Kasama
Bevrijdende gezondheidszorg
op de Filippijnen
, Bert De Belder,
Rita Vanobberghen, EPO, 1997


  
Mail  Kris Merckx  Inhoud  Home
 
 Naar de pagina-versie         
Naar de doorlopende versie

Omslagontwerp: Jan Depover Foto voorplat: Woman at war, J.M.V. ’97 Philippines Vormgeving: epo Druk: drukkerij epo, © Bert De Belder & Rita Vanobberghen en Uitgeverij epo vzw, 1997, ISBN 90 6445 058 7, D 1997/2204/33 nugi661. Verspreiding voor Nederland Centraal Boekhuis bv Culemborg Vertegenwoordiging Uitgeverij De Geus, Breda

Inhoud - Boven

Ten geleide
Voorwoord
Kaart

  1. 1987-1988 Confrontaties en contrasten
 
2. 1988 - Drie keer naar het platteland
 
3. 1989 - De medische faculteit van het
NPA 66
 
4. 1990 - ‘Heb je geen bosmensen ontmoet?’
 
5. 1991 - Het jaar dat de Pinatubo uitbarstte 126
  6.
1992 - ‘Welke liefde is er groter...’
 
7. 1993 - Het Jaar van de Haan
 
8. 1994 - Neutraliteit ontmaskerd
  9.
1995 - Afscheid van Hilde
10. 1996 - Che-Che, de nieuwe generatie

Nawoord

Verklarende en vertalende woordenlijst
Lijst van afkortingen
Achterblad

*
*   *

Ten geleide

Het wordingsproces van dit boek was een olifantendracht, de realisatie ervan een moeilijke bevalling.

Maar de rollen waren voor een keertje omgedraaid, en dat vond ik heerlijk. De zwangerschap en bevalling van onze drie kinderen was immers voornamelijk mijn job geweest - hoewel Bert er ergens iets mee te maken had. Ons laatste product was vooral Berts werk, hoewel ik als partner ook een zekere inbreng had. In het boek staan ook mijn stukjes uit onze nieuwsbrief, flarden uit mijn dagboeknotities, stukken uit mijn brieven naar thuis of naar mijn zus. En tijdens het schrijven zorgde ik voor morele steun, een luisterend oor, en op tijd en stond een chocolaatje met een fruitsapje.

Een gemakkelijke zwangerschap was Kasama niet. Gewoonlijk moet je aan zwanger zijn niet veel doen. Het groeit vanzelf. Bij een boek ligt dat anders. Je moet het zelf gedurig en geduldig vormen en kneden. Naast schrijven is het vooral schrappen en schaven. En soms aborteren en herbeginnen.

Elke baby die geboren wordt is een volkomen verrassing, maar bij Kasama hebben we heel wat zeggenschap gehad over hoe hij er zou uitzien. Met bij elke stap de weerkerende vraag en de moeilijke beslissing: ‘Zetten we dit er ook in? Gaan we daarover echt spreken? Is dat wel relevant voor het verhaal?’ Meer dan acht jaar in de Filipijnen leverde voldoende stof om een paar boeken vol te schrijven. Maar hoever moesten we gaan met de duiding van historische achtergronden en van de politieke actualiteit? Hoe zwaar op de hand of licht verteerbaar moest het worden? Hoeveel faits divers en anekdotes wil de lezer? Hoe op een evenwichtige manier over cultuurverschillen schrijven?

Er waren moeilijker vragen ook. Hoeveel van onszelf geven we bloot, hoeveel emotie leggen we erin, en wordt het dan niet sentimenteel? En geven we niet te veel bloot van de interne keuken van de Filipijnse revolutionaire beweging? Die wordt in haar ondergronds bestaan immers continu bedreigd door veiligheids- en repressiediensten in binnen- en buitenland. Om die reden hebben we bepaalde eigennamen, persoonsbeschrijvingen en plaatsnamen veranderd, zonder iets af te doen aan de waarheidsgetrouwheid van het verhaal.

Het duurde even voor Bert echt zijn draai had gevonden bij het schrijven, om van het boek geen academisch traktaat maar een doorleefd geheel te maken. Gelukkig waren veel mensen bereid kritiek te geven en correcties aan te brengen bij eerdere versies van het boek, waarvoor onze beste dank. Dank ook aan onze ouders en schoonouders, voor wie we het niet altijd even gemakkelijk maakten om ons werk en ons engagement te blijven steunen. De grootste hulp voor Bert en mij was ongetwijfeld de nagedachtenis van mijn zus Hilde aan wie we dit boek opdragen.

En dan moesten we het kind een naam geven. Onze keuze viel op Kasama: Kasama - compagnon, metgezel, partner (zoals het Spaanse companero') Kasama - kameraad

Kasama - NPA’er, lid van het Nieuwe Volksleger
Kasama - inbegrepen, deel uitmakend van
Kasama - vergezeld van, samen met
Sama ka - doe mee, kom mee, sluit je aan
Sama-sama - allemaal samen, verenigd

Kasama nodigt je uit om mee te gaan, niet alleen op reis naar de Filipijnen, maar ook acht turbulente en boeiende jaren in de tijd. Op een tocht van Manilla naar het platteland, van de volksvrouwen naar de guerrilla, van medische consultaties naar gewapende strijd. Sinds ik in 1985 als arts bij de Salvadoraanse bevrijdingsbeweging gewond werd, ben ikzelf niet meer in staat naar guerrillazones te trekken. Maar door Berts verhalen had ik het gevoel dat ik het leven en de strijd van het Nieuwe Volksleger een beetje kon meemaken. Ik hoop voor jullie hetzelfde.

Kasama nodigt je ook uit om mee te doen. Nu onze baby er is, zijn we natuurlijk bezorgd hoe het hem verder zal vergaan. We rekenen erop dat het boek voor velen een aanzet tot of een versteviging van een engagement voor bevrijding zal zijn, in de Derde Wereld of hier. Sama ka, kasama!

Rita Vanobberghen

Schaarbeek, 21 september 1997

Voorwoord

Voor ik ertoe kwam om de bevrijdingsstrijd in de Derde Wereld te steunen en me te engageren binnen de Filipijnse revolutie heb ik een lange weg afgelegd.

Mijn eerste politieke uiting was Vlaams-nationalistisch. Op het Sint-Stanislascollege in Berchem liepen een aantal oubollige KSA’ers rond die dweepten met het Taalactiecomité (tak). Ze namen me mee naar een betoging in Antwerpen. Dat moet in 1974 geweest zijn, ik was toen 14. Waar het precies om ging ben ik vergeten, maar de manifestatie was alleszins gericht tegen toenmalig eerste minister Tindemans. Die was juist op bezoek in China, wat resulteerde in de originele slogan ‘Leo, blijf bij Mao’.

Leo Tindemans kende ik genoeg. Hij had ons maandenlang aangestaard vanop reuzenaffiches ‘Met deze man wordt het anders’. Wat er met hem anders is geworden heb ik nooit gemerkt. Maar Mao Zedong, de man waarmee alles écht anders was geworden voor honderden miljoenen Chinezen, daar wou ik wel eens wat meer over weten. Het draaide erop uit dat ik op school, waar ik een paar progressieve leraars had, een eindwerk maakte over Mao.

El Salvador

In 1978 ging ik in Leuven geneeskunde studeren. Ik had interesse voor politiek, maar wilde in plaats van pol & soc liever iets ‘nuttigs’ studeren. Een sociaal beroep als dokter leek me wel wat, maar de internationale actualiteit zou me richting Derde Wereld stuwen. Vlak na mijn eerste jaar geneeskunde verjoegen de Sandinisten dictator Somoza uit Nicaragua. Ook het Tanzania van Nyerere sprak me aan, land dat gekozen werd voor de 11.11.11-campagne van Groot-Leuven. Ik sloot me aan bij de Werkgroep Derde Wereld van de studenten. We verbonden ons tot tweewekelijkse ‘sobere maaltijden’ en een maandelijkse ‘ontwikkelingsbelasting’. De opbrengst ging naar projecten in de Derde Wereld.

Op 24 maart 1980 ging een schokgolf door progressief Leuven: de Salvadoraanse aartsbisschop Romero, die pas in Leuven een eredoctoraat had gekregen, was brutaal vermoord door een paramilitair doodseskader, omdat hij het had aangedurfd de militairen te vragen hun wapens niet tegen het volk te richten. Op een spoedvergadering in ’t Stuc werd het Leuvens El Salvadorcomité opgericht, dat de Salvadoraanse guerrillabeweging fmln ging steunen. Dit was voor mij dé kans om mijn intellectuele en emotionele verontwaardiging over zoveel onrecht in de wereld om te zetten in een concreet engagement dat verder ging dan de 11.11.11 -acties van de Werkgroep Derde Wereld. Ik sloot me aan bij het comité.

We werden al gauw El Salvador-freaks. Kranten werden driftig verknipt, alle nieuws- en Actueel-items over dat landje werden op band opgenomen en met rode vlaggetjes duidden we op een landkaart stap voor stap de vooruitgang van de bevrijdingsoorlog aan. Achteraf bekeken klinkt het wel ironisch dat we de kleinste Salvadoraanse dorpjes bij naam kenden, maar niet eens de Boelwerf wisten liggen!

Genk

Helemaal vast lag mijn keuze voor de Derde Wereld nog niet. Ook een sociale invulling van het huisartsenberoep in België bleef me aanspreken. Een medestudente raadde me aan vrijwillig stage te lopen op een groepspraktijk van Geneeskunde voor het Volk. Een week brossen zag ik wel zitten en ik trok naar het verre Limburg. Het werd een meevaller: het werken in groep, de geïntegreerde aanpak, het gebruik van een patiëntendossier en essentiële geneesmiddelen, de aandacht voor de sociale context, en de toffe R4-kes waarmee de rode dokters door Genk crosten.

Toch was het ook een beetje onwezenlijk voor mij. Of beter, ikzelf was nog een beetje onwezenlijk voor de realiteit. De groepspraktijk in Genk ligt middenin een arbeiderswijk en ik had tot dan nog maar amper een arbeider van dichtbij gezien. Als jobstudent had ik wel een paar keer met een kuisfirma gewerkt, maar veel meer dan verontwaardiging over het verschil tussen de met keukenolie opgeblonken wc-brillen van de Brusselse kantoorgebouwen en de oude Franse ‘gemakken’ voor de arbeiders van FN-Herstal en ACEC-Charleroi was me daar niet van bijgebleven.

Ik verwonderde mij ook over de politieke aanpak bij Geneeskunde voor het Volk. Ik had de indruk dat er meer Solidairs werden voorgeschreven dan pillen. Maar het was verwondering in de zin van ‘daar zit iets in’.

Palestina

Toch bleef ik me beter voelen bij het derdewereldsolidariteitswerk. Als derdekandidatuursstudent kon ik voor een maand in een kliniekje van een Palestijns vluchtelingenkamp in Zuid-Libanon gaan helpen met verpleegwerk. Deze inleefstage werd geregeld via het PLO-bureau in Brussel. Met een jaargenoot kwam ik terecht in Rashidiyeh.

Wonen en werken onder de Palestijnen en Libanezen was een openbaring. Alle theorie over onderdrukking en imperialisme werd plots heel concreet. Nauwelijks enkele weken voordien, in juli 1981, had Israël nog dagenlang de Palestijnse kampen in Zuid-Libanon en Beiroet gebombardeerd en de mensen van Rashidiyeh hadden dag en nacht in de schuilkelders gezeten. Er waren negen doden gevallen. Op de afdeling traumatologie van het kliniekje waar we werkten, waren bijna alle patiënten het slachtoffer geweest van die Israëlische bommen, mortieren, granaten en kogels.

Buiten het kamp werden Palestijnse fedayin getraind door militaire instructeurs uit Bangladesh. Elke Palestijnse man had een wapen in huis en zo leerde ik een ak-47, de alombekende Kalashnikov van sovjetmakelij, ontmantelen en weer ineensteken - maar ik weigerde te leren schieten toen mijn Palestijnse vrienden me dat voorstelden. Mijn beste vriend was Mahmoud, een jonge man die speciaal getraind was om al zwemmend gedurfde commando-acties op Israëlisch grondgebied uit te voeren. Die gloed in zijn ogen als hij het over de onvermijdelijke overwinning van het Palestijnse volk had! Alle Palestijnen, jong en oud, hadden die rustige zelfzekerheid dat ze eens zouden terugkeren naar hun land.

In juni 1982 viel Israël Libanon binnen. Operatie Galilea zaaide dood en vernieling onder Palestijnen en Libanezen. Rashidiyeh en andere vluchtelingenkampen werden onder de voet gelopen. Met een vakantieliefje ging ik die zomer kijken naar Missing van Costa Gavras, over de bloedige staatsgreep van Pinochet in Chili. Maar ik zag Mahmoud voor mij en mijn andere Palestijnse vrienden. Zouden zij in handen zijn gevallen van de Israëli’s? Zouden ze ook onder dergelijke gruwelijke repressie te lijden hebben? Zouden ze nog leven? In volle filmzaal barstte ik in tranen uit. Mijn liefje begreep er niets van.

Mijn Palestijnse ervaring en mijn engagement voor El Salvador sterkten me in de keuze om mijn medische kennis ten dienste te stellen van de volksstrijd in de Derde Wereld. Marc ‘Jonathan’ Ingelbrecht, die als medisch student in 1981 naar de FMLN-gebieden was getrokken, kwam ons in Leuven toespreken en enthousiasmeren. Dokter bij de guerrilla, dat leek mij het summum! Mijn invulling van het ideaal ‘vertrekken naar de Derde Wereld’ was al grondig veranderd. Eerst was het louter humanitair: de nood gaan lenigen. Dan wilde ik alleen nog maar in een ‘zinvol’ project werken: kleinschalig, met participatie van de bevolking, kaderend in een ruimere ontwikkelingsstrategie. En nu zag ik mijn toekomst als medische vrijwilliger hetzij bij bevrijdingsbewegingen (het fmln, de plo), hetzij in landen die zich al bevrijd hadden (Nicaragua).

Chili

In mijn stagejaar bood de medische faculteit van de KU-Leuven ons de mogelijkheid voor acht maanden naar Latijns-Amerika, Zaïre of India te gaan. Ik kwam terecht in Chili, een land dat tot de verbeelding sprak door het socialistisch georiënteerd experiment van Salvador Allende in de vroege jaren ’ 70 en door de daaropvolgende dictatuur van Pinochet, een figuur die zo uit een bestseller van Gabriel Garcia Marquez kon weggelopen zijn. Ik kon me enkel verzoenen met de idee om in een moorddadige militaire dictatuur te gaan werken door er het vast voornemen aan te koppelen contact te zoeken met de Chileense oppositie.

Toen ik met twee andere Leuvense stagiairs in november 1983 in Chili aankwam leek het regime nog een blok graniet; geen enkele politieke partij was toegelaten. Maar mee door de val van het generaalsregime in buurland Argentinië begon het volk zich te roeren. Elke maand waren er protestdagen en stakingen en ik ging mee naar betogingen en hongerstakingen. De Chileense rijkswacht, de gehate carabineros, gingen er hard tegenaan. Tijdens een betoging waar ik aan deelnam viel een student onder politiekogels.

In onze vrije tijd bezochten we een koolmijn en een staalfabriek. We werden vriend aan huis in een arbeiderswijk, bij Hugo en Andrea en hun kinderen Hugo Antonio en Melissa. Met een jonge arts, Lautaro, gaven we lessen gezondheidsopvoeding aan vakbondsmensen.

Naarmate we Hugo, Andrea en Lautaro beter leerden kennen lieten ze ons hun sympathie blijken voor de weerstand tegen de dictatuur, de Resistencia die geleid werd door de mir, de Beweging van Revolutionair Links. Lautaro liet verstaan dat hij af en toe gewonde verzetsmensen verzorgde. Een dokter waar ik naar opkeek.

In de loop van de volgende maanden kwamen één voor één en erg voorzichtig de politieke partijen weer bovenwater, van de christen-democratische tot de communistische. In de erg gepolitiseerde sfeer van die dagen bekenden praktisch al mijn medestudenten kleur. Ik merkte dat mijn beste vrienden Lenin studeerden. Ze waren ofwel bij de Communistische Partij, ofwel zwegen ze over partijlidmaatschap in alle talen. Die laatsten waren dus bij de mir, de enige partij die in de clandestiniteit bleef en op kleine schaal guerrilla-acties ondernam. Regelmatig viel het verzet carabinero-posten aan, en de R van Resistencia was uitdagend zichtbaar in de volkswijken. Op zekere dag kreeg ik van Hugo op de bus een opgerolde krant in mijn handen gestopt. Thuisgekomen haalde ik daar met bonzend hart een nummer van het tijdschrift van de mir uit. Mijn eerste clandestiene daad!

Mijn Chileense vrienden vroegen me: ‘En vertel jij nu maar eens over jouw partij in België’. Ik stond met mijn mond vol tanden. Zij konden niet begrijpen hoe ik linkse standpunten kon innemen en solidair kon zijn met hun strijd, zonder zelf bij een revolutionaire partij te zijn aangesloten.

Ik was terug in België toen we het bericht kregen dat onze vriend Hugo was gearresteerd. Hij werd voor drie maanden verbannen naar een gevangenenkamp in San Pedro de Atacama, middenin de zoutwoestijn van Noord-Chili. Met andere Chili-stagiairs en solidariteitswerkers startten we een campagne voor Hugo’s vrijlating. We schreven artikels en brieven, zamelden geld in voor Andrea en de kinderen, verzochten politici om hun steun, benaderden mensenrechtenorganisaties.

De gedachte aan Hugo in gevangenschap kwelde me. Ik vreesde voortdurend dat hij zou gefolterd worden door Pinochets beulen. Op een avond op een fuif werd het me allemaal te veel en ik ging uithuilen op de schouders van mijn vriendin Marleen. Mijn fuifgenoten zullen allicht gedacht hebben dat het om een acute aanval van liefdesverdriet ging.

Toen we maanden later Hugo met Andrea en de kinderen als politieke vluchtelingen naar België konden halen, bleken onze Chileense vrienden een politieke thuishaven te vinden bij de Partij van de Arbeid.

Rita

Tijdens mijn examens van het laatste jaar geneeskunde, in juni 1985, hoorden we met verbijstering dat dokter Rita Vanobberghen in El Salvador was neergeschoten. Ook zij had ervoor gekozen medische zorgen te verlenen aan het fmln en aan de bevolking in de bevrijde gebieden. Toen ze in een naburig guerrillakamp medisch materiaal ging terugbrengen na een operatie, werd ze beschoten vanuit een helikopter van het Salvadoraans regeringsleger. Zwaar gewond in de heup werd ze eerst door de brigadistas van het fmln verzorgd en dan door tussenkomst van het Internationale Rode Kruis naar een hospitaal in Costa Rica gebracht en naar België gerepatrieerd. Ik kende Rita van in Leuven, waar ze in de medische faculteit een paar jaar hoger dan ik zat. Toevallig had ik ook met haar een vormingscursus van iteco voor kandidaat-ontwikkelingswerkers gevolgd.

Tijdens haar lange herstelperiode ging ik Rita thuis opzoeken. Wat me meteen opviel was haar ongebroken optimisme, haar vastberadenheid, haar innerlijke kracht. Er was op dat moment nauwelijks hoop dat ze ooit weer zou kunnen gaan, maar ze had alvast enkele informatie-avonden gepland, waar ze de mensen vanop een draagberrie zou toespreken!

Michaël

Na zes maand studie tropische geneeskunde in Antwerpen kon ik in 1986 halftijds als huisarts aan de slag in de groepspraktijk De Bres van Geneeskunde voor het Volk in Deurne. De dokters Lieve Seuntjens en Dirk Van Duppen werkten dat jaar in Libanon, waar ze de verschrikkelijke belegering van de Palestijnse kampen meemaakten. Harrie Dewitte, een andere dokter van Geneeskunde voor het Volk, kwam me opzoeken. Het plan rijpte om een organisatie op te richten, Geneeskunde voor de Derde Wereld, om projecten van bevrijdende gezondheidszorg te steunen en er vrijwilligers naartoe te sturen. De eerste opdracht was een vervanger te vinden voor Michaël De Witte, een derde Belgische arts die bij de Salvadoraanse guerrilla werkte en dringend aan verlof toe was. Of ik daarin niet geïnteresseerd was?

Daar stond ik dan. Werken bij de guerrilla was wel mijn ideaal, maar nu er een concrete vraag was om in de leven-en-doodsituatie van de Salvadoraanse bevrijdingsstrijd te gaan meehelpen, werd ik door twijfels overmand. Ik ging erover praten met Rita, wiens heupkwetsuur onverwachts zo gunstig evolueerde dat ze langzaamaan en met behulp van twee krukken weer leerde stappen. Rita stimuleerde noch ontmoedigde me. Ze waarschuwde dat het niet makkelijk zou zijn, maar dacht dat ik het wel zou aankunnen. Ikzelf bleef twijfelen, voelde me er nog niet klaar voor.

Ik voelde de nood om de levenskeuze waar ik voor stond en waar ik het niet gemakkelijk mee had beter te funderen. Toen liep ik Rita weer tegen het lijf. Weer zaten we samen op een cursus, maar hier werden de zaken grondiger aangepakt dan bij iteco. We kregen een marxistisch analysekader aangeboden en bestudeerden in groep de geschiedenis, de actualiteit, de verschillende politieke stromingen, de politieke economie, de revolutie in de Derde Wereld en hier, het socialisme en het belang van een slagkrachtige organisatie.

Er was zelfs plaats voor een vleugje romantiek tijdens deze toetredings-cyclus van de Partij van de Arbeid - want dat was het. Rita en ik bestudeerden ook elkaar en het duurde niet lang voor we besloten om samen naar de Derde Wereld te vertrekken.

Op 7 februari 1987 sneuvelde Michaël in El Salvador. Met een schuldig gevoel dacht ik: ‘Eigenlijk had ik dat moeten zijn.’ Met Katlijn Declercq van sago stonden Rita en ik in voor de organisatie van de herdenkingsviering voor Michaël in zaal Monty in Antwerpen, die gevuld was met 500 mensen, voor een prachtige avond.

Filipijnen

Rita en ik wilden vertrekken, maar naar waar? El Salvador was uitgesloten, daar stond Rita op de zwarte lijst. We zochten een alternatief, met de afspraak dat we dat zouden inruilen voor El Salvador zogauw het fmln de overwinning behaalde.

In die periode kwamen de Filipijnen dagelijks in het nieuws. Dictator Marcos was van de macht verdreven en het gewapend verzet en de legale volksorganisaties waren fenomenaal gegroeid en stonden in hoog aanzien.

De uitzendorganisatie Bevrijde Wereld deed ons een aanbod om met een Filipijnse niet-gouvernementele organisatie voor bevrijdende gezondheidszorg scheep te gaan. Het betrof een vormingsproject van de Council for Primary Health Care, de Raad voor Basisgezondheidszorg, op het eiland Samar. Een verleidelijke uitdaging waar Rita en ik graag op ingingen.

We zetten ons aan het studeren, want we wilden goed voorbereid zijn. Alles over de Filipijnse gezondheidszorg waar we de hand op konden leggen moest eraan geloven. Ook politiek bereidden we ons voor. We worstelden ons door Philippine Society and Revolution, het in 1970 geschreven standaardwerk van Amado Guerrero. Iedereen wist dat dit de schuilnaam was van José Maria Sison.

In 1968 had Sison het initiatief genomen voor de heroprichting van de Communistische Partij, die een jaar later met het NPA de gewapende bevrijdingsstrijd startte. In 1977, toen het NPA al over heel de Filipijnse archipel verspreid was, werd Sison gearresteerd. Hij bleef meer dan acht jaar in de cel, waarvan een groot deel in eenzame opsluiting.

In april 1987 was Joma Sison in België voor een reeks lezingen. Voor Rita en mij de ideale gelegenheid om extra vorming over de Filipijnen op te doen.

Met vrienden en familie richtten Rita en ik een steungroep op, met het doel informatie te verstrekken over de Filipijnen en over ons gezondheidswerk en financiële steun bijeen te garen voor ons project. We begonnen met de uitgave van een driemaandelijkse nieuwsbrief.

In oktober 1987 waren twee medewerkers van de Council for Primary Health Care, Dyeri Andamo en Maris Presto, in ons land te gast voor de 11.11.11-campagne. Nu konden Rita en ik alles over ons project uit eerste hand vernemen. We waren nu helemaal klaar voor de Filipijnen.

De Filipino’s hadden ons niet alleen getroffen door hun heldere analyses maar ook door hun optimisme. Volgens Joma Sison was de overwinning van de Filipijnse revolutie nog slechts een kwestie van jaren. Toen Rita en ik op 27 oktober 1987 naar Manilla vertrokken was het dan ook met in ons achterhoofd de idee: ‘Als we een jaar of vijf blijven is de kans groot dat we de overwinning meemaken’.

1. Confrontaties en contrasten 1987-1988 - Inhoud

Manilla

28 oktober 1987. Na achttien uur vliegen, met tussenlandingen in Dubai, Bombay en Bangkok, zet de Boeing 747 zich met een schokje neer. Alle Filipijnse passagiers klappen in de handen. Ook Rita en ik zijn enthousiast: bestemming Manilla bereikt! Bij het buitenkomen slaat de hitte ons in het gelaat: 32 graden in de schaduw. In de luchthavenhal speelt een tropisch bandje. We worden opgewacht door Roger Dhaenekint, een Belgische ontwikkelingshelper die al tien jaar op de Filipijnen werkt. Bij hem staan twee Filipijnse dames. Ze stellen zich voor als Delen en Mei, van de Council for Primary Health Care.

Heet, vervuild, een hels verkeer: dat is de miljoenenstad Manilla. Op straat heerst de jeepney, een omgebouwde en dikwijls origineel versierde jeep die in Manilla het belangrijkste openbaar vervoermiddel is. Een jeepney kruip je langs achter binnen, waarbij je goed moet oppassen je hoofd niet te stoten. De passagiers zitten tegenover elkaar in twee rijen van 7 à 10 mensen, afhankelijk van de grootte van het vehikel, maar altijd als sardientjes in een blikje. Omdat er geen ruiten zijn, word je lekker smerig van de uitlaatgassen. Het gebrul van de motor wordt soms nog overschreeuwd door keiharde rock uit de stereo. Heel wat anders dan de dure privé-wagens met airconditioning en gefumeerde ruiten. Telkens die achteruit rijden laten ze een leuk deuntje horen.

Je betaalt de rit door onder het rijden een paar peso door te geven tot bij de chauffeur en te zeggen waar je naartoe moet. Die draait zich naar je om, want hij heeft je natuurlijk niet goed verstaan, en scharrelt ten slotte - nog steeds onder het rijden - het nodige wisselgeld bijeen. Vaste haltes zijn er bijna nergens. Waar je wil afstappen roep je gewoon ‘para' om de chauffeur te doen stoppen. Of je klopt eens stevig op het dak of maakt een smakkend geluid met je lippen. Maar in sommige jeepneys hangt een sticker: ‘Smakken is voor honden, kloppen is voor de deur, para is voor mensen.’

Het is onmogelijk uit te maken hoeveel rijvakken de brede lanen van Manilla hebben. Er staan geen strepen en de auto’s en bussen wringen en wriemelen door elkaar. De grote ringlaan heet Epifanio de los Santos, maar iedereen noemt haar edsa. Hier mogen geen jeepneys rijden, maar zijn het bussen die de weg onveilig maken.

De bus is een uitstekend jachtterrein voor wie een extra centje nodig heeft. Verkopers van kauwgom en sigaretten - per stuk - springen op en af de rijdende bus. Bedelaars doen het rondje van de passagiers. Stakende arbeiders komen steun vragen omdat ze al maandenlang zonder inkomen zitten.

Men is hier bepaald vindingrijk in het creëren van jobs. Terwijl moeder de vrouw andermans kleren wast of thuis haar sari-sari store openhoudt, haar vanalles-en-nog-wat winkeltje, schuimen de kinderen de straat af. Straatverkoper is echter een weinig benijdenswaardige job, zeker voor kinderen. De hele dag in de benauwende stank van uitlaatgassen en in het gevaarlijke verkeer verkopen ze kranten, zweetvodden en welriekende sampaguita-bloempjes, nota bene ter ere van het Heilig Kind.

In de sari-sari store kan je alles kopen op maat van een armenbudget: oxoblokjes per stuk, kleine plastic zakjes met kokosolie, een brokje margarine of een colafles gevuld met benzine. Of geneesmiddelen per stuk. ‘Drie aspirientjes? Dat is dan anderhalve peso, mevrouw.’

Op drukke kruispunten en aan busstations verdringen zich de eet- en drankkraampjes. Hier kan je rijst krijgen met een ulam naar keuze - dit is elke vlees-, vis- of groentenschotel die je bij de rijst eet - voor een prijsje waarvoor je het zelf niet kan klaarmaken. Als snack eet je geroosterde kippenpoten met tenen en al, Adidas genaamd, of kippendarmen, als een cassette opgerold en op een stokje geprikt: Betamax.

Ook de middenklasse voelt zich genoodzaakt een handeltje te drijven om het karig loon in overheidsdienst wat bij te spekken. Aan buren, familie, collega’s op kantoor of leerlingen in de klas worden T-shirts, Triumph-beha’s en plaatsjes op het kerkhof verkocht. Dat kan in maandelijkse afbetalingen met het Eternal Life Insurance Plan, een verzekering voor het eeuwig leven.

Contrasttoer

Schrijnende armoede alom, maar de elite ziet er geen graten in om haar rijkdom uitdagend uit te stallen. Een prachtig golfterrein dat permanent wordt besproeid om mooi groen te blijven, maar de landlopersfamilies die op het voetpad ernaast wonen moeten hun water aankopen per jerrycan. De upper class verplaatst zich in luxueuze Pajero-landrovers, waarvan de geblindeerde ruiten gesloten blijven voor de uitgestoken hand van de bedelaar of voor het jonge bloemenverkoopstertje. En voor wie het kan betalen is in de winkelcentra alles te koop. In de zakenwijk Makati kan men Europese charcuterie, kaas en chocolade kopen. De Brusselse spruitjes staan er aan 65 peso voor een half pond. (Een Filipijnse peso is ongeveer 1,2 Belgische frank.)

30 oktober. Om de sociale tegenstellingen van Manilla van dichterbij te leren kennen worden we door onze gastorganisatie, de Council for Primary Health Care, uitgenodigd op een ‘contrasttoer’. We bezoeken het beruchte Smokey Mountain, de reusachtige vuilnisbelt van Manilla waarop en waarvan 6.000 mensen leven in een misselijk makende stank. Vuilniswagens rijden af en aan. Nog voor ze tot stilstand komen springen kinderen erop om met vervaarlijk uitziende haken door het vuilnis te woelen, op zoek naar iets bruikbaars. Al wat kan verkocht worden voor recyclage wordt netjes op stapels gesorteerd: plastic, blikjes, zelfs dierenbeenderen.

Een paar mannen komen op ons toe, zwaaiend met een papier. Iemand uit de wijk is overleden en er wordt geld ingezameld voor een eenvoudige begrafenis, maar eerst moet het lichaam worden vrijgekocht uit het ziekenhuis. Het kan er pas worden weggehaald als alle hospitaalkosten betaald zijn: 6.000 peso, twee maandlonen! Beduusd stoppen we de mannen 100 peso toe. Ik zit met een schaamtegevoel omdat ik blank, rijk, goed gevoed en netjes gekleed ben. Ik haal opgelucht adem als we Smokey Mountain achter ons laten.

De letterlijke walging door de stank van Smokey Mountain wordt een figuurlijke walging als we de chique residentiële wijken van Makati binnenrijden. Het contrast kan niet groter zijn. De villawijken Forbes Park en Dasmarinas Village zijn hermetisch afgesloten met slagbomen en wachthokjes. Hier komt geen bedelaar in! Wijzelf trouwens ook niet: als je geen bestemming kunt opgeven aan de bewaker, gaat de slagboom niet omhoog.

Met verhaaltjes uit deze wijken wordt de society page in de kranten gevuld: over wie met wie naar welke party is gegaan in kleren van welke couturier, over de gunsten en grillen, de liefdesaffaires en echtscheidingen, de make-up en de juwelen van ’s lands beau monde.

Bij Sister Luisa

Voorlopig trekken we in bij onze landgenoot Roger, die met Sister Luisa, een Hollandse non, een appartementje deelt. Beiden komen uit een groepje progressieve christenen met vertakkingen in Chili, België, Nederland en Duitsland. Roger, vooraan in de veertig, is een opgeschoten kerel met grijzend haar en snor. Hij is een aangename prater... en ook een sociale drinker, zoals we al snel merken. Roger is actief bij de vakbond Kilusang Mayo Uno (KMU), de Een Mei Beweging. Hij is altijd druk in de weer, maar staat ook steeds klaar om ons te helpen.

Luisa, een gezellige dikkerd van in de vijftig, is heel wat slomer. Ze werkt voor de vrouwenorganisatie gabriela, genoemd naar Gabriela Silang, de eerste vrouwelijke vrijheidsstrijdster tegen de Spaanse bezetters, die in 1763 geëxecuteerd werd. Maar gabriela staat ook voor General Assembly Binding Women for Reforms, Integrity, Equality, Leadership and Action. Het uitdenken van ellenlange afkortingen die op zich ook een betekenis hebben, is een Filipijnse nationale sport die zich leent tot de gekste combinaties. Een transportvakbond heet radiator (Regional Alliance enz.) en de rechtse militaire rebellen van Gringo Honasan planden een staatsgreep tegen president Aquino onder de naam Remove Aquino Movement Before October of rambo. Grappig zijn dan weer de high society-vrouwen die een liefdadigheidsorganisatie voor gewonde soldaten oprichtten onder de naam Care for Our Wounded Soldiers: cows!

Luisa is de goedheid zelve, iedereen krijgt alles van haar gedaan. Ze vindt soms wel eens dat haar goedheid misbruikt wordt en dan loopt ze nukkig te grommen.

Het appartement van Sister Luisa is een soort gemeenschapshuis waar binnen- en buitenlandse bezoekers af en aan lopen. Rita en ik hebben een eigen kamer, maar eet- en zitplaats, keuken, douche en wc zijn gemeenschappelijk. Douchen doen we minstens één keer per dag, want ’s nachts lig je door de hitte flink te zweten, en na een paar jeepneyritjes is het alsof je door een roetpijp gekropen bent. Je moet wel zorgen dat je niet doucht op een tijdstip dat half Manilla onder de sproeier staat, want dan blijven voor jou maar enkele druppels over. En een tyfoon kan de hele stad urenlang zonder elektriciteit en sommige wijken ook zonder water zetten.

Het huis ligt in een rustige buurt, maar schijn bedriegt. Om de hoek is het TV-station abs-cbn. Dat was een paar maanden geleden een belangrijk doelwit bij de poging tot staatsgreep van Honasan. Onze Luisa moest de benen nemen, en toen de rust was weergekeerd constateerde ze dat de poort van haar huis een paar kogelinslagen had.

Aan de overkant van de straat staat het gebouw van de jusmag, de Joint us Military Advisory Group. Dit zijn Amerikaanse militaire adviseurs die het Filipijns leger bijstaan in de strijd tegen het Nieuwe Volksleger, het NPA, het gewapend verzet. De Verenigde Staten zijn immers militair sterk aanwezig op de strategisch gelegen Filipijnen. De zeemachtbasis Subic en de luchtmachtbasis Clark zijn hun grootste militaire basissen buiten het eigen grondgebied.

Gekoloniseerd

De invloed van de Verenigde Staten in de Filipijnen strekt zich echter veel verder uit dan op militaire zaken. Als Rita en ik door de straten wandelen worden we door de kinderen achterna geroepen: 'What’s your name?’, ’Hey, Joe!’, ’Kano!’ (van Amerikano). Elke blanke is voor hen een Amerikaan. We merken dat wij als buitenlanders dikwijls vriendelijker en met meer respect behandeld worden dan Filipino’s.

Gek dat veel Filipino’s zichzelf verwijten maken over die onderdanigheid tegenover het buitenland. Verontschuldigend zeggen ze dat ze een colonial mentality hebben. Maar is het niet eerder omgekeerd? Zijn het niet juist de buitenlanders die een koloniale mentaliteit hebben? En is de mentaliteit van de Filipino’s niet gekoloniseerd, eerst door de Spanjaarden en daarna door de Amerikanen?

De Spaanse kolonisatoren hebben hun werk goed gedaan. 85% van de Filipino’s is katholiek. Als een jeepney voorbij een kerk rijdt maken de passagiers een kruisteken en elke parlementszitting begint met een gebed. En in de vasten schiet de prijs van de vis de hoogte in en brengt McDonald’s een visburger op de markt.

De Filipijnen waren de enige onvervalste kolonie van de vs. In 1898, na de Spaans-Amerikaanse oorlog om Cuba, kochten de VS het land over van Spanje voor 20 miljoen dollar. De Amerikaanse kolonisatoren zetten een scholennet op en lepelden de bevolking van kindsbeen af de ‘Amerikaanse waarden’ in. In 1946 verleende Washington Manilla de lang beloofde onafhankelijkheid, maar tot vandaag is de onderwijstaal het Engels. De leerlingen weten meer over de Amerikaanse geschiedenis dan over de Filipijnse, en het alfabet wordt aangeleerd met a for apple en s for snow aan kinderen die alleen mango’s en regen kennen.

In sport zouden de Filipino’s, eerder kort van gestalte, vinnige voetballers of snedige wielrenners kunnen zijn. Maar nee, de nationale sport is basketbal, geleerd van de Amerikanen. Op elke straathoek van Manilla vind je wel een hotdog-, pizza- of hamburgertent. Politici en zakenmensen vliegen voor een eenvoudig medisch onderzoek even naar San Francisco of Los Angeles. Ze sturen er ook hun kinderen naar de universiteit. En op de nieuwe 100 peso-biljetten prijkt fier... de Stars and Stripes, de vlag van de vs!

De vluchtelingen van Leyte

November 1987. Het eerste wat ons in de Filipijnen te doen staat is Filipijns leren. Om met de gewone mensen te kunnen praten moet je immers de lokale taal kennen. Probleem is dat de Filipijnen met hun vele eilanden 87 verschillende talen kennen, waarvan acht belangrijke. De taal van Manilla en omstreken, het Tagalog, is de nationale taal, en hoewel lang niet alle Filipino’s het Tagalog beheersen, raak je er in de meeste delen van het land behoorlijk ver mee.

Op de taalschool gaat de eerstvolgende cursus Tagalog pas na Nieuwjaar van start. Rouwig zijn we daar niet om; dat geeft ons twee maanden de tijd om het land en de mensen al wat beter te leren kennen. De Council for Primary Health Care (cphc) stelt ons een goed gevuld ‘inleefprogramma’ voor. Contacten met niet-gouvernementele en volksorganisaties worden afgewisseld met projectbezoeken in sloppenwijken en op het platteland. Bedoeling is zicht te krijgen op de sociale context waarin de gezondheidsprojecten van de cphc vorm krijgen. We zijn er erg op uit, zeker als we horen dat het suikereiland Negros op het programma staat.

Eén van de grote thema’s waar we dadelijk mee geconfronteerd worden is dat van de mensenrechten. In de krant staan dagelijks berichtjes over schendingen ervan. Roger en Luisa komen geregeld thuis met verhalen over repressie tegen arbeiders en syndicalisten, of over militair geweld tegen vrouwen en kinderen op het platteland.

Bij haar aantreden in 1986 beloofde president Corazon Aquino - haar man Ninoy was in 1983 door Marcos’ militairen doodgeschoten - de mensenrechten hoog in haar vaandel te schrijven. Ze liet de meeste politieke gevangenen vrij en schafte enkele van Marcos’ repressieve decreten af. Maar na het mislukken van de onderhandelingen met het Nationaal Democratisch Front, de koepelorganisatie van de ondergrondse revolutionaire beweging, verklaarde Aquino de totale oorlog aan het verzet. Gewapende burgerwachten of vigilantes werden opgericht om de bevolking door terreur af te houden van steun aan de volksbeweging. Veel boerenfamilies vluchtten in allerijl naar de provinciesteden of naar Manilla.

Zo ook de vluchtelingen van Leyte. Een paar tientallen gezinnen op het eiland Leyte waren het beu door de militairen opgejaagd te worden. Ze besloten naar Manilla te trekken, waar ze een onderkomen vonden op een universiteitscampus. Op 1 november hield de politie daar een raid. 38 vluchtelingen werden gearresteerd op beschuldiging lid te zijn van het Nieuwe Volksleger, de guerrilla.

Enkele dagen later kwam hun zaak voor in spoedgerecht. Op de trappen van het Hooggerechtshof werden twee van de beschuldigden ontvoerd door agenten in burger, voor het oog van de camera’s en van de politie. De twee ontvoerden vervoegen de rangen van ‘verdwenen’: mensen die door de veiligheidsdiensten zijn opgepakt en waarvan nooit meer iets is vernomen.

De Alex Boncayao Brigade

Dezelfde week houdt de politie ochtendlijke razzia’s in een paar sloppenwijken. Alle jongens en mannen worden uit hun huizen gehaald. Tientallen worden gearresteerd op aanwijzen van een gemaskerde informant. De beschuldiging luidt: lidmaatschap van de Alex Boncayao Brigade (abb), de stadsguerrilla van het NPA.

Militairen en politie zijn gebeten op de ABB. Op vier dagen tijd hebben ze immers tien politiemannen het hoekje om geholpen. De guerrillateams die zulke acties uitvoeren worden Sparrow Units genoemd, musseneenheden, omdat ze net als mussen snel en ongemerkt ter plaatse zijn en op natuurlijke wijze weer in het stadsbeeld verdwijnen.

Ook de Amerikanen zitten achter de Sparrows aan, want vlak voor onze aankomst vermoordde de ABB een Amerikaanse marinier en twee dienstplichtigen nabij Clark Air Base. De ABB heeft verklaard dat voor elke 10 van de 150 pantserwagens die de VS gaan leveren aan het Filipijns leger een Amerikaanse militair zal gedood worden.

