder te werken rond de syndicale rechten. De interne verdeeldheid bleef. De kp wilde het comité laten werken onder leiding van en binnen de traditionele vakbondsstructuren en vooral binnen de limieten die de vakbondsleiding oplegde. Anderen wilden meer vanuit de basis werken en een echt strijd-syndicalisme opbouwen. Toen delegee Ruyseveldt later dat jaar werd afgedankt bij de Métallurgie, vond het ondersteuningscomité de weg van een actieve basiswerking. Net voordien was het kb van Spitaels, toen minister van Arbeid, goedgekeurd; dit kb werd voorgesteld als de grote verbetering voor de bescherming van de delegees. Ruyseveldt had een raam opengezet om de rook buiten te laten, omdat de stank binnen niet meer te harden was. En plots was dat een zware fout. Volgens het nieuwe kb mocht hij in de fabriek blijven totdat er een uitspraak was van de rechtbank, maar daar lapte de Métallurgie haar laars aan: hij mocht er niet meer in. Ruyseveldt is dan zelf een hongerstaking begonnen aan de poort van de Métallurgie, in een caravan, maar omdat hij een bediende en meestergast was kwam de rest van het bedrijf niet direct in actie. Met het interprofessioneel steuncomité, want zo heette het toen, hebben we een solidariteitsactie georganiseerd: met een dertigtal delegees van allerlei Antwerpse bedrijven hebben we 48 uren 227 meegedaan aan de hongerstaking aan de poort van het bedrijf. De actie kwam in de pers. Door een initiatief voor te stellen kan je mee de richting van een comité bepalen. Er is dan nog een solidariteitsavond gekomen op bbtk zelf, waar verschillende mensen van het comité gesproken hebben. Ruyseveldt werd binnengedragen op een draagberrie van de 900. Het comité heeft daarna nog twee jaar bestaan. Het werkte rond de bescherming van delegees en rond solidariteit met de arbeiders van Boel. Delegee Mijn werk in het ondersteuningscomité had een positieve weerslag op mijn activiteit bij Exxon. In samenspraak met de hoofddelegee deelde ik pamfletten uit van het comité en verkocht stickers. Zo kon ik me in het bedrijf manifesteren, de geesten opentrekken, niet alleen rond kleine punten maar ook rond zaken van klassenstrijd buiten het bedrijf. Op de meeste bedrijven van de petrochemie kwamen militantenkernen maandelijks of om de twee maanden samen, maar op Exxon bestond dat niet. Het was allemaal wat zoekwerk. De delegees wisten dat ik aan acties mee deed. Ik kon daar ook over praten en op die manier verstevigde ik mijn positie bij de verschillende delegees en bij de andere arbeiders. En dat was ook nodig. Ik wilde zelf ook delegee worden, maar bij de sociale verkiezingen van 1979 kreeg ik te weinig stemmen. Dat was wel normaal, de bestaande delegees hadden veel krediet vanuit de voorbije stakingen. Ik leerde in die periode mijn werk als syndicaal militant. Als er een vergadering was, nam ik standpunten in tegen de baas, ik probeerde me consequent op te stellen in de kleine zaken van elke dag. In 1980 waren er twee belangrijke gebeurtenissen. Op 24 januari werd ik vader. Onze dochter Mieke werd geboren tijdens de lange staking van Polysar. En enkele maanden later werd ik syndicaal delegee van de arbeiders. Er kwam een mandaat vrij omdat een delegee om familiale redenen ontslag had genomen. Ik was in die periode net actief geweest rond de cao die begin ' 80 moest afgesloten worden. Ik had in mijn afdeling een rondvraag gedaan over de eisen voor de cao, en had daar een verslag van gemaakt van een paar bladzijden met wat commentaar. Tijdens een vergadering over de onderhandelingen ben ik dan een paar keren tussengekomen. Het was toch niet evident dat ik vakbondsdelegee zou worden. Er was wel geen georganiseerde syndicale werking, er waren geen vergaderingen, maar er waren vele strijdbare en syndicaal bewuste arbeiders, en ik was van de 'strontploeg', de minst geschoolden, maar een toffe ploeg. 228 Ik denk dat de hoofddelegee wist dat ik communistisch gezind was. We hadden dat niet expliciet besproken, maar hij zei dat hij verschillende communisten kende zoals Minnebo, nu Agalev-burgemeester van Zwijndrecht. Er werd een algemene militantenvergadering samengeroepen om de delegees te verkiezen. Iedereen kon zich kandidaat stellen, maar er werd gekozen door de militanten. Het is natuurlijk beter als de arbeiders delegees kiezen, bij een keuze door de militanten is er kans op manipulatie. Maar in mijn geval heeft dat in mijn voordeel gespeeld. De arbeider die reserve-delegee was, had delegee moeten worden, maar hij zat in het bestuur van de plaatselijke Volksunie, en voor de ABVV-hoofddelegee was hij veel te zwart. Achteraf zegden de elektriciens en de stielmannen al lachend: 'Ene van de losse ploeg, die kan niet lezen of schrijven en dat moet delegee worden. Wat gaan wij met een delegee uit de 'strontploeg' beginnen?' Ten slotte dreigde er nog een probleem bij de goedkeuring door de directie. Die goedkeuring bleef uit en de mensen begonnen zich af te vragen hoe het nu zat. Was ik nu delegee of niet? Na een maand werd ik bij de directie geroepen. Ze hadden gehoord dat ik contacten had met, of lid was van de PVDA, en daar deden ze moeilijk over. Maar de vakbond en de secretarissen van de Algemene Centrale, Marcel Schoeters en Frans Cluytmans, stonden achter mij, en een week later was mijn erkenning als delegee erdoor. Het was wel een eerste vingerwijzing. Ik begon mijn werk als delegee. Delegee: stap voor stap een weg uitstippelen Je moet als delegee weten waar je naartoe wil, weten op welke zaken je ingaat en welke je laat liggen voor een beter moment. Je kan een hele dag bezig zijn met van alles en nog wat. Iemand krijgt veiligheidsschoenen die niet passen. Dat lijkt misschien banaal, maar voor diegene die de schoenen moet dragen is het dat niet. Daar probeer je dus iets aan te doen. Maar er gebeuren de meest uiteenlopende dingen. Op een dag kwam er een vrachtwagen binnen met giftige stoffen, de volgende dag moest die bevroren kippen transporteren. Dat had niet direct met het bedrijf te maken maar ik vond het wel schandalig. Ik heb dan naar de BTB gebeld, de vakbond van de Transportarbeiders. Ook de arbeiders zetten je regelmatig onder druk. Zo werd er vroeger een cao afgesloten waarin een punt over polyvalentie grote ontevredenheid opwekte. Je moet dan weten wanneer je daarop ingaat en wanneer niet, en hoe je dat dan aanbrengt. En iedereen heeft dan nog eens zijn eigen problemen of mogelijke oplossingen. Langzaamaan leerde ik dat de meeste arbeiders zeer veel van een vakbondsafgevaardigde verwachten. Maar je kan niet alles en zeker niet alles tegelijk. Dus besloot ik me door twee vragen te laten leiden: 'Is het een collectief probleem?' en 'Wat ligt het scherpst bij de arbeiders?' Er waren ook nog problemen die ik zelf wel belangrijk vond maar waar de mensen zich helemaal niet druk over maakten. Ik wilde wel een echte democratische vakbondswerking uitbouwen in de fabriek, de arbeiders zelf inschakelen. Met dat doel voor ogen deed ik elke week de toer van de fabriek, en hield ik een boek bij van de problemen die zich hadden opgestapeld. Ik haalde zo veel meer naar de oppervlakte dan ik aankon, maar ik wist ook wat er leefde. Ik had de syndicale werking van Boel goed gevolgd en de belangrijkste principes in mijn hoofd geprent. De democratische werking, de vaste band om samen te werken, het strijdsyndicalisme. Vertrekkend van de marxistische principes: de antikapitalistische opstelling, het luisteren naar de arbeiders en het centraliseren van de problemen. Ik was de enige delegee voor de afdeling onderhoud, de belangrijkste en ook de strijdbaarste afdeling. Ik stond ook als enige in de dag-ploeg, wat maakte dat ik in feite de belangrijkste was, ik kende zowel de ochtend- als de avondploeg. Ik had ook wel een voordeel als intellectueel. Tot dan toe had ik me nooit beziggehouden met de veiligheid en de wetgeving daarrond of met de syndicale wetgeving. Ik wist daar in feite weinig van. Dat probeerde ik onder de knie te krijgen. Er was een goeie actie in de bagging, de afdeling waar de korrels in zakken werden gedaan. De arbeiders kloegen dat ze regelmatig overuren moesten doen en een aantal vonden dat het genoeg geweest was. Als ik er alleen voor stond als ABVV-delegee zorgde ik er in principe voor een ACV-delegee mee in de actie te betrekken. Maar hier was ik alleen. Er moesten vrachtwagens geladen worden en de arbeiders weigerden. Hoewel het nogal moeilijk was de blok erop te leggen enkel rond die overuren gaf ik groen licht: 'Iedereen gaat naar huis; niemand doet hier overuren.' Een stevig orde woord. De bazen waren razend, maar ik zei dat ik bij de mensen was rondgegaan en dat ze geen overuren meer wilden doen. Toen iedereen naar huis gegaan was, belde ik de hoofddelegee om hem op de hoogte te brengen, en om me toch een beetje in te dekken. Hij ging akkoord. De directie had de mensen nog bijeengeroepen en onder zware druk gezet om toch overuren te doen, maar niemand was gezwicht. We hadden gewonnen, de arbeiders waren tevreden. Een actie rond de veiligheid liep anders af. Na een proef met plastiek kwam er nog altijd rook uit de machines, niet alleen onaangenaam van geur maar waarschijnlijk ook niet ongevaarlijk. Ik haalde de mannen van de 230 veiligheid erbij om het zaakje te meten en liet die werken stilleggen. Maar nadat ik naar huis vertrokken was, werd het zaakje toch weer opgestart. Tsja, je kan niet in de fabriek gaan wonen. In ieder geval, vanaf dan liet de directie me extra in het oog houden. Intimidatie en repressie Ondertussen was de repressie, de psychologische druk al begonnen. Juist voor het verlof wou de grote baas van de onderhoudsafdeling me goed op mijn plaats zetten: 'Gij neemt te veel tijd voor het syndicaal werk. Ge komt overal tussen, ge gaat naar de directie als het u schikt. Dat kan allemaal zomaar niet. In het vervolg komt ge eerst toelating vragen als ge uw werkplaats verlaat.' Ik antwoordde dat hij zijn reglementen niet kende. Dat een syndicale delegee de nodige tijd mocht nemen om zijn werk te doen. Hij was een beetje verbouwereerd door mijn reactie. Het ging niet zozeer over de reglementen, ze wilden gewoon intimideren. Ik bleef op mijn standpunt. Elke keer als ik weg moest voor vakbondszaken ging ik mijn brigadier formeel verwittigen. Maar toen hij wat te vaak reageerde dat het niet ging, heb ik de secretaris en de hoofddelegee op de hoogte gebracht om toch zeker te zijn van een beetje bescherming. Ik begon ook de arbeiders te mobiliseren rond die kwestie van syndicale rechten. De arbeiders zagen wat er gebeurde, maar ik was nog maar enkele maanden delegee. Ik dacht: Ze gaan niet in de bres springen voor iemand die nog niet echt iets voor hen heeft betekend. In die periode speelde de directie een echt kat-en-muis-spel, ik had regelmatig een flinke woordenwisseling met die ploegbaas. Het was zeer stresserend. Ik voelde dat zwaard van Damocles boven mijn hoofd hangen, een klein zwaardje weliswaar, maar ik werd toch geviseerd. Ik gebruikte niet meer tijd voor syndicaal werk dan de officiële hoofddelegee, maar de patroon wou geen nieuw soort syndicalisme. Op vrijdag 26 november barstte de bom; ik werd bij de directie geroepen om 16 uur en direct afgedankt, of beter gezegd direct 'geschorst' in afwachting van een definitief vonnis van de arbeidsrechtbank. Volgens het KB-Spitaels mochten ze me niet afdanken als de arbeidsrechtbank de dringende reden niet erkende. Maar zelfs bij een voor mij positief vonnis konden ze me gewoon uitbetalen en buiten laten staan. Wat was de reden van de schorsing? Ik had bij mijn aanwerving onjuiste gegevens verstrekt over mijn vroegere patroons; ik had niet vermeld dat ik een diploma had en jurist was. Dat noemden ze vervalsing van gegevens bij de aanwerving. Op een vergadering 231 verklaarden de secretarissen dat ze bereid waren acties te ondersteunen want door het KB-Spitaels kwam schorsing en afdanking in feite op hetzelfde neer. Ik maakte een brief voor de arbeiders, de hoofddelegee zou hem de volgende dag voorlezen. Diezelfde avond heb ik nog met een aantal arbeiders gebeld, de beste arbeiders gaf ik al een kopie van de brief. Het was de gewoonte bij een conflict dat de onderhoudsarbeiders direct samenkwamen in algemene vergadering waar ze uitleg eisten van de delegees. Om te voorkomen dat daar de versie van de directie zou worden verdedigd had ik die brief geschreven om de arbeiders op te roepen in actie te gaan. 's Anderendaags kwam de hoofddelegee maar niet opdagen. Drie arbeiders hadden de brief ook. Een van hen had veel gezag en een stem als een klok, hij was nog hoofddelegee geweest op een ander bedrijf, en hij trok aan de kar. Hij las de brief voor: 'De vraag is: wat zijn onze syndicale rechten voor ons, arbeiders, nog waard? Als we dit aanvaarden, dan zijn we goed gestart om de klok 100 jaar achteruit te zetten. Zelfs onze cao wordt vandaag al terug in vraag gesteld. Daarom zou ik u persoonlijk willen oproepen om een blok te vormen en direct het werk neer te leggen totdat de heropname is afgedwongen. Ofwel leggen we onze kop in de schoot ofwel laten we zien dat de arbeiders nog tot iets in staat zijn. Wachten op een uitspraak is een maat voor niks. Dat zijn vijgen na Pasen. Het is vandaag dat onze actie moet starten. Ik hoop dat ge uw delegees zult steunen om de actie te doen lukken.' Na het lezen van die brief was het klimaat strijdbaar. De woordvoerder van de directie die het geval zogezegd kwam toelichten werd uitgefloten en uitgejouwd. De arbeiders trokken de fabriek rond om iedereen op te roepen het werk neer te leggen. Het waren moeilijke discussies. Eerst kwamen we bij de afdeling bagging waar een stemming uitwees dat de meerderheid wilde staken. Daarna was het de beurt aan de productie, die kon technisch niet zomaar direct platgelegd worden. Daar bestond bovendien een oude rancune tegen de syndicale delegatie, en ik had daar zelf nog helemaal niets kunnen doen. Wat zou het worden? 't Is onze delegee. Blijf er af! Ik stond zelf al vanaf 6.30 uur aan de poort om de arbeiders aan te spreken die binnenkwamen, en waarvan velen nog niet wisten wat er was gebeurd. Ze reageerden solidair en warm. Maar zouden ze staken? Plots kwamen de anderen allemaal buiten gewandeld. Dat was voor mij een moeilijk moment. Ik was zo ontroerd, ik had het niet echt verwacht, ik was nog geen jaar effectieve delegee. Op dat moment zie je dat je geloof in de arbeiders 232 als marxist echt gegrond is, dat je niet zomaar wat droomt. De arbeiders zagen in mij een van hun leiders en wilden staken voor een principiële kwestie. Arbeiders wilden me ook houden omdat ik rechten gestudeerd had: 'Een reden temeer om hem als delegee te houden. Met zijn studies had hij evengoed voor de bazen kunnen gaan werken.' Hier zie je het enorm voordeel van het delegee zijn. Je staat dan in een heel andere positie, de mensen staan achter hun delegee. Ik schrok er echt van dat de argumenten die de directie probeerde te gebruiken - 'leugenaar' en 'met zijn diploma arbeiders werk afpakken' - bij een groot deel van de mensen niet pakten. Ze begonnen dan ook wel te overdrijven. Dat ik tegen de bazen durfde ingaan, dat ik me niet liet inpakken, dat ik de wet en de dossiers op zo'n korte tijd kende. Ik werd een type waartegen de directie het niet kon halen. Sommige arbeiders wisten ook dat ik van de PVDA was. Maar dat maakte hun rekening niet. Daarvoor kon een delegee niet afgedankt worden. Sommigen moesten er wel mee lachen. Regelmatig riep er een 'Hé, lomperik!' om me te begroeten. En op sommige vlakken was ik inderdaad dom, over echtscheidingen en het verkopen van een stuk grond kende ik effectief niets. Er waren arbeiders die daar veel meer van wisten, en daar maakten ze graag grappen over. De hoofddelegee geloofde er in het begin niets van dat ik jurist was. Ik kwam niet intellectueel over. Voor hem was een universitair totaal anders. Maar bij de directie had ik argwaan gewekt omdat ik zo snel en rond alles actief was. En bij Polysar, aan de overkant van de straat, had een zeer sterke delegatie de patroon al veel gekost. Liever dus de korte pijn dan later gevaar. Maar ze hadden zich duidelijk verkeken op de arbeiders. Voor de arbeiders was het geen punt dat ik gelogen had bij mijn aanwerving. De patroon is immers de echte leugenaar. Het is alsof hij altijd verlies maakt met zijn bedrijf en uit liefdadigheid werkt. Hij noemt zich 'werkgever', maar in feite 'neemt' hij het werk van de arbeider, is hij een plunderaar van de arbeidskracht. De productie werd stopgezet. Algemene staking. Gedurende tien dagen heeft er niets gedraaid, maar er waren wel wat werkwilligen binnen. De staking werd gedragen door een vijftig a honderd mensen. Er was vanaf de eerste dag een piketlijst. De eerste week was er altijd stipte aanwezigheid. Ik sprak bijna elke dag aan het piket. Maar we hadden geen gestructureerde leiding, alles verliep vrij geïmproviseerd. Eigenlijk vergaderden we aan het piket. En zo draaide de staking tien dagen. Bij de shiftarbeiders lag het wat moeilijker. Bij hen probeerde de directie een wig te drijven tussen de arbeiders. Het was ondertussen december en het sneeuwde. Het was koud aan het piket, 's morgenvroeg en 's avonds laat. Om de drie dagen kregen de 233 arbeiders een brief van de directie waarin stond dat ze onwettig afwezig waren, dat ik mijn boekje te buiten was gegaan en dat ik een zware fout had begaan. We vergaderden in de caravans die er vanaf de eerste dag stonden; nadien brachten we de arbeiders bijeen op algemene vergaderingen op de Algemene Centrale in de Van Arteveldestraat in Zwijndrecht. We zouden overtuigingsploegen sturen naar al de mensen die twijfelden of die door de directie geïntimideerd werden met brieven of via de telefoon. We organiseerden harde en grote piketten, van vijftig a honderd man om niemand binnen te laten. Op een morgen blokkeerden we volledig de bus met werkwilligen. Er was altijd rijkswacht aan de poort aanwezig en die morgen zijn er een dertigtal met de matrak ingevlogen. We weken niet. Er werd getrokken, gesleurd en geslagen. Een rijkswachter klopte een ACV-militant een gebroken neus. De staking beroerde vele arbeiders en syndicalisten uit andere bedrijven; aan elke piket was er bezoek van de delegees van andere petrochemiebedrijven, van het ondersteuningscomité. In andere chemiebedrijven bereidde men solidariteitsacties voor. De pers stond vol over de zaak en de mensen in de straat reageerden verontwaardigd: 'Hoe kan dat nu? Ge wilt onder uw diploma gaan werken, en dan mag het niet. Ge moet dus op de dop blijven staan.' De laatste dagen van de staking werd het moeilijker. ACV-secretaris Theo Janssens deed zijn best om ontmoediging te zaaien onder de stakers: 'Zo kunt ge nog jaren staken... want wanneer gaat de rechtbank beslissen...' Op het einde, op een maandagmorgen, hielden we aan de poort een vergadering waar we stemden over de staking en het verder zetten. Daar werd beslist om samen binnen te gaan, de staking niet te laten afbrokkelen, en om nieuwe acties voor te bereiden rond het proces, voor de heropname. Het einde van de staking Op de zittingen van het proces waren er altijd veertig syndicalisten en sympathisanten, van Exxon zelf en van andere bedrijven. Het waren vooral syndicale militanten en arbeiders die de zaak trokken. Door de staking en na de staking leerde ik veel delegees van de petrochemie kennen: mensen van Bayer, Monsanto, Polysar, BP-Chemicals, Petrochim, Solvay, dat waren de belangrijkste. Belangrijk was de houding van de vakbondsleiding van de Algemene Centrale, een van de grootste centrales van het ABVV. Marcel Schoeters, toen de algemene secretaris van de ac in Antwerpen, was een principiële verdediger van de syndicale rechten en verdedigde het recht van de communisten om in de vakbond te militeren als delegee. Schoeters kende 234 me eerst niet, maar toch ging hij mee in de actie. De directie had hem naar 't schijnt gezegd: 'Ge kunt Bruynseels nu misschien in de pas houden, maar zo'n extremisten gaan toch hun eigen weg.' Maar op dat vlak was Schoeters consequent en liet hij de politieke opvattingen van zijn militanten niet meespelen. Op 22 december 1980 hield Marcel Schoeters op een openbare bijeenkomst naar aanleiding van de acties voor mijn heropname een toespraak: 'Wat is nu - in het kader van de progressieve strategie van de vakbonden -de rol van de syndicale militant zoals de Algemene Centrale die ziet? De syndicale delegee treedt op als de man in de onderneming die het best de polsslag, de gemoedstoestand van de arbeiders kent. Hij kan in zijn rol niet gehoorzaam zijn aan het patronaat. Hij is geen vazal van de werkgever. Hij moet dus 100% syndicaal bewust zijn en een 100% ideologische vorming hebben. Wij willen een klasseloze socialistische maatschappij. De vraag met welke middelen dat moet gebeuren brengt ons soms in confrontatie met andere groepen, maar dat houdt niets slechts in. We moeten ons wel samenzetten: hoe kunnen we de grote massa op één lijn brengen, misschien niet altijd de rechte lijn, om dat te bereiken? Wij wensen geen medezeggenschap maar arbeiderscontrole, dat wil zeggen wij verzetten ons tegenover het gezag van de werkgever. Wij kunnen niet lijdzaam, passief zijn maar we moeten het patronaat contesteren en betwisten.' In januari 1981 kwam de nationale vakbondsleiding met een voorstel op de proppen. Dat gebeurde 'informeel', na een feest voor het afscheid van secretaris Cluytmans. De Federatie van de Chemische Nijverheid, de chemiepatroons, zouden me een grote som geld aanbieden of voor mij een bakkerij installeren. Waarom een bakkerij? Ze wisten blijkbaar - na een gezamenlijk onderzoek met de bob of staatsveiligheid - dat ik als jonge gast bij een bakker had geholpen. Het was echt om te gieren. Maar vanuit die nationale vakbondshoek zag men dat toch zitten: 'Denk toch aan uw gezin'. Daar kon voor mij geen sprake van zijn. Syndicale rechten waren niet te koop voor een paar miljoen. Het kon niet dat een vakbondsleiding dat voorstel wou voorleggen. Ik wees dat principieel af en eiste dat men zou vechten om het proces te winnen, maar nog meer voor de heropname van hun delegee. In februari 1981 kwam het eerste positieve vonnis van de arbeidsrechtbank in Antwerpen. Dat was dankzij de grote aanwezigheid op zittingen, de druk van de publieke opinie en wat leefde onder de syndicalisten. De volgende periode zouden we onze actie aan het gerechtshof opdrijven. De volgende morgen bood ik me, samen met mijn vakbondssecretaris aan bij het bedrijf om te gaan werken. De toegang werd me geweigerd. De 235 zaak kwam voor in beroep. In juni '81 viel het vonnis, dat in de pers breed werd uitgesmeerd. Arbeiders en delegees juichten: we hadden gewonnen. Het patronaat was in het ongelijk gesteld. Diezelfde namiddag trokken we opnieuw naar het bedrijf, met de secretaris en de gerechtsdeurwaarder. De laconieke reactie van de directie: 'We bestuderen het vonnis nog'. De volgende morgen was het koekenbak. We hadden met een groep arbeiders en syndicale militanten afgesproken om aan de tikklok de arbeiders op te vangen en een actie te starten. De mannen van de dag legden de blok erop en namen me mee in de refter. Onmiddellijk was de directie gealarmeerd. De arbeiders verwachtten dat ik zou worden heropgenomen. Niets van. De directie zou een afkoopsom betalen. De vakcommissie van de sector kwam in spoedzitting bijeen; er kwam actie in de bedrijven Polysar, BP-chemicals en met de andere delegees voor het bedrijf Exxon... maar uiteindelijk was er in de vakbonden de tendens om de zaak niet echt tot het bittere einde af te dwingen. Al bij al is mijn bilan positief. De arbeiders hadden bewezen om te willen vechten voor een delegee met stakingen en acties. Het was klaar dat de plaats van revolutionaire intellectuelen zeker onder de arbeiders was, in de grote bedrijven en in de vakbonden. Indien ik kon kiezen zou ik zeker dezelfde weg nemen. Je moet de arbeidersklasse niet idealiseren, maar zij zijn door hun situatie de uitgebuite klasse die collectief vecht tegen het kapitalisme! In het bestuur van de Algemene Centrale Einde 1981 hield de Algemene Centrale een congres in Antwerpen, onder andere om een nieuw bestuur te kiezen. Hoewel ik al een jaar ontslagen was uit het bedrijf, stelde ik mij kandidaat. Schoeters had zich ingezet om voor mij een job te vinden. Ik liet hem weten dat ik vooral in een bedrijf wilde werken als syndicalist, maar ook dat ik in de Algemene Centrale wou blijven omdat ik vond dat men mij moest beschouwen als een volwaardige syndicale militant, ondanks mijn ontslag. Hij ging ermee akkoord dat ik in de vakcommissie bleef en dat ik naar het congres kwam om mijn kandidatuur in te dienen voor het bestuur van de Algemene Centrale. Hij zal daar zeker voor moeten vechten hebben met de meer behoudsgezinde krachten binnen de Algemene Centrale. Ik werd verkozen. Uiteindelijk ben ik daar vijf jaar actief gebleven. Ik kon tussenkomen op alle congressen en grote vergaderingen. Ik zat in de vakcommissie, dat was belangrijk om zowel politiek als syndicaal betrokken te blijven. 236 Pipo - Inhoud - de fabriek
Pipo, enkel voor de kenners herkenbaar, als hij na het werk met de lift naar boven komt, lamp, houweel, koorden incluis. In de mijn is iedereen zwart. 238 Pipo Pipo is gereserveerd en gesloten, een man van weinig woorden. Twintig jaar kolenmijn hebben ervoor gezorgd dat hij alleen de essentie van gebeurtenissen en gesprekken vertelt. Gedetailleerde toelichtingen en lange uitweidingen liggen hem niet. Dat is weggeveegd. Onze gesprekken verlopen moeizaam, ze zijn gelardeerd met veel stiltes. Omdat ik bij de eerste gesprekken merk dat ik onvoldoende versta wat een mijn is, neemt hij me mee naar Beringen. Daar heeft een groep mijnwerkers onder leiding van ABVV-delegee Freddy Bungeneers een kopie gemaakt van een ondergrondse mijn met treinsporen, wagons, een lawaaierige transportband, stinkende oliën, steenstof, hitte. De duisternis wordt enkel doorbroken door signalisatielampen en seinen; er zijn ondersteuningsmaterialen, pikhamers en werkkledij. Geduldig leggen drie mijnwerkers me alles uit. De mijn begint te leven. Ik kan nu beter situeren wat Pipo vertelt, op één stuk uit de puzzel van zijn leven na: zijn frustratie omdat de mijnen nu dicht zijn. Bij elk gesprek is het ter sprake gekomen: 'Ik vind het moeilijk in België te blijven nu de mijnen gesloten zijn, erg moeilijk.' Om dat te begrijpen zou ik moeten weten hoe het is om in een streek te wonen waar alles rond de mijnen draait, en in Limburg kan ik die sfeer niet meer opsnuiven. Wanneer in december 1995 persberichten verschijnen over èen grimmige staking in de Franse mijnstreek Lotharingen, is mijn besluit snel genomen. Op 2 januari '96 vertrek ik naar het hart van dit mijnbekken, na een contact met de plaatselijke vakbond CGT. Autostrade Metz-Saarbrücken, afrit Freyming-Merlebach. In dit bebost gebied doemen plots mijnsteden op zoals Wendell, waar de vroegere mijneigenaars verzorgde cités bouwden. Wendell telt meer dan 12.000 inwoners; Beelen, vóór de Tweede Wereldoorlog nog een dorp, is nu een stadje met meer dan 10.000 inwoners. Over de heuvels slingeren warmwaterbuizen van de mijnen naar de cités om daar gratis warm water te leveren. De cités halen nog andere voordelen uit de mijnen: iedereen krijgt gratis een portie kolen, de streek beschikt over moderne ziekenhuizen en poliklinieken, een brandwondenkliniek. Wie niet in de mijn werkte, zat in de afgeleide industrieën: cokes, carbo-chemie, de elektriciteitscentrale op kolen van Carling. Wouden zijn weggekapt en heuvels afgegraven: de stenen en het zand gebruikt in de mijnen. 240 Het mijngebied is drie keer zo groot als het Limburgse bekken. Maar sinds 1984 werden er geen jonge mijnwerkers meer aangeworven en in 2005 moet hier alles dicht zijn. Decennialang hebben de patroons en later de staat het gebied letterlijk volgestouwd met mijnwerkers, zonder voor de minste diversificatie te zorgen. Dertig jaar geleden werd hier de bouw van een Fordfabriek tegengehouden uit schrik er mijnwerkers aan te verliezen. Anno nu zijn die mijnwerkers overbodig geworden. Jarenlang was er strijd tegen de sluitingen; het gaat hier immers om moderne mijnen, en Frankrijk heeft per jaar nog zo'n 33 miljoen ton kolen nodig. Maar de staat slaagde er in '94 in het vakbondsfront te breken en sloot met drie vakbonden een 'kolenpact' af. Dat pact behelsde een aantal reconversiemaatregelen en de belofte dat de mijnwerkers hun statuut mochten behouden na de sluiting. De CGT wees het pact af. Waarom deze moderne mijnen dicht moeten? Louter en alleen omwille van Maastricht. Niet te geloven wat dat verdrag de arbeiders al gekost heeft. Bovendien, zogauw de mijn gesloten is kan men de naleving van het kolenpact niet meer bevechten. De CGT voert een moeilijke strijd. De staat schrikt er niet voor terug de bond te liquideren, wat al begon onder Mitterrand - Thatcher kwam blijkbaar niet alleen maar dineren in het Elysée. Maar ook de vakbond speelde het hard. Frankrijk voert de benodigde kolen nu in, een praktijk die de bond slechts met lede ogen aanziet. Tijdens de Britse mijnstaking in 1985 hadden ze in Calais kolenschepen voor Groot-Brittannië doen zinken. Begin '90 deden vakbondsmensen dat nog eens over in de haven van Thionville met boten steenkool uit Zuid-Afrika. In één moeite door werden ook de installaties voor de overslag verwoest. In december '95 beginnen de mijnwerkers van Lotharingen opnieuw te staken. Al op de eerste dag, 8 december, kondigt de prefect de staat van beleg af voor de hele streek. 1.000 CRS'ers bezetten alle vitale gebouwen van Freyming. Als de mijnwerkers samenkomen aan het directiegebouw om onderhandelingen te eisen worden ze vanuit helikopters beschoten met traangas. Wanneer ze na een paar charges met traangas willen riposteren wordt er ook echt op hen geschoten. 'Met plastieken kogels', volgens de pers, maar dat tuig kan evengoed dodelijk zijn. Plaatselijke kranten titelen: 'Staat van beleg in Merlebach', 'Taferelen van volksopstand in mijnbekken' (L'Est Républicain, 8 december 1995), 'Merlebach in schoktoestand na politieoptreden', 'Mijnwerkers vechten terug' (Le R épublicain Lorain, 9 december 1995). Er worden traangasgranaten afgevuurd, gevuld met metalen staafjes en nagels: ze verwonden tientallen stakers. Ook wordt traangas afgevuurd dat een luchtverplaatsing veroorzaakt als de granaat neerkomt:240 mijnwerkers worden zo omvergegooid. Andere granaten zijn gevuld met materiaal dat door je kledij brandt. Een vakbondsdelegee raakt zwaargewond in het gezicht, een andere mijnwerker aan de benen; 69 mijnwerkers worden op 8 december in het ziekenhuis verpleegd en honderden plaatselijk verzorgd. Maar 'a la guerre comme a la guerre'. De CGT-vakbond van de mijnwerkers antwoordt met een arbeidersguerrilla. Op 9 december in de vroege ochtend vorderen 4.000 stakers een vrachtwagen op en breken de centrale werkplaats open. Zo kunnen ze zich bewapenen met lange ijzeren staven en houwelen. Om 8 uur staan ze klaar in slagorde: een haag van mijnwerkers, de houwelen gekruist, en zo trekken ze naar de crs. Ze slaan ritmisch op de bevroren grond terwijl ze de Marseillaise zingen. De vrijgestelde van de CGT: 'Ik had natuurlijk liever gehad dat ze de Internationale zongen, maar bon, "aux armes citoyens" is ook niet slecht.' Uiteindelijk moet de perfect inbinden en loononderhandelingen beloven. Aan het directiegebouw vind ik twee afgevuurde plastieken kogels en massa's metalen staafjes die in de traangasgranaten zaten. Bij de ploegenwisseling van de mijn La Houve praat ik erover met de mijnwerkers, de gevonden kogels in de hand. Ze zijn geschokt: 'We zijn toch geen honden. Waarom wordt op ons geschoten? Is het een misdaad de mijnen te willen openhouden?' Als ik Freyming verlaat, bedenk ik hoe patroons en regeringen in Europa tienduizenden arbeiders de mijn injoegen om ze dan vijftig jaar later weer op straat te gooien. Wat moet er van hen worden als ze de sluitingen toch niet kunnen tegenhouden? Voor de Franse staat is het eenvoudig: men moet dan maar naar elders verhuizen. Alle veranderingen 'ten spijt is er sedert het begin van het kapitalisme niet zo heel veel veranderd: toen waren arbeiders rondzwervende loonslaven. Is het nu dan zoveel beter? Maar mijn tocht hierheen is niet voor niets geweest: de frustratie van Pipo is nu een heel stuk duidelijker. De eerste levensjaren: Mechelen Ik ben geboren in Mechelen op 13 januari 1950. Mijn vader is van Moorsel, een dorp bij Aalst. Hij werd er kleermaker, maar omdat hij daarmee slechts moeilijk de eindjes aan mekaar kon knopen werd hij veldwachter en vroeg een overplaatsing naar Mechelen. Ik heb een broer die acht jaar ouder is. Mijn moeder was de veertig al voorbij toen ze mij op de wereld zette. Van de peutertuin tot aan mijn middelbaar heb ik op internaat gezeten, in "t Kindje Jezus' te Wolvertem. Niet dat ik dat erg vond: voor mij betekende het internaatsleven vooral naar hartelust voetballen, spelen, ravotten. Toen 241 ik na het lager onderwijs terug naar huis keerde, was mijn broer al bijna twintig. Van de jaren die volgden herinner ik me thuis vooral de stilte, ieder ging zijn eigen gang. Ik wilde zoals mijn vrienden naar het Sint-Romboutscollege maar mijn ouders stuurden me naar het Atheneum van Mechelen. Ik volgde er Wetenschappen A. Ik was weinig onder de indruk van het gezag. Op een dag beslisten we niet recht te gaan staan als de leraar de klas binnenkwam. Maar toen puntje bij paaltje kwam, was ik de enige die bleef zitten en ik moest naar de prefect. Ik herinner me ook hoe ik eens een verklikker naar de keel gevlogen ben. Ik had hem nogal grondig aangepakt, en zijn ouders stapten naar school. Mijn vader werd erbij gehaald en kreeg te horen dat dankzij het ingrijpen van een leraar een ongeluk vermeden was. Dat was wel gelogen, maar ik kreeg toch twee dagen uitsluiting. Toen mijn vader naar de school ging om voor mij te pleiten, ontdekte hij hoeveel straf ik al had gekregen en hoeveel briefjes ik zelf ondertekend had. Ik had daar zo mijn redenen voor: mijn vader kon behoorlijk woedend worden en had zich dan niet meer in de hand. Het vervolg van de zaak was een flink pak slaag. Mijn hekel voor gezag bleef echter onveranderd, en gaandeweg kreeg mijn protest ook wat inhoud. Ik schreef bijvoorbeeld een verhandeling over het ondemocratisch karakter van het leger. Bij economisch of sociaal onrecht stond ik toen nog niet echt stil, hoewel veel van mijn vrienden arbeiderskinderen waren. Terwijl ik de laatste jaren van de humaniora afmaakte, zaten zij in de technische of de beroepsschool. Ik bleef wel met hen bevriend. We raasden dagen met onze moto rond. Je kent dat wel: zo'n moto die je kilometers ver hoort optrekken en gas geven. Op een bepaald moment kwam er een nieuwe leerling naar onze school, een echte geestesgenoot: Jef ChufFARt. Jef en ik verslonden boeken en discussieerden erover. Bertrand Russell, Huxley, Multatuli, Gandhi, Martin Luther King. Alhoewel ik tot dan veel gevochten had, werd ik overtuigd pacifist. Vooral Max Havelaar inspireerde me sterk, door zijn eerlijkheid, zijn verzet en principevastheid. Ik nam me voor later ook naar de Derde Wereld te gaan. In die tijd was ik ook in de ban van de indianen. De gelijkheid in hun maatschappij, hun strijdcultuur en verbondenheid met de natuur trokken mij aan. Ik wilde ook zo leven. Ik zou mee gaan vechten voor het heroveren van de terreinen van de indianen. Maar verder waren mijn voorbeelden allemaal eenzame helden. Einstein werd een passie. Wetenschappen openden zich voor mij als bloemen en ik kon er niet genoeg van krijgen. Mijn schoolresultaten voor wiskunde werden erg goed, ik studeerde nu graag. Mijn vriend deed ook toneel en dictie: mooi, maar niets voor mij. Hij kwam uit een ander milieu, had een andere achtergrond. 242 De studentenrevolte Ik herinner me nog goed hoe we met een paar man van het laatste jaar tijdens de studentenrevolte van '68 naar Leuven trokken. De strijdthema's 'Leuven Vlaams' en 'democratisch onderwijs' zogen vele scholieren aan. We waren echter nauwelijks uit de trein gestapt of politieagenten sloten ons in. We zaten de hele dag vast in die grote garages van de rijkswacht. Ik heb toen gezworen me nooit meer op die manier te laten insluiten door de politie. Langzaamaan begon het protest zich uit te breiden: 'Er is geen democratie op school, er is er geen in het leger. We komen de waarheid over de Derde Wereld niet te weten, alleen die koloniale versie.' Het idee om na mijn studies naar de Derde Wereld te vertrekken, werd sterker en ik besloot biologie te studeren. Leren over het ontstaan van het leven en de oorsprong van de dingen zou me goed van pas komen in de Derde Wereld. Om een of andere reden dacht ik dat men na studies biologie makkelijk kon overstappen naar het Tropisch Instituut. Ik kwam in Gent aan in september 1968. Mei 1968 zinderde nog na en in café Clubke tegenover de Blandijn gonsde het van politieke discussies. De Gentse Studentenbeweging (GSB) was verdeeld in drie groepen: democratisering van het onderwijs arbeiders, studenten: één front en derdewereldbeweging. Ik was bij de derde groep. De Derde Wereld kwam dichter en dichter bij. Op een bepaald moment had ik zelfs plannen om er met Pablo Fransen een film over te maken. Geleidelijk aan evolueerde ik van geweldloos protest en Martin Luther King naar Che Guevara en Mao, dé echte revolutionair. Er waren ook provo's in de Gentse Studentenbeweging. We waren tegen elke gevestigde waarde. We leefden consequent tegen de 'burgerlijke maatschappij' en ook wel wat tegen de 'domme massa'. Een vleugje anarchisme dus. Mijn ideeën over de 'massa' zijn later totaal veranderd. Ondertussen weet ik dat de 'gewone mensen' anders zijn dan je op het eerste zicht misschien denkt. Toen in maart de Blandijn door duizend studenten werd bezet, was ik mee van de partij. Marx en Mao doken op in discussies en muurkranten. Er werd dag en nacht gedebatteerd, ik heb onder andere eens een flinke discussie gehad met Ludo Martens. Via contacten in Leuven had hij de revolutionaire strijd in Latijns-Amerika leren kennen, maar hij voelde meer voor China en de opvattingen van Mao. Ik verdedigde Che. Hij vond dat Che en Castro geluk hadden gehad bij de revolutie. De weg van Mao Tse-Toeng, de langdurige volksoorlog die vanuit het platteland de steden omsingelt, was voor hem een meer solide weg voor de revoluties in de derdewereldlanden. Ik begon erover na te denken: mijn 'helden' waren inderdaad niets zonder het gewone volk. 243 'Pipo vrijt!' Uiteindelijk werden de bezetters uit de Blandijn geknuppeld door de rijkswacht. Bij die ontruiming werd iedereen, honderden, aangehouden. Samen met vijf of zes anderen bleef ik aangehouden. Iedereen werd vrijgelaten, behalve een zekere Chille, die het Clubke openhield en ik. Ik zat twaalf dagen in de cel, hij drieëndertig. Twaalf dagen 'Nieuwe Wandeling' vergeet je niet. Het gevangenisleven viel me niet zo zwaar, ik vond het wel erg afgesneden te zijn van de beweging. Maar ik nam dat op als 'strijder' en ik las de hele dag. De studie van Che en Mao en de ontruiming van de Blandijn betekenden wel het einde van mijn pacifisme. De repressie gaf de beweging trouwens meer slagkracht. Er werd naar scholen en naar fabrieken gegaan om de strijd uit te leggen en om banden te smeden. Net voor Pasen werd ik vrijgelaten. Mijn fiets stond nog op dezelfde plaats aan de Blandijn. Hij was nochtans niet op slot. Op de muren van de Blandijn was een slogan gespoten 'Pipo vrij' en een plezante had er een 't' achter gezet. Die moet me gekend hebben want aan meisjes was ik nog helemaal niet toe. Mijn vader kwam mij afhalen en vroeg kwaad: 'Wat gaat ge nu doen, ge moet toch studeren?' Wat kon ik antwoorden? Hoe kon hij begrijpen dat ik militant van 'de Beweging' was geworden. Op het einde van dat jaar was ik natuurlijk wel gebuisd. Tijdens de vakantie maakte ik een lange fietstocht en ik besloot geen tweede zit te doen. De cursussen leken me nu totaal onbelangrijk, die stonden toch maar ten dienste van het kapitalisme. Wij 'blokten' het marxisme-leninisme. Onze ambitie was de vereniging met het volk. 'Het is in Limburg te doen' Op 5 januari 1970 brak een wilde staking uit in de Limburgse mijnen. Ook Ford-Genk ging in staking. De linkervleugel van de studentenbeweging zocht al sinds '67 een manier om zich met de arbeiders te verenigen. In Zwartberg was in 1966 de eerste Limburgse mijn gesloten. De Vlaamsnationalisten van de Volksunie vonden dat daar een 'Vlaamse' zaak: 'Een goede Vlaamse mijn sluiten als wisselmunt voor de slechte, verouderde Waalse mijnen.' Maar in het Waalse mijnbekken gingen zowel verouderde als zeer moderne mijnen dicht. Eigenlijk had de burgerij gewoon besloten zich van alle mijnen in België te ontdoen. De mijn van Zwartberg werd bezet en op straat werd zwaar gevochten met de politie. Zoals bij de grote staking van '60-'61 schoot de rijkswacht op de stakers. Die eerste staking en 244 Zwartberg werden voor de studentenrevolte een symbool, linkse studenten wilden geen hogere posities in zo'n maatschappij. In januari 1970 werd het 'Arbeiders, studenten: één front' werkelijkheid. Tientallen studenten gingen naar de mijnpoorten en richtten samen met de mijnwerkers comités op. Ik bleef in Gent hangen omwille van mijn filmproject. Ludo Martens zegde: 'Ge moet nu in Gent geen filmkes zitten maken over de Derde Wereld. Er wordt vandaag in Limburg geschiedenis geschreven. Het is daar te doen.' Ik sputterde wat tegen maar begreep dat hij gelijk had. Daarna ging het allemaal vrij snel. Met z'n vieren vertrokken we naar Limburg. Het was een eerste stap weg van de unief. Ik kon nog altijd terug naar de universiteit als ik dat wilde, maar voorlopig zou ik in Limburg in de Fordstaking werken. De arbeiders reageerden vrij positief. We voerden de syndicale strijd zo hard mogelijk. We legden samen met de arbeiders 's nachts bomen over de weg om bussen met 'ratten' te stoppen. De arbeiders zagen dat we geen bange rijkemanskinderen waren en dat we het meenden. In anderhalf jaar was ik geëvolueerd van iemand die op basis van gevoelens en romantische ideeën naar de Derde Wereld wilde trekken tot een marxist. Ik wilde het volk dienen. Ik was militant geworden van een jonge marxistische 'beweging' en zou gaan waar die me het meest nodig had. En toen was dat het mij onbekende Limburg, onder de mij onbekende arbeiders. Leven van de hand in de tand Ik was dus actief rond Ford-Genk. Van 's morgens tot 's avonds doorkruiste ik de provincie om bij arbeiders enquêtes te doen. We hadden de arbeiders van de fabriek in twee streken opgedeeld. De 5.000 van het 'oosten' moesten bezocht worden door studenten uit Genk en As. Ik woonde toen met drie anderen in Heusden, en wij zouden de 5.000 van het 'westen' bezoeken. We leerden zo honderden arbeiders kennen. Velen werden onze vrienden. We leefden toen nog als studenten: laat opblijven, debatteren tot een gat in de nacht, laat opstaan en niet ontbijten. Een zootje ongeregeld. Om te eten gingen we al eens 'proletarisch winkelen', met een speciale regenjas. Maar al gauw beslisten we op een correcte manier aan de kost te komen. We zouden om beurt als arbeider gaan werken. In juni '70 was het mijn beurt. Ik besloot in de Ford te gaan werken. Niet om er syndicaal of politiek werk te verrichten, ons 'revolutionair' werk lag toen buiten de fabriek. Tijdens de ochtend van mijn eerste dag op Ford had ik 's morgens nog een lange enquête afgenomen en ik had niet gegeten. Om 14 uur werd ik na een rondleiding onmiddellijk aan het werk gezet. In de toenmalige B-hal 245 moest ik grote stukken carrosserie aaneen lassen. Zware handenarbeid, en het was heel warm in de fabriek. Ik verging van de grote honger en keek uit naar de pauze van 18 uur, maar zolang wilde mijn lichaam niet meer mee. Ik werd draaierig en het volgende wat ik, 'grote revolutionair', me herinnerde, was dat ik bijkwam tussen een groep bezorgde arbeiders. Ik werd een deel van de ketting. Ik deed de carrousel van de Escort. Zwaar en eentonig werk. 's Avonds was ik uitgeteld. In de voormiddag deed ik enquêtes en 's avonds waren er vaak nog vergaderingen. Om de veertien dagen veranderde ik van post, moest ik om aan 'de vroege' te beginnen om 5 uur opstaan. Ons studentenleventje kreeg zware deuken. De confrontatie met de arbeiderscultuur was ook niet altijd even gemakkelijk. Op de bus en in de fabriek leerde ik dat zij erg hard konden zijn en iemand konden uitlachen die op een of andere manier anders was. Mij lachten ze ook uit. Ik wist niet goed wat daarvan te denken want ze schenen het te menen. Maar op zeker ogenblik was het gedaan en werden we goede vrienden. Het ging mijn kleinburgerlijk petje te boven, mijn verlangen naar harmonie. Er waren er ook die Alle Macht Aan De Arbeiders (AMADA) kenden en het voor mij opnamen. 'Ga daar niet op in, Roger.' Of als ik iemand wilde verdedigen: 'Hou je er tussen uit.' Je moet toch te weten komen met wie je te doen hebt. Ik sprak weinig over politiek in de Ford. Omdat ik zo moe was maar ook omdat wij het eigenlijke revolutionair werk nog altijd buiten de fabriek zagen. Het rondrijden naar alle hoeken van Limburg begon wel te verminderen en als het kon zat ik in de zon de klassiekers van het marxisme en Mao te bestuderen. Vier maanden stond ik aan de lopende band in Ford, daarna werkte ik in de bouw. De bouw was immers ideaal voor ons beurtelings werk: elke dag stapte een van ons in het busje bouwvakkers. De arbeiders vonden dit erg amusant, er werd gewed wie van ons van Heusden-Zolder zou opdagen. We besloten te blijven Begin 1971 waren er levendige debatten onder de studenten die onder de arbeiders werkten. We vonden dat je in de fabrieken weinig revolutionair werk kon doen. Het werk was zwaar en er waren weinig politieke discussies mogelijk. Als we arbeiders thuis bezochten, ondervonden we veel sympathie voor het jonge AMADA. We hadden het dan over de strijd tegen de oorlog in Vietnam, over de Black Panthers, over de discriminatie van de vreemde arbeiders in België. We vonden dat we niet alleen de syndicale 246 strijd moesten voeren maar dat we de arbeiders op de eerste plaats nieuwe politieke inzichten moesten bijbrengen. Dat hadden we besloten na de studie van Lenin, hoewel we hem toen nog niet helemaal begrepen. Politieke thema's verbinden aan de dagelijkse uitbuiting, daar waren we nog niet zo sterk in. Hoe moesten we in godsnaam de link leggen tussen de dagelijkse strijd van de arbeiders en maatschappelijke analyse? De oplossing lag nochtans voor de hand. 'De emmer oppakken waar hij staat' had Mao geschreven. Is het snikheet in de fabriekshallen, spreek dan daarover: de kans is groot dat er schokacties tegen de hitte komen. Waarom is een fabriek onder het kapitalisme onveilig? Omdat de winst eerst komt. De dagelijkse strijd van de arbeiders verbinden met een revolutionaire visie op de maatschappij, dat was de kunst. En in april 1971 geraakten we er eindelijk écht uit. We zouden niet langer als studenten leven maar als arbeiders, en arbeidersleiders worden door de rest van ons leven in de fabriek te gaan werken. Ons revolutionair werk lag niet buiten de fabrieken maar binnenin. Ik besefte onmiddellijk en daarna beter en beter hoe beslissend deze discussie was. We evolueerden van een studentenbeweging naar een arbeiderspartij in wording. De discussie veranderde mijn leven. Ik besloot mijnwerker te worden. Ik ging in een logementshuis voor vreemde mijnwerkers wonen. Ik wilde in de late shift van de mijn van Winterslag. Tijdens de staking van '70 was dit de strijdbaarste ploeg van die put geweest. Helemaal zeker van een aanwerving was ik niet want op dat ogenblik waren er bijna geen Belgen in de ondergrond. Het lukte. Ik zou in de mijn van Winterslag werken tot na de sluiting in 1988. Sinds mijn 41ste ben ik gepensioneerd na twintig jaar arbeid in de mijn. Het Limburgse steenkolenbekken Tot 1 augustus 1901 had Limburg de trein van de ontwikkeling gemist. Er was enkel wat industrie langs het Kempisch Kanaal, daar werd lood, zink en arsenicum verwerkt. Maar op die bijzondere eerste augustus werd steenkool ontdekt. Aanvankelijk vonden de mijneigenaars onvoldoende arbeiders. De arbeiders die toen vanuit Borgloon en Tongeren naar de Waalse mijnen gingen, wilden niet afdalen in die gevaarlijke Limburgse putten. De Eerste Wereldoorlog besliste er anders over. Er was hongersnood in Luik, en de 'Waalse' Limburgers moesten nu wel naar de Limburgse putten. Ze leerden de stiel aan de Limburgse 'boerkes'. Na 1929, een jaar met vele ongevallen, braken wilde stakingen uit. In 1932 deinde de strijd van de 247 mijnwerkers in de Borinage uit naar Limburg. De staat van beleg werd afgekondigd, rijkswacht en leger bewaakten de mijnen en in de mijngemeenten was er samenscholingsverbod (Bert Van Doorslaer, e.a., Een eeuw steenkool in Limburg, Lannoo, Tielt, 1992). De mijnpatroons waren pausen in Limburg: 'De directeur-gerant woonde in zijn kasteel van waaruit hij de grote schijven van de schachtbokken kon zien draaien. (...) Hij beschikte over een chauffeur, een hovenier, wachters en loopjongens... Hij was fier op zijn carrière. Hij was de meest gedecoreerde en hij alleen gebruikte een wandelstok. Wanneer griep hem velde, kon hij als 'meester naast God' omwille van zijn rust de omleiding van het verkeer opleggen.' (Ir. Leon Dubois, Lafarge Coppée, 150 ans d'industrie, Parijs, 1988, geciteerd in Een eeuw steenkool in Limburg, p.73.) Zo'n mijn is een reusachtige fabriek, maar dan 600 tot 1.100 meter onder de grond. Hoe dieper je werkt hoe warmer. Langs de schachten komen alle materialen naar beneden en gaan de kolen naar boven. Een ondergronds netwerk van gangen, kilometers lang. In kolenaders zit het zwarte goud. Het transport van arbeiders en kolen gebeurt met treintjes. Er zijn ook fietsen die op de treinrails passen. Daarmee geraak je naar je werkplaats. Maar de hoofdrolspelers zijn de natuurelementen. Water en andere druk op de gangen zorgen ervoor dat er steeds gewerkt moet worden om ze open te houden. Als de gangen onder druk hebben gestaan en de ondersteuningen half dichtgeklapt zijn, kunnen ze ook onder water staan. In sommige gangen kan je niet staan of zitten. Soms moetje kruipen. Soms in 't water werken. In de ondergrond is er overal gevaar. Je moet dat leren hanteren. Zowat overal slingert de monorail zich door de mijn, in de bakken wordt allerlei materiaal getransporteerd. Er is de lopende kolenband. Vaak werkje op kilometers afstand van de lift. Op het einde van de shift ben je doodop en dan spring je op de transportband van de kolen. Het is verboden, het is gevaarlijk. Je moet alle geluiden van het gesteente kunnen onderscheiden. Instortingen kondigen zich aan. Je moet dat geluid kennen. Je leven kan ervan afhangen. Ook de bakken van de monorail moetje horen aankomen. In de mijn is het pikdonker, seinen is dus dé boodschap. Je moet een goede fysiek hebben. Voor de veiligheid moet je op elkaar kunnen rekenen, hoewel de ene mijn gevaarlijker is dan de andere. Er gebeuren vele kleine en ook grotere ongevallen. Migranten doen het ongeschoold werk, ook als ze een diploma hebben. De pikhamer wordt aangedreven door perslucht. Overal stof. Omwille van de hitte wordt het stofmasker vaak niet opgezet, het schuift van je gezicht door het zweten. Je moet je volledig aanpassen daar in de buik van de aarde. 248 Bij de sluiting waren er journalisten en politici die stelden: 'Zo'n gevaarlijk werk, goed dat ze de mijnen sluiten.' Arbeiders bekijken dat anders. Voor arbeiders hangt de werkonzekerheid als het zwaard van Damocles steeds boven hun hoofd. Elke job telt dus. Is werken in de mijn in Zuid-Afrika of in de USA dan niet gevaarlijk? Is honger niet veel gevaarlijker en ongezonder, en kernenergie is dat veilig? Dat antwoorden de mijnwerkers daarop. De eerste stappen in het donker Ik woonde in een logementshuis in de Vennestraat waar ik een kamertje deelde met een Spaanse Marokkaan. In andere logementshuizen werd een kamer soms door vier tot zes Marokkanen gedeeld. Soms werd hetzelfde bed aan twee personen verhuurd! Ik wilde toch een beetje ruimte om te leven en te studeren. Mijn Spaanse makker en ik begonnen op dezelfde dag. De eerste dag lieten ze ons boven wat rondlopen maar de tweede dag was het al met de lift naar beneden. De hitte was overweldigend. We moesten oude gangen van een meter hoog weer dieper maken: steen scheppen dus, en dat is wat anders dan een hoop los zand! Met de pikhamer de stenen losmaken. De gevulde bakken moesten we met de hand omhoog trekken en aan de monorail hangen. En dat alles in een ruimte waarin je niet rechtop kon staan en we de hele dag in een verkrampte houding moesten werken. Die eerste werkdag hebben we afgezien. En er zat de hele dag een chef op ons te kijken, een man met een geplette hand. De Spaanse Marokkaan had genoeg gezien, hij kwam nooit meer terug. Zo zijn er veel geweest; na een dag was het van: 'Dit doe ik nooit meer.' Maar er waren er ook die geen keuze hadden en die steeds de grens verlegden: het één jaar uithouden, twee jaar, zeven jaar... tot aan het pensioen na dertig jaar. Anderen vertrokken na enkele jaren naar de Ford. Maar er was niet veel anders in Limburg, vooral niet voor Marokkanen en Turken. Als migrant vond je geen ander werk dan in de mijn, het zwaarste werk dat de Belgen niet meer wilden doen. Na negen maanden werd ik in de ochtendploeg gezet. Ik kocht zo'n Chinese wekker die veel lawaai maakt bij het aflopen. Die verbond ik dan nog eens aan een platte batterij. Zo zou ik wel wakker worden. Vergeet het maar! Na twintig minuten rinkelen sliep ik nog. Iemand van het logementshuis dle de bel wel hoorde, kwam me wakker schudden. Als student had ik nooit met een uurwerk geleefd, nu zat ik in de wereld van arbeid en kapitaal en daar wordt gevochten voor elke minuut meer of minder werken, meer of 249 minder slapen. In die eerste periode stond mijn hoofd volledig 'op nul'. Ik was zo uitgeput dat ik enkel aan het werk kon denken. Thuis was het lezen en vooral slapen. Ook het enorme lawaai onder in de mijn moest ik gewoon worden; veel mijnwerkers zijn niet voor niets doof. Wat een verschil met de stilte in de universiteitsgebouwen en bibliotheken! Sommige studenten konden het niet gewoon worden. Ze wilden het leven van de unief aanhouden en tegelijk in de fabriek werken, maar dat is een onmogelijke combinatie, zeker in de mijn. Je moest je echt op alle vlakken harden. De veiligheid De eerste twee jaren in de mijn had ik vier ongelukken. Daarna had ik geen ongevallen meer, op een paar kleinere kwetsuren na. Ik was nieuw en zag geen gevaar. Mijn eerste ongeval was meteen ernstig. Ik moest materiaal transporteren met een oudere arbeider, bergop, bergaf door de mijngang. Maar op die kar stond natuurlijk geen rem, en op een bepaald moment kon mijn makker de vracht niet meer houden. Ik liep als gek bergaf met die kar achter mij. Nergens was er plaats om uit te wijken. Onderaan de helling stond water en lagen oude rails. Ik schoof uit en kreeg alles over mij. Ik was zwaar toegetakeld. Mijn hoofd moest genaaid worden. Later wist ik dat je in zo'n geval op de transportband voor kolen moet springen, alhoewel die in tegengestelde richting gaat. Een andere keer liep ik per ongeluk op een kabel die overal op de grond ligt om de kolenwagons naar de liften te trekken. Hij greep me en ik werd eerst tegen het plafond gekeild en daarna op de vloer gesmakt. Toen de kabel eindelijk stilgelegd was moest ik wel wat bekomen van die helse rodeo. Maar ik leefde nog. Volgens de patroon waren er zoveel ongevallen omdat de arbeiders te dom ofte lui waren om de veiligheidsvoorschriften te volgen. Maar er was gewoon veel te veel niet in orde. In de infirmerie werd bijna alles gedaan door verplegers. Alleen als het heel erg was, kwam er een dokter. Onder die verplegers had je echte beulen. Die schrobden bijvoorbeeld het kolenstof van de wonden met een stalen borstel. Ze gaven je wel een plaatselijke verdoving maar dat hielp niet. Bovendien, als er kolenstof in de wonden bleef, kreeg je zwarte littekens. Ik heb er zo'n boven mijn oog, op mijn achterhoofd en aan mijn knieën. Gekwetsten moesten vaak kilometers afleggen naar de ziekenboeg op de bovengrond. Een zwaar gekwetste werd op de transportband voor kolen gelegd. De machinist zette de band dan in kleinste versnelling en haalde de gekwetste van de band. Er was ook een probleem 250 met de röntgenapparatuur. Die was zo verouderd dat kleine breuken niet te zien waren op de foto's, en zo had je dan geen recht op 'kleine invaliditeit'. Duizenden mijnwerkers zijn zo bedrogen. Wij hebben een ware pamflettenslag gevoerd over de veiligheid. Want de veiligheid, dat is een psychologische oorlog om de geesten. Wie is verantwoordelijk, zij of wij? Die strijd moesten wij winnen. Ik raadde iedereen aan om naar een ziekenhuis te gaan. Daar werden fatsoenlijke röntgenfoto's genomen. Voor een geplette vinger kreeg je dan toch een kleine vergoeding. Ik weet het, dat was nog geen revolutie, maar het mijnpatronaat heeft op die manier toch ettelijke miljoenen moeten ophoesten, en voor een arbeider telt elke frank. De dokters van Geneeskunde voor het Volk van Genk zijn ook een tijd in de mijnen komen werken, zo ook Harrie Dewitte. Die werd afgedankt, niet omdat hij zijn werk niet goed deed, maar toen er vlak bij hem een zwaar ongeval gebeurde, reageerde hij instinctmatig als dokter. Zijn 'cover' was weg. De mijnwerkers waren blij verrast, ze vonden het fantastisch. Het ging dan ook als een vuurtje rond: 'een dokter onder in de put!' De patroon dankte hem af 'wegens dringende redenen'. Intellectuele pottenkijkers konden gemist worden als de pest. De maandag was de gevaarlijkste en zwaarste dag omdat de mijn dan een weekend had leeggestaan en er veel druk op de gangen zat. Soms was het zo erg datje naar het kolenfront moest kruipen en ingezakte galerijen weer moest open maken. Enkel dankzij de stielkennis en de solidariteit van de mijnwerkers gebeurden er niet nóg meer ongevallen. May May verscheen in het leven van Pipo net nadat ze haar studies politieke en sociale wetenschappen aan de kul stopgezet had om onder de arbeiders te gaan werken, in de mijnstaking van begin '74. Daarna volgde ze een herscholingscursus bij de rva en van '74 tot '79 werkte ze in de textielfabriek Berghaus. Pipo zelf kan zich niet meer herinneren wat May in die staking deed, behalve dan dat ze zijn koersfiets leende en ermee uit de bocht ging. Tegen het eind van dat jaar werden ze een koppel. Bij de geboorte van Chrisje vonden ze een appartement in de cité. Na de geboorte van Tashunka in november '78 verhuisden ze naar een huisje in de cité van Houthalen, waarze nu nog altijd wonen. Tijdens stakingen als die van '86, toen de stakingsleiders niet thuis konden slapen, was dat voor Chrisje en Tashunka geen probleem: ze wisten via May waar papa mee bezig was. Chrisje en 251 Tashunka benadrukken dat zij altijd achter hun vader stonden. Ze zijn fier op hem. Migranten in de mijn Eerst vanuit Centraal-Europa. In 1930 was 41% van de mijnwerkers van buitenlandse afkomst. Belgische mijnwerkersvrouwen hadden immers gezworen: 'Dochter of vrouw van een mijnwerker, tot daar. Maar moeder van een mijnwerker. Nooit. We hebben genoeg miserie gehad.' Duizenden gastarbeiders zetten de stap naar de donkere mijn uit armoede of omdat ze op de vlucht waren voor het fascisme in hun vaderland. In Zwartberg vormde zich een communistische kern, die in februari 1930 een staking organiseerde. De kern was verbonden met de Waalse communistische mijnwerkersvakbond van Julien Lahaut. Er was ook een afdeling van de Internationale Rode Hulp, een 'Cultuurvereniging' voor Polen en Hongaren, en de 'Lega Italiana Antifascista'. Rijkswacht en gerechtelijke diensten stelden alarmerende rapporten over hun activiteiten op. Vele van deze migranten werden België uitgezet. Voor de 'kolenslag' na de Tweede Wereldoorlog waren er opnieuw onvoldoende mijnwerkers. In 1946 sloot de Belgische regering een akkoord met Italië dat voorzag in de levering van 2.000 Italiaanse mijnwerkers per week in ruil voor twee a drie miljoen ton steenkool per jaar. Zo kwamen er tussen '46 en '56 28.035 Italianen aan. Velen van hen waren niet ingelicht over de mijnarbeid en voelden zich bedrogen. Ze pleegden contractbreuk en werden door de vreemdelingenpolitie opgespoord. (Bert Van Doorslaer, e.a., Een eeuw steenkool in de Limburg, Lannoo, Tielt, 1992, p.170) 'Wie weigerde terug af te dalen, werd als ontslagnemend beschouwd. Dezen werden aangehouden, in de plaatselijke gevangenis geplaatst tot ze bijeengebracht werden in de kazerne van Het Klein Kasteeltje vanwaar ze terug naar Italië gestuurd werden.' (Anne Morelli, Geschiedenis van het eigen volk. De vreemdeling in België van de prehisorie tot nu, Kritak, 1993). Augustus 1956: Marcinelle: de mijn Le Bois du Casier werd het graf van 261 mijnwerkers. Bijna de hele ploeg. De Italianen telden 136 doden. 'Moord' wisten de arbeiders. In heel het Waalse mijnbekken weigerden Italiaanse mijnwerkers aan het werk te gaan. De Belgen en alle andere nationaliteiten waren solidair: weken werd er niet één gevulde wagon bovengehaald. Alle Europese mijnwerkers waren in diepe rouw en in Italië werd er fel betoogd. Kort na de brand van Marcinelle werden de Italiaans-Belgische akkoorden stopgezet. De regering sloot nu akkoorden met Spanje en 252 Griekenland. Vanaf '60 werden vooral Turken en Marokkanen voor het 'beloofde land' geronseld. In 1989 vormden de Turken 9,2% van de migrantenbevolking in ons land, een derde van hen woonden aan de steenkoolmijnen. (Uit Bert Van Doorslaer, e.a., Een eeuw steenkool in Limburg, Lannoo, Tielt, 1992, p. 110-120.) Turkse doden, bezette mijnen Vooral veel Turkse arbeiders kregen ongelukken. Echt verwonderlijk was dat niet, want zonder de minste voorbereiding of opleiding werden zij in de put gedropt. Gebeurde er wat, dan was het antwoord: 'Die Turken zijn te lomp om te helpen donderen.' Maar voor ons was het duidelijk dat de patroons een grote verantwoordelijkheid droegen, vooral na de opdrijving van het ritme na de oliecrisis. Op 25 augustus 1975 viel de zevende dode van het jaar in de Limburgse mijnen, een Italiaan van 22. Een steen viel uit het dak, gebroken nek, dood. Hij werkte pas vier weken in de mijn. Echt alle veiligheidsvoorschriften bleken toen overtreden en we riepen op tot verzet. We eisten een degelijke opleiding voor elke mijnwerker die ondergronds ging. De maat was pas echt vol toen een mijndokter in april 1976 een Turk met hartproblemen dwong terug af te dalen. Een paar uur later stierf die man tijdens het werk. De Turken van Beringen legden woedend het werk neer. Op 11 mei vonden zij een even efficiënt als eenvoudig drukkingsmiddel: de badzaal werd bezet. Het werd geen louter Turkse aangelegenheid, de Belgen staakten solidair mee en de strijd werd geleid door een stakingscomité van Turken, Italianen, Polen en Belgen. De mijn bleef drie dagen bezet. Mijnwerkers bewaakten de badzaal met het houweel in de hand. De directie deed de actie af door te zeggen dat ze georganiseerd was door AMADA met als gevolg dat de Turken daarna enkel nog met de AMADA-mijnwerkers wilden onderhandelen. Op 15 mei schreef De Standaard: 'Deze Turken zijn jonge messenvechters en dan nog opgejut door AMADA-militanten.' André Maes, een vriend die zowel bij het ACV als bij AMADA militeerde, werd omwille van zijn leidende rol in de bezetting uit de ACV-militantenkern gezet. Maar de acties hadden wel resultaat. Belgische syndicalisten feliciteerden: 'Wat wij al twintig jaar met onderhandelen proberen, hebben de Turken nu mebde bezetting bereikt: controle op de dokters.' Wat later was Waterschei aan de beurt: op 15 november bezetten Turkse en Vlaamse mijnwerkers de badzaal. Hier ging het om onrechtvaardige beslissingen tegen zieke 253 mijnwerkers én om willekeurige afdankingen. De strijd van de Turkse mijnwerkers verdient een plaats in de geschiedenisboeken over de Belgische klassenstrijd. Na deze bezettingen was het gedaan met de 'domme Turken' of 'het is de schuld van de mijnwerkers'. Hun strijd was moedig, ze namen risico's en waren een tijdlang ook succesvol. Ze hadden de rijkswacht weerstaan evenals dreigingen van de Turkse consul. De Turkse mijnwerkers in Limburg namen wraak voor de massamoord die Marcinelle voor elke mijnwerker is. Of voor de mijnramp in Courrières in Frankrijk, waar in 1906 1.099 mijnwerkers door een grauwvuurontploffing werden gedood. En nadien bleken de Turken ook solidair met wie hen gesteund had. Verschillende AMADA-kameraden hadden tijdens deze bezettingen hun nek uitgestoken en sommigen werden afgedankt. Eén afdanking werd dankzij de Turken verhinderd. Jaarlijks verlof... af en toe een dag slapen Na de Tweede Wereldoorlog, gedurende de fameuze kolenslag van Achilles 'Charbon' Van Acker, wisten de mijnwerkers een aantal voordelen af te dwingen. Om het land opnieuw op te bouwen waren er kolen nodig en de mijnwerkers werden opeens 'de ereburgers van het land'. Daardoor was er ook geld voor gunstige woonkredieten, gratis treintickets en een speciale verlofregeling. Bovenop de tweeëntwintig dagen wettelijk betaald verlof kreeg een mijnwerker er twaalf extra, én hij kon nog twaalf dagen onbetaald verlof krijgen. De vierendertig betaalde dagen waren vrij te nemen, niet drie weken ineens zoals in andere fabrieken. Dat verlof was geen overbodige luxe. Onder in de mijn moest je voortdurend je fysieke grenzen overschrijden om een shift te beëindigen. Als het delven goed ging dan was je tegen etenstijd zo gebroken dat je niet kon eten. En werkte je in een nis zonder verse lucht dan was het pas echt erg. Iedereen werkte in zijn ondergoed. Vele mijnwerkers begonnen dan water te drinken, maar eens je daarmee begon, kon je niet meer stoppen. Dan dronk je op een dag makkelijk vijf, zes liter. Je moest echt alles geven, voortdurend over je grenzen gaan. Veel arbeiders namen dus regelmatig verlofdagen op, verspreid over het jaar. Het beeld zit in mijn hoofd gebrand: sterke mannen, klaar om af te dalen, moesten 's morgens terug naar huis. Ik zie ze nog zitten, reeds omgekleed, hun mijnlamp op, wachtend op de lift om af te dalen. Dan vielen ze gehurkt in slaap, schrokken weer wakker en beseften dat ze niet in staat waren veilig te werken. Zwijgend stonden ze dan recht, trokken hun werkkleren uit en haastten zich naar bed! 254 In juli of augustus bleef er amper verlof over; alles was opgebruikt om de uitputting wat weg te slapen. De vreemde arbeiders, Turken, Marokkanen, Italianen, Spanjaarden, konden dat niet. Die hadden het verlof nodig voor hun jaarlijkse reis naar de achtergebleven familie. Ik ken veel migranten die door de mijnarbeid gebroken zijn. Ik herinner me een Turk, Halil. Hij was niet groter dan ik, maar breder, steviger. Hij kon alles tillen. Nog voor zijn twintig jaar onder de grond was hij er volledig aan. Hoewel ik ook soms rechtsomkeer maakte om te gaan slapen, heb ik dat zelf toch zoveel mogelijk proberen te vermijden. Ik wilde in het verlof gaan klimmen. Volgens May zoek ik die fysieke uitdaging ter compensatie van m'n werk in de buik van de aarde, maar gelukkig deelt ze wel mijn passie voor het alpinisme. Er gingen trouwens ook telkens kameraden mee. Met één kindje kon May nog mee en Chrisje zat dan in een rugzak. Maar toen Tashunka geboren was bleef May regelmatig lager met de kinderen. In Frankrijk klommen we in het Pare National des Écrins, nabij Grenoble. In Italië deden we de Gran Paradiso, in Griekenland de Olympus, en ik stond ooit op de top van de Mont Blanc. Tussendoor gingen we kanovaren of valschermspringen en in de winter gingen we vaak skiën. May beweert dat 'hoe gevaarlijker iets is en hoe groter de uitdaging, hoe liever ik het doe'. Ze zegt dat ik zelfs niet normaal kan fietsen: 'Je vliegt overal tussen'. En het is waar, ik houd ervan gevaren te overwinnen, mijn grenzen af te tasten. Ik durf ook al eens zonder de skiliften naar boven, dat is goedkoper en ik doe alles graag wat gevaarlijk is. In de mijn was dat wel anders, daar ben ik steeds voorzichtig geweest. Een van de vrienden die regelmatig meeging was André Maes, waarmee ik een sterke band had. Hij was ook van de eerste lichting die onder de arbeiders was komen werken. Wat ons het meeste bond was onze afschuw voor het fascisme: bij elke antifascistische activiteit kon je ons vinden. We zijn nog samen karate begonnen in een periode waarin de vmo ons aanviel, we vonden dat we ons moesten kunnen verdedigen. André werkte ook in de mijn, in de vaste nachtploeg, maar hij had het extra moeilijk omdat hij allergisch was voor bepaalde stoffen. Hij was het gezicht van de PVDA in Beringen, in hart en ziel een toegewijde revolutionair. Ik zag hem niet zo heel veel omdat we in een andere mijn werkten en in een andere shift stonden. Maar de vriendschap bleef. Na tien jaar verliet hij de mijn om zijn geneeskundestudies terug op te pakken. Daarna kwam hij als dokter in GVHV-Genk werken. Op zaterdag 24 november 1990 was hij van wacht en werd dringend bij een patiënt geroepen. Onderweg kreeg hij een zwaar verkeersongeval, en hij overleed. Ik ben toen naar hem gaan kijken, ik kon niet anders. Ik moest denken aan alles wat we samen gedaan hadden, aan alles waarin hij voor mij voortleeft. Ik dacht vooral terug aan een actie die hij mee op het getouw had gezet. De fascisten hadden in 1975 een nationale manifestatie aangekondigd in Leuven, ze zouden 'dat Rode Bolwerk eens neerhalen'. Overal in het land werden er ploegen gevormd door AMADA om die optocht te beletten. We kregen meer dan 2.000 mensen op de been. Er was een ongeziene rijkswachtontplooiing, maar we hebben de vmo toen alle hoeken van Leuven laten zien. Harrie Dewitte maakte een afscheidstekst bij zijn begrafenis, met daarin onder andere deze zin: 'Hij had geen comfort, maar hij had een schatkamer aan boeken.' Wat mis ik hem! We hadden nog zoveel te doen. De mijn in kaart gebracht Tijdens mijn jaren in de mijn heb ik de meest diverse jobs gehad. Ik begon met het verbreden van toegeklapte gangen. Later deed ik het materiaaltransport. Daarna werd ik magazijnier: pikhamers nakijken en oliën. Als magazijnier kwam ik met veel arbeiders in contact, kreeg ik pas echt zicht op de manier van doen en denken van arbeiders. Een mijnwerker in de steen, bleek anders te denken dan een koolouvrier, een magazijnier weer anders dan de arbeiders van de 'reprise matériel'. En een chef in de mijn is anders dan een baas bij Ford omdat hij in de mijn acht uren bij de arbeiders is terwijl zijn collega bij het kaderpersoneel zit. Ik was een PVDA-mijnwerker, openlijk. Niet moeilijk: aan de poort verkocht ik elke week onze krant. Na een aantal jaren was ik gekend door alle mijnwerkers, en wist ik op welke manier ik het best te werk kon gaan. Je moet bij arbeiders niet met idealistische of dogmatische standpunten afkomen. Je moet weten hoe ze denken en je politiek antwoord moet in hun denkwereld gegoten zijn. Ik leerde dat arbeiders die provocerende vragen stellen over het socialisme meestal het meest begaan waren met die materie. Ik heb een arbeider gekend die me vaak 'jende' omdat ik communist was maar die me bij stakingen uit de handen van de politie hielp. En zelf rake klappen kreeg. Dit alles noem ik de 'massalijn': de arbeiders aanspreken op het niveau van hun gedachten. Daarmee bedoel ik niet dat hun niveau van denken laag zou zijn. Wél dat je zélf hun taal moet leren, dat je hun gevoeligheden moet leren kennen, hun omgangsvormen begrijpen. Met de jaren kreeg ik echt zicht op de gedachtewereld van de arbeiders. Ik ontdekte dat ze eigenlijk erg flexibel zijn in hun denken, niet zomaar alles aanvaarden. Ik kon bijna voorspellen wanneer ze zich zouden schikken in hun lot en wanneer niet. Bij het begin van de acties is de sfeer totaal 256 anders dan wanneer de strijd neergeslagen is of tijdens rustige periodes. Ik voelde bijna aan wanneer de arbeiders verandering wilden. Ik wist van iedereen hoe hij twee maanden geleden sprak. Ik zag dat evolueren, en op een bepaald moment voelde ik: 'Ze gaan het niet meer nemen, ze gaan er hoe dan ook de blok opleggen.' Ik kende de arbeiders die het makkelijkst een staking mee op gang trokken en de mannen die het laatst in actie kwamen; die met de grootste mond en degenen die de deur van het syndicaal bureel platliepen. Ik kreeg ook zicht op de standpunten en tegenstellingen in de vakbond. En ik kende de mannen die de PVDA-krant kochten. Zo zat langzaamaan heel de put in mijn gedachten. Tegen '79 kon ik zo de hele mijn in kaart brengen. Ik wist dan of de tijd rijp was om de mijn stil te leggen of niet. Allemaal door mijn ideeën over de massalijn, de combinatie van goed luisteren, goed beoordelen en goed ingeplant zijn. Sommige delegees begrijpen dat niet, zij zien alleen een statische massa. 