Met Roger praten we veel over deze actualiteit. Ik kan een spontane sympathie voor de ABB niet verbergen: mussen tegen de arend, Klein Duimpje tegen de reus. Het lijkt me ook een bewijs van de kracht van de Filipijnse guerrilla, die niet langer beperkt blijft tot het platteland maar al tot in de hoofdstad zit, in het hart van het regime. Wat de doelwitten van de ABB betreft: de politie is alom berucht om haar treiterij en afperserij van de man in de straat, en per slot van rekening zijn de Amerikanen een vreemde bezettingsmacht.

inleefreis naar Negros gaan begint de man te vertellen. Hij is afkomstig van Negros, waar hij mee de vakbond van suikerrietarbeiders heeft opgericht, de National Federation of Sugarworkers.

Ik peil naar zijn reactie op de anti-KMU hetze. ‘Aquino’s redevoering in Makati was een regelrechte oorlogsverklaring aan de arbeidersbeweging. De manier waarop de stakingspiketten worden aangevallen is brutaler dan wat wij onder dictator Marcos meemaakten. Maar de KMU laat zich niet doen. Alle ontmantelde stakingspiketten staan er al terug, en uit solidariteit vinden sectorale stakingsacties plaats.’

Is het in de huidige omstandigheden niet aartsmoeilijk om nog een normale vakbondswerking te ontwikkelen? Moeilijk gaat ook, vindt Ortaliz: ‘Ondanks de anti-arbeiderspolitiek van Aquino groeit de KMU nog steeds aan.’ En met een knipoog: ‘Maar in de regio’s waar de guerrilla sterk staat verliezen we leden. Veel van onze mensen raken gefrustreerd door de beperkingen van de legale arbeidersstrijd, die felle repressie te verduren heeft. Op het platteland is er een alternatief vlakbij de deur, of liever in de heuvels rondom: ze sluiten zich aan bij het Nieuwe Volksleger.’

Ik verbaas me over de openheid waarmee de vakbondsman over de guerrilla praat. Ik wou hem nog vragen of de repressie die het gevolg is van de aanslagen van de ABB niet vooral de arbeiders in de sloppenwijken treft, maar ik slik mijn vraag in.

19 november. Rita en ik gaan met een paar KMU-militanten een stakingspiket bezoeken. In de meubelfabriek Rapid zijn de arbeiders al meer dan drie jaar in staking. Ze eisen de naleving van de collectieve arbeidsovereenkomst, erkenning van de vakbondsrechten, een dertiende maand en de heropname van ontslagen afgevaardigden. Maar de patroon antwoordde met een lock-out, waarop de stakers besloten een permanent piket op te zetten. Zo kan de patroon de afgewerkte meubelen en de machines niet uit zijn fabriek komen weghalen. Al drie jaar wonen tien stakersgezinnen in zelfgemaakte tenten en krotjes voor de fabriekspoort. Er zijn al een paar piketbaby’s van gekomen.

Net als op Smokey Mountain voel ik me te klein om aan de bezetters veel vragen te stellen of zelfs maar om er nog langer te blijven. Ik voel me een indringer. Het is zoveel veiliger om over dit stakerspiket te schrijven in een nieuwsbrief naar België. Nochtans, weet ik, is het alleen door onder de gewone mensen te werken en hun ervaringen te delen dat je tot echte solidariteit kan komen. Solidariteit met afstandsbediening is een al te gemakkelijke illusie, waar ik dringend vanaf moet.

Een lastig voorstel

21 november. Delen dela Paz, die er op de luchthaven bij was om ons te verwelkomen, komt ons opzoeken om het over ons projectwerk te hebben. Ze is arts en uittredend directrice van de Council for Primary Health Care. Een energieke vrouw die graag praat en lacht, met grappige kuiltjes in haar wangen. Delen is de schoonzus van Bobby dela Paz, een dokter die in 1982 op het eiland Samar door de militairen werd vermoord omdat hij medische hulp zou verleend hebben aan de guerrilla.

We zijn benieuwd wat ze ons te vertellen heeft, want we willen best eens een concreter beeld krijgen van wat ons te wachten staat. We zijn naar de Filipijnen gekomen om als dokter op het platteland te werken. Logisch als je weet dat zo’n 70% van de Filipino’s op het platteland leeft, en dat de gezondheidszorg van staatswege daar zo goed als onbestaande is. Een voorbeeld van de ‘omgekeerde zorgenwet’: waar dienstverlening het meest nodig is, is ze het minst beschikbaar. Of waar de nood het hoogst is, is de redding het verste af.

Naar België had de Council laten weten dat Rita en ik in een Community-Based Health Program op het eiland Samar zouden werken. Dat is een plaatselijk gezondheidsproject dat wordt uitgebouwd vanuit de gemeenschap (dorp, wijk, parochie, volksorganisatie). We waren toen nog niet vertrouwd met afspraken op zijn Filipijns en noemden prompt het groepje familieleden en vrienden dat ons project wilde steunen Steungroep Samar, die al een Nieuwsbrief Samar begon uit te geven. Op een van onze afscheidsfeesten had een familievriend over Rita en mij zelfs gesproken als de barmhartige Samaritanen!

En hier komt nu Delen met het nieuws dat het project in Samar ons niet kan opvangen. Twee blanken zouden te veel de aandacht van de militairen trekken, en de lokale gezondheidsorganisatie wordt nu al ‘subversief’ genoemd omwille van haar opbouwwerk aan de basis. Ten tweede zou het een te grote luxe zijn twee artsen in een klein project te laten werken terwijl er elders grotere noden zijn. Ten slotte betekent gezondheidswerk in Samar dat er heel wat moet gestapt worden, want in het binnenland zijn geen wegen. En veel stappen is voor Rita met haar handicap niet mogelijk. Daarom heeft de Council een nieuw voorstel: ik MAG alleen naar Samar, en Rita kan werken in de sloppenwijken van Cebu City, op het naburige eiland Cebu. Om de drie maand zou ik Rita dan wel eens voor een weekje of wat kunnen gaan opzoeken.

Ik moet even slikken. Ik ben er zeker van dat een grote donderwolk zich aftekent op mijn gezicht. Weet Delen dan niet dat wij een koppel zijn? We zijn nog maar amper een jaartje samen. We denken aan kinderen. Wordt er dan zo een hoge mate van engagement verwacht dat je er langdurige scheidingen voor moet over hebben? En hoe zullen we dat thuis moeten uitleggen?

Ik overleg met Rita. Zij ziet dit voorstel voorlopig evenmin zitten. We hebben wat schrik om onze bezwaren te uiten tegenover Delen, maar vragen haar toch naar een andere oplossing te zoeken. In ons eerste jaar willen we liefst voldoende tijd besteden aan onze aanpassing - het leren van de taal, de kennismaking met gezondheidsprojecten - en aan mekaar. Op moeilijkere situaties zoals Delens voorstel zijn we nog onvoldoende voorbereid. Maar ik heb het gevoel dat dit wel geleidelijk zal groeien.

Delen aanvaardt onze tegenwerpingen probleemloos. Ze stelt als alternatief voor om na de taalschool op het kantoor van de cphc te beginnen, op de vormingsdienst. Om al eens te proeven van medisch vormingswerk kunnen we de volgende morgen een driedaagse cursus over het correct gebruik van geneesmiddelen bijwonen. Intussen zal de Council uitkijken naar een project waar we wél beiden terecht kunnen. Wie weet in Negros, waar we in december op inleefbezoek gaan.

Op cultuurcursus

22 november. Correct geneesmiddelengebruik, een goed onderwerp, want de Filipijnse markt wordt overspoeld met nutteloze, onwerkzame en zelfs gevaarlijke geneesmiddelen. Veel producten zijn over de toonbank te krijgen, zonder voorschrift. Medicamenten worden agressief gepromoot op radio en tv. Elke avond wordt het TV-nieuws onderbroken door een reclamespot voor ‘het Zweedse kwaliteitsproduct Alvedon, waar dokters op vertrouwen’. Alvedon is niets anders dan de 63ste merknaam van paracetamol, een eenvoudige pijnstiller. Ook dure en overbodige vitaminepreparaten worden aangeprezen: ‘Theragran-M: it’s a mustl'

Rita en ik voelen ons wat onwennig tussen een veertigtal Filipino’s. Het Filipijns besef van tijd verschilt van het onze. Wij zitten telkens als eersten in het leslokaal te koekeloeren. De Filipino’s schuiven rustig een halfuurtje te laat bij. De cursus wordt gegeven in het Taglish, een mengeling van Tagalog en Engels waar we bijna geen woord van snappen. We leren de Filipijnse keuken kennen. Eten doe je alleen met vork en lepel, of gewoon met de handen. Met je vingers kneed je wat rijst tot een bolletje, dat je met je duim je mond in duwt. Drie keer per dag rijst, ook voor ontbijt, levert me een obstipatie op. En al die vis en zeevruchten moet ik niet. Ik gebruik een leugentje om bestwil: dat ik allergisch ben aan zeevruchten.

Deze kleine dingen van tijd, taal en eten irriteren me. Als dan nog blijkt dat er alleen kamers voor jongens en meisjes apart zijn en dat Rita en ik dus niet samen kunnen slapen, zakt mijn humeur tot onder het vriespunt. Ik besef dat de sprong naar de Filipijnen een grotere aanpassing zal vergen dan ik gedacht had.

Gelukkig wordt op de cursus ook plezier gemaakt. Tussen de lessen in zijn er action songs, liedjes met gebaren of danspasjes. Er wordt nogal gelachen als al die grote mensen daar ongedwongen kinds staan te doen. Wij willen niet onderdoen voor de Filipino’s en leren hen met succes In een klein stationnetje aan. Leuk is ook het toneeltje over geneesmiddelengebruik, waar ik als blanke de boze multinationale onderneming MAG spelen, met op mijn kop een papieren hoge hoed, beschilderd als de Amerikaanse vlag.

Op bezoek in het hospitaal

26 november. Je kan moeilijk beginnen werken in een project van basisgezondheidszorg zonder te weten hoe het met de hospitaalgeneeskunde is gesteld. Daarom heeft de Council voor ons een bezoek aan twee ziekenhuizen geregeld, via een vakbond van gezondheidswerkers.

Het National Orthopedie Hospital ligt aan een drukke straat vol jeepneys, autoateliers en eetstalletjes. Het gebouw ziet er belabberd uit, okergele verf bladdert van de vuile muren. Je ziet meteen dat het een orthopedisch ziekenhuis is, want aan de poort worden houten krukken verkocht. In de overvolle inkomhal moeten we ons een weg banen tussen patiënten en hun familie.

We maken kennis met Mar, een jonge sociale werkster. Ze loodst ons mee naar de charity ward, de armenzaal. Liefdadigheid lijkt me niet de meest geschikte term voor wat we te zien krijgen. In de halfdonkere zaal hangt een muffe geur. De bedden staan dicht opeen, de matrassen zijn oud en vuil, de lakens zitten vol gaten. De weinige ventilators slagen er niet in de patiënten wat koelte toe te wuiven. Ik heb moeite om me de ruimte, het licht en het comfort van het Universitair Ziekenhuis Antwerpen voor de geest te halen, waar ik een paar maanden geleden nog stage liep.

Verbouwereerd zien we dat op heel wat bedden twee patiënten liggen. ‘Voor de 83 bedden op deze dienst zijn er momenteel meer dan 100 patiënten', legt Mar uit. ‘Ze kunnen geen privé-geneeskunde betalen, hoewel in de privé-kamers veel bedden leegstaan.’

Als blanken hebben Rita en ik heel wat bekijks. 'Hey Joe? Met Mar als tolk maken we een praatje met een paar patiënten die in een zijkamertje zitten te knutselen. Van lege geneesmiddelenflesjes maken ze kerstversiering. Een jongen in een rolstoel stopt ons breed lachend twee zelfgemaakte sleutelhangers toe. Betalen mogen we niet.

Er lopen erg weinig verpleegkundigen rond in de zaal. ‘Voor deze grote dienst zijn we ’s morgens met vier verpleegsters en vier hulpverpleegsters’, zegt Mar. ‘In de namiddag zijn we maar met twee plus twee, en ’s nachts moeten we alles met z’n tweeën klaarspelen. Onbegonnen werk. Het is de familie die instaat voor de zorg van de patiënten. Familieleden wassen de zieke, geven hem te eten en brengen de nacht naast zijn bed door.’

Daar zit hem de liefdadigheid! In de Filipijnse cultuur is de uitgebreide familie zo goed als een levensverzekering. Maar dit natuurlijk sociaal vangnet heeft gaten. Wie alleen is wordt aan zijn lot overgelaten. Bij het buitenkomen van de charity ward zien we in de gang een zwaar ondervoed vrouwtje eenzaam liggen wegkwijnen.

We nemen met Mar een jeepney naar het Quezon Institute, een groot sanatorium voor tuberculoselijders, met 600 bedden. Het is genoemd naar Manuel Quezon, die in 1935 de eerste president van het Filipijnse Gemenebest (onder Amerikaanse voogdij) werd en stierf aan tuberculose. In het instituut wordt de verzorging door de staat betaald, maar de dure medicatie niet, tenzij je wordt uitverkoren door de Koreaanse Sisters of Mercy. Als je minder dan vijftig bent, in Manilla woont en je ziekte nog niet ver gevorderd is, krijg je de nodige medicamenten van de goede zusters. En wat met de vele zieken die buiten deze categorie vallen? ‘Oh’, lacht een verpleegster schijnbaar onbezorgd, ‘er zijn er ook die hier gewoon komen sterven.’

Olongapo

5 december. Olongapo City zou zonder Subic Naval Base een onopvallend, wat troosteloos provinciestadje zijn. Het bestaat uit niet veel meer dan één lange hoofdstraat. Maar als de Amerikaanse soldaten - soms 7 tot 10.000 per schip - worden losgelaten, komen in die straat meer dan 500 bars, restaurants en dansgelegenheden tot leven. De militairen worden verwelkomd met metersgrote spandoeken: 'Welcome, us Marines of the vss Enterprise?

Prostitutie bestaat officieel niet in Olongapo, maar zo’n 6.000 meisjes zijn geregistreerd als hospitality girls, gezelschapsdames. Daarbuiten werken er nog een 10.000-tal illegaal, zonder vergunning. Dus ook zonder tweewekelijkse controle op seksueel overdraagbare aandoeningen.

Als deel van ons inleefprogramma zijn Rita en ik in Olongapo te gast bij Buklod, een ontmoetingscentrum voor prostituees. Daar kunnen de vrouwen ongedwongen over hun problemen praten: uitbuiting door pooiers, geweld vanwege de mariniers, ongewenste zwangerschap, drugs, aids. In de Filipijnen waren in september 1987 51 aidsseropositieven geïdentificeerd; 47 daarvan zijn vrouwen die bij de Amerikaanse basissen aan de kost komen. Aids is hier duidelijk een ingevoerde pest.

We maken een praatje met de klanten van Buklod. De meisjes kennen alle namen van de Amerikaanse oorlogsbodems, het aantal soldaten en de data waarop ze Subic aandoen. Tegen de avond beginnen ze zich op te maken. Ze moeten op tijd op hun werk zijn of er zwaait wat.

Later die avond zien we hen terug in de seksbars, waar we met de staf van Buklod een geleid bezoek brengen. In de Pussycat speelt een derdeklas jukebox. De diensters zijn gekleed in sexy rode pakjes die weinig aan de verbeelding overlaten. Een pint kost maar 7 peso, maar als je vrouwelijk gezelschap wilt moetje een meisje een lady’s drink van 50 peso betalen.

De show begint. Het is een vreemd gevoel toeschouwer te zijn als de vrouwen waarmee we daarnet nog zaten te praten zich op het podium ontkleden en naast ons voorbij defileren. Een reuzenschuimbad met een paar pseudo-zeemeerminnen is de speciale attractie. De show wordt al te gortig als meisjes allerhande vaginale trucs beginnen uithalen. Ik voel me als toeschouwer gewrongen tussen sympathie voor de meisjes en ongewild voyeurisme. De zatte Amerikaanse soldaten behandelen en bepotelen de Filipina’s op de meest onbeschofte wijze. Maar onze begeleidsters blijven er stoïcijns kalm bij. Even later komen de meisjes, weer in bikini, ons gedag zeggen.

Bij het buitengaan van de bar zien we hoe de politie een straatverkoopster hardhandig uit de buurt van de bars verwijdert. Het vrouwtje bijt flink van zich af, wat een voorbijkomende Amerikaanse marinier de opmerking ontlokt: ‘Schiet haar dan toch neer’!

De volgende morgen zien we de meisjes terug in Buklod. Nu is er meer tijd en meer vertrouwen voor een langere babbel. Dadelijk worden enkele mythen doorprikt, zoals ‘vrouwen kiezen voor prostitutie’, ‘ze kunnen vertrekken wanneer ze maar willen’, ‘ze verdienen er goed aan’. De meeste vrouwen die hier werken komen uit de armste streken van het land, zoals Samar, Leyte of Bicol. De uitzichtloze armoede dwingt hen zich te prostitueren. De meisjes zitten gevangen in hun job. Ze werken 7 dagen op 7, slapen dikwijls in de bar en worden wakker gemaakt als er weer een klant is. Merkwaardig genoeg koesteren zij de hoop hieruit weg te geraken door te trouwen met een VS-marinier. En dit ondanks de vele trieste verhalen van ongewenste zwangerschap, abortus, slagen, verstoting.

Rita en ik zitten stilletjes te luisteren. Het gekke is dat deze jonge Filipina’s er helemaal niet uitzien als een hoopje ellende. Integendeel, terwijl ze hun droeve verhalen doen zitten ze te lachen. We zullen nog moeten wennen aan die gewoonte van te lachen op momenten dat wij eerder geneigd zijn om te wenen.

Negros

Omdat zowat alle problemen van de Derde Wereld prominent aanwezig zijn op de Filipijnen zou het land een spiegel voor heel het Zuiden kunnen zijn. Op zijn beurt is Negros de spiegel van de Filipijnen. Een stukje geschiedenis.

Op het einde van de jaren ’60 maakte een jezuïet een baanbrekende studie over de sacada’s, de suikerrietkappers van Negros. Deze seizoenarbeiders moeten voor een hongerloon 10 uur per dag werken, zeven dagen in de week. Tijdens de oogsttijd leven ze met hun gezin 3 a 4 maanden in grote houten barakken op het domein van de plantage. Elk gezin krijgt een houten palet toegewezen waarop ze hun hele huishouden moeten organiseren. Waterleiding of toiletten, voorzieningen voor de kinderen of enige privacy voor de ouders, keukens of vuilbakken: het is allemaal onbestaande.

Begin de jaren ’70 beginnen religieuzen dit aan te klagen. Ze nemen het op voor de sacada’s en de andere landarbeiders, voor de arme boeren en de vissers. Ze stichten christelijke basisgemeenschappen, die al snel in botsing komen met suikerbaronnen, militairen en politici. Als dictator Marcos in 1972 de staat van beleg afkondigt gaan vooraanstaande priesters ondergronds en voegen zich bij het gewapend verzet. Onder hen Louie Jalandoni, de directeur van het Centrum voor Sociale Actie van het bisdom Bacolod, de hoofdplaats van Negros.

In 1983 beginnen Coca-Cola en Pepsi-Cola in plaats van suiker de artificiële zoetstof isoglucose te gebruiken. De wereldprijs van suiker stuikt ineen. Hiermee stort ook de wereld van duizenden suikerarbeiders in mekaar. De grootgrondbezitters laten hun land braak liggen en verbieden de landarbeiders er voedsel op te verbouwen. Hongersnood is het gevolg.

In het centrum van Negros prijkt de mooi conische vulkaan Kanlaon. Maar midden de jaren ’80 spreekt de bisschop van Bacolod, Antonio Fortich, over de sociale vulkaan op het eiland die ieder moment tot uitbarsting kan komen. In feite is dit al volop aan het gebeuren. De militante National Federation of Sugarworkers wordt sterker met de dag. Tientallen kerkelijke, mensenrechten- en andere niet-gouvernementele organisaties zijn bezig met bevrijdende educatie en actie. En vrijwel het volledige binnenland van Negros komt onder controle van het Nieuwe Volksleger.

12 december. Rita en ik staan op de nationale luchthaven van Manilla, klaar om naar Bacolod te vliegen. Het vliegtuig vertrekt 40 minuten te laat. Onze buurman grapt dat pal, Philippine Airlines, staat voor Plane Always Late.

Na een uurtje landen we op de kleine luchthaven van Bacolod. We worden opgewacht door Otik, een donker vrouwtje in pocketformaat, bolrond wegens acht maanden zwanger. Ze ziet er 18 uit, maar blijkt 35 te zijn. Otik zal tien dagen onze gastvrouw zijn. Ze brengt ons naar het kantoor van een ngo waar we in een ruime kamer mogen logeren.

13 december. Het is zondag en Otik komt ons halen om... naar de mis te gaan! Dat is wel het laatste dat we verwacht hadden, maar we houden onze mond. We zijn immers op inleefbezoek en horen ons aan te passen aan de plaatselijke gebruiken. Op de jeepney vertelt Otik dat de parochie van Banago een actieve christelijke basisgemeenschap en een progressieve priester heeft. Banago ligt wat buiten de stad. We zijn te laat, we vallen het kerkje binnen tijdens de consecratie. Maar geen nood, Father Gerson onderbreekt de viering om ons uitgebreid welkom te heten. Behoorlijk gênant. Tot overmaat van ramp roept de priester Rita en mij naar het altaar. We moeten ons voor heel de kerk voorstellen. Applaus.

Na de mis nodigt een welgestelde parochiaan Father Gerson, Rita en mij uit voor een rijkelijk ontbijt. De Father vertelt honderduit over de christelijke basisgemeenschappen, de kern van de Kerk in Negros. Maar kerkmensen die zich sociaal-politiek engageren kunnen met repressie te maken krijgen. Father Gerson heeft vijfjaar op het platteland in Zuid-Negros gewerkt maar moest daar weg toen bleek dat zijn naam op de zwarte lijst van de militairen stond.

In de namiddag rijden we Bacolod weer binnen. Een aangenaam stadje, zonder hoogbouw of verkeersdrukte. Tegenover de kathedraal ligt een mooie Spaanse plaza met veel groen en bevolkt met stalletjes, straatverkopers en schoenpoetsers. Naast de^kathedraal staat het huis van de bisschop, maar Antonio Fortich heeft elders een onderkomen moeten zoeken, zijn woning vertoont een granaatinslag. De man is niet populair bij militairen en doodseskaders, waar hij gebrandmerkt staat als ‘rode bisschop’ of Kumander Tony (bedoeld wordt: NPA-commandant).

Het loopt tegen 18 uur en het wordt al donker als we met Otik een sloppenwijk bezoeken. In de smalle steegjes worden we overrompeld door kinderen die ons aanraken, handen willen schudden, ‘What’s your name?' roepen, en uitbundig lachen en tateren. Door ramen en deuropeningen - vensters en deuren zijn er niet - zien we hier en daar de tv spelen. Kerstlichtjes flikkeren aan en uit, stemmig.

Bij een zakkenwasserij op een open plek zien we dat de realiteit van de sloppenwijk heel wat minder gezellig is. Vier vrouwen zijn gebruikte rijstzakken aan het uitspoelen en herstellen. Met Otik als tolk stellen we hen een paar vragen. Voor 25 gewassen zakken betaalt de opkoper één schamele peso. Een gestopt gat brengt een kwartje op. De vrouwen moeten nog een uurtje doorwerken, anders verdienen ze vandaag niet genoeg om morgen voor hun gezin eten te kunnen kopen.

Nanay

14 december. Negros, suikereiland. Met een organizer van de National Federation of Sugarworkers gaan we een kijkje nemen op een suikerrietplantage. De Haciënda de la Rama strekt zich uit over een groot deel van de gemeente Murcia. De eigenaar zit bijna het hele jaar door in Manilla; het beheer van zijn land laat hij over aan een opzichter.

Het zwaarste werk op de plantage is het kappen van het suikerriet. De sacada’s worden betaald per ton gekapt suikerriet, maar ze halen gewoonlijk niet meer dan 40 peso per dag, nauwelijks genoeg om van te leven, laat staan om er een gezin mee te onderhouden. Buiten het kapseizoen valt op de plantage voor de sacada’s niets te rapen en moeten ze elders op zoek naar werk. Het planten van de suikerrietstompjes is iets voor de vrouwen en kinderen. Ook hier betaling per stuk: 61,75 peso per 1.000 geplante stompjes. Ten slotte zijn er de onkruidwieders, weer een vrouwenjob, en de slechtst betaalde: 32 peso per dag.

We overnachten bij een oudere vrouw. Ze is vakbondsafgevaardigde en wordt door iedereen Nanay genoemd, moedertje. Nanay heeft negen kinderen, waarvan er nog vijf thuis zijn. Ze heeft het druk. Het huishouden, het vakbondswerk en het werk op het veld zijn niet makkelijk te combineren. Eén van Nanays dochters werkt als meid, katulong, bij een rijk gezin in Manilla. Een echtgenoot is nergens te bekennen. Is hij eruit getrokken? Werkt hij als gastarbeider in Saudi, de verzamelnaam die de Filipino’s geven aan de hele Arabische wereld?

Nanays huisje is opgetrokken uit bamboe en staat op palen. Het heeft geen elektriciteit, stromend water of toilet. Ik vraag me dan ook af hoe ik in het donker een plasje kan gaan maken en waar en hoe ik een eventueel grotere behoefte moet doen. In het huisje staat zo goed als niets. De bamboevloer dient tegelijk als stoel, tafel en bed. We hebben moeite om voor het eerst met onze handen te eten, ’s Nachts doe ik op die ongelijkmatige bamboevloer nauwelijks een oog dicht en vanaf 3 uur ’s ochtends krijgen we een concert van hanengekraai. Ik word er slecht gezind van. Tegelijk kan ik mezelf wel verwensen omdat ik het al lastig heb met één dag en nacht in deze omstandigheden, terwijl dit voor Nanay haar hele leven zo is.

15 december. Rita vindt Nanays gastvrijheid een beetje gemaakt, haar interesse niet gemeend. Tot we bij het ontbijt horen dat Nanays broer vorige week is doodgeschoten door burgerwachten, omdat hij actief was in de kiescampagne van een progressieve kandidaat. Allicht verklaart dat Nanays afstandelijkheid. Ze stelt ons voor mee te gaan naar de wake van haar broer. Tussen de suikerrietvelden is het een uurtje stappen.

We maken kennis met de Filipijnse manier van omgaan met de dood. Een dodenwake duurt gewoonlijk negen dagen en heeft thuis plaats. De kist staat centraal opgesteld, in het midden van de kleine woonplaats. De helft van het deksel is een deurtje, van de borsthoogte van de dode tot bovenaan. Het staat open, zodat iedereen het gebalsemde lichaam kan komen groeten. Buren en familie komen rond de kist eten, drinken, zingen, het Chinese gezelschapsspel mahjong spelen en vooral veel praten over de geliefde dode.

Ik bedenk dat Rita en ik op die enkele weken al met veel geweld geconfronteerd zijn. Direct geweld: de moord op Nanays broer, de repressie tegen stakingspiketten, de Amerikaanse marinier die ‘Shoot her\' schreeuwt. En nog meer structureel geweld: de uitbuiting van de sacada’s, het vrouwtje dat stilletjes ligt te sterven in het hospitaal, de seksindustrie van Olongapo. Vreemd hoe weinig waard een mensenleven hier lijkt, maar hoe aan een dode zoveel waarde wordt gehecht.

Tatay

17 december. Vandaag zijn de vissers aan de beurt. Kilometers lang rijden we langs prawn farms, kweekvijvers voor langoustines. Door de daling van de suikerprijs zijn veel landeigenaars overgeschakeld op dit veel winstgevender product. Het is een niet-arbeidsintensieve cultuur, ze schept dus geen werkgelegenheid voor de afgedankte suikerrietarbeiders. De vijvers zijn schadelijk voor het milieu en ze doen de ondergrond verzilten. Negros verzorgt zijn langoustines beter dan zijn mensen: de diertjes krijgen ’s nachts verlichting, de mensen niet.

Sitio Laghit is een klein, vredig vissersdorpje aan de noordkust van Negros, maar het wordt bijna de zee in geduwd door de oprukkende kweekvijvers. Een grootgrondbezitter heeft hier land opgekocht, 32 huisjes zullen er moeten aan geloven. Tatay Dicoy, de voorzitter van de lokale vissersorganisatie, laat ons het dorp zien. Tegen de avond komen de dorpelingen naar het terrasje voor Tatays huisje afgezakt om met de vreemdelingen te verbroederen. Cola en goedkope brandy worden bovengehaald. Van België hebben deze eenvoudige vissers nog nooit gehoord. Na onze uitvoerige uitleg dat België niet in Amerika ligt vraagt iemand of we dan in Los Angeles naar de unief zijn geweest. We zitten met het dilemma welk beeld we moeten ophangen van ons landje. Langs de ene kant moeten we uitleggen dat we veel meer welvaart en betere sociale voorzieningen hebben dan op de Filipijnen. Langs de andere kant willen we duidelijk maken dat het kapitalisme in België naar een duale maatschappij leidt, en dat de welvaart van het Noorden voor een groot deel gebouwd is op de uitbuiting van het Zuiden. Aan de reacties van de vissers merken we dat het ons niet lukt dit over te brengen. In Amerika - en dus ook in België - is iedereen rijk, punt.

Naarmate de brandy vloeit komen de tongen losser. Een gitaar wordt er bijgehaald, er wordt gezongen en gelachen. Rita en ik ontsnappen er niet aan, we moeten ook zingen. You Are My Sunshine dan maar, in duo. Het begint te regenen. Het is 21 uur, een erg nachtelijk uur voor een vissersdorp, en we zoeken ons rieten matje of banig op. We worden nog even wakker als net boven ons hoofd het dak begint te lekken en we ons matje moeten verschuiven.

Neneng

19 december. In het Social Action Center van het bisdom Bacolod maken we kort kennis met Gally, een sympathieke boom van een vent, laborant en actief in de vakbond van gezondheidswerkers. De rest van de dag brengen we door in het kliniekje van het centrum, bij Fe Mamon, bijgenaamd Neneng. Ze is een dokteres die acupunctuur toepast en medische consultaties houdt voor de armen uit het bisdom.

We blijven bij Neneng overnachten, een lieve vrouw met een zachte hese stem. Haar grijzend haar draagt ze in een paardenstaart. Door haar bril kijken goedmoedige ogen ons ongedwongen aan. Ze is de jongste van zes kinderen, vertelt Neneng. Thuis waren ze arm. Haar ouders deden er alles voor om de kinderen te laten studeren, zodat ze voor zichzelf een betere toekomst konden uitbouwen. Nenengs broers en zussen hebben dat nogal materialistisch opgevat. Ze verhuisden allemaal naar het beloofde land, de Verenigde Staten. Na de dood van haar vader is ook Nenengs moeder daar naartoe geëmigreerd. Ze vraagt Neneng geregeld om zich bij hen te voegen en in de States een dokterspraktijk te beginnen, maar Neneng is tijdens haar studies sociaal bewust geworden en heeft gekozen voor basisgezondheidszorg voor de armen. Ze is de enige arts in het centrum.

Manny, haar man, is organizer onder de jeepneychauffeurs. Maar hij Steekt ook regelmatig een handje toe bij het organisatiewerk onder de boeren en suikerrietarbeiders. Hij vertelt dat op het platteland van Negros de invloed van de guerrilla alsmaar toeneemt.

Door hun sociaal engagement zien Manny en Neneng elkaar soms weken- of maandenlang niet. Maar, zo vertellen ze, het is ook die gezamenlijke inzet die hun relatie, ondanks de lange afwezigheden, meer diepgang geeft. Te onthouden voor Rita en mij.

Ons gesprek belandt op kinderen. Een geliefkoosd onderwerp in de kindvriendelijke Filipijnse samenleving. Neneng zegt dat zij en Manny geen kinderen kunnen krijgen. Zulke openhartigheid over privé-zaken is hier normaal. Wij beginnen een gesprek door over het weer te praten, maar Filipino’s werpen je meteen de vraag voor de voeten: ‘En hoeveel kinderen hebben jullie al?’. Een beetje verlegen antwoorden we, naar waarheid, dat we drie dagen na onze aankomst in de Filipijnen gestopt zijn met de pil en dat we graag enkele kinderen zouden hebben.

Neneng en Manny hebben een geadopteerd dochtertje van vier, Aleng. Ze ziet er wat teruggetrokken en magertjes uit. Het eerste halfuur komt er geen woord uit, ze knikt en wijst alleen maar. Ik sloof me uit om haar te amuseren, en uiteindelijk begint ze toch mee te lachen en te spelen.

Dan vertelt Neneng het verhaal van Aleng. Ze is het kind van een bevriend koppel dat jaren geleden naar het NPA is getrokken. Zoals de gewoonte is voor kinderen van guerrillakoppels werd de kleine Aleng kort na haar geboorte uitbesteed aan sympathiserende boeren in een nabijgelegen dorp. Zo wordt het kind aan het gevaar en de ontberingen van het guerrilla leven onttrokken, maar blijft het toch bereikbaar voor zijn ouders, die er af en toe op bezoek kunnen gaan.

Maar het arme boerengezin waar Aleng verbleef had te weinig geld om melk voor de baby te kopen. Het kind verzwakte en werd ziek. (Ook bij Neneng die rare gewoonte van te lachen terwijl ze iets droevigs vertelt!) Toen Alengs ouders dit vernamen besloten ze hulp te vragen aan vrienden in de stad. Zo kwam het dat Neneng en Manny de zorg over de kleine Aleng op zich namen.

’s Avonds in bed praten Rita en ik nog wat na. Die vanzelfsprekendheid waarmee Neneng en Manny het hebben over situaties die voor ons bijna ondenkbaar zijn! En natuurlijk ook hun opofferingsgeest, en misschien nog meer die van hun vrienden in de bergen. Hoewel, je kind zo uitbesteden, ik denk niet dat ik zo’n hoge prijs voor mijn engagement zou kunnen of willen betalen. Anderzijds zijn veel armen in de Derde Wereld uit economische noodzaak gedwongen hun kinderen achter te laten of zelfs te verkopen, zonder dat daar enige keuzevrijheid bij te pas komt. Want bij Alengs ouders ging het om een bewuste, weloverwogen en vrijwillige keuze, de keuze om te vechten voor een nieuwe maatschappij, waarin niemand meer zijn kinderen hoeft achter te laten of te verkopen.

21 december. Op de weg terug naar de luchthaven zien we vanuit de bus militairen in actie. Ze staan naast hun jeep en leiden hardhandig een paar verdachten op. Enkele soldaten zijn gemaskerd. Bezorgd denk ik aan Neneng en Manny, aan Gally en Nanay.

Tagalog

4 januari 1988, 10 na 7 ’s morgens. Tingeling! De schoolbel rinkelt. De leerlingen begeven zich naar hun klasjes. Rita en ik hebben ons met de moed der wanhoop op de studie van het Tagalog gestort, vier uur per dag. Geen sinecure. Deze van oorsprong Maleisische taal zit heel anders in mekaar dan de Europese talen. Men begint met een grondwoord of stam (bv. taba: vet, spek), waar dan een voor- en/of achtervoegsel wordt aangeplakt om te komen tot een zelfstandig naamwoord (katabaan: vetzucht), een adjectief (mataba: dik) of een werkwoord (magpataba: vetmesten). Gelukkig komen een aantal grondwoorden uit het Spaans en MAG je in het Tagalog ook Engelse woorden integreren. Werkwoordsvormen krijgen dikwijls MAG- als voorvoegsel. Met een Engels grondwoord wordt dat dan bijvoorbeeld MAG-enjoy: genieten. Maar dit Taglish wordt dikwijls op zijn Filipijns geschreven: jeep wordt dyip. Hetzelfde met de Franse woorden coup d’e'tat (kudeta) en champagne (tsampan). Grappig dat een oksel hier kilikili heet, een zeldzaam lichtbaken in een zee van a’s en herhaalde lettergrepen. Zijn magkakababayan, magpapakumbaba of bababa ka na ba geen pareltjes? Algemene hilariteit in de klas als ik me laat ontvallen dat ik ‘eerder dood’ ben (patay in het Tagalog), terwijl ik ‘mager’ bedoel (payat).

In beweging

5 februari. We lezen in de krant een verklaring van de nieuwe stafchef van het leger, generaal De Villa. ‘We hebben het zenuwcentrum van de communisten in Manilla gebroken’, heet het. Het leger heeft 31 vermeende topkaders van de Communistische Partij en het Nationaal Democratisch Front gearresteerd. Twee kliniekjes van de Alex Boncayao Brigade zijn ontmanteld. Een computergestuurd communicatiecentrum en een Russisch handboek zijn in beslag genomen. ‘Een grote overwinning’, bazuint De Villa.

Maar de volgende dagen stuurt de pers dat beeld bij. Bij gebrek aan bewijs worden 26 van de 31 arrestanten vrijgelaten. Er zijn zelfs een paar kinderen bij. Drie van de arrestanten leggen klacht neer omdat ze gefolterd zijn. Het gesofistikeerd communicatiemateriaal blijkt een gewone wereldontvanger te zijn en het Russisch handboek is de Japanse handleiding voor die radio.

29 maart. Uitgerekend op de verjaardag van het Nieuwe Volksleger doen de militairen een grote vangst. In Manilla worden vijf topkaders van de Filipijnse Communistische Partij (CPP) gearresteerd. President Aquino juicht dat dit het begin van het einde is voor de gewapende oppositiebeweging.

Volgens de pers zijn heel wat clandestiene documenten in beslag genomen bij de CPP-kaders. Daaruit blijkt dat de guerrillaoorlog van het NPA vooruitgang boekt. De communisten zouden aan een zesjarenplan bezig zijn om tegen 1990 een veralgemeende volksopstand te ontketenen. Als voorbereiding worden nieuwe tactieken en technieken van oorlogvoering aangewend: stadsguerrilla, economische sabotage met explosieven en het opzetten van grote militaire formaties, tot bataljons toe (300 a 500 manschappen). De CPP wil van de guerrilla snel een geregeld volksleger maken.

Defensieminister Ramos stelt voor de opstandbestrijding op te voeren door het oprichten van paramilitaire burgerwachten, de Citizens’Armed Forces Geographical Units of cafgu’s.

Maar in de CPP-documenten staat ook dat de ABB zijn gewapende acties moet verminderen en selectiever moet zijn in zijn doelwitten. Heel wat mensen uit de middenklasse die sympathie hebben voor de revolutionaire beweging, zouden afgeschrikt zijn door de revolverhelden van de ABB. De discussies die we met Roger aan tafel hebben worden ook in de CPP gevoerd!

De media maken melding van nog meer discussiepunten in de beweging. ‘De beweging’ staat voor de nationaal-democratische beweging, kortweg natdems of nd’s genoemd. ‘Nationaal’ verwijst naar de strijd voor een echte onafhankelijkheid van de Filipijnen, tegen de buitenlandse overheersing op economisch, politiek, militair en cultureel vlak. Dus tegen de militaire basissen van de vs, de nefaste rol van de multinationals in de geneesmiddelenindustrie, de Amerikaanse invloed in het onderwijs en de cultuur... ‘Democratisch’ slaat in de eerste plaats op de strijd voor een echte landhervorming ten gunste van de arme boeren, die de meerderheid van de Filipijnse bevolking uitmaken. Want wat koopje met politieke democratie als er geen economische democratie is? Dit laatste betekent in de eerste plaats de grond voor wie hem bewerkt. Daarnaast zijn er de economische eisen en democratische rechten van arbeiders, vissers, inheemse volkeren, sloppenwijkbewoners, vrouwen jongeren en studenten,...

De nationaal-democratische beweging voert haar strijd op verschillende manieren. De volksorganisaties gebruiken legale actiemiddelen: betogingen, stakingen, petities, bezettingen. Dit is wat Rita en ik zagen bij de KMU, de vakbond van suikerrietarbeiders, gabriela. Voor onderzoek, vorming en dienstverlening kunnen deze basisorganisaties een beroep doen op een hele waaier niet-gouvernementele organisaties, zoals de Council for Primary Health Care.

Maar daarnaast heb je ook de ondergrondse, clandestiene organisaties: de Filipijnse Communistische Partij (CPP), het Nieuwe Volksleger (NPA) en het overkoepelende Nationaal Democratisch Front (ndf). Ze streven dezelfde nationale en democratische doelstellingen na maar willen die verwezenlijken door gewapende revolutie.

De Filipijnse guerrilla voert een langdurige volksoorlog vanop het platteland, zoals Mao het in China heeft voorgedaan. ‘Oorlog’ omdat de heersende klassen alleen door gewapende strijd van de macht kunnen verdreven worden. ‘Volk’ omdat heel het Filipijnse volk belang heeft bij de revolutie: boeren, arbeiders, middenklasse en zelfs een deel van de nationale bourgeoisie, die te lijden heeft onder de buitenlandse overheersing van de economie. ‘Langdurig’, want het zal een hele tijd vergen om aan de basis een sterke tegenmacht op te bouwen, om de ongunstige krachtsverhoudingen te keren, om het nog kleine en zwakke volksleger zo groot en sterk te maken dat het het regeringsleger kan verslaan. ‘Platteland’ omdat de meeste Filipino’s boeren zijn, omdat de half-feodale situatie op het platteland hun belangrijkste probleem is, en omdat daar het meest geschikte terrein te vinden is voor de guerrillastrijd.

Over deze revolutionaire strategie zou nu binnen de CPP onenigheid bestaan, vooral sinds dictator Marcos in 1986 de plaats heeft geruimd voor Aquino. Sommigen schuiven het Nicaraguaans model van een snelle volksopstand in de steden naar voor. De nadrukkelijke rol die de stadsguerrilla vandaag in Manilla speelt moet in dit kader gezien worden.

Onenigheid lijkt er ook te bestaan onder de belangrijkste ex-politieke gevangenen die door Aquino werden vrijgelaten. José Maria Sison is nog altijd de meest gezaghebbende stem van de natdems en een veelgevraagd spreker in binnen- en buitenland. Hij verdedigt de oorspronkelijke principes van de nationaal-democFatische revolutie, met de langdurige volksoorlog op het platteland als zwaartepunt. Over volksopstand en guerrilla-a ties in de steden spreekt hij zich niet openlijk uit.

Bernabe Buscayno daarentegen, de legendarische voormalige NPA-commandant Dante, uit openlijk kritiek op de ABB, en neemt meer en meer afstand van de beweging in haar geheel. En dan zijn er de popdems, de beweging van popular democrats van Boy Morales en de populaire pater Ed de la Torre. Beiden waren vroeger kaders van het Nationaal Democratisch Front. Vandaag leggen zij niet langer de nadruk op de gewapende strijd, maar op het ontwikkelen van een basisdemocratie door middel van basiseducatie.

Volgens de persberichten stelt de CPP-leiding dat er grenzen zijn aan dit pluralisme binnen de beweging, maar waar de lijn moet worden getrokken, wordt niet aangegeven.

De arrestatie van de CPP-kaders kon voor het regime op geen beter moment komen. Het overschaduwt een zware schending van de mensenrechten die een paar dagen geleden aan het licht is gekomen. Als de studenten Hilario Bustamante (18) en Reynaldo Francisco (20) in het centrum van Manilla affiches plakken tegen de Amerikaanse militaire basissen, worden ze ontvoerd door drie mannen in burger. Tw^e dagen na hun verdwijning wordt Bustamante voor dood opgeraapt in de volkswijk Dagat-Dagatan. Hij is geblinddoekt en aan handen en voeten gebonden. Zijn hele lichaam vertoont brandwonden van sigaretten, steekwonden en blauwe plekken. Een dag later wordt het lelijk toegetakelde lijk van Francisco gevonden. De gruwelijke ontdekking komt als een fait divers op de binneNPAgina’s van de kranten.

De Council for Primary Health Care

2 april. Na de taalschool kunnen Rita en ik beginnen werken op de Council for Primary Health Care. Het kantoor van de cphc ligt in de toeristenwijk Malate, in het oude stadscentrum. In de groene metalen poort die toegang geeft tot het pand zit een klein deurtje, Filipijns formaat. Dit wordt twee keer per dag oppassen om mijn hoofd niet te stoten.

Het kantoor bevindt zich op de tweede verdieping. Met kloppend hart bellen we aan. Delen ontvangt ons hartelijk. Ook Dyeri Andamo is er, de nieuwe directeur van de Council die vorig jaar bij ons in België was. Dyeri is verpleger, heeft veel interesse voor volksgezondheid en aanleg voor didactiek. Met zijn brilletje en zijn afgemeten voorkomen ziet hij er als een echte intellectueel uit. Hij drukt zich voorzichtig uit, op het onzekere af, maar wat hij zegt is doordacht.

Delen en Dyeri laten ons het kantoor zien en stellen ons voor aan de staf van de Council. Er zijn vier in mekaar overgaande ruimten en twee belendende kamers. Eén ervan is het directiekantoor, tevens de enige kamer met airconditioning, want hier staat de enige computer die de Council rijk is, en die moet stofvrij en koel gehouden worden in een kamer zonder ramen. In de andere kamer woont Effen, de huisbewaarder. De doorlopende ruimten zijn respectievelijk ingericht als ontvangstruimte, eetzaal, werkkamer en bibliotheek. Verder is er nog een keukentje, een douche en een wc. Buiten de eetzaal staat elke ruimte volgepropt met piepkleine houten bureautjes. Dat moet wel, want op de Council werken een 20-tal mensen, en het budget laat niet toe meer kantoorruimte te huren.

We maken kennis met de staf, maar slagen er niet in ook maar één naam of gezicht te onthouden. Ze maken het ons ook niet gemakkelijk. Er is een Bel, een Mei en een Del, koosnaampjes voor mensen die Isabelle, Imelda of Edelina heten. Op de taalschool waren de namen trouwens nog leuker: Bing, Ping, Bong en Kreng-Kreng.

Tijd voor het middagmaal. Een vrouwtje komt aan de deur dagschotels verkopen in kleine plastic zakjes. Voor ieder een zakje rijst, waarbij je dan naar keuze kan nemen: groenten, een kippenbout of een stuk vis dat je door het plastic zakje heen in een bouillon ziet zwemmen. Smakelijk!

Van de geanimeerde tafelconversaties van Bel, Mei, Del & Co. verstaan we geen jota. Twee maand intensieve taalcursus hebben van ons nog geen Filipino’s gemaakt. We beginnen te vrezen dat het Tagalog een onoverkomelijke hinderpaal zal blijven. Maar ik beslis me erin vast te bijten. Om te oefenen worstel ik me pagina per pagina door Tagalog-artikels, met een dik woordenboek binnen handbereik en ijverig op zoek naar stammen die op onbegrijpelijke wijze verborgen lijken tussen de gekste voor- en achtervoegsels.

We verhuizen

April 1988. Sister Luisa verwacht bezoek uit Nederland, Rita en ik moeten naar een andere woonst uitkijken. We kunnen terecht in het appartementje van Lando, die bij een bevriende gezondheidsorganisatie werkt. We huren er een kamer en delen keuken en badkamer met Lando en zijn hoogzwangere vrouw Evelyn.

Onze kamer is ruim en licht. Eindelijk beschikken we over een dubbele matras en een bureautje. En gelukkig ook over een ventilator, want het warm seizoen is aangebroken. We zitten voortdurend te puffen en te zweten. Bij gebrek aan een gewone thermometer halen we de koortsthermometer boven. En warempel, die stijgt tot 38,4°C! Evelyn en Lando hebben geen koelkast in huis en met deze temperatuur beschimmelt het brood en beginnen fruit en groenten snel te rotten. We zijn gedwongen de Filipijnse methode toe te passen: regelmatiger naar de markt gaan en alles in kleine hoeveelheden aankopen.

Om zich te oefenen in het ouderschap hebben Lando en Evelyn een jong hondje in huis gehaald. Het mormel, dat Rambo werd gedoopt, bijt in mijn tenen en spot met elke poging tot toilettraining. Een andere dag komt Lando met een groot kuiken thuis, dat een plaatsje krijgt in een hok onder de keukentafel. Zo gauw het een kip is geworden, zet Lando er een haan bij. Kip en haan hebben echter slaande ruzie en de pluimen vliegen geregeld tot op tafel. Om de gemoederen te bedaren laat Lando de haan af en toe vrij in de keuken rondlopen. Gezellig is anders, zeker als blijkt dat het beestje op potten en pannen kakt. Nu Rita en ik niet voor projectwerk naar het platteland kunnen, is het platteland naar ons gekomen!

Touch-and-Go

Het werk op de vormingsdienst van de Council bestaat vooral uit het schrijven van nieuwe cursussen. Rita buigt zich over de medische aspecten van rampenpreventie en -bestrijding, ik stel een cursustekst samen over geneesmiddelengebruik. Een opdracht waarmee we wekenlang zoet zijn.

Tijdens de middagpauze slenteren Rita en ik soms wat door de straten van Malate. Niet te dikwijls, want we voelen ons wat ongemakkelijk in deze buurt waar elke blanke als toerist wordt aangezien, en dikwijls dan nog als sekstoerist. De commerciële kliniekjes in de straat prijzen op grote borden hun diensten aan: zwangerschapstest, aidstest, spermatellen en post-coïtale contraceptie. De jobaanbiedingen aan de vele bars vragen sexy receptionisten.

Dit is de propere voorkant van de seksindustrie. In de buurt van de antieke kerk van Malate krijgen we ook de achterkant te zien. Hier hangen de kindhoertjes van Manilla rond. Soms zien we ze ’s morgens liggen slapen op een stuk karton op het voetpad. Ze houden hun job vol door shabu te gebruiken, een sterk amfetamine. Of ze snuiven lijm, wat de hersenen aantast. Of Touch-and-Go, de Amerikaanse Tippex, wat zoveel betekent als ‘raak het aan en het is weg’. Zo vergaat het deze kinderen: zo gauw ze in aanraking komen met het milieu van de seksindustrie, de mensenhandel en de drugs, glippen hun jonge leventjes van hen weg.

2. 1988 - Drie keer naar het platteland - Inhoud

Polillo

Tl april 1988. We zijn nu precies zes maand op de Filipijnen, en voor het eerst trekken Rita en ik met de Council for Primary Health Care naar de provincie. Op het afgelegen eiland Polillo wordt gedurende een week een cursus basisgezondheidszorg gegeven.

Father Tony, de parochiepriester van Polillo, wil met een Community-Based Health Program van start gaan. Als voorbereiding heeft hij met een ploeg medewerkers uitgebreid sociaal onderzoek verricht in zijn parochie. ‘De diagnose van de gemeenschap stellen’ heet dat hier. Op die diagnose kan dan een geïntegreerd gezondheidsproject worden geënt. Onderdeel hiervan is de opleiding van dorpsgezondheidswerkers, die in elke wijk gekozen worden. Het is voor hen dat deze cursus wordt georganiseerd.

De vormingsploeg van de cphc bestaat uit de verpleegsters Myma en Gemma, tandarts Rhodora, en dokteres Cynthia. Rita en ik zijn waarnemers, lesgeven in het Tagalog kunnen we nog niet. En we willen eens observeren hoe zo’n cursus verloopt voor we er ons zelf aan wagen.

Polillo ligt 300 km ten oosten van Manilla, in de provincie Quezon. Omdat we de bergketen van de Siërra Madre over moeten betekent dit een hele dag reizen: per bus, jeepney, veerboot en tricycle, een motor met zijspan.

29 april. De cursus heeft plaats in het kloostergebouw. Er zijn een dertigtal deelnemers, bijna allemaal vrouwen van boerenafkomst. Hun gemiddelde scholingsgraad is niet hoger dan het vierde leerjaar. Enkelen hebben het moeilijk om gedurende een minuut de polsslag te tellen. En het berekenen van de dosis van een geneesmiddel, waar delen en vermenigvuldigen bij te pas komt, is een ware kwelling.

Rhodora en Cynthia, beiden universitairen, geven erg schools les, met moeilijke en overbodige medische terminologie. Myrna en Gemma hebben al meer ervaring met basisvorming en gebruiken aangepaste lesmethodes. Het is immers een gouden regel van de didactiek dat leerlingen slechts 20% onthouden van wat ze alleen maar horen, 40% van wat ze ook zien en

tot 80% van wat ze zelf kunnen uittesten of ontdekken. Daarom proberen Gemma en Myrna zoveel mogelijk praktijk in de cursus in te lassen.

In een workshop wordt een collage gemaakt over de oorzaken van gezondheidsproblemen. Er is een demonstratie om kruidenzalf tegen eczema te maken, met boomschors, olie en kaarsvet. In een toneeltje beelden de cursisten de gezondheidstoestand in hun dorp uit. Er is een practicum om polsslag en bloeddruk te leren nemen en wonden hechten wordt ingeoefend op een taaie lap varkenshuid.

Om de mensen inzicht te verschaffen in de achterliggende oorzaken van ziekte en ongezondheid worden technieken gebruikt die Paolo Freire uitwerkte in zijn boek Pedagogie van de onderdrukten. Gemma vertelt het verhaal van Remedios, het vierjarig dochtertje van Monching en Thea, arme pachters in een afgelegen dorpje. Het kind had een verkoudheid, haar hoest werd steeds erger. Ze kreeg hoge koorts en kon moeilijk ademen. In het holst van de nacht besloten Monching en Thea het kind naar het hospitaal te brengen. Met Remedios in hun armen stapten ze twee uur door de heuvels, tot ze aan de weg kwamen. Maar ’s nachts passeerde geen enkele jeepney die hen kon meenemen naar de stad en de kleine Remedios haalde de ochtend niet.

‘Waarom is Remedios gestorven?’ vraagt Gemma. Een ijverige cursiste roept: ‘Omdat ze longontsteking had.’ ‘Juist, maar waarom is ze daaraan dood gegaan?’ Een tweede zegt: ‘Ze hadden geen medicamenten.’ En een derde: ‘Er is geen kliniekje of dokter in het dorp.’ Gemma vraagt door: ‘Maar waarom hadden ze geen medicamenten? En waarom zijn er geen medische voorzieningen?’

Bij elke waarom-vraag wordt een dieper niveau van analyse aangeraakt. Zo komen lesgever en leerlingen samen tot het besluit dat Remedios niet alleen gestorven is door een microbe, maar ook door gebrek aan medische zorgen. Ze is gestorven omdat de regering meer prioriteit geeft aan het afbetalen van de buitenlandse schuld en aan het militair apparaat dan aan volksgezondheid. Een andere oorzaak van Remedios dood is dat haar ouders geen geld hadden om geneesmiddelen te kopen. Want Monching en Thea zijn arme pachters, die geen eigen grond hebben om te bewerken. Waarschijnlijk moeten ze twee derden van hun oogst afstaan aan de grootgrondbezitter. Wellicht was de kleine Remedios ook ondervoed.

Zo ontdekt de groep de biologische, culturele, sociale, politieke en economische factoren die ziekte en gezondheid bepalen. Allemaal schakels van de keten die Remedios naar haar graf hebben geleid.

3 mei. Na de cursus gaan we een kijkje nemen in het gezondheidscentrum van Polillo. Het kliniekje, 15 bedden, neemt alleen A/edicare-patiënten op. Medicare is het systeem van sociale zekerheid voor wie een vaste, voltijdse job in loondienst heeft. Bij een hospitalisatie betaalt Medicare een deel van de gemaakte kosten terug - gemiddeld niet meer dan 30%.

De zieken moeten hier 18 peso per dag betalen voor een hospitaalverblijf, 15 peso voor een doktersconsultatie en de volle pot voor medicamenten. Zelfs voor de kleine minderheid die een vaste baan heeft en hoop en al 50 peso per dag verdient is ziek worden een dure zaak. Is dat de reden waarom maar twee van de vijftien bedden bezet zijn? Bij het verlaten van het kliniekje zie ik even verder uit een armetierig huisje een duidelijk ondervoede peuter komen, in zijn blootje. Het ventje hurkt neer, een straal lopende stoelgang gulpt uit zijn poepje. Het verhaal van Remedios speelt zich ook in Polillo af.

Mulanay

13 mei. Ik ga opnieuw mee op cursus met een team van de Council. We trekken naar het schiereiland Bondoc, dat net als Polillo deel uitmaakt van de provincie Quezon. Deze keer zijn we met drie artsen: de kleine maar vastberaden Emily, de pas afgestudeerde Nelson en ikzelf.

In een voorbereidende vergadering heeft Emily uitgelegd dat de cursus plaatsheeft in een klein gehucht van de plattelandsgemeente Mulanay. We kunnen er beschikken over een eenvoudig buurthuis en worden te slapen gelegd bij de dorpelingen thuis. Zo leren we de leefomstandigheden van de boerenfamilies van nabij kennen.

Rita kan niet mee, er zal moeten gestapt worden. Ook al is het maar voor een dag of vijf, de scheiding valt me zwaar. Tot nu toe hebben Rita en ik alle veranderingen die de Filipijnen in ons leven hebben teweeggebracht, samen beleefd en besproken. En hoe zal ik me uit de slag trekken met mijn gebrekkig Tagalog, met de Filipijnse keuken, met mijn compagnons?

Vier uur rijden buiten Manilla stappen Emily, Nelson en ik over op een plaatselijke bus die het schiereiland oprijdt. Een man in jeans ploft zich naast mij neer, een enorme cassettespeler op zijn schoot. Op onvriendelijke toon vraagt hij wie ik ben, waar ik naartoe ga, welke nationaliteit ik heb. Hij wil mijn paspoort zien. Verwonderd vraag ik hem wie hij dan wel is.

‘Militair’, antwoordt hij. ‘Dit gebied staat onder militaire controle. Het is verboden terrein voor buitenlanders.’

Ik weet zeker dat geen enkel deel van de Filipijnen tot militaire zone is uitgeroepen of verboden is voor buitenlanders. Maar de man blijft aandringen om mijn paspoort te zien en Nelson doet teken dat ik maar beter toegeef. Ik vraag de militair zich te legitimeren. De man klopt veelbetekenend op zijn heup. ‘Dit hier is mijn legitimatie’, zegt hij. Onder zijn jeans ontwaar ik de contouren van een revolver. Ik toon de man gauw mijn paspoort. België blijkt een geruststelling te zijn.

Nu pas herinner ik me dat hier in de buurt onlangs een Zweed en een Duitser zijn opgepakt die uit guerrillagebied kwamen. Ze hadden foto’s bij zich waarop ze poseerden met een M16-machinegeweer en zitten nu hun tijd te verdoen in een Filipijnse gevangenis. Een weinig opbeurende gedachte. Mijn hart bonst, half van schrik en half van verontwaardiging. Gelukkig stapt de militair in het volgende dorp af.

Na de busrit volgt een ongemakkelijke motorrit, met z’n zevenen half zittend half hangend op een tricycle, en een voettocht van anderhalf uur tot barrio Luna, een klein gehucht van Mulanay. Voor een vormingscursus is het hier niet bepaald luxueus te noemen. Geen elektriciteit - ’s avonds petroleumlampjes voor verlichting. Geen stromend water - een bronnetje voor drinkwater en de beek als wasplaats. Om op te slapen een rieten matje, en de wc is de wijde natuur om ons heen. Doorheen de spleten in de bamboevloer van de paalwoning zie ik een paar kleine zwarte varkens. Op het strooien dak landt af en toe met veel gefladder en gekakel een kip. Van ver, van dichtbij, uit alle richtingen horen we hanen kraaien, de hele nacht door.

14 mei. Tijdens het ontbijt praten we wat met Elena, onze gastvrouw. Van het Tagalog begrijp ik nog steeds niet meer dan de helft, maar Nelson vertaalt. In deze heuvelachtige streek bezitten de meeste boeren een klein lapje grond waarop ze maïs, wortelgewassen en wat groenten verbouwen. Met rijst vormt dit het menu van alledag. Af en toe komt daar wat vis bij en bij speciale gelegenheden zoals deze cursus wordt wel eens een schrale kip geslacht.

Een dokter of verpleegkundige hebben ze in barrio Luna nog nooit gezien. Het dichtstbijzijnde polikliniekje ligt op 15 km afstand en trouwens, 20 peso voor een consultatie bij de vroedvrouw vindt Elena toch te veel. Dan liever naar de albularyo of kruidendokter of meteen om medicamenten naar de sari-sari store. Niemand van de talrijke kinderen in het dorp is gevaccineerd. ‘Maar om de carabao's, de waterbuffels in te enten komt elk jaar een veearts van de staat langs.’

Het raadsel van de drie -ismen

Die ochtend komen een tiental cursisten opdagen. Laura heeft haar baby van drie maand meegebracht. Tussen de voedingen door zorgt de tienjarige kuya (grote broer) voor het kind. Ook Elena’s baby zorgt voor afleiding. Het jongetje kan maar kalm gehouden worden als hij met een hand in mama’s bloes één van haar borsten MAG vasthouden.

Emily begint het verhaal van Remedios. Maar bij de allereerste waaromvraag, ‘Waarom is Remedios gestorven?’, krijgt ze een onverwacht antwoord. Manang Remy, een al wat oudere boerin, zegt doodgemoedereerd en met krachtige stem: ‘Door de drie -ismen’. ‘De drie wat?’ Het vrouwtje herhaalt, met instemmend gegiechel van de omstaanders: ‘De drie -ismen’. Bij het zien van onze verbaasde gezichten verduidelijkt Remy: ‘Imperialisme, feodalisme en bureaucratisch kapitalisme, de drie kwalen van de Filipijnse maatschappij’.

Waar hebben de boeren uit barrio Luna die politieke wijsheid en woordenschat vandaan? ‘Van de radio’, klinkt het laconiek. We kunnen moeilijk aannemen dat de radicale analyses van de nationaal-democratische beweging op de radio te horen zijn. Trouwens, bijna niemand in het dorp bezit een transistor. Waarschijnlijker is dat NPA-activisten zijn langsgekomen en een teach-in hebben gehouden met de bevolking. Maar op Nelsons vraag of hier soms NPA’ers gesignaleerd worden, antwoorden onze studenten alleen met een fijne glimlach.

Ik ben benieuwd hoe termen als imperialisme, feodalisme en bureaucratisch kapitalisme door deze eenvoudige mensen begrepen worden. ‘Imperialisme, dat zijn de militaire basissen van de Amerikanen’, weet iemand. En Laura: ‘Feodalisme, dat is de grootgrondbezitter Yulo hier. Die bezit 7.100 hectare land, terwijl wij moeten proberen te overleven op één enkele hectare, die dan nog onvruchtbaar is.’

En bureaucratisch kapitalisme, een begrip dat ikzelf niet eens goed versta? Manang Remy weet er meer van: ‘Zijn jullie hier met de bus of de jeepney naartoe gekomen? Nee, jullie hebben moeten stappen, want er loopt geen weg naar barrio Luna. Nochtans hebben de burgemeester, de gouverneur en onze volksvertegenwoordiger die al ettelijke keren beloofd, maar het geld voor de aanleg ervan hebben ze in hun eigen zak gestoken. Dat is bureaucratisch kapitalisme!’

17 mei. Na het theoretisch gedeelte houden we medische consultaties voor de bevolking van Luna en de omliggende dorpjes. We hebben het druk, want het nieuws dat er echte dokters bij zijn heeft zich snel verspreid. De ondervraging van de patiënten en het nemen van pols, bloeddruk en temperatuur wordt gedaan door de pas opgeleide dorpsgezondheidswerkers. Daar staan de dorpelingen van te kijken. Wij dokters doen nog wel het onderzoek en stellen de behandeling in. Elk geval gebruiken we als een leermoment voor de nieuwe gezondheidswerkers.

Een kamer in het grootste huis van het dorp wordt omgetoverd tot operatiezaaltje. Emily, Nelson en ik doen een paar kleine chirurgische ingrepen. Een oude boer is zo gelukkig dat een grote cyste op zijn voorhoofd wordt weggenomen, dat hij iedereen de hand gaat schudden, de vele toeschouwers incluis. Als resultaat van onze chirurgie lopen een aantal jongetjes in een rokje door het dorp. Die hebben net een besnijdenis ondergaan, hun piemeltjes kunnen een paar dagen geen broek verdragen.

18 mei. Op de terugweg zien we twee gewapende mannen in onze richting een heuvel afkomen. Emily doet nerveus. ‘Da’s misschien het NPA. Bert, heb je geen schrik?’ Schrik? Integendeel, ik heb meer zin om te juichen. Zou dit mijn eerste ontmoeting met de guerrilla kunnen zijn? De mannen naderen snel, blijkbaar een oudere vader met zijn zoon. Ze hebben elk een antiek ogende karabijn vast. Zonder een woord te zeggen geven ze ons een hand en hurken naast ons neer. De ouwe lacht zijn slechte tanden bloot en grabbelt uit zijn broekzak een handvol pindanoten tevoorschijn. Verlegen nemen we de pinda’s aan. ‘Salamaf, dank u. Na een paar minuten ongemakkelijke stilte staan de mannen op, groeten, en vervolgen hun weg.

Als ze de heuvelrug over zijn beginnen Emily, Nelson, onze jonge gids Beg-beg en ik opgewonden door elkaar te praten. Zouden het NPA’ers geweest zijn? Met z’n tweeën? En met zo’n oude geweren? Misschien leden van de volksmilitie van de guerrilla? In ieder geval zagen ze er sympathiek uit. Een groot contrast met de militair die we op de heenweg ontmoet hebben.

Gezondheidswerkers onder vuur

Manilla, 24 mei. Dagenlang reeds zijn Rita en ik aan het tellen en aan het hopen. Rita’s regels blijven al 14 dagen uit. We besluiten een zwangerschapstest te laten doen. Rita blijft thuis in spanning afwachten, terwijl ik me met een urinestaal naar het labo haast. De test kost 90 peso en ik heb er maar 85 op zak. Geen nood, de laborante begrijpt mijn ongeduld, ik MAG de resterende vijf peso straks binnenbrengen. De test is positief! Van zotte blijdschap loop ik een patisserie binnen en vraag twee grote stukken taart... tot ik besef dat ik geen rotte peso meer op zak heb. Ik mompel een verontschuldiging en loop zonder taart naar huis, van ver zwaaiend met het positieve testplaatje.

25 mei. Ons geluk is van korte duur. Rita’s maandstonden komen door, en met de positieve zwangerschapstest weten we dat dit eigenlijk een vroege miskraam is. Een rotdag. En we hebben juist het ‘goede nieuws’ aan onze ouders gemeld... In een poging onszelf wat op te vrolijken gaan we naar The Last Emperor kijken, met voor dessert een extra-groot ijsje.

’s Avonds horen we op de bbc World Service dat de Belgische dokter Jan Cools spoorloos is in Libanon, waarschijnlijk ontvoerd nabij het Palestijns vluchtelingenkamp Rashidiyeh, waar ik zeven jaar geleden nog gewerkt heb. Het nieuws grijpt me naar de keel. Ik bedenk dat al verschillende Belgen door hun radicaal engagement voor het volk en voor de revolutie in problemen gekomen zijn: in Guatemala, El Salvador, Chili, Zuid-Afrika, Libanon. De verdwijning van Jan drukt ons met de neus op de risico’s die wij op de Filipijnen kunnen lopen.

’s Anderendaags sla ik er de berichten op na die de laatste maanden bij de Council zijn toegekomen over militaire repressie tegen gezondheidswerkers. Soldaten die even bij ngo’s langslopen ‘om te checken of alles in orde is’. Dorpsgezondheidswerkers die door paramilitairen worden bedreigd of van de militaire overheid verbod krijgen om bepaalde dorpen te bezoeken. Op 2 februari zijn in Manilla twee verpleegkundigen gearresteerd terwijl ze in het hospitaal een patiënt verzorgden. Ze werden ervan beschuldigd lid te zijn van de medische staf van de Alex Boncayao Brigade. En op 21 april werd het Community-Based Health Program op het eiland Samar, waar Rita en ik eerst zouden gaan werken, opgeschrikt door een militaire razzia.

Telkens gaat het om het hinderen van gezondheidswerkers bij de uitoefening van hun taak, een ernstige aanslag op de bescherming van gezondheidswerkers, die door internationale conventies wordt gewaarborgd. Protocol II van de Conventies van Genève over internationaal recht bij interne conflicten stelt immers: ‘Onder geen enkele voorwaarde zal iemand gestraft worden voor het uitvoeren van medische activiteiten in overeenstemming met de medische ethiek, ongeacht wie er voordeel bij heeft’. En de World Medical Association bepaalt dat ‘de vervulling van de medische plichten onder geen enkele voorwaarde als een overtreding zal beschouwd worden’. Dus kan zelfs het verlenen van medische hulp aan de guerrilla niet strafbaar zijn, laat staan gQzondheidswerk in het kader van een NGO-project.

Tussen de krantenknipsels vind ik nog een klein berichtje. Begin maart is in Bacolod een plaatselijke leider van de volksorganisatie Bayan door onbekenden doodgeschoten. Het is Gally, de man van de vakbond van gezondheidswerkers die Rita en ik in Negros hebben ontmoet. Het eerste dodelijke slachtoffer van de repressie die we persoonlijk hebben gekend. Mijn hart verkilt.

Begin juni 1988 brengt Amnesty International een vernietigend rapport uit over de schendingen van de mensenrechten door het regeringsleger en de paramilitaire cafgu’s met als titel ‘Onwettige moorden door militairen en paramilitairen’. Defensieminister Ramos reageert geprikkeld: ‘Het is niet gemakkelijk om je wapen te richten op een gewapende vijand terwijl Amnesty International over je schouder meekijkt ‘. Amnesty meldt ook systematische folteringen door het leger. De voorzitster van de mensenrechtencommissie van de regering veegt deze beschuldiging echter van tafel: ‘Natuurlijk is het niet waar. Dit is een georchestreerde campagne tegen de regering, die mogelijk door de rebellen zelf is opgezet.’

Ella

10 juni. Voor de deur van ons kamerappartementje staat een onbekende Filipina. Ze ziet er voornaam uit, met donker sluik haar en een fijne bril. ‘Rita and Bert?' vraagt ze. Ze stelt zich voor als Ella en vraagt of ze even MAG binnenkomen.

‘Jullie zullen bezoek van een wildvreemde wel eigenaardig vinden. Jullie kennen mij niet, maar van Filipijnse vrienden in Nederland heb ik gehoord wat jij in El Salvador hebt gedaan, Rita. Ik heb ook enig idee over de organisaties waarmee jullie in België werkten.’

Meer hoeft ze niet te zeggen. Die vrienden in Nederland, dat moeten vertegenwoordigers van het Nationaal Democratisch Front van de Filipijnen zijn, de koepel van revolutionaire organisaties die zijn internationaal hoofdkwartier in Utrecht heeft. De verwijzing naar Rita’s werk bij de Salvadoraanse guerrilla en naar onze Belgische connecties is ook duidelijk. Het kan niet anders of Ella heeft te maken met de ondergrondse beweging!

‘Ik werk ook in de gezondheidssector’, vervolgt ze, ‘maar dan UG, underground.'

Rita en ik zijn te verbouwereerd om te reageren.

Ella vervolgt: ‘Wij hebben een voorstel. Wat zouden jullie ervan vinden om naast jullie job als ontwikkelingshelper bij de Council ook af en toe wat voor de UG te doen?’

Hoezo, in de clandestiniteit? Wat kan men daar van ons, opvallende buitenlanders, verwachten? Hoe kunnen wij iets doen? Ella stelt voor dat ik een paar keer per jaar mijn vakantie gebruik om voor een korte periode, 3 a 4 weken, naar een guerrillazone te trekken. De Medische Sectie van het NPA geeft vormingscursussen aan de gezondheidswerkers van het volksleger, medics genoemd. Ik zou kunnen helpen bij het lesgeven en bij het superviseren van de medics. Sporadisch kunnen er al eens gewonde guerrillero’s te verzorgen zijn. In Manilla kunnen we een handje toesteken bij het opstellen van cursusteksten of het sorteren van geneesmiddelen. Ella kan ervoor zorgen dat Rita en ik regelmatig leesvoer krijgen, tijdschriften en teksten van de CPP en het ndf. We kunnen ook politieke vorming krijgen als we dat willen.

Hoewel Rita en ik gehoopt hadden op de Filipijnen contact te hebben met de guerrilla, overvalt dit ons toch. We vragen bedenktijd, willen alles laten bezinken. Ella zal binnen een week terugkomen.

Rita spoort me aan om toe te happen. ‘Je krijgt nu de kans te doen wat ik in El Salvador heb gedaan, ik ben er zeker van dat je het aankunt. En je hebt dit toch altijd al willen doen. Niet twijfelen.’ Allemaal goed en wel, maar ik ben toch wat bang van wat me bij het NPA te wachten staat. De risico’s die zo-even nog veraf leken komen heel wat dichterbij. Ik ben er evenmin op uit om lange tijd alleen te zijn, zonder Rita. Maar in feite staat mijn besluit al vast: ik doe het.

16 juni. Daar is Ella weer. Ze heeft onze beslissing verwacht en gaat meteen tot de dagorde over. Binnen drie dagen kan ik al op ‘inleefbezoek’ bij het NPA. In een guerrillakamp ergens in de provincie Quezon is een opleidingscursus voor medics aan de gang, gegeven door de Medische Sectie van het NPA. Ik ben welkom om me voor een weekje bij hen te voegen, zodat ik wat zicht krijg op dit soort werk.

Zondagmorgen moet ik om acht uur stipt in het BLTB-busstation in Pasay City staan, zegt Ella samenzweerderig. Daar zal ik worden aangesproken door een zekere Alvin, mijn gids tot in het guerrillakamp. Hij is over alles gebrieft en ik kan volledig op hem vertrouwen. Ik moet een schuilnaam bedenken, in de ondergrondse kan je natuurlijk niet met je echte naam rondlopen. Ik kan er niet zo meteen een verzinnen. Ook dat lijkt Ella voorzien te hebben. ‘Jouw UG naam is Peter, en Rita wordt Gloria’, beslist ze kordaat.

Quezon

19 juni. Als Alvin en ik na een lastige klim over grillige rotsformaties de laatste NPA-controlepost passeren, ontwaar ik in het schemerduister tussen de bomen en het struikgewas een guerrillakamp dat baadt in de egale schijn van elektrisch licht en in het zachte geronk van een generator. Wow! Een gevoel van voldoening borrelt in me op. Ik ben er geraakt, bij het Nieuwe Volksleger!

Breed lachend en met uitgestoken armen staat een korte, geblokte man ons op te wachten. Het is Ka Roces, de kampcommandant. ‘Ka’ staat voor kasama, kameraad, zoals iedereen in de ondergrondse beweging genoemd wordt. Ka Roces gaat me voor naar de keuken. Er is nog overschot van de merienda en het avondmaal: maniokwortel in siroop en rijst met linzen. Tientallen jonge NPA’ers komen langs om de blanke bezoeker te bekijken. Een voor een stellen ze zich voor en schudden me vriendelijk de hand.

Ik verwacht halvelings militaire plichtplegingen in het bijzijn van Ka Roces, maar nee, het is hier een losse sfeer, ook waar de commandant bij is. Overigens worden militaire termen bij het NPA nooit als aanspreking gebruikt. Iedereen is hier kasama, ongeacht rang of stand. Ik stel me voor als Ka Peter, maar een jonge NPA’er reageert gevat: ‘Peter, American name. Waarom maak je er niet Pedro van?’ De Spaanse kolonisatoren zijn blijkbaar verder van hun bed dan de Amerikaanse imperialisten en zo geraak ik in dit guerrillakamp gekend als Ka Pedro.

Na een halfuurtje bekomen leidt Ka Roces me naar de operatiezaal, een ruimte van zo’n 7 op 6 meter, 2 meter diep uitgegraven in een heuvel en overdekt met stevig, plastic zeildoek. Op 2 meter hoogte zijn stellingen gesjord van waarop een twintigtal leerling-chirurgen een operatie gadeslaan. m16 automatische geweren staan en hangen achteloos in het rond. De operatieruimte zelf is nog een metertje dieper uitgegraven en volledig omgeven door muskietengaas. Door het gaas onderscheid ik een vijftal figuren in groene schort en muts. Ze staan onder een TL-lamp over de operatietafel gebogen. De chirurg is druk doende met allerlei instrumenten. De anesthesist meet polsslag, bloeddruk en ademhaling en regelt de intraveneuze vochttoediening.

De patiënt maakt het niet te best. Het arme beestje - een hond - is één voor één zowat al zijn inwendige organen kwijtgeraakt en ondergaat tot slot nog een pootamputatie. Ik ben getuige van het practicum chirurgie.

Omdat ik vuil en bezweet ben wil een kasama me wijzen waar ik me aan de rivier kan gaan verfrissen, maar ik ben doodmoe van de lange dagmars en verlang naar een slaapplaats. Ik MAG mijn intrek nemen in het hutje van een van de medische teams. Het optrekje bestaat uit niet meer dan een dak van bananenbladeren en een vloer van aan elkaar gebonden bamboelatjes.

Mijn eerste nacht bij de guerrilla kan ik de slaap niet vatten. Ik lig te luisteren naar de vreemde geluiden van het oerwoud: het gekwaak van de gekko’s en het geknars van een bamboebosje waar de wind in speelt. Draaien en keren op de bamboevloer biedt geen soelaas voor mijn knokige schouders en bekken en ook de muggen vervelen me mateloos. Als het maar geen malariamuggen zijn!

20 juni, ’s Morgens aan de wasplaats wrijf ik me eens goed de ogen uit: ze hebben hier verdorie een heuse waterleiding aangelegd! Met een ingenieus systeem van bamboehuizen zijn twee douches gefabriceerd - gescheiden voor mannen en vrouwen - met zelfs een soort kraantjes.

Dit guerrillakamp is semi-permanent. Bij daglicht zie ik beter de verschillende structuren. Naast de operatiezaal bevindt zich een recovery room met 2 bamboebedden en daarachter een kliniekje met 6 bedden. Verderop staat het schooltje, met houten banken en tafeltjes en een echt bord. Deze grotere ‘gebouwen’ hebben net als de operatiezaal een tentzeil als dak, gecamoufleerd met takken om ze aan het oog van overvliegende helikopters te onttrekken.

Ka Lean

De Medische Sectie wordt geleid door Ka Lean, een onopvallende vrouw van rond de veertig. Aantrekkelijk is ze niet, maar uit haar kleine oogjes straalt goedheid. Haar wat plompe voorkomen en de bevoorrechte opvoeding die ze heeft genoten maken dat ze zich wat ongemakkelijk voortbeweegt in een guerrilla-omgeving. Toch aanvaardt ze probleemloos dat haar taak haar zowat de helft van het jaar naar guerrillazones brengt.

Lean studeerde in het midden van de jaren ’70 af aan de faculteit geneeskunde van de elite-universiteit up. Haar keuze is des te opmerkelijker als je weet dat 70% van haar jaargenoten een bloeiende medische praktijk heeft in... de Verenigde Staten. Haar weinige collega’s die in het land zijn gebleven hebben in Manilla carrière gemaakt als specialist of in het ministerie van Volksgezondheid. Ka Lean leer ik kennen en waarderen als een bijzonder betrouwbare kameraad, toegewijd en altijd bezorgd voor het welzijn van anderen.

In de Medische Sectie wordt Ka Lean bijgestaan door Ka Apol, een graatmagere, kalende arts die een paar jaar opleiding chirurgie heeft genoten, en Ka Andrea, een goedlachse dikkerd die verpleegster is. Andrea bezit de kwaliteit om ook in de harde omstandigheden van de guerrilla het motto van de Filipijnse verpleegster onvermoeibaar in praktijk te brengen: ‘tlc’ of ‘tender, loving care’.

De medische staf van het NPA in de provincie Quezon wordt geleid door Ka Sally. Zij is momenteel buiten strijd. Twee dagen voor mijn aankomst heeft ze het leven geschonken aan een flinke dochter. Dat dit zomaar in het guerrillakamp kan gebeuren wijst erop dat het NPA zich hier erg zeker van zijn stuk voelt. Maar de aanvoer van melkpoeder is een probleem. Tot mijn grote verbazing wil Ka Sally NAN-melkpoeder van Nestlé voor haar baby, want ‘ze heeft geen melk’. Het verbaast me dat de babyvoedingsmultinationals zelfs guerrillastrijdsters kunnen beïnvloeden. Het melkpoeder moet uit de stad aangesleurd worden en drukt zwaar op het magere budget dat het NPA ter beschikking heeft.

Tandartsen en chirurgen

21 juni. Vorige week hebben de studenten les tandheelkunde gekregen en vanmorgen zijn een paar medics de theorie in praktijk aan het brengen. Hoe anders gaat het er in de guerrillageneeskunde aan toe dan in de moderne Westerse geneeskunde! De patiënte, een jong meisje van in de buurt, heeft plaatsgenomen op een geïmproviseerde tandartsstoel. Een medic zorgt voor enige verdoving door met zijn vingers druk uit te oefenen op drie acupunctuurpunten op het hoofd van het meisje. Een tweede medic zal de slechte tand trekken, maar wie? "t Is me gelijk’, zegt de patiënte dapper, ‘als-ie er maar uit is.’ Als de tand niet onmiddellijk meegeeft komt er een derde medic bij: ‘Laat mij eens proberen.’ De rest van het team staat erbij te supporteren. Met deze collectieve aanpak, een zelfzekerheid die bergen verzet, de wetenschap dat het dit is of helemaal géén tandheelkundige verzorging en de welwillende medewerking van de patiënte kan het niet anders of die tand komt eruit.

22 juni. Er staat een tweede hond op het programma. Ik MAG meedoen met een chirurgisch team als circulating nurse, de verpleegkundige die alle materiaal aangeeft. Als voorzichtige, wetenschappelijk gevormde arts, vind ik mijn teamgenoten wat overijverig op het hondenlichaam. Ze gaan er met de grove borstel door. Minder enthousiast zijn ze bij het berekenen van de correcte dosis van de medicamenten. 350 delen door 50 is een bijna onmogelijke opgave, en dat 500 mg/500 cc hetzelfde is als 1 mg/1 cc gaat er moeilijk in. Geen van de medics heeft de lagere school kunnen afmaken. Voor de les farmacologie wordt een volledige dag rekenles ingelast.

De cursus wordt even onderbroken voor een helikopter die aan de horizon verschijnt. Iedereen loopt naar buiten om de was binnen te halen. Die zou vanuit de lucht de aandacht kunnen trekken. Snel worden nog wat takkenbossen op het tentzeil gelegd en de les gaat voort alsof er niets aan de hand is. Men stelt me gerust dat het vanuit een helikopter praktisch onmogelijk is een gecamoufleerd guerrillakamp in het bos te onderscheiden.

24 juni. Mijn kennismaking met de guerrilla loopt veel te vroeg ten einde. Op de avond voor mijn vertrek wordt in de operatiezaal een korte despedida gehouden, een afscheidsfeestje. Met liederen, voordracht, enkele korte speeches en het onontkoombaar cultureel nummertje van de bezoeker. Na lang aandringen neem ik de gitaar, hoewel ik nauwelijks meer dan drie akkoorden ken. Bij gebrek aan beters zing ik Daar is de lente, dat ik voorstel als een revolutionair lied uit Europa. Als afsluiter wordt De Internationale gezongen. Ik zing mee in het Nederlands, symbool voor de eenheid en tegelijk voor de afstand die onvermijdelijk blijft bestaan tussen een bevoorrecht Belgisch doktertje en Filipijnse guerrillastrijders.

25 juni. Het gaat langs een andere weg ‘naar buiten’, want de weg waarlangs we ‘naar binnen’ zijn gekomen is niet meer veilig. Andrea, de verpleegster van de Medische Sectie, en een paar kasama’s vergezellen me. Het wordt een vermoeiende tocht. Eerst gaat het langs een hol pad steil naar beneden. Het heeft geregend en ik kan me nauwelijks overeind houden in de modder. Mijn sportschoenen MAG ik niet aandoen. Immers, besmeurd met slijk kan ik me daarmee niet in de bewoonde wereld vertonen, dat zou te veel naar het NPA ruiken. Mijn slippers blijven in de kleverige brij steken. Op blote voeten dan maar.

Beneden gekomen moeten we onder een verschroeiende zon welgeteld 34 keer door een rivier waden, die zich door een landschap van zachtglooiende heuvels met kokospalmen en lagergelegen, helgroene rijstvelden slingert. Om op de rotsige rivierbedding te stappen trek ik wel mijn schoenen aan, maar bij elke oversteek dringen tientallen kleine steentjes naar binnen. Ik krijg blaren op mijn voeten en mijn rugzak begint door te wegen. De kasama’s bieden aan om hem over te nemen, maar ik bijt op mijn tanden. Eindelijk bereiken we de oceaan, waar een gemotoriseerde prauw ons opwacht. Die voert ons naar een groot kustdorp, waar Andrea en ik de bus nemen naar Manilla.