1974: oude en nieuwe stakingsleiders Begin 1974 hing er een stakingsklimaat in de putten. We riepen de mijnwerkers op tot acties voor een goede, nieuwe cao. We waren overigens niet de enigen: de Vriendenkring Zwartberg (VZL) riep op tot een 24-urenstaking. Eigenlijk was dat een corporatistische vereniging. Ze was antisyndicaal en stond een samenwerking voor van arbeiders en patroons ten voordele van de kleine groep Vlaamse en Duitse carbochemiepatroons. Hun strijd was gebaseerd op een rechtse Vlaams-nationalistische visie. Sommige mijnwerkers zagen dat niet. Al in Zwartberg had de VZL een belangrijke rol gespeeld, en in de staking van 1970. Ook nu hadden ze aan alle putten een 'permanent comité'. In Winterslag werd het geleid door Gerard Sleghers. Toen nu deze staking uitbrak, wilde de VZL ze zelf in handen houden. Wij stelden voor een eenheidscomité te kiezen en zo geschiedde. Daarop aarzelde de VZL, ze wou de staking stopzetten, maar dat lukte niet meer. Ontgoochelde mijnwerkers, tot dan lid van de VZL, kwamen op 12 januari met het nieuws dat Sleghers weigerde nog met AMADA samen te werken. De aanwezige arbeiders van het stakingscomité zegden dat het gedaan moest zijn met die verdeeldheid, en iedereen ging akkoord behalve Sleghers. Uiteindelijk bleek de staking van 1974 het begin van het einde voor de VZL. In Winterslag had ik in samenspraak met de strijdbaarste arbeiders de put stilgelegd. De Standaard titelde op haar voorpagina: 'Staking aan de Limburgse mijnen. Gerard Sleghers ondervindt concurrentie van AMADA-leden.' Daarop publiceerden wij documenten waaruit bleek dat de VZL met 257 uiterst-rechts samenwerkte in haar eis voor carbochemie en de arbeiders slechts nodig had als 'harde werkers'. Dat overtuigde een groot deel van de mijnwerkers. In 1975 dreven we hen nog verder achteruit omdat wij ijverden voor een strijdbare delegatie van de beide vakbonden. Terwijl het anti-syndicalisme van de VZL steeds 'anarchistisch' was overgekomen bij de arbeiders, konden we nu uitleggen dat ze tegen de vakbonden waren omdat ze eigenlijk tegen de arbeidersbeweging waren. Tegen 1976 was het er echt mee gedaan en in de staking van 1979 kon Sleghers aan de stakingspiketten zelf vaststellen dat hij niet meer welkom was. Vakbondsafgevaardigde? Ik was lid en militant van het ACV en gaf de vrijgestelde van de bond te kennen dat ik delegee wilde worden. Tot mijn verbazing stelde die vast dat ik geschrapt was als lid. Was het omdat ik de staking van '74 had geleid? Silvano Grossi van het ACV bezwoer me dat er een fout gebeurd was, maar hij wist duidelijk meer. Ik vroeg tekst en uitleg, de arbeiders stonden duidelijk achter mij, en na enkele weken kon hij niet meer om de hete brij heen: 'Ge weet toch wie ge zijt? Dat gaat toch niet, ACV en AMADA bijeen.' Ik antwoordde: 'Het ene is een partij, het andere is een vakbond, dat is geen klein verschil. Zijn er dan geen CVP'ers in het ACV?' Ik speelde het ook onderhands: ik ging naar het ACV in Hasselt en zei de loketbediende dat er een 'administratieve' fout gebeurd moest zijn. Nietsvermoedend bracht hij mijn lidmaatschap opnieuw in orde. Ze konden me nu moeilijk opnieuw schrappen, het risico op protest was te groot. Ik kreeg goede contacten met sommige delegees van Winterslag en met de ACV-jongeren. Dat is altijd zo gebleven. Maar ik wilde zelf delegee worden. Bij de verkiezingen van '79 vroeg ik het opnieuw. Er was echter net een staking achter de rug waar een groot deel van de ACV-delegatie eigenlijk tegen was geweest. En omdat ik zelf wel actief had meegedaan, kon ik het weer vergeten. Het duurde overigens zowat een jaar voor de ACV-hoofddelegee, Carlucci, opnieuw normaal met me omging. In 1983 probeerde ik opnieuw. Een voorval leek mijn kansen een gunstige duw te geven. Ik werkte met een makker in de pijler, en we gingen goed vooruit. Nu werd er steeds met krijt aangeduid hoeveel meter het werk gevorderd was. Een chef zei dat we geknoeid hadden met de krijtlijnen en hij nam ons premiegeld af. Bovendien moest ik naar een kersverse ingenieur die me gewoon afdankte! Ik zei hem nog: 'Hola man! Zo gaat dat hier niet in Winterslag.' Maar die man wist echt niets van de mijn. 258 Ik bracht eerst Carlucci op de hoogte in het syndicaal lokaal, daarna de arbeiders. Actiebereidheid: honderd procent. Carlucci zei dat hij bereid was voor mij 'heel de weg' te gaan, maar hij drong aan op een regeling in der minne: we werden niet afgedankt, er kwam geen enkele sanctie, maar ons premiegeld van die dag waren we kwijt. We aanvaardden het compromis. Opnieuw had Carlucci gemerkt hoeveel invloed ik had gekregen onder de arbeiders. Ik bood hem aan vakbondswerk te doen, en hij gaf zijn fiat. 'Maar je moet wel nog naar Canini.' Die maakte er blijkbaar ook geen probleem van: mits een aantal voorwaarden wou hij me verkiesbaar stellen. En omdat die voorwaarden redelijk leken, kon ik daarmee akkoord gaan. Mijn droom leek waarheid te worden. Tot ACV-nationaal me plots verweet dat ik mij niet aan de afspraken had gehouden. Ze hadden gewoon een spelletje gespeeld. Mijn relatie met het ACV was nu totaal verziekt. Toen ik op een dag naar de militantenbijeenkomst van de vakbond wilde gaan, werd ik opgewacht. Ik mocht niet naar binnen. Toen ik probeerde hen te passeren, werd ik met geweld tegengehouden. Ik vocht eerst nog terug, en een bevriend ACV'er wilde me nog verdedigen, maar ik moest stoppen: dit waren arbeiders. Dit soort van tegenstellingen mag niet met geweld afgehandeld worden. De mijnwerkers waren geschokt. Er was veel beroering maar staken vonden ze niet nodig. Het was een rustige periode en ze wisten dat ik hen toch zou blijven leiden, met of zonder delegeestatuut. Ook in 1983 stond ik dus niet op de ACV-lijst. En een tijdje later vonden ze een aanleiding om me definitief aan de kant te zetten. Eind '83 was het roerig in de mijnen. Op 31 oktober 1983 was er een 24-urenstaking in alle putten. Twee weken later stonden er verontrustende uitspraken over sluiting en afdankingen in Het Belang van Limburg. Waterschei ging in staking, een tweede mijn volgde. In Winterslag was de nachtpost verontwaardigd dat wij, de meest bedreigde mijnwerkers, nog niet meestaakten. Ik nam mijn plicht op als ACV-militant: we staakten nu ook in Winterslag, voor de eisen van het gemeenschappelijk vakbondsfront. Maar het ACV vond dat ik 'eigenmachtig was opgetreden' en ik werd afgezet als ACV-militant! Deze keer richtte ik me wel tot de massa van de mijnwerkers. Ik maakte een open brief waarin ik de inzet van mijn afzetting aan de mijnwerkers voorlegde en ik maakte een petitie. De petitie werd razendsnel ondertekend door 1.073 mijnwerkers van de ondergrond van Winterslag, ongeveer de helft van de mijnwerkers. Voor ACV-nationaal veranderde dat twee keer niks. 259 Van de 'reprise materie!' naar het kolenfront De directie dacht dat ik op een andere plaats minder politiek werk zou kunnen doen: ik moest naar de 'reprise matériel'. Die ploeg moest de ondersteuningsmaterialen weghalen waar de productie gedaan was. Gevaarlijk werk, want daarbij stortte alles in. Dat gaf veel steenstof, dus meer kans op steenstof in de longen. Soms was een gang zo dichtgeklapt en onder water gelopen dat we de kaders enkel konden wegkrijgen door ernaar te duiken. Meestal was er geen luchtaanvoer meer. Het werk was bovendien slecht betaald vanwege 'geen productie'. Gelukkig kwam ik terecht in een strijdbare groep. Ik heb met hen ook een staking georganiseerd. We hebben toen wel geen onmiddellijke overwinning behaald, maar nadien kregen we toch opslag. In '78 besloot ik toch kolenfront te doen. Daar heb ik gewerkt tot de mijn van Winterslag dichtging. Ik heb feitelijk alles gedaan in de mijn. Ik ben zelfs naar de mijnschool voor chefs geweest, maar ze presteerden het daar mij buiten te gooien hoewel ik 92% behaalde. Migranten en Belgen één mijnwerkersstrijd De verschillende nationaliteiten en de Belgen in de mijn zijn steeds overeengekomen. Zolang de mijnen open waren is het Vlaams Blok in Limburg ook niet van de grond gekomen. Het harde leven in de put maakte een goede samenwerking immers onontbeerlijk. Zo spraken Italianen, Grieken en Spanjaarden Italiaans onder elkaar omdat de meesten van Italiaanse afkomst waren. Ik ben die taal ook gaan studeren maar ik leerde vooral veel in de put. Die Italianen waren meestal strijdbare arbeiders; de generatie voor hen, vaak overtuigde communisten, was dan ook het fascisme van Mussolini ontvlucht. In de jaren '70 was de eerste generatie al gepensioneerd en kwamen jonge Italianen in de mijn. Helemaal probleemloos verliep de confrontatie niet. In het begin haalden de nieuwe contingenten vreemde arbeiders bijvoorbeeld de lonen naar omlaag, daar moest zo snel mogelijk met een klassenstandpunt op gereageerd worden. 'Worden de lonen naar beneden gehaald? Dat doen de patroons altijd. Het hangt af van de arbeiders of dat gebeurt of niet. Wij moeten vechten voor dezelfde lonen.' In de jaren '70 bleek bovendien dat zij de meest strijdbare arbeiders waren. Ze hadden veel geleerd van de Italianen en de Grieken. Ook bij de Grieken zaten veel linksen, en samen brachten ze de Turkse en Marokkaanse kameraden veel syndicaal bewustzijn bij. 260 Je kan rustig stellen dat de migranten, Turken en Marokkanen inbegrepen, gezorgd hebben voor het strijdbaar klimaat van 1970 tot 1980. In 1979 zouden alle lonen herbekeken worden; het kolenfront kreeg bijvoorbeeld 6% loonopslag. Maar er brak toch een staking uit, eerst in Beringen en Waterschei, daarna in Winterslag. Vooral de Turkse arbeiders waren erg strijdbaar, bij hen barstte de opgekropte woede los tegen jaren van uitbuiting. Bij hun ronseling in Turkije was België hen als een paradijs voorgesteld, ze hadden er have en goed voor achtergelaten. Zoveel jaren later hadden ze te veel doden moeten begraven, ze voelden zich uitgeperst en bedrogen. Ze wisten met hun woede geen blijf. Ik zegde hen wel honderd maal dat ze hun gezicht moesten bedekken bij acties. Maar er was geen houden of geen richting geven meer aan. Ze staken bussen in brand waarmee ratten vervoerd werden. Maar ze hadden niet gezien dat die bussen vlakbij een benzinestation geparkeerd stonden. Levensgevaarlijk. Dat was blind vechten, en dan nog zonder hun gezichten te bedekken. De politie had foto's en de repressie was verschrikkelijk. Ze zochten vooral Yuksel, die heeft ondervonden wat de rijkswacht is! Veroordelingen en afdankingen. Achteraf waren velen van hen behoorlijk kwaad op mij, wat ik versta, ik was voor hen degene die de strijd leidde. Ze vonden dat we niet genoeg deden tegen die repressie. We waren nochtans erg actief, bezorgden achteraf ook advocaten om hen te helpen. Halverwege de jaren '70 stelde zich dan weer een ander probleem: na 1975 kwamen veel illegalen in de mijn werken, iets waar de Belgen over begonnen te mopperen: 'Die onhandigen worden aangeworven terwijl ondertussen zoveel Belgen werkloos zijn.' Wij probeerden die ontevredenheid tegen te gaan door erop te wijzen dat het probleem elders lag: een Turk van vijftig jaar moest handje contantje 50.000 frank aan een bepaalde chef betalen om te kunnen beginnen. Wie tweeënvijftig was betaalde 52.000 frank. Misdadig gewoon. Deze Turken kwamen van de boerenbuiten holderdebolder de jaren '70 ingetuimeld, sommigen hadden nog nooit een fiets gezien: in een bocht reden ze rechtdoor. En onder in de mijn moesten ze met die gevaarlijke machines werken. Dat was zowat de enige optie als zo'n groep illegalen binnenkwam: erop wijzen dat die mensen zelf daar niets konden aan doen. In 1980 kwamen er opnieuw veel meer Belgen in de mijn werken. De Belgen wisten zeer goed dat er meer positieve kanten aan het samenwerken met migranten waren. Het waren dan ook vooral de cheffen die racistische opmerkingen maakten. 261 Politieke visies kunnen veranderen Mijn eerste jaar in de mijn had ik vooral geluisterd en geleerd van de arbeiders. In het begin was ik toch wat overmand door de zwaarte van het werk. Daarna voerde ik vele politieke discussies, onder andere over de werkloosheid. Tot in de jaren '80 hadden de meeste mijnwerkers nog nooit gedopt, ze kenden het probleem dan ook niet. Vooral in de nasleep van de petroleumcrisis was dat een gevoelige materie: 'Saeys, die werklozen, dat zijn toch luie honden. Neem nu al die vrouwen die doppen.' Dan kon ik beginnen: ik kende hun manier van redeneren en ik antwoordde als arbeider, maar met mijn intellectuele kennis op de achtergrond. Door die vele discussies werd de sfeer helemaal gekeerd. Maar als één punt opgelost was, kwamen ze met het volgende probleem. Ook over de ussr en het socialisme werd veel gepraat. Het was hoogoplopend: 'Een vriend van mij is net in Oost-Europa geweest, is dat nog socialisme, Saeyske?' De concurrentiepositie bijvoorbeeld, aanleiding tot zowat de moeilijkste politieke discussies in de mijn. De Limburgse putten zouden niet meer rendabel zijn. Dan moetje de tegenvraag durven stellen: 'Moet een mijn wel rendabel zijn?' Het werkt echt verhelderend als je zegt dat dit hun probleem niet is, maar een probleem van de tegen hen gerichte klasse. Door aan te tonen dat de Société Générale enorme winsten maakte ondanks de verliezen in 'hun' mijn, kon ik het klassenbewustzijn versterken. Door te laten zien dat het gegoochel met termen als 'productiviteit', 'competitiviteit' en 'rentabiliteit' alleen maar dient om sluitingen of afdankingen aan te kondigen, en handig is om de lonen te kunnen bevriezen of verouderd materiaal niet meer te moeten vernieuwen, beseften de mijnwerkers dat dit termen waren van de vijand. Er moesten arbeiderstermen tegenover komen. Een arbeider is geïnteresseerd in tewerkstelling, werkomstandigheden, loon en toekomst: geen sluitingen dus, geen enkele werkplaats weg, de Generale moet betalen, vernieuwing van de werkmaterialen. Daarmee konden we dagen voort. Ik kon goed samenwerken met Rich van het ABVV van Winterslag, een goeie kameraad. In '86 en '87 leidde hij mee de stakingen. Herhaaldelijk moest ik opnieuw uitleggen hoe je naar arbeiders moet luisteren, wat je moet onthouden. De beste ideeën centraliseren, je mening over de arbeiders niet laten bepalen door de minst strijdbare standpunten. De zaak op gang trekken door de beste standpunten te veralgemenen. Niet treuren om een staking die voorbij is. Die verwerken, er nieuwe inzichten uithalen om het volgende gevecht voor te bereiden. Te lang blijven hangen bij een voorbije staking geeft de patroon een voorsprong. Na een staking is er een terugslag van de gedachten. De arbeiders denken tijdens een staking volledig anders: 262 heel klassenbewust en politiek. Maar na een staking zijn ze tevreden omdat ze een overwinning behaald hebben of uitgeput en teleurgesteld. Ze hebben het een tijdje moeten rooien met minder inkomsten en ondertussen hebben de media ook flink op hen ingewerkt. Op de vergadering van de mijnwerkers die met de PVDA meewerkten, bespraken we eerst de dagnota's over wat in de mijn of aan het piket leefde, maar daarna trokken we genoeg tijd uit om de kranten te bestuderen. Het Belang van Limburg was de krant van Gheyselinck, dus: Het Belang van Gheyselinck. De regering verkocht haar standpunten in haar kranten. Die waren hetzelfde dan die van Gheyselinck, ook al verwoordde Martens het anders dan de patroon. Je moet hen leren van antwoord dienen want er kan er maar een zijn dat de arbeiders ook echt overtuigt. Het is dus erg belangrijk dat de meest revolutionaire arbeiders de kranten leren analyseren. Op momenten dat wij veel invloed hadden, durfden ze bijvoorbeeld enkel over afvloeiingen en niet over sluitingen spreken, hoewel dat steeds hun doel bleef. Als militant mag je je daar dan ook niet door laten misleiden. De discussies in de mijn waren zeker niet makkelijker dan in een andere sector, ik zou zelfs het tegendeel durven beweren. Heel België 'wist' dat de putten 'verlieslatend' waren, en dan haalden wij het nog in ons hoofd om te staken. Ook daarover moetje het hebben of je verliest terrein aan de vijand. Ik herinner me een resolutie van de PVDA over competitiviteit: dit was de zaak van de arbeiders niet. ACV-jongeren gingen met die resolutie akkoord. Maar tijdens de staking in '86, stonden die onder druk van het ACV dat de drie mijnen van 't oosten had opgegeven. Dan kon je opnieuw grondig praten met die ACV-jongeren. Na een aantal weken staking kwam er een nieuwe discussie: 'Afdankingen en sluitingen mogen we niet toelaten maar "Geen afvloeiingen" kun je toch niet blijven eisen.' En bij de volgende staking begonnen we opnieuw: 'We kunnen winnen, we kunnen open houden, alles hangt af van de krachtverhoudingen.' Bij elke belangrijke staking heb je psychologische 'oorlogsvoering'. Je moet die dagelijks voeren. Ik mis die discussies verschrikkelijk. De Britse mijnwerkersstaking: Scargill als leermeester We probeerden zoveel mogelijk internationale contacten uit te bouwen met mijnwerkers en mijnwerkersvakbonden. Zo hadden we goede relaties met mijnwerkers van de Nederlandse putten. In Frankrijk zijn we actief geweest rond de sluiting van de mijn van Ladrecht in 1980. Die mijnwerkers daar hadden hun mutatiebrieven verbrand en hielden de put bezet. In juni van 263 dat jaar begonnen ze zelfs kolen te winnen in eigen beheer. Ze werden voor de rechtbank gedaagd wegens 'diefstal en heling', maar na dertien maanden wonnen ze deze strijd. We zijn daar met mijnwerkers naartoe gegaan in de verlofperiode. We hadden een omhaling aan de vijf Limburgse putten gedaan en er was gul gegeven. Een jaar later trokken we in de zomer naar een Spaanse mijn in Asturië, waar ook een strijd aan de gang was tegen de sluitingen. En toen in 1984 in Wallonië de laatste mijn sloot, de Roton bij Charleroi, hebben we ook daar een omhaling voor gedaan en zijn we hen gaan bezoeken. Ook hadden we in verschillende derdewereldlanden contacten met marxistische mijnwerkers, en we bezochten ook heel wat mijn-musea. Maar onze belangrijkste ervaring was misschien wel Groot-Brittannië. In de zomer van '83 zijn we met een busje vol mijnwerkers de num, de National Union of Mineworkers, van Scargill gaan bezoeken. Die waren de staking aan het voorbereiden die Groot-Brittannië een jaar lang in de ban zou houden. Onze betrokkenheid was dan ook zeer groot toen ze begin maart '84 de strijd aangingen tegen de sluiting van hun mijnen. De 140.000 mijnwerkers zouden het een vol jaar uitzingen, tot 5 maart '85. De principiële opstelling van Scargill en de num 'Coal, not dole' was ons 'Geen enkele mijn dicht, de Generale moet betalen'. De mijnwerkers konden de hele staking volgen in Solidair en in de vele pamfletten. Syndicalisten als Jan Grauwels en Luc Cieters bestudeerden de werkwijze van Scargill en bouwden de mijnwerkerscentrale van het ABVV uit tot een strijdbare burcht. Maar onze solidariteit met de num ging verder. Met de PVDA stuurden we 29 keer een solidariteitsdelegatie naar de stakerspiketten, en we ontvingen tientallen mijnwerkersdelegaties. Voor de kinderen van de stakers organiseerden we vakanties in België. En op de solidariteitsmeetings haalden we steungelden op voor de num, alles bij mekaar een goede drie miljoen. En dat is zonder de grote omhalingen van de ABVV-mijnwerkerscentrale gerekend. Sluiting twintig jaar tegengehouden Al sinds 1965 lagen de sluitingsplannen voor de Limburgse mijnen op tafel, slechts tijdens de petroleumcrisis heeft men er even aan gedacht de boel open te houden. In Zwartberg is dan het gevecht begonnen om die plannen tegen te houden, een strijd die tot 1985 met succes gevoerd zou worden. Die strijd werd overigens niet zonder reden gevoerd. In 1967 was de nv Kempense Steenkolen (ks) opgericht die het beheer van de kolenwinning 264 zou waarnemen. De Generale bleef tot het laatste moment vette winsten opstrijken. Ze bleef immers eigenaar van alle gronden, klinieken, gebouwen en huizen die met de mijn verbonden waren. Geschatte waarde: acht miljard. KS moest voor miljoenen huurgeld betalen aan de Generale, zuivere winst. Intussen liet de Generale voor haar elektriciteitscentrales steenkool invoeren uit Zuid-Afrika en betaalde voor de afname van steenkool uit de KS minder dan de kostprijs! En wie daar de immoraliteit niet van ziet en de mond vol heeft over reconversie en afscheidspremies, kan zich warmen aan het voorbeeld van Nederlands-Limburg. In 1965 moesten daar de twaalf putten dicht. De vakbonden besloten er zich inschikkelijk op te stellen. Het resultaat is een rampgebied. Zogauw alle mijnwerkers de poort uit waren, bleef de reconversie achterwege: 45.000 mijnwerkers stonden domweg op straat, en 25.000 werkplaatsen vielen weg in de toeleverinGSBedrijven. De werkloosheid ligt er nu bij de 50% in Heerlen, Venlo en Dodewaard, de provincie heeft recordcijfers qua criminaliteit en druggebruik; het aantal echtscheidingen en zelfmoorden ligt er boven het Nederlandse gemiddelde. We hadden daar goede contacten die herhaaldelijk de Belgische mijnwerkers kwamen waarschuwen: 'Wij hebben te laat beseft dat je voor je job en zelfs voor reconversie moet vechten.' Hun woorden vielen niet in dovemansoren. Door onze strijd hebben wij de mijnen twintig jaar langer dan voorzien kunnen openhouden. Reken eens uit hoeveel gezinnen al die tijd een menswaardig inkomen, hoeveel arbeiders een job hadden, hoeveel kinderen elementair onderwijs genoten. Dat is ons realisme, dat van de arbeidersbeweging. De spanning rond de mijnen nam voortdurend toe. J. Baeyens van het ABVV en A. Cuyvers van het ACV maakten eind 1984 nog een historisch pamflet. 'Vandaag ik, morgen gij', met een belangrijk principieel standpunt: 'Behoud van de 20.000 arbeidsplaatsen in de mijnen. Werk voor de 75.000 werkzoekenden in Limburg.' En in november 1985 werd dan iets als een voorhoedegevecht geleverd, een staking vanuit de basis. De leiding van de twee vakbonden had een 24-urenstaking nog als voorbarig afgedaan en wilde de regeringsonderhandelingen afwachten. Maar de staking was algemeen in de vijf mijnen. Na een staking van drie dagen nam de regering schijnbaar wat gas terug ('Het moment is niet rijp om te beginnen aan de sluiting'), om amper een maand later de druk toch weer op te voeren. René I iirny, de gouverneur van de Generale, verklaarde in Knack van 14 december 1985: 'Vlaanderen staat nu voor het probleem van de Kempische steenkoolmijnen. Men had volgens mij dezelfde politiek moeten doorvoeren als 265 in Wallonië, een stapsgewijze sluiting. Deze lijn werd daarentegen om louter politieke redenen onderbroken in Vlaanderen.' Lees: door onze strijd waren de mijnen een explosieve politieke materie geworden. Maar blijkbaar niet explosief genoeg. De toenmalige regering Martens voelde zich sterk genoeg om mijnheer Lamy in zijn streven te steunen. Martens kon in ieder geval op SP-kopstuk Willy Claes rekenen, de man die beweert Limburg 'ontwikkeld' te hebben: 'De vrees voor een herhaling van Zwartberg was weinig aanwezig omdat ik pertinent wist dat van ABVV-zijde de middelen totaal ontbraken om wat dan ook te doen. Ten tweede was het zeer waarschijnlijk - maar wij zullen het nooit kunnen bewijzen - dat de eerste minister de stilzwijgende goedkeuring gekregen had van de ACV-voorzitter, die op de een of andere manier wel het middel zag om de ACV-mijnbond onder controle te houden. Je moet toegeven dat de strijdbaarheid van de arbeidersbeweging van België op een laag pitje stond. Er was ontmoediging in de rangen zowel in Vlaanderen als in Wallonië. Die argumenten brengen mij tot de stelling dat het voor de regering het juiste moment was waarbij het Zwartberg-risico tot een minimum herleid was' (Chris Nelis en Fred Vanhinsberg, En toen was er niets meer, de Limburgse mijnsluitingen: ieder zijn waarheid, Boek bvba, Zonhoven, 1989, p.57). Hij legt ook uit waarom hij zich met de sp niet aansloot bij het Ondersteuningscomité voor de Limburgse mijnen: 'Het was niet de aanwezigheid van Agalev of Doorbraak die me hinderde, wel die van de PVDA. Er zijn limieten die je niet overschrijdt als je tenminste nog een frank wil geven voor je leven en je eigen toekomst.' (Chris Nelis en Fred Vanhinsberg, op. cit., p.27) Het is uiteindelijk SP-minister Norbert De Batselier, de progressieve 'sienjaal'-man, die de mijnen van het westen vervroegd gesloten heeft. De staking van '86 Onze driedaagse staking was dus niet voldoende geweest om de sluiting van de politieke agenda te halen. Begin '86 bleek er meer op het spel te staan: de regering zou in conclaaf gaan om een zoveelste besparingsronde uit te dokteren, het befaamde Sint-Annaplan. Nog voor ze zich terugtrok voor onderhandelingen met de vakbonden lekte uit dat het om 200 miljard besparingen ging. Grote ongerustheid in arbeidersmiddens. Verschillende bonden maakten zich op voor protest. In april werd een mijnwerkersbetoging gepland in Hasselt. De spoormannen en grote delen van de openbare 266 diensten stonden klaar om op 6 mei een verwittigingsstaking te houden van 24 uren, de christelijke onderwijsbond staakte op 2 mei. We zetten toen alles op alles voor een algemene nationale staking met de mijnwerkers als locomotief, en dat wilde men koste wat het kost vermijden. Le Soir schreef het zo: 'Onweerswolken stapelen zich boven het regeringsconclaaf op. De druk van een hernieuwd gemeenschappelijk vakbondsfront in de openbare diensten, met vitale hefbomen als transport en verkeer. Die de steun hebben van de stakende Limburgse mijnwerkers, die ook een kanon gericht hebben tegen de budgettaire besparingspolitiek.' (13 april) De nationale ABVV-leiding plande een betoging voor 31 mei. We moesten proberen het zolang uit te houden. De betoging in Hasselt trok meer dan 20.000 man, behalve mijnwerkers en familieleden, ook syndicalisten van het hele land. De mijnwerkers barstten van de energie en trokken arm in arm vooruit, in dicht opeenvolgende rijen. Van de vele acties en strijd heeft deze betoging me het meest ontroerd. We beseften toen hoe strijdbaar we geworden waren. Slogans en ordewoorden konden niet misverstaan worden. De idee dat de mijnen moesten openblijven met het geld van de Generale had de harten en de hoofden van de mijnwerkers veroverd. 'Geen enkele mijn dicht!' 'De Generale moet betalen!' en 'Algemene staking nu!' 'Geen afdankingen!' Op deze aprildag gingen we ervoor en ik dacht aan die beelden van betogers in Soweto, het was een lopende betoging. Het werk van de jaren zeventig was een basis geweest voor de strijd die we nu zouden voeren. De vakbondsleiding zag de betoging van april 1986 als een drukkirigsmiddel voor de onderhandelingen. Voor de arbeiders was dat echter niet genoeg. Overal werden nu stakingscomités opgericht met de meest strijdbare arbeiders en met de afgevaardigden die trouw bleven aan de strijd tegen de sluitingen, mensen als een Luc Cieters in Beringen, Jan Grauwels in Waterschei, Tony Ventura in Zolder, allen ABVV'ers. In Winterslag leidde ik het stakerscomité, de afgevaardigden lieten het afweten. De strijd om de staking te laten voortduren was er ook zwaarder, met harde stakingspiketten. Na een tijd erkende de vakbondsleiding de staking wel, maar dat bleek slechts een maneuver om ze terug in handen te krijgen. Een paar dagen later eiste ze de ontbinding van de stakingscomités, en na 1 mei wilde ze de staking helemaal stopzetten. Er was geen sprake van zomaar inbinden, we wilden nog steeds een algemene staking. We trokken naar andere fabrieken voor solidariteitsacties. We gingen met 300 mijnwerkers naar de ACOD-CVCC-meeting spoor in Brussel, we bezetten de sporen om ons te verbinden met de spoormannen, we gingen naar de FN-stakers in Luik. 267 Over actieordewoorden Om de staking terug in handen te krijgen bedacht de vakbondsleiding acties als het bezetten van het klaverblad in Lummen en van het sas van het Albertkanaal. Dat lijkt wel sensationeel, maar voor de strijd was dat waardeloos. Te ver van de fabrieken en de massa's van de werkers. Wij gingen dus door met onze mobilisatie: we trokken met meerdere duizenden mijnwerkers naar vestigingen van Ford en Philips, bij onze bezoeken aan de vakbondslokalen pakten we de Generale Bank in Hasselt aan, we bezochten vele scholen in Limburg en we organiseerden een paar betogingen in Brussel. Wilfried Martens wilde de mijnwerkers absoluut van de straat. In de salons van de burgerij was er zenuwachtigheid, men wou koste wat het kost een algemene staking tegen de 200 miljard besparingen van het Sint-Anna-plan vermijden, zeker met de mijnwerkers aan het hoofd. Daarom verklaarde de regering dat er geen collectieve ontslagen zouden komen, maar dat was helemaal onze eis niet. We wilden zwart op wit dat de 20.000 arbeidsplaatsen bij de KS zouden behouden blijven. De vakbondsleiding was daarmee tevreden en betaalde niet langer stakingsgeld uit. Strijdbare vakbondsafgevaardigden en militanten werden zwaar onder druk gezet. Maar de stakingscomités bleven werken, we staakten verder. In de staking van 1986 zetten we alles op het losweken van een algemene nationale staking, met de mijnwerkers als locomotief. Waarom? In september 1983 werd er al negen dagen massaal gestaakt tegen de regerinGSBesparingen in de openbare diensten. In 1984 waren er in Wallonië en in de hele privé-sector opnieuw stakingen tegen de besparingen. In 1986 ontstond er grote beroering rond het Sint-Annaplan waarmee de regering 200 miljard wilde besparen. De kans op een algemene staking zat erin als de mijnwerkers het volhielden tot de anderen in staking gingen. De spoormannen en grote delen van de openbare diensten stonden klaar voor een 24-urenstaking op 6 mei. De christelijke onderwijsbond staakte op 2 mei. Alle syndicalisten wilden reageren. Maar de ABVV-leiding zette haar betoging wél héél laat: op 31 mei. De journalist Walter De Bock verklaarde voor de Nederlandse televisie half mei: 'De mijnstaking moest opgekuist worden vooraleer acties tegen het Sint-Annaplan losbraken. De situatie was potentieel vergelijkbaar met '60-'61.' Op 31 mei gingen we naar de ABVV-betoging in Brussel. Een van de grootste betogingen van na de oorlog. 200.000 man. De streek van La Louvière was dan al twintig dagen in algemene staking. Maar de ABVV-top zag 268 de betoging als een eindpunt. Wij hebben met de mijnwerkers de kop van die betoging getrokken, zéér tegen de zin van de vakbondsleiding, maar we kregen overal felicitaties. Al onze ordewoorden stonden in het perspectief van die algemene staking. Daarom trokken we naar de ACOD-CVCC-meeting in Brussel, daarom bezetten wij de sporen en gingen we naar de FN-stakers in Luik. De mijnwerkers wilden de locomotief van de staking zijn. Ook in de ordewoorden tegenover het rijkswachtoptreden komen de keuzes naar voren. Je zou kunnen kiezen voor het militair winnen van een staking. Systematisch en militair tegen de rijkswachtrepressie ingaan. Je gaat dan met een paar honderd man een militaire tactiek uitstippelen. Arbeiders zijn daartoe bereid. Er zijn wel militaire acties geweest. Wij hebben de politie en de rijkswacht geregeld doen zweten voor hun maandwedde. Als dat gebeurde, waren er daarna altijd meer stakers aan de piketten. Arbeiders zijn voor een actieve staking en dat betekende voor de mijnwerkers ook confrontaties met de rijkswacht. Door de mijn-arbeid zijn wij even lenig, snel en fysiek getraind als de rijkswacht. We hadden wel niet hun uitrusting. Als we terugsloegen tegen hen, was dat gedisciplineerd en om onze tanden te laten zien. We waren niet op doden uit. We kozen niet voor de militaire confrontatie, maar voor de algemene staking. Een ander voorbeeld van zo'n ordewoord en de strijd errond komt uit de staking van '87. Toen we naar personeelsdirecteur Foblets gingen om de afdanking van Posikata en Vermeulen, twee syndicale militanten, ongedaan te maken. Dan had je de keuze: daar bezetten tot heropname of onderhandelen. De meerderheid was voor onderhandelen. Of eveneens in '87: de keuze tussen naar het westen te gaan werken of de afdankingspremie van 800.000 frank aannemen. De stakingsleiders riepen op voor het westen, maar dit ordewoord werd niet gerealiseerd. In een staking zijn ordewoorden een uitdrukking van waar je naar toe wil met de strijd, een uitdrukking van je politieke visie. Om de juiste ordewoorden te vinden, moeten een aantal voorwaarden vervuld zijn. Je moet om te beginnen klaar zien in de strijd, basisvoorwaarde om de juiste eisen te kunnen formuleren. Ten tweede moet je ervoor zorgen dat dit ordewoord het haalt van andere standpunten. Tegelijkertijd moet je ook de eenheid in de strijd voor ogen houden: heb je een juist ordewoord maar is een deel van de leiding ertegen dan gaat de eenheid boven dat ordewoord, anders zetje een stap achteruit. Dan moetje zien dat dit ordewoord gedragen wordt door de bred^ massa van de arbeiders en niet alleen door de meest militante. En ten slotte moet het ordewoord ook nog uitgevoerd worden. 269 Rijkswachtterreur in Limburg Omdat de vakbondsleiding ons niet onder controle kreeg, kreeg de rijkswacht de opdracht de staking te beëindigen. En zij speelden het zeer hard. Het optreden was zelfs voor de betrokken rijkswachters zo zwaar dat ze hun klopjachten maar konden uitvoeren met behulp van een behoorlijke dosis jenever. Er werd voortdurend gechargeerd, Turkse mijnwerkers werden tot in de winkels achtervolgd. Het rijkswachtoptreden was zo brutaal en racistisch dat de Liga voor de Rechten van de Mens ter plaatse een onderzoek kwam uitvoeren en rapporteerde: 'Het rijkswachtoptreden is onwettelijk, racistisch... met de kenmerken van folterpraktijken.' De Liga kwam tot de conclusie dat dit optreden van hogerhand geïnstrueerd werd met de bedoeling de staking te breken. Ook de stakingsleiders moesten het ontgelden. De rijkswacht probeerde ons op te pakken, iets wat hen door toedoen van vele mijnwerkers niet gelukt is. We probeerden het vol te houden tot de andere stakingen begonnen, maar de terreur van de rijkswacht was te hevig. Zolder ging als eerste door de knieën. Syndicaal was dat de minst sterke mijn en dus concentreerden onze tegenstrevers zich vooral daarop. Daarna was het de beurt aan Eisden en Beringen. Twee mijnen staakten nu nog verder. Maar op de algemene vergadering van 19 mei lieten de Italiaanse vakbondsmilitanten verstaan dat de staking stilaan onhoudbaar werd. 90% van de aanwezigen stemde nog voor een verderzetting, maar op 21 mei werd de staking opgeschort. We waren gestrand op amper tien dagen van de grote ABVV-betoging. We gingen terug aan de slag en zouden ons in de mijnen beraden over verdere strijd. Achteraf is mijn balans van onze staking van 1986 wel positief. Gedurende zes weken beroerden we de andere werkers met onze principiële opstelling tegen de mijnsluiting, tegen elke afdanking en afvloeiing en voor het openhouden van de vijf mijnen met het geld van de Generale die in '85 alleen al 2,821 miljard winst maakte, en een kapitaalsverhoging van 5,7 miljard had doorgevoerd! We leverden ook een flinke bijdrage in de strijd tegen het Sint-Annaplan. De staking van 1987 Op 17 december 1986 ontvouwde Gheyselinck zijn sluitingsplan voor de drie mijnen van het oosten, Winterslag, Waterschei en Eisden. De mensen die er werkten konden kiezen tussen een sluitingspremie — initieel 400.000 frank bruto — of een overstap naar de twee resterende mijnen in het westen. 270 Het plan Gheyselinck werd door de mijnwerkers en door alle strijdbare delegees verworpen, ook nadat het door de regering was goedgekeurd op 31 december. In januari 1987 begonnen we aan de voorbereiding van een nieuwe staking. Op 3 maart was het zo ver: Waterschei begon. Onder leiding van Jan Grauwels kwam een grote stakingspost de middagpost in Winterslag overhalen mee te staken. Ik riep het stakingspiket op om de mensen van de nachtploeg buiten te halen, maar de politie zat in het mijngebouw en er werd geduwd en getrokken. Op een bepaald moment werd ik door de politie in de rug geduwd, en mijn arm kwam in gebroken glas terecht. Ik bloedde, maar stond er niet echt bij stil, ik dacht enkel aan de staking. Het was een komisch zicht: met mijn ene hand over mijn bloedende arm liep ik druk over en weer om iedereen te overhalen het werk neer te leggen, en ondertussen liepen er een paar ingenieurs achter mij aan om me in de opgeroepen ambulance te stoppen. Een stevig bloedspoor achtervolgde me. Pas toen de staking een feit was, liet ik me door de ambulance naar een ziekenhuis brengen. Twee pezen en een zenuw bleken blijvend overgesneden. De volgende morgen heb ik mezelf ontslagen uit het ziekenhuis. Ik móést naar dat piket, mijn arm in het gips of niet. Die arm heeft heel de staking pijn gedaan, die zenuw. De eerste avond was er een stakingscomité voor de twee mijnen samen opgericht, een verzwakking van de stakingsleiding, maar ik kon er niets meer aan doen. De staking van '87 ging rond dezelfde eisen als de staking van '86, we moesten proberen de regeringdbeslissing ongedaan te maken. Met het aanbod van de sluitingspremie vond het ACV dat er geen reden tot staken meer was en ze betaalden geen stakingsgeld uit. Daarom trokken we met meer dan duizend mijnwerkers naar het ACV-gebouw in Hasselt. De mijnwerkers stonden in de gangen, niet iedereen kon binnen. Opeens kwam de rijkswacht om het gebouw te bezetten. De ACV-leiding had de rijkswacht ontboden! We werden door de vakbondsleiding uit het huis gezet dat betaald was met onze bijdragen, we werden uit ons eigen huis gezet. De arbeiders waren razend. De rijkswacht verdween ijlings. Journalisten schreven dat een bloedbad op 't nippertje was vermeden; ik kan dat enkel beamen. Na vijf a zes weken werd de sluitingspremie verhoogd tot 800.000 frank bruto. Later werd dat 800.000 frank netto. Gheyselinck zei dat elke mijnwerker vrij was te kiezen tussen die 800.000 frank of de overstap naar het westen in de overblijvende mijnen, Zolder en Beringen. Tegen 29 april moest er een keuze gemaakt worden. Maar wij wilden nog steeds het volle pond^de mijnen in het oosten moesten open blijven. De sfeer werd dan ook steeds grimmiger. Op 6 april slaagde een groepje stakingbrekers erin Jan 271 Grauwels te raken aan het hoofd. Op 't eerste gezicht leek hij er gelukkig niet al te erg aan toe. Diezelfde dag doemde een deurwaarder op aan de stakingspost met een ontslagbrief voor Harry Posikata en Herman Vermeulen, militanten van het ABVV. Men wilde duidelijk de strijd onthoofden. Grauwels wilde beginnen speechen maar de slagen van 's morgens waren toch te veel geweest. Hij werd voor meerdere dagen in het ziekenhuis opgenomen. 's Avonds trokken de mijnwerkers in betoging naar het ziekenhuis: met lichtjes in de zwarte lentenacht. Eén stakingsleider in 't ziekenhuis en twee afgedankt, de vijzen werden steeds zwaarder aangedraaid. Delegeeverkiezing in staking: een intens geluk Amper drie dagen later grepen de sociale verkiezingen plaats, goed tien dagen voor de keuze tussen premie of overstap. De uitslag van de verkiezingen was echter een duidelijk uitspraak over de sluiting en de stakingen van 1984 tot 1987: alle verraders van de strijd tegen de sluiting werden afgestraft. De stakingsleiders werden met vlag en wimpel herkozen: - Jan Grauwels, ABVV Waterschei: 1.270 voorkeurstemmen of bijna 51% van de
stemmen; Het ACV werd afgestraft. In Waterschei waren er zes ABVV-verkozenen, vijf van hen kwamen uit het stakingscomité. In Winterslag haalden de leden van het stakingscomité de meeste stemmen. Een intense overwinningssfeer. Er was geen andere interpretatie mogelijk. Duizenden mijnwerkers hadden gestemd voor onze orde woorden: 'Geen enkele put dicht' en 'De Generale moet betalen'. De staking was nog niet voorbij, de strijd ging voort. Maar met Grauwels in het ziekenhuis en Posikata en Vermeulen nog steeds afgedankt moesten we eerst terug kopstukken hebben. Er werd druk gedebatteerd. Dezelfde dag nog reden we met honderden mijnwerkers in een autocaravaan naar directeur Foblets. Groene en rode vlaggen getuigden van de eenheid in de strijd. Het getoeter werd met gejuich beantwoord. Foblets deed wel beloftes maar gaf geen garanties op papier. Ik was toen voor een echte bezetting tot we die garanties kregen, maar dat standpunt heeft het niet gehaald. Ik koos voor de eenheid en we hielden het bij een symbolische bezetting. De delegeeverkiezingen werden een echte volksraadpleging. Hier was geen interpretatie mogelijk. Duizenden mijnwerkers hadden gestemd voor 'Geen enkele put dicht' en 'De Generale 272 moet betalen'. Hun principieel oordeel over de stakingen van 1984 tot 1987 gaven ze met de sociale verkiezingen van 1987. De verkiezingsuitslag en de actie naar Foblets bewezen dat de strijd niet gedaan was. Dat het juist was op te roepen om naar het westen te gaan werken en de afdankingspremie af te slaan. De massa stond nog sterk op deze 9de april 1987. Op die sterkte kon verder gebouwd worden. Eens in het westen was het veel moeilijker geweest. Dit blijven verdedigen in discussies is de klassenstrijd verder voeren. Dit moetje doen, anders winnen de andere standpunten veld. Gheyselinck interpreteerde de uitslag van de verkiezingen op dezelfde manier: 'De zege van de stakingsleiders is begrijpelijk omdat de mijnwerkers hierdoor konden zeggen dat ze het niet eens zijn met de herstructurering. Maar de geldverschaffer heeft altijd het laatste woord.' (Het Belang van Limburg, 11 april 1987) In Knack verklaarde hij later absoluut niet zeker te zijn van de uitkomst. Hij was niet zeker over het aantal mijnwerkers die voor de 800.000 zouden kiezen. 800.000 of naar 't westen! Net als in 1986 werd de spanning nu opgedreven. Er werden 650 rijkswachters uit Wilrijk en Brussel ingezet en op 13 april viel de rijkswacht aan over de hele lijn. Met hun lange matrakken probeerden ze de piketten uiteen te slaan, acties waar verschillende gewonden bij vielen. En ook hu weer was er blijkbaar flink wat drank geschonken: dronken rijkswachters vielen vrouwen lastig op straat. Ze drongen zelfs een moskee binnen midden in een gebedsdienst; de vijfhonderd aanwezigen werden uit de moskee verdreven nadat alle schoenen van de gelovigen op het dak waren gegooid. En toen de imam de pers zijn bloedend gezicht liet zien en wilde protesteren tegen de brutaliteiten, lachte de verantwoordelijke van de rijkswacht hem gewoon uit. Reactie in Het Volk op 15 april: 'In de rijkswachter moet men de mens kunnen zien. Zeker in deze paasweek.' Het was een goed doordachte en nationaal opgezette aanpak om de staking te stoppen en de arbeiders te zeggen dat de rijkswacht de macht heeft in dit land. Luitenant Goos van de rijkswacht drukte het in De Morgen van 15 april zo uit: 'Nu is het aan ons. Het is tijd om de zaak op te ruimen.' En net als in '86 slaagde de rijkswacht in haar opzet. De staking van '87 was gedaan. Maajr Gheyselinck besefte datje de geesten nog niet gewonnen hebt door arbeiders met de matrak naar binnen te slaan. Op 22 april, zes dagen voor 273 de einddatum van de keuze tussen de 800.000 of het westen, gaf hij een nieuwe uppercut via een artikel in Het Belang van Limburg: 'Als er meer dan 9.000 kiezen om in het westen te gaan werken... zullen ook daar afdankingen komen. (...) die zullen zelfs die 800.000 frank dan niet meer krijgen. (...) wie deze zaak boycot, wordt op een afdankingslijst geplaatst'. De PVDA en de strijdbare stakingsleiders stelden dat 800.000 frank niets was in vergelijking met een job, in vergelijking met een strijdbare arbeiderscultuur. Naar het westen gaan werken betekende verder vechten, en gezien de afgelopen twintig jaar leek dat een haalbare kaart. Maar op dat moment voelden de mijnwerkers zich alleen gelaten, verraden door de burgerlijke partijen en door hun vakbondsleiders. Ze hadden het hard te verduren gekregen, ze waren geslagen en opgepakt door de rijkswacht. Het racistisch rijkswacht-geweld woog ook zwaar op vele Turkse en Italiaanse mijnwerkers. Het tegen hen ingezette geweld was de druppel waardoor de mijnwerkers dachten: 'We kunnen niet winnen. De tegenpartij is té machtig. We staan alleen. We tekenen voor de 800.000.' De krachtsverhoudingen waren dus in het voordeel van de burgerij, en een grote meerderheid, zelfs sommige stakingsleiders, kozen voor de premie. Naast een kleine groep strijdbare mijnwerkers gingen er veel ratten en cheffen naar het westen. Er bleef enkel de strijdbare mijnwerkersgroep van Beringen met Luc Cieters en Freddy Bungeneers aan het hoofd. Jan Grauwels, Herman Vermeulen en ikzelf tekenden voor het westen maar zouden er nooit kunnen beginnen door een 'njet' van Gheyselinck. We hadden gelijk toen we stelden dat er nog niets verloren was. Maar het was op dat moment ook voor de PVDA een ongelijk gevecht. Mondeling, met pamfletten, door lange discussies in groepjes, man per man overtuigen is niet hetzelfde als de vele kanalen die de burgerlijke krachten konden bespelen met hun boodschap: 'Je staat er alleen voor, en in het westen zal het nog erger zijn. De mijnen zijn dood.' Vandaag zouden vele mijnwerkers wat graag die beslissing ongedaan maken. Op 20 april '96 ging er een strijdfeest door, tien jaar na de staking van ' 86. Weken van tevoren hadden we de schacht van Winterslag met een metershoge groen-rode vlag getooid. Suleyman Akkoc, een ex-mijnwerker die bij Multicolores van het ABVV-Limburg werkt, verklaarde: 'Op mijn zitdagen hoor ik elke dag dramatische verhalen van werkloze ex-mijnwerkers, veel migranten, en dan klinkt het bijna unaniem: "Was de mijn nog maar open! Hadden we maar harder gevochten".' Strijdbare arbeiders vergeten niet snel vriend en vijand. En de mijnstaking blijft vandaag als voorbeeld fungeren, dus moeten we haar wezen zélf beschermen. 274 Vakbondsmoord: fase één Gheyselinck kende sinds 28 april het standpunt van de mijnwerkers, hij had ook grotendeels zijn slag thuisgehaald over de sluiting in het oosten, hij moest zich enkel nog verzekeren van een gematigd syndicaal klimaat in het westen. Daartoe bedacht hij een duivelse strategie. De mijnwerkerscentrale van het ABVV moest geliquideerd worden. Grauwels, Vermeulen en ikzelf werden afgesneden van de mijnwerkers omdat we niet mochten overkomen naar de resterende mijnen. Nu wilde hij nog de overblijvende mijnwerkers van Beringen en Zolder provoceren tot hun revolutionaire strijdwil gebroken was. Het sluitstuk was de benoeming van Michel Dijlst, de voorzitter van de Verbroedering van mijnopzichters, tot nieuwe stakings'leider', hoewel veel cheffen het daar niet zomaar mee eens waren. Ook binnen de mijn-centrale van het ABVV had Gheyselinck pijnlijk genoeg een bondgenoot gevonden: nationaal voorzitter Olyslaegers. Terwijl wij in de waan waren dat hij steun ging ophalen bij andere centrales en bij de nationale leiding, zette hij overal een boom op over de PVDA die 'de mijnwerkerscentrale had overgenomen'. Stilaan werd duidelijk dat Olyslaeghers liever géén mijnwerkerscentrale had dan een strijdbare, uiteindelijk zou hij ze zelfs opdoeken. Op 24 oktober 1987 vierde de Verbroedering haar vijfentwintigste verjaardag. De voorzitter bedacht de 800 aanwezige cheffen met een verrassing: 'Elk jaar nodigen wij een gastspreker uit, die door zijn kennis en beroepsbekwaamheid deze samenkomst positief beïnvloedt. KS-manager, de heer Thyl Gheyselinck heeft onze uitnodiging aanvaard om ons vandaag toe te spreken.' (Mijn-Info, jaargang 2, nr.8, p.12) In zijn speech maakte Gheyselinck zijn plan bekend om de verlofregeling af te schaffen: 'om de luieriken eens goed aan te pakken.' Hij maakte ook duidelijk dat hij de resterende mijnen zo snel mogelijk wenste te sluiten en verklaarde dat Jan Grauwels nooit zou toegelaten worden in het westen. De vergadering van 800 cheffen noemde hij 'een ideaal forum en de belangrijke schakel voor de communicatie met de arbeiders'. Een regelrechte oorlogsverklaring aan de mijnwerkers die gebleven waren, aan hun nieuw gekozen delegees en aan de militanten en de voormannen van de stakingscomités. Er werd rijkelijk iilcohol geserveerd en de meeste cheffen applaudisseerden toen Gheyselinck zei dat Grauwels niet meer in de put kwam. De mijnwerkers die pas overgekomen waren van Waterschei naar Beringen pakten onder in de mijn ile cheffen woedend aan: 'Waarom heb jij geapplaudisseerd voor Gheyselinck? Wie zijn jullie om Jan zonder broodwinning te zetten?' De cheffen moesten inbinden. 275 Met Michel Dijlst was Gheyselinck echter zeker van zijn zaak. Dijlst verklaarde op diezelfde 24 oktober: 'Ik ga vandaag geen pleidooi houden pro of contra deze drastische sluiting (van de oostelijke zetels, nvdr), iedereen heeft daar wel zijn eigen mening over. (...) Het toezichthoudend personeel, de directeurs, de ingenieurs en de opzichters, zij zijn de spil van de onderneming, zij bepalen het werkklimaat, zij bepalen het ritme en zij liggen aan de basis van het rendement. Zij zijn voor hun omvangrijke achterban de voormannen en worden door hen in de meeste gevallen in hun volledig doen en laten onbewust gevolgd. (...) Als de leider lacht, lacht de achterban. Als de leider weent, weent de achterban. Als de leider werkt, werkt de achterban. Als de leider gedemotiveerd op zijn achterste zit, zit de hele achterban gedemotiveerd op zijn achterste. Wij moeten in de eerste plaats zorgen dat de demotivering van de laatste jaren ophoudt te bestaan en omslaat naar zin voor productie en zin voor rendement.' De mijnwerkers weten dat dit de terugkeer betekende van de 'kolenboeren', een aantal failliete zelfstandigen die een tijdlang aangetrokken werden om als chef in de mijnen te komen werken. Hun mentaliteit van 'hoe meer kolen, hoe beter voor de patroon en dus ook voor de mijnwerkers' botste tegen een verworvenheid van de mijnwerkers, namelijk dat productiviteit niet de zaak van de arbeiders is. Als arbeider moet je goed werken. Maar je moet er ook voor zorgen veilig in leven te blijven. Maar op het terrein waren we nog erg sterk. Er werd met succes een petitie gelanceerd om Jan Grauwels, Vermeulen en mij toch nog te laten overkomen naar 't westen. Het leek erop dat we het gevecht nog konden winnen. Begin 1988 gingen we in de aanval tegen de afschaffing van de verlofregeling. In Beringen stond de staking ijzersterk onder leiding ABVV-delegees Luc Cieters en Freddy Bungeneers. Grauwels, Vermeulen en ik namen onze verlofdagen op om de staking aan Zolder mee te gaan leiden met delegees als Tony Ventura. Na zes weken staking kwam Gheyselinck met een betaalde lock-out uit de hoek, een echt duivelse streek om de vakbond te liquideren. De delegees werden gepasseerd. Gheyselinck richtte zich schriftelijk tot de mijnwerkers: ze moesten aan KS laten weten of ze terug aan het werk wilden gaan. Wie positief reageerde, kreeg een stakingsweek door Gheyselinck uitbetaald. In Zolder werd zo de staking gebroken. In Beringen wilden de mijnwerkers de strijd tegen de nieuwe verlofregeling verder zetten in de mijn, maar wanneer de mijnwerkerscentrale van het ABVV liet weten geen geld meer te hebben om haar leden uit te betalen, was de staking gebroken. Dat was ook het feitelijk einde van de mijnwerkerscentrale. De delegees van Beringen 276 en Zolder probeerden nog wel een centrale ondernemingsraad bijeen te roepen om te kunnen protesteren, maar de directie 'zag daar het nut niet van in' en ze ontbond de centrale ondernemingsraad. De sociale inspectie verklaarde zich in deze zaak 'onbevoegd'. Een vakbondsmoord zonder voorgaande in ons land. Gheyselinck kon zijn 'plan Dijlst' bovenhalen. Dijlst vanuit arbeidersstandpunt bekeken Plots was dus Michel Dijlst de nieuwe 'stakingsleider'. Er is zoveel verdachts aan die man. Sommige journalisten schreven dat hij een agent van de Staatsveiligheid was, anderen dat de acties van 1989 opgezet spel waren van Dijlst, Gheyselinck en de rijkswacht. Zeker is dat Michel Dijlst tijdens de stakingen van 1986 en 1987 in Zolder als eerste terug begon te werken. Volgens de ABVV-delegees van Zolder braken Dijlst en de cheffen zelfs door het piket met stokken. Als je dan ook nog uit een familie komt met een gekende fascistische vader, een broer die met de verboden fascistische VMO-militie in de Voerstreek actief was en je daar nooit publiek afstand van neemt! Bovendien waren de acties van Dijlst echt vreemd. Ineens was er geld genoeg. Sterker nog, de arbeiders werden betaald om te staken: ze tikten en gingen daarna de straat op. Toen wij in '86 wilden gaan betogen kregen wij geen frank voor de bussen en in '87 kregen we geen treinen vast, maar nu was er ineens ook geld voor de treinen naar Brussel. En toen het daar tot enorme gevechten kwam, liet de rijkswacht begaan... terwijl wij zoveel klop kregen, werden opgedreven en gezocht door de rijkswacht en afgedankt werden. Een Marokkaanse delegee werd afgedankt 'om zwaarwichtige redenen' maar Dijlst kon zomaar de rijkswachtpaarden te lijf gaan. Bepaalde bronnen zeggen dat ook de 'raid op Hasselt' georkestreerd was. Tobback zou in Hasselt geweest zijn om de rijkswacht te leiden die opmerkelijk liet begaan. Achteraf hoorden we dat de rijkswachters er zelf niets van begrepen. Ook is bewezen dat Gheyselinck geld gaf aan de organisatie van Dijlst. Ivo Van de Kerckhove doet het hele verhaal in De miljarden van de KS. Men kan rustig stellen dat de mijnwerkers schandelijk misbruikt zijn door Dijlst. De staking van 1988 kon ik mee leiden door veel verlofdagen te nemen en er naartoe te gaan wanneer we niet moesten werken. Maar toen Dijlst begon met zijn betaalde acties werden de revolutionairen van de PVDA en syndicalisten als Jan Grauwels onherroepelijk afgesneden van de massa. Ik heb nog meegedaan aan de acties die door de Verbroedering van Dijlst werden georganiseerd op 31 maart en 1 april '89. Ik liet me niet doen 277 maar onze invloed was te sterk afgenomen. Toen de laatste steenkool in Winterslag werd bovengehaald tijdens een ceremonie met de burgemeester wou ik het woord nemen. De micro werd gewoon afgezet. Hoe de acties onder leiding van Dijlst in '89, '90, '91 te beoordelen? De overblijvende mijnwerkers waren geen avant-garde arbeiders, er waren veel ratten en cheffen bij. Maar toch, hun ontgoocheling over het bedrog van Gheyselinck was groot. Dat verklaart waarom de mijnwerkers bleven vechten. Voorhoede-arbeiders hadden door dat er veel niet klopte, een groep heeft zijn woede laten zien en geweld gebruikt. Het was echter ongericht geweld, enorm verschillend met de strijd van de jaren ervoor. Het was een strijd zonder duidelijke eisen. Mijnwerkers verklaarden dat ze gedwongen werden mee te doen aan de acties van de opzichters. In feite heeft Dijlst de woede en de ongerustheid, de vraag naar klare wijn van mijnwerkers misbruikt om Gheyselinck de kans te geven de mijnen sneller te sluiten. De acties van '89 hadden niets met gericht en revolutionair geweld te maken. Het was geweld van losgeslagen elementen die vrij spel kregen van Dijlst. Wij zouden ze geen kans gegeven hebben. In de voorbije jaren hadden we het beste in de mijnwerkers bovengehaald. Dijlst deed net het tegenovergestelde. Het kwam niet zelden voor dat mijnwerkers die onder leiding van Dijlst door Hasselt, Leuven en Brussel trokken, de vrouwen op straat lastigvielen, zaken die niet kunnen geduld worden in de arbeidersstrijd. Maar net als overal zijn het in de arbeidersstrijd de resultaten die tellen. En in dit geval kunnen ze tellen. Door onze strijd, door de strijd van 20.000 mijnwerkers bleven de mijnen twintig jaar langer open. Die 20.000 mijnwerkers hadden al die jaren werk en een degelijk inkomen, relatieve bestaanszekerheid voor hun gezinnen, een toekomst. Die hele gemeenschap was aan elkaar gehecht, multicultureel en solidair. Vele duizenden arbeiders waren actief in jarenlange strijd. Ook de verdubbeling van de sluitingspremie in '87 is een resultaat van deze strijd. De resultaten van Dijlst? Voor de cheffen bekwam hij zeer hoge afscheidspremies uit de miljarden reconversiegeld. Maar zijn grote verdienste ligt elders: door zijn toedoen kon Gheyselinck zijn plan 'actualiseren'. Dat betekende: de rest sluiten, nog liever gisteren dan vandaag. Dat betekende jaren minder werk en inkomen voor duizenden mijnwerkers. Zonder Dijlst zouden Zolder en Beringen veel langer opengebleven zijn. Mijnwerkers van en rond de PVDA De PVDA mag dan wel vaak verguisd worden, dat de mijnen zolang opengebleven zijn, is in niet geringe mate te danken aan haar en aan al de arbeiders 278 die op een of andere manier steunden. Doorheen de jaren werkten zij op veel verschillende manieren mee met de PVDA. Er waren er die mee de stakingen leidden, zoals dat lid van de vriendenkring dat vaak speechte. Anderen waren misschien minder hevige stakers maar gingen binnen het piket de discussies aan, en dat is even essentieel werk. Die mensen zag je groeien door wat ze bij ons hoorden of lazen en daarna gebruikten ze de gegeven argumenten aan de piketten. Veel leden van onze vriendenkring zaten in het stakingscomité. En iedereen had zijn taak, dingen als het ontvangen van de solidariteitsdelegaties van de andere fabrieken en hen uitleg geven aan het piket. Hun activiteiten werden besproken op de vergadering. Het moeilijkste vond ik als er een mijnwerker uit de PVDA ging. Rond de vriendenkring had je een grotere groep sympathiserende mijnwerkers die vooral op de syndicale strijd gericht waren, in Winterslag waren dat een veertigtal. Ook als er geen staking was, was de vriendenkring actief. In '86 bijvoorbeeld hielden de vakbonden een petitie tegen de sluitingen. In de putten waar de vakbondsafgevaardigden dat deden werd er vlot getekend maar bij ons in Winterslag wou de delegatie niet met die petitie rond gaan. Dat werk werd dan gedaan door leden van de vriendenkring. Wekenlang hadden zij grondige discussies met iedereen in de badzaal en beneden in de mijn. De mijnwerkers wisten heel goed dat wie er bij ons mee rondging aanleunde bij de PVDA. Maar dat belette hen niet zich aan te sluiten bij de eisen tegen de sluiting. Op een of andere manier heb ik een invloed gehad op alle mijnwerkers. Er werkten lang meer dan drieduizend mijnwerkers in Winterslag. Als je ervan uitgaat dat die groep zich drie keer vernieuwde, kom je aan tienduizend. Dat wil nog niet zeggen dat zij nu na tien jaar nog dezelfde standpunten hebben als toen. Maar het was toen toch een strijdbare groep. Er waren er die regelmatig Solidair kochten, anderen lazen de krant als er iets over de put in stond, er waren ook de oudere migranten die niet goed Nederlands lazen maar die wel openstonden voor discussies. Dat waren niet allemaal communisten, maar met de meesten had ik een organische band. Al bij al werkte ik nauw samen met een goeie honderd mijnwerkers. Ik zat al sinds 1971 in de mijn en was gekend als communist, en van 1974 tot 1988 leidde ik alle acties in de mijn van Winterslag. Als ik een oproep deed, stonden ze achter mij. Ik kon ook rekenen op mijnwerkers die me fysiek beschermden. Als een rechtse tiep me aanviel vlogen de mijnwerkers erop. Dat is een keer of drie gebeurd. Op een middag werd ik bij een stakingspiket besprongen door de flikken. Direct sprongen een paar mijnwerkers mij ter hulp. Ik lag helemaal onderaan en moest naar adem happen. De politie heeft me niet kunnen oppakken. Nooit. Bij zo'n gevecht klonk het dan van: 'Hé, raak niet aan Saeyske!' En achteraf waren diegenen die me beschermd hadden fier: 'Hé, Saeyske, ik was daar ook bij.' Dat heeft me altijd ontroerd. Het zijn zij die ervoor gezorgd hebben dat we nooit zijn opgepakt. En als je weet hoe fel het geweld van politie en rijkswacht was, kan dat tellen. In de stakingen moest ik me ook nooit zorgen maken over provocateurs. We kenden iedereen, een provocateur of BOB'er had geen schijn van kans. De mijnwerkers hadden veel aan de krant Solidair. Daarvan verkochten we aan de poort van Winterslag een aantal jaren een honderdtal losse nummers en we hadden een twintigtal abonnees. Ikzelf verkocht tussen de 54 en de 87 nummers. Aan de poort was het soms grappig. Ik wist met wie ik in de week ervoor een harde discussie had gehad. Kwam die aan, dan vroeg ik: 'Weet je nog van vorige week? Daar staat een artikel over in Solidair. Lees het eens en dan kunnen we er in de put over praten.' En die discussies kwamen er dan ook. Ik wist wie ik moest aanspreken en bij wie ik geen moeite moest doen. Om de klassenstrijd politiek te kunnen leiden moeten er volgens mij één op tien arbeiders de krant van de marxisten kopen, en dat was bij ons ongeveer het geval. De mijn heeft me hard veranderd Ik ben eigenlijk geen groepsmens. In een bepaald opzicht ben ik een typische kleinburger gebleven. Voor mij is dat een overblijfsel van onze 'roots': niets willen te maken hebben met de burgermaatschappij. Wij waren in '68 op een idealistische manier tegen de burgermaatschappij, en dus ook tegen 'de domme massa'. May beweert dat ik spontaan alles doe wat andere mensen niet doen. En dat klopt ook: ik zoek graag nieuwe uitdagingen, ik probeer voortdurend mijn eigen grenzen te verleggen, in zekere zin zoek ik zelfs het gevaar op. Ik vind dat je alles moet durven. Die houding zal me misschien nog van pas komen in een andere periode van de strijd, maar in zekere zin staat zo'n persoonlijkheid wel haaks op wat ik twintig jaar lang in de mijn gedaan heb. De massalijn toepassen was zeker niet mijn sterk punt toen ik in de mijn begon. Langzaam maar zeker heb ik het echter geleerd. Niet dat mijn karakter fundamenteel veranderd zou zijn, maar ik ben toch wel meer een groepsmens geworden in die zin dat ik heb leren luisteren naar mensen. Dat had ik vroeger niet en dat is totaal en onomkeerbaar veranderd. In de put heb ik ook nooit gevaarlijke 'stunts' gedaan, hoewel het terrein er zich bij uitstek toe leent. In mijn militantenwerk ben ik een collectivist 280 geworden: dat zou ik in mijn studentenjaren nooit gedacht hebben. Als je op school of aan de unief protesteert dan is dat individueel protest. Maar je bent vooral met je eigen ideeën bezig. Je probeert wel je vrienden mee te trekken maar als die niet meedoen, wel, tant pis. Dat kan niet in de mijn, daar moet je je eerst inleven in de situatie van de arbeiders. Op basis daarvan ga je standpunten innemen en verdedigen. Je kan maar acties voeren als de arbeiders ertoe bereid zijn. In de fabriek volstaat het niet een grote mond op te zetten. Op school kan je dat, en dan kan je in het slechtste geval van school vliegen, maar dat gebeurt toch niet zo snel. In de fabriek reageer je ofwel samen of helemaal niet. Want als je alleen optreedt, word je zonder pardon op straat gezet. Het is ook zo dat je het democratisch standpunt moet verdedigen in een staking of een actie. Dat is niet altijd je eigen mening, maar de mening die best bevonden wordt voor de strijd. Als de mensen willen staken, zijn ze overtuigd door de voorafgaande discussies. Ook is er altijd iemand die met de staking moet beginnen, op dat vlak moet je dan wel zelf, soms zelfs individueel, je verantwoordelijkheid nemen. Je moet juist weten wat de mensen willen. Je neemt veel risico's, je staat altijd onder spanning. Je moet goed inschatten hoever de massa staat. Begin je te vroeg dan sta je alleen en loopt je kans om afgedankt te worden. Neem je de leiding op het gepaste moment niet op, dan zullen ze je dat ook verwijten. En als je dan een staking leidt, sta je daar niet de held uit te hangen maar je neemt je verantwoordelijkheid op. Ik ben bijvoorbeeld geen goeie spreker, als het moet doe ik het toch. We konden de mijnen niet openhouden Sommige stakingen worden gewonnen, andere verloren. Maar in elke staking worden arbeiders even uit de dictatoriale situatie van het dagdagelijkse fabriekswerk gehaald. In zo'n dagen speelt de kadaverdiscipline van de fabriek niet. De arbeiders krijgen dan met andere zaken te maken en doen snel inzichten op. Maar een staking kost ook veel, zowel psychologisch als materieel, ook voor hun gezinnen. Een staking verliezen is niet dodelijk. Maar je vertrouwen in de toekomst van het revolutionair proces verliezen, dat is wel dodelijk. Fouten maken is normaal. Het is erg voor de strijd die bezig is/maar het is normaal. De psychologische oorlog over de stakingen tegen de mijnsluitingen duurt nog steeds voort. Eerste thema: de mijnwerkers stonden vanaf '87 niet meer achter de strijd, ze kozen voor geld in plaats van voor werk. Maar 281 de delegee verkiezingen van 1987 waren een striemend antwoord daarop. Tweede thema: met het reconversiegeld zullen méér werkplaatsen geschapen worden dan het aantal jobs in de mijnen. Maar van dat 'toekomstcontract voor Limburg' is niks in huis gekomen. Moest Limburg dezelfde werkloosheidsgraad als de rest van Vlaanderen hebben, dan zouden er 13.127 werklozen minder moeten zijn. En van de nieuwe banen zijn er dan nog veel deeltijds. Vooral voor de migranten ziet het er slecht uit. De mijnwerkers hadden dus gelijk te vechten voor hun job en voor de toekomst van hun kinderen. Leven na de mijnsluitingen Nu ik niet meer in de mijn werk is niets nog hetzelfde. Ik ben mijn massabasis kwijt. Ik word dagelijks geconfronteerd met de vraag: 'Wat had ik nog allemaal kunnen doen in de mijn?' Dat is een risico van elke sector eigenlijk. Je moet er lang werken om er serieuze invloed te krijgen. Maar uiteindelijk beslist het kapitalisme of een bedrijf gesloten wordt. Toch is het moeilijk om na twintig jaar werken onder arbeiders zonder werk te zitten. Ik vond mijn draai in de arbeidersbeweging niet meer. Ik twijfelde geen minuut aan de revolutie of aan mijn overtuiging maar ik twijfelde aan mijn verdere rol in de Belgische arbeidersstrijd. De Derde Wereld kwam opnieuw dichter bij. Ik ben ook beginnen reizen. In '89 ging ik met May naar de Filipijnen. We bezochten er mijnen. De woonomstandigheden voor de mijnwerkers zijn er onmenselijk. Ze moeten leven in barakken van een aantal vierkante meter, dikwijls met vijf kinderen. We zijn toen ook naar bevrijde gebieden gegaan, bevrijd door de npa (National People's Army). We praatten en leefden er een tijdje met mensen in bevrijd gebied en met guerrillero's. Het jaar daarop leidden May en ik een groepsreis naar China: een budgetreis van de reisorganisatie Contact en Cultuur. Voor zestien mensen ter plaatse eten en slapen vinden, een manier van reizen die mij heel goed lag. De laatste week kon ik het toch niet laten om een bezoek aan een mijn, een fabriek en een landbouwcoöperatie aan te vragen. De mijn was even modern als onze westerse mijnen, maar er werd gelet op de veiligheid en de mijnwerkers kregen beneden in de put een warme maaltijd! In april '92, net na mijn pensioen, ben ik naar Peru gegaan, video-opnames maken in bevrijde zones. We werkten er samen met mensen van het Britse Channel Four. We trokken op met de guerrillero's van de communistische partij van Peru (Sendero Luminoso). Eigenlijk was ik graag daar 282 gebleven. Het lag me goed, dat primitieve leven in de bergen. Het was er wel erg koud omdat de guerrilla zo hoog zat, maar dat leven paste me. Ook het voedsel smaakte me, al was het maar een kom bouillon met een stukje lamavlees erin. Ik ben gek op die eenvoudige zaken. In de Filipijnen at ik eens gebakken varkenstandvlees, een delicatesse. Ook slang en hond smaken me. Ik begon meer en meer te denken dat je moet meewerken aan de revolutie op de plaats waar je je het beste voelt. Toen bovendien de boeren ook nog eens in hun indiaans dialect vroegen daar te blijven, omdat ze zagen dat ik het er voor een westerling goed van af bracht, viel het me zwaar deze mensen te verlaten. 'Hoe primitiever hoe liever je het hebt', zegt May. Ik geef dat toe. In 1995 bezochten we Cambodja. Zou ik hier in België nog ooit kunnen aarden? Maar de laatste twee jaar ben ik opnieuw erg actiefin de arbeidersbeweging hier. Ik ben actief in stakingen op plaatsen waar nog geen, of slechts een beperkte PVDA-werking is. Zo heb ik ook de arbeidersstrijd van Wallonië leren kennen. Deze praktijk van de laatste twee jaren heeft de doorslag gegeven om te beslissen hier te blijven. Ik kijk uit naar elke discussie met jongeren die overwegen dezelfde weg op te gaan als ik. Ook al was ik bijna in Peru gebleven, ik weet nu dat er nog leven is na de mijnen. Zoals voor alle ex-mijnwerkers trouwens. Ons leven en onze strijd gaan door 283
'Vive Lahaut!',
'Leve Lahaut!' - Inhoud -
de fabriek Schets van de arbeidersstrijd tot 1968 ![]() Staking van Ougrée-Marihaye 1921, geleid door Julien Lahaut (op de trappen van de passerelle naast de laatste man die een hoge hoed draagt, met een strikje en hoofd omhoog geheven). Onmiddellijk links van hem, een trap lager, met pet in de hand: Celestin Demblon. De foto toont het afscheid van de kinderen van de stakers die naar Vlaamse gezinnen gaan zodat hun ouders verder kunnen staken. (Foto: archief AMSAB)
1.
De hongeropstanden
tegen het kapitalisme 1.De hongeropstanden tegen het kapitalisme - Inhoud Verplichte migratie; zoektocht naar een kolonie om revoltes hier te 'betalen'; criminaliseren van de arbeidersklasse Langs de snelweg Kortrijk-Rijsel werd in 1973 te Aalbeke een groot standbeeld ter ere van de 'grensarbeider' neergezet door het West-Vlaams provinciebestuur dat ook een historische studie liet maken over de grensarbeid.(1) Omdat de feiten die in de studie beschreven staan vaak schokkend zijn hebben we alle bronnen vermeld. 'In Beernem verdient een wever in 1842 1,09 frank per dag en een spinster 0,45 frank. Een roggebrood kost 0,50 frank.'(2) Velen kunnen met hun dagloon dus nauwelijks een brood betalen. 'In 1845 verdient een spinster te Tielt gemiddeld 16 centiem per dag, een boerenmeid — voeding inbegrepen - 38 centiem, een boerenknecht - voeding inbegrepen - 58 centiem.'(3) De stijging van het aantal behoeftigen aan wie hulp verleend wordt, moet dan ook niet verbazen: in West-Vlaanderen zijn er 18 behoeftigen op 100 inwoners in 1837, 24 op 100 in 1844 en 34 op 100 in 1848.(4) In 1845 en 1846 mislukt de aardappeloogst, in 1846 ook nog de roggeoogst. Aardappelen en rogge zijn het voedsel van de arme. En er is de eerste crisis van overproductie in het vlas. De hongersnood is een feit. In de Kamerzitting van 11 februari 1847 vermeldt een volksvertegenwoordiger dat er te Nederbrakel, waar hondenvlees aan 6 centiem per pond werd aangeboden, een rel ontstond omdat niet iedereen kon voorzien worden en dat te Espe bij Aalst een paardenkreng werd weggesleept en opgegeten door behoeftigen.(5) Arbeiders gaan zwerven. Ze smeken de boeren om de raapjes te mogen opeten die niet geoogst worden omdat ze te klein zijn voor veevoeder. Overal in Vlaanderen zijn er hongerrellen en opstanden, de burgerij vreest de controle te verliezen. De arrondissementscommissaris van Diksmuide schrijft: 'Indien geen afdoende maatregelen worden genomen, valt het te vrezen dat de bedelarij, 285 die schrikbarende afmetingen heeft aangenomen en die we moeten tolereren omdat we niet over voldoende repressiemiddelen beschikken, tot verder plunderen zal leiden. Veurne-Ambacht wordt dagelijks door honderden bedelaars overspoeld die de boeren om eten en hulp smeken.'(6) De arrondissementscommissaris van leper: 'De bedelarij heeft enorme uitbreiding genomen; ontelbare benden van havelozen uit Oost-Vlaanderen en de gemeenten Klerken en Zarren doorkruisen het platteland en de steden als echte zigeuners'.(7) Deze benden zwermen uit naar het noorden van Frankrijk, waar de overheid niet bij machte is om deze invasie tegen te gaan, en naar Brussel waar de rijkswacht een 'cordon sanitaire' vormt om hen de toegang tot de stad te beletten. Op 7 maart 1847 worden een duizendtal armen uit Vlaanderen manu militari naar een speciale trein gebracht die vanuit Brussel over Wetteren, Gent en Deinze naar Kortrijk rijdt. Elke arme kreeg een kledingstuk en 5 centiem zakgeld. Alle burgemeesters van de betrokken gemeenten moeten hun armen aan het station komen afhalen, en voortaan voor hun onderhoud instaan.(8) Op de 24.604 gevangenen die tussen 1846 en 1848 te Brussel worden opgesloten zijn er 19.456 afkomstig uit Vlaanderen.(9) Tussen 1844 en 1847 worden meer dan 10.000 kinderen in gevangenissen en bedelhuizen opgesloten.(10) Als te Roubaix in februari 1846 1.200 Belgische wevers worden afgedankt, breken rellen uit. Een poging tot hongermars op Brussel in 1846 mislukt en er zijn rellen, plunderingen en botsingen met de ordestrijdkrachten in tal van Vlaamse steden en ook in Brussel en Wallonië. In maart 1847 gaat er een golf van hongerrellen over de steden na de verhoging van de prijzen van eetwaren. Het begint te Brugge waar een bakkersvrouw een hongerig kind een gebakje weigert. Grote groepen vrouwen plunderen en vernielen de bakkerijen. Het wordt pas weer rustig nadat de regering 800.000 voedselbonnen uitdeelt. Brugge moet grote hoeveelheden vlees en graan aankopen en aan verlaagde prijzen op de markt brengen. Dan verplaatst de opstand zich naar Sint-Martens-Latem waar een boot wordt geplunderd en daarna naar Eisene, Waver, Leuven, Charleroi, Dinant, Brussel, Philippeville, Geraardsbergen, Ronse, Doornik... In Gent worden de rellen in bloed gesmoord en tot juni wordt er geplunderd in Antwerpen, Tongeren en Oostende.(11) Vanaf 1846 verergerde de economische crisis en zo ook de werkloosheid en armoede en epidemieën als tyfus en cholera richtten ravages aan onder de verzwakte bevolking. In Vlaanderen kwam daar nog de structurele crisis in de vlasnijverheid bij die meer dan een half miljoen arbeiders zonder werk zette.(12) Denise De Weerdt vat het levensniveau van de arbeiders 286 halfweg de vorige eeuw als volgt samen: 'In 1853 had de arbeider die bij de "welstellendsten" gerekend werd een onvoldoende koopkracht. Aan de elementaire behoeften als eten, slapen, verwarming en kleding werd 80 a 85% van het inkomen besteed. Om de voedingskosten te berekenen, ging de enquêteur E. Ducpétiaux na hoeveel een soldaat, een matroos en een gevangene verbruikten en hij vergeleek die resultaten met de onkosten der arbeiders. Hij kwam tot de slotsom dat alleen arbeiders met het hoogste inkomen in een betere materiële toestand verkeerden dan een gevangene. In het midden van de eeuw moesten de meeste arbeiders schulden maken om rond te komen, en dan nog konden zij zich niet behoorlijk voeden.'(13) Werkloze arbeiders trokken in groten getale naar Wallonië en Noord-Frankrijk. De eerste radicale groeperingen vonden elkaar. Marx vestigde zich in Brussel. Koning Leopold en een deel van de burgerij zagen in koloniale expansie een oplossing. Naast de louter economische overwegingen zag Leopold in de oprichting van koloniale nederzettingen een middel om het lot van de hongerende arbeiders op te vangen, om de sociale druk van een te grote werkloosheid wat te verminderen. 'La Belgique est une chaudière qui a besoin de soupapes.' (België is een stoomketel die uitlaatkleppen nodig heeft.)(14) Spoorwegen werden aangelegd om goederen te kunnen vervoeren, maar ook om de arbeiders naar het werk en naar het buitenland te vervoeren. Er kwamen ook goedkope treinabonnementen (een weekkaart kostte minder dan één enkele rit). Een remedie tegen de revoltes. Tussen 1845 en 1848 werd het spoorwegnet tot West-Vlaanderen doorgetrokken. Er werkten 1.000 arbeiders aan dit spoor, ze verdienden één brood per dag. De spoorweg kreeg de bijnaam 'drogen brood ijzerenweg'. In regeringskringen brak men zich het hoofd over deze crisis, 'la question des Flandres'. Een commissie onder leiding van de liberaal Ducpétiaux formuleerde volgende voorstellen aan de regering van Charles Rogier: emigratie, kolonisatie en een onbegrensde vrije handel. De emigratie naar de Verenigde Staten werd geen onverdeeld succes want velen die de overtocht waagden, kwamen terug. De vs had sterke en goed gevoede werkkrachten nodig en geen uitgehongerde armen. Bovendien was er in Amerika ook crisis. De armen die een gevaar voor de maatschappij waren, de strijdbare arbeiders, die sinds 1840 een werkboekje hadden waarin de patroons hun opmerkingen schreven, zou men uiteindelijk kwijt geraken aan Noord-Frankrijk. De bevolking van het Département du Nord verdubbelde tussen 1804 (829.347 inwoners) en 1901 (1.867.024 inwoners). In Roubaix telde men tegen het begin van deze eeuw 29% Vlamingen, in Rijsel 20%, 287 in Tourcoing 22%. In Parijs en omgeving woonden 60.000 Vlamingen. Nadat tienduizenden Vlaamse migranten van de eerste generatie automatisch de Franse nationaliteit hadden verworven, telde men in 1921 nog steeds 415.546 Belgen in Frankrijk. En dan is er nog een grote groep Vlamingen die zich vanaf 1850 in de grensstreek vestigde. 'De juiste omvang van de grensarbeid voor 1890 is niet te achterhalen omdat er daarvoor een quasi volledige vrijheid van verkeer van de arbeidskrachten was.'(15) Toen de crisis ook in Frankrijk toesloeg, werden maatregelen tegen de Vlamingen genomen. Ze gingen in grote groepen terug naar huis en begonnen te pendelen. Rond 1900 trokken zo honderdduizenden op en af naar Frankrijk. Ze woonden aan de grens in onvoorstelbare omstandigheden. De burgerij heeft daar nooit iets aan gedaan, het was volk dat men liever zag vertrekken en dat België reeds meer dan eens op zijn kapitalistische grondvesten had doen daveren. Tot Parijs en verder pendelden ze. In Parijs konden de bazen ze elke ochtend uitkiezen in de tientallen straten waar de mensenmarkt gehouden werd. Kracht en vaardigheid van mensenarmen werden gekeurd en geschat; voor de Belgische arbeider was het weer elke dag afwachten of hij aan de slag kon. De arme en opstandige arbeiders werden dus uitgevoerd. Ook het hoge kindersterftecijfer zorgde voor een relatief kleine aangroei van de arme klasse. In 1847 stierf 5% van de kinderen in West-Vlaanderen bij de geboorte. Voor het arrondissement Kortrijk liep dit percentage op tot 6,29% en de kindersterfte beneden het jaar bedroeg daar in de periode 1836-1846 27,7%. De gemiddelde leeftijd in 1850 wordt op 31 jaar geschat. Zelfs in regeringskringen en bij intellectuelen besefte men dat België 50 jaar na de Franse Revolutie ver verwijderd was van de plechtige verklaring van 26 augustus 1789: 'L'ignorance, l'oubli ou Ie mépris des droits de l'homme sont les seules causes des malheurs publics et de la corruption des gouvernements.' (De miskenning van de rechten van de mens is de enige oorzaak van de algemene wantoestanden en van de corruptie van de overheid.)(16) Militante arbeiders van Menen lazen de krant van de Eerste Internationale. In deze stad vochten de arbeiders met de ordestrijdkrachten nadat een bedrieger hen slechte aardappelen had verkocht. Twee arbeiders van 16 en 24 werden doodgeschoten. De beweging 'Lood in plaats van brood' was geboren. Op de vergaderingen werden plannen gemaakt voor een andere maatschappij, werd de verkoop van kranten en de verspreiding van pamfletten besproken. Naar buiten komen was gevaarlijk. In België was het verboden om met een rode vlag op straat te komen, verboden 288 om 1 mei te vieren, verboden 'samen te spannen'. Artikel 415 dat stakingen verbood, werd in 1866 en 1892 nog verstrengd. 1.500 arbeiders werden tussen 1830 en 1867 in de gevangenis geworpen wegens stakingen. Artikel 1781 van het burgerlijk wetboek verkondigde dat bij een betwisting tussen arbeider en patroon deze laatste automatisch gelijk kreeg.(17) Van plattelandsarbeiders tot gevangenen in landlopersgestichten Rond de eeuwwisseling zochten de patroons naar steeds goedkopere arbeidskrachten. Die vonden ze door de plattelandsbevolking aan het werk te zetten, in ellendige omstandigheden, in ateliers of thuis. Vlaanderen was in 1900 helemaal niet zo idyllisch als sommige schrijvers het voorstelden. Vlaanderen, dat waren mannen, vrouwen en kinderen onderworpen aan een afstompend, bijna altijd ongezond en verschrikkelijk langdurend werk in de weverijen, de spinnerijen, de luciferfabrieken, de touwslagerijen, de steenbakkerijen en thuis op het veld, afgewisseld met periodes van werkloosheid zonder inkomsten. De bevolking was uitgeput en uitgehongerd. Duizenden en duizenden arbeiders rukten zich los van het mooie, rijke en dichterlijke Vlaanderen en trokken richting Frankrijk om wat eten te zoeken. Sommige arbeiders konden nauwelijks vier uur per dag slapen en verdienden 10 frank per week voor meer dan zeventig uur werken. Arbeiders verdienden 50 tot 75 centiem per dag om van vijf uur 's ochtends tot elf of twaalf uur 's avonds te werken. Het leven van de touwslagers van Hamme was verschrikkelijk. En ook honderden kinderen moesten hun ouders helpen bij het werk. Rond de eeuwwisseling was journalist De Winne bijzonder geschokt van het feit dat kinderen van vijf urenlang in de vrieskou aan een wiel moesten draaien om hun vader te helpen. Er was een verschrikkelijke kindersterfte in de fabriekssteden. Een betreurenswaardige onwetendheid: de helft van deze arbeiders kon niet lezen. Overal stonden ook rijke huizen: van pastoors en fabrikanten, prachtige kloosters, grote parken, talrijke magnifieke kerken tegenover kleine armoedige vuile arbeidershuisjes. Arbeiders aten alleen aardappelen en brood en degenereerden. Opstandige arbeiders werden door patroons en pastoors belasterd, uitgehongerd, en zelfs tot over de grens vervolgd. Zo was Vlaanderen. Uit een brief van arbeiders uit Zele, gericht aan journalist August De Winne van Le Peuple: 'Wanneer wij een ganse week werken, verdienen wij een twaalftal franken. Maar wij moeten ze aanvaarden in winkelwaren en aldus zijn onze twaalf franken er nog geen tien waard. Want in deze winkel betalen wij 50 centiemen meer per zak kolen en 10 centiemen meer per brood dan in andere winkels. Wij lijden honger en zouden graag onze 289 arbeid in geld betaald zien. Dat is echter hier niet het gebruik. In plaats daarvan krijgen we brood en boter. Het is voor ons onmogelijk om naar Dendermonde te komen om ons lot daar te komen aanklagen, omdat wij aan het werk moeten blijven. Men zuigt het bloed uit de werkman van Zele. Wij hebben te veel om te sterven en niet genoeg om te leven. Gaat de fabrieken zien! Wij durven niet ondertekenen.'(18) Lokeren was een industriestad. Er werkten drieduizend arbeiders in de spinnerijen. Elders moesten driehonderd haarsnijders met een mes het haar van konijnenvellen trekken. Net boven hun hoofd hing een blikken lamp. In het gele licht van die lampen danste het stof, dat ellendig stof kroop in oren, neus en mond. Maar iedereen was er bij de vakbond. Dat de plattelandsarbeiders gedweeër, gehoorzamer en gelatener zouden zijn dan de bewuste arbeiders van de grote steden zou een misrekening blijken. In de afdeling sociale economie van de Wereldtentoonstelling te Brussel onderzocht journalist De Winne een twintigtal arbeidersbudgetten, vooral van gezinnen van mijnwerkers, metaalarbeiders, steenhouwers; allemaal arbeiders met een vrij goed loon. Op drie na vertoonden alle budgetten een tekort. De uitzonderingen waren twee mijnwerkersgezinnen en het gezin van een kleine patroon van een Luxemburgse leigroeve waar vader met een paar zonen werkte. Onder de noemer 'luxe-uitgaven' vond De Winne onder andere 10 centiem voor tabak en 20 centiem voor bier. Meer dan de helft van de 800 Kortrijkse wevers moest door openbare of privé-bijstand geholpen worden. Dodelijk voor een rebelse geest dat hij aalmoezen moest krijgen die de rijken hem uit voorzichtigheid en berekening toewierpen. De hogere lonen in het noorden van Frankrijk verhinderden dat de lonen van de Vlaamse arbeiders beneden een zeker peil daalden. Meer nog, de nabijheid van Noord-Frankrijk hield bij de arbeiders van Zuid-Vlaanderen de vrijheidsdrang en de revolte wakker. Immers: wie in opstand kwam tegen loonsverlaging en vervolgd werd, kon nog altijd naar Frankrijk gaan werken. Zo verlieten duizenden het land en gingen met hun gezin in Frankrijk wonen. Er waren vurige socialisten bij. Andere arbeiders vertrokken maandagmorgen en kwamen zaterdagavond terug. Nog anderen vertrokken met de trein van vier uur 's morgens en kwamen 's avonds om negen uur weer naar huis. De lucifermakers van de Dendervallei werden van gezonde mannen, vrouwen en kinderen levende doden. Dokter Brocorens: 'Het vervaardigen van zwavellucifers is noodlottig voor de gezondheid. We stellen talrijke beenderbreuken vast ten gevolge van chronische vergiftiging; ontregelde spijsverteringsorganen en longtering tasten de arbeiders aan. Een deel van hun kaakbeen is vernietigd. 290 Deze jongelui worden in het leger afgekeurd voor dienst met de mededeling "breken hun benen bij de minste krachtsinspanning". Kinderen die in de zwavel werken, krijgen koudvuur. De arbeiders sterven gewoonlijk aan een hersenvliesontsteking of door stuipen veroorzaakt door uitbreiding van het koudvuur naar de onderste schedelbeenderen.' Journalist De Winne besloot zijn boek met de stelling dat enkel door de revolutionaire opstanden van 1886 een einde kon gemaakt worden aan deze toestand van de Vlaamse arbeiders, in de fabrieken zowel als op het platteland. Ronse, 1890. Een grote industriestad, een strijdbare arbeidersbeweging. De arbeiders van alle fabrieken vieren het verboden 1 mei-feest jaar najaar met een staking die maanden voorbereid wordt. Na enkele jaren dreigen de patroons de fabrieken acht dagen te sluiten als de arbeiders nog staken op 1 mei. De arbeiders willen niet achteruitgaan ook al proberen leden van de Belgische Werkliedenpartij (BWP) hen te kalmeren. Op zo'n stakingsdag gaan arbeiders onderhandelen over de eisen. De patroon weigert: 'Ik heb een volle maag, ik kan wachten, jij hebt honger, je zal als eerste plooien en moeten toegeven.' De stakingsleider slaat de man neer: één maand gevangenis voor de wever. In 1895 gaan alle wevers van Ronse in staking. Samenscholen met meer dan vijf mensen is verboden. Toch zijn er betogingen op de Grote Markt. Op 30 maart slaat een gendarme een arbeider met de blanke sabel op het hoofd. Daarop volgt een gevecht van twee uur tussen stakers en gendarmes. De stenen van de arbeiders worden met geweerschoten beantwoord. Verschillende gekwetsten. De politiecommissaris wordt bijna doodgeslagen met een luciferpot. De gendarmes schieten acht arbeiders, waaronder een jongen van 15, in de rug. De dag erna slaan de arbeiders terug om hun gewonden te wreken. Ze belegeren een café waar gendarmes zitten. Het leger wordt opgetrommeld. Honderdtwintig lanciers verschijnen. De arbeiders proberen het leger aan hun kant te krijgen. Het leger doorkruist de straten terwijl de gendarmes blijven schieten. Weer krijgt een arbeider een kogel in de nek. Toch wordt de staking pas beëindigd na toegevingen van de patroons. De BWP'ers van Ronse hebben alleen maar voortdurend opgeroepen tot kalmte.(19) In een studie over de evolutie in de wetgeving betreffende landloperij komt men tot de vaststelling dat de landloperij pas goed begonnen is met het kapitalisme en dat de wet op landloperij na elke crisis (1848, 1866, 1891) aangepast werd. De overrompeling van de steden door bedelaars en hongerende arbeiders maakte die wetsaanpassingen noodzakelijk. De studie citeert een brief van de gouverneur aan de Brusselse burgemeester 291 omtrent een tussenkomst van Leopold I: 'De Koning vestigt mijn aandacht op het feit dat niettegenstaande de wetten inzake landloperij er opnieuw veel te veel bedelaars in Brussel aanwezig zijn. Zij vermoeien brave burgers door hun koppig gebedel en geven aan reizigers uit het buitenland een verkeerd beeld over Brussel. De Koning is van oordeel dat er vandaag voor iedereen die wil, werk is en dat de bedelarij niet langer kan getolereerd worden. Ik vraag u dan ook om de bedelaars te verwijderen en mij de resultaten van uw optreden te laten geworden.'(20) Met de wet van 1866 na de grote opstand wil men de 'goede' bedelaars scheiden van de 'slechte', van de leiders, de opstandigen. De wet voorziet gedwongen emigratie of andere serieuze straffen. In 1890 zijn er zoveel strafzaken tegen bedelaars dat de rechters in de kelders van het Justitiepaleis van Brussel zeven dagen op zeven zetelen. De werkloze arbeiders vragen immers zelf om zes maanden naar Merksplas of Wortel gebracht te worden. Dan zijn ze vrouw en kinderen tenminste niet ten laste. Schrijver van de gerechtelijke kroniek maakt zich behoorlijk boos om het beleid: 'Wat moet een hardwerkende arbeider denken die ook honger lijdt als hij zich evengoed kan laten opsluiten in Wortel? We moeten van Wortel en Merksplas open instellingen maken waar de arme arbeider die zonder werk is gevallen, tijdelijk terecht kan. Daarnaast zouden in de omgeving van elke stad nationale ateliers moeten gebouwd worden waar men de armen werk en eten geeft. Nu zitten de beroepsluiaards, de beroepsbedelaars en de opruiers allemaal samen. Ik weet dat de verantwoordelijken van Wortel en Merksplas alles doen om eerlijke arme arbeiders te scheiden van de aanstokers. Maar dat moet niet overgelaten worden aan hen, de regering moet een nieuwe wet stemmen die de scheiding mogelijk maakt.' In 1890 zaten er 17.124 bedelaars in instellingen, in 1835 waren het er slechts 1.642. De nieuwe wet van 1891 is nog repressiever. 'Politiecommissaris Delattre heeft een twintigtal ouders van bedelende kinderen bijeengebracht. Hij heeft hen een ferme preek gegeven over hun aangehouden kinderen en ter afschrikking heeft hij drie van die kinderen door de vrederechter doen veroordelen tot een opsluiting in een gesticht tot hun meerderjarigheid. Dit heeft grote indruk gemaakt op de ouders. We moeten Delattre feliciteren, hij is erg vindingrijk in het toepassen van de ware geest van de wet op de landloperij van 1891.'(20) En de 'beter betaalde' Waalse arbeiders? - Inhoud En hoe is het in die periode gesteld in Wallonië, waar de industrialisatie veel verder staat dan in Vlaanderen en dat tot de meest ontwikkelde 292 kapitalistische streken van Europa gerekend wordt? We komen het te weten via de grote schilder Vincent Van Gogh. Van Gogh is een protestants predikant. Hij studeert theologie in Amsterdam maar onderbreekt zijn studies want hij wil onder de armen gaan leven en hun lot delen. Met behulp van zijn vader, een traditioneel predikant, kan hij zes maanden stage doen in de Borinage. Hij komt er aan op zijn 25ste, in december 1878, en blijft tot oktober 1880 in Wasmes en omstreken. In december 1878 en april 1879 vallen daar door ontploffend mijngas honderden doden. Bij de ontploffing in Quaregnon helpt Van Gogh gewonden evacueren. Hij laat zich tot onder in de mijn brengen om er de werkomstandigheden van de mijnwerkers te leren kennen. De woonst die hem als predikant wordt toegewezen wil hij niet meer omdat ze te luxueus is in vergelijking met de mijnwerkerswoningen. Hij ziet de gevolgen van de loonsverlagingen met eigen ogen, in elk huis ziet hij armoede. Hij is geen man van woorden maar van daden en geeft zijn wedde en kleren weg aan de mijnwerkers. Prediken wordt bijkomstig, hij staat aan de kant van de mijnwerkers, dag en nacht. Van Gogh blijft uiteraard niet onopgemerkt in Brussel. De patroons willen geen predikant zoals hij, de Kerk evenmin. Daarom wordt na zes maanden stage gezegd dat hij niet voldoet. Hij is woedend en blijft toch in de Borinage, niet begrijpend hoe gevaarlijk hij is voor de gevestigde orde. 'Ik ben net zes uur afgedaald in de Marcasse-mijn. Ze staat als erg gevaarlijk gekend onder de arbeiders. Velen hebben hier al de dood gevonden. Hetzij bij het afdalen of bij het terug naar boven komen, hetzij door verstikking na inademen van vergiftigde lucht, door ontploffing van mijn-gassen, het verongelukken in de onder water gelopen gangen of door instorting van oude galerijen. Het merendeel van de arbeiders is mager en bleek van de koorts, ze zien er moe en uitgeput uit, oud voor hun leeftijd. Hun vrouwen ook. De dorpen geven een verlaten indruk omdat iedereen, ook vrouwen en kinderen, in de putten aan het werk is, 700 meter onder de grond en dieper. Men zou in deze streek lang kunnen leven zonder het bestaan van deze hel voor de werkers te kennen. Ze zijn bezield van een meedogenloze haat en van een instinctief wantrouwen tegenover iedereen die hen de wetten zou komen opleggen. Om met de mijnwerkers om te gaan moet men zelf mijnwerker worden. Een hoogmoedige of betweterige houding kan je beter achterwege laten. Want dan is er geen schijn van kans om hun vertrouwen te winnen. Ik ken een huis waar alle bewoners koorts hebben. Die mensen hebben weinig of geen hulp. Hier zegt men "de zieken verzorgen de zieken net zoals de armen de vrienden zijn van de andere armen". Wat wil je dat ik je verder schrijf Theo, ik heb enorm veel werk' schrijft hij aan zijn broer. 293 En in een andere brief aan Theo: 'Ik ken een ploegbaas die aan een zware longziekte lijdt en niet meer kan afdalen. In tegenstelling tot vele andere ploegbazen is hij een gewone arbeider gebleven. Hij is de enige waarmee de arbeiders spreken als er weer eens staking is. Heb ik je van die verschrikkelijk verbrande mijnwerker gesproken, Theo? Welnu, hij is gered.' De reden van de niet-verlenging van het contract van Van Gogh: 'Indien hij even grote gaven had om met de mijnwerkers te spreken als hij hun lot deelt en zijn bezittingen wegschenkt, zou hij een goed predikant zijn. Die eigenschappen ontbreken. Daarom verlengen wij zijn contract niet dat trouwens al een paar maanden verlopen is.' De kerkoversten uit Brussel beweren dat hij niet behoorlijk in het Frans kan prediken. Totaal belachelijk want Vincent correspondeert met zijn broer in het Frans. Vincent Van Gogh legt zich niet neer bij de beslissing en blijft nog achttien maanden in de Borinage tot oktober 1880. Uiteindelijk slaagt zijn vader erin hem te overtuigen van een persoonlijk falen en verlaat hij de streek. Maar zijn leven onder de mijnwerkers zal hem blijvend tekenen. De protestantse Kerk verraadt de vele duizenden mijnwerkers van de Borinage die zich van de katholieke Kerk hadden afgekeerd omdat de eerste mijnen in het bezit waren van en uitgebaat werden door de kerkfabriek. Van Gogh maakt mooie houtskool- en pentekeningen waarop hij zich later zal steunen om werken als Les scloneuses te maken. Ook in deze kunstwerken is te zien dat hij een kunstenaar in dienst van de werkers was.(21) 2. De arbeidersopstand van 1886 - Inhoud Het jaar 1886 begon goed voor de burgerij, na vijftig jaar industriële revolutie hadden de patroons reden om te vieren. En van 1848 tot 1893 hadden 135.000 burgers stemrecht gekregen. Maar hoe zat het met de arbeidersbevolking? Theoretisch mogen de arbeiders van werk veranderen maar in hun werkboekje staan alle handelingen van verzet en boetes vermeld zodat de patroons hen kunnen controleren. En ook de Kerk waakt. 'Een dorpspastoor is tien gendarmes waard', aldus de liberaal Lebeau. Kinderarbeid komt in Europa nergens zo vaak voor als in België. Men ziet kinderen van 7, 8 en zelfs van 5, 6 jaar werken in de kleine ondernemingen. In de grote fabrieken en mijnen mogen ze maar beginnen na hun plechtige communie. De kinderen moeten meewerken omdat de lonen van de ouders zo laag zijn. De voeding bestaat uit aardappelen, brood en soms spek. Er is een chronische ondervoeding en de woonsten zijn slecht en klein. Tuberculose komt veel voor, 294 een rechtstreeks gevolg van de slechte leefsituatie. In de fabrieken hebben de kinderen breuken aan de vingerkootjes omwille van de houding waarin ze moeten werken. Dokter Hanot: 'Ik heb kinderen onderzocht voor ze de mijn ingingen en erna. Voor de afdaling heeft het kind een gezond gelaat, is het joviaal, toont het een grote intelligentie, is het vol van genegenheid. Het ziet ernaar uit dat dit kind een mooie toekomst zal hebben. Maar het mijnwerk stelt een einde aan dat perspectief. Je ziet zo'n kind onder je ogen achteruitgaan, al het mooie, eigen aan een kind, wordt in de grond geboord. Ik moet mijn getuigenis onderbreken, die herinneringen doen te veel pijn.' Er zijn ook nog andere redenen die de arbeiders aanzetten hun kinderen mee naar het werk te nemen. Zo kunnen ze hen nog wat bijleren en in 't oog houden. Want er is geen schoolplicht en als ze niet gaan werken dan troepen kinderen en tieners samen en troggelen ze geld af van reizigers of gaan ze stelen; in hun ogen bestaat er toch geen rechtvaardigheid. Daar kan godsdienst niets aan veranderen. Dokter Narcisse Lebon: 'In de Borinage is er debiliteit onder de werkers door het permanent ontberen van gezond voedsel, het uitputtend werk en het gebogen werk van kleine kinderen van vijf uur 's morgens tot 8 a 10 uur 's avonds. Men herkent deze arbeiders dadelijk aan hun doodsbleke kleur en hun uitgemergeld voorkomen. Veel te klein voor hun leeftijd, zeker tot hun achttien jaar, en met een vervormd lichaam door de kromming van hun wervelkolom bij de arbeid.' Het mijnpatronaat dat normaal van vader op zoon en dochter aanwerft, moet in andere streken rekruteren want de mijnwerkers zijn zo gedegenereerd dat zij geen gezonde kinderen meer op de wereld kunnen zetten. Als een Borain uit de mijn komt is het alsof hij uit zijn graftombe klautert. In de glasnijverheid is het niet beter. Opstand! Niettegenstaande de 'berusting' die de Kerk dagelijks predikt, komen de arbeiders in opstand in 1886, 22 jaar na het oprichten van de Eerste Internationale door Marx en Engels te Londen. Aanleiding is een zoveelste loonsverlaging. In maart vernietigen stakers van Tilleur bij Luik de eigendommen van de mijnbaronnen. De soldaten die deze bezittingen moeten beschermen, dreigen te schieten en een officier schiet in de lucht. De arbeiders hebben ook geweren en pistolen en schieten terug. De dagen erna dezelfde taferelen ondanks het samenscholingsverbod in alle gemeenten. Er vallen verschillende doden onder de stakers, waaronder een arbeider van 18 en een van 15 jaar. In de wijk Sainte Margueritte te Luik wordt dagenlang vanuit de arbeidershuizen op het leger geschoten. De schutters worden beschermd tegen 295 arrestatie door een grote groep stakers. De vrouwen staan op de eerste verdieping klaar met manden vol stenen. Enkel met grote repressie kan de opstand in Luik gestopt worden. Maar de revolte is overgeslagen naar Charleroi. De glasarbeiders en de mijnwerkers gaan in staking. De glasfabriek en het kasteel van een van de grootste patroons, Boudoux, worden in brand gestoken. Er wordt geplunderd. Soldaten treden op maar moeten zich terugtrekken. De minister van Oorlog moet de hulp inroepen van generaal Vander Smissen, die zijn sporen verdiend heeft in het neerslaan van antikoloniale revoltes. Hij neemt de opdracht aan op voorwaarde dat er streng en met geweren zal mogen opgetreden worden. Voor zijn aankomst wordt het huis van patroon Mondron bestormd door stakers. Mondron kan de vernieling voorkomen door brood uit te delen. 'Te zien aan hoe ze dat brood verslonden, kan men stellen dat ze zeker een dag niet gegeten hadden', schrijft hij. In de nacht van 26 op 27 maart proberen de stakers de stad zonder verlichting te zetten. Om 7 uur 's morgens komt Vander Smissen aan. Hij bewapent 'de burgers die zichzelf mogen verdedigen', de rijken dus. Vlakbij de glasfabriek van Roux stoten stakers op de troepen van Vander Smissen. Onmiddellijk vallen er een twaalftal doden, meestal arbeiders tussen 18 en 20. Heel het gebied komt in opstand. In Marcinelle, Ransart, Gilly, Soleilmont, Marchienne, Chatelineau... worden fabrieken en eigendommen van bazen in brand gestoken. In totaal worden 20 arbeiders vermoord en velen gewond. De doden worden op een publieke plaats gelegd en wie ze komt halen loopt het risico neergeschoten of aangehouden te worden. Op 29 maart stuurt Vander Smissen een telegram naar de minister van Oorlog met de mededeling dat de opstand neergeslagen is. De generaal verbiedt samenscholingen bij de begrafenis van de doden. Het kerkhof van Roux wordt dag en nacht bewaakt. Op 30 maart worden de doden in een hoekje van het kerkhof van Roux begraven. Van de twintig doden zijn er zes niet geïdentificeerd. De opstand deint weg uit Charleroi, naar de buitenwijken. Na de opstand staan 40 stakers terecht. De rechters spreken straffen uit die elke toekomstige opstand moeten tegenhouden: 35 stakers krijgen samen 208 maanden gevangenisstraf. Na drie maanden is het proces rond. Snelrecht avant la lettre. Vijf stakers worden tot tien en vijftien jaar dwangarbeid veroordeeld, vier tot levenslang. Wat de arbeiders het meest shockeert, is de vervolging van Alfred Defuisseaux, schrijver van de 'volkscatechismus' en de veroordeling van Xavier Schmidt en Oscar Falleur, twee glasblazers, de ene secretaris van de 296 glasblazersvakbond en de andere plaatselijk correspondent van Le Peuple. Vijftien anderen worden vervolgd voor het in brand steken van de glasblazerijen en het kasteel van Boudoux. Er komt een beweging op gang voor amnestie voor alle beschuldigden. Schmidt en Falleur worden op 11 augustus 1886 tot 20 jaar dwangarbeid veroordeeld voor 'aanzetting tot plundering en aanslag op het recht op arbeid'. 35.000 betogers zijn er om de vrijlating van de veroordeelden te eisen op 31 oktober in Charleroi. Falleur komt na 26 maanden vrij op voorwaarde dat hij tegen augustus 1888 het land uit is. Daartegen komt een petitieactie. Het wetsvoorstel Lejeune wordt ingediend en aanvaard, tot vandaag is die wet geldig. Vele veroordeelden van de revolte van 1886 genieten door de wet Lejeune van strafvermindering. De burgerlijke pers schrijft dat er tussen de 'leiders van de opstand vreemdelingen, Pruisische deserteurs en gewone misdadigers' zitten. Van 672 veroordeelden is echter geweten dat 78% mijnwerkers waren, 5% glasblazers en 2,7% staalarbeiders. Niettegenstaande het volgehouden verzet en de strijd tegen de repressie is de kapitalistische staat erin geslaagd de prille arbeidersbeweging ferme klappen te geven. Net als tegen de Vlaamse arbeiders is het antwoord van de regering de uitdrijving. In 1886 wijken 9.681 en in 1887 15.420 Belgen naar de Verenigde Staten uit; in 1891 nog 3.261, waarvan 887 uit Henegouwen, in 1892 5.171 (1.296 uit Henegouwen) en in 1893 3.781 (1.107 uit Henegouwen). De BWP wil de revolte niet steunen en roept voortdurend op tot kalmte. De enige vorm van solidariteit komt van de Gentse coöperatieve Vooruit die 5.000 broden stuurt naar de stakers. In 1886 wordt de uitspraak 'classe laborieuse, classe dangereuse' ('werkende klasse, gevaarlijke klasse') geboren. In de nadagen van de revolte worden allerlei commissies opgericht om de werkomstandigheden van de arbeiders te verbeteren. Voor echte verbeteringen wordt het wachten tot na de Eerste Wereldoorlog en de vestiging van het socialisme in de Sovjetunie.(22) 3. 1893: de opstand van de stakers in Bergen - Inhoud De arbeiders hebben zich echter niet lang laten afschrikken door de zware repressie van 1886. In 1893 nemen eerst de mijnwerkers, spoedig gevolgd door de hele Borinage, de strijd weer op. De levensomstandigheden voor de arbeiders zijn er sinds 1886 niet op vooruitgegaan en opnieuw is er de gesel van de werkloosheid. Deze keer zet de BWP zich wel achter de stakers, met de eis voor algemeen stemrecht. Slechts twee procent van de bevolking 297 heeft stemrecht. De arbeiders vechten echter voor veel meer. De BWP slooft zich uit om de gemoederen te kalmeren. De stakinGSBeweging breidt steeds verder uit. Op verschillende plaatsen zijn er gevechten met de burgerwacht. In Bergen wordt het station bezet en de elektriciteitsvoorziening afgesloten. In Petit-Wasmes, waar de pastoor tegen de stakers heeft gepreekt, wordt het kerKPortaal met dynamiet verwoest. De stakers houden 'zwarte meetings', waar het licht uitgedaan wordt om te vermijden dat de sprekers herkend en ontslagen zouden worden. Meetings van de BWP worden onderbroken door geroep: 'Leve de staking, leve de revolutie'. In de namiddag van 13 april barricaderen 3.000 stakers de wijk Monsville in Quaregnon om de gendarmerie te stoppen. Er worden stenen en flessen gegooid. Een gendarme te paard raakt gewond en wordt van zijn paard getrokken. De rijkswacht chargeert met de blanke sabel. Vrouwen gooien met huisraad. De gendarmes schieten met hun revolver. Men komt nooit te weten hoeveel gewonden er zijn want de arbeiders dragen hun gewonden naar binnen. Enkel de bloedsporen verraden dat het er heel wat zijn. Zeven arbeiders worden aangehouden, een achtste wordt terug bevrijd door de massa. Een beenhouwer die touwen zou geleverd hebben om de zeven stakers vast te binden, ziet zijn winkel vernield. Een BWP'er die in het Volkshuis oproept om de strijd te staken, wordt gewond door stenen van stakers. Vanaf zondag 16 april bezet de burgerwacht de strategische plaatsen. De 17de is er in Bergen staat van beleg. 5.000 stakers geraken toch aan de ingangsweg van Bergen, aan de Avenue de Cuesmes. Twee keer chargeert de burgerwacht met de bajonet. De stakers wijken achteruit want er zijn vele gewonden, maar keren dan weer terug. Ze zingen revolutionaire liederen en proberen te onderhandelen met de troepen. Die hebben zelfs kanonnen bij. De stakers steken stenen in hun zakken en zijn 'bewapend' met werktuigen. Op een bepaald ogenblik proberen de stakers door de driedubbele rij te geraken. De bajonetten zijn op hen gericht. Een poging om de bajonetten van de geweren af te krijgen heeft een lijf-aan-lijfgevecht tot gevolg. Stenen worden geworpen en soms afgeschoten met katapulten. Drie burgerwachten zijn gewond. Zonder waarschuwing wordt het vuur geopend op de stakers gedurende meer dan tien seconden. Als de kruitlucht opgetrokken is, blijven de opengereten lichamen van de doden liggen. De gewonden kreunen en worden door hun kameraden naar veiliger plekken versleept. Nooit is men het aantal doden en gewonden te weten gekomen want net zoals de dagen voordien worden de gewonden in de mijnwerkershuizen verzorgd. De betogers zijn woedend en willen hun doden wreken. Een vrouw met een schotwonde aan het hoofd zegt aan een journalist van La Tribune de Mons: 'Schrijf het goed op mijnheer, ze hebben zonder waarschuwing 298 onze broeders neergeschoten.' Het is zes uur wanneer de Borains zich terugtrekken. Heel de streek weet tegen de avond van het gebeuren en de burgerwacht vreest de wraak van de stakers. Er zit burgerwacht vanuit heel het land in Bergen. Vijf arbeiders werden ter plaatse gedood, en er is sprake van honderd gewonden. De burgerwacht telt veertien gewonden. De burgerlijke krant La Feuille Illustrée van Brussel schrijft: 'Gedurende verschillende dagen hebben zich in ons land ernstige voorvallen voorgedaan. Nog nooit sinds 1830 heeft het land zulke beweging gezien. De arbeidersklasse is in opstand gekomen voor haar rechten en er heeft bloed gevloeid.' Tientallen mijnwerkers worden tot gevangenisstraffen veroordeeld. Het zwaarst worden de mannen van Quaregnon veroordeeld die de burgerwacht in Monsville in de steegjes hebben gelokt, een gewonde wacht van zijn paard hebben getild en geroepen 'dood dat varken'. Het is geen gemakkelijk proces. De beklaagden zeggen dat ze in het bos van Saint-Ghislain aan het wandelen waren. Meerdere mijnwerkers getuigen dat ze hen daar gezien hebben en het wordt helemaal een volksrechtbank wanneer een cabaretière recht staat en zegt dat de mijnwerkers die dag twee keer bij haar zijn geweest. De zaal buldert. Toch worden twee beschuldigden tot vijfjaar en achttien maanden veroordeeld, een derde tot drie maanden. De staking en de beweging rond de processen houdt de bevolking van de Borinage nog maanden in de ban. In juni protesteren de vrouwen van gevangen mijnwerkers aan de gevangenis van Bergen. 'Dit zijn toch geen criminelen of boeven, ze hebben uit onweerstaanbare kracht aan een volksbeweging deelgenomen.' Ze eisen dat hun man als politieke gevangene wordt behandeld.(23) 4. Antwerpen: vechten voor een vakbond - Inhoud Aan de Antwerpse Luienhoek komen dagelijks duizenden arbeiders vanuit de Kempen en het Waasland hun arbeidskracht aanbieden. De lonen zijn lager dan op andere plaatsen. Een arbeider die getekend is door 20 jaar dok-werk, wordt vaak niet meer aangeworven. Het havenpatronaat organiseert een struggle for life onder de dokwerkers. Vanaf 1867 worden vrouwen aangeworven omdat de mannen te veel op hun rechten staan. 'De heren havenarbeiders stellen steeds maar hogere looneisen en sommigen willen zelfs niet werken niettegenstaande de zeer redelijke aanbiedingen. Allons, voila un progrès qui rendra peut-être moins fiers messieurs les ouvriers,' (ziedaar een vooruitgang die de heren arbeiders misschien minder fier zal maken), schrijft L'Escaut op 6 augustus 1867. 299 Zoals beesten gekeurd bij de aanwerving, moeten ze ook als beesten werken. Het werk is wisselvallig: de ene keer een halve dag werken, de andere keer twee dagen aan één stuk. Een eis voor een schuilplaats, waar kaas, koffie, bier en fruit kan gekocht worden, willen de havenpatroons niet inwilligen omdat het ontmoetingsplaatsen zouden worden voor de vakbond. Iemand die de haven bezoekt in 1905 zegt: 'Ik heb al veel havens gezien maar nergens heb ik de vrouwenarbeid zo zien exploiteren als in Antwerpen.' De arbeiders die tot 's avonds laat werken, moeten de nacht op straat doorbrengen omdat ze niet meer thuis geraken. Er zijn geen verzorgingsposten. En elke dag gebeuren er ongevallen. Gekwetste arbeiders worden door kameraden zo goed en zo kwaad als het kan op een berrie gelegd en naar het ziekenhuis gebracht. Kinderarbeid is alomtegenwoordig. De lonen worden per dag uitbetaald, vaak in cafés. Er wordt ook aangeworven in cafés. Het is gebeurd dat de lonen in jenever werden uitbetaald.(24) In 1907 beginnen de dokkers te staken. Meer dan twee maanden wordt er gestaakt voor loonsverhoging en dubbele betaling op zondag. Het wordt een gevecht tussen de patroonsvakbond en de arbeidersorganisatie 'Willen is kunnen'. Aanvankelijk staan de patroons de loonsverhoging toe maar dan wordt er een internationaal fonds opgericht van een half miljoen frank om stakingsbrekers uit Engeland, Hamburg en het Ruhrgebied te halen. Eens dit voor mekaar is wordt de loonsverhoging terug afgenomen. De dokwerkers antwoorden met een nieuwe staking. Er zijn reeds 900 stakingsbrekers uit het buitenland aanwezig en de patroons laten er nog meer overkomen naarmate de staking uitbreidt. De dokwerkers antwoorden door de wagens waarin deze 'ratten' vervoerd worden, omver te kantelen, kapot te kloppen of in brand te steken. Stakingsbrekers worden afgeranseld en natiewagens worden in de dokken geworpen, goederen vernield of verbrand en olievaten in de straten uitgegoten. De staking die op 5 augustus 1907 begon, telt op 20 augustus 10.000 stakers. Op 29 augustus volgt een algemene lock-out maar op 2 september zijn er 18.000 stakers. Er wordt veel gesaboteerd en gevochten met de rijkswacht. De burgemeester vaardigt een samenscholingsverbod uit. Burgerwacht en leger worden ingezet om de rijkswacht te versterken. Na twee maanden moeten de arbeiders terug gaan werken zonder loonsverhoging. Maar het resultaat van de staking is dat 'Willen is kunnen' groeit van 800 leden in 1907 naar vele duizenden in 1908. De patroonsvakbond is verslagen en dankzij veel nationale en internationale solidariteit hebben de dokwerkers eindelijk ook een serieuze vakbond.(25) 300 5. Verviers: Boulevard de la Révolution of armoedig stukje Calcutta? De toegevingen na wo I - Inhoud Na de Eerste Wereldoorlog komen er toegevingen aan de arbeidersbeweging: het algemeen stemrecht, de achturendag en het recht om vakbonden op te richten. Eisen waar tientallen jaren voor gevochten is. De grote angst voor het arbeidersverzet hier en het feit dat de Sovjetunie onder Lenin komaf maakt met oorlog en honger, doen de heersende klasse toegeven. De vakbonden mogen zich nu legaal ontwikkelen maar staan onder controle van de BWP en gaan akkoord met allerlei overlegorganen waar de eisen eerst moeten besproken worden vooraleer er een staking komt. Over naar Verviers nu. In de jaren 1890 tot 1905 hadden de arbeiders daar een van de eerste vakbonden opgericht en er waren ook nogal wat aanhangers van de Eerste Internationale. Daarom noemde men de streek van Verviers 'Boulevard de la Révolution'. Verviers kende grote stakingen en krachtmetingen met de textielpatroons. Najaren van zeer zware arbeidersstrijd, de lock-out van 1906, volgde een periode waarin de arbeiders moesten bekomen en bezinnen. In 1920 heeft de Vervierse arbeidersklasse terug zelfvertrouwen. Men leeft mee met de Russische werkers en boeren die de oorlog beëindigden met een revolutie. Het geloof in de revolutionaire strijd voor een ander systeem wordt bevestigd. De BWP heeft geprobeerd invloed te krijgen na de zware klappen van 1906. Die invloed ziet ze nu bedreigd door de overwinning van de Sovjetunie. De BWP zet alle zeilen bij om de invloed van de pas opgerichte Communistische Partij van België in Verviers te stoppen. Jean Roggeman, hoofdredacteur van de BWP-krant Le Travail maakt een studie over actie van de communisten in de Vervierse syndicaten. De tekst begint met een uiteenzetting over de wereldsituatie waarin natuurlijk de Russische revolutie centraal staat. Hij beschrijft hoeveel sympathie er is voor de Sovjetunie en zegt dat wie over het socialisme a la Lenin spreekt gegarandeerd applaus oogst en dat er na zulke meetings telkens arbeiders bij de nieuwe communistische partij aansluiten. Dan komt de essentie van de BWP-politiek: 'In Rusland zijn 60 miljoen boeren aan de macht gekomen terwijl België een land van arbeiders is. Bij ons kan je niet spreken van één arbeidersklasse tegen de patroons. Dat is voorbij... Er zijn vele arbeiders die weten dat ze het nu beter zullen hebben dan in de voorbije tijd en dat is het kenmerk van het westers kapitalisme. Door de verbeteringen van het lot van de arbeiders is de arbeidersklasse niet langer solidair en niet meer tot strijd voor revolutie bereid. Er zijn te veel opkomende kaders onder de arbeiders die uit die klasse kunnen geraken, en zelfstandige kunnen worden, die beter kunnen worden 301 binnen het kapitalisme. De West-Europese arbeider is egoïstisch, we kunnen dus niet vergelijken met de Sovjetunie. De West-Europese arbeidersbeweging is een reformistische beweging geworden en wil geen revolutie.' Dan volgt een warm pleidooi voor compromissen tussen patroons en arbeiders: 'Kan men één staking opnoemen die niet op een compromis is geëindigd, de verloren stakingen buiten beschouwing gelaten natuurlijk? Dus als wij door diplomatie verwezenlijkingen kunnen binnenhalen, waarom zouden we dan de arbeidersgezinnen vragen het offer van een staking te brengen met financieel verlies, met mogelijke afdanking waardoor een arbeider denkt dat het systeem hem geen zekerheden te bieden heeft. Reeds lang tonen de Amerikanen de voordelen van "de stille weg van de eenheid" waardoor niet langer stakingen dienen gevoerd die onze arbeiders ruïneren en ontmoedigen.' Hij maakt duidelijk dat de BWP de partij is van degenen die opklimmen, maar is wel verstandig genoeg om toe te geven dat de revolutie in de Sovjetunie erg belangrijk is. Hij weet ook dat er na de Oktoberrevolutie in Brussel arbeiders- en soldatenraden opgericht werden. In Brussel zet de BWP al haar krachten in om deze beweging te ontmijnen.(26) Roggeman stelt dat de Vervierse arbeiders die de Eerste Internationale aanhingen, de eerste vakbonden kapot hebben gemaakt, terwijl in feite de textielbaronnen de arbeiders zware slagen hebben toegebracht. Hij wil te allen prijze de invloed van de nieuwe communistische partij indijken en deinst er niet voor terug te zeggen dat de vooroorlogse Boulevard de la Révolution, feitelijk één gebied van ellende en desorganisatie is: 'Ie trou noir de Calcutta' (het zwarte gat van Calcutta). Hij dreigt: als de syndicalisten opnieuw communistische standpunten binnen de Vervierse arbeidersbeweging en vakbond verdedigen, dan zullen ze de werkers overleveren aan de reactionaire politiek van de textielbaronnen.(27) Maar veel invloed heeft Roggeman niet. In 1934 voeren 17.000 textielarbeiders opnieuw een historische staking. Ditmaal zijn zij de voorhoede van de strijd in het hele land tegen loonsverlagingen en tegen een nieuw arbeidsreglement met eenentwintig sancties. Tien weken duurt de staking reeds. De KP heeft enkele verkozenen in het parlement en gebruikt dit forum om de strijd te steunen. De regering verbiedt opnieuw De Rode Vaan, Le Drapeau Rouge en L'Humanité (op dat moment de grootste Franse krant). Henri Glineur zegt in het parlement dat door de loonsverlagingen de lonen weer even laag zijn als in 1913, de winsten van de patroons daarentegen zijn flink gestegen. De crisis moet niet door de werkers maar door de patroons betaald worden. Hij klaagt ook de regering aan die langs de ene 302 kant maatregelen afkondigt tegen de honger en anderzijds zegt 'niets te maken te hebben met de strijd in Verviers'. Jawel, zegt Glineur, de regering heeft er alles mee te maken want als het erop aankomt zal het leger optreden, zullen de mitraillettes spreken, de gevangenissen klaar staan en de rechtszalen weer met stakers gevuld zijn. Julien Lahaut trekt de strijd open. In het Luikse zijn er in '34 meer dan 40 gedeeltelijke stakingen tot 8 mei. Hij valt de BWP en vakbondsleider Delattre aan die deze stakingen proberen te breken en de invloed van de revolutionairen aan de piketten afdoet met de woorden 'ventre affamé n'a pas d'oreilles' (een hongerige buik heeft geen oren). De mijnwerkers, de metaalarbeiders hebben er genoeg van: 'We hebben zoveel ingeleverd dat we slechts met droog brood kunnen gaan werken'. De communisten willen er een nationale strijd van maken en een paar dagen later hangen soldaten in Luik affiches waarop de solidariteit met de Vervierse stakers wordt betuigd. Ook klaagt Lahaut aan dat de Belgische regering de vertegenwoordiger van de internationale textielcentrale, Richetta, die vanuit Frankrijk naar de piketten kwam, heeft aangehouden en uit het land gezet.(28) De staking zou uiteindelijk vijf maanden duren. De solidariteit met de stakers is steeds erg groot geweest. Tijdens de maandenlange strijd kregen de stakers opnieuw met lock-out te maken. De 17.000 Vervierse textielarbeiders hebben het moreel van de hele arbeidersklasse in die tijd hoog gehouden. Lahaut wordt in 1884 in Seraing geboren als zoon van een syndicalist die buiten gegooid is bij Cockerill. Op zijn arbeidskaart: 'agitator'. Op zijn 14de gaat Julien eveneens bij Cockerill werken. Hij leert arbeiders organiseren en leiden. In 1902 breken er stakingen uit. In Tilleur zijn er gewonden, in Leuven doden. Lahaut, leider van de staking in Cockerill, wordt ontslagen. Vanaf dan moeten de vakbonders weer ondergronds gaan, ze verschuilen zich achter een voetbalploeg. In 1905 richt Lahaut met Joseph Bondas een nieuwe metaalvakbond op. In 1908 wordt Lahaut tijdens een staking opnieuw afgedankt. De volgende dertien jaar werkt hij als vrijgestelde van de metaalbewerkersbond. In 1917 is Lahaut soldaat in Rusland. Hij maakt er de oktoberrevolutie mee en wordt communist. In 1921 leidt hij de negen maanden durende staking van de arbeiders van Ougrée-Marihaye. De BWP zegt: 'Laat hem maar doen, hij zal zijn nek breken en dan rekenen wij met hem af.' Maar het pakt anders uit. De stakers hebben, samen met hun vrouwen, een groter uithoudingsvermogen dan gedacht. 303
304 De staking wordt geleid door een stakerscomité. Vele betogingen draaien uit op gevechten met de gendarmerie. Na zeven maanden willen de andere vakbondsleiders de staking stoppen. De arbeiders en Lahaut weigeren. De strijd gaat voort. In mei zegt het uitvoerend bestuur van de metaal bond dat er geen stakersgeld meer is. Zeven maanden en half hebben de 8.000 arbeidersgezinnen van stakersgeld geleefd, nu komt de honger. Lahaut vindt een oplossing die nog vaak zal toegepast worden: hij stuurt de kinderen van de stakers naar Vlaamse arbeidersgezinnen. Er zijn meer onthaalgezinnen dan kinderen! De rechtse vakbondsleiders betalen twee arbeiders om gewapend op het piket af te gaan. Lahaut stapt erop af en ontwapent hen. Enkele dagen later wordt hij in de gevangenis geworpen. In heel de streek wordt betoogd voor zijn vrijlating. De metaalvakbond stopt de staking. Lahaut schrijft vanuit zijn cel: 'Gezien uw schandelijke capitulatie dien ik mijn ontslag in als vrijgestelde.' Delvigne en Bondas, de twee andere leiders, zijn BWP'ers, reformisten. Lahaut is revolutionair en communist, is voor de Sovjetunie. Hij sluit aan bij de jonge communistische partij (KP). In 1924 wordt in de metaalcentrale de motie Mertens gestemd. 'Men kan geen leidersfunctie in de metaalwerkersbond hebben als men lid is van de communistische partij.' In 1925 werden zo nog eens achttien verantwoordelijken uitgesloten. Bondas moet toegeven dat de jacht op communisten en strijdsyndicalisten de vakbond op verschillende plaatsen kapot gemaakt heeft. Zo is de vakbond in Ougrée-Marihaye van 4.491 leden in 1921 teruggevallen op 895 in 1922. 'Pas in 1936 heeft de vakbond terug voet aan de grond gekregen in dat staalcomplex', aldus Bondas.(29) 7. Borinage en Antwerpse haven: revolutionair gezinde arbeiders - Inhoud In 1923 kent het kapitalisme alweer crisis. Opnieuw loonsverlagingen dus; de overlegorganen worden niet geraadpleegd. De prijs van sommige eetwaren verhoogt twee keer per dag. De mijnwerkers van de Borinage zeggen: 'Honger lijden terwijl we een hele dag in de mijn werken, dat kan niet.' Zij gaan in staking. Julien Lahaut trekt naar de Borinage op vraag van revolutionaire arbeiders. De zaal is te klein. Geen nood, spreker en stakers bezetten het Volkshuis van Jemappes en de meeting wordt daar gehouden. De staking wordt uitgebreid naar Charleroi en La Louvière. Na eenentwintig dagen krijgen de stakers 5 a 10% loonsverhoging.(30) In maart 1923 worden de communisten beschuldigd van 'complot tegen de staat'. De KP zou geld krijgen van Duitsland in ruil voor spionage. Er komen huiszoekingen en veertig mensen worden aangehouden, waaronder 305 Lahaut. Het is de eerste keer dat de 'complottheorie' wordt gebruikt om arbeidersleiders uit de strijd te plukken. De BWP-leiders Vandervelde en Destrée zien zich verplicht in het parlement tussen te komen bij de minister van Justitie. De aanhouding van die veertig communisten staat in schril contrast met de vrijheid die de fascistische organisaties genieten. In 1924 gaan de mijnwerkers van de Borinage opnieuw in staking wanneer ze horen dat de patroons de lonen weer willen verlagen met 5 a 10%. Ze willen niet inleveren terwijl de mijnpatroons winsten maken en 150.000 frank uitgeven voor het bezoek van prins Leopold. De vakbondsleiding ziet de staking met lede ogen aan maar moet ze steunen. Het komt tot gevechten met mijnopzichters. De gendarmes treden ook nu hard op, soms met de blanke sabel, soms met vuurwapens. Een anekdote ter illustratie van de sfeer in die tijd. Bij een paspoortcontrole van de rijkswacht haalt een staker zijn pas niet snel genoeg boven. Hij krijgt een slag van de blanke sabel en moet verzorgd worden. Daarop gaan stakers en bewoners van de wijk Monsville te Quaregnon tot de actie over. Ze breken de kasseien van de straten op, doven de straatlantaarns, gooien glasscherven op straat, spannen prikkeldraad en maken barricaden van bedden en straatstenen. Tot diep in de nacht is het geluid van paardenhoeven en het geroep en gevloek van de stakers te horen. Dan wordt er geschoten. De stakers, waaronder heel wat gewezen soldaten, roepen naar de gendarmes: 'Schiet dan, Duitse tirannen.' Uiteindelijk bekomt de burgemeester dat de gendarmes zich terugtrekken als de arbeiders beloven hun barricades op te geven. Maar later probeert de rijkswacht weer om de wijk met geweld in te nemen. Monsville antwoordt opnieuw met het verduisteren van de steegjes. Het wordt een bloedbad. De wind voert de tonen van De Internationale mee uit de belegerde wijk, intussen 'klein Moskou' genoemd. De rijkswacht trekt zich uiteindelijk terug. De mijnwerkers worden opgeëist om de mijnen te onderhouden. Ze weigeren en er worden 800 dossiers tegen hen opgemaakt. Tien stakers worden vervolgd voor stakingsfeiten. Bij nieuwe gevechten wordt Omer Sturbois, 20 jaar, dood geschoten. 25.000 arbeiders zijn op de begrafenis. Precies op die dag besluit de vakbond de staking te stoppen. De communisten onder leiding van Lahaut roepen op om voort te doen. Kinderen van stakers worden naar andere mijnstreken en naar Noord-Frankrijk gebracht. Vijf dagen wordt er nog verder gestaakt in de Borinage, maar uitgehongerd en zonder steun van de vakbond moeten de stakers na meer dan twee maanden de duimen leggen. Op het einde van de jaren '20 zijn loonsverlaging en afbraak van de arbeidersrechten schering en inslag. In Luik en Antwerpen zijn er nochtans stakingen 306 die de patroons doen beven. De staking van de Antwerpse haven in 1928 wordt begonnen en geleid door revolutionaire dokwerkers van de KP. Ze zal een maand duren, 15.000 dokwerkers doen mee. Voor 't eerst ziet de BTB (de reformistische vakbond) zich verplicht akkoord te gaan met een staking waar ze eerst tegen was. De BTB moet zich ook schikken in het revolutionair stakerscomité. De kranten Neptune, Le Matin en Etoile Beige titelen: 'Communistische staking in de haven', 'Leiders van de vakbond voorbij gestoken', 'Communisten dicteren de vakbond', 'Vakbond geïnfiltreerd door communisten' . Enkel in Le Drapeau Rouge staat te lezen waarover het gaat: er wordt gestaakt voor looneisen maar ook het dagelijks aanwervingssysteem wordt aangeklaagd: arbeiders komen soms van ver te voet en worden dan toch niet aangeworven. Arbeiders willen ook niet meer 24 of 36 uur aan één stuk werken, terwijl er zoveel werklozen zijn. De staking van de havenarbeiders en scheepsherstellers in 1928 wordt een overwinning.(31) In 1930 sticht Julien Lahaut een revolutionaire vakbond: la Centrale Révolutionnaire des Mineurs (CRM). Mijnwerkers en ook een grote groep metaalarbeiders worden lid. Deze CRM zal vanaf '30 de strijd leiden, tegen loonsverlagingen, voor betere werkomstandigheden, voor een andere maatschappij. In het eisenprogramma staan punten die de mijnwerkers in de Sovjetunie reeds verworven hebben, zoals de zesurendag voor wie in de ondergrond werkt. Er wordt ook een Opposition Syndicale Révolutionnaire (osr) of Revolutionaire Vakbondsoppositie opgericht. Welke weg de revolutionairen in de vakbond dienen te volgen wordt door de omstandigheden bepaald. Het is nooit simpel. Maar de meerderheid van de arbeiders is nu eenmaal vakbondslid en het vakbondswerk is dus erg belangrijk. In de jaren '20 was er nog niet overal sprake van een vakbond. Dus gaf de KP een dubbele richtlijn: waar arbeiders nog niet gesyndiceerd waren, moest een revolutionaire CRM opgericht worden en was er wel een vakbond dan moesten de meest bewuste arbeiders georganiseerd worden in een osr. Deze osr werd zeer belangrijk en zo ook de CRM. Het was als stappen op twee benen: een eigen centrale en een oppositie in bestaande reformistische centrales. In de beide gevallen wilde men de arbeiders dichter bij het revolutionair proces betrekken. 8. Staking 1932: doorbraak van het nieuwe arbeidersverzet - Inhoud Februari 1932: een zoveelste mijnramp in Marchienne. Henri Glineur, arbeidersleider van de KP, hekelt in zijn toespraak de hypocrisie van de koning die mijnwerkersweduwen komt troosten terwijl hij zelf aandeelhouder 307 is van de mijn. Glineur wordt met de andere leiders voor de tweede keer van 'complot' tegen de staat beschuldigd en bovendien persoonlijk beschuldigd van 'majesteitsschennis'. Nog in de gevangenis wordt hij door de arbeiders van Charleroi in het parlement gekozen in september 1932.(32) De periode van toegevingen om de revolutionaire geest de pas af te snijden is voorbij. Het is weer crisis. De arbeiders botsen ook steeds meer op de verzoeningsplicht die de vakbondsleiders met patronaat en staat hebben afgesproken. Er valt niet meer te praten met een agressief patronaat dat overal minder loon betaalt en fabrieken sluit. De revolutionaire mijnwerkersvakbond (CRM) heeft op korte tijd veel invloed gekregen en in de reformistische centrales is de Revolutionaire Vakbondsoppositie (OSR) actief. Als in de zomer van 1932 de lonen opnieuw met 10% dalen, leggen de mijnwerkers van de Borinage het werk stil. Op 24 juni 1932 neemt Julien Lahaut het woord tijdens een meeting in het Volkshuis van Wasmes. Enkele loopjongens van de reformistische vakbondsleider Delattre vallen hem aan maar hij houdt stand en klaagt anderhalf uur lang de politiek aan van de BWP en de reformistische vakbond die de arbeiders van nederlaag naar nederlaag leidt. De meeting wordt een stakingsvergadering. De massa draagt hem op de schouders door de straten van Wasmes. De staking is begonnen. 10.000 mijnwerkers geven het startsein. De stakers fietsen naar La Louvière, Charleroi en Luik om solidariteit te vragen. In het Luikse worden de mijnputten bezet zodat er geen lock-out kan komen zoals bij de tramstaking in 1929. Een strategisch juiste zet. In Charleroi staken de staalarbeiders mee. Na korte tijd zijn er 210.000 stakers. De regering Renkin-Copée verbiedt het fietsen in de mijnstreek. In alle industriegebieden wordt de staat van beleg afgekondigd. Dit weerhoudt de Limburgse mijnwerkers, waaronder vreemde arbeiders die gevlucht zijn voor het fascisme, niet om mee te staken. Samenscholingsverbod wordt, zoals de film van Ivens toont, creatief omzeild. Politie eveneens. Het wordt een bitter gevecht tussen de stakers, geleid door de CRM met Lahaut en Glineur en de BWP met haar vakbond onder leiding van Delattre en de regering en het mijnpatronaat aan de andere kant. Secours Rouge International biedt aan om de kinderen van de stakers in gastgezinnen in Noord-Frankrijk en Duitsland onder te brengen. Dit voorstel wordt in Le Peuple zwaar aangevallen. In Charleroi wordt het Palais du Peuple, het gebouw van de BWP, bewaakt door rijkswachters in een pantserwagen met een mitrailleur. Enkele dagen voordien werd het Volkshuis bestormd door stakers. In Roux kondigt de BWP-burgemeester het samenscholingsverbod af. Leiders van de BWP en de reformistische vakbonden geven revolutionaire arbeiders aan bij de politie. De vrouwen nemen de kop van de betogingen in de hoop op minder geweld, ze dragen spandoeken als 'Weg met de crisis', 'Liever de dood dan deze honger van onze kinderen', 'De vrouwen 308 eisen niets wat God niet zou goedkeuren'. In de pers worden de vrouwen belachelijk gemaakt. Vrouwen in stakingen: dat kan niet! Lahaut kent er niets van! Maar als de vrouwen ook werkwilligen beginnen tegen te houden, op tramrails gaan liggen en in Cuesmes een betoging met 1.000 deelneemsters organiseren, wordt het duidelijk dat hier geschiedenis wordt geschreven. Lahaut kent de werkers erg goed. Op 9 juli schiet de rijkswacht, met stenen bekogeld, met scherp. Als reactie steken de stakers de villa van mijnpatroon Coppin in brand. Op 10 juli schiet de rijkswacht te Roux de jonge mijnwerker Louis Tayenne dood. Er vallen vele gewonden. Overal in het land zijn er solidariteitsbetogingen, de soldaten worden gevraagd om solidariteit. Zoals in Gent: 'Kameraden soldaten, weigert op te trekken tegen de stakers van de Borinage.' Ondanks het verbod om Louis Tayenne publiek te begraven mét het akkoord van de reformistische vakbondsleiders, komen er 6.000 arbeiders naar de begrafenis. Deze strijdbare houding heeft tot gevolg dat geen enkele rijkswachter zich durft te vertonen om en rond de begrafenisstoet.(33) De regering laat de communisten aanhouden: Glineur, Lahaut, Cordier, Thonet, Leemans... De communistische bladen worden verboden. Ook de CRM, de osr, de Vrienden van de ussr en Secours Rouge worden verboden en vervolgd. De staking kan niet meer gecontroleerd worden door de reformistische vakbondsleiders. Hun onwil om zich aan het hoofd van de beweging te zetten leidt tot woedeuitbarstingen. In Charleroi komt het tot zware incidenten bij de bestorming van het Volkshuis. Vakbondsboekjes worden verbrand en er worden vuren gestookt met de partijkrant Le Peuple?(34) Na maanden strijd moeten de uitgehongerde stakers opgeven. Er zijn enkele toegevingen, zoals de intrekking van de loonsverlagingen en het niet doorvoeren van prijsverhogingen. De overwinning van de staking van '32 ligt echter elders. De arbeiders geloven terug in de strijd en in een alternatief. In Wasmes wordt in een betoging een geschilderd portret van Marx meegedragen. Duizenden mannen en vrouwen ballen de vuisten en zingen De Internationale. 1.176 arbeiders sluiten aan bij de KP. De CRM groeit, evenals de osr. De arbeidersklasse is rechtgestaan onder leiding van revolutionairen. De stakingen van '32 zijn zonder enige twijfel een keerpunt in de arbeiders-strijd geweest, een uitzonderlijke strijd. Deze strijdbeweging en die van '34 hebben de algemene staking van '36 voorbereid en mogelijk gemaakt. 1932 heeft komaf gemaakt met de reformistische lijn die de arbeiders enkel nog 309 meer ellende had bezorgd. Na '32 zijn de arbeiders terug fiere mensen met een grote strijdcultuur, een vrijheidslievende arbeidersklasse met een leiding die deed wat ze kon.(35) De 200 veroordelingen, de vele gewonden en de moord op Tayenne kunnen de verworven strijdgeest niet aantasten. Ook de internationale hulporganisatie Secours Rouge doet belangrijk werk. Een jaar na de staking zijn er nog steeds patronale represailles tegen stakers. In de wijk Monobloc, waar de huisjes eigendom zijn van de mijn, worden alle mijnwerkers afgedankt. De ene huisuitdrijving volgt de andere op. Secours Rouge treedt in actie. Een verpleegster doet onderzoek naar de woon- en leefomstandigheden van de mijnwerkersgezinnen. Dokter Paul Hennebert maakt een dossier: Comment on crève de faim au Levant de Mons (Hoe men van honger crepeert in de wijk 'Levant de Mons'). Deze brochure wordt verwerkt tot script voor de film van Joris Ivens.(36) Misère au Borinage wordt door de BWP als volgt becommentarieerd: 'Het is gelogen, zo'n ellende bestaat niet in België.' 'Ivens is niet meer onpartijdig, het is een tendentieuze film.' De film wordt verboden. Ivens weigert het portret van Marx eruit te halen: 'Het was een harde ervaring, harder dan ik verwacht had. Deze belediging bracht me ertoe beslissingen te nemen die ik op de lange baan had geschoven. Zonder nog te aarzelen schudde ik alles af wat ik jaren lang met me mee had gesleept: mijn vader, mijn verantwoordelijkheden, mijn verplichtingen en mijn wortels. Met de Borinage is mijn leven honderdtachtig graden gedraaid.'(37) De BWP ziet het anders. In Le Peuple stelt De Swaef dat de mijnwerkers van Bergen de armoede aan zichzelf te danken hebben omdat ze de vakbond de rug hebben toegekeerd.(38) De BWP en de reformistische mijnwerkersvakbond bestrijden de staking en de communistische invloed. In hun brochure Histoire de la grève des Mineurs worden veertig bladzijden gewijd aan het besmeuren van deze staking, aan het bejubelen van de repressie, aan racistische standpunten als 'wij willen het zware conflict oplossen en stellen voor alle mijnwerkers terug aan te werven door de vreemde arbeiders die geen familie hebben in België, af te danken'.(39) In 1933 zijn er overal hongermarsen van werklozen onder leiding van de werklozenwerking van de KP. Geëist wordt: 300 kg kolen per werkloze, 1 kg brood per persoon en 1 liter melk per kind per dag. De aankondiging van de marsen wordt met repressie beantwoord: de rijkswacht verwijdert de affiches, de marcheerders worden door gendarmes uit treinen, trams en bussen geplukt. Zelfs politiehonden worden ingezet. Het gemeentebestuur van Anderlecht geeft uit schrik gratis kolen aan de werklozen. Zulke bedelingen gebeuren ook elders in het land. 310 In '33 beginnen de mijnwerkers van de Borinage, Charleroi en Centre opnieuw te staken. De sociaal-democraat Louis Piérard vraagt opnieuw om alle buitenlandse mijnwerkers uit de Borinage te verwijderen in Le Peuple van 8 juli 1933. In '34 is er een indrukwekkende herdenking van de dood van Tayenne. 10.000 arbeiders zijn er bij. Daar bestaat een prachtig filmpje van. De CRM en de osr breiden uit. Als in '34 in de mijn Fief de Lambrechies in Paturages (Borinage) een grauwvuurexplosie 57 doden eist, komt er medeleven uit alle hoeken van het land. Constant Malva, een mijnwerker-schrijver, noteert bitter: 'In '32 zijn we nog voor revolutionaire beestmensen uitgemaakt die in hun primitieve woede de woning van een mijndirecteur in brand staken. In '34 waren we plots de nobele helden van de natie, terwijl we de schulden, gemaakt in de strijd van '32, nog niet eens afgelost hebben.'(40) 9. Het voorbeeld van de Sovjetunie - Inhoud In 1928 heeft Lahaut een zware longontsteking. De Russische mijnwerkers nodigen hem uit in een sanatorium van hun bond aan de Zwarte Zee. Lahaut over dit verblijf: 'Nergens ter wereld kan een arbeider ervan dromen zo vertroeteld te worden als daar. De zorgen die ik kreeg, daarvan kan bij ons slechts een kapitalist dromen. In de Sovjetunie staan die zorgen ter beschikking van alle arbeiders. En ze moeten niemand bedanken want ze hebben die verzorging verworven door hun arbeid en strijd.' Na elk bezoek aan de Sovjetunie zei Lahaut: 'Als ik naar Moskou ga, ga ik naar mijn meest dierbare vrienden. Tegelijk voel ik me er zoals op een schoolbank: alles hebben we van hen te leren.' Tijdens een verblijf in de Sovjetunie ontmoette Lahaut Legrand, een gespecialiseerde metaalarbeider en smid, afkomstig uit La Louvière. Legrand was in Rusland gaan vechten tijdens de Eerste Wereldoorlog en was er in een fabriek blijven werken. Daar had hij zich bij de bolsjewieken aangesloten. In 1917 wilde Lenin hem persoonlijk ontmoeten. Hij wilde de leider van de kleine groep Belgische gespecialiseerde arbeiders die meewerkten aan de revolutie leren kennen en vroeg hem te blijven. Legrand werd leraar aan de Universiteit van de Arbeid in Moskou. De briefwisseling van Legrand met revolutionaire Waalse arbeiders is bewaard en door iedereen te lezen in L'Institut d'Histoire Ouvrière Economique et Sociale van Seraing. De brieven zijn geschreven door een vrije en ontwikkelde arbeider aan zijn vroegere makkers die geen tijd en geen vel briefpapier hadden en 311 honger leden als ze staakten. Op dat moment protesteerden Lahaut en Glineur in het parlement tegen het lot van gepensioneerde mijnwerkers en hun weduwen die in complete armoede leefden, van arbeiders die in miserie leefden zelfs al werkten ze zich dood en die uit hun huizen gezet werden als ze staakten. De grote liefde voor de Sovjetunie kan best beschreven worden via het leven van de arbeider die de Vrienden van de USSR oprichtte en leidde: Jean Derkenne uit Luik.(41) Hij werkt bij de trammaatschappij en neemt deel aan de grote staking van 1929 die eindigt met een lock-out. De patroon werft ongeschoolde ratten aan met alle risico's vandien voor de veiligheid. De stakers die later opnieuw aangeworven worden, krijgen minder betaald dan die stakingsbrekers. Derkenne richt de Vrienden van de Sovjetunie op. Deze organisatie verspreidt in Luik de krant La Russie Nouvelle op 700 exemplaren, waarvan 400 via een netwerk van arbeiders in elke fabriek. Vanaf 1928 toont Derkenne wekelijks een film over de Sovjetunie voor 900 tot 1.200 arbeiders. De film Le Chemin de la vie over de opvang en opvoeding van weeskinderen maakt diepe indruk, evenals De jeugd van Maxim, Potemkin, De Algemene Lijn. Arbeiders bezoeken de Sovjetunie en brengen verslag uit van hun bevindingen. Zo is er een brochure van Eugène Maistriau.(42) Hij en andere arbeiders die de Sovjetunie bezochten, geven overal spreekbeurten en het alternatief wordt concreter. In de Volkshuizen worden eveneens Russische films vertoond. De Sovjetunie is zo populair dat de burgemeester van Herstal zich in de debatten mengt. Hij zegt dat de bolsjewieken 'modelfabrieken' naast de spoorwegen bouwen om de toeristen te imponeren. Ook ingenieurs bezoeken de Sovjetunie en komen enthousiast terug. Er is in de fabrieken, en zeker onder de leden van de vriendenkring bijna dagelijks discussie over het superieure karakter van het socialisme voor de werkers. Wie in een fabriek werkt weet men maar al te goed het verschil tussen fundamentele uitbuiting en fundamentele vrijheid. Dan veroorzaakt één van de stakingsbrekers van '29 een ongeval met een tram. De werkers bespreken het ongeval en zijn het erover eens: in de Sovjetunie was dat niet gebeurd. De patroon ontbiedt Jean Derkenne en probeert hem om te kopen: 'Ik zou de opvoeding van uw zoon kunnen betalen, jij kan je geen goede school permitteren.' Derkenne weigert en zegt dat zijn zoon op zijn plaats zit in de vakschool. Dan komt de patroon ter zake: 312 'Gij zijt buiten uw uren erg actief. Ik zou u willen vragen de mensen niet langer te beïnvloeden.' Derkenne: 'Ik doe wat ik denk te moeten doen, ik zal daar niet mee stoppen.' De patroon wordt nu een beetje wanhopig: 'En dan is er nog dat pijnlijk ongeval. Dat zou in deze tijd niet meer mogen gebeuren maar die man is iemand van de buiten, een man die er niets van kent. Zoudt gij uw werk van vroeger niet terug willen, Jean?' Jean weigert. 10. Internationale solidariteit! Arbeiders tegen het opkomend fascisme - Inhoud Wie jaren '30 zegt, zegt opkomend fascisme. De Luikse revolutionaire arbeiders hebben ertegen gevochten vanaf de eerste minuut. In 1924 kondigt de fascistische organisatie Légion National met een zekere Graff als leider, een grote meeting aan. Julien Lahaut mobiliseert honderden arbeiders. De zaal zit halfvol met fascisten en nieuwsgierigen. Met platvloerse leugens over de Sovjetunie en anticommunistische praat probeert Graff enig leven in de meeting te krijgen. Lahaut komt binnen met een stoet staalarbeiders en mijnwerkers en vraagt een polemiek, wat geweigerd wordt. Dat is zonder Lahaut en de zijnen gerekend. Lahaut roept: 'Ik wist dat dit zou geweigerd worden, aangezien u de waarheid niet wil horen.' De fascisten halen de matrak boven die bij hun uniform hoort. Die van Seraing en Outremeuse vliegen er met de blote vuist op. Het gevecht wordt op straat verder gezet en Graff trekt zich terug in Hotel Moderne. De arbeiders gaan hem achterna. De patron van het hotel laat vensters en deuren barricaderen. De arbeiders breken binnen. Het servies vliegt door de lucht. Graff wordt uit Luik verjaagd en de arbeiders betogen tegen het fascisme.(43) Wanneer Hitler in 1933 aan de macht komt, nemen de revolutionairen van overal in Europa de kinderen van aangehouden Duitse communisten in hun gezinnen op. Zo komt Richard Knack in het gezin Derkenne. 'Hij was als mijn zoon en studeerde hier. Er waren vele Duitse jongeren in Luik. Secours Rouge International organiseerde alles en het functioneerde erg goed. Toen de Spaanse Republiek in '36 door de fascist Franco werd aangevallen zijn vele van die Duitse jongeren naar Spanje vertrokken. Richard werd kapitein in de Thalmann brigade en sneuvelde in de strijd tegen het fascisme.'(44) In 1933 staat de 1-mei betoging te Luik in het teken van de strijd tegen het fascisme. Lahaut trekt met de betoging naar het Duitse consulaat en de nazivlag wordt afgerukt. In het parlement toont Lahaut de afgescheurde vlag: 'Deze fascistische vlag werd door arbeiders afgerukt. Wat deze regering ook doet, de arbeiders zullen blijven vechten tegen het fascisme.' Tijdens een antifascistische vredesconferentie in Parijs verklaart hij in naam van de arbeidersbeweging opnieuw de oorlog aan het fascisme en verscheurt er de nazivlag. 313 Lahaut leidde het antifascistische werk. Hij werkte zich uit de naad en sprak op honderden meetings: 'Het fascisme is moord en leidt tot oorlog.' Hij leidde de campagne voor de vrijlating van Ernst Thalmann, campagnes voor de verdediging van alle slachtoffers van Hitler, Mussolini en hun Hongaarse, Bulgaarse en Roemeense aanhangers. En er was een grote campagne voor de bevrijding van Dimitrov. In oktober 1935 valt Mussolini Ethiopië binnen. Lahaut trekt op een drukke zondagmiddag naar de wereldtentoonstelling in Brussel. Van op de trappen van het Italiaanse paviljoen spreekt hij duizenden mensen toe over het Italiaans fascisme. Hij vliegt voor vijftien dagen in de gevangenis.(45) In '36 worden de rechtse en fascistische krachten in Spanje weggestemd en wordt de Spaanse Republiek geboren. Maar wanneer deze regering landhervormingen wil doorvoeren, grijpt Franco naar de wapens, hierbij gesteund door vliegtuigen van Hitler en Mussolini. Er zijn protestmeetings in heel Europa en ook voedselophalingen. Meer dan 2.000 antifascisten gaan in Spanje vechten, meestal arbeiders. Van de Spanjestrijders kwamen er 30% uit Brussel, 15% uit Vlaanderen en 55% uit Wallonië.(46) Ook toen kwamen er Spaanse kinderen bij Belgische arbeidersgezinnen wonen. Jean Derkenne: 'Er waren echt van die lieve meisjes bij en mijn vrouw en ik wilden best een meisje in huis, dat leek ons wel wat, we hadden al twee zoons. Maar toen stonden al die kinderen uit Spanje daar en konden we kiezen. Mijn vrouw dacht precies als ik: ze wilde niet kiezen, ze zou iemand meenemen die niet gekozen werd. "Kom eens kijken naar je kleine meisje, Jean", riep ze op een gegeven moment. Het was een opgeschoten Baskische jongen van 13: Mendiola. Hij is hier drie jaar gebleven en we leerden Spaans van hem. We hebben nog steeds contact. Op school was hij de eerste.'(47) Lahaut begeleidde de konvooien met voedsel en andere bevoorrading naar Valencia en Madrid en bezocht het front om er de Belgische antifascistische soldaten te groeten. Hij kwam voortdurend tussen in het parlement om steun te vragen voor de Spaanse Republiek. Thuis had hij drie Spaanse kinderen.(48) 11. 1936: 500.000 stakers na de moord op Pot en Grijp - Inhoud De crisis bereikt zijn hoogtepunt. In 1935 bezetten duizenden mijnwerkers onder leiding van de CRM de mijnen in het bassin van de Basse Sambre en van Charleroi tegen de loonsverlagingen. De lonen zijn 10 a 15% lager dan in 1930. De werkloosheid is torenhoog. De regering voert de staat van behoefte 314 in onder de werklozen die toch al bijna geen uitkering krijgen. Zelfs het bezit van enkele kippen doet de uitkering verminderen. Overal in het land willen de werkers reeds maanden een algemene staking. Maar de BWP wil er niets van weten. Hendrik de Man heeft immers zijn fameus 'plan' en trekt het land door om dat te promoten. Op 19 januari 1935 komt hij spreken in de Borinage. Samen met Spaak. Die dag zal hij nooit vergeten. Hij beschrijft zelf hoe de arbeiders reageerden toen hij zich uitsprak tegen algemene staking: 'Nooit zal ik dit ontzaglijke en vreselijke tafereel vergeten. Tegen het vallen van de avond zag ik vanop de op het dorpsplein gebouwde tribune van alle zijden enorme sombere stoeten aanrukken, zonder vlag, zonder fanfare, zonder één kreet. Het was alsof heel de woede van dit land van ellende zich daar eensklaps had samengetrokken voor een laatste stomme bedreiging. Deze bedreiging richtte zich op sommige ogenblikken tegen de sprekers, vooral tegen Spaak en mij, die gevraagd hadden de staking niet onmiddellijk te beginnen. Veel indrukwekkender was de stilte en hoe de mensen wegtrokken en in de nacht verdwenen, na eindelijk onze redevoeringen aanhoord te hebben. Het volstond deze massa te zien om er ons rekenschap van te geven dat zij naar ons beroep op geduld niet lang meer zou luisteren.'(49) In deze passage zien we hoe De Man over arbeiders denkt: 'Een laffe massa zonder hersenen', dat tegenover hem; met de 'waarheid' in pacht! Het komt bij hem niet op dat de arbeiders van de Borinage alles van zijn 'Plan' verstonden en het verworpen. De Man vertelt niet de hele waarheid. De mijnwerkers en metaalarbeiders van de Borinage hadden niet gezwegen. Toen De Man zijn 'plan' had voorgesteld, hadden ze geantwoord met het roepen van: 'Algemene staking tegen de werkloosheid en de loonsverlagingen nu!'(50) Bij de verkiezingen van mei '36 hadden fascistische organisaties een pak stemmen gehaald. In Antwerpen dachten bepaalde fascisten dat ze zich nu alles konden permitteren. In de nacht van 25 op 26 mei vermoordden ze twee arbeiders. We laten de feiten vertellen door Bert Struyf, geboren in 1916, gepensioneerd dokwerker, ex-stadsgids, getuige van de moord. 'Ik was toen 20 en actief bij de syndicale jeugd. In de jaren '30 was er veel armoede onder de dokwerkers. Vele dokwerkerskinderen waren ziek. Tuberculose was een echte plaag. Wij waren met vier broers en een vader die aan de haven werkten. Voor ons viel het allemaal nog mee maar voor vele anderen niet. Mijn moeder kwam van Grobbendonk en had een hart van koekenbrood. Als ik een kameraad mee naar huis bracht, kreeg die steeds een boterham met stroop. Vader, die nochtans een harde was, heeft daar nooit iets van gezegd. Zijn leven was zwaar. Hij was als jongeman aan 315 de dokken begonnen alhoewel hij in Zandvliet woonde, 's Zondagsnachts vertrok hij thuis om de maandagmorgen aan de haven te beginnen, 's zaterdagsavonds ging hij te voet terug naar Zandvliet. Vele honderden arbeiders deden zoals hij en huurden een kamer in de stad, daar sliepen ze dan met vijf man. Dat waren de eerste migranten in Antwerpen als ge wilt. In de Huikstraat kan je nog zo'n logementshuizen bekijken. Daar zaten dokwerkers die van de Kempen en verder kwamen. De feiten van de moord. We hadden een grote spandoek op de Paardenmarkt gehangen en op een nacht hadden de fascisten dat in brand gestoken. Wij van de syndicale jeugd vergaderden in de kelder van de Breydelstraat om ons te bezinnen over hoe we ons konden verdedigen tegen de fascisten. Het was 25 mei. Iemand kwam binnengelopen, roepende: 'Ze zijn weer bezig.' We hadden een kleine auto en sprongen daar dadelijk in en gingen op de fascisten af. Vier fascisten waren aan 't plakken: twee mannen en twee vrouwen. Charel De Wit stapte er prompt op af. Ruzie natuurlijk. Toen zagen we hoe één van die mannen plots een revolver bovenhaalde en schoot. Albert Pot viel neer. We wisten toen nog niet dat hij dood was. We probeerden de dader te pakken, maar die vluchtte weg. Een vrouw hadden we wel vast, die riep: 'Au secours' en de man keerde terug. Op dat moment kwam Theo Grijp daar met zijn fiets aan en pakte die man. Maar die schoot opnieuw en ook Theo Grijp viel dood neer. We liepen nu allemaal achter de dader aan en konden hem omsingelen. Een voorbijrijdende douanebeambte kwam ons helpen. Met zijn dienstwapen hebben we de dader in bedwang kunnen houden tot de politie kwam. Op het politiebureel werden we opgesloten in dezelfde kamer als de dader, stel je voor. De vrouw hebben ze laten lopen; de man, een zekere Wauters, kreeg voor elke moord vijfjaar, en zes maand voor wapendracht. Het proces was pas twee jaar later, in '38. Toen Hitler België bezette hebben ze Wauters natuurlijk vrijgelaten. Hij ging in Tilff in de provincie Luik wonen. Daar hebben de partizanen hem tijdens de oorlog een bezoek gebracht en hem neergeschoten. Zo was het drama eindelijk geregeld. Pot en Grijp zijn begraven en hun kist werd van de Breydelstraat tot de Brederode-straat gedragen. Nooit was er zoveel volk op een begrafenis.'(51) De dag na de moord, op 26 mei '36, komt het tot een algemene staking aan de haven van Antwerpen, geleid door dokwerkers van de KP. Scheepsherstellers, diamantbewerkers en de arbeiders van het transport gaan mee in staking. De Belgische Transportarbeidersbond (BTB) deelt een pamflet uit tegen de staking. Op 2 juni bezetten de dokwerkers verschillende boten waarop nog gewerkt wordt. Opnieuw deelt de BTB een pamflet uit: 'Dokwerkers! pleegt geen zelfmoord!' waarin opgeroepen wordt weer te gaan werken. 316 'Wij zijn tegen onredelijke stakingen'. Aan de Paardenmarkt, lokaal van de BTB, ziet het op 3 juni zwart van de stakers, 's Avonds luisteren 10.000 arbeiders in het Sportpaleis naar de stakingsleiders. De bond erkent de staking om niet helemaal voorbij gelopen te worden. Maar ze willen de staking zo snel mogelijk stoppen. Het pakt echter anders uit; op 12 juni gaan de mijnwerkers mee in staking en op de schachten van de mijnen zowel als op de terrils wapperen rode vlaggen. In Herstal, in de FN-fabriek zijn het de vrouwen die de fabriek stilleggen na oproepen van de revolutionairen. De grootste algemene staking ooit was een feit: op 21 juni zijn er 500.000 stakers. De vakbondsleiders kunnen niet anders dan meedoen. Het nationaal eisenprogramma: 1. teniet doen van de loonsverlagingen; 2. aanpassing van de lonen; 3. een minimumloon van 32 frank; 4. 40-urenweek; 5. volledige syndicale vrijheid; 6. een week betaald verlof. Gezien de internationale situatie van hevige strijd tegen het opkomend fascisme, zoals door de Spaanse Republikeinen, gezien de doorbraak van fascistische organisaties in ons land bij de verkiezingen in mei is het toch eigenaardig dat de KP geen antifascistische eisen heeft gesteld zoals: 'Totale erkenning en solidariteit met de Spaanse Republiek van de Belgische regering', en 'Verbod van alle fascistische partijen in ons land, hoeveel keer nog Pot en Grijp?'. Het zou de staking van '36 de dynamiek gegeven hebben die erin zat. Nu is de staking een formidabele strijd voor de gestelde eisen geworden, waar de beste krachten zich toelegden op het niet voortijdig afbreken van de strijd. De regering ziet deze staking in ieder geval als een vervolg van de strijd van '32 en '34 en haalt dezelfde repressie van toen boven. In Henegouwen zijn vanaf 17 juni alle meetings, betogingen, debatten in open lucht, samenscholingen op de openbare weg verboden. Een feitelijke staat van beleg! Ook is het weer verboden te fietsen in en rond Charleroi. Terwijl de sociaal-democratische vakbondsleiding de staking probeert te doen ophouden, en zo de staking langs binnen aanvalt, valt de rijkswacht de staking langs buiten aan. In het hart van de arbeiders strijd, de Borinage, is er de ene rijkswachtprovocatie na de andere. Op 16 juni komt het tot zware gevechten met de stakers van 'klein Moskou' van Quaregnon. De stakers zijn er samengekomen in het Volkshuis en worden een half uur lang beschoten door de rijkswacht. Er zijn meerdere gewonden. Dan ontruimt de rijkswacht het Volkshuis en valt de huizen binnen. Vrouwen, zieken, kinderen, iedereen krijgt van de matrak in zijn eigen huis. Weduwe Boitel wordt aan haar voordeur door de gendarmerie doodgeschoten. Vanaf 14 juni zeggen vakbondsleiders als Bondas en Rens dat de voornaamste eisen ingewilligd zijn, in feite waren er slechts vage regeringsbeloftes. 317 Op 21 juni proberen ze het opnieuw: 'We weten dat de regering niet verder zal toegeven, als we voortdoen dan is er kans dat de regering valt en dan zal er zeker geen wet komen rond de 40-urenweek.' Maar ze krijgen de stopzetting van de beweging er niet door. Wanneer ze echter op 22 juni zeggen dat de 40-urenweek in bepaalde sectoren een feit is, krijgen zij een aantal leiders zover dat ze oproepen om de staking te beëindigen. Overal verdedigen de revolutionairen dat er veel meer uit de staking te halen valt en er wordt verder gestaakt tot 6 juli. Uiteindelijk zal de KP-leiding ook oproepen de staking te stoppen in naam van de eenheid die er voor het eerst is tussen reformistische en revolutionaire vakbondsmilitanten. Een jaar later maakt de KP het bilan van de staking. De 40-urenweek is nog altijd geen feit, ze is enkel beloofd aan de mijnwerkers en de Antwerpse havenarbeiders, daar waar de revolutionairen de staking in handen hadden. 1936 brengt toegevingen voor de arbeiders. De syndicale vrijheden blijven echter even minimaal als voorheen. Na de staking is er zelfs een wetsvoorstel van minister van Justitie Bovesse die artikel 130 wil doorvoeren waardoor iedereen die een staking op gang trekt die niet via de overlegorganen tot stand gekomen is, kan veroordeeld worden. De arbeidersbeweging laat duidelijk horen dat dit niet kan en Bovesse moet zijn wetsvoorstel intrekken.(52) 12. De arbeiders in het verzet - Inhoud Wanneer Hitler België aanvalt geeft de koning het leger bevel tot overgave. Maar ook de voorzitter van de BWP, Hendrik De Man, die zijn enthousiasme voor de nazi's nooit onder stoelen of banken heeft gestoken, noemt de bezetting een bevrijding van de werkers en ontbindt de BWP eind juni '40. Vele reformistische vakbondsleiders beseffen dat ze afstand van de BWP-voorzitter moeten nemen en vluchten via Frankrijk naar de regering in Londen. De arbeiders worden aan de fascisten overgelaten, de vakbond bestaat niet meer. De Man probeert een collaboratievakbond op te richten: de Unie van Handen Geestesarbeiders. Nergens heeft die enige betekenis gekregen. Chlepner schrijft: 'Tijdens de Tweede Wereldoorlog stond de hele syndicale beweging op waakvlam. De meeste vakbondsleiders bereidden de na-oor-og voor. De contacten tussen de patroons en de gevluchte syndicale leiders resulteerden in het "sociaal pact". Onmiddellijk na de Tweede Wereldoorlog kende de socialistische vakbond de grootste crisis uit haar geschiedenis. Na de bevrijding hadden de werkers het meest sympathie voor de communistisch gezinde syndicale organisaties die jaren voor syndicale eenheid aan de basis waren opgekomen en overal de arbeidersstrijd leidden.'(53) 318 Het verzet in de fabrieken - Inhoud Enkele voorbeelden van stakingen en strijd in de fabrieken tegen de bezetters. We blijven in Luik en de Borinage. We vonden pamfletten waarin de strijd tegen de slechte levensomstandigheden wordt verbonden met de strijd tegen de bezetter: de antikapitalistische en de antifascistische strijd gingen hand in hand. We vonden overal voorbeelden van sabotage van de productie. Vele voorbeelden van syndicale comités die ook de strijd als weerstand organiseren. Waarschuwingen aan de patroons dat er zal gestaakt worden ingeval van collaboratie. 'Tous les mineurs des puits doivent étroitement se solidariser et organiser la résistance. Pour cela, formez et renforcez votre comité de lutte syndicale! Mineurs! Tous unis et toujours moins de charbon pour Hitler! cls des mineurs du Borinage.' (Al de mijnwerkers moeten solidair zijn en het verzet organiseren. Daarom: organiseer en versterk uw syndicaal comité. Mijnwerkers! Samen één en steeds minder steenkool voor Hitler!)(54) In heel de Borinage wordt er gesaboteerd door de partizanen; de arbeiders krijgen hun pamfletten te lezen: 'Aan de mijnwerkers van Hornu-Wasmes. Kameraden mijnwerkers. Getrainde partizanen hebben onze putten stilgelegd. Zo wordt Hitler van miljoenen tonnen kolen beroofd. Een overwinning voor de Borinage. Maar we moeten iets doen aan het feit dat mijnwerkers hierdoor werkloos zijn. We mogen niet akkoord gaan met slechts een loon voor twee dagen. Eis dat ge onmiddellijk betaald wordt voor de hele periode. Laat ons daarvoor vechten en niet achteruit gaan. Uitbetalen of staking.'(55) Louis Neuray getuigt: 'In augustus 1940 zei ik tegen Lahaut dat een ingenieur van ACEC-Luik me kon aanwerven. "Laat je aanwerven. Je zal in acec kunnen bewijzen dat de syndicale actie tijdens de bezetting niet dood is en dat de kern van de strijd tegen de bezetter in de fabrieken te vinden is. Vechten tegen de patroon is ook vechten tegen de bezetter", antwoordde Lahaut.'(56) Het doel van Neuray was drievoudig: 1. Op alle mogelijke manieren strijd voeren voor een betere bevoorrading van de arbeiders: aardappelen, grotere porties brood en een gratis kom soep in de fabrieksrefter; 2. Het systeem Bedaud afremmen. Deze wilde het ritme in de fabrieken verhogen om de oorlogsproductie te vergroten; 3. Strijd voeren tegen het blokkeren van de lonen door de bezetter. Hij slaagde in zijn opzet maar op 14 december 1940 werd hij afgedankt. Toen de sirenes het einde van de dag aankondigden, bleven de arbeiders echter in de fabriek en luisterden ze naar zijn toespraak. Neuray dankte de arbeiders voor hun vertrouwen en strijd en drukte hen op het hart niet te 319 blijven staan bij de strijd voor materiële verbeteringen: 'Vergeet nooit dat de hoogste vorm van strijd deze tegen de bezetter is.' Hij kreeg een stormachtig applaus. Maar dan kwam een strijdbare arbeider naar voren: het zou laf zijn om niet te staken voor de heropname van Neuray, de beste delegee van de laatste 20 jaar. Eensgezind wilden de arbeiders in staking gaan. Maar ze vroegen zich af tegen wie ze eigenlijk moesten vechten. Tegen de Duitsers zelf, zo vonden de meesten. Dus werden verschillende trams opgeëist en een massa ACEC-arbeiders trokken naar de Kommandantur. De Gestapo dreigde de delegees in de gevangenis te werpen, wat ook gebeurde op 17 december '40. Kameraden als Neuray hebben hun leven geriskeerd in de antifascistische strijd. Overal in het Luikse werd op de muren gekalkt: 'Libérez Neuray', pamfletten werden in de hele regio verspreid. Neuray bleef in de gevangenis tot het einde van de oorlog. Hij zegt: 'Geen enkele taak die me door de Duitsers werd opgelegd heb ik goed uitgevoerd, geen enkel werktuig dat ik moest herstellen heeft ooit gefunctioneerd.'(57) De staking van de 100.000 - Inhoud Op 10 mei 1941 weet Julien Lahaut een staking te organiseren van 100.000 staalarbeiders, van Luik tot Noord-Frankrijk. De stakers eisen loonsverhoging van de lonen, betere bevoorrading en een grotere portie aardappelen. Een delegatie van stakers gaat in Brussel met de patroons onderhandelen. Deze houden de boot af. Terug in Luik staan er 25.000 arbeiders tot aan de brug van Seraing bijeen gepakt. Een groep Duitse officieren eist dat het stakerscomité oproept tot werkhervatting. Het comité weigert en de Duitsers maken zich klaar om te chargeren, gewapend met bajonetten, kanonnen en granaat werpers; boven de massa cirkelt een groot vliegtuig. Lahaut vraagt tien minuten om met de arbeiders te overleggen. Besloten wordt om zich te verspreiden maar door te staken. Er wordt veertien dagen gestaakt en alle eisen worden ingewilligd. Op 22 juni 1941 wordt Lahaut aangehouden. Hij probeert te ontsnappen uit de citadel van Hoei maar breekt zijn been. Hij zal als krijgsgevangene de oorlog in verschillende concentratiekampen doorbrengen. Meer dood dan levend wordt hij op 28 april 1945 bevrijd, in Mauthausen.(58) De clandestiene koeriers van de Vrienden van de Sovjetunie - Inhoud De organisatie van solidariteit en sympathie voor de Sovjetunie wordt omgevormd tot een erg betrouwbare koeriersnet van verzetslui onder leiding van Jean Derkenne. Derkenne is verantwoordelijk voor de illegale 320 drukwerken en voor de verspreiding van alle publicaties van de KP, alle verboden natuurlijk. Er is opvallend weinig verraad geweest in de groep van Derkenne. Derkenne: 'Ik kende al die arbeiders al jaren via de vrienden van de Sovjetunie, ze waren uiterst gedisciplineerd, de voorhoede. Het waren allemaal vrienden onder elkaar.' Zijn koeriers zijn diep geworteld in de arbeidersklasse. Op een keer is er toch verraad in 't spel. Derkenne die op toer is met propagandamateriaal wordt gewaarschuwd: 'Je wordt gezocht, ze weten zelfs welke kleren je draagt, trek ze uit.' Derkenne kan ontkomen en ook andere kameraden waarschuwen, behalve Faillisse die hem zoals gewoonlijk in een bootje aan de oever van de Ourthe zal opwachten. Een aantal arbeiders roepen hem toe dat hij niet naar de oever mag komen. Faillisse beseft dat er iets gaande is en roeit weg. De Gestapo begint te schieten en hij schiet terug met de mitraillette die op de boot gemonteerd is. Hij springt overboord en duikt onder water maar wordt toch getroffen. Hij geraakt uit het water en loopt een metaalfabriek binnen waar de arbeiders hem verbergen. De Gestapo kamt de plaats uit. Niet één arbeider zegt iets. De volgende dag wordt dokter Noël in de fabriek gesmokkeld om Faillisse te verzorgen. Derkenne laat de verrader fusilleren.(59) Bij het verzet zijn ook jongeren, zoals Jean Hansen, student geneeskunde te Luik. Hij organiseert de studenten en geeft de clandestiene studentenkrant Les cahiers rouges uit. Eerst zet de studentengroep zich in om wapens tè bemachtigen voor de partizanen, later worden de jongeren zelf gewapende partizanen die alle terreinen van de verzetsstrijd meester zijn. Hansen wordt bataljonscommandant. In november '43 kan de Gestapo hem aanhouden. Ter dood veroordeeld, komt hij in de Citadel van Luik terecht. Hij wordt ondervraagd en ook zwaar gefolterd. Aan zijn moeder, die hem kan bezoeken en zelf een revolutionaire syndicaliste is, vertelt hij: 'Ik ben vijf keer net zolang opgehangen tot ik het bewustzijn verloor. Maar ik heb niets gezegd en niemand verraden.' Zijn afscheidsbrief: 'Aan al mijn strijdmakkers, voor de laatste keer richt ik me tot jullie, kameraden. Samen hebben wij vele succesvolle acties ondernomen. Iedereen is het daarover eens, zelfs de Duitsers hebben dat erkend. Nu ik moet sterven ben ik ervan overtuigd dat de verzetsafdelingen die mijn naam zullen dragen volwaardige partizanengroepen zullen zijn, dat ze stoutmoedig zullen zijn en zullen winnen. Ik vind het spijtig dat ik het beslissende gevecht voor de vrijheid niet zal kunnen meemaken. Voor ik sterf zal ik het uitschreeuwen: 'Leve de partizanen, leve ons ideaal'. Ik heb de strijd zo goed mogelijk gediend. Zet het werk 321 verder kameraden. Als het straks ochtend wordt zal de Wehrmacht kunnen zien hoe partizanen sterven, zonder wapens overgeleverd aan het vuurpeloton. Leve de partizanen. Leve ons ideaal. Morgen zal de zon eeuwig schijnen.' Getekend: Jean Hansen, commandant van het eerste bataljon. Jean Hansen werd gefusilleerd op 11 januari 1944.(60) 13. Na Wereldoorlog II: 35.000 gewapende partizanen, maar de revolutie komt er niet - Inhoud Er waren 35.000 gewapende partizanen; meer dan twee keer zoveel rijkswachters. Het ultieme gevecht tegen het kapitalisme, dat steeds opnieuw oorlog, fascisme, werkloosheid en honger meebrengt voor de werkers zat erin, was mogelijk. De KP-leiding heeft nooit de bedoeling gehad deze strijd te voeren, dat terwijl de vijanden van de arbeidersklasse het erover eens waren dat zij de feitelijke macht hadden na de oorlog. De KP-leiding heeft de revolutie dus verraden, elke dag opnieuw en gedurende maanden vanaf de bevrijding. De Belgische regering, terug uit Londen, was in paniek en eiste de ontwapening van de partizanen, ze zouden in het geregelde leger worden opgenomen, maar dat is nooit gebeurd. De partizanen hebben hun wapens bijgehouden en alleen oude, onbruikbare geweren ingeleverd. De Luikse partizanen verstopten hun wapens in de grotten van Comblain. In 1950 werden ze terug bovengehaald en ook gebruikt. Ook vochten de partizanen in de Ardennen, tegen het von Rundstedt-offensief van de Duitsers. Tussen de burgerij, de regering en de overgebleven vakbondsleiders wordt een sociaal pact gesloten en worden toegevingen gedaan in ruil voor het breken van de macht van de revolutionairen. Voor de verkiezingen vreest men het ergste. De KP telt in augustus '45 meer dan 100.000 leden, de syndicale comités 166.000. In de verkiezingen van '46 haalt de KP 12,6% van de stemmen; in Bergen, Borinage zelfs 29%, in Luik en Charleroi 25% en in Ath-Doornik 24%.(61) Na de Tweede Wereldoorlog krijgt de KP een aantal ministerposten in de regering. Eens de productie terug op gang, had de burgerij de KP niet meer nodig. De KP stelde dat staken in de periode van de heropbouw ten voordele was van de trusts: 'Vooruitgang betekent in de huidige omstandigheden: te allen prijze de productie ontwikkelen. Dat komt volledig overeen met de 322 belangen van de arbeiders. Aan diegenen die het compromis met de kapitalisten vrezen, vragen we eenvoudig de ogen open te trekken en te kijken naar de houding van de trusts en de monopolies. Dan zullen zij zien dat deze eerder dan de productie op te drijven, erop uit zijn haar te saboteren en met alle middelen af te remmen. De belangen van deze trusts zijn tegengesteld aan die van het land en de strijd om de productie is dus gericht tegen de trusts.'(62) Communistische burgemeesters werden na de oorlog geboycot. Zo werd in Roux, Charleroi, Henri Glineur tot burgemeester gekozen. De regering antwoordde door de geldkraan naar Roux dicht te draaien. Zelfs de meest elementaire zaken konden niet meer betaald worden. Democratie onder het kapitalisme? Getroffen door dit embargo op de subsidies legde Glineur zijn burgemeesterfunctie neer.(63) De Glineur van 1932 zou heel Roux op de been gebracht hebben om het geld in Brussel te gaan halen. Maar Glineur kreeg geen revolutionaire richtlijnen meer. Oprichting van nieuw ABVV: 'Revolutionairen buitenwerken' - Inhoud Bij de oprichting van het nieuwe ABVV laat de KP-leiding zich over de hele lijn 'rollen' door diegenen die de revolutionairen zo snel mogelijk uit de vakbond wilden. Het nieuwe ABVV is een fusie van wat nog overbleef van de vooroorlogse reformistische vakbond en de revolutionaire syndicale eenheidscomités. In april 1945 is de fusie een feit. Chlepner beschrijft ze: 'Confédération Générale du Travail de Belgique: 248.259 leden; Confédération Belge des Syndicats Uniques: 165.968 (de fabriekscomités die tijdens de oorlog de arbeidersstrijd leidden, aangevoerd door de communisten); Mouvement Syndical Unifié: 59.535 (hoort meer in de rij van de revolutionaire vakbond dan bij de reformisten) en ten slotte het Syndicat Général des Services Publics: 51.798 leden (onder communistische invloed). Samen werden ze het ABVV.(64) Na de fusie bleven enkele revolutionaire centrales autonoom verder werken: die van de mijnwerkers, de steenkappers, de textielarbeiders, de dokwerkers, scheepsherstellers,... Eind '46 besliste de leiding van het nieuwe ABVV dat er tegen 1 maart 1947 nog slechts één enkele centrale mocht zijn per industrie en één enkele regionale per streek. Alle dubbele centrales moesten opgedoekt worden. Officieel waren er toen nog slechts twee industrietakken met twee centrales: die van de mijnwerkers en van de steenkappers. Die werden in 1950 uit het ABVV gezet.(65) Wij weten ook met zekerheid dat de dokwerkersleider en KP-verantwoordelijke Frans Vandenbrande tot '49 een revolutionaire syndicale groep had binnen de BTB. Omdat hij die weigerde te ontbinden werd hij in '49 uit het ABVV gegooid.(66) 323 De krachtsverhoudingen die na de oorlog in het voordeel van de revolutionair gezinde vakbondsleden waren, wist het ABVV dus om te buigen tegen 1950. Maar op de vloer blijft de invloed en de leidende rol van revolutionaire arbeiders in het ABVV en in de arbeidersbeweging voelbaar tot vandaag. Vic Thijs, actief in de metaalcentrale van het ABVV en later politiek mandataris van de BSP beschrijft uitvoerig de moeilijkheden met de 'communisten' in die tijd. Het is een levendige beschrijving van de onmacht van de reformistische leiders die jaar na jaar moeten vaststellen dat het terrein blijft ingenomen door communisten die het vertrouwen genieten van de arbeiders. De stakingen van 250.000 metaalarbeiders in 1948 en van 175.000 mijnwerkers zijn volgens hem allemaal gemanipuleerde communistische stakingen. Zelfs de strijd van de grensarbeiders van '48 worden als 'communistische drijverij' afgedaan om de regering Spaak te doen vallen. Het is dan ook niet zo moeilijk te verstaan dat de strijdbewegingen van '50 en '60 geleid werden door de in het ABVV gestapte revolutionaire syndicalisten.(67) Wie kunnen we beter citeren over deze blijvende invloed van de revolutionairen in het ABVV dan Georges Debunne zelf, voorzitter van het ABVV van '68 tot '82: 'Na de bevrijding wou ik eigenlijk opnieuw onderwijzer worden, ik ging dus naar het Achturenhuis in Brussel, naar de zetel van de acod, de vakbondscentrale. Tot mijn verbazing werd het vakbondshuis door gewapende militanten van de communistische eenheidsvakbond bewaakt.' De toekomstige voorzitter maakt ons wegwijs in de toestand van de vakbond in het algemeen en op de ministeries in het bijzonder: 'De oude garde heeft vrijwel al haar invloed verloren, de centrale is volledig in handen van de leiders van de communistische eenheidsvakbond.' Debunne kreeg te horen dat de vakbondjongeren zoals hij nodig had, mensen die weerwerk konden bieden. Hij liet zich overtuigen en aanvaardde een job als vrijgestelde van de vakbond. Daarna beschrijft Debunne hoe hij de invloed van de communisten verminderde,(68) onder andere met de slogan dat 'de vakbond onafhankelijk van elke partij moest zijn'. Debunne schrijft: 'Dat wij in die dagen zo reageerden tegen de inmenging van de communistische partij betekent helemaal niet dat wij vonden dat de vakbond a-politiek moest zijn. Integendeel!'(69), en: 'Tijdens het buitengewone congres van '71 heb ik duidelijk voorgesteld dat het ABVV twee bevoorrechte partners moest hebben: de BSP en het ACV. Onze twee organisaties speelden een beslissende rol in de algemene politiek van het land, ABVV en BSP vonden het soms nodig rechtstreeks van gedachten te wisselen. Deze contacten zijn altijd erg nuttig geweest en hebben meestal resultaten opgeleverd, hoewel niet altijd.'(70) 324 De houding van de KP-leiders roept vele vragen op. Men kan zeggen dat ze hun leiderspositie van voor, tijdens en na de Tweede Wereldoorlog zonder slag of stoot lieten afpakken. Ook dat roept grote vragen op. Durfden ze het niet aan om de arbeiders te leiden naar de overwinning, een overwinning die niets anders kon zijn dan de afschaffing van het kapitalisme en de strijd voor het echte socialisme? 14. De staking van de 700.000 tegen Leopold III. Koude Oorlog in België. Oorlog tegen Korea. Amerika mengt zich in Belgische staking - Inhoud Over deze gunstige omstandigheden voor revolutionairen en communisten bleven de burgerij en de extreem-rechtse krachten bijzonder bezorgd. Er volgde een reeks aanslagen tegen de KP-lokalen en militanten, het werk van terroristen. Ook de rechtervleugel van de CVP pleegde aanslagen tegen de KP. Nooit trad de politie op, nochtans konden de daders vaak geïdentificeerd worden, werden hun nummerplaten doorgegeven, enzovoort. Telkens werden de aanslagen opgeëist door groeperingen die de terugkomst van de koning voorbereidden. Vanden Boeynants stichtte het extreem-rechtse blad Vrai dat binnen de PSC-CVP de Koude Oorlog aanwakkerde. Toen Vanden Boeynants in '49 kamerlid van de PSC voor Brussel werd, verdween het blad. Maar ook andere extreem-rechtse krantjes bekampten communisten en iedereen die democratisch en progressief was. De KP'ers leverden dappere gevechten tegen deze aanslagen, waarbij sommige van hen ernstig gewond raakten.(71) Toen de CVP erin slaagde een referendum te organiseren over de terugkomst van Leopold III, was dat voor allen die gevochten hadden tegen de bezetter en wiens dierbaren gesneuveld waren de druppel die de emmer deed overlopen. Onder leiding van Julien Lahaut gingen ze in de tegenaanval: ze zouden de terugkeer van Leopold III tegenhouden. Het werd een prachtige strijd waarin 700.000 stakers vochten voor democratie, tegen Amerikaanse inmenging, tegen de fascistische krachten. Leopold III provoceerde de werkers door op 22 juli terug te keren. Om alle rellen voor te zijn stonden er die dag 5.000 soldaten en 6.000 gendarmes in Brussel opgesteld. Leopold kwam aan voor dag en dauw; er stond reeds een groep betogers te wachten. 'Zijn' Belgen onthaalden hem op een fluitconcert en gejoel. Overal kwamen mensen op straat, arbeiders liepen de fabrieken uit. In Luik waren er elke avond betogingen en meetings. 'Als men Leopold wil 325 verjagen, moet er een onweerstaanbare oppositiebeweging verrijzen, een voortdurende beweging zonder enige inzinking, die de meest verscheidene vormen moet aannemen en zich van dag tot dag moet verbreden. Het is de volksmassa en meer in het bijzonder de arbeidersklasse die het lot van ons land in handen heeft. Van hun beslistheid en van hun actie zal afhangen of het fascisme de pas zal worden afgesneden.'(72) De fabrieken in Wallonië en Waals-Brabant vallen stil. De winkels blijven dicht. Op 27 juli zijn er honderdduizenden stakers. De strijd voor de troonsafstand wordt gekoppeld aan sociale eisen. In Luik worden groepen van democratisch verweer opgericht. Aanslagen op spoorwegen en elektriciteitsinstallaties volgen elkaar op. Stakerscomités nemen de openbare administratie in Luik en elders in handen. Er zijn 700.000 stakers in België. In Luik worden de eerste granaten in de massa geworpen. Een gewonde staker, Jean Deboeck, wordt met verbrijzelde voet naar het ziekenhuis gebracht. De voet moet geamputeerd worden. In Luik wordt de staat van beleg afgekondigd, alle bruggen door soldaten bezet en van de rest van het land afgesneden. Maar de Luikse arbeiders schrijven één van de mooiste bladzijden van hun geschiedenis. Onder leiding van Julien Lahaut gaan ze de strijd met de rijkswacht en het leger aan. Met 10.000 dwingen ze de vrijheid van de strijd af. De rijkswacht durft niet chargeren. Als de rijkswacht zich 's avonds op kleine groepen arbeiders wreekt blijft het arbeidersverzet niet uit. Geweren, bajonetten, helmen, alles wordt in de Maas gesmeten. Er komen barricades in de Rue Pierreuse, op de Boulevard de la Sauvenière en op de Place Saint Nicolas. De strijd escaleert. Het leger wordt opgeroepen om de orde te komen herstellen, maar de reservisten weigeren uit te rukken. De soldaten die in zeven haasten uit Duitsland gehaald worden doorkruisen de stad terwijl ze De Internationale zingen; ze worden uitbundig toegejuicht. Als er geëist wordt dat ze schieten om de rijkswacht te ontzetten weigeren ze. Zowel in binnen- als buitenland wordt er gesproken van: 'België: land op de rand van de burgeroorlog'. Luik valt in de handen van de arbeiders, zij beslissen wie de stad binnenkomt en wie niet. Overal is het verzet terug in actie. Op 27 juli wordt de bestorming van het koninklijk paleis op het nippertje verhinderd. Die avond stappen tienduizenden arbeiders door Brussel, waaronder gewapende partizanen en mijnwerkers uit de Borinage, als vanouds gewapend met dynamietstaven. Met camions worden arbeiders van overal aangevoerd. Voor 1 augustus 1950 wordt een mars op Brussel gepland. Het land zweeft op de rand van de burgeroorlog.(73) Op 30 juli (één dag voor de mars) opent de rijkswacht zonder verwittiging het vuur en gooit granaten naar stakers die willen verhinderen dat een makker wordt opgepakt in Grace-Berleur: vier arbeiders worden vermoord 326 en tientallen gewond. In Luik hoort men alleen nog 'Leve de republiek' en 'Leve de revolutie'. De geplande mars op Brussel voor 1 augustus wordt via de radio opgeschort, de BSP zoekt reeds dagen naar een compromis. Max Buset, BSP-verantwoordelijke, geeft op 9 augustus in de Kamer toe: 'Wij werden gedwongen tot de actie over te gaan, maar wij wensen daar geenszins een methode van te maken.' Bijna dagelijks staat de Amerikaanse toonaangevende krant The Herald Tribune bol van de problematische toestand in België, de Atlantische bondgenoot die zo onstabiel blijkt terwijl de vs de oorlog tegen Korea is begonnen en de steun van al zijn West-Europese partners nodig heeft. Kolonel Armstrong, Amerikaans militair attaché in België, mengt zich in de Belgische keuken en probeert de BSP en het ABVV ervan te overtuigen dat de werkers hun organisaties voorbij zijn, dal het communisme al aan de voordeur staat! Maar tienduizenden arbeiders gaan op 1 augustus toch naar Brussel, doorbreken de barricaden en trekken op naar Laken... Vanop het balkon van het Volkshuis wordt de massa toegesproken door ABVV-tenoren, maar hun geroep 'Naar Laken' wordt steeds sterker. Niemand kan de betogers nog bedaren. Isabelle Blum (die veel gezag had en gekend stond als 'links' van de socialistische partij) roept de massa toe: 'We wilden troonsafstand, wc hebben hem bekomen.'(74) En Achiel Van Acker verklaart: 'Leopold III heeft zijn koffers gepakt, zijn vliegtuig staat klaar, we kunnen van deze protest mars naar Laken een overwinningsfeest maken.' Van gepakte koffers of klaarstaand vliegtuig was uiteraard geen sprake. Gailly, secretaris van het ABVV van Charleroi, zegt: 'Op vier dagen hebben we de koning zijn troon afgenomen' en Renard in Luik: 'De 40-urenweek hebben we afgedwongen, de loonsverhogingen zijn een feit, de pensioenen gaan omhoog. De mars op Brussel is een overwinningsfeest geworden.' De demobilisatie was totaal, de staking voorbij. Leopold III trad slechts later af, toen hij besefte dat de Leopoldistische milities hem niet konden redden. Maar de werkers waren bedrogen. Leopold bleef in het land en de nieuwe koning Boudewijn moest ook onderhouden worden.(75) Maar de revolutionairen gaven de strijd niet op en ook de Leopoldisten gingen ver der. Toen Boudewijn op 11 augustus de eed aflegde in de Kamer riep de communistische fractie: 'Leve de republiek, weg met de monarchie.' Vooral de luide stem van Lahaut deed het parlement beven. Vanden Boeynants baande zich een weg naar Lahaut en riep hem met gebalde vuist een serie bedreigingen toe. Dezelfde nacht ontplofte een bom op de vensterbank van het nationale partijgebouw van de KP. Tot vijftig meter ver vlogen de ruiten aan scherven. Het had veel erger kunnen zijn, de bom was slecht geplaatst.(76) 327 18 augustus 1950: Julien Lahaut vermoord! - Inhoud Op 18 augustus wordt Julien Lahaut vermoord in zijn huis in Seraing. Overal breken opnieuw stakingen uit. Telegrams stromen toe vanuit de hele wereld. Mijnwerkers dragen de kist. Achter hen een stoet van naar schatting 125.000 arbeiders en buitenlandse KP'ers. Overal staan er mensen langs de weg. Overal bloemen, veel zonnebloemen. Tot dagen nadien komen er mijnwerkers uit de Borinage in Luik aan. Steeds weer met diezelfde bloem in de hand: een zonnebloem. De zonnebloemen zijn een symbool van 'Lahaut, l'homme qui portait le soleil dans sa poche' (de man die de zon in zijn zak had). Hij wist in de meeste hachelijke momenten het moreel van de kameraden hoog te houden, niet in het minst in het concentratiekamp.(77) Algemeen wordt aangenomen dat de Leopoldisten Lahaut vermoord hebben. Feit is dat Lahaut reeds geruime tijd dreigbrieven kreeg, net als andere voormannen van de KP. Een gerechtelijk onderzoek kwam er niet. Dat de zaak Lahaut nooit werd opgelost, is misschien te verklaren door een historische vertekening: Lahaut zou vermoord zijn omwille van zijn 'Vive la république' van 11 augustus en de daders zouden dus extreem-rechtse Leopoldisten zijn. Maar in die jaren werden ook in het buitenland verschillende aanslagen gepleegd op communistische leiders, zo onder meer op de Italiaanse Togliatti en op de Franse Duclos. Dus kan met evenveel recht gesteld worden dat diverse Westerse organisaties die toen het Koudeoorlogsklimaat tegen de Sovjetunie aanmoedigden, de moordenaars leverden of gesteund hebben. Misschien had het gerechtelijk onderzoek meer opgeleverd als men in die richting gezocht had.(78) Wie denkt dat de arbeidersstrijd in ons land mee vermoord was heeft het mis. In 1957 kregen we een warme herfst met een metaalstaking van twee weken en 200.000 stakers. De staking werd verloren. In 1958 kregen we in Menen een langdurige staking van de grensarbeiders die in de Franse textiel werkten. Het was een radicale staking met arbeidersgeweld, maar ook met veel repressie. Deze staking werd uitgehongerd, verraden en verloren. In 1959 werd bekend dat de Waalse steenkoolmijnen zouden sluiten. Op 20 februari waren er 100.000 stakers. Tegen elke sluiting. Er hing een algemene staking in de lucht. Het syndicaal apparaat deed alles om de staking in te dijken. Renard hield het binnen Wallonië. Op 24 februari keurden de ABVV-leiders in het geheim een akkoord goed, de staking was verloren, verraden. 328 15. '60-'61: één miljoen stakers tegen eenheidswet - Inhoud Na de algemene staking van '50 werd beweerd dat ze de laatste geweest was van een lange reeks strijdbewegingen uit de arbeidersgeschiedenis. Toch kwam er in 1960, toen iedereen de mond vol had over de verburgerlijking van de arbeidersklasse, een algemene staking. De arbeiders verzetten zich spontaan tegen een regering die haar belangen schaadde en hun spontane rebellie dwong de vakbondsleiding te volgen. Want aanvankelijk wilde André Renard niet echt staken. Op 16 december verdedigde hij slechts het idee van een 24-urenstaking. En hij wilde geen conflict voor Kerstmis. Maar Renard werd voorbijgelopen door zijn troepen en toonde zich vervolgens wel een bekwaam leider, want hij heeft de beweging aan de basis snel gerecupereerd en gekanaliseerd naar precieze doelstellingen. Vandaag zeggen dat een staking als '60-'61 niet meer zou kunnen lijkt me verkeerd. Ik herinner me hoe in september 1983 de openbare diensten tot ieders verbazing in actie gingen. De vakbondsleiding had een dergelijke beweging absoluut niet verwacht. Wel speelt de vakbondshiërarchie vandaag een veel belangrijkere temporiserende rol dan Renard dat in '60 kon. Zo spreekt de vakbondsleider Jacques Yerna.(79) In de winter van '60-'61 gaan de arbeiders van het gehele land in staking tegen de aangekondigde besparingen. Op het hoogtepunt van de staking zijn er één miljoen stakers. De staking begint spontaan op 20 december bij de openbare diensten, ACEC, staal, zowat overal volgen de arbeiders. Er komt een enorme repressie tegen de stakers; tijdens de zeer vele betogingen van tienduizenden stakers in Luik, Charleroi, La Louvière, Verviers... staan de arbeiders telkens weer voor zo'n 18.000 rijkswachters. Ze zijn belast met de bewaking van 'de vitale punten'; het ontmantelen van de stakerspiketten en de bescherming van de werkwilligen. Daarenboven werden er 12.000 a 15.000 soldaten ingezet voor de bewaking van de industriële infrastructuur, viaducten, stations, de diensten van post en telegraaf.(80) Op 3 januari herbegint het parlement de bespreking van de eenheidswet alsof er niets aan de hand is. De regering denkt dat de stakers zullen ophouden. Het tegendeel gebeurt. Op 6 januari komt het dan tot een treffen tussen de stakers, rijkswacht en leger. Stakers trekken naar het station van Luik en naar de redactie van La Meuse, die nu al van 20 december hun strijd bekampt. Op een zoveelste provocatie van regering, rijkswacht en leger antwoorden de stakers deze keer met gevechten in regel met de ordestrijdkrachten. Het station Guillemins en de gebouwen van La Meuse worden aangevallen. De rijkswacht schiet en er vallen doden en gewonden. Van 25 zwaargewonde betogers zijn er 7 door kogels getroffen. Twee arbeiders zijn 329 dood, vermoord. Er was al een dode gevallen te Brussel bij 'de slag om Sabena' en in Gent wordt een betoging van meer dan 10.000 arbeiders uiteen geknuppeld: 30 gewonden blijven op de straatstenen liggen. Op 17 januari: twee doden te Chênée. Laf in de rug doodgeschoten. De vakbondsleiders beslissen op 23 januari de staking op te schorten. Een laatste indrukwekkende manifestatie van de arbeiders is er op 20 januari bij de begrafenis van de doden van Chênée. Het werk wordt hervat op 23 januari maar dat verloopt anders dan Renard het zich had voorgesteld. Op verschillende plaatsen verzamelen de arbeiders zich, zingen De Internationale en met de rode vlag voorop trekken ze de fabrieken binnen; niet gebroken; klassenbewust. De psychologische oorlog gaat voort. Op 25 januari herbeginnen 25.0000 spoorarbeiders van Charleroi en het Centrum. Terug staking. Twee dagen nog. De revisionisten van de KPB-leiding 'betreuren de doden' en kondigen in Luik een dag van rouw aan. Welk een verschil met de standpunten van Lahaut die erbij was toen er in '50 te Grace-Berleur doden vielen onder het rijkswachtvuur. Eén miljoen stakers waren er in die winter van '60-'61. De regering gaf niet toe, de sociaal-democratie stopte de actie af. In 1963 kwamen er echter aanzienlijke sociale voordelen voor de arbeiders. In 1964 wordt de koolmijn van Houthalen gesloten. 4.000 arbeidsplaatsen gaan verloren. Op 22 december '65 maakt de regering bekend dat de mijn van Zwartberg op 1 oktober 1966 dicht moet. Op 27 januari 1966 begint een spontane staking. De mijn wordt ondergronds bezet. De dag nadien trekken de stakers naar Winterslag om er solidariteit te vragen. Ze vechten met de rijkswacht en er wordt geschoten, er vallen gewonden maar Winterslag gaat plat. Dan trekken ze naar Waterschei, opnieuw wordt er gevochten en opnieuw schiet de rijkswacht. Deze keer vallen vele gewonden en er zullen twee doden zijn. Een gastarbeider die de gewonden wil helpen, wordt zelf in de benen geschoten. De solidariteitsdelegaties uit de Borinage zijn snel ter plaatse. Op 1 februari wordt op vele plaatsen de rijkswacht vervangen door paracommando's. De solidariteitsbetogingen van studenten te Hasselt en Leuven worden uiteen geknuppeld. De staking eindigt met de 'akkoorden van Zwartberg': geen verdere sluitingen dan na vervangende werkgelegenheid. In 1966 was er de historisch belangrijke vrouwenstaking van de FN-fabriek te Luik. Eén eis: 'gelijk loon voor gelijk werk'. De staking was een Europese première en werd begonnen door vier vrouwen, communisten, die op vier centrale plaatsen het startsein gaven. De vrouwen zijn door deze grote staking bewust geworden, ze zijn tot in het buitenland gaan spreken, 330 tot jaren nadien voor. Het principe van 'gelijk loon voor gelijk werk' dat in het Verdrag van Rome stond maar nergens werd toegepast, werd zo op de arbeidersagenda geplaatst. 'Maar onze staking was ook een overwinning voor de vrouwelijke vertegenwoordiging in de vakbond. We kregen vrouwelijke delegees. Het heeft nog een tijd geduurd eer we ook echt serieus genomen werden door de mannen. Is de basis van eender welk feminisme niet gelijk loon voor gelijk werk? En is de emancipatie niet in de eerste plaats nodig op het werk en in de vakbonden?', aldus Henriette Steineck, één van de vier.(81) Tot zover deze schets. Hoe de arbeidersgeschiedenis daarna evolueerde, kon u lezen in het verhaal van de acht in dit boek. 331 Noten 'Vive Lahaut!', 'Leve Lahaut!' - Inhoud - de fabriek 1. Luc Schepens, Van vlaskutser tot Franschman. Bijdrage tot de geschiedenis van de Westvlaamse plattelandsbevolking in de negentiende eeuw, Brugge, 1973. Dit boek werd gemaakt door het economisch studiebureau wes onder leiding van Prof. Dr. O. Vanneste, de latere gouverneur van West-Vlaanderen. 2. A. Ryserhove, 'Beernem, een heemkundige studie', in Van vlaskutser tot Franschman, p. 12. 3. 'Rapports faits par Messieurs les commissaires d'arrondissement en 1845' (arrondissement Thielt-Roulers), in Van vlaskutser tot Franschman, p.40. 4. E. Ducpétiaux, 'Memoire sur Ie paupérisme', in Van vlaskutser tot Franschman, p.40. 5. 'Annales parlementaires', 1846-47, in Van vlaskutser tot Franschman, p.42. 6. 'Rapports faits par Messieurs les commissaires d'arrondissement en 1846', in Van vlaskutser tot Franschman, p.44. 7. Idem. 8. 'Moniteur Beige', 7 maart 1847, in Van vlaskutser tot Franschman, p.45. 9. R. Blanchard, 'LaFlandre', (Lille 1906), in Van vlaskutser tot Franschman, p.43. 10. E. Ducpétiaux, 'Exposé de la question de la misère et du paupérisme en Belgique et spécialement dans les Flandres, 1847', in Van vlaskutser tot Franschman, p.43. 331 11. Luc Schepens, op.cit., p.46-47. 12. R. Coolsaet, België en zijn buitenlands politiek, Van Halewyck, Leuven, 1998, p.89. 13. Denise De Weerdt, 'Arbeiders en arbeidersleven 1844-1914', in Algemene geschiedenis der Nederlanden, deel 12, p. 111. 14. R. Coolsaet, op.cit., p.86. 15. Raoul Blanchard, 'La densité de population du département du Nord au XlXe siècle. Etude de dix recensements de population, Lille, 1906', in Van vlaskutser tot Franschman, pp. 193-194. 16. J. Vrancken, 'Topographie médicale de 1'arrondissement administratif de Courtrai, Brugge, 1853', in Van vlaskutser tot Franschman, p.243. Te Brussel is (circa 1842) de kindersterfte beneden het jaar 47,9 % en te Gent 43,75 %. Cf. Ed. Ducpétiaux, 'La question de la charité et des associations religieuses en Belgique, 1859' in Van vlaskutser tot Franschman, p.243. 17. G. Carrier, J.M. Deleye, A. Vankeirsbulck en L. Vanneste, 150 jaar arbeidersbeweging in Midden- en Zuid-West-Vlaanderen, Culturele Centrale van het ABVV Midden- en Zuid-West-Vlaanderen, Kortrijk, 1980,pp 19-24. 18. August De Winne, Door arm Vlaanderen, Kritak, Leuven, 1982, pp.23, 38, 60, 148-149. Oorspronkelijke titel: A travers les Flandres, Volksdrukkerij, Gent, 1902. 19. A. De Winne, op.cit, pp.98-102. 20. Marie-Sylvie Dupont-Bouchat, 'Le vagabondage: assistance ou répression', in Les Cahiers de la Fonderie, revue de l'histoire sociale et industrielle de la région Bruxelloise, nr.5, december 1988, pp.2-16. 21. Georges Duez, Vincent Van Gogh au Borinage, Fédération du Tourisme de la Province de Hainaut, Mons, 1986. 22. Daniel Pector en Etienne Fourier, La révolte des damnés de la terre. Le soulèvement ouvrier de mars 1886 dans lespays de Liège et de Charleroi, Le Progrès en Fondation Joseph Jacquemotte, Charleroi-Bruxelles, 1986. 23. Léon Fourmanoit, Des luttes... des hommes... et du Borinage, Impri-coop Cuesmes, 1983. 24. Karel van Isacker, De Antwerpse dokwerker, 1830-1940, Antwerpen, 1963. 25. An Mares, Arbeidsorganisatie en arbeidsverhoudingen aan de haven van Antwerpen, licenciaatsthesis Letteren en Wijsbegeerte vub 1989-'90 (Geraadpleegd op amsab, Gent). 26. Guido Van Meir, De geschiedenis van de BSP, in eigen beheer, Gent, 1 mei 1975. 332 27. Jean Roggeman, La politique communiste devant le syndicalisme verviétois, L'Union, Verviers, 1922. 28. Discours prononcé s a la Chambre des Représentants par les députés Glineur, Lahaut, Jacquemotte. Séance du 8 mai 1934. (Geraadpleegd op het archief van het Institut d'Histoire Ouvrière, Economique et Sociale (IHOES) te Seraing.) La grève générale dans l'industrie textile verviétoise, Discours prononcé a la Chambre des Représentants par le député Jacquemotte, Séance du 29 mai 1934. (Geraadpleegd op IHOES, Seraing)29. Joseph Bondas, Histoire de la Centrale des Mé tallurgistes de Belgique. Soixante années d'efforts et de luttes 1887-1947, Imprimerie Cooperative Ouvrière, La Louvière, 1948, p.121.30. Léon Fourmanoit, Des luttes...des hommes...et du Borinage 1910-1925. Chronique, fgtb Borinage Culture, 1981. 31. Tientallen krantenknipsels van de beide stakingen, bijgehouden door de communistische dokwerker Jaak Withages en bewaard door het AMSAB-Antwerpen. 32. Bert Hogenkamp en Henri Storck, De Borinage. De mijnwerkersstaking van 1932 en de film van Joris Ivens en Henri Storck, Van Gennep-Kritak, Amsterdam-Leuven, 1983, p.18. 33. Au Secours!, maandblad van de Belgische afdeling van Secours Rouge International (Rode Internationale Hulp), numero spécial de juillet 1932 (speciaal nummer ter vervanging van het in beslag genomen nummer). (Geraadpleegd op IHOES, Seraing) 34. Guido Van Meir, op.cit, p.35. 35. Pour la Victoire dans les combats des mineurs, verslag van het derde congres (maart 1933) van de Centrale Révolutionnaire des Mineurs. (Geraadpleegd op IHOES, Seraing) 36. Bert Hogenkamp en Henri Storck, op.cit, p.18. 37. Robert Destanque, Aan welke kant en in welk heelal. Joris Ivens, de geschiedenis van een leven, Meulenhoff, Amsterdam, 1989, p.125. (Oorspronkelijke titel: Joris Ivens ou la mémoire d'un regard, 1982) 38. Bert Hogenkamp en Henri Storck, op.cit., pp. 18, 139. 39. Histoire de la grève des mineurs de 1932, Centrale Syndicale des Mineurs du bassin de Liège, oktober 1932. (Geraadpleegd op IHOES, Seraing) 40. Constant Malva, 'Quand la mort nous frappe', in Le rouge et le noir, 23 mei 1934, geciteerd in Bert Hogenkamp en Henri Storck, op.cit., p.20. 333 41. Jean Derkenne vertelt zijn leven, video, Video-Project I.S. (Kazernestraat 68, 1000 Brussel, tel.: 02/513 77 60) Video-Project beschikt ook over de Russische films waarvan sprake. 42. Un ouvrier Hutois en Russie des Soviets, Les amis de 1'urss, Hoei, september 1930. (Geraadpleegd op IHOES, Seraing) 43. Bob Claessens, Julien Lahaut. Une vie au service dupeuple, Kommunistische Partij van België (KPB), 1950. 44. Jean Derkenne vertelt zijn leven, op.cit. 45. Bob Claessens, op.cit. 46. Ward Adriaens, Vrijwilligers voor de vrijheid, Kritak, Leuven 1978 pp.32, 33, 35. 47. Jean Derkenne vertelt zijn leven, op.cit. 48. Bob Claessens, op.cit. 49. Guido VanMeir, op.cit., y.39. 50. C. Colin en A. Bonenfant, La grève formidable des 500.000 en juin 1936, Kommunistische Partij van België, 1937, p.3. (Geraadpleegd op IHOES, Seraing) 51. Interview met Bert Struyf door Roger Van Doninck, 1997. 52. C. Colin en A. Bonenfant, op.cit., pp.5-25. 53. B.-S. Chlepner, Cent ans d' histoire sociale en Belgique., Editions de l'Université de Bruxelles, Brussel, 1972, pp.266-267. 54. Pamflet, (IHOES, Seraing) 55. Pamfletten van de Weerstand aan de mijnwerkers van Hornu-Wasmes, in Chroniques de la ré sistance du Front de l'Indépendance, Section régionale F.I. de Liège, 1976, pp.60-61.56. Idem, p.72. 57. Idem, pp.64-94. 58. Bob Claessens, op.cit. 59. Jean Derkenne vertelt zijn leven, op.cit. 60. AndréDans, Un militant li égeois se souvient..., 1983,pp.l08-109.61. B.-S. Chlepner, op.cit. 62. J. Terfve, Vers la rénovation de la Belgique, rapport voor het Centraal Comité van de Kommunistische Partij van België, 12 augustus 1945. 63. René-Pierre Hasquin, L'adieu au Pays Noir, Editions Scaillet, Charleroi, 1992, p.176. 64. B.-S. Chlepner, op.cit, p.270. 65. Idem. 66. Interview met Frans Vanden Branden in het TV-programma Ter Zake (VRT), naar aanleiding van het honderdjarig bestaan van het ABVV 1998. 334 67. Vic Thijs, 20 jaar syndicale kroniek, (een bundeling van wekelijkse kronieken in Volksgazet tussen de Tweede Wereldoorlog en de jaren '60), Antwerpen, 1967, pp.47-60. 68. Georges Debunne, Ik heb mijn zeg gehad. Mémoires, Kritak, Leuven, p.ll. 69. Idem, p. 19. 70. Idem, p.32. 71. Hans Depraetere en Jenny Dierick, De Koude Oorlog in België, epo, Berchem, 1985. 72. Frans Vanden Branden, De grote staking van juli 1950, Kommunistische Partij van België (KPB), Brussel, 1950. 73. Idem. 74. Ooggetuige en partizane Juliette Pierre, een dierbare kameraad, legt de grootste verantwoordelijkheid voor het verraad bij Isabelle Blum omdat zij veel meer gezag had op dat moment dan Van Acker. 75. Frans Vanden Branden, op.cit. 76. Hans Depraetere en Jenny Dierick, op.cit., p.78. 77. Bob Claessens, op.cit. 78. Hans Depraetere en Jenny Dierick, op.cit, p.91. 79. Jacques Yerna en Jean Neuville, Le choc de l'hiver 60-61. Les grèves contre la loi unique, Politique et Histoire, Brussel, 1990, p.19. 80. Frans Buyens en Leo de Haes, 60-61: de staking tegen de eenheidswet: Vechten voor onze rechten, Kritak, Leuven. 81. Interview met Henriette Steineck, een van de vier vrouwen die de staking begon, door I. Haesendonck, februari 1994. 335 Achterblad
- Inhoud - de fabriek
'Acht van mijn vrienden trokken naar de fabriek. Eentje werd na
biologiestudies mijnwerker, een andere werd lasser in de nacht op Caterpillar;
er is een psycholoog, een advocaat in de chemie, een student van Kruithof die
in de volcontinu van Sidmar terechtkwam, een kinderpsychologe die in Verviers
uniek vakbondswerk leverde. Twee priester-arbeiders: een licenciate wiskunde
en een aankomend theoloog die nu al een kwarteeuw de arbeidersstrijd leidt. Er bestaat een beeldvorming over "de minstbedeelden, die racistisch zijn".
De acht halen daarentegen het beste van de werkende mensen naar boven, de
arbeiders verschijnen in hun verhaal als de meest solidaire en sociale groep.'
-Imelda Haesendonck Na mei '68 lieten studenten hun veelbelovende studies in de steek om in de
fabriek te gaan werken. De hamvraag voor hen was een oude vraag: Voor wie zal
ons leven bestemd zijn? Voor de arbeiders en de gewone mensen of voor een
carrière in dienst van het kapitalisme? Ze waren eerst met een handjevol, dan enkele tientallen, honderden, om het
te proberen. Het was niet alleen een strategie van inplanting om een totaal
nieuw politiek landschap te maken maar het was ook een individueel avontuur,
een fysieke en morele proef. Een arbeider van Caterpillar: 'Bij ons is er een symbiose ontstaan tussen
de geëngageerde intellectueel met zijn kennis en de arbeiders met hun kennis
van het terrein, hun honger naar de waarheid. Een geëngageerde intellectueel
die naar ons luistert, zich in onze situatie inleeft, zelf een arbeidersleven
leidt, is niet belerend. Ik weet niet waar wij in onze strijd zouden staan
zonder hem.'
Imelda Haesendonck (°Leuven 1952) schreef eerder
|