De volgende maanden verlopen rustig. Rita en ik geraken ingewerkt op de Council, waar we zwoegen op nieuwe cursusteksten. We schrijven een paar gezondheidsprojecten uit die we via Belgische ngo’s willen laten financieren. We besteden ook aandacht aan het solidariteitswerk met de Filipijnen in België, schrijven een driemaandelijkse nieuwsbrief en onderhouden een intensieve correspondentie met onze steungroep, die geleid wordt door Rita’s zus Hilde.

De Belgische connectie

21 oktober. Vandaag bloklettert de Daily Globe: ‘Belgische groepen geven 3,9 miljoen peso voor CPP-projecten. De grootste Belgische organisatie die communistische projecten steunt is het Nationaal Centrum voor Ontwikkelingssamenwerking (ncos).’ De krant baseert zich op een rapport van de Filipijnse inlichtingendienst. Daarin worden de vakbond KMU, de organisatie van suikerarbeiders nfsw en de boerenvakbond kmp frontorganisaties genoemd van de Filipijnse Communistische Partij. En vermits projecten van deze volksorganisaties fondsen ontvangen van Belgische ngo’s, steunen die in feite de CPP. Zo eenvoudig is dat. In het lijstje staat naast het NCOS ook onze uitzendorganisatie Bevrijde Wereld en bij de ‘CPP-fronten of geïnfiltreerde organisaties’ wordt de Council for Primary Health Care vermeld!

Ik zit de héle dag op vergadering en weet nog van niets, maar Rita schrijft in haar dagboek:

‘Ik maak me ongerust. Bij het minste gerucht buiten schrik ik op. In plaats van alleen thuis te blijven, moet ik er met iemand kunnen over praten. Ik loop langs bij Manny.’ Manny is een Belgische ontwikkelingshelper die al vele watertjes doorzwommen heeft. Hij is al jaren betrokken bij Filipijnse projecten van arbeidersvorming. ‘Manny straalt rust en vertrouwen uit en stelt me weer op mijn gemak.’ 22 oktober. We overleggen met Delen en Dyeri op de Council en schrijven naar onze vrienden van Bevrijde Wereld. Het is duidelijk dat dit een georchestreerde desinformatiecampagne is. We besluiten dat het verstandiger is om niet te reageren, om rustig af te wachten tot de storm overwaait. Maar we beseffen nu dat de organisaties waarmee we werken op de vingers worden gekeken.

Het artikel van de Daily Globe heeft een voorgeschiedenis. Op 4 mei 1987 publiceert de Heritage Foundation, een Noord-Amerikaanse think tank met CIA-banden, een document met als titel Het internationaal anti-Aquino netwerk: bedreiging voor de Filipijnse democratie. Zonder enige bewijsvoering staat hierin dat de Filipijnse communistische beweging jaarlijks miljoenen dollar ontvangt van steungroepen en frontorganisaties in de VS en West-Europa. De think tank wil de regering Aquino bij staan om Westerse regeringen te informeren over de activiteiten van die zogenaamde CPP-fronten in hun land.

Drie maand later schrijven 13 Belgische missionarissen van Scheut op de Filipijnen een brief naar kardinaal Danneels en naar André Kempinaire, minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking. De brief lekt uit in de Manila Times. De scheutisten beweren dat projectgeld van 11.11.11 en Broederlijk Delen wordt afgeleid voor subversieve doeleinden. Ook zij vernoemen de cphc. Gealarmeerd noteren ze dat de Council slechte gezondheid in verband brengt met armoede en uitbuiting. Het onomstotelijk bewijs van banden met de communisten.

In november 1987 verschijnen in de Filipijnse pers opnieuw aantijgingen van buitenlandse, inclusief Belgische, steun aan de CPP. Een dossier bijeengeschreven door een zekere André Bellessort doet de ronde, CPP solidarity network: the Utrecht connection. Hierin worden opnieuw 11.11.11 en Broederlijk Delen aangevallen, maar ook verschillende solidariteitsgroepen, de ‘maoïstische’ Partij van de Arbeid van België en de Anti-Imperialistische Bond.

Het scenario van de Heritage Foundation wordt netjes gevolgd. Op de topontmoeting tussen de Europese Gemeenschap en de asean (Association ofSouth-EastAsian Nations) begin mei 1988 in Düsseldorf ontmoet minister van Buitenlandse Zaken Tindemans zijn Filipijnse collega Manglapus. Hij belooft hem om ‘de steun vanuit België voor het NPA actief tegen te gaan’.

Een eigen woonst

2 december. Rita zit in Baguio, op een nationale conferentie van de Council. Ik ben thuisgebleven om een projectvoorstel uit te schrijven. In mijn dagboek aan Rita schrijf ik:

‘Ik heb vannacht gedroomd dat je thuiskwam, maar dat je maandag alweer naar een conferentie moest. En ook dat we een zoontje hadden, blond met blauwe ogen. Ik was weggeweest naar het platteland, maar hij herkende me nog toen ik thuiskwam. Sorry schat, maar door de leuke baby van Lando en Evelyn hiernaast en door de lectuur van John Irvings The Cider House Rules, dat grotendeels over bevallen en baby’s (en abortussen) gaat, ben ik me er des te meer van bewust geworden hoe graag ik met jou een kind zou hebben. Gisteren op kantoor informeerde Bel nog naar onze relatie, hoe lang we elkaar al kennen, hoeveel kinderen we willen, enz. Kom maar gauw terug.’

4 december. Nu het vaststaat dat we in Manilla blijven werken hebben Rita en ik besloten een eigen appartementje te huren. We zijn blij een eigen stek te hebben. Het is klein, niet meer dan één grote kamer die door middel van houten schotten in drie ruimten is onderverdeeld.

Rita schrijft in een brief naar haar zus:

‘We zijn eindelijk verhuisd, en ’t is echt plezant, ’s Morgens direct in de badkamer kunnen stappen in plaats van je beurt te moeten afwachten. Geen dierentuin meer onder de keukentafel. Meer ruimte. En maandenlang het gerief van anderen gebruiken was niet meer leuk. Buiten het weinige dat we van België hebben meegebracht hadden we hier alleen een strijkijzer, een bureaulamp en een servies gekocht. Nu zijn daar bijgekomen: een matras, een kookvuur, een ventilator, emmers, bestek, een rieten boekenkastje, een rieten salon, twee rieten stoelen, een bureautje, een tafel met vier krukjes en als pronkstuk een koelkast!

Maar het is ook niet de hemel op aarde. Naast ons woont de zus van Freddie Aguilar, de Filipijnse Raymond van het Groenewoud. Haar katulong doet niets liever dan meeschreeuwen met steeds weer dezelfde cassette van kuya Freddie, ook ’s nachts en ’s morgens vroeg. Naar ons werk gaan is moeilijker geworden. Alle jeepneys zitten al vol als ze hier langskomen en er zijn meer opstoppingen onderweg. We doen er meer dan een uur over. Ander negatief punt: we hebben meer kakkerlakken.’ Een Filipijnse kerst

Het is hier volop Kerstmis. Dat is hier niet één dag of een periode van een paar weken. Nee, Kerstmis duurt hier een maand en langer. In feite kan je al aan de kerst beginnen denken zo gauw de maanden eindigend op -ber eraan komen. September dus. Handelszaken die tegen oktober nog niet van kerstversiering zijn voorzien, zijn waarschijnlijk failliet. Na Allerheiligen hoor je op straten en pleinen al kerstliederen weerklinken en nog voor het helemaal december is kan je aan elke ‘goeiedag’ al gerust een ‘Merry Christmas’ toevoegen.

Op de Filipijnen wordt het kerstfeest uitbundig gevierd. Wekenlang worden er druk cadeautjes gekocht en ook qua eten wordt er flink (over)geconsumeerd. Historisch-antropologisch verklaart men dit als een rituele herverdeling van de rijkdom en als een manier om de sociale banden aan te halen. Maar eigenlijk gebeurt net het omgekeerde: door de sterke nadruk op consumptie accentueert Kerstmis de verschillen tussen rijk en arm.

Een voorbeeldje uit de krant. De familie Flores (drie kinderen, de vader is geldwisselaar) koopt voor Kerstmis voor 3.500 peso nieuwe kleren en schoenen. Dat is een maandloon. De zondag voor Kerstmis wordt nog eens uitgebreid gewinkeld in een luxueus shoppingcenter: 3.100 peso de deur uit. Het kerstdiner, dat bestaat uit voor de Filipijnen exotische producten als een grote hesp, een bol gele kaas, sinaasappelen en appelen, kost meer dan 1.500 peso.

Mensen die het minder breed hebben dan de familie Flores, zoals onze collega’s op het werk bijvoorbeeld, zoeken hun laatste spaarcentjes bijeen, lenen geld en gaan schulden aan om toch maar niet te moeten onderdoen in de orgie van geschenken, nieuwe kleren en eetwaren. De meer ondernemende geesten proberen de maanden voor Kerstmis wat bij te verdienen door de verkoop van zelfgebakken fruitcakes, speelgoed of vuurwerk voor Nieuwjaar.

Maar die nevenactiviteiten vragen tijd. En vermits je ook die massa cadeautjes nooit gekocht krijgt buiten de werkuren, om nog maar te zwijgen van het zorgvuldig en mooi inpakken ervan, ligt het kantoorleven in december zo goed als stil.

De CPP verjaart

15 december. Ella komt ons opzoeken in onze nieuwe woonst. Ze heeft een paar clandestiene documenten bij die we mogen lezen, onder andere het driejarenplan 1988-1990 van de Filipijnse Communistische Partij. Gelukkig overloopt ze de teksten samen met ons, want alle documenten zijn in het Tagalog. Het driejarenplanas erg ambitieus. De CPP gelooft er duidelijk in en wil tegen 1990 haar ledenaantal verdubbelen.

26 december. In de pers verschijnt een samenvatting van de verklaring van de CPP naar aanleiding van haar 20ste verjaardag. ‘Het is redelijk te mikken op de totale overwinning van de nationaal-democratische revolutie binnen de tien jaar’, stelt de partij zelfbewust. Het NPA is actief in 63 van de 73 Filipijnse provincies. 12.000 van de 41.000 barangay of gehuchten staan onder invloed van de revolutionaire beweging. De partij zegt 35.000 leden te tellen en een massabasis van 10 miljoen mensen te hebben, een zesde van de Filipijnse bevolking. Met massabasis wordt bedoeld de mensen die leven in guerrilla-gebied en de mensen die actief zijn in ondergrondse of legale volksorganisaties die geleid worden of beïnvloed zijn door de communistische partij. Volgens deze cijfers is de steun voor de revolutie op een jaar tijd met 11% toegenomen.

Gegevens over de grootte van het NPA lopen uiteen van 7.000 fulltime strijders (volgens de CPP zelf) tot 25.000 leden waarvan twee derden gewapend (volgens de overheid). Uit CPP-documenten die recent door het Filipijns leger werden buitgemaakt blijkt dat het NPA op tientallen guerrilla-fronten opereert op compagniesterkte (90-120 man) en sinds kort zelfs over twee bataljons beschikt (300-500 man). De gewapende stadspartizanen hebben de volksoorlog tot in de hoofdstad gebracht en opeenvolgende en gecoördineerde guerrilla-acties hebben het regeringsleger zware klappen toegebracht. Ook de internationale pers heeft in de gaten dat het de Filipijnse guerrilla voor de wind gaat. Newsweek schrijft in een cover-artikel dat het NPA op het punt staat de overhand te halen.

Propagandaoorlog

Tijdens haar State of the Nation-toespraak van 25 juli verklaarde president Aquino nog dat ‘1988 zal herdacht worden als het jaar waarin de opstand werd gebroken’. Het jaar loopt naar zijn einde, maar Defensieminister Ramos geeft zich respijt tot 1992, het jaar dat Aquino’s ambtstermijn afloopt.

Het leger werkt aan een nieuwe strategie van opstandbestrijding. Ramos: ‘Het principe is niet meer alleen militaire actie of het doden van NPA’ers, maar ook dienstverlening aan de bevolking en het opzetten van projecten voor hun levensonderhoud’.

Deze ‘totaalstrategie’ is uitgewerkt door kolonel Victor Corpuz. Corpuz werd een beroemdheid toen hij in 1970 als jong officier met een karrevracht wapens naar het NPA overliep. Maar na zijn arrestatie in 1977 keerde hij terug naar de militaire schaapsstal. Zijn kennis van de guerrillaoorlog Probeert hij nu te gebruiken tegen zijn vroegere kameraden. Hij droomt van een snelle militaire overwinning op het NPA, als ‘dialectisch’ antwoord op hun strategie van de langdurige volksoorlog. Corpuz kopieert het guerrillaconcept van gewapende propagandaeenheden, kleine teams die zich vooral bezighouden met organisatiewerk onder de bevolking. Bij het leger heten ze Special Operation Teams (sot), 7 tot 12 soldaten in burger die de taak krijgen zich te integreren in ‘door communisten geïnfiltreerde’ dorpen. Ze doen er aan sociaal onderzoek, civic action, propaganda en spionage, termen die spontaan het beeld van de CIA oproepen. De CIA heeft een lange staat van dienst op de Filipijnen, met als hoogtepunt de succesvolle bestrijding van de Huk-opstand. De Huks (van hukbo, leger) voerden een guerrillaoorlog tegen de Japanse bezetter in de Tweede Wereldoorlog. Nadien werd dit een veralgemeende boerenopstand tegen de grootgrondbezitters en tegen het Filipijns regime. De Amerikanen besloten tussenbeide te komen en CIA-kolonel Edward Landsdale, gestationeerd in Manilla, maakte van ene Ramon Magsaysay eerst een populistische minister van Defensie en later de president. Met ClA-hulp slaagde de man erin om met enkele beperkte hervormingen, veel retoriek en rake psychologische oorlogvoering het gras van onder de voeten van de Huks weg te maaien.

Dertig jaar later ziet de CIA opnieuw een rol voor zich weggelegd. Na het aantreden van president Aquino wordt het personeelsbestand van het CIA-station in Manilla opgevoerd tot 127 eenheden. De Amerikaanse regering trekt 10 miljoen dollar extra uit voor geheime operaties. De VS-propaganda is ook openlijk aanwezig op de Filipijnen en de Amerikaanse vrijwilligersorganisatie Peace Corps heeft hier haar grootste missie. De VS-informatiedienst in Manilla geeft negen publicaties uit, tot in het Tagalog en het Cebuano toe, en verzorgt een eigen radioprogramma.

Op tv loopt al maandenlang vijf avonden per week het feuilleton Buhay (Leven). De minzame en dappere luitenant-kolonel Lozano staat model voor het heldendom en de burgerzin van de soldaat. Zijn tegenstrever, de sluwe en meedogenloze guerrillero Rod, symboliseert het kwaad, het NPA. Een andere TV-serie, K: Alien Rule, gaat nog een stap verder. Ze schildert een beeld van de Filipijnen onder een toekomstig communistisch schrikbewind. Beide series zijn geproduceerd door de Civil Relations Service van de Filipijnse strijdkrachten.

In de bioscopen draait de film Dante. De vroegere leider van het NPA wordt voorgesteld als een koele kikker, de guerrilla als een zootje ongeregeld dat voortdurend voor het regeringsleger op de vlucht moet. Even paniek als blijkt dat in de krantenadvertenties voor de film Dante, ‘verdediger van de verdrukten’ staat. Geen week later is deze vergissing rechtgezet, het zinnetje is weggecensureerd.

Het leger zal nog wat moeten schaven aan zijn propaganda om geloofwaardig over te komen. Wie gelooft de mededeling dat 1.000 priesters en nonnen op de centraal gelegen Visayas-eilanden NPA-commandanten zijn? Herhaaldelijk wordt ook de overgave of de dood gemeld van een van de bekendste priesters bij het verzet, Frank Navarro. De man moet zich vanuit zijn junglekamp keer op keer uitsloven om, zoals Mark Twain, te melden dat de berichten over zijn dood schromelijk overdreven zijn.

3. 1989 De medische faculteit van het NPA - Inhoud

Zwanger

Januari 1989. Rita en ik voelen ons echt goed bij leven en werken op de Filipijnen. Voor de Filipino’s van Chinese afkomst is dit het Jaar van de Slang, een geluksteken. Klopt, want die slang gaat ons in augustus een baby brengen! Uit angst voor een nieuwe miskraam wachten we om het naar huis te schrijven, heel on-Filipijns.

Efren, het manusje-van-alles op de Council, heeft juist een brief gekregen van zijn vrouw. Die werkt als lerares op het afgelegen eiland Romblon. Ze schrijft dat ze elf dagen over tijd is. Even later weet heel de Council het. Er wordt afgesproken een feestje te bouwen zo gauw Efrens vrouw twee maand zwanger is. Rita en ik kunnen onze zwangerschap niet langer verzwijgen. Een gejuich gaat door het kantoor.

In de eindejaarspost schrijven zowel Rita’s zus Hilde als mijn zus en schoonbroer, Hilde en Philip, dat ze ingaan op het berichtje in onze nieuwsbrief: ‘gratis kamer te huur in Manilla’. We zullen de komende maanden niet veel alleen zijn.

Guerrillaverlof

10 januari. Ella staat voor de deur. Ze heeft een berichtje bij van Lean van de Medische Sectie van het NPA. Of ik niet eens voor langere tijd een medische training bij de guerrilla wil bijwonen. Op 19 januari vertrekt Lean met Andrea en twee andere kasama’s naar een guerrillazone in Bicol, het langgerekt schiereiland dat Luzon verbindt met de Visayas-eilanden. Als ik wil kan ik mee, voor een week of drie. En ik MAG zelf les geven, over verdoving. Lean voegt er meteen een bundeltje kopies bij: de cursus anesthesie voor NPA-medics, in het Tagalog.

Opnieuw naar de guerrilla, ik vraag niets liever, hoewel ik het niet zo meteen zie zitten om les te geven in het Tagalog en over een onderwerp waar ik zelf niet veel van ken. En er is Rita met haar prille zwangerschap en de spanning over een eventueel miskraam. De grootste moeilijkheid is misschien nog hoe ik me drie weken kan vrijmaken van mijn werk op de Council.

De volgende dag pols ik Dyeri op kantoor. Als ik enkele dagen goed doorwerk kan ik mijn project - het samenstellen van een cursustekst farmacologie - vroeger dan gepland klaar hebben. Ik zeg Dyeri vaagweg dat ik ontwikkelingsprojecten van Belgische ngo’s op het platteland wil gaan bezoeken. Hij stemt toe. De manier van werken op de Council is immers veeleer projectmatig dan gebonden aan strikte kantooruren.

Goedgezind rijd ik naar huis. Ik buig me onmiddellijk over de cursus anesthesie en een woordenboek.

Bicol

19 januari. Een jonge vrouwelijke koerier van de guerrilla komt Lean, Andrea, Apol en mij helemaal in Manilla ophalen. We nemen een binnenlandse vlucht naar Naga City.

Lean stelt voor om in elke regio een andere schuilnaam te gebruiken. Vaarwel, Ka Pedro. Deze keer kies ik bewust voor een guerrillanaam met inhoud: Ka Miguel, als eerbetoon aan Michaël De Witte, en uit trots dat ik een beetje in zijn voetsporen MAG treden. Miguel verwijst ook naar Miguel Enriquez, de leider van de Chileense revolutionaire organisatie mir, die in 1974 sneuvelde bij een vuurgevecht met Pinochets militairen.

In Naga blijven we twee dagen in quarantaine bij een alyado, een bondgenoot van de beweging. Dadelijk het binnenland intrekken zou te veel opvallen. Lina houdt ons gezelschap, een sympathieke vrouw met halflang grijs haar en een grote uilenbril. Ze leidt het Regionaal Gezondheidsbureau van de Communistische Partij in Bicol. Met luide, vastberaden stem regelt ze de laatste voorbereidingen voor onze trip: regenzeilen, het vervoer, boodschappers, gewapende begeleiders, mondvoorraad voor onderweg.

Noodgedwongen binnenshuis zitten met niets om handen ligt me niet. Het enige tijdverdrijf zijn komiks, strips voor volwassenen, en de tv. Lang hou ik dat niet vol, het is allemaal even stereotiep, gewelddadig, seksistisch.

De tweede avond komt een andere alyado ons met een auto oppikken. Buiten onze gids en Lina zijn er nog twee jonge kerels bij. Na een uurtje rijden worden we langs de kant van de weg gedropt, met dozen vol geneesmiddelen, medisch materiaal en gefotokopieerde cursusteksten. Onze begeleiders lopen ons voor, een kleine heuvel op.

In een huisje worden we opgewacht door een gewapende escorte. Ook onze twee begeleiders, die zich voorstellen als Ka Toto en Ka Bong, hebben nu een m16 vast. Dat is gedurfd, op nog geen 100 meter van de grote weg waar militaire voertuigen kunnen passeren. Onze gids legt uit dat het organisatiewerk van het NPA al tot aan de hoofdweg reikt en dat de hele bevolking hier de beweging steunt. ,

Vijf uur lang gaat het heuvel op heuvel af, nu eens langs modderige bospaadjes, dan weer door hoog stekelgras. We passeren gehuchtjes en alleenstaande huisjes. Arm maar proper is hier het devies. Elk huisje heeft een mooi verzorgd erf met bloemen en planten en aan de ramen hangen orchideeën. Die worden gekweekt op een dik stuk vezelige schelp van een jonge kokosnoot, met daarop eierschalen die voedzame kalk afgeven. De bewoners zijn overal even gastvrij en vriendelijk. Toto en Bong maken graag een praatje met de mensen, en aan elk huisje krijgen we een glas water aangeboden. Gewapende guerrillero’s ontmoeten is voor de boeren van Bicol de normaalste zaak van de wereld.

Het is beginnen motregenen en de nacht valt. De vermoeidheid laat zich voelen, ik glijd en val meer dan te stappen. Ik merk dat ook Ka Lean en de andere kameraden uit de stad het lastig hebben. Maar de NPA’ers, zwaar bepakt met rugzak en geweer en op slippers of op blote voeten, hebben niet de minste moeite met dit terrein. Zij moeten ons, stadsmensen, wel onhandige sukkelaars vinden.

Ka Louie

In het guerrillakamp worden we opgewacht door Ka Louie, een magere man in T-shirt, shorts en legerboots. Ka Louie is de secretaris van het regionaal NPA-bevel in Bicol. Net als in Quezon is de aankomst in het guerrillakamp een verrassing. Uit een cassetterecorder kraken slow rocks uit de jaren ’70, en Ka Louie biedt ons ter verwelkoming een slokje whisky aan. ‘Gekregen van een alyado’, knipoogt hij.

Ka Lean, die altijd op alles bedacht is, vraagt of we nog voor het slapengaan kunnen gebrieft worden over de veiligheidssituatie. Ka Louie lacht breed, nipt aan zijn whisky en zegt: ‘Niets om jullie zorgen over te maken. In deze zone is de Main Regional Guerrilla Unit van het NPA in Bicol gelegerd, een compagnie van meer dan 90 manschappen. In het district waar we ons bevinden opereert ook een NPA-peloton van ongeveer 30 man. Daarnaast zijn verschillende kleine gewapende propagandaeenheden actief, 5 tot 12 kasama’s elk. En het regionaal NPA-hoofdkwartier, dat hier in de buurt ligt, beschikt over een eigen stafcompagnie. Jullie veiligheid is meer dan gegarandeerd, temeer omdat de bevolking in deze streek volledig geconsolideerd is.’

Een geconsolideerde bevolking, wat MAG dat wel zijn?

‘Dat wil zeggen dat in alle dorpen organisaties van boeren, vrouwen en jongeren zijn opgericht, en dat er geen vijandige elementen meer zijn. Voorts hebben we in Bicol zo’n goede contacten met politici uitgebouwd dat we de meeste burgemeesters, een parlementslid en zelfs een provinciegouverneur tot de vrienden van de revolutie kunnen rekenen.’

Maar we moeten toch op onze hoede blijven, dringt Lean aan.

Ka Louie blaakt van zelfvertrouwen: ‘Van het regeringsleger hebben we niets te vrezen. Het dichtstbijzijnde vijandelijke detachement ligt op 15 km.’ Wijzelf concentreren ons tegenwoordig op organisatiewerk, en hebben hier het laatste jaar geen militaire acties ondernomen, waardoor de vijand niet op de hoogte is van onze aanwezigheid.

We kunnen op onze beide oren slapen. Lean heeft een hangmat voor me meegebracht, een guerrillahangmat, gemaakt uit flinterdunne parachutestof. Neemt bijna geen plaats in en droogt snel. Als chirurg en ervaren guerrillero kent Ka Apol wat van knopen leggen. Hij leert me mijn hangmat stevig te bevestigen. Ik slaap als een roos.

Op terugtocht

22 januari. Ik krijg de kans niet om het kamp te verkennen, het regent dat het giet. Na een ontbijt van opgebakken rijst en tuyo, gedroogde en fel gezouten visjes, neem ik een uitgebreid bad in een ondergronds riviertje. Je moet steil over rotsen naar beneden klauteren om er te geraken. Het is fris in de grot, en de regen maakt het nog killer. Het water is koud als van een Zwitserse bergrivier.

Ik ben nog maar net ingezeept als Ka Lina me uit de grot komt roepen. Vanmorgen is er een gewapend treffen geweest op enkele kilometers van het kamp! Maken dat we weg zijn! Ik vloek inwendig op Ka Louie, die de situatie zo goed onder controle dacht. Ik haast me de ‘badkamer’ uit en ga mijn spullen inpakken.

We krijgen gedetailleerde instructies: wachtwoord, verzamelplaats en de bevelen voor de vier marsrichtingen. Zal ik dat allemaal kunnen onthouden? Zal ik het Tagalog verstaan? Zal ik de bevelen zelfs maar horen? Gelukkig krijgen we elk een buddy toegewezen, een maat van wie we geen voet mogen wijken. Voor het eerst hoor ik NPA-eenheden benoemen met militaire termen. Het Amerikaanse Alfa-Brabo-Charlie is in het Tagalog Abe-Baking-Kaloy. Iedereen moet in de keuken een sok gaan vullen met ongekookte rijst en krijgt twee blikjes sardientjes in tomatensaus mee. Zo heb je altijd wat mondvoorraad als je afgezonderd raakt van de groep, en kom je nooit met lege handen bij arme boeren aankloppen.

Het is allemaal best spannend en ik realiseer me nu heel concreet dat guerrilla oorlog betekent. Als om mezelf te bewijzen dat ik niet zenuwachtig ben, neem ik mijn polsslag: 68, niet veel gejaagder dan anders. Bij de ervaren Ka Lean en Ka Apol en in gezelschap van een hele compagnie goed getrainde NPA’ers voel ik me veilig.

We beginnen aan een georganiseerde tactische terugtocht. Met de gevechtseenheid, de staf van Ka Louie, de medics die al aanwezig zijn voor de cursus en de Medische Sectie van Ka Lean zijn we met 66 mensen en twee honden. Een grote groep, beladen met potten, pannen, dozen medisch materiaal, zakken rijst en gedroogde vis.

Na een uur of drie bereiken we een grote, goed verscholen grot die dwars door een heuvelrug snijdt. Vlak achter de ingang is er een ruimte van zo’n 10 op 3 meter waarin we rechtop kunnen staan. Langs de achterzijde naar buiten gaan kan alleen gehurkt in ganzeNPAs, en sommige stukken zelfs kruipend op handen en voeten.

De kasama’s weten wat hen te doen staat. Ze kuisen de grot met een takkenbos, graven een geultje om aflekkend water te laten weglopen en hangen een paar petroleumlampen op om de donkere holte te verlichten. Aan de voet van de heuvel staan een paar huisjes van masa, mensen die sympathiseren met de guerrilla. Daar gaan enkele kasama’s rijst koken. Als ze terug zijn met hun reuzenpotten worden de sardientjes aangesproken. Bladeren en stukken stam van bananenbomen doen dienst als bord. Na het eten brengt een bereidwillige kasama me enkele palmbladeren om mijn bedje te spreiden op de harde, koude rotsgrond. Ik doe geen oog dicht, tot ik halverwege de nacht mijn hangmat bovenhaal en aan een koppel stevige stalactieten bevestig.

23 januari. We blijven ons schuilhouden in de grot. Vervelend. En buiten blijft het gieten. Ik moet naar het toilet, stap in mijn doorweekte sportschoenen het bos in en ga kletsnat de kille grot terug binnen, ’t Is verdomme niet gemakkelijk, dat guerrillaleven.

Gelukkig zijn er Lean, Andrea en Apol. En Ka Rina. Dit klein maar fel vrouwtje is een van de leidende kaders en heeft een van de mooiste stemmen van Bicol. Ze zingt voor ons menig revolutionair en melancholisch lied, met daarna telkens een guitig lachje van puur plezier. Ka Rina is al bijna 15 jaar bij de guerrilla. Haar man is een topkader in de regio, vertelt ze. Buiten haar stem en haar opgewekt humeur heeft Rina nog drie waardevolle zaken bij in de guerrillazone: een Sony-radio met wereldontvanger, een Scrabble-spel en thee.

Informatie over het gewapend treffen bereikt ons met mondjesmaat, via verkenners of door de walkietalkie. Op de radio horen we dat een militair en drie NPA’ers zouden gedood zijn, maar onze eigen mensen kunnen dit bevestigen noch ontkennen. En de vijand beweegt zich in onze richting. We moeten weer opkramen, weer of geen weer. Tegen 16 uur zet onze guerrillacolonne zich weer in beweging voor een moeilijke, want natte en nachtelijke mars. Niemand zegt waarheen de tocht leidt of hoe lang we moeten stappen; in deze omstandigheden worden geen vragen gesteld.

Om 22 uur houden we halt om te eten en wat te rusten. Ka Louie laat me bij zich roepen. Wat een idee om precies dit moment uit te kiezen voor een praatje met zijn buitenlandse bezoeker. Of wil hij me zo op mijn gemak stellen? Louie probeert een conversatie op gang te brengen, maar ik val omver van vermoeidheid. Dan komt het eten er aan: een bord stomende rijst met sardientjes in tomatensaus. Na de maaltijd doezel ik weg, geleund tegen mijn rugzak.

Maar we moeten verder. We stappen nog van 2 tot 5 uur ’s morgens. Met die grote groep vorderen we slechts langzaam, we mogen immers geen lawaai maken en geen zaklampen gebruiken. In alle stilte houden we halt vlakbij drie huisjes. Na een uur afwachten doen de verkenners teken. We mogen in de huisjes gaan overnachten, de helft in hangmatten naast, onder en boven mekaar, de andere helft op de vloer. Ka Bong wijst mij de ereplaats aan: de houten keukentafel.

We kunnen hier een paar dagen uitblazen, tijd om onszelf en onze kleren te wassen in de rivier en om wat meer contact te hebben met de jonge NPA’ers. Er wordt gelachen en gekaart, gewassen en gekookt. De kasama’s maken van de rustpauze gebruik om hun wapens te reinigen. Na zijn vuurwapen is het belangrijkste attribuut van de guerrillero zijn rugzak. Al zijn schamele bezittingen zitten daarin, zijn hele leven: een bundeltje kleren, een hangmat, wat toiletgerief, misschien een paar vergeelde foto’s of enkele gekoesterde briefjes van familie. Voor de medics nog wat geneesmiddelen en een stethoscoop, in het beste geval een medisch zakboekje. In dit vochtige klimaat wordt die hele inhoud netjes in plastic zakken gewikkeld.

We wachten op het terugtrekken van de vijand om op onze stappen te kunnen terugkeren en met de medische training te beginnen. We wachten ook op eten. De bevoorradingslijn naar onze nieuwe standplaats staat nog niet op punt. De maaltijden bestaan eerst uit rijst en tuyo of sardientjes. Daarna is het rijst met zout en Vetsin, een ongezonde smaakmaker die bijzonder populair is in de Chinese en Filipijnse keuken, guerrillakeuken inbegrepen. Ten slotte is er alleen nog rijst. Ik heb moeite om dat binnen te krijgen en spreek mijn strategische reserve aan: een klein doosje rozijnen dat ik heb meegebracht uit Manilla.

De volksoorlog

24 januari. We maken van de nood een deugd, en vragen Ka Louie ons de stand van zaken van de revolutie in Bicol uit te leggen. Lean, Andrea, Apol en ik scharen zich rond hem.

‘De regio Bicol telt vijf guerrillafronten. Elk front strekt zich uit over 5 a 10 gemeenten en is ingedeeld in 3 tot 5 districten, die elk op hun beurt uit 3 tot 5 secties bestaan. Om van een guerrillafront te kunnen spreken moet aan de volgende criteria zijn voldaan: de streek is bewoond en de bevolking is georganiseerd; de vijand is zwak of afwezig; het terrein is gunstig (met bergen en/of woud) en de partij is er al ingeplant. Binnen een front kan een onderscheid gemaakt worden tussen een guerrillazone, waar het organisatieniveau van de bevolking minder hoog is, en een guerrillabasis, waar de bevolking sterk georganiseerd is, tot in lokale volksmilities toe.’

Ik wil weten wat de troepensterkte is van de guerrilla in verhouding tot de geografische indeling front-district-sectie.

‘Het NPA moet over een wijde maneuvreerruimte kunnen beschikken’, begint Ka Louie, ‘en bij vijandelijke aanvallen moet het kunnen terugvallen op andere guerrillafronten en -eenheden ter ondersteuning. Bekijk het zo: als het NPA drie bressen slaat, kunnen die door de vijand nooit met twee handen worden dichtgehouden. Daarom worden de guerrillaeenheden gespreid. 3 van de 5 fronten in Bicol beschikken al over een NPA-compagnie. Daarnaast opereert in de meeste guerrilladistricten ook een NPA-peloton. Naast deze geregelde eenheden kunnen de volksmilities in de regio 5.000 man op de been brengen. In Bicol hebben we een georganiseerde massabasis van 130.000 mensen. De situatie is rijp voor een uitbreiding van de volksoorlog, maar daarvoor hebben we wapens tekort.’

Hoe ziet Ka Louie het verder verloop van de bevrijdingsstrijd?

‘De langdurige volksoorlog bevindt zich in het stadium van het strategisch defensief. Militair is het regeringsleger nog superieur aan de guerrilla. Om het volgende stadium, dat van het strategisch evenwicht, te bereiken is het nodig dat elk guerrillafront over een compagnie beschikt en elke belangrijke regio over een bataljon. Het NPA moet ook voldoende zware wapens hebben om de vijand beslissende slagen te kunnen toebrengen. Van dan af kan het snel gaan naar het strategisch offensief, tot de overwinning.’

Ik frons mijn wenkbrauwen. Ka Louie lijkt de vooruitgang van de revolutie uitsluitend af te meten aan de groei en de vuurkracht van het NPA. Hij gaat voort:

‘Momenteel opereert het NPA al in twee regio’s op bataljonsterkte, in Noord-Luzon en op Samar. Maar ook Bicol kan militair zijn mannetje staan. Dat hebben we bewezen in een grootscheepse, nationaal gecoördineerde NPA-campagne in de zomer van 1987, toen we drie strategische bruggen hebben opgeblazen.’

Ka Lean brengt in dat het vernietigen van die bruggen negatieve reacties heeft teweeggebracht bij de bevolking langs de hoofdweg, die voor het smalle Bicol een echte slagader vormt. Maar Ka Louie lacht haar bezwaren weg: ‘Het voornaamste is dat de vijand ervan opkeek dat we tot zoiets in staat waren. Van november ’87 tot mei ’88 is het regeringsleger dan wel in het tegenoffensief gegaan. Op drie maand tijd verloren we 58 manschappen. Maar we hebben ons doorheen dat vijandelijk offensief militair gesterkt. We hebben leren slagen opvangen, en de vijand heeft zijn objectief - de regionale CPP-leiding treffen - niet kunnen realiseren.’

Een twijfelachtig staaltje dialectiek: klappen krijgen toch positief evalueren! Is het niet eenzijdig om alleen in militaire termen over de volksoorlog te spreken?

Ka Louie antwoordt: ‘Naast het militaire werk is het voor een guerrilla-leger van levensbelang om zijn massabasis voortdurend politiek te consolideren, te verstevigen. De vis, de guerrilla, kan maar overleven in het water, de massa’s. In de jaarplanning van elke NPA-eenheid is daarom tijd voorzien voor massawerk. Het Nieuwe Volksleger is een politiek leger, het neemt met de bevolking deel aan het organisatiewerk, de productie en culturele activiteiten. Na de ravage van de laatste tyfoon Sisang bijvoorbeeld, heeft het NPA in Bicol 100 cavans rijst en 100 rieten matten aan de bevolking geschonken. Ik heb er persoonlijk op toegezien dat 40% van het budget van de regionale NPA-compagnie naar de getroffen bevolking ging.’

De landhervorming

25 januari. Ik ga Ka Louie weer opzoeken, want ik blijf op mijn honger over een kwestie die van cruciaal belang is: de oplossing van het landprobleem. Hoe staat het daarmee in Bicol?

‘Bicol is een van de armste streken van de Filipijnen’, vertelt Ka Louie. ‘Als pachter op rijstvelden en kokosnootplantages verdienen de boeren amper genoeg om te overleven. Het grootgrondbezit blijft probleem nummer één, en het is alleen de revolutionaire landhervorming die hierop een afdoende antwoord biedt. Het maximumprogramma van onze landhervorming is de inbeslagname van het land van de grootgrondbezitter en de verdeling ervan onder de boeren. Maar dit werd in het verleden soms te vlug en te radicaal doorgevoerd, wat tot hevige reacties leidde van de milities van de landheren of van het leger, reacties die het huidige incasseringsvermogen van het NPA en de bevolking te boven gingen.

Daarom houden we het in dit stadium voornamelijk bij het minimum-programma van landhervorming: lagere landrente voor de pachters, hogere lonen voor de landarbeiders, lagere rentevoeten voor leningen en hogere prijzen voor de landbouwproducten. Dikwijls kunnen deze maatregelen afgedwongen worden door de legale boerenorganisaties en houdt het NPA zich op de achtergrond, als een verre dreiging, een stok achter de deur. Deze geleidelijke aanpak bezorgt ook tijd om de boeren op te voeden, te vormen en te organiseren. Op die manier wordt het zelfvertrouwen en de tegenmacht van de boeren versterkt, en blijft de repressie tegen hun organisaties minimaal.’

‘De eerste stap in dit proces van machtsverwerving door de arme boeren is dikwijls bijna onbetekenend’, vertelt Ka Louie. ‘Origineel is hoe bijvoorbeeld kokosnoten van de landeigenaar worden achtergehouden bij de oogst: de boeren klimmen ’s nachts in de bomen en laten de noten aan een touw geruisloos naar beneden, want de noten op een normale manier afhakken en laten vallen geeft een harde bons op de grond die de boer zou verraden.’

Een volgende stap zijn onderhandelingen met de landheer, waarbij de boeren hun rechten opeisen. Op die manier heeft de guerrilla in Bicol de pachtverhouding weten om te keren van gemiddeld één derde van de oogst voor de boer en twee derde voor de landeigenaar, tot een meer leefbare twee derde voor de pachter en één derde voor de grootgrondbezitter.

Ka Nelia

26 januari. De kust is veilig, de vijand heeft zich teruggetrokken. In kleine groepjes keren we terug naar onze vertrekbasis. Het heeft even opgehouden met regenen, en overdag mogen stappen is een hele opluchting. Toch moet ik goed uit mijn doppen kijken, want om van ver niet als groep herkend te worden moet ieder tien meter afstand houden van zijn voorganger.

Na drie uurtjes stappen zijn we weer thuis, in onze berggrot. Van hieruit zullen we de volgende dagen het kamp moeten opbouwen. Tijdens onze afwezigheid hebben enkele kasama’s puik werk geleverd. Er is een generator naar boven gebracht, twee peertjes verlichten de donkere ruimte, de radio speelt en er hangt een grote pot boven het vuur. Als Ka Rina me een kop hete thee aanreikt ben ik de koning te rijk.

Ik vertel niemand dat het vandaag mijn verjaardag is, maar ik geniet ervan. In mijn dagboek noteer ik:

‘Ik begin te begrijpen hoe Rita eens in een interview zei dat ze bij de Salvadoraanse guerrilla volmaakt gelukkig was. Het leven is hier voor mij zo een totale breuk met alles, dat ik daar eigenlijk niets van mis. Ik heb het gevoel deel te nemen aan iets belangrijks. De concrete verwezenlijkingen van de revolutie tonen hoezeer het de moeite is. En er is de warme kameraadschap. Maar misschien is het ook wel zo dat je horizon vernauwt bij de guerrilla. Het kan eigenaardig klinken, maar je leeft hier eigenlijk een beetje als een bevoorrechte in een mooi maar beperkt wereldje. Vanuit dat kleine, afgezonderde wereldje de ambitie hebben om de hele maatschappij te veranderen is een hele uitdaging!’

Het idyllische van mijn guerrillawereldje wordt doorbroken als we van een NPA-verkenningsteam via de walkietalkie meer details horen over het militair treffen van enkele dagen geleden. Het was een onverhoedse aanval van een legerpatrouille op een klein NPA-kamp. Al schietend kon de guerrillaeenheid zich uit de voeten maken, behalve Ka Nelia, die getroffen werd door een kogel in het onderbeen.

Uit frustratie omdat hun prooi hen ontsnapt was, bestookten de militairen een nabijgelegen gehuchtje vanuit een helikopter met mitrailleurvuur, waarop de bewoners op de vlucht sloegen. Ka Nelia is het enige slachtoffer aan onze zijde. De ‘drie doden bij het NPA’ die de regeringsradio meldde waren dus een staaltje van psychologische oorlogsvoering.

27 januari. Ka Toto komt toe met het hele verhaal over Nelia. Om niet in handen van de militairen te vallen had het zwaargewonde meisje zich van een helling laten rollen. Ze had zich drie dagen verborgen gehouden, bedekt met bladeren. Erg verzwakt door het bloedverlies, de pijn, de honger en de dorst werd ze door een boer gevonden. Het duurde niet lang of de kasama’s werden op de hoogte gebracht en Ka Bong, de hoofdmedic van het NPA in deze streek, trok in het holst van de nacht naar het huisje waar de gewonde zich bevond om haar de eerste zorgen toe te dienen.

Ka Lina zoekt radiocontact met Ka Bong. Bong meldt dat Nelia een lelijke open beenfractuur heeft waarvoor een grondige reinigingsbeurt onder anesthesie nodig is. Het is onmogelijk Ka Nelia ‘naar buiten’ brengen, naar een hospitaal, want dat zou ongetwijfeld tot haar arrestatie leiden. Na een gewapend treffen staan er immers militairen aan de ingang van alle ziekenhuizen in de buurt om gewonde NPA’ers te kunnen inrekenen.

‘Breng Ka Nelia zo ver mogelijk ‘naar binnen’, naar een veilige plek’, beveelt Lina Bong over de radio. ‘Laat me jullie coördinaten weten, dan komen we jullie helpen. We zullen al het nodige medisch materiaal meebrengen.’

28 januari. Omdat de medische training nog niet van start kan gaan - er moet een nieuw kamp gebouwd worden en het regent alweer pijpenstelen - mag ik mee naar Ka Nelia. Ik ben opgewonden: een gewonde guerrillero helpen verzorgen!

Met z’n drieën trekken we op pad: Ka Lina, ikzelf en Ka Maricel, de vrouw van Bong en zelf ook medic. Na een geforceerde dagmars en een slotklim over een spekglad slijkwegeltje bereiken we het hoogstgelegen hutje in de wijde omtrek. Hier kan een gewonde veilig voor langere tijd verblijven.

Onder een dekentje op de vloer ligt Ka Nelia, een stevige jonge vrouw met prachtig lang haar. Ondanks de pijn slaagt ze erin om een flauwe glimlach te toveren op haar bleek gelaat, waarop de jukbeenderen karaktervol uitgetekend staan. Onvermijdelijk denk ik aan Rita, die zich enkele jaren geleden aan de andere kant van de wereld, in El Salvador, in een gelijkaardige situatie bevond.

Ka Bong is niet meer hier, hij is vertrokken om ‘buiten’ een verdovend geneesmiddel te gaan kopen voor Nelia. Maar daar kunnen we niet op wachten, de infectie zou zich in de open beenwonde kunnen vastzetten. Lina en Maricel doen een vluchtige chirurgische wondreiniging onder plaatselijke verdoving. Ik kijk toe en geef wat aanwijzingen. Uit de wonde komt een stuk bot van 5 cm lengte. Beide beenderen van het onderbeen, tibia en fibula, zijn door de kogel doorboord. Met behulp van stevige hechtpleister leggen we Nelia’s been in tractie. Maar het genezingsproces zal maanden in beslag nemen. Ik vraag me af of dit wel mogelijk is in de guerrillazone.

Nelia heeft al een paar dagen een baxter met antibiotica gekregen en vandaag heeft ze voor het eerst geen koorts meer. Tijdens de wondverzorgingen, die zeer pijnlijk zijn, houdt Ka Nelia zich bijzonder kranig. Ze vindt steun in de liederen die Ka Nilog, haar echtgenoot, zachtjes voor haar zingt. Net zoals Rita, die de pijn verbeet met de muziek van Silvio Rodriguez. De wonde wordt afgedekt met een kruidenmengsel dat etteroplossende kwaliteiten schijnt te hebben.

In ons kleine hutje is het wachten op Godot, die in deze enscenering Bong heet. Niet Bong maar een paar andere kasama’s komen opdagen, met versterkend voedsel voor de patiënte: poedersoepjes van Knorr en een paar eieren. De kasama’s leren me Pusoy Dos, een Filipijns kaartspel. Maar waarvoor ik pas, is me gaan wassen in het riviertje ver beneden onze hut, door de regen langs dat slijkpaadje. Alleen voor een vluchtig plasje waag ik me buiten.

30 januari. Eindelijk komt een team aan met beter medisch materiaal. Nu kunnen Lina en Maricel een grondige chirurgische wondreiniging uitvoeren. Maar ketamine, het anesthesiemiddel dat we nodig hebben, is er niet bij. Dan maar met Valium en een krachtige, morfmeachtige pijnstiller. De wonde ziet er schoon uit, we hebben infectie kunnen vermijden.

Voor de klas

31 januari. Ka Lina en ik laten Nelia aan de goede zorgen van Maricel over en kruipen in onze zeiknatte kleren, kousen en schoenen om terug naar het basiskamp te trekken. Regen, regen, regen: zal er ooit een eind aan komen? In Omar Cabezas’ De lange mars door de bergen over de Sandinistische guerrilla in Nicaragua leek het ook altijd te regenen, herinner ik me.

Het kamp waar we Lean, Andrea en Apol weerzien is één grote modderpoel. Ka Louie is op missie vertrokken, het is niet zeker dat we hem nog zullen zien. Door het noodweer staan er in het kamp nog niet veel structuren recht, laat staan dat de cursus al zou begonnen zijn. De badkamer bevindt zich weer diep in een grot. Ik ben blij dat ik me eindelijk kan gaan wassen, maar als ik uit de badkamer gekropen kom ben ik opnieuw smerig.

1 februari. Met de moed der wanhoop begin ik mee te werken aan de opbouw van het kamp. Ik heb als taak met slijk besmeurde palmbladeren twee aan twee te vlechten tot dakbedekking. Geen makkelijk karwei, en voor het schoolgebouwtje zijn er een paar honderd zulke vlechtwerken nodig.

De dakbedekking van onze hutjes bestaat uit twee lagen over elkaar gehaakte bladen van de stam van de bananenboom. Zo kan er geen regen tussen. Rotten kunnen die dingen wél, zoals ik tot mijn schade en schande ondervind. Mijn hangmat hangt precies in de nok van het dak. Midden in de nacht begeeft een verrotte bananenstam het plots. Een kwak ijskoud regenwater komt recht in mijn hangmat terecht. Een verschrikkelijke rilling gaat door mijn lijf en ik gil mijn hutgenoten wakker. Shit, mijn hangmat en mijn kleren zijn doorweekt en ijskoud. Ka Apol helpt me om in het donker en de regen het dak te herstellen.

De aanhoudende regen bemoeilijkt de aanvoer van de provisie en zet ons op een dieet van rijst en gedroogde vis. Ik baal van die tuyo. Ook de jonge NPA’ers lopen er nu minder opgewekt bij, maar Ka Louie kent zijn pappenheimers en laat uit het dorp een paar flesjes goedkope jenever aanrukken.

2 februari. Joepie, de zon komt erdoor. Nu het weer betert, komen verschillende groepjes deelnemers aan de cursus toe. Uitgelaten weerziensrituelen, veel gelach en gebabbel honderduit. De nieuwkomers leggen mee de laatste hand aan het kamp, dat nu snel gereed is. Een grote voedselvoorraad arriveert, inclusief een varken dat meteen vakkundig geslacht wordt. Ka Bong is ook aangekomen. Hij heeft niet alleen ketamine bij, maar ook een cassette met Neil Young’s After the goldrush en een nog kostbaarder kleinood: een krant van nog geen week oud. Ik wacht op mijn beurt en lees dan schommelend in mijn hangmat en onder een vriendelijk zonnetje de krant. Wat wil een mens nog meer?

3 februari. Met 27 zitten ze op de schoolbanken. De leerlingen, de meesten tussen 20 en 25 jaar, verschillen nogal van niveau. Slechts enkelen zijn gevormde medics, de anderen zijn nieuw in het vak. Sommige kasama’s hebben het moeilijk om te volgen, ze zijn weinig geconcentreerd en vlug afgeleid. Als kinderen van arme boeren hebben ze nooit de kans gekregen om zelfs maar de lagere school af te maken. Daarom geven we les aan een traag tempo. Paragraaf per paragraaf leest een leerling de cursustekst voor.

De lesgever herhaalt dit in zijn eigen woorden en geeft er wat uitleg bij. Bij het gebruik van het bord moet hij doordacht tewerk gaan, want de studenten kopiëren alles letterlijk zoals ze het zien staan.

6 februari. Ik ben wat nerveus als ik voor de eerste keer in mijn leven medische les moet geven, en dan nog wel anesthesie, en in het Tagalog! Gelukkig is Ka Lean er om bij te springen waar nodig.

Apol en ik proberen de saaie leerstof beter verteerbaar te maken door een didactisch gebruik van bananenstammen, kokosnoten of bamboe. Daarmee visualiseren we bijvoorbeeld de methode om spinale anesthesie toe te dienen, verdoving via een naald in het ruggenmergvocht. Om de aandacht van de leerlingen erbij te houden vermeng ik in mijn medisch betoog enkele beter gekende politieke termen, die voor hen herkenbaar zijn. Van milliliter (ml) maak ik marxisme-leninisme (ml). De verschillende mogelijkheden voor een keizersnede noem ik: ‘proletarische operatie’ voor de gewone, verticale opening van de buikwand, en ‘bourgeois operatie’ voor de onopvallende dwarse bikini-insnede. En dat het bloeddrukverhogend effect van ketamine naargelang de toestand van de patiënt een voordeel of een nadeel is, is een illustratie van Mao’s dialectiek.

Onze cursisten zijn leergierig. Hun vragen en verhalen houden de lessen levendig. Ze gaan over gevallen die ze zelf al behandeld hebben of over volksmiddeltjes die in de streek in gebruik zijn.

Maar na enkele dagen krijgen de leerlingen het moeilijk met het strakke uurschema (van 8 tot 12 en van 14 tot 19 uur) en met de zware leerstof. Een paar kasama’s klagen van hoofdpijn. Ongemerkt verlaat het aanvangsuur en de pauzes duren elke dag langer.

Het hospitaal in actie

9 februari. Na het theoretisch gedeelte worden de studenten over vijf chirurgische teams verdeeld. Elk groepje MAG een dag proefdraaien op een hond. Alle aspecten van de operatie worden tot in de puntjes voorbereid en uitgevoerd, alsof het om een menselijke patiënt ging, met aandacht voor steriliteit, nauwkeurigheid en teamwerk. Alleen de snelheid van echte chirurgen ontbreekt. De anesthesie verloopt naar wens. Ik ben blij dat mijn zwakste leerling-anesthesist, Ka Gene, de regel van drie gesnapt heeft. Daarvoor heb ik hem ’s avonds een paar bijlessen in rekenen gegeven.

13 februari. Juist voor we aan echte patiënten willen beginnen vliegt een Sikorsky-helikopter over het kamp. De kampleiding beslist om ons hele hebben en houden in te pakken en ons vertrekkensklaar te houden, maar het marsbevel blijft uit.

De volgende dagen trekken we ons elke ochtend voor dag en dauw terug op een beboste heuvelrug. Als rond 8 uur de kust veilig is komen we naar beneden voor het ontbijt en... om operaties te doen! De meeste patiënten zijn NPA’ers die al jaren wachten op een chirurgische ingreep. Ze zijn uit de verschillende guerrillafronten van Bicol naar hier gekomen. Omwille van één helikopter kunnen we hen nu niet teleurstellen.

De ene dag opereren we een liesbreuk, de andere dag verwijderen we een zieke baarmoeder. Het zijn de pas opgeleide medics die de operaties uitvoeren, met supervisie en een helpende hand van Ka Apol voor de chirurgie en van mij voor de anesthesie. Tijdens een operatie vliegt weer een helikopter over. We maken voort met het dichtnaaien van de buik, regelen het vervoer van de patiënte en sturen de nog wachtende en de al geopereerde patiënten alvast vooruit naar veiliger oorden.

Het is echter loos alarm. De overige patiënten kunnen rustig worden afgewerkt: nog twee liesbreuken - dat is hier frequent, door het marcheren met zware lasten - en twee sterilisaties. Een paar medics gaan Ka Nelia opzoeken om haar een loopplaaster aan te leggen, met een venstertje erin voor de wondverzorging. Op die manier is ze mobieler als de vijand in de buurt komt.

20 februari. Mijn eerste medische training bij het NPA zit erop. Tijdens de eindevaluatie krijg ik te horen dat ik soms te kortaf ben als ik andere kasama’s op hun fouten wijs. Het is waar, ik kan me moeilijk bedwingen als ik sommige behandelingen zie die de medics of zelfs Ka Apol instellen. Voor het minste kuchje schrijven ze antibiotica voor en een wat vermoeide NPA’er krijgt meteen een baxter. Een gruwel voor iemand die maandenlang rond het correct gebruik van geneesmiddelen heeft gewerkt. Ik ben ook verontwaardigd dat in de Filipijnse guerrillazones, één van de zeldzame plekjes ter wereld waar je geen Coca-Cola vindt, toch de farmaceutische industrie haar invloed heeft. Net zoals het Nestlé-melkpoeder voor Ka Sally’s baby in Quezon.

Huiswaarts

Leans Medische Sectie blijft nog een paar dagen voor de postoperatieve verzorging, maar voor mij is al een speciale regeling getroffen om naar buiten te gaan. Na een maand bij de guerrilla gaat het plots snel. Een kort maar emotioneel afscheid van Lina, Bong, Maricel, Gene, de andere medics, de keukenploeg en Ka Rina, die nog een lied ten beste geeft.

Ka Toto brengt me naar de hoofdweg, zo’n drie uur verderop. Hij ziet er nu uit als een gewone boerenzoon, in shorts en T-shirt en met alleen een onopvallende reistas bij zich. Maar ik weet dat hij in zijn shorts een revolver draagt. We komen langs het verlaten gehuchtje dat een maand geleden door een legerhelikopter is beschoten; we zien duidelijk de kogelinslagen in de houten muren en op de rotsgrond.

Onze bestemming is een huisje vlakbij de grote baan. Tot mijn verbazing zie ik daar Ka Louie weer. Hij zit doodgemoedereerd op een oude Singer NPA-uniformen te verstellen. Onvoorstelbaar, een bevelhebber die voor zijn manschappen achter een naaimachine kruipt! Ik zeg Ka Louie vaarwel en deel mijn laatste rozijntjes uit aan de kinderen in huis. Op het afgesproken uur komt een auto met gedoofde lichten me oppikken en brengt me veilig terug naar Naga City. Ik popel om weer thuis te zijn: de post, de kranten, een ijsje, het nakend bezoek van mijn schoonzus Hilde met nieuws uit België, en vooral mijn zwanger vrouwtje.

21 februari, Manilla. Ik pluis de kranten uit op zoek naar nieuws over het militair treffen in Bicol een maand geleden. Ik kan mijn ogen niet geloven als ik de grote kop zie in de Manila Chronicle van 23 januari: 'Top rebel leader killed'. Het artikel heeft het over een ‘belangrijk militair offensief’, gericht tegen een ‘groot NPA-kamp met wel 70 rebellen’. De ‘hoogste communistische leider’ van de provincie zou gesneuveld zijn, samen met een vrouwelijke NPA’er en drie anderen. Die vrouwelijke NPA’er, dat moet Ka Nelia zijn, die echter springlevend in de guerrillazone rondpikkelt met haar loopplaaster. De rest zijn verzinsels.

Opnieuw Negros

Net als in België valt de schoolvakantie in de Filipijnen samen met de warmste maanden van het jaar. Maar hier zijn dat april en mei, aansluitend op de paasdagen. Veel Manillezen trekken dan met hun kinderen naar de provincie. Ook enkele stafleden van de Council, zodat het niet opvalt als ik hetzelfde doe. Want Lean heeft me gevraagd mijn anesthesielessen nog eens over te doen, deze keer in Negros. Ik ben erop uit om Negros ook eens langs de ‘binnenkant’ te leren kennen.

Mijn enig probleem: op 24 maart komen mijn zus en schoonbroer, Hilde en Philip, op inleefbezoek naar de Filipijnen, en ik zal dan bij het NPA zitten. Gelukkig blijven ze drie maand, maar ze zullen me de eerste weken niet te zien krijgen. Rita moet er maar een uitleg aan geven.

23 maart. Op de bus van Bacolod naar het guerrillafront in Zuid-West-Negros houdt Nora me gezelschap, een onschuldig ogend meisje, zogezegd mijn pennevriendin. Lean is met Apol en Andrea vooropgegaan. Voor mij, blanke lastpost, is een aparte trip voorzien.

Een zwaarbewapende militair neemt plaats naast mij, de loop van zijn m16 pookt zowat in mijn neus. Mijn hart bonst in mijn keel, maar Nora geeft geen krimp. Ze heeft zelfs het lef de soldaat te vragen waar we moeten afstappen. Ze had even goed kunnen vragen naar ‘halte NPA’, want zo gauw we afstappen en in een klaarstaande jeepney kruipen wordt openlijk over de kasama’s gesproken. Nora vraagt onze medepassagiers hoe de situatie ‘ginder ver’ is. Dan houdt de jeepney halt aan een kapotte brug over een rivier. De overkant is NPA-country.

Nora en ik waden door de rivier. Langs de oever staan enkele vluchtig opgetrokken hutjes. Hier wonen evacuees, vertelt Nora, interne vluchtelingen die door de militairen uit hun woonplaats zijn verdreven. Drie jaar geleden heeft het regeringsleger hier flink op zijn donder gekregen van het NPA. Als represaille hebben de militairen twee dorpjes platgebrand en dagenlang de zone beschoten met mortiergranaten.

Het lijkt hier echt bevrijd gebied. Ongewapend en onbezorgd komen we op klaarlichte dag langs tientallen huisjes. Nora zegt dat hier het maximumprogramma van de revolutionaire landhervorming is doorgevoerd: onteigening van de grootgrondbezitters en verdeling van het land onder de arme boeren. Inderdaad, vorige week stond dat nog op de voorpagina van de Philippine Daily Inquirer: een foto van Frank Fernandez, de ex-priester die in Negros het ndf leidt, terwijl hij landtitels uitdeelt aan 400 boeren. De ceremonie werd bijgewoond door 2.000 mensen en enkele journalisten. Ze had plaats in een openbaar schooltje, bijna onder de neus van de militairen.

Een paar uur wandelen Nora en ik door een zacht glooiend landschap met nauwelijks enige begroeiing, tot we een plukje bos bereiken. ‘We zijn er’, zegt Ka Nora. In het midden van het bosje, bovenop een rotsige heuvel ligt het medisch kamp van het NPA. Het lijkt wel een dorp. Geen bamboe of palmbladeren, maar heuse gebouwtjes, opgetrokken uit houten planken en met een echt strooien dak.

Het is een hartelijk weerzien met mijn kameraden Lean, Andrea en Apol. Na onze ervaring in Bicol vpel ik me een beetje deel uitmakend van hun groep.

Lean verklaart waarom dit kamp er zo mooi uitziet: ‘Het is de bedoeling dat deze structuren na de medische training blijven bestaan als een veldhospitaal. De nationale NPA-leiding verwacht dat de guerrillastrijd snel in hevigheid zal toenemen, dus zal ook het aantal gewonden stijgen. Om hieraan het hoofd te bieden moeten in alle gevechtseenheden chirurgische teams worden opgeleid en moeten goed uitgeruste veldhospitalen worden opgezet. Negros is hiervoor een van de pilootgebieden.’

Tijdens het avondmaal van rijst met gebakken eierplant maak ik kennis met de leerling-medics. Een grote groep, met 32 zijn ze, vanuit de vier guerrillafronten die het eiland rijk is. Na het eten wijst Ka Apol me mijn slaapplaats. Hier geen kleine verspreide hutjes, maar een grote slaapzaal met eenvoudig getimmerde houten bedden. Het is eigenlijk de patiëntenzaal van het hospitaaltje, voorlopig nog leeg. Ik verkies toch mijn hangmat boven de harde planken. Omdat we ons noch in de bergen noch in het oerwoud bevinden, koelt het hier ’s nachts nauwelijks af. Heerlijk.

25 maart. De theoretische les is nog niet gedaan; ik volg ze mee van op de schoolbanken. Het lesgeven verloopt wat ingewikkelder dan in Bicol. De leerlingen verstaan onvoldoende Tagalog want de plaatselijke taal is het Ilonggo. Dat zijn Lean en Andrea niet machtig, dus moet iemand van de plaatselijke medische staf vertalen.

Variaties op een revolutie

Het NPA in Negros is armer dan in Bicol, ondanks het feit dat de bevrijdingsstrijd zich hier in een meer gevorderd stadium lijkt te bevinden. De moeilijke financiële situatie resulteert in een kleiner budget voor de maaltijden: slechts 7 peso per persoon en per dag, wat wil zeggen dat we alleen rijst en seizoengroenten krijgen. Dat spijt me niet: geen tuyo! In Bicol krijgen de NPA’ers een dagelijkse voorraad sigaretten van 5 of 10 per dag. In Negros zijn de guerrillasigaretten gemaakt van plaatselijk gekweekte en zelf versneden tabak, dunnetjes gerold in kranteNPApier. Lachend vraag ik welk merk sigaretten het beste is: Philippine Daily Inquirer of Daily Globe.

Ook op het vlak van cultuur zijn er verschillen. Hier geen Westerse muziekcassettes, geen jenever. Er wordt meer gitaar gespeeld en gezongen dan in Bicol, maar deze keer ben ik voorbereid. Ik heb Het Lentelied vervangen door De Moorsoldaten en het Sandinistisch volkslied, waarbij gitarist Ka Rudy vlotjes de akkoorden vindt.

Dat de Filipijnse revolutie van streek tot streek verschilt, is het gevolg van de objectieve omstandigheden. De CPP, het NPA en het ndf, hebben een nationale leiding en geven nationaal geldende documenten en richtlijnen uit. Maar vermits het land een eilandengroep is, is een vlotte communicatie tussen de guerrillafronten niet altijd mogelijk. De hevige repressie onder Marcos maakte dat nog moeilijker. Plaatselijke NPA-leiders waren soms maanden- of jarenlang aan hun lot overgelaten en moesten noodgedwongen zelf veel initiatief aan de dag leggen. Daarom wordt de concrete invulling van de nationale richtlijnen uitgewerkt door de regionale organen van partij en volksleger, in overeenstemming met de mogelijkheden en moeilijkheden eigen aan de streek.

Het NPA verjaart

28 maart. Morgen is het de 20ste verjaardag van het NPA, en dat wordt gevierd met een tweedaagse politiek-culturele happening met de kasama’s en de masa. Onze cursus ligt stil. De medics hebben hun handen vol met het inoefenen van liederen en een theaterstukje over hun taken bij de guerrilla.

In groep stappen we naar de grote weide waar de viering plaatsheeft. Vandaag is het een soort generale repetitie. Er zijn kraampjes met versnaperingen, een vurig betwiste basketbalcompetitie tussen een mannenploeg van het NPA en een van de masa, en een meer gezapige en gemengde volleybalmatch. De dag wordt afgesloten met een gesmaakte voorstelling van armas, een ondergrondse culturele groep die helemaal van Bacolod is gekomen. Vooral de song Magbabago beklijft: ‘Het zal veranderen, alles zal veranderen’, zingen ze vol vuur.

29 maart. Vroeg in de ochtend staan we weer op de festivalweide. Door luidsprekers schalt muziek. Achter het podium een reusachtig schilderij dat de volksstrijd uitbeeldt. Overal spandoeken: ‘Ontmantel het repressieapparaat van het VS-Aquino regime!’, ‘Vecht voor een echte landhervorming!’ En cryptischer: ‘Breng de volksoorlog naar het laatste substadium van het

strategisch defensief!’ Een paar kasama’s zijn nog druk doende met het rechtzetten van vlaggenmasten. »

Tegen 11 uur begint het volk toe te stromen. Verkopers lopen af en aan met ijslolly’s, fruit, pindanootjes en koeken. Gezinnen met kleine kinderen temidden van vele tientallen gewapende guerrillero’s. Een echt kermissfeertje.

De viering vangt aan met het zingen van de Internationale en het hijsen van de vlaggen van de lidorganisaties van het ndf. Daarna volgt de troepenschouwing van de Main Regional Guerrilla Unit (mrgu). De militaire parade is indrukwekkend. Met de regularisering van het NPA hebben de kasama’s eenvoudige uniformen gekregen: elk peloton een andere kleur T-shirt met lange mouwen en een zwarte pantalon. De toeschouwers gaan uit de bol bij defancy drill, een serie militaire bevelen en moeilijke bewegingen, met de wapens, die netjes uitgevoerd perfect gelijk moeten zijn. Ik vind deze goocheltruukjes maar niks.

Ka Daday van de medische staf van Negros vertelt dat deze guerrillaeenheid de laatste jaren grote offers heeft gebracht op het slagveld. ‘87 manschappen zijn gesneuveld, maar ze zijn al vervangen door nieuwe rekruten. De opofferingen zijn niet voor niets geweest, want we hebben meer dan 100 automatische geweren en drie mortieren buitgemaakt.’ Eén van die mortieren wordt vandaag trots meegedragen. Zwaardere wapens en grotere gevechtseenheden zijn ook volgens Daday een noodzaak om de gewapende strijd sneller vooruit te helpen.

Ik vind het pijnlijk dat Daday het aantal verloren mensen afmeet aan het aantal gewonnen wapens. Ze antwoordt dat het daarom de taak is van de medische staf om medics op te leiden die het verlies aan mensenlevens kunnen beperken.

Op het podium volgen toespraken van CPP- en NPA-leiders mekaar op. Maar de aandacht van de toeschouwers gaat vooral naar de culturele nummers. Ook de medics voeren hun theaterstukje op. Een oude boer brengt een komposo, een verhalend lied op een gekende volksmelodie. In ettelijke strofen bezingt hij het nut van de verschillende vormingscursussen van de beweging: de basiscursus voor de masa, de cursus voor activisten, de basis-partijcursus, enzovoort.

Het meest gewaardeerd wordt het optreden van de culturele groep van het NPA, die een week lang heeft kunnen workshoppen met arm as. Ze evoceren de sociale geschiedenis van Negros door middel van theater, dans en liederen. De groep vraagt het publiek om rondom het grote zeil te komen zitten dat als theatervloer dienst doet. De boeren zijn duidelijk niet vertrouwd met deze alternatieve en participatieve vorm van cultuur, ze blijven gewoon zitten. Maar dat is buiten de jongens en meisjes van armas gerekend, die het tentzeil naar voor sleuren, tussen de toeschouwers in. De cultuur naar het volk brengen!

Muisstil is het als de martelaars van de revolutie geëerd worden. De vader van een onlangs gesneuvelde NPA’er getuigt: ‘De dood zal ons niet verzwakken, maar ons juist sterker maken, want elke martelaar is een reden te meer om ermee door te gaan.’ De NPA-eenheid geeft een eresalvo en de ouders van de martelaars krijgen van het regionaal NPA-bevel een certificaat van erkentelijkheid.

Tijdens het hele feest valt me de grote eenheid tussen de NPA-strijders en de bevolking op. Verwonderlijk is dat niet. De kasama’s zijn immers letterlijk de zonen en dochters van de boeren uit de omliggende dorpjes. Voor velen is deze viering de enige gelegenheid in het jaar om hun familie te zien. Links en rechts zie ik ontroerende afscheidstaferelen. Dan gaat elk zijn weg.

De blotevoetenchirurgen

1 april. De terugkeer naar het gewone kampleven bezorgt me een kater. We hebben twee volle dagen rust genomen en nu wordt aan een slakkentempo het practicum chirurgie voorbereid. Ik heb het moeilijk met die lange uren nietsdoen. Heeft die ongedurigheid met mijn westerse stresscultuur te maken? Er is ook de taalbarrière. Mijn vriendinnen Lean en Andrea zijn al naar Manilla vertrokken om een volgende training voor te bereiden, en nu kan ik nergens meer terecht voor een goeie babbel. Ik heb last van heimwee. Gelukkig is er mijn kleine Sony-wereldontvanger. Twee keer per dag luister ik een halfuurtje naar de bbc World Service.

4 april. Gedaan met mijn slecht humeur, de cursus wordt hervat. Als ik zelf kan lesgeven voel ik me prima. Ik maak me nuttig, de tijd gaat sneller voorbij en ik geniet ervan telkens ik de studenten aan het lachen krijg. Voor het practicum orthopedie mogen de medics echte gipsverbanden aanleggen bij mekaar. Dat vinden ze geweldig. Sommigen blijven zelfs voor de lol een paar dagen met een ingegipste arm rondlopen.

8 april. Weer ernstig nu, want het eerste team blotevoetenchirurgen - en dat is letterlijk te nemen - treedt aan. Patiënt Hond 1 wordt op tafel gelegd.

Van 8.30 uur tot 19.30 uur zijn we onafgebroken bezig in het operatiekwartier. Mijn anesthesiste Heleq, amper 19 jaar, doet het uitstekend. Ze voert zowel de spinale anesthesie als de endotracheale intubatie (een adembuis inbrengen in de keel) vlekkeloos uit.

10 april. Hoe lang ik bij het NPA in Negros blijf is niet precies afgesproken. Zolang de training loopt kan ik helpen, maar met het bezoek van mijn zus en schoonbroer wil ik liefst vroeger terug naar Manilla. Ik vraag een onderhoud met Daday, de kampverantwoordelijke. Ze doet nogal moeilijk. Het is op dit moment ondoenbaar om me naar buiten te brengen.

Voor de duur van de cursus verzorgen beurtelings twee medics de medische dienstverlening aan de omwonende bevolking. Geregeld gaan ze op ‘hutbezoek’. Gisteravond laat nog gingen Ka Apol en Ka Joan naar een kindje van twee jaar dat bijna uitgedroogd was van een amoebendysenterie. Andere patiënten komen naar het kamp op consultatie, dikwijls voor onbetekenende kwaaltjes of gewoon om die NPA-medics en de dokters uit Manilla (en uit ‘Amerika’!) eens aan het werk te zien. Maar we kregen ook al ernstige gevallen over de vloer: een baby’tje met longontsteking en een vrouw met zo’n zware bloedarmoede dat we haar een transfusie moesten geven.

12 april. De cursus wordt onderbroken voor een spoedgeval. Een boer komt het kamp binnen met een ingeklemde liesbreuk die al naar gangreen neigt. Onmiddellijk wordt de operatiezaal in gereedheid gebracht. Met de deskundige hulp van Ka Apol volbrengen de chirurgen-in-opleiding Ka lan en Ka Ever de operatie.

Zonder de aanwezigheid van het NPA had deze man geen enkele kans gehad op een adequaat medisch ingrijpen en had hij er waarschijnljk het hachje bij ingeschoten. Dankzij de revolutie komt gezondheidszorg voor het eerst binnen het bereik van deze mensen. Dat op zich is al belangrijk. En deze medische zorgen worden verleend door hun eigen zonen en dochters. Dat is nog belangrijker, want zo leren de arme boeren te vertrouwen op eigen krachten.

Maar ik besef ook de beperktheid van de guerrillageneeskunde. Hadden we deze cursus toevallig op een ander front of in een andere periode gehouden, dan hadden we deze patiënt evenmin kunnen voorthelpen. Voor een fundamentele, duurzame oplossing van de gezondheidsproblemen van de mensen, van de honger, de armoede en het onrecht is heel wat meer nodig.

Een maatschappij waar sociale voorzieningen een prioriteit zijn, waar de voorkeursoptie voor de armen realiteit wordt, waar de uitbuiting uitgebannen is. Het zijn kleine voorvalletjes als dit die duidelijk maken dat het noodzakelijk is de ‘drie -ismen’ radicaal uit te roeien.

15 april. Daday heeft ervoor gezorgd dat ik kan vertrekken. Om 5 uur ’s morgens heeft het keukenpersoneel twee kostbare hardgekookte eieren voor me klaar, voor onderweg. Iemand van de volksmilitie zal me begeleiden, want alle NPA-strijders in en rondom het kamp hebben het te druk. Johnny is een jonge kerel die geen woord Tagalog spreekt. Met een oude karabijn over zijn schouder trekt hij zwijgzaam met mij over de kale heuvels.

We maken een grote omweg rond het militair detachement van Candoni. Een zware dag, een lange mars van meer dan 35 km in de brandende zon. De laatste kilometers struikel ik meer dan ik stap. In het pikkedonker gaat het bergop, bergaf door braakliggende suikerrietvelden. Rond middernacht bereiken we onze slaapplaats: een huisje aan de rand van een groot dorp, een doorgangspost voor de kasama’s. Uitgeput val ik in slaap.

De volgende morgen neem ik de bus naar Bacolod en het vliegtuig naar Manilla. Hilde en Philip, mijn zus en schoonbroer, stellen het goed, vertelt Rita. Ze komen pas morgen terug van een bezoek aan een gezondheidsproject in de provincie Isabela. Twee dagen nadien vertrekken ze alweer, op inleefbezoek naar Negros.

Rooming-in

Aan Rita’s buik is op 5 maand nog maar nauwelijks iets te zien, maar de baby roert zich al flink. Rita en ik willen een natuurlijk proces als zwangerschap en de bevalling zo gewoon mogelijk laten verlopen, maar omwille van de handicap aan Rita’s bekken durven we het voor een eerste kindje toch niet aan om thuis te bevallen.

Willens nillens komen we in aanraking met de Filipijnse gecommercialiseerde hospitaalgeneeskunde. Natuurlijk bevallen, zei u? Het kost ons heel wat moeite om een gynaecoloog te vinden die de moeder niet onmiddellijk wil platspuiten of aan een baxter hangen. Nog moeilijker is het om een hospitaal te vinden waar rooming-in is toegelaten, waar de moeder haar pasgeboren baby onmiddellijk bij zich op de kamer MAG nemen.

Dit kan alleen in privé-bedden, en die kosten 600 of 800 peso per dag.

Rooming-in is in dit hospitaal wel erg bijzonder opgevat. Enkele uren na de geboorte zal men onze baby uit het ziekenhuis ontslaan en mogen wij hem bij ons op de kamer nemen. Maar aangezien het kind dan geen ingeschreven patiënt meer is moeten we zelf voor zijn verzorging instaan. ‘Maar u begrijpt natuurlijk dat er ook voor de baby een ligdagprijs betaald moet worden.’ Nou moe!

De aanval op Candoni

19 april. Nu snap ik waarom er geen NPA’er te vinden was om mij uit de guerrillazone van Zuid-West-Negros te brengen. En waarom we in zo een wijde boog om de kazerne van Candoni heen liepen. De kranten staan vol met berichten over een gedurfde NPA-aanval op het militair kamp van Candoni! Zes soldaten werden gedood. Ook de vrouw van een militair verloor het leven, een spijtig gevolg van het feit dat in de meeste Filipijnse legerkampen ook de gezinnen van de soldaten verblijven.

Het regeringsleger belooft hard te zullen terugslaan. Een reeds lang voorbereide, massale militaire operatie in Zuid-West-Negros wordt ingezet. Ze draagt de onheilspellende naam Oplan Thunderbolt (Operationeel Plan Donderslag). Ik denk aan mijn kameraden in het medisch kamp. Zouden ze iets gemerkt hebben van de NPA-actie? Zouden ze zich moeten terugtrekken voor de naderende militairen? Goed dat het NPA nu gevormde medics heeft om gewonde NPA-strijders te verzorgen.

26 april. Lean komt me thuis opzoeken en stelt me gerust. Ka Apol is zonder kleerscheuren uit Negros weggeraakt. Als chirurg was hem gevraagd om het medisch team van de guerrillaeenheid bij te staan tijdens de aanval op Candoni. Het bleek niet nodig, er waren geen gewonden. Maar toen het vierjarig dochtertje van de gedode vrouw na het gevecht verweesd en in shock achterbleef, werd het kind door de NPA-medics meegenomen voor op vang en verzorging. Shahani Grace, zo heette ze, werd later door het NPA van Negros overgedragen aan bisschop Fortich.

Feest van de Arbeid

Een paar dagen voor de Dag van de Arbeid zien we bij Roger thuis het TV-nieuws. Het toont beelden van de mijnstaking in Limburg! Het gaat hard tegen hard. Als het er in de klassenstrijd echt om spant, kan de repressie van de Belgische rijkswacht even ongenadig zijn als die van de Filipijnse militaire politie. Maar de mijnwerkers laten zich niet doen. Het journaal meldt 19 gewonde rijkswachters.

1 mei. De Kilusang Mayo Uno organiseert een massamanifestatie, samen met enkele andere democratische vakbonden. Ik ga een kijkje nemen. Het Bonifacioplein ziet zwart van het volk en het is er bloedheet. Gelukkig staan er karretjes waar ijskoud fruitsap verkocht wordt. Nadat ik twee glaasjes achterover heb gekieperd zie ik pas hoe het goedje bereid wordt. Een jongetje hakt met een verroeste bijl een grote blok ijs aan stukken, op de smerige straatstenen. De stukken worden even gespoeld in een emmer water, dezelfde waarin de gebruikte glazen worden gespoeld. Dan wordt het ijs in een grote plastic kan gekapt. Water, een flinke schep suiker, smaak- en kleurstof erbij en roeren maar.

Crispin Beltran, de voorzitter van de KMU, bestijgt het spreekgestoelte. Hij krijgt meer applaus en media-aandacht dan alle andere sprekers samen. Na de meeting volgt een betoging. Nu ik me af en toe clandestien naar guerrillagebied begeef, vind ik het veiliger me gedeisd te houden bij activiteiten van de legale volksbeweging. Ik word liever niet opgepakt of gefotografeerd in de frontlinie van een betoging. Als de politie oprukt met traangas maak ik me uit de voeten. Ik spurt een zijstraat in en spring achterop de eerste de beste jeepney.

Oplan Thunderbolt

Begin juni nemen Philip en Hilde, beiden verpleegkundigen, deel aan een onderzoeksmissie naar het zuiden van Negros, georganiseerd door gezondheids- en mensenrechtenorganisaties. Doel is de gevolgen van Oplan Thunderbolt op de burgerbevolking te documenteren, en waar nodig medische hulp te verschaffen.

Hilde en Philip schrijven in onze nieuwsbrief:

‘Op 24 april, te gast bij Father Vic ergens in Centraal-Negros, hoorden we er voor het eerst van: in Zuid-Negros moesten bij een militaire actie tegen het NPA 8.000 boeren hun dorpen verlaten en zich in evacuatiecentra vestigen. Dit was twee dagen nadat het leger massaal bombardementen begon uit te voeren in Candoni en omliggende dorpen, als vergelding voor een guerrilla-aanval op een militair detachement. De evacuatie verliep in algemene verwarring, de inwoners hadden nauwelijks de kans bezittingen of voedsel mee te nemen.

De plaatselijke overheid was helemaal niet voorbereid op de opvang van vluchtelingen. Inderhaast werden enkele scholen ingericht als evacuatiecentra. In lokalen van 6 op 9 meter huisden 50 tot 60 personen, samen met hun kippen, varkens en soms zelfs carabao’s. Naast het probleem van overbevolking was er al snel een ernstig gebrek aan voedsel, drinkbaar water en medische en sanitaire voorzieningen.

Na twee weken brak een mazelenepidemie uit. Tientallen kinderen overleden aan complicaties als longontsteking en diarree. Rond 1 juni sprak de pers al over 99 doden, vooral kinderen. Het aantal vluchtelingen was opgelopen tot 35.000.

Van 7 tot 10 juni namen we deel aan een medische missie naar die streek. De verantwoordelijken van het ministerie van Volksgezondheid toonden zich bijzonder verrast over ons voornemen om de vluchtelingen bijstand te verlenen. ‘De regeringsdokters hebben de situatie volledig onder controle. Alle vluchtelingen zijn trouwens al naar huis.’

Maar de arts van Candoni ontving ons met open armen. Hij had te kampen met een groot tekort aan geneesmiddelen en personeel. In Candoni alleen al had hij 84 overlijdens vastgesteld. De gezondheidswerkers schatten het aantal doden voor heel het getroffen gebied op meer dan 200. Het gezondheidscentrum was totaal overbevolkt, in twee lokalen waren 25 kinderen opgenomen. Bijna allen leden aan ernstige ondervoeding, mazelen, longontsteking en zelfs tyfuskoorts.

De stemming onder de vluchtelingen was gelaten. Een paar duizend mensen konden nog steeds niet naar huis, velen hadden een of twee kinderen verloren, oogsten waren gestolen, huizen platgebrand en carabao’s geslacht door de militairen. Door de gedwongen evacuatie hadden veel boeren niet de kans gekregen te zaaien of te planten, zodat er in het najaar opnieuw geen oogst zou zijn. En in de dorpen heerste nu de terreur van de Greenans, fanatieke burgerwachten met groene hoofdbanden.

Ka Ever, Ka Helen, Ka Ronald en Ka Jane...

Later verneem ik van Lean wat er met onze kameraden in Negros gebeurd is. Het medisch kamp moest ontruimd worden. Bye bye veldhospitaal. Enkele medics konden zich mengen onder de vluchtelingen en hielpen de mazelenepidemie bestrijden, maar de meesten waren in de guerrillazone gebleven, waar ze hun pas verworven kennis ten dienste stelden van de bevolking. Omdat ze hun taak met zoveel kunde en toewijding vervulden werden de medics door de bevolking van Zuid-Negros met ‘dokter’ aangesproken.

De 35.000 vluchtelingen vormden een nationale en zelfs internationale aanklacht tegen het Filipijns regime. Maar het bevrijd gebied dat zo onverwoestbaar leek was verworden tot een soort niemandsland. Het regeringsleger had wel niet de vis (het NPA) kunnen vangen, maar was er wel in geslaagd een groot stuk van zijn vijver (de bevolking) droog te leggen. De bewegingsruimte van het NPA was gekrompen tot enkele afgelegen stukjes oerwoud, met als enige massabasis malariamuggen en ander ongedierte.

Oplan Thunderbolt eiste ook een bijzonder zware tol van de medics. Ka Ever werd gedood toen zijn medisch team op een regeringspatrouille stootte. Hij kon zich niet tijdig uit de voeten maken omdat zijn slipper in het slijk bleef steken. Ka Helen, mijn jonge veelbelovende anesthesiste, werd tijdens een tactische terugtocht geraakt door een verdwaalde vijandelijke kogel en overleed aan haar verwondingen. Ka Ronald liep bij een NPA-aanval recht op het mitrailleurvuur van de vijand in. Van de medicamenten die hij bij zich droeg bleef niets over dan uiteengespatte restjes, die met de kogels in zijn lichaam waren gedrongen.

Maar het droevigste verhaal is dat van Ka Jane. Na meer dan een jaar voorbeeldige inzet bij het NPA ging ze voor het eerst op verlof bij haar ouders. Ze liep welgemoed te zingen onderweg, niet wetende dat haar dorp bezet was door de militairen. Een informer, een spion, had Ka Jane aangegeven. Ze werd door de militairen vreselijk verkracht. Snikkend om haar moeder werd ze afgemaakt als een hond.

Twijfels

Ik heb het moeilijk om de dood van onze vier medics te aanvaarden. Jonge mensen, die ik nog maar kort geleden heb gekend, die ik mee heb opgeleid, waarmee ik heb gelachen en gezongen - dood, vermoord, martelaars van de revolutie. Normaal dat guerrillero’s sneuvelen in de gewapende strijd. Maar zoveel, op zo korte tijd, en dan nog gezondheidswerkers die juist het leven van andere kasama’s zouden moeten redden?

Uiteraard zijn het regeringsleger en het Filipijns regime de eerste verantwoordelijken hiervoor. Maar ik vraag Lean of het wel correct is dat het NPA een aanval onderneemt terwijl vlakbij een belangrijke medische vormingscursus plaatsheeft. En kon de heftige tegenreactie van de vijand niet voorzien worden? Is door één ondoordachte guerrilla-actie het organisatie- en vormingswerk van jaren niet op de helling gezet?

Lean weet niet goed wat te antwoorden. ‘Langs de ene kant horen militaire acties nu eenmaal bij de bevrijdingsstrijd. Geweld en tegengeweld, doden en gewonden zijn in een revolutie niet te vermijden. Langs de andere kant is dit een volksoorlog, waarbij de gewapende strijd bepaalde principes moet volgen.’

Lean legt me die uit. ‘Bij elke guerrilla-actie moet de bevolking worden geraadpleegd en betrokken. Alle mogelijke gevolgen moeten goed worden ingeschat en afgewogen. Zowel het NPA als de volksorganisaties moeten sterk genoeg zijn om de weerbots op te vangen. En er moet een evenwicht zijn tussen militaire acties tegen de vijand en politiek werk onder de massa.’

Het is Lean noch mij duidelijk of deze voorwaarden bij de aanval op Candoni vervuld waren. Ze belooft mijn bedenkingen door te spelen aan de leiding van het Nieuwe Volksleger.

Tien An Men

Juni. Het neerslaan van het studentenprotest op het Plein van de Hemelse Vrede in Beijing wordt in de Filipijnse pers breed uitgesmeerd. De ‘slachtpartij van Tien An Men’ is eersteklas propagandavoer tegen de communistische beweging.

We zijn door de gebeurtenissen in China met verstomming geslagen. Er moést iets ondernomen worden, want de Chinese studentenbeweging, die vertrokken was van rechtmatige eisen, nam hoe langer hoe meer pro-Amerikaanse standpunten in en keerde zich tegen het socialisme. En de Chinese overheid had wekenlang geduld geoefend. Stel je voor dat Belgische studenten de Grote Markt en de Wetstraat zouden bezetten, voor het oog van de internationale pers. Hoe lang zou de rijkswacht laten begaan? Maar was er echt geen andere oplossing dan deze gewelddadige tussenkomst van de Chinese strijdkrachten?

De dagen en weken na Tien An Men worden feiten bekend die een ander licht op de zaak werpen. De ‘7.000 doden’ die op de voorpagina’s geblokletterd stonden, was een sterk staaltje propaganda, gelogen met minstens een factor tien. En er waren ook Chinese soldaten bij de slachtoffers, gedood door rebellerende studenten.

De Filipijnse nationaal-democratische beweging lijkt wat van slag door Tien An Men. KMU-voorzitter Beltran geeft een verklaring uit waarin de Chinese autoriteiten gefeliciteerd worden voor hun moedig en correct optreden. Dat is olie op het vuur. Na protest uit verschillende hoeken, ook van buitenlandse solidariteitsgroepen, wordt de KMU-verklaring ingetrokken ten voordele van een meer genuanceerde versie.

Eind juni krijgen we van Ella de CPP-verklaring over Tien An Men. De Filipijnse Communistische Partij drukt haar spijt en rouw uit over de tragische gebeurtenissen van 4 juni. De CPP stelt dat het gaat om een interne kwestie van de Chinese Communistische Partij, maar raadt haar toch aan een grondig zelfonderzoek te doen naar de oorzaken van de sociale onrust in China. Is die niet een gevolg van de invoering van kapitalistische methodes en bourgeois ideeën, en van al te nauwe relaties met de Verenigde Staten? Tegelijk veroordeelt de CPP de grove desinformatie van het Westen over Tien An Men, en bevestigt ze haar vertrouwen in het Chinese socialisme, in de Chinese Communistische Partij en in het marxisme-leninisme.

Yuri

19 juni. Rita schrijft aan haar zus Hilde:

‘Hoe het hier gaat? druk! 7 maand zwanger en ik ben nog met twee cursussen bezig. Een over moeder- en kindzorg, gegeven door gabriela in samenwerking met de Council. Samen met een Amerikaanse vroedvrouw ben ik lesgeefster op deze cursus, maar tegelijk ben ik ook tolk (Engels-Tagalog) en levend model. Elke deelneemster leert op mijn buik de ligging van de foetus bepalen. De tweede cursus gaat over rampenpreventie en heeft plaats in Bacolod, op Negros. Voor de vliegreis ga ik me wel een maand minder zwanger moeten voordoen, want vanaf 7 maand MAG je niet meer op het vliegtuig, ’t Zal me wel lukken de nodige papieren en stempels bijeen te krijgen.’

Het lukt, en de laatste weken zwangerschap verlopen opperbest. Alle Filipino’s voorspellen dat het een jongetje wordt, maar Rita blijft hardnekkig over ‘zij’ spreken.

Exact op de avond van de verwachte bevallingsdatum, 11 augustus, is het zover: Rita’s water breekt. Maar echte weeën dienen zich nog niet aan. We besluiten er nog een nachtje over te slapen alvorens naar het ziekenhuis te gaan.

12 augustus. De barensweeën laten op zich wachten. In het hospitaal wordt een pelvimetrie gedaan omte zien of het geboortekanaal breed genoeg is voor het hoofdje van de baby. Rita legt de radioloog uit dat ze een bekkenfractuur heeft gehad bij een auto-ongeval. Haar verhaal over de Salvadoraanse guerrilla houden we hier stil. Voor de veiligheidsdiensten zou de link van de Salvadoraanse naar de Filipijnse guerrilla immers snel gelegd zijn. Als de radioloog vraagt wat die stukjes metaal in Rita’s bekken doen krijgen we het warm. ‘Ik had beter gezegd dat ik een slachtoffer van de Bende van Nijvel was’, fluistert Rita me toe.

Even later wordt de bevalling ingeleid en onze eerste spruit wordt vlot geboren: een jongetje. Ik kan mijn geluk niet op als ik hem MAG vasthouden. Rita en ik beslissen het kleine ventje Yuri te noemen.

Volgt een urenlang gepalaver met personeel en administratie om Yuri zo gauw mogelijk bij ons op de kamer te krijgen. Je moet hier verdorie nog vechten voor je rooming-in! Een voordeel van Filipijnse hospitalen is wel dat een familielid op de kamer MAG blijven overnachten. Omdat er maar één deken is en de centraal geregelde airconditioning ontzettend koud staat, kruipen we met ons drietjes gezellig in het grote ziekenhuisbed.

Na bijna twee jaar op de Filipijnen is de geboorte van Yuri een goede gelegenheid om eens naar huis te telefoneren. Bij Vanobberghen is er de blijdschap dat Rita, na al wat ze heeft meegemaakt, nu aan kinderen toe is, maar ook de bezorgdheid of ze het zal aankunnen. En het stille verdriet dat zij dit niet van dichterbij kunnen meemaken. Bij De Belder is Yuri het eerste kleinkind. Maar mekaar na twee jaar door de telefoon horen is zo vreemd, dat mijn ouders en ik de drie betaalde minuten niet eens volgepraat krijgen. Schrijven gaat beter. Met beide ouderparen houden we er een trouwe, veertiendaagse briefwisseling op na.

14 augustus. We zijn al thuis met baby Yuri. We leggen hem in de rieten duyan (hangmand) en wiegen hem in slaap. Een ploeg van de Council komt op bezoek. Ze zijn laaiend enthousiast over dat blonde baby’tje met die blauwe ogen: ‘Net contactlenzen!’ (Bij donkerogige Filipijnse filmsterren is het mode om blauwe of grijze contactlenzen te dragen.)

Meter en peter heten hier ninang en ninong. Een kind kan er gerust een stuk of vijf van elk hebben, een goede sociale zekerheid. We geven Yuri een Belgische peter en meter, drie ninongs en vier ninangs.

We hebben de indruk dat we pas nu we een kind hebben door de Filipino’s voor vol worden aangezien. Het is hier de natuurlijkste zaak van de wereld dat je na negen maand huwelijk een baby hebt - een paar maand meer of minder kan ook. Dankzij Yuri hebben we nu meer sociaal contact. Buren komen eens kijken, de buurtkinderen komen met hem spelen. Het wordt wel wat vervelend als volslagen onbekenden ons op straat of in de winkel aanspreken, of even in Yuri’s witte beentjes knijpen om te zien of het allemaal wel echt is.

Sommige dingen die we met onze pasgeboren baby doen worden argwanend bekeken of hoofdschuddend van commentaar voorzien. Yuri krijgt geen wantjes aan zoals Filipijnse baby’s, hij ligt soms helemaal in zijn blootje of lekker op zijn buik. Stuk voor stuk taboes in de Filipijnse cultuur. Zou het daardoor zijn dat het ventje zoveel weent en zo weinig slaapt?

Brown-out

Sinds een paar maand kent Manilla een nieuw fenomeen: brown-outs, een eufemisme voor black-outs of stroomonderbrekingen. Een of twee keer per dag valt de elektriciteit uit door overbelasting van het slecht onderhouden net, voor een periode van een uurtje tot wel vier uur aan een stuk. Dan pas merk je hoe afhankelijk je bent van elektriciteit: de strijk kan niet gedaan worden, de wasmachine is halverwege gestopt, de ventilator wuift je geen zuchtje koelte meer toe en van je computer zijn in één klap je niet beveiligde bestanden verdwenen.

Begin oktober. Rita gaat voor het eerst met Yuri naar ‘de weeg’, het kinderwelzijn. Ze schrijft in haar dagboek: ‘Dat was me wat. Om 9 uur was ik daar met Yuri. Enorm veel volk. Ik was nog niet goed binnen of ik moest al op de weegschaal. "Maar ik kom voor de baby", protesteerde ik. Niets aan te doen, de weegschaal op. Eerst mét en dan zonder Yuri. Beide gewichten van mekaar aftrekken en voila: "Je baby weegt 6,400 kg, mevrouw". Dat ze hier niet eens een nauwkeurige baby weegschaal hebben! We kregen een nummer en de temperatuur van de baby werd genomen. Gewicht en temperatuur werden met balpen op moeders hand geschreven. Na een hele poos wachten en wat converseren met de andere moeders kreeg ik een vaccinatiekaart. Daarop werden gewicht en temperatuur overgeschreven. En dan kreeg Yuri zijn eerste prikje.’ Opnieuw Bicol

Oktober 1989. Voor het eerst worden NPA-medics van heel het land bijeengeroepen voor een nationale medische conferentie, in een guerrillafront in Bicol. Lean nodigt me uit mee te gaan als waarnemer. Op deze manier kan ik het gezondheidswerk van het NPA in andere streken leren kennen.

Door organisatorische problemen wordt de conferentie tot driemaal toe uitgesteld. Het is geen lachertje om in guerrillaomstandigheden zo een grote activiteit op te zetten. Maar de onzekerheid over mijn vertrek vind ik niks leuk. Geduld MAG dan wel een mooie deugd zijn, aan mij is ze niet besteed. Ik vertrek ook met gemengde gevoelens: de eerste keer weg van Rita en Yuri. Rita is er evenmin op uit. Zal ze het thuis alleen kunnen beredderen met de kleine Yuri? En wat als er iets gebeurt? Toch zet ze me aan om mee te gaan, om deze kans niet te laten liggen.

Het uitstel heeft echter ook voordelen. Hoe dichter het bij 1 november is - een belangrijke feestdag op de Filipijnen - hoe makkelijker om verlof te nemen op kantoor. En onverhoopt kan ik nog bezoekers van het NCOS ontmoeten, die brieven en pakjes voor ons bij hebben. Ze hebben ook een BRT-TV-ploeg bij. Die komt promotiespotjes schieten voor de 11.11.11-campagne. Rita wordt gefilmd terwijl ze in een sloppenwijk vlak naast Smokey Mountain aan een groepje moeders gezondheidsopvoeding geeft over diarree en uitdroging. Ik word kort geïnterviewd.

24 oktober. Oef, ik kan vertrekken. Gina, een al wat oudere vrouw, vergezelt me. Deze keer gaat het per trein, een ouwe boemel die aan een gemiddelde van 40 per uur de 400 km naar Noord-Bicol afbolt. Het is al donker als we uitstappen in een piepklein stationnetje midden in de velden. We duiken snel een huisje binnen, maken kennis met de paar NPA’ers die ons zullen begeleiden naar het guerrillakamp en leggen ons te rusten.

25 oktober. Onderweg botsen we op een groepje gewapende mannen. Gauw het struikgewas in! De kasama’s brengen hun wapens in aanslag. Zenuwachtig over-en-weer geroep, en dan een zucht van verlichting. Het is een NPA-patrouille, onder leiding van Ka Nilog, de echtgenoot van Ka Nelia met haar gebroken been. Ka Nilog vertelt dat zijn vrouw het stukken beter maakt en weer leert stappen. Een successtory van de guerrillageneeskunde.

In het kamp zien we Ka Bong weer, de leidende medic van het NPA hier. Hij vertelt me de laatste nieuwtjes. Een medisch team van het NPA, waaronder Bongs vrouw Ka Maricel, werd door de vijand verrast toen ze in een barrio consultaties hielden. Ze waren net bij een vrouwtje een tand aan het trekken toen die door het raam soldaten zag naderen. Met opengesperde mond kon ze alleen druk gebaren en ‘aa... aa..’ roepen om de kasama’s te verwittigen. Ka Toto kon nog gauw zijn wapen meegraaien, Ka Maricel haar rugzak, en als de bliksem sprongen ze uit het keukenraam de bosjes in, drie meter lager.

Alleen Ka Joan slaagde er niet in tijdig te ontkomen, ze werd gegrepen. Medisch materiaal ter waarde van 50.000 peso viel in handen van de militairen. Blijkbaar ging Ka Joan bij de ondervraging door de knieën. Of was ze altijd al een vijandelijke spionne geweest, die de vijand op de hoogte had gebracht dat een NPA-team die barrio zou aandoen? Feit is dat Ka Joan tweemaal onder militaire begeleiding voor de lokale pers verscheen. Daar vertelde ze dat bij het NPA een medische vormingscursus had plaatsgevonden, gegeven door vier dokters uit Manilla en een buitenlander. Ik vraag me af hoe lang het zal duren voor ik me moeilijkheden op de hals haal met mijn bezoekjes aan de guerrilla.

Bong vertelt dat in Bicol een nieuwe NPA-compagnie is gevormd, in lijn met de oproep van het NPA-opperbevel om het guerrillaleger te regulariseren. Een geregeld leger onderhouden kost echter handenvol geld, te veel om dragen voor de plaatselijke bevolking. Daarom moet elk NPA-staforgaan inleveren ten voordele van de grotere militaire formaties, ook de medische staf. De medics probeerden dit op te lossen door aan de patiënten per consultatie een vaste financiële bijdrage te vragen. Maar bij de eerste barrio clinic waar moest betaald worden kwamen maar zes patiënten opdagen. Met gratis geneeskunde hadden de medics altijd een volle wachtzaal.

Het kamp staat onder leiding van Ka Son. Ka Son is een veteraan van de revolutie in Bicol. Ik herken hem van een foto in de krant: het is de legendarische Kumander Nognog, die door de militairen en de pers als de baarlijke duivel wordt afgeschilderd, allicht omdat het regeringsleger al meermaals zijn tanden stuk heeft gebeten op Ka Son en zijn guerrillatroepen. Als gekend hartlijder zou hij eens gesignaleerd zijn geweest in het Makati Medical Center, het meest prestigieuze ziekenhuis van Manilla. Met groots machtsvertoon zetten militairen alle in- en uitgangen van het hospitaal af en kamden het gebouw helemaal uit, zonder resultaat. Tenzij dan dat de mythe van de onoverwinnelijke Kumander Nognog nog werd aangedikt.

Zoals Ka Son daar voor mij zit - een gezette kerel met guitige oogjes, verwarde krullenbol, stoppelbaard en een bulderende lach - is hij niet meteen het prototype van de gevreesde guerrillacommandant. Ka Son is geliefd bij zijn mensen, hij staat .dicht bij hen. Elke dag om vijf uur ’s ochtends leidt hij persoonlijk de ochtendgymnastiek en hij doet alle oefeningen mee. Ka Son is de echtgenoot van Ka Rina-met-de-mooie-stem, weet Lean. Ze hebben vier dochters. '

Bevrijdende gezondheidszorg a la NPA

De conferentie is bijeengeroepen om het bilan op te maken van het gezondheidswerk bij het NPA. Leden van de medische staf van het NPA uit een tiental regio’s zijn aanwezig. Dagenlang worden intensief ervaringen uitgewisseld, workshops gehouden, documenten opgesteld. Razend interessant. Het geeft me een zicht op de historiek, de principes en de huidige realiteit van de bevrijdende gezondheidszorg in de Filipijnse guerrillazones.

De Wereldgezondheidsorganisatie stelt dat gezondheid meer is dan de afwezigheid van ziekte: het is een toestand van totaal fysisch, mentaal en sociaal welzijn. De Community-Based Health Programs waarmee we met de Council werken gaan nog een stap verder. Doorheen het verhaal van Remedios wordt gezocht naar de sociale, economische en politieke oorzaken van ziekte en ongezondheid. Zo rijpt het inzicht dat gezondheid ook een kwestie is van onrecht bestrijden.

Op de NPA-conferentie wordt deze redenering verder doorgetrokken. In een situatie van structurele ongelijkheid die in de Filipijnse maatschappij zit ingebakken door de overheersing van imperialisme, feodalisme en bureaucratisch kapitalisme, moet de strijd voor gezondheid een strijd zijn voor de bevrijding van die ‘drie -ismen’. Een strijd waarvoor het volk bewustgemaakt, georganiseerd en gemobiliseerd wordt, waarvoor het volk bewapend wordt. Want tegenover het structureel geweld - de uitbuiting - en het directe geweld - de repressie - van het bestaande systeem, kan bevrijding maar verwezenlijkt worden door gewapende strijd. Na de overwinning kan dan in een nieuwe maatschappij gewerkt worden aan een duurzame verbetering van de gezondheid van het Filipijnse volk, aan zijn totaal fysisch, mentaal en sociaal welzijn.

Om iets concreets te doen aan de miserabele gezondheidstoestand van de arme Filipino’s wordt natuurlijk niet gewacht tot na de overwinning. ‘Het volk van ganser harte dienen’ is voor het NPA geen loze leuze. Ze wordt dagelijks in praktijk gebracht, onder andere door de zorg voor de gezondheid van de massa’s.

De rijke ervaring van de afgevaardigden op deze conferentie geeft een mooi beeld van de Filipijnse guerrillageneeskunde. Van bij zijn ontstaan verstrekte het NPA al medische zorgen aan de plattelandsbevolking, en het succesvol gebruik van acupunctuur en kruidengeneeskunde droeg bij tot de snel groeiende populariteit van het volksleger.

De medische kennis van de eerste NPA-medics was echter niet altijd wetenschappelijk onderbouwd. Veel medics dachten dat het er bij acupunctuur op aan kwam zoveel mogelijk naalden aan te brengen. ‘Wat de patiënt in kwestie soms veeleer op een speldenkussen deed lijken’, lacht Ka Joa, een van de NPA-pioniers in Bicol. Er was ook de negatieve invloed van het Westers geneesmiddelengebruik. Menige medic achtte het noodzakelijk om voor elk kwaaltje een medicament voor te schrijven.

In de beginjaren waren de correcte technieken van ehbo onvoldoende gekend. Iemand uit Zuid-Mindanao vertelt een tragische anekdote. Een NPA-strijder werd gewond in een gevecht. Een medic stond erbij met een ongeopende ampul Hemostan in zijn handen, en riep, smeekte, weende wanhopig: ‘Ga niet dood, ga niet dood’. De medic had nooit geleerd hoe een injectie te geven. Evenmin had hij geleerd dat Hemostan een compleet onwerkzaam geneesmiddel is, dat fel gepromoot wordt door de farmaceutische industrie. En hij wist ook niet dat druk uitoefenen op de bloedingsplaats of op de slagader de enige en efficiënte manier is om een bloeding te stelpen.

Soms was het probleem gewoon een gebrek aan materiaal en geneesmiddelen. Een medic vertelt dat zijn enige ‘wapen’ een thermometer was! Gelukkig zijn deze kinderziekten van de guerrillageneeskunde nu grotendeels verholpen.

Naast het curatief medisch werk zijn de medics ook begaan met preventie en gezondheidsopvoeding. Ze helpen de mensen latrines bouwen, geven vorming over persoonlijke en omgevingshygiëne, onderwijzen de vrouwen in moeder- en kindzorg. In goed georganiseerde barrio’s wordt in samenwerking met de boerenorganisatie een coöperatief apotheekje opgezet of wordt samenwerking gezocht met de vroedvrouw van de staatsgezondheidsdienst.

De medics hebben ook organisatietaken. Ze stimuleren de mensen om een Barriogezondheidscomité op te zetten; dat maakt deel uit van de alternatieve bestuursorganen in een barrio. Het bestaat uit vrijwilligers die zich

na hun dagtaak bezighouden met gezondheidsactiviteiten. Zij onderhouden een kruidentuin, verzorgen herstellende patiënten of runnen een dorpsapotheekje.

Ik ben aangenaam verrast te horen dat de NPA-medics een eigen ethische code hebben. Zoals de Eed van Hippocrates voor artsen en de Gelofte van Nightingale voor verpleegkundigen, zo is er een Revolutionaire Code van Medische Ethiek voor de gezondheidswerkers van de Filipijnse guerrilla. Op basis van het principe ‘Dien het volk’ geeft de code richtlijnen voor een correct gedrag van de medic tegenover zijn patiënten, tegenover collega’s medics en tegenover patiënten van de vijand.

Een gewonde vijandelijke soldaat die zich heeft overgegeven of die niet meer in staat is terug te vechten wordt door de NPA-medics behandeld als elke andere patiënt. Zijn wonden worden verbonden en hij krijgt de nodige medicamenten toegediend. Er zijn gevallen gekend van gewonde militairen die nog wat pesos toegestopt kregen om de bus terug te nemen naar hun detachement.

Wat een contrast met het regeringsleger, dat er niet voor terugdeinst om gewapenderhand ziekenhuizen binnen te dringen om verdachte gewonden te arresteren, dat van dokters eist hun beroepsgeheim te schenden en alle gevallen van schotwonden te melden bij de militaire autoriteiten. En dat bij gevechten zijn mortiergeschut naar de medische hulppost van het NPA richt zo gauw het die ontdekt heeft.

2 november. De conferentie zit erop. Ze wordt afgesloten met een culturele avond. Ik heb een Tagalog versie gemaakt van De Moorsoldaten. Ik word ook naar voor geroepen voor een inheemse verleidingsdans met een vrouwelijke medic uit de Cordillera. Dat is lachen geblazen! Ka Son, die de avond presenteert, draagt er zorg voor dat elk team in het kamp aan bod komt en een waarderend applaus krijgt, tot de keuken- en de bevoorradingsploeg toe.

Ik moet nog een paar dagen in het kamp blijven tot ik veilig naar buiten kan. Lean, Andrea en Apol gaan voorop. Ik geef hen een briefje mee voor Rita:

‘Liefste Gloria en Miguelito (de guerrillanaam die Lean voor Yuri heeft bedacht),

Ik heb maar weinig tijd gehad om aan jullie te denken. Onze activiteit zit erop en is heel boeiend geweest, maar ook vermoeiend. Kun je je voorstellen: werkdagen van tien uur, en dikwijls nog een tweetal uur extra vergaderingen en voorbereidingen. De mensen hier vallen goed mee, het eten is excellent en het heeft niet veel geregend. Gisteren hadden we een culturele avond: hartverwarmend, geïnspireerd en inspirerend. Hoe graag zou ik hebben dat jij eens mee kon komen, niet zozeer om samen te zijn (hoewel dat ook wel fijn zou zijn), maar vooral opdat jij ook een actieve en concrete bijdrage aan dit project zou kunnen leveren. Je zou de warmte en de voldoening ervan aan de lijve kunnen ondervinden - maar natuurlijk ken jij dat al. Als alles goed gaat, ben ik over een paar dagen thuis. Laten we er een feest van maken!

Miguel’

Kudeta

2 december 1989. Zoals elk huishouden hier aan zijn radiotoestel gekluisterd zit lijkt het wel of er non-stop rechtstreeks verslag wordt uitgebracht van de Tour of van de Mundial, en met Filipino’s in de hoofdrol. Het radio-luisteren wordt af en toe onderbroken om snel de straat op te lopen, niet om veelkleurige renners te zien voorbijflitsen, maar om een gratis vliegshow te bewonderen, gekruid met een portie voortijdig eindejaarsvuurwerk.

Het is een poging tot staatsgreep, een kudeta, die het hele land in de ban houdt. De Manillezen volgen aandachtig hoe Tora-Tora-vliegtuigen uit de Tweede Wereldoorlog regeringstroepen bombarderen. Zoals bij een echte vliegshow staan veel toeschouwers met de verrekijker of het fototoestel in de aanslag. Anderen hebben een mooi plaatsje gevonden op het dak of op de kerktoren. Kinderen juichen opgewonden telkens een helikopter wat laag overvliegt. Rond de vechtende grondtroepen verzamelen zich duizenden nieuwsgierigen. Heel wat spannender dan gelijk welk TV-feuilleton. Dat enkele onbezonnen supporters dit spelletje met hun leven moeten bekopen neemt men er maar bij.

De poging tot staatsgreep is het werk van de ram, de Reform the Armed Forces Movement: rechtse militairen, geleid door Gringo Honasan. Die is al aan zijn vijfde staatsgreeppoging toe tegen president Aquino. De ram stond in 1986 tijdens de volksopstand op edsa aan de kant van generaal Ramos en defensieminister Enrile, toen die weigerden de schietbevelen van Marcos op te volgen. Maar nu wil de ram een militaire dictatuur instellen om harder te kunnen optreden tegen de guerrilla.

Maar de grote baas, de Verenigde Staten, is best tevreden met Aquino. Zij weigert te raken aan het grootgrondbezit, betaalt hondstrouw de torenhoge buitenlandse schuld af, stelt zich hard op ten overstaan van vakbonden en volksorganisaties en voert een onverbiddelijke oorlog tegen het NPA. Washington gebruikt de dreiging van de ram om het Aquino-regime nog meer aan zich te binden. De VS zorgt voor het reddend gebaar door zijn Phantom jets de lucht in te sturen. Ze schieten een Tora-Tora van de rebellen naar beneden en verjagen de andere. Zonder luchtmacht zakt de coup-dreiging als een pudding in mekaar.

6 december. De kudeta sleept nog wat aan, met een spectaculair beleg van het financiële centrum van de hoofdstad. Oorlog kan soms een onverwacht democratisch effect hebben: het zijn niet altijd de armen die het zwaarst getroffen zijn. De rebellerende militairen verschansen zich drie dagen en nachten in de chique hotels en luxueuze flatgebouwen van Makati. Duizenden snobtoeristen, zakenmensen en andere rijkelui zitten als ratten in de val. Maar de rebellen weten dat ze een vogel voor de kat zijn en geven zich over. Manilla haalt opgelucht adem, de kerstvreugde kan beginnen.

Oost-Europa

Eind december 1989. De Oost-Europese regimes vallen als domino’s. Hoe moeten we dit nu weer interpreteren? Ik schrijf naar mijn schoonzus Hilde:

‘Ik vind het moeilijk om al die gebeurtenissen degelijk te analyseren en te duiden en er een evenwichtig links standpunt over te formuleren. Goed dat we ons altijd heel kritisch hebben opgesteld tegenover de regimes in Oost-Europa, en evenmin hebben meegeheuld met Gorbatsjov. Intussen denk ik dat het geen kwaad kan nog meer aandacht en energie te steken in de solidariteit met de bevrijdingsstrijd in de Derde Wereld. Die wordt er met de gebeurtenissen in Oost-Europa zeker niet minder actueel of noodzakelijk op. Hopelijk worden de revolutionaire bewegingen in de Derde Wereld niet onrechtstreeks het slachtoffer van de fouten in Oost-Europa of van de anti-communistische hetze die het Westen nu overspoelt.’

4. 1990 - ‘Heb je geen bosmensen ontmoet?’ - Inhoud

Noord-Luzon

24 februari 1990. Met Ka Apol bevind ik me in een medisch kamp van het NPA in Noord-Luzon voor een cursus chirurgie en tandheelkunde. We zijn maar met z’n tweeën. Andrea en Lean zijn vorming gaan geven in Mindanao en de medische staf van het NPA-Noord-Luzon is nog niet gearriveerd. Wat de bedoeling was met het medisch kamp in Negros is hier al bereikt: het opzetten van een goed beveiligd, semi-permanent veldhospitaal voor de opvang van gewonde guerrillastrijders. Het enige dat nog kan verbeterd worden is het meubilair van de operatiezaal. Hout is hier in overvloed en handige Apol zet zich aan het timmeren.

De training kan niet van start gaan door domme logistieke problemen. Vijftien dozen met cursusteksten en geneesmiddelen zijn door een koerier op een verkeerde post afgezet en ze zijn al dagenlang onvindbaar. Ik probeer de tijd te verdoen door elke dag een uitgebreid bad te nemen: tweemaal volledig inzepen en afspoelen, als een volleerde Filipino. Ik kijk uit naar de meest simpele bezigheden, die ik systematisch plan: tanden poetsen, naar het toilet gaan, een middagdutje, nagels knippen. Gelukkig heb ik een boek meegebracht, Deterring Democracy van Noam Chomsky. Ik draag er zorg voor maar één hoofdstuk per dag te lezen, want wie weet hoe lang het wachten nog zal duren.

Als Ka Gerry van de kampleiding me ziet lezen wenkt hij me hem te volgen. Tot mijn verbazing beschikt het kamp over een eigen medisch en literair bibliotheekje. Naast De Beginselen der Verloskunde vind ik er het boekje van Francisco Metzi, een guerrilladokter in El Salvador, met de erg toepasselijke titel Met een rugzak vol gezondheid.

Tl februari. Mijn bewondering voor de Centraal-Amerikaanse revoluties krijgt een flinke deuk als ik op de bbc en de Voice of America hoor dat de Sandinisten de verkiezingen verloren hebben. Ongeloof en verslagenheid. Ik schrijf mijn twijfels neer: ‘Wat zal er nu geworden van dit model voor bevrijdingsbewegingen? We zullen hieruit veel te leren hebben, juist zoals uit de gebeurtenissen in Oost-Europa en China. De Filipijnse bevrijdingsbeweging heeft het voordeel die lessen te kunnen trekken terwijl hun strijd nog volop aan de gang is.’ Ik zit wel met een probleem: moet ik het Sandinistisch volkslied nu schrappen uit mijn repertoire voor de culturele avondjes?

Ook Rita is onder de indruk: ‘Onze Daniël (Ortega) heeft verloren!!! En Bush noemt Violeta Chamorro een tweede Aquino. wat nu?’ schrijft ze in haar dagboek. George Bush is de president van de vs, die de rechtse, winnende presidentskandidate Chamorro steunde.

28 februari. In het kamp vind ik het eenvoudige, gestencilde tijdschriftje van de epp-Noord-Luzon. Het geeft cijfers over de guerrillaoorlog in de regio. In 1989 waren er 386 gewapende confrontaties tussen het NPA en het regeringsleger - 212 begonnen door het NPA, 174 defensieve. 475 militairen werden gedood en 500 wapens buitgemaakt; 102 guerrillastrijders lieten het leven.

Ka Hazel

Mijn contact met de kasama’s wordt weer bemoeilijkt door het taalprobleem. De voertaal is hier het Ilokano. Ka Warden, een lichtgewonde kasama en onze enige patiënt in het hospitaaltje, kent wat Tagalog. Ik zet me bij hem en hij vertelt: ‘In mijn dorp is het al een jaar of tien geleden dat het NPA voor het eerst langskwam. Uit schrik deden de mensen toen om vijf uur ’s namiddags de luikjes voor hun ramen. De regering had hen immers wijsgemaakt dat de communisten hun hoofden zouden afhakken. Maar vandaag zijn mijn dorpsgenoten georganiseerd, we hebben zelfs een volksmilitie.’

De medic van wacht is Ka Hazel. Ik vraag hem hoe hij medic is geworden. ‘Drie jaar geleden werd ik door de militairen gevangen genomen toen ik bij mijn familie op vakantie was om met de oogst te helpen. Een verrader had me verklikt, de m16 die ik in huis verstopt had was het bewijsmateriaal. De soldaten bewerkten mij met de vuist en met hun geweerkolven. Ze dwongen me om mijn overgave te tekenen en met hen op patrouille te gaan.

Toen we tijdens een nachtelijke patrouille in de buurt van de guerrillazone kwamen zette ik het op een lopen en ik slaagde erin te ontsnappen. Dagenlang hield ik me schuil in het bos, ’s nachts stapte ik door, tot ik aankwam bij de masa. Die verzorgden me, gaven me te eten en brachten me weer in contact met de kasama’s.

De militairen waren woedend over mijn vlucht. Uit wraak zetten ze mijn vrouw gevangen, maar door toedoen van een mensenrechtenorganisatie kwam ze vrij. Van de mishandeling door de militairen heb ik nog steeds rugpijn, hardhorigheid en nachtmerries.’ Ka Hazel krijgt hiervoor van een andere medic relaxatietherapie.

‘Maar nu heb je nog niet gezegd waarom je medic bent geworden’, herinner ik hem. ‘Och ja, dat was omdat de militairen mij ervan beschuldigden NPA-medic te zijn. Dat was de beste motivatie om er een te worden!’

2 maart. In het kamp wordt veel gitaar gespeeld en gezongen. De favoriete song is Walis tingting. Een walis tingting is een stevige bezem, gemaakt van de nerven van kokosbladeren. De tekst is een aansporing voor wie twijfelt om zich achter de revolutie te scharen: ‘Eén twijgje kan gemakkelijk gebroken worden, maar veel twijgjes tezamen vormen een bezem waarmee het goed vegen is. Komaan, sluit je aan, de eenheid van het volk leidt naar de overwinning.’

In het kamp wordt ook gestudeerd, al is het voorlopig geen geneeskunde. Het bevel heeft beslist dat de militaire en politieke kennis moet opgefrist worden. Bij het appèl ’s morgens - de eerste keer dat ik bij de guerrilla een ochtendappèl meemaak - worden we ondervraagd. Bij de parate kennis hoort tres-ocho, drie-acht. Dat zijn de Drie Regels van Discipline en de Acht Aandachtspunten die door Mao Zedong werden opgesteld als leidraad voor het Chinese Volksbevrijdingsleger. Ze zijn door het Filipijnse Nieuwe Volksleger overgenomen.

De drie disciplineregels gaan als volgt:

1. Volg bij alles watje doet de bevelen op.
2. Ontneem de massa zelfs geen naald of draad.
3. Lever alle oorlogsbuit in.

En de acht aandachtspunten:

1. Spreek beleefd.
2. Betaal eerlijk voor watje koopt.
3. Geef terug watje geleend hebt.
4. Vergoed alle schade die je aanricht.
5. Sla de mensen niet en scheld ze niet uit.
6. Breng geen schade toe aan de oogst.
7. Misdraag je niet tegenover vrouwen.
8. Mishandel geen krijgsgevangenen.

Leven en dood

5 maart. De eentonigheid van het kampleven is doorbroken. Gisteravond laat zijn drie jonge kasama’s toegekomen. Bij het ontbijt komen twee van hen Ka Apol en mij roepen. Hun gezellin Dayang is vijf maand zwanger en heeft hevige buikkrampen.

Een dreigende miskraam? Apol en ik haasten ons naar boven, naar de hutjes op de heuvel. We onderzoeken Ka Dayang. Ze is volle negen maand zwanger en in baringsweeën! Hoe valt dat te rijmen? Voorzichtig na vragen brengt ons de oplossing van het raadsel. Het meisje is nog maar vijf maand getrouwd en hield haar hoogzwangere buik zo goed mogelijk verborgen door hem met een sjaal af te binden. In de Filipijnse revolutionaire beweging zijn voorhuwelijkse betrekkingen namelijk een ernstige inbreuk.

Apol en ik besluiten onze bevinding binnenskamers te houden. Haastig brengen we alles in gereedheid voor de bevalling, Ka Dayangs arbeid is al volop aan de gang. Het weinige instrumentarium dat in het kamp voorhanden is kunnen we niet gebruiken: er is geen tijd om het te steriliseren. Toch brengt Dayang probleemloos een zoontje ter wereld.

Een paar uur na de bevalling ga ik kijken hoe moeder en zoon het stellen. Dayang is ervan overtuigd dat ze geen melk heeft. Vooruitziende kasama’s hebben al een blik poedermelk klaargezet. Ik heb moeite mijn verontwaardiging te bedwingen en geef Dayang en de omstaanders ter plekke een dosis gezondheidsopvoeding over de voordelen van borstvoeding en de nadelen van flessenvoeding.

Vandaag gaan leven en dood hand in hand. Terwijl ik bij Ka Dayang ben stijgt van beneden in het kamp een hartverscheurend gehuil op. Iemand bracht juist het nieuws dat de echtgenoot van Ka Nila, een van de medics, gesneuveld is. Hij was commandant van het bataljon van Noord-Luzon. Hij werd door de vijand verrast in een clandestien doorgangshuis in de stad. Velen wenen mee met Ka Nila. Heel de dag blijft de sfeer bedrukt. Foto’s worden bovengehaald, verhalen over andere martelaars worden opgedist. Ik vertel over Michaël De Witte en over de medics van Negros.

6 maart. Ik ga weer naar de baby kijken, en ik vind hem gezellig sabbelend aan moeders borst. Die namiddag improviseren we een les over zwangerschap en bevalling, zo verbinden we wat theoretische kennis aan dit praktijkvoorbeeld. Met kleurkrijt tekent Ka Apol de vrouwelijke anatomie in detail op het bord. Hij voert ook een nummertje theater op. Zijn wijd opengespreide armen zijn de eileiders, zijn vingers de uiteinden ervan die hop! een uit een eierstok vrijgekomen eicel oppikken. Apol speelt ook soldaat als de spermacellen ten aanval trekken en hij legt zijn gezicht in een gelukzalige plooi om de foetus uit te beelden die zorgeloos in het amnionvocht drijft. ‘Zorgeloos’, zegt Apol, ‘omdat hij nog niet heeft kennis gemaakt met de drie -ismen.’

8 maart. Een deel van de verloren dozen zijn terecht, maar nog steeds geen cursusteksten. In de kampbib ontleen ik een paar romannetjes. In een tropisch oerwoud liggen lezen in een hangmat is best een aangename bezigheid, maar ik stel me vragen bij het nut ervan voor de revolutie.

Ik kan niet veel langer blijven wachten, want na tweeënhalf jaar Filipijnen hebben Rita en ik een paar maand vakantie in België gepland. Ik moet naar Manilla om de papieren voor onze reis in orde te maken. De kampleiding beslist dat een kasama me morgenavond naar buiten zal brengen, zodat ik overmorgen de bus op kan naar Manilla.

Generische geneesmiddelen

Na twee jaar te hebben meegedraaid op de Council - intussen omgedoopt tot Council for Health and Development (CHD) - vinden Rita en ik werken met een niet-gouvernementele organisatie nogal frustrerend.

Je MAG dan al zinvol werk doen, het bereik van die projecten is niet indrukwekkend. Het gekende refrein van druppels op een hete plaat. Een tweede frustratie is dat ngo’s door de regering niet au sérieux worden genomen. Soms vraagt de overheid de ngo’s wel om advies of ondersteuning van haar beleid. Maar als dit al eens gebeurt zijn de resultaten magertjes.

Een voorbeeld is de Wet op de Generische Geneesmiddelen. Volgens deze nieuwe wet mogen artsen medicamenten alleen nog voorschrijven met hun generische naam, dit wil zeggen, alleen met de naam van het actieve product van het geneesmiddel en niet met de commerciële of merknaam. Op basis daarvan kan de patiënt het middel dat hij nodig heeft dan kopen in zijn generische vorm (een soort ‘wit product’), of onder een merknaam. De apotheker moet hem helpen het goedkoopste product te kiezen.

Deze wet heeft een lange lijdensweg achter de rug. De farmaceutische industrie, die haar winsten bedreigd zag, zette in de media een leugencampagne op touw tegen generische producten. De Filipijnse orde van geneesheren ondernam gerechtelijke stappen tegen deze ‘inperking van de vrijheid van de arts’. Op vraag van Amerikaans multinationals kwamen VS-senatoren tussenbeide bij de Filipijnse regering.

bukas, een koepelorganisatie van ngo’s uit de gezondheidssector, waarbij ook de Council, werkte mee aan het tot stand komen van de wet. De redenering was dat die zou leiden tot goedkopere geneesmiddelen en een correcter gebruik ervan, dus ten voordele van de patiënten en ten nadele van de farma-business.

Maar na meer dan een jaar ervaring met de Wet op de Generische Geneesmiddelen blijkt dat die een maat voor niets is geweest. Artsen passen de wet gewoon niet toe bij het voorschrijven en apothekers niet bij het afleveren. Of ze zijn ten hoogste in orde met de letter van de wet, terwijl ze hun voeten vegen aan de geest ervan. Maar het is vooral moeilijk opboksen tegen de multinationale ondernemingen, die meer dan 90% van de Filipijnse geneesmiddelenproductie en -distributie controleren.

De mno’s doen de patiënt duur betalen. Een kuur antibiotica kost rond de 200 peso; voor een arbeider zijn dat drie volledige daglonen. En de prijzen van medicamenten stijgen dubbel zo snel als de index. Winst verzekerd voor de farmaceutische industrie. Die zorgt ervoor dat de winkel goed draait. In de apotheken worden medicamenten aangeprezen met reclameslogans: ‘Deze maand antibioticum X en pijnstiller Y in afslag!’ Voor februari, met Valentijn: ‘De maand van het hart: alle hartmedicatie aan spotprijzen!’ Je kan in de apotheek ook een geschenkbon kopen. Iemand een gelukkige verjaardag en een ziekte toewensen met een cheque voor 500 peso geneesmiddelen!

Op radio en tv wordt ontzettend veel reclame gemaakt voor medicamenten - en een transistorradio vind je tot in de verste uithoeken van het Filipijnse platteland. De reclame wordt dikwijls handig ingepakt, bijvoorbeeld in een radiosoap gepresenteerd door de populaire Superlady. Elke dag beschrijft Superlady een paar kwaaltjes, tot in de meest onaangename details. En voor elk kwaaltje prijst ze een product aan.

Op Europese tournee

April-mei-juni 1990. Andere derdewereldvrijwilligers die op vakantie zijn in België, recht uit de Afrikaanse brousse of de Boliviaanse altiplano, klagen over de drukte en het lawaai. Rita en ik, recht uit de miljoenenstad Manilla, genieten van de rust en de stilte. Tweeënhalf jaar is een lange tijd, het weerzien met familie en vrienden doet deugd.

We logeren bij Rita’s zus Hilde, aan wie we natuurlijk veel te vertellen hebben. Veel tijd voor vakantie hebben we niet. Hilde heeft voor ons een druk programma klaargestoomd: informatie-avonden, vergaderingen, interviews, artikels. En met de gezondheidsprojecten van de Council langs verschillende ngo’s trekken, op zoek naar financiering.

Maar voor mij wordt de hoofdbrok ingenomen door UG solidariteitswerk, rechtstreeks voor de Filipijnse ondergrondse beweging. Hilde is nu ook aangesloten bij de Partij van de Arbeid, en onderhoudt contact met het internationaal kantoor van het ndf, dat in Utrecht gevestigd is.

José Maria Sison en Louie Jalandoni, de internationale vertegenwoordiger van het ndf, zijn enorm geïnteresseerd in mijn ervaringen bij de guerrilla. Ze krijgen daarover maar zelden nieuws uit eerste hand. Voor een tiental NDF’ers toon ik mijn dia’s en doe ik mijn verhaal, over Quezon, Bicol, Negros, Noord-Luzon. De NDF-mensen stellen voor dit over te doen voor solidariteitsgroepen in een aantal Europese landen. Ik kan daar ook proberen fondsen en geneesmiddelen bijeen te brengen voor het gezondheidswerk van het Nieuwe Volksleger.

De volgende weken reis ik incognito, onder de naam Peter, door Frankrijk, Duitsland, Zweden, Noorwegen, Denemarken en Nederland. Ik kom bij de Autonomen in Hamburg en de Groenen in Bonn, bij Zweedse progressieve christenen en bij Deense en Noorse communisten.

Het gaat soms wel wat boven mijn petje. Een Noorse kameraad vraagt me van A tot z uit over de militaire strategie van het NPA. Bij een Franse ngo krijg ik meteen de beruchte Tien An Men-verklaring van de KMU op mijn brood. En in Duitsland troont een autonome meid me mee een stuk braakland op, waar zeker niemand ons kan horen. Ze vraagt of ik geen ondergedoken lid van de Rote Armee Fraktion in een Filipijns guerrillafront kan onderbrengen!

Aardbeving

6 juli. Terug in Manilla is het even aanpassen: de drukte, de vervuiling, de hitte, het vuilnis in de straten dat al een tijd niet meer is opgehaald. Voor we naar België gingen hadden onze vrienden van de Council voorgesteld uit te kijken naar een kindermeisje, een yaya, voor Yuri. Dat is hier de normale manier van kinderopvang voor buitenshuis werkende ouders. Maar tegenwoordig is het moeilijker yaya’s te vinden. Jonge meisjes uit de provincie gaan liever in het buitenland dollars verdienen als danseres, receptioniste of meid. Dan maar een andere oplossing gezocht. Twee straten verder is een alternatief schooltje dat een.kinderkribbe heeft voor baby’s vanaf een jaar. Yuri zal er moeten wennen aan Tagalog en Engels, terwijl het ventje nog maar amper wat Nederlands verstaat.

16 juli. Als ik Yuri ga inschrijven in de kribbe voel ik ineens de grond onder mijn voeten trillen. Als ik de muren van het schoolgebouwtje zie bewegen, weet ik niet waar ik het heb. Dan valt mijn frank: een aardbeving! De schokjes gaan nog tientallen seconden door. Iedereen holt de straat op.

20 juli. Het was een zware aardbeving, 7,7 op de schaal van Richter, met epicentrum in Noord-Luzon, de grootste ramp op de Filipijnen sinds de Tweede Wereldoorlog. 1.650 doden zijn al geborgen, meer dan 1.000 lichamen zouden nog onder het puin liggen. In één klap zijn tienduizenden gezinnen dakloos. De materiële schade beloopt minstens 15 miljard peso: gebouwen verwoest, wegen opengereten, 300.000 hectare landbouwgrond onbruikbaar geworden door overstromingen, modderlawines, aardverschuivingen en vernielde irrigatiesystemen.

De politici zijn er als de kippen bij om munt te slaan uit de situatie. Per helikopter brengen ze publiciteitsbezoekjes aan de getroffen streken, er zorg voor dragend dat er voldoende persfotografen aan boord zijn. Lokale politici doen hun duit in het zakje - of liever een duit in hun zakje - door geschonken hulpgoederen scheef te slaan of voort te verkopen. In het beste geval beperken ze zich tot verkiezingspropaganda. Geschonken levensmiddelen worden herverpakt in zakjes met in grote letters Gift van burgemeester x of Met de groeten van gouverneur Y erop. De VS doen ook een inspanning: ze leveren een miljoen kant-en-klare maaltijden, overschot uit hun militaire stocks.

Het echte reddingswerk verloopt echter hopeloos traag, inefficiënt en ongecoördineerd. Hulpgoederen blijven dagenlang opgestapeld liggen in Manilla.

Bayanihan

30 juli. Onder de gewone Filipino’s gaat het er heel anders aan toe. In moeilijke momenten zoals deze is er heel wat solidariteit. Op het platteland is er de eeuwenoude gewoonte van bayanihan of gemeenschappelijke arbeid om anderen te helpen. Klederen, voedingswaren en worden ingezameld. Elke dag trekken honderden vrijwilligers naar afgelegen barrio’s, waar nog geen regeringshulp is toegekomen. Vrije radio’s zorgen voor een stroom van informatie en oproepen.

Het hoogtepunt van deze onbaatzuchtige inzet is de redding van drie mensen die al bijna 14 dagen onder het puin van het Hyatt Terraces Hotel vastgeklemd zaten en konden overleven op regenwater. De redding gebeurde niet door gespecialiseerde buitenlandse teams met gesofistikeerd materiaal, maar door Filipijnse mijnwerkers. Die waren blijven doorwerken waar de buitenlandse redders het hadden opgegeven. De vakbond van de mijnwerkers is lid van de KMU. Deze laatste stuurde vijf rampenbrigades ter plaatse, vergezeld van medische teams en leden van de comités voor veiligheid en gezondheid van verschillende bedrijven.

Ook de ngo’s laten zich niet onbetuigd. Zestien ngo’s uit de gezondheidssector hebben een gezamenlijke reddingsoperatie of Samahang Operasyon Sagip - SOS op touw gezet, met hoofdkwartier op de Council for Health and Development.

8 augustus. Een drukte van belang op kantoor. Financiële hulp wordt bijeengebracht, medicamenten gesorteerd, persberichten uitgetikt, vrijwilligers opgetrommeld, jeepneys gehuurd, medische teams uitgestuurd en nog veel meer. Tot eind augustus moeten alle activiteiten wijken voor Operatie Redding.

10 augustus. Ik ga mee met een medische missie naar de provincie Pampanga. Als ngo voor basisgezondheidszorg is noodhulp in feite niets voor de CHD. Noodhulp kan soms nodig zijn, maar verhelpt niets aan de lamentabele gezondheidstoestand van de armen. Om iets duurzamers te bereiken is in elke CHD-missie tijd voorzien voor gezondheidsvoorlichting en -opvoeding: hoe een orale rehydratatie-vloeistof prepareren om uitdroging door diarree te voorkomen, hoe een hoestsiroop maken van kruiden, hoe je lichaam de nodige vitaminen bezorgen zonder dure multivitaminedrankjes. We beschouwen deze missie als een aanzet voor het opstarten van een eigen dorpsgezondheidsprogramma. Daarom verkiezen we dat het een lokale organisatie van boeren, vrouwen of jongeren is die de verantwoordelijkheid voor de medische missie in handen heeft.

In een barrio zien we een sterk staaltje van de andere, paternalistische aanpak van humanitaire hulp. Terwijl wij op het dorpspleintje consultaties houden is er iets gaande langs de weg. Er zijn een paar luxejeeps aangekomen, gevuld met sportief uitgedoste heren en modieuze dametjes in shorts en op sandaaltjes. Het is de Rotary Club van een van Manilla's elitewijken.

Met gulle hand delen ze zakken voedingswaren uit aan de mensen, zonder ook maar een stap in de modderige barrio te zetten. Hun edelmoedigheid wordt uitgebreid vastgelegd op video, om er later in de luie zetel van Ie kunnen nagenieten. Ik wil deze ontroerende scène ook wel op de gevoelige plaat vastleggen, maar als ik klaar ben met mijn patiënt heeft de Rotary de barrio al de rug toegekeerd, ’t Is zondag en wat verderop is er ongetwijfeld wel een mooi strand te vinden om te gaan barbecuen.

Om de karikatuur volledig te maken: bij nader toezien blijkt in elke zak voedingswaren Kellog’s Honey Pops te zitten! Dat hebben de boeren in Pampanga nog nooit gezien, en zullen ze zeker niet als ontbijt eten.

Regenseizoen

30 augustus. Vandaag regent het geweldig. Op weg naar kantoor gaat het verkeer tergend langzaam. Op de Council aangekomen zien we onze collega’s rechtsomkeert maken. ‘Het is tyfoon. De weerdienst heeft signaal nummer 2 afgekondigd over Manilla. Maak maar dat je weer thuis geraakt voor heel de stad onder water staat.’ Zo gezegd zo gedaan. Eerst nemen Rita en ik een stukje de lrt, de bovengrondse stadstrein, die heeft geen last van wateroverlast. Dan verder met de jeepney. Maar na een paar honderd meter zit alle verkeer muurvast. Het is nog verschillende kilometers naar huis, maar we besluiten die te voet af te leggen, in de gutsende regen. De straten staan blank, soms komt het water ons tot aan de knieën. De rollen op straat zijn nu omgedraaid: wagens staan werkloos aan de kant, de hele straat behoort toe aan de voetgangers en die helpen mekaar: waar gevaarlijke putten in het wegdek zijn staat iemand om je te waarschuwen.

3 september. Het is hier spannend deze dagen. Na een reeks onopgehelderde bomaanslagen heeft iedereen de mond vol over een nieuwe poging tot staatsgreep. Over het hoe, waarom en door wie doen verschillende versies de ronde. De ram zou zijn poging van december willen herhalen. Defensieminister Ramos zou een ‘wettelijke’ staatsgreep kunnen plegen: om vanuit de regering zelf meer macht naar zich toe te trekken. Of de staat van beleg zou kunnen afgekondigd worden, waarbij Cory Aquino al dan niet als ‘strovrouw’ kan aanblijven.

Veel Manillezen beginnen te hamsteren. De rekken in de supermarkt staan er halfleeg bij. Progressieve NGO-werkers, zoals de medewerkers van de Council, zijn bij een staatsgreep een potentieel doelwit voor arrestatie. Er worden dus veiligheidsmaatregelen getroffen. Een paar stafleden houden permanentie op kantoor, de rest MAG veilig thuis afwachten.

6 september. Er gebeurt niets. Zijn de coupplannen door het slechte weer uitgeregend of overgewaaid?

Golfcrisis

Ook in de Filipijnen zullen we geweten hebben dat Saddam Hussein Koeweit is binnengevallen en dat de Verenigde Staten dreigen met een militaire interventie. De Golfcrisis bezorgt de Filipino’s slapeloze nachten. Heel wat landgenoten of familieleden werken in de Golfregio als gastarbeider.

Elke dag vertrekken vanuit Manilla meer dan 1.000 geschoolde en ongeschoolde arbeidskrachten om elders hun geluk te beproeven. In ‘Saudi’ werken officieel ongeveer 700.000 Filipino’s, in Irak en Koeweit samen zouden het er zo’n 40 tot 80.000 zijn. Jaarlijks sturen de Filipino’s die als verpleegster in de Verenigde Staten, als meid in Hongkong of als arbeider in Saudi-Arabië werken, 3 miljard dollar naar hun familie. Voor de Filipijnse economie zijn mensen het belangrijkste exportproduct, de voornaamste bron van buitenlandse deviezen.

Wat betekent die gastarbeid concreet? In een sloppenwijk prijkt een betonnen huis tussen de krotjes. De heer des huizes werkt al vijfjaar in Irak. Elke maand stuurt hij een deel van zijn loon op, waarmee het huis wordt afbetaald. En als hij op vakantie komt brengt hij allerhande elektrische huishoudapparaten mee. Nina, die twee huizen verder woont, heeft minder geluk. Haar man vertrok ook naar Saudi, maar leeft nu ginder met een andere vrouw en stuurt geen cent. Teth, een collega op de Council, loopt er ongerust bij. Haar zus werkt als verpleegster in Saudi-Arabië en zou graag naar huis komen, maar door de kritieke situatie MAG ze geen vakantie nemen.

De Filipijnse regering slooft zich niet uit om landgenoten te repatriëren. Ze wil die kostbare deviezenbron niet zien opdrogen. F.n terugkerende gastarbeiders zouden zich in eigen land alleen maar bij het legertje werklozen voegen.

24 september. Ook het economisch embargo van het Westen tegen Irak voelen we tot in Manilla. De Filipijnen kampen met een olietekort. De mensen beginnen benzine en butaangas te stockeren en de luchtvaartmaatschappij heeft een aantal binnenlandse vluchten afgelast. De regering heeft in één klap de prijzen van alle olieproducten met 25% verhoogd. Een toegeving aan de petroleummaatschappijen Shell, Caltex en Petron. Die drie hebben de hele markt in handen en werken als een kartel: onder elkaar leggen ze de prijzen vast - en dus ook hun winsten - en verdelen ze de riante overheidssubsidies.

Het eeuwige vuilnisprobleem van Manilla blijft de overheid zorgen baren. De gouverneur van Groot-Manilla heeft van president Aquino 30 dagen de tijd gekregen om de stad proper te krijgen, maar niemand geeft de arme man een kans. In onze straat was nochtans een goed initiatief genomen: in plaats van losse plastic zakken en kartonnen dozen vuilnis her en der verspreid op straat, kwam er een betonnen bak. Alle huishoudelijk afval moest daar netjes in gedeponeerd worden. Maar niemand kwam hem ophalen, tenzij katten en voddenrapers, die vakkundig het vuilnis doorwoelden op zoek naar al wat eetbaar of recycleerbaar was. De bak stroomde over en het boeltje begon te stinken, zodat de mensen besloten hun afval maar weer in rivieren en riolen te gooien.

Samar

Ik heb Lean laten weten dat ik graag nog eens naar guerrillagebied wil, niet voor een medische training, maar om het gewone guerrillaleven mee te maken. Ella brengt me Leans antwoord, ze stelt een trip naar Samar voor. Bingo! Zo geraak ik toch eens op Samar, het eiland waar Rita en ik oorspronkelijk zouden gaan werken. Als een van de armste regio’s van de Filipijnen is Samar sedert de vroege jaren ’80 een bolwerk van de revolutie. Het hele binnenland van dit eiland, met een oppervlakte van een derde van België, is quasi-bevrijd gebied. Samar is ook legendarisch omdat het NPA er een bataljon van bijna 500 manschappen heeft. En in Samar experimenteert de beweging met een Voorlopige Revolutionaire Regering, een Provisional Revolutionary Government of PRG.

28 september. Ik vlieg naar Tacloban City. Op de luchthaven word ik aangesproken door een kasama, die me naar een hotel brengt.

29 september. Mijn begeleider en ik stappen van de bus langs de kant van de weg. In een huisje vlakbij gebruiken we een maaltijd. Zo gauw het schemert gaan we met twee gewapende kasama’s op stap. Na een nachtelijke tocht van een drietal uren bereiken we een klein guerrillakamp, waar de leiding van de revolutionaire regering zich ophoudt. Het kamp bestaat uit niet meer dan een stuk of zes hutjes en een grotere vergaderruimte. Omdat we niet ver van de oceaan zitten, schaft de pot verse vis. Na het eten span ik tevreden mijn hangmat uit. Weer onder kasama’s!

Onze Dringende Taken

30 september. Ka Edu, een rustige, knappe man van een jaar of veertig, is lid van de regionale guerrillaleiding. Hij legt me omstandig de verschillende stappen van het organisatiewerk onder de bevolking uit. Die zijn in wezen onveranderd gebleven sinds de publicatie in 1976 van Our Urgent Tasks, Onze Dringende Taken, de neerslag van het bilan van de eerste acht jaar gewapende strijd.

De eerste stap in het clandestien organisatieproces is contact leggen met een paar betrouwbare individu’s, bijvoorbeeld via familiebanden, in een nieuw te organiseren barrio. Dit gebeurt meestal ’s nachts, door een semi-legaal team, ook gewapende propagandaeenheid genoemd. Bij de eerste bezoeken worden alleen revolvers meegedragen, die niet meteen worden getoond om de boeren geen schrik aan te jagen. Met de contactpersonen wordt een Barrio Liaison Group opgericht. Die heeft als eerste taak door sociaal onderzoek en een klassenanalyse een sociaal-politiek profiel van de barrio op te maken.

De tweede stap is het vormen van organisatiegroepen (OG), die bestaan uit 10 tot 15 mensen uit de klasse van arme tot middelgrote boeren. Er kunnen verschillende og’s worden opgezet, één voor de boeren, de vrouwen en de jongeren. Deze groepen beginnen met de voorbereiding van de antifeodale strijd: de grootgrondbezitters confronteren met de eisen van de minimumlandhervorming. Voor de og’s is het aspect van gewapende strijd ondertussen duidelijk, maar in de barrio laten zich nog steeds geen kasama’s met geweren zien.

Als de og’s gegroeid zijn en in aantal toegenomen, worden de beste mensen hieruit bijeengebracht in het organisatiecomité (OC), de derde stap. Het comité overziet de verschillende taken van de revolutionaire beweging in de barrio: financies, vorming, organisatiewerk, gezondheidszorg en

zelfverdediging. De leiders van de OG’s en OC’s zijn door de partij aangesteld op basis van hun klassenafkomst, hun politiek bewustzijn en hun capaciteiten.

Als het oc sterk genoeg is en als tenminste drie vierden van de boeren in de barrio georganiseerd zijn, volgt de vierde stap: de oprichting van de ondergrondse boeren vereniging. Die kiest zelf haar leiders, en kan de antifeodale strijd nu ten volle en met kans op succes aanvatten.

Intussen is met de politiek meest bewuste dorpsbewoners een lokale partij afdeling opgericht, die de superviserende rol van de gewapende propaganda-eenheid overneemt.

De vijfde stap is de verkiezing van het Revolutionair Barriocomité door een algemene volksvergadering. Het Barriocomité is het ‘orgaan van politieke macht’, de georganiseerde tegenmacht van het volk, de alternatieve regering op dorpsniveau. Subcomités staan in voor de verschillende bestuursfuncties. Het Barriocomité kondigt wetten en decreten af en ziet toe op de naleving ervan. Het voert socio-economische projecten uit, leidt het vormings- en organisatiewerk onder de bevolking en beschikt over een volksmilitie.

Enkele Barriocomités kunnen worden samengevoegd tot een Voorlopige Revolutionaire Regering (PRG) op gemeentelijk of districtsniveau. Om de PRG een stevige basis te geven is het nodig dat het minimumprogramma van de agrarische revolutie reeds is doorgevoerd en dat in het gebied een goed draaiende partij afdeling en een NPA-eenheid actief zijn.

De Voorlopige Revolutionaire Regering

2 oktober. Aan het bord in het vergaderlokaal maakt Ka Timmy het organisatiewerk concreter met een lange uiteenzetting over de PRG in Samar. Ka Timmy is door het ndf gevraagd om dit pilootproject van nabij te komen bestuderen. Hij komt uit de stad, een intellectueel, die niet helemaal past in dit guerrilladecor. Dag en nacht draagt hij dezelfde zwarte jekker en ik heb hem gisteren noch vandaag een bad zien nemen. Maar ik heb Timmy graag. Hij praat rustig en vertelt me nauwkeurig wat hij zo netjes in zijn schriftjes heeft opgetekend.

De PRG area strekt zich uit over een lengte van 70 km en een breedte van 40 km. Het gebied beslaat 2 districten met in totaal 8 gemeenten en een bevolking van meer dan 10.000 inwoners. De PRG kan gezien worden als een verzameling concentrische cirkels. De kern is de guerrillabasis, die 40 barrio’s van 5 gemeenten omvat. Hier is het organisatieniveau het hoogst: er is een Revolutionair Barriocomité (de 5de stap). In de 49 barrio’s van de volgende concentrische cirkel zijn boerenverenigingen actief (de 4de stap). In beide gebieden zijn al partijafdelingen opgericht. 108 nog meer naar buiten gelegen barrio’s hebben organisatiecomités of organisatiegroepen (stappen 2 en 3), terwijl nog 55 barrio’s onontgonnen terrein zijn.

De PRG is goed voorzien van guerrillaeenheden. Er is niet alleen de districtseenheid van het NPA, ook de frontguerrillaeenheid is hier gelegerd, zonder nog te spreken over de volksmilities.

De meeste plaatselijke autoriteiten van de overheid, de barangay councils of wijkraden, zijn geneutraliseerd, dat wil zeggen dat ze het revolutionair gezag aanvaarden en niet tegenwerken. In veel gevallen zijn die structuren gewoon overgenomen door de revolutionaire organisaties. Het gebeurt dat de barangay captain, die gewoonlijk natuurlijke leiderscapaciteiten bezit, ook de leider wordt van het Revolutionair Barriocomité.

Ka Timmy geeft me ook een overzicht van de sociale en economische projecten die in de guerrillazones worden opgezet. Dat gaat van kippenkwekerijen en visvijvers, over productie- en consumptiecoöperatieven, tot programma’s voor alfabetisering, kinderopvang en volksgezondheid. De bedoeling ervan is drievoudig. Ten eerste tegemoet komen aan de directe noden van de bevolking. Ten tweede kunnen uit sommige economische projecten financiële middelen gehaald worden, zodat de revolutie een hogere graad van self-reliance bereikt, steunend op eigen krachten. Ten slotte zijn socio-economische projecten belangrijk om de bevolking voor de revolutie te winnen en om van hun blijvende steun verzekerd te zijn.

Met Ka Timmy naar de dorpen

3 oktober. Met een paar kasama’s gaan Ka Timmy en ik op meerdaagse trektocht langs dorpjes en gehuchtjes in het binnenland. Samar is het armste dat ik al gezien heb op de Filipijnen. De bevolking is compleet verstoken van dienstverlening door de overheid. Het eiland heeft alleen een kustweg; de vele barrio’s in het binnenland worden niet belangrijk genoeg geacht om er wegen naar aan te leggen. Daar gebeurt het vervoer over de waterwegen, met kleine, al dan niet gemotoriseerde prauwen. Of te voet. Er zijn verschillende mogelijkheden om de vele riviertjes over te steken: over een wankel bamboebruggetje, op een geïmproviseerd vlot van bananenboomstammen of wadend door de stroom. Maar in het regenseizoen, als het water te hoog staat, zijn veel dorpjes maandenlang afgesloten van de buitenwereld.

Samar kent nauwelijks plantages (met onderbetaalde dagloners) of grootgrondbezit (met uitgebuite pachters). De armoede situeert zich op een meer elementair niveau: de meeste Samarenos zijn subsistence farmers, ‘overlevingsboeren’. Om de paar jaar branden ze voor persoonlijk gebruik een stukje bos plat, waarop ze eenvoudige gewassen kweken. De weinigen die ingeschakeld zijn in de geldeconomie strippen abacavezels uit de stammen van planten die erg op bananenbomen lijken, en vlechten er stevig touw mee. Of ze snijden rattanstengels in het woud, waarvan de elegante Filipijnse meubeltjes gemaakt worden die zo in trek zijn in Europa. Hun waren worden dan aan belachelijk lage prijzen opgekocht door tussenhandelaars.

In het binnenland van Samar is het Filipijnse basisvoedsel, rijst, lang niet overal voorhanden. Om gepelde, kookklare rijst te kopen is er sowieso geen geld. Als er al rijst is, is het upland rice, een halfwilde variëteit die zonder enige irrigatie op de heuvels wordt gekweekt en maar één oogst per jaar geeft.

Voor elke maaltijd wordt een portie rijst gepeld. De methode lijkt op het Afrikaanse maniokstampen: de ruwe rijst wordt in een uitholling van een blok hout gelegd en gestampt met een lange, dikke stok. Deze tijdrovende en vermoeiende karwei wordt soms door twee of drie mensen, mannen zowel als vrouwen, tegelijk gedaan, waarbij de stokken elkaar snel en ritmisch aflossen. Niet gemakkelijk voor wie het niet gewoon is. Ik probeer het eens, maar moet er onder algemeen gelach mee ophouden omdat heel wat rijst op de grond terechtkomt.

De dagen dat er geen rijst is moeten we het stellen met maïs of met wortelgewassen. Wat we daarbij eten stelt niet veel voor: bladgroenten geplukt in het bos, soms wat gedroogde visjes of in het ergste geval alleen een smaakmaker (zout, chilipepertjes of zelfgemaakte kokosazijn). Vlees is hier onbestaande, één enkel ei voor het hele gezin een zeldzame lekkernij.

Ik zie hier barrio’s die zo arm zijn dat er zelfs geen winkeltje is. Eén keertje per week gaat de ‘rijkste’ dorpeling op stap om in een groter dorp inkopen te doen, twee kartonnen dozen vol, zoveel hij dragen kan. Zolang de voorraad strekt doet zijn huisje dan dienst als dorpswinkeltje, maar je kan het bezwaarlijk een sari-sari store noemen waar vanalles-en-nog-wat te koop is. Tuyo, blikjes sardientjes, Chinese spaghetti, droge koekjes, zout en goedkope Filipijnse rum zijn de enige koopwaar. Zelfs geen sigaretten,

want die worden hier, net als bij de guerrilla in Negros, zelf gerold met gedroogde tabaksbladeren en een stukje oude krant.

5 oktober. De barrio’s die we bezoeken hebben elektriciteit noch waterleiding. Drinkwater komt uit een bronnetje vlakbij de rivier, onze behoeften doen we op de stenen langs die rivier; de regen spoelt die telkens weer schoon. Ook een bad nemen doen we in de rivier, in het gezelschap van de enige carabao die het dorpje rijk is.

In de eenvoudige hutjes is er nog iets dat me opvalt. Voor het eerst zie ik woningen op het platteland waar geen kalender prijkt met een reuzengrote foto van de plaatselijke gouverneur of volksvertegenwoordiger. Zelfs door de politici worden de barrio’s van Samar vergeten. Misschien omdat de dorpelingen er de zin niet van inzien om de zoveel jaar naar de (verre) stembus te trekken om politici te verkiezen waarvan ze niets te verwachten hebben.

8 oktober. Timmy neemt me mee naar een modelproject. Twintig families die door de militairen uit hun woonplaats zijn verdreven, hebben van het NPA elk een stuk land gekregen. Ze verzamelen ook rattanstengels in het woud. Via een coöperatieve zorgt de volksorganisatie ervoor dat de rattan in het dorp aan een redelijke prijs wordt verkocht. De PRG heeft dit project zes maand financieel geholpen. Ze heeft er de steun van twintig boerenfamilies voor in de plaats gekregen.

Ik loop tegen de lamp

11 oktober. De kasama’s hebben een barangay captain versierd om mij naar buiten te brengen. Wat men mij niet heeft verteld is dat we onderweg een banca, een prauw, moeten huren om tot aan de riviermonding te varen. De 500 peso om de bootsman te betalen heb ik niet. Dan maar te voet verder tot Las Navas, een groter dorp waar we een ferryboot kunnen nemen.

Wat men er weer niet bij vertelt: in Las Navas is er een militair detachement. Hoewel we in het schemerdonker en langs de achterdeur een huisje aan de rand van het dorp binnenglippen, wordt mijn aanwezigheid opgemerkt. Nauwelijks heb ik mijn zwaar beslijkte broek en schoenen omgeruild voor shorts en slippers of er wordt op de deur geklopt. De barangay captain roept me naar beneden. Sergeant zo-en-zo staat voor de deur en wil weten wat die buitenlander hier komt zoeken.

Ik val van schrik bijna van de trap. Door de halfopen deur zie ik niet alleen de sergeant, maar achter hem ook twee goed bewapende soldaten achteloos tegen een muurtje leunen. Ik stamel dat ik bezig ben met een onderzoeksmissie voor een NGO, op zoek naar zinvolle socio-economische projecten om te financieren. De militair gromt wat en verdwijnt.

Ik besef dat mijn uitleg ongeloofwaardig klinkt. Maar omdat ik al om 3.30 uur morgenvroeg de ferry neem ben ik er nogal gerust in dat ik hier veilig weg geraak. Voor alle zekerheid laat ik wel mijn meest gevoelige nota’s in de wc-put verdwijnen.

Om 22 uur opnieuw geklop, nee, gebonk. Weer de sergeant met zijn kompanen. Zonder boe of ba duwen ze de deur open en stappen naar binnen. Op onvriendelijke toon begint de sergeant me te ondervragen: ‘Papieren!’ Ik heb niet meer bij dan een fotokopie van mijn paspoort. Het is een dienstpaspoort, met in vier talen: ‘In naam van de Koning der Belgen, Wij, Minister van Buitenlandse Betrekkingen, verzoeken al de Magistraten of Ambtenaren, zo Burgers als Militairen, welke ook, van de Buitenlandse Prinsen en Staten vrije doorgang te verlenen aan De Belder Bert.’

De Koning der Belgen kan onze sergeant maar matig imponeren. Hij noteert het nummer van mijn paspoort en visum. Zijn gezellen doorzoeken mijn rugzak van onder tot boven. Gelukkig heb ik er bij mijn vertrek uit de guerrillazone voor gezorgd dat die clean is: geen hangmat, geen revolutionair leesvoer.

‘Waar is je 45?’ snauwt de sergeant. Hij bedoelt natuurlijk een colt .45, bij het NPA gebruikt voor zelfverdediging. Maar ik hou me van den domme: ‘45? 45 wat?’ ‘Je staat onder huisarrest, morgenvroeg vertrekje niet met de ferry. Je wordt verwacht op het hoofdkwartier van de 61ste Infanteriebrigade. Om 10 uur kom ik je ophalen.’ In paniek pijnig ik mijn hersens hoe hieraan nog te ontsnappen valt. Ik twijfel, maar tast dan toch in mijn portefeuille en houd de sergeant een briefje van 50 dollar voor. Hij gaat er niet op in, kijkt alleen nog wat bedenkelijker. Stom van mij, met dollars kan de man op Samar niet veel beginnen.

De schrik heeft me nu goed te pakken. Huisarrest! Ondervraging in een militair kamp! Ik zie me al maandenlang in een smerige gevangenis, en daarna een oneervolle deportatie uit de Filipijnen. Zoals twee jaar geleden met die Zweed en die Duitser die uit een guerrillazone in Quezon kwamen. Ik krijg er op slag diarree van. Wat handig is om de rest van mijn nota’s te helpen verteren in de wc-pot. De hele nacht lig ik klaarwakker, met bonzend hart.

Bij de kolonel

12 oktober. Bij het ontbijt krijg ik nauwelijks wat door mijn keel. Ook de barangay captain is nerveus. Hij is maar wat blij als hij me vaarwel kan zeggen en terugkeert naar zijn dorp. Het is al na tienen als de sergeant er is. Hij is al wat vriendelijker en ik probeer mijn zenuwen wat weg te praten tegen hem. Hij neemt me een eind mee in een banca, maar verderop waar de weg begint missen we net de jeepney. Dat maakt nog acht kilometer marcheren naar het brigadehoofdkwartier.

Flink moe stappen de sergeant en ik het militair kamp binnen. Ik kijk om me heen en bemerk dan een aantal stenen gebouwen en houten barakken, sportpleinen en trainingsvelden, omgeven door een hoge houten muur.

Ik ben verwacht. Een kolonel ontvangt me vriendelijk en schotelt me een middagmaal voor, met als dessert een grondige ondervraging. Ik scherm wat met ‘connecties op de Belgische ambassade’. Ik voel me al een stuk sterker, ik weet dat ik niets bezwarends bij me heb. De kolonel vraagt wat door over mijn NGO-werk. Mijn uitzendorganisatie Bevrijde Wereld vermeld ik alleen onder zijn weinig gekende Engelse naam, New World. Het enige adres dat ik geef is dat van mijn ouders in België. Over de Council zwijg ik, en ik noem geen enkele naam of adres op de Filipijnen.

Even krijg ik het benauwd als de kolonel in detail op mijn reisroute ingaat. Ik ken praktisch geen enkele naam van de dorpjes die we gepasseerd zijn. Maar ongewild helpt de kolonel me: ‘Maar dan heb je toch in x de boot moeten nemen om zo snel in Y te geraken?’ ‘Inderdaad.’ ‘En van y uit, heb je dan de jeepney genomen naar z?’ ‘Jaja, dat ging met de jeepney.’ ‘Maar dan heb je daarna toch nog een uur of zes moeten stappen?’ ‘Zes uur precies.’ En dan plots: ‘Ben je onderweg geen bosmensen tegengekomen?’ Hij bedoelt natuurlijk NPA’ers. ‘Bosmensen?’ Weer houd ik me voor onnozel. De kolonel lijkt tevreden en verdwijnt.

Ondertussen geef ik mijn ogen goed de kost. Effectief, de gezinnen van de soldaten wonen binnen de kampmuren - een schending van de Conventies van Genève. Op een bord in de hall zie ik stafkaarten en rijen en kolommen met statistische gegevens. Mijn kameraden van het NPA worden door de militairen steevast als ct’s aangeduid, communist terrorists.

Daar is de kolonel weer. Oef, alles in orde. Ik moet nog wel eventjes langs de militaire inlichtingendienst, die een kantoor heeft naast de luchthaven van Catarman. Twee soldaten zullen me er met de moto naartoe brengen.

De twee zijn in burger, dus onherkenbaar als militair, en we rijden anderhalf uur lang over zo goed als verlaten wegen. Weer slaat de schrik me om het hart. Wat als de soldaten met mij nu eens een bospaadje inrijden, me in alle stilte van kant maken en mijn lijk dumpen? Geen haan zou ernaar kraaien.

Niemand in de buitenwereld weet dat ik me op dit moment aan deze kant van het eiland Samar bevind. Mijn lichaam zou wekenlang niet gevonden worden. Met deze hallucinante gedachte slaat mijn fantasie op hol, ik zie mijn begrafenis al voor ogen.

Terug in de werkelijkheid zie ik dat we een stadje naderen: Catarman. Ik haal opgelucht adem.

De mannen van de inlichtingendienst zien eruit als in de film. In burger, met lichtgekleurde polohemdjes, een stevige snor en de verplichte zonnebril. Weer een gedetailleerde ondervraging, weer worden mijn papieren bekeken en overgeschreven. Ik word langs alle kanten gefotografeerd, als een misdadiger. Nogmaals wordt mijn bagage doorzocht. Even vrees ik dat de agenten een veelgebruikte truc zullen uithalen: een wapen in mijn bagage deponeren om me van verboden wapenbezit te kunnen beschuldigen. Maar ze blijven correct.

Bij het zien van mijn leeg notitieschrift wenken ze me. ‘Wat is dit? Je bent op onderzoeksmissie en wekenlang schrijf je geen letter in je notaboek?’ Inderdaad niet erg logisch. Maar ik voel dat me niets meer kan gebeuren en trek mijn stoute schoenen aan: Tk schrijf met onzichtbare inkt, met kalamansi. Ken ik uit Agatha Christie.’ De man lacht groen als een limoen, maar hij laat me gaan. Een loodzwaar gevoel valt van me af.

Ik wil nu zo snel mogelijk uit Samar vandaan en loop de luchthaven binnen. Verdorie, de eerste vlucht is pas morgen. Ik steek me weg in een nonnenklooster in Catarman waar kamers te huur zijn en kom de hele dag niet meer buiten.

13 oktober. Veilig terug thuis en heel wat te vertellen aan Rita. Per fax verwittigen we Hilde Vanobberghen in België over wat me overkomen is. Samen besluiten we dat er geen grote averij is opgelopen en dat we best geen alarm slaan.

Rita’s dagboek

28 september. ‘Je was de deur nog niet uit of Manny kwam langs, met het nieuws dat twee arbeiders door de politie zijn doodgeschoten, organizers van de KMU. Ze liggen opgebaard in de kerk hier rechtover.’

30 september. ‘Ons ventje is ziek, hij heeft het goed zitten. Hopelijk is ’t allemaal voorbij voor je terug bent. Zijn tandjes komen door, daardoor is hij wat lastig. Daarbij heeft hij een flinke verkoudheid. Maar het ergste is zijn diarree. Vorige nacht drie keer, met slijm en bloed erbij. Dat deed me aan amoebiasis denken, dus vandaag met een staaltje van zijn stoelgang naar het labo. En ja hoor, het was amoebiasis. Waar zou hij dat opgeraapt hebben? Zowel thuis als op school wordt het water voor de kinderen gekookt. Goed, antibiotica dan maar.’

5 oktober. ‘Sinds je weg bent heb ik het op de Council druk, druk, druk. Een regeling uitwerken om medicamenten uit België hier te krijgen, en veldmicroscopen uit Engeland. Heel wat werk met projectvoorstellen en - verslagen: voor de Belgische ambassade, het NCOS, Bevrijde Wereld, het Steunfonds Derde Wereld, de provincie Antwerpen, de Medische Steungroep. Als dat allemaal lukt zullen onze gezondheidsprojecten er wel bij varen.’

9 oktober. ‘Vandaag verwachten we je...’

10 oktober. ‘Weer een dag wachten. Zolang alles ginder maar goed verloopt is dat niet erg. ’t Maakt het weerzien er nog spannender op. Hopelijk morgen. Iedereen begint te vragen waar je blijft...’

12 oktober. ‘Raar, maar hoe langer je wegblijft, hoe meer me het gevoel bekruipt dat je thuiskomst onwaarschijnlijker wordt. Hoewel statistisch de mogelijkheid natuurlijk elke dag groter wordt. Ik moet denken aan het feit dat jij je altijd zo ongerust maakt als ik eens een paar uur te laat thuiskom. De rollen zouden nu eens moeten omgekeerd zijn, dat jij dagenlang zat te wachten...’

Welgang bayan

30 oktober. We hebben een woelige algemene staking of welgang bayan van vier dagen achter de rug, tegen de stijging van de olieprijzen en voor een loonsverhoging van 38 peso per dag. Het ging er hevig aan toe. Op het hoogtepunt van de staking werden verschillende bussen in brand gestoken. Vier mensen vonden hierbij de dood. De militairen beschuldigen de stadsguerrilla van de ABB, maar ook de legale vakbonden worden geviseerd.

Medardo Roda, de voorzitter van de transportbond van de KMU, is gearresteerd. Vandaag het toppunt: tijdens een talkshow op tv wordt KMU-voorzitter Crispin Beltran aangehouden door zijn medegast in het praatprogramma, kolonel Diokno! De regering spreekt er weer over om de KMU te verbieden.

Weer zwanger

13 november. Rita is opnieuw zwanger. Alle Filipino’s zijn ervan overtuigd dat het een meisje zal worden. ‘Wantje ziet er zo stralend uit’, zeggen ze tegen Rita. Ze voegen eraan toe dat Yuri nu kuya zal worden: de oudste zoon in het gezin, een hele verantwoordelijkheid.

Na onze minder gunstige hospitaalervaring zijn Rita en ik het erover eens om thuis te bevallen. Thuis bevallen heeft veel voordelen, zeker in een derdewereldland. Je hoeft niet op zoek naar het zeldzame hospitaal waar de hygiënische toestand behoorlijk is en waar de boreling snel bij jou op de kamer mag. Je wordt niet zonder reden geschoren, geknipt of opengesneden. Het is stukken goedkoper (een hospitaalbevalling kost hier al gauw 10.000 frank, een keizersnede wel 50.000 frank). Je valies moet niet klaarstaan, je moet geen schrik hebben om door de eeuwige verkeersopstoppingen niet op tijd in de bevallingskamer te geraken en er moet geen onderkomen gezocht worden voor de andere kinderen.

Als we naar onze ouders schrijven dat we thuis gaan bevallen ontstaat er een misverstand. Zij denken dat we naar België komen voor de bevalling. Het duurt even voor Rita en ik snappen hoe ze daarbij komen. ‘Thuis’ is voor ons niet langer België, maar Manilla, ons appartementje, onze Filipijnse vrienden.

5. 1991 - Het jaar dat de pinatubo uitbarstte - Inhoud

Via de Verenigde Staten...

Mijn zus Hilde en schoonbroer Philip werken sinds een jaar in Nicaragua. Ze zijn uitgezonden door Geneeskunde voor de Derde Wereld om in een kleine stad mee te helpen aan de uitbouw van de Sandinistische gezondheidsdiensten. We dromen er al lang van eens een kijkje te gaan nemen in dat land. Voor Rita is er de herinnering aan El Salvador en de vele Salvadoraanse compaheros die ze in Managua kan terugvinden. Er werken ook verschillende jaargenoten, vrienden en kennissen van ons. Ten slotte zijn we benieuwd te ervaren wat het Sandinisme teweeggebracht heeft, en welke aanknopingspunten er zijn met de Filipijnse revolutie.

We wikken en wegen onze beslissing. Het is nu of nooit: met maar één kind en Rita vier maand zwanger is zo’n grote reis doenbaar en betaalbaar. De beklemmende kerstdrukte van Manilla kunnen ontvluchten is een bijkomend argument.

Als toemaatje nemen we er onderweg Chicago bij. We gaan de kerstdagen doorbrengen bij de familie waar Rita zo’n 15 jaar geleden een jaar heeft gewoond, als uitwisselingsstudente van afs, American Field Service.

23 december 1990. Al bij het neerdalen boven Chicago voelen we ons thuis: een enorme lichtreclame voor McDonald’s, precies als in Manilla. Het vriest dat het kraakt en we gaan met Rita’s Mom en Dad warme kleren kopen. In het grootwarenhuis komen we opnieuw de Filipijnen tegen: een paar warme handschoenen is voorzien van het etiketje Made in the Philippines. Ze kosten 21 dollar. De jonge arbeidsters in de Filipijnse vrijhandelszone waar deze handschoenen gefabriceerd worden, for export only, verdienen dat niet eens in een week. De meisjes zijn aan het bedrijf gekluisterd. Ze zijn verplicht in een muffe slaapbarak in de vrijhandelszone een bed te huren. In de ogen van de multinationals hebben ze niet meer dan een matras nodig, want ze moeten toch 10 tot 12 uur per dag en 6 of 7 dagen in de week werken.

Mom en Dad vertellen hoe het ‘bolwerk van vrijheid en democratie’, de Verenigde Staten van Amerika, een sociale puinhoop wordt. Het probleem van de daklozen neemt onrustbarende proporties aan. In een stad als Chicago stijgt hun aantal met 5 tot 10% per jaar en 13% van de Amerikaanse bevolking, dat zijn 31 miljoen mensen, leeft al onder de armoedegrens.

In de New York Times van 24 december 1990 lezen we hoe de gezondheidstoestand van de armen in de binnensteden er de laatste jaren op achteruit is gegaan. Sinds 1988 is het aantal TBC-gevallen in de Verenigde Staten met 15% gestegen. Ook het aantal gevallen van hepatitis a, mazelen, bof en kinkhoest neemt overhand toe. Deze ziekten zijn virtueel onbestaande in Amerika’s middenklas- en rijke wijken, en horen eerder thuis in een derdewereldland als de Filipijnen.

... naar Nicaragua

27 december. Een sputterende motor net voor het opstijgen houdt ons een dagje langer in de States. We mogen op hotel in Miami, de stad waar hele hordes rijke en rechtse Centraal-Amerikanen een comfortabel toevluchtsoord hebben gevonden, ver weg van de Cubaanse, Nicaraguaanse en Salvadoraanse revoluties.

28 december. Op het vliegtuig houden opgetutte dames met rinkelende juwelen en corpulente heren in maatpak en cowboyhoed ons gezelschap. Het zijn Nicaraguaanse ballingen die na de Sandinistische verkiezingsnederlaag naar hun vaderland terugkeren om er hun onteigende villa’s en landerijen weer op te eisen.

Hilde en Philip wonen en werken in Jinotepe. Ze huren twee eenvoudige kamers bij Dona Maria. Rita, Yuri en ik trekken bij hen in.

De volgende dagen zoeken we een heel aantal vrienden op. Voor Rita een verrassing: ze ontmoet haar companera Nidia Dfaz, comandante van het fmln in El Salvador. Nidia was een tijdlang de gekendste politieke gevangene van het Salvadoraans regime. Ze werd ingeruild voor Inés Duarte, de dochter van de Salvadoraanse president die door de guerrilla krijgsgevangen was gemaakt. Nidia is geregeld in Managua, maar sinds de nederlaag van de Sandinisten draagt ze een zonnebril en verplaatst ze zich met een bodyguard. Onder Chamorro is het niet ondenkbaar dat de Salvadoraanse doodseskaders tot in Managua opereren.

Met de Salvadoraanse companeros en enkele Belgische vrijwilligers praten we veel over de ontwikkelingen in El Salvador. Ik schrijf mijn bedenkingen neer in een brief aan Hilde Vanobberghen:

‘Iedereen is erg enthousiast en hoopvol voor een gunstige, zij het onderhandelde oplossing voor het Salvadoraans conflict. De bevrijdingsbeweging is volgens mij zeer handig en toch principieel bezig. Maar het optimisme lijkt me een beetje illusoir. Het eerste punt en belangrijkste obstakel, namelijk de zuivering van het regeringsleger en van de paramilitairen, moet ik nog zien gebeuren. En zelfs al komt het op papier, gaan de paramilitairen dan niet allemaal als clandestiene doodseskaders fungeren? Ook het nobel doel van demilitarisering van de samenleving met gelijktijdige afbouw van regerings- en guerrillaleger vind ik idealistisch en gevaarlijk. Sinds wanneer zou het volk geen gewapende macht meer nodig hebben om zijn verworvenheden te verdedigen?’

Voor wie in Manilla woont is Managua een droom van een hoofdstad: ruim, groen, proper, rustig. Het valt ons op dat er weinig straatverkopers zijn en praktisch geen bedelaars. Een prestatie voor een arm land dat lange jaren van economische blokkade en contra-oorlog achter de rug heeft. Na 10 jaar Sandinisme is de inkomensongelijkheid in Nicaragua heel wat kleiner dan op de Filipijnen.

In Managua zien we ook niet die overdaad aan schreeuwerige reclame voor Amerikaanse producten of die oerdomme Amerikaanse TV-shows die ons in Manilla zo mateloos ergeren.

Maar in het straatbeeld is nog nauwelijks wat te merken van de Sandinistische revolutie. De bekende zwart-rode vlaggen zijn nergens meer te bespeuren, de kleurrijke muurschilderingen zijn grijs overkalkt. De enige uitzondering zijn de reuzengrote portretten van Sandino en Carlos Fonseca, de stichter van het fsln (Sandinistisch Front voor Nationale Bevrijding), op de voorgevel van het Palacio Nacional. Allicht niet meer dan een symbolische toegeving aan het Sandinisme, een doekje voor het bloeden.

En bloeden doet het Nicaraguaanse volk onder de rechtse regering van Violeta Chamorro. Eind december wisselden we één dollar tegen 3 miljoen córdoba. Om inkopen te doen moet je dus flinke stapels bankbiljetten meenemen: 1 miljoen voor een liter melk, 5 miljoen voor een pond kaas. De prijzen stijgen voortdurend. Wie het geluk heeft dollars te bezitten wisselt best maar kleine bedragen per keer, want morgen krijg je weeral zoveel córdoba’s méér voor je geld. Alle verhoudingen in acht genomen is het leven hier bijna dubbel zo duur als op de Filipijnen.

Hoe hebben de Sandinisten het zover laten komen? Ik schrijf:

‘Het is triestig gesteld met het fsln. Een meerderheid in de leiding is bereid tot samenwerking met de regering-Chamorro, in naam van vage begrippen als economisch herstel, nationale eenheid, vrede, verzoening, stabiliteit. Onder leiding van de Ortega’s lijkt de sociaal-democratisering van het Frente zich door te zetten.’

Onze zorgeloze vakantie in Nicaragua wordt verstoord door de dreigende Golfoorlog. Ex-president Daniël Ortega doet vergeefse pogingen om te bemiddelen. Hier heerst grote verontwaardiging over de heerszucht van Bush & Co. tegen een derdewereldland dat het heeft aangedurfd tegen de Westerse belangen in te gaan.

17 januari 1991. Dona Maria roept ons naar haar woonkamer. De Amerikaanse bombardementen op Irak zijn begonnen. Op tv kunnen we deze hoogtechnologische staaltjes van barbarij live bewonderen, gekruid met de opgewonden uitroepen van de commentator, als was hij een voetbalmatch aan het verslaan. Walgelijk.

Leesvoer

16 februari. We zijn nauwelijks terug in Manilla of Ella komt langs. Ze licht me in over de gang van zaken bij de Medische Sectie van het NPA. Door de intense militarisatie zijn verscheidene geplande vormingscursussen uitgesteld.

Ella heeft een aantal tijdschriften bij. Eindelijk nog eens wat leesvoer! Eerst toont ze me... mijn eigen artikels. Op Leans verzoek had ik na de medische conferentie vorig jaar een paar artikels geschreven over de gezondheidszorg bij de guerrilla. Eén is onder de schuilnaam Miguel Moya gepubliceerd in Liberation, het tijdschrift van het Nationaal Democratisch Front. Een ander staat onder de schuilnaam Norman Escandor in Pulang Bandila (Rode Vlag), het onregelmatig verschijnend blad van het NPA.

Die laatste naam heb ik niet zelfbedacht en is zeker te veel eer voor mij. De voornaam verwijst naar dokter Norman Bethune, de Canadese thoraxchirurg die in de jaren ’30 naar de Spaanse burgeroorlog trok en er aan republikeinse zijde een systeem voor bloedtransfusie in oorlogsomstandigheden uitbouwde. In de jaren ’40 ging Norman Bethune naar China, waar hij zich bij Mao’s beroemde Achtste Routeleger voegde. Daar overleed hij aan een vingerinfectie - antibiotica bestonden nog niet.

De achternaam verwijst naar Juan Escandor, een gekend Filipijns kankerspecialist die in de jaren ’70 zijn carrière liet staan om zich aan te sluiten bij het ondergronds verzet. In 1983 werd ‘Johnny’ Escandor laffelijk vermoord door Marcos’ militairen.

Gorbatsjov

Ella heeft ook Ang Bayan (Het Volk) bij, het tijdschrift van de CPP, met een prima analyse over de Golfcrisis en de hernieuwde agressiviteit van het VS-imperialisme onder de zogenaamde Nieuwe Wereldorde. En met een lang artikel over de Sovjetunie onder Gorbatsjov, dat volgens Ella heel wat stof doet opwaaien in de beweging. De auteur oordeelt immers positief over het pas besloten XXVIIIe Congres van de Communistische Partij van de Sovjetunie. Hij neemt kritiekloos Gorbatsjovs stellingen over dat ‘het belangrijkste resultaat van de perestrojka de herwonnen vrijheid is’, dat ‘de echte Sovjetmacht hersteld wordt’, dat ‘in de hele wereld de markteconomie zijn voordelen bewezen heeft’, en dat het ‘nieuwe denken’ in de buitenlandse politiek geleid heeft tot vrede, ontwapening en internationale samenwerking.

Er komt nog meer uit Ella’s handtas: de verklaring van het Centraal Comité van de CCP naar aanleiding van de 22ste verjaardag van de partij, op 26 december 1990. Die lijkt een antwoord te zijn op het artikel in Ang Bayan, punt voor punt:

‘Onder de best gekende "resultaten" van de perestrojka horen de uitbreiding van de privé-coöperatieven ten nadele van de staats- en collectieve sectoren, (...) en de veralgemeende ineenstorting van de economie (...). Onder de best gekende "resultaten" van de glasnost horen de ongebreidelde ideologische en politieke aanvallen op de basisprincipes van het socialisme, en de toename van kapitalisme, nationalisme, etnische conflicten, religies, anarchie en georganiseerde misdaad. (...) Bij de best gekende "resultaten" van het "nieuwe denken" zijn het omverwerpen van de revisionistische regimes in Oost-Europa (...), het terugtrekken van de steun aan bevriende landen en partijen, en de nieuwe rol van de Sovjetunie als een soort junior partner van de vs, onder andere in de Golfoorlog.’ Twee opvattingen die lijnrecht tegenover mekaar staan. Volgens Ang Bayan is Gorbatsjov de grota. vernieuwer van het socialisme, volgens de verjaardagsverklaring van de CPP is Gorbatsjov de finale doodgraver van wat er in de Sovjetunie nog restte aan socialisme en is de politiek van Gorbatsjov het logisch eindpunt van 35 jaar revisionisme in de Sovjetunie, van 35 jaar afzwakken, uithollen, negeren en ten slotte omkeren van alle basisprincipes van het marxisme-leninisme.

Ik verbaas me erover dat officiële partijdocumenten tegengestelde standpunten naar buiten brengen. Ella beaamt dat er discussie is binnen de nationaal-democratische beweging over analyse, strategie en tactiek. Dat is er niet op geminderd nu het hoe langer hoe duidelijker wordt dat de Filipijnse revolutie de laatste jaren in plaats van te groeien, terrein heeft verloren. Daarover doen alarmerende berichten de ronde, zegt Ella, maar echte duidelijkheid is er nog niet. Er zou binnen de CPP een grondig onderzoek bezig zijn over de oorzaken hiervan.

Het begint tot Rita en mij door te dringen dat de rozengeur en maneschijn die ik de Filipijnse revolutie toedichtte, door donkere wolken overschaduwd worden.

Een katulong

7 maart. We verhuizen weer. Vlak over ons komt een appartement vrij. Naast de plaats die dienst doet als woonkamer, eetkamer en keuken zijn er twee slaapkamers, een binnenkoertje om de was te doen en een badkamertje. Hoe gaan we die ruimte ooit gevuld krijgen?

En da’s nog niet alles. We hebben ook een katulong gevonden, een meisje om te helpen in het huishouden. We vragen Mercy - zo heet ze - om alleen ’s morgens te komen. Haar taken zijn wassen (met onze halfautomatische wasmachine), strijken, vegen (moet in het stoffige Manilla dagelijks gebeuren) en Yuri naar school brengen. Zo zullen Rita en ik wat meer de handen vrij hebben en vroeger naar kantoor kunnen. Met onze tweede kleine op komst is wat hulp meer dan welkom.

15 maart. We zijn er nu nog meer van overtuigd onze baby thuis te laten geboren worden. Dit appartement is immers groter en koeler en biedt meer privacy dan ons eenkamer-appartementje. Na lang zoeken vinden we een dienst voor thuisbevallingen, dag en nacht bereikbaar.

Opnieuw Bicol

17 maart. Via een ondergronds koeriersysteem dat eindigt bij Ella ontvang ik een piepklein opgeplooid briefje van Ka Bong, het hoofd van de NPA-medics in Bicol. In het raam van de intensificatie van de volksoorlog waartoe door de nationale CPP-leiding is beslist, gaat het NPA in Bicol een zomer-offensief inzetten. De medische staf wil bij elk gevecht zo optimaal mogelijk eerste hulp verlenen, vlak achter de frontlinie. De verdere medische verzorging, tot en met chirurgische ingrepen, zal gebeuren in een veldhospitaal. Of ik dit pilootproject niet wil komen ondersteunen en evalueren tijdens een tactisch offensief (een guerrilla-aanval) van het NPA?

Als bij gewapende acties van de guerrilla medische begeleiding en hulpverlening nodig is, wil ik best meegaan. De paasperiode en de zomervakantie maken het mogelijk dat ik een paar weken verdwijn op de CHD.

23 maart. Ik word in Manilla opgehaald door Ka Joval van de medische staf van het NPA-Bicol. Met bus, jeepney en tricycle bereiken we een klein kustdorpje in de provincie Albay. Na een avondlijke boottrip van twee uur ontwaar ik Ka Bong op de oever, die ons met een zaklamp toezwaait. Ik ben weer ‘binnen’, bij de guerrilla. Ka Bong omhelst me. Het feit dat een internationalist niet alleen vrijblijvend en eenmalig een kijkje komt nemen bij het NPA, maar weerkeert en zelf een engagement opneemt, is de kasama’s een hart onder de riem.

Het medisch kamp ligt goed verborgen in een bananenbosje. We vormen een klein groepje: 3 patiënten, 2 keukenhulpjes, een NPA-team van 3 dat instaat voor de veiligheid, en het medisch team dat uit 4 kasama’s bestaat. Op een halfuurtje van hier ligt de Main Regional Guerrilla Unit, een compagnie sterk. Dit gebied is al lang geconsolideerd, het eerste organisatiewerk gaat terug tot 1976.

Ik vergader met Bong. In mijn notaboekje noteer ik voor mij de volgende taken: 1) helpen bij het algemeen onderzoek van de NPA-strijders voor het to, het tactisch offensief; 2) deel uitmaken van het medisch team bij het to zelf; 3) helpen bij operaties en 4) het management van het medisch werk helpen verbeteren. Als bonus kan ik misschien vorming geven over de internationale situatie.

Een meisje komt vragen of ze mijn kleren kan wassen en een keukenhulp spreekt me aan met po, de beleefdheidsvorm. Het zijn nieuwe rekruten die tijdens hun kort verblijf in de guerrillazone nog maar weinig van de feodale cultuur hebben kunnen afschudden. Beleefd maar beslist leg ik hen uit dat ik een kasama onder de kasama’s ben en geen privileges of beleefdheidsvormen wil.

De constipatie van Ka Toto

24 maart. Ka Toto, een lid van de medische staf, is ziek. ‘Constipatie en hoofdpijn, door te lang met een hongerige maag rond te lopen’, luidt de diagnose. Als therapie krijgt hij een grondige massage met geparfumeerde ontsmettingsalcohol en samiong-kruid. Ik vraag me af of en hoe we er ooit zullen toe komen traditionele en Westerse diagnosemethoden en geneeswijzen met elkaar te verzoenen.

Ik doe een lange babbel met Ka Necel. Ze is afkomstig uit een dorpje in de naburige provincie Sorsogon. Na de lagere school kon ze niet voort studeren, want zoals zoveel meisjes van het Filipijnse platteland werd Necel op 14-jarige leeftijd naar Manilla gestuurd, als katulong. Ze kon er echter niet aarden en keerde naar Bicol terug. Op haar 18de sloot ze zich aan bij het NPA, dat al jaren in haar barrio actief was. Maar nu heeft een groep paramilitaire cafgu’s er zijn tenten opgeslagen. Daardoor is ze haar familie al vier jaar niet meer kunnen gaan opzoeken. Hoewel ze zegt verlegen te zijn en schrik te hebben van bloed, kreeg Necel bij het NPA als taak patiënten te verzorgen. Na twee medische vormingscursussen is ze nu een toegewijde en attente medic.

Wat een verschil de revolutie uitmaakt in het leven van iemand als Ka Necel! Het verschil tussen een leven als een onderdanig, dom gehouden huisslaafje, uitgebuit en misschien mishandeld of verkracht; en een leven als zelfverzekerde NPA-medic, met een zinvolle job en actieve deelname aan de omvorming van de Filipijnse maatschappij.

26 maart. De verzoening tussen de traditionele en Westerse geneeskunde zal nog niet voor vandaag zijn. Ka Toto’s toestand betert er niet op. Ik stel tyfuskoorts vast en schrijf sterke antibiotica voor.

Met de medics herhaal ik de belangrijkste topics van eerste hulp, chirurgie en anesthesie. Wondhechting oefenen we op lappen stof. En natuurlijk bespreken we Ka Toto’s constipatie.

De hysterie-aanval van Ka Maricel

29 maart. Een speciale dag: de 22ste verjaardag van het NPA, maar tegelijk ook Goede Vrijdag en volle maan! Wat kan dit anders betekenen dan dat de kruisiging van een volk de hoop op bevrijding in zich draagt. We verkiezen het verjaardagsfeest boven de vasten, en improviseren een gestoomde maniokcake met rozijnenkrans en een glas warme melk.

’s Avonds horen we plots luid huilen en schreeuwen vanuit Bongs hut. We snellen er naartoe. Bongs vrouw Maricel ligt in een spastische kramptoestand. Ik merk meteen dat het niet om epilepsie gaat, het lijkt eerder een aanval van hysterie. Bong vertelt me dat Maricel dit al eerder heeft gehad, onder andere vlak nadat hun barrio clinic door militairen overvallen was. Ik vraag hem mij alleen te laten met Maricel en geef haar een kalmerend spuitje. Zo gauw ik haar ledematen onder een dekentje stop ontspannen ze zich.

Ik ga met Ka Bong praten. Het is duidelijk dat Ka Maricel lijdt onder de stress van het guerrillaleven. Het feit dat ze al meer dan een jaar haar twee kinderen niet meer heeft kunnen zien, die bij haar ouders verblijven, zal er bok niet vreemd aan zijn. Bong zucht diep. Ik besef dat mijn opofferingen - Rita en Yuri een paar weken achterlaten - lachwekkend klein zijn vergeleken bij die van de meeste Filipijnse kasama’s.

De operatie van Ka Waway

31 maart. Alles is in gereedheid voor het tactisch offensief, maar het bevel tot actie blijft uit. De NPA-leiding wacht op de beste samenloop van omstandigheden en op de laatste inlichtingen over de vijandelijke stellingen. Het wordt een gecoördineerd offensief, met andere NPA-eenheden. Dat maakt de voorbereiding er niet eenvoudiger op.

De verveling slaat toe. We zijn hier maar met weinigen, en de meeste van mijn gezellen spreken geen Tagalog, alleen Bicolano. Gelukkig heb ik een boek bij en mijn wereldontvanger. Toevallig krijg ik Radio Nederland te pakken. De Hollanders beginnen hun programma met beiaardmuziek; geen groter contrast denkbaar met de junglegeluiden die ons omringen.

2 april. Ka Bong besluit de dagen zo nuttig mogelijk te gebruiken. We gaan dus een paar chirurgische operaties doen. Als opwarmertje is er de besnijdenis van de 14-jarige Ka JM. Bij Ka Waway, die vorig jaar een kogel in zijn oog heeft gekregen, moet onder algemene anesthesie de ineengeschrompelde oogbal verwijderd worden. Bong is de chirurg. Ik bewonder zijn planmatige en zorgvuldige aanpak. Nauwkeurig volgt hij de stappen die aangegeven staan in het chirurgieboek dat open ligt naast de operatietafel. De ingreep duurt meer dan drie uur en is een succes. Als toetje waagt Ka Bong zich nog aan enige plastische chirurgie om het lelijk litteken in Ka Waways gezicht wat weg te werken.

Na de operatie volgt een grondige evaluatie van het geheel, van het klaarmaken van de instrumenten tot de postoperatieve verzorging van de patiënt. Zo’n evaluatie, met kritiek en zelfkritiek, moet ons toelaten het grotere werk beter voorbereid aan te vatten, eens dat er gewonde NPA’ers van het to terugkomen.

Ook Ka Waway heeft een interessant levensverhaal te vertellen. Vroeger hield hij zich op in de gore Pasay-wijk van Manilla en zat hij aan de drugs. Hij werd gearresteerd en hard aangepakt door de politie. Voor 9 maand verdween hij achter de tralies. Na zijn vrijlating keerde Waway terug naar de provincie, waar hij via vrienden van zijn broer in contact kwam met het NPA. Omwille van zijn verleden mocht hij niet direct aansluiten bij het volksleger, maar na een proefperiode van 6 maand bij de ondergrondse boerenorganisatie, werd hij als NPA’er aanvaard.

Bij de gevechtseenheid

6 april. We worden naar het nabije kamp van de hoofdguerrillaeenheid geroepen voor een vergadering met Ka Flavio, de leider van het regionaal NPA-bevel. Als Bong en ik in het kamp toekomen zit een jonge, knappe kasama aan het riviertje een kookpot uit te schrobben. Het is Ka Flavio himself. Een stevige handdruk en hij gaat direct tot de dagorde over.

Het tactisch offensief zal zeer binnenkort plaatsvinden, vertelt Flavio. De medische planning moet geïntegreerd worden in de algemene militaire planning. Achter een paar struiken staat een maquette van het doelwit opgesteld: een barrio met niet minder dan vier vijandelijke detachementen, een van het leger en drie van de cafgu.

‘Dit bemoeilijkt de tactiek van het NPA danig’, zegt Ka Flavio, ‘want voor ons is het vermijden van onschuldige burgerslachtoffers van primordiaal belang.’

De actie zal worden ondernomen door een gecombineerde strijdmacht: de mrgu, een districtguerrillaeenheid en de volksmilitie. Als de nacht gevallen is zullen de vier militaire posten gelijktijdig worden aangevallen, elk door één NPA-peloton. Er zijn ook afleidingsmaneuvers voorzien. Gesynchroniseerd zal nog een andere guerrillaeenheid een raid ondernemen op een vijandelijk kamp in een nabijgelegen dorp. Nog eens twee militaire posten elders in de provincie zullen worden bestookt door sluipschutters.

Ka Flavio zegt dat ik het medisch team MAG vergezellen tot het eerste hulpstation, op 1 a 2 km van de frontlinie.

Voor mijn veiligheid krijg ik een colt .45 mee. Volgens de internationale oorlogsconventies is het een gezondheidswerker altijd toegestaan een verdedigingswapen te dragen. Het is ook een teken dat de kasama’s mij vertrouwen, me als één van hen beschouwen. Een beetje trots steek ik de revolver weg in een schoudergordel.

Ka Bong en Ka Toto zullen de gevechtseenheid vergezellen tot in de vuurlinie, vervolgt Flavio. Voor het vervoer van eventuele patiënten krijgt de medische staf hulp van zes leden van de volksmilitie.

Ik maak kennis met de kasama’s van de eenheid en zie een paar jongens weer die twee jaar geleden tot Ka Louie’s staf behoorden. Hier enkel stevige, gezonde, gevechtsklare kasama’s. Hun bewapening is overtuigend: voor elk op zijn minst een m16 of m14 automatisch geweer, en er zijn ook verschillende m203 granaatwerpers, een machinegeweer en een mortier. De wapens worden een laatste maal gekuist en nagekeken.

Ka Flavio vraagt ons nog te kijken naar een van zijn mannen die een pijnlijke zwelling heeft op zijn rechterdij. Een abces dat nog niet rijp is. Die zal moeten thuisblijven van de actie.

Een gesprek met Ka Flavio

Ka Flavio vraagt of ik al gebrieft ben over de situatie van de revolutionaire beweging in Bicol. Ja, door Ka Louie twee jaar geleden. Tijd dus voor een actualisering. De NPA-bevelhebber nodigt me uit in zijn hutje. In de keuken is juist koffie gemaakt. We lopen er even langs, en met een kop zwarte, inheemse koffie met veel suiker, begint Ka Flavio te vertellen:

‘Zoals elders kende de beweging in Bicol een zeer snelle expansie in de jaren ’83-’85, maar dit werd gevolgd door een geleidelijke terugval gedurende de eerste jaren van de regering Aquino. Daarvoor zijn verschillende oorzaken. Ten eerste slaagden de Special Operation Teams van de vijand er op sommige plaatsen in om onze gebieden effectief te penetreren en een deel van onze massabasis af te snoepen. Dat kon maar gebeuren omdat we onvoldoende de nadruk hadden gelegd op de versterking van de massa-organisaties.

Ten tweede gaf de partijleiding de hoogste prioriteit aan de regularisering van het NPA. Grotere gevechtseenheden en allerhande militaire stafstructuren werden opgezet. Daarvoor werden kaders, wapens en aandacht weggetrokken van het partijwerk en van het organisatiewerk onder de massa. Ten derde lieten veel sympathisanten en zelfs partijleden zich misleiden door het schijnbaar democratisch karakter van het Aquino-regime en keerden de gewapende strijd de rug toe. Ten slotte zaten we hier met een aantal oudere kaders die neigden naar een passieve houding, die de confrontatie met de vijand schuwden.’

De counterinsurgency heeft dus hier en daar succes gehad. Hoe gaat dat precies in zijn werk, wil ik weten.

‘De huidige counterinsurgency-strategie van de Filipijnse strijdkrachten wordt gradual constriction genoemd, het geleidelijk doen samentrekken of dichtsnoeren. Dat functioneert als volgt. Tegen een welbepaald guerrillafront wordt een massale en volgehouden aanval ondernomen. Het hele gebied wordt vol geplant met militaire posten en kleine kampen. Special Operations Teams verrichten er politiek tegen-organisatiewerk. Zo wordt de bewegingsruimte en de massabasis van de revolutionaire beweging vernauwd en is de guerrilla een gemakkelijke prooi.

Maar wij laten dit natuurlijk niet zomaar gebeuren. Begin dit jaar heeft het NPA hiertegen een militaire campagne gevoerd, Plan Koningsvisser. Elke maand werd een specifieke militaire post tot doelwit gekozen. Om te verhinderen dat de vijand zijn slagkracht zou kunnen concentreren op de hoofdeenheid van het NPA, voerden kleinere NPA-troepen elders ook acties uit. De drie aanvallen die we tot nu toe hebben ondernomen, waren een voltreffer: de vijandelijke detachementen werden gewoon weggeveegd. Het to dat nu op stapel staat moet het hoogtepunt worden van ons zomeroffensief.’

Wil dat dan zeggen dat het NPA er in Bicol opnieuw op vooruitgaat?

‘Inderdaad’, antwoordt Ka Flavio. Tn ’89-’90 kon de negatieve trend worden omgebogen. De cafgu staat lang zo sterk niet meer als voorheen en heeft moeite de rekrutering op peil te houden. Cory Aquino heeft haar ware gelaat getoond. Ze heeft nu ook bij de middenklasse afgedaan, zodat we uit die hoek nu weer meer steun krijgen. Daardoor hebben we op verschillende niveaus NDF-structuren kunnen opzetten en beschikken we in Bicol nu over een eigen publicatie en een wekelijkse radio-uitzending.

Maar de belangrijkste reden voor onze vooruitgang ligt ongetwijfeld in het rechtzetten van onze eigen fouten en het grondig aanpakken van onze tekortkomingen. We benadrukken opnieuw het massawerk in plaats van het puur militaire werk en we besteden meer aandacht aan vorming. We leiden kasama’s op in onze eigen Kaderschool Freddie Gacosta.’

Ka Flavio zelf zou model kunnen staan voor deze nieuwe lichting jonge kaders. Hij vertelt dat hij uit een arme boerenfamilie in de streek stamt en niet verder dan het derde leerjaar naar school is kunnen gaan. ‘De rest van mijn vorming heb ik genoten in de revolutionaire beweging’, zegt hij trots.

Op tactisch offensief

7 april. Maricel, Necel, Toto, Bong en ik kijken de inhoud van onze medische kits na en lezen er nog wat traumageneeskunde op na. Ka Bong zit te piekeren. Hij is bezorgd omdat niet elk NPA-peloton over gevormde medics beschikt, omdat we geen walkietalkies krijgen, omdat het vitale eerste-hulpstation te ver van de frontlinie zal liggen.

8 april. Om kwart na drie in de namiddag gaan we op pad. Het zicht van de langgerekte guerrillacolonne die over de heuvelruggen van Albay trekt is indrukwekkend. Na een uurtje houden we halt om de duisternis af te wachten. We gaan een helling op. Het schiereiland Bicol is hier bijzonder smal. Aan beide zijden zien we de zee, met honderden lichtjes van vissersboten. Om 21.30 uur zoekt elk een koppel bomen op om zijn hangmat aan te bevestigen.

9 april. Lekker gemaft. Op ons gemak dalen we af tot bij een riviertje, waar we anderhalve dag blijven kamperen. Ik maak kennis met Jo-Ann, het enige meisje in de gevechtseenheid die geen medic is. Ze leidt een squad van acht geharde guerrillero’s.

10 april. D-day. Om 18 uur vertrekken we. Voetje voor voetje schuifelen we voort. Het is van cruciaal belang geen lawaai te maken, het verrassingseffect moet absoluut bewaard blijven. Fluisterend worden de troepen geteld en herteld: we zijn met 105 man. Rond 21 uur worden wij, het medisch team, achtergelaten in het struikgewas. Het is inderdaad ver van de barrio. Die ligt achter een heuvelrug; we zullen dus niets zien van het gevecht.

Om 22 uur stipt begint het schieten, van verschillende kanten tegelijk. Ka Maricel, die weer opgeknapt is, heeft de leiding over ons groepje. Het is nodig want iedereen is zenuwachtig. Een masa die mee is als drager kan zijn hoest niet onderdrukken en een andere maakt er zich kwaad om.

Het gevecht is hevig en lang. Na een paar uur gespannen afwachten kan ik mijn slaap niet meer bedwingen en ik dommel in. Tot een verdwaalde kogel fluitend in onze buurt voorbij vliegt.

Het is al 5 uur ’s ochtends als de eerste patiënt arriveert. Het is Ka Narding. Gisteren schepte hij nog tegen me op over zijn mooie Topsider-schoenen, buitgemaakt op een vijandelijke soldaat. Nu heeft hij door een van zijn Topsiders een kogel gekregen en zijn hiel is volledig doorboord. ‘Ka Miguel, dit is toch niet doodgaan, hé?’, vraagt hij ongerust. We geven hem een fruitsapje en een verdovende inspuiting en verbinden zijn fel bloedende wonde. Zijn metgezellen vertellen hoe het gevecht verloopt. Doordat het NPA-team in het buurdorp een paar minuten te vroeg begon te schieten, waren de militairen hier gealarmeerd. Daardoor konden ze beter georganiseerd en heviger weerstand bieden. Maar in drie van de vier detachementen heeft de vijand zich intussen uit de voeten gemaakt.

Een uurtje later wordt een tweede gewonde gebracht. Ka Elmo, de bediener van het machinegeweer, is langs achter in zijn bil geschoten, in de richting van het bekken. Hij heeft veel bloed verloren. Er was geen medic in de buurt om de bloeding te stelpen en zijn peloton was niet ingelicht over de exacte positie van het eerstehulpstation. Ka Elmo is in shock. Het wordt al licht, maar toch kost het me moeite om een intraveneuze lijn met een baxter te plaatsen.

Gelukkig komt Ka Bong aan. Bij hem is Ka Roel, de meest ervaren medic van de compagnie. Nog onder hoogspanning van het zware gevecht schieten ze onmiddellijk in actie. Ze steken een blaascatheter en maken alles klaar voor een bloedtransfusie. Nu nog een donor vinden. Plots zijn alle NPA’ers rondom ons te moe. Schrikken de kasama’s ervoor terug om bloed te geven? Of is dit cultureel bepaald? Geen tijd voor discussie. Het blijkt dat Ka Elmo bloedgroep a heeft, net als ik. Ik bied me aan. Aan de rand van het bos, bij het ochtendgloren en met hier en daar nog schoten op de achtergrond, laat ik me een halve liter bloed aftappen.

De terugtocht

We mogen geen tijd verliezen, straks kan hier een militaire helikopter in de lucht hangen. We hijsen Ka Elmo in een hangmat, die we aan een bamboepaal bevestigen. Voor en achter zet een kasama er zijn schouder onder. We vatten de terugtocht aan terwijl de bloedtransfusie nog loopt. Ook Ka Narding wordt in een hangmat meegevoerd. Drie andere kasama’s hebben lichte verwondingen.

Vooral met Ka Elmo hebben we het lastig, niet alleen omdat hij in ernstige toestand is en onderweg voortdurend medische verzorging nodig heeft, maar ook omdat onze machine gunner meer dan 80 kg weegt. De dragers doen hun werk prima. Over dit moeilijk, heuvelachtig terrein lossen ze mekaar snel en systematisch af. Het gewicht op de bamboestok zorgt voor lelijke schaafwonden op hun schouders. Een kniesoor die daarop let.

Aan een eenzaam huis gekomen krijgen we een paar uur rust. We hebben al meer dan 15 uur niets meer gegeten, dus worden een stuk of wat kippen geslacht. Ondanks de militaire overwinning loopt Ka Jun, de bevelhebber van de compagnie, te vloeken. Nu pas hoor ik dat we een dode te betreuren hebben. Het is een van de jongens die de aanval hadden ingezet door een zelfgefabriceerde bom, bevestigd aan een lange bamboepaal, over de muur van het militair kamp te schuiven. Hij kreeg een kogel pal door het voorhoofd.

De ruige Ka Jun is een man van weinig woorden. Na de maaltijd komt hij naar me toe en pakt me eens stevig vast. Ik moet eens goed slikken. Het wordt me allemaal wat te veel: de doorstane schrik en spanning, de vermoeidheid, de vreugde om de overwinning, de droefheid om de gesneuvelde kasama en de trots omdat we ons met het medisch team goed uit de slag hebben getrokken.

We zijn allemaal doodmoe maar we moeten verder. We zijn een wat ordeloze troep, met de patiënten tussen ons in. Als we een bos intrekken vliegen drie prachtig gekleurde toekans klapperend op, en als we door een kreekje stappen fladdert een zwerm witte vlinders ons tegemoet. Zelfs de natuur viert onze overwinning.

Ik voel me ijl in het hoofd. Het is alsof die witte vlinders dwars door mijn hoofd vliegen. Nu voel ik ze ook al in mijn buik kriebelen. Ik besef dat ik de uitputting nabij ben, door het gebrek aan slaap, de honger, de dorst en het verlies van een halve liter bloed. Maar dan denk ik weer aan onze patiënten, die nog veel moeilijker momenten doormaken. Vraag me niet hoe, maar ik slaag erin om de zowat 30 km van de terugweg vol te maken, wat me leert dat je op levensbelangrijke momenten nog heel wat onvermoede kracht uit je lichaam en geest kan putten, dat je je grenzen steeds kan verleggen.

Om 22 uur bereiken we doodop het medisch kamp. We leveren Ka Elmo en Ka Narding af in het hospitaaltje. De achtergebleven Ka Necel en een andere medic ontfermen zich over hen. Een van de hospitaalbedden is mijn brits, maar ondanks de vermoeidheid kan ik de slaap niet vatten. De aankomst van de patiënten, de geanimeerde verhalen over het tactisch offensief en de bewaking van onze probleempatiënt Elmo houden me wakker. Dat is een van de nadelen als je als dokter tussen je patiënten ligt - naast de geur van urine, stoelgang en etter.

De operatie van Ka Elmo

12 april. Tot onze verbazing begint Ka Elmo ’s morgens wat te praten. Zijn bloeddruk is genormaliseerd, maar zijn wonde gaat diep. Er zijn alleszins inwendige organen geraakt. De patiënt heeft koorts en zijn hele onderbuik doet pijn. Met Ka Bong overloop ik de opties. Ka Elmo naar een hospitaal ‘buiten’ brengen stelt een praktisch onoverkomelijk veiligheidsprobleem. Het zou ook te lang duren. Een bevriend chirurg contacteren en vragen naar het guerrillafront te komen is kostbaar tijdverlies, en we zijn niet zeker van zijn antwoord. Blijft over: zelf opereren.

13 april. Meer dan twee volle dagen na zijn verwonding opereren we Ka Elmo. Omdat de grondige voorbereiding de hele ochtend in beslag neemt kan Ka Bong de eerste insnede pas maken om 13.30 uur. We beginnen met een cystostomie (een insnede in de blaas) omdat de blaascatheter te weinig en bloederige urine afscheidde. Maar doorheen het buikvlies zien we bloed in de buikholte. Om daarvan de oorsprong op te sporen moeten we de hele buik opensnijden. Het is een hele karwei om ons door de dikke vetlagen van Ka Elmo heen te werken. In de buikholte vinden we allerlei kleine averij, maar gelukkig geen belangrijke trauma’s.

Als onervaren en onzekere would-be chirurgen zijn we negen uur aan een stuk met de operatie bezig. De laatste uren moeten we werken bij het licht van een paar zaklampen, maar zowel chirurg Bong als patiënt Elmo kwijten zich prima van hun taak. Rond middernacht wordt Ka Elmo voorzichtig getransporteerd, bergop naar het hospitaaltje.

De hallucinaties van Ka Narding

15 april. De recuperatie van Ka Elmo loopt niet van een leien dakje. Door de ketamine-anesthesie heeft hij last van hallucinaties. Hij blijft ook koorts maken en er blijft bloed in zijn urine.

Ondertussen hebben we onze andere patiënt, Ka Narding met zijn aan flarden geschoten hiel, wat aan zijn lot overgelaten. Zijn wonde moet dringend onder algemene verdoving gereinigd worden, een kolfje naar Bongs hand. Het hoofdprincipe van zo’n debridement is dat dit grondig moet gebeuren, zodat er niets dood weefsel overblijft dat de basis kan vormen voor infectie. Daarom gaat Bong Nardings wonde met een schrobborsteltje te lijf-

Mooiprater Narding hallucineert na de operatie natuurlijk tegen de sterren op. We lachen ons een breuk met zijn gezangen en verhalen. Hij brengt een plaatselijke versie van Overal waar de meisjes zijn, daar is het bal en vertrouwt me toe: ‘Ka Miguel, ik zal je meenemen naar mijn barrio, en mijn broer zal een groot brood voor je bakken.’

17 april. Een heropgestane Ka Elmo leidt zowaar de ochtendgymnastiek. Zittend op de rand van zijn bed beveelt hij: ‘Voeten zijwaarts, 1-2-3-1,1-2-3-2, 1-2-3-3!’ Ka Narding helpt bij zijn eigen wondverzorging en blijft ons vermaken, ook nu hij niet meer hallucineert. Als hij merkt dat hij, mits enige acrobatie, door zijn hielwonde heen kan kijken, grapt hij dat hij nu altijd een telescoop bij zich heeft. Even later zien we hem op twee handen en een voet, alledrie in slippers gestoken, het pad van het hospitaaltje naar de keuken afkomen. Wat een moed en een optimisme hebben de kasama’s toch!

De grote baas, Ka Flavio, komt de patiënten een bezoekje brengen en hij helpt mee met hun wondverzorging. Als hij Ka Elmo recht helpt moet die plots grote boodschap doen. Gejuich alom, want nu ook zijn darmfunctie herneemt weten we dat hij door de problemen heen is.

Het is ongetwijfeld een enorm voordeel dat onze patiënten in hun natuurlijke omgeving en onder hun kameraden kunnen recupereren. Daarover zou eens een wetenschappelijke studie moeten gemaakt worden. Ik ben er zeker van dat het genezingsproces op deze manier stukken sneller verloopt.

De actie geëvalueerd

Na de verpleging van de patiënten zet ik me bij Ka Flavio op een boomstam voor het hospitaaltje. Ik vraag hem naar de resultaten van de guerrilla-actie.

‘Het gecoördineerde tactisch offensief was een kleine overwinning. In totaal zijn 9 vijandelijke elementen gedood en 12 gewond, terwijl wijzelf slechts één dode en 7 gewonden te betreuren hebben. Qua buitgemaakte wapens was het minder: slechts 8 automatische geweren. De militairen hadden zich verdomd goed ingegraven en hebben hun huid duur verkocht. Toen ze uiteindelijk op de vlucht sloegen, slaagden de meesten er nog in hun wapens mee te nemen.

Maar de actie was wél een propagandaoverwinning. Volgens de persberichten en onze eigen monitoring van de militaire communicaties is de legerleiding flink uit haar lood geslagen. Ze begrijpen niet hoe het NPA, dat volgens hen zwak staat in de provincie Albay, op vier plaatsen tegelijk zo efficiënt kon toeslaan.’

En hoe reageerden de inwoners van de aangevallen barrio, wil ik weten.

Ka Flavio glimlacht eens. ‘Die waren uiteraard in paniek door het geschiet. Maar op voorhand hadden we verschillende NPA-teams aangeduid om die reacties op te vangen. Ze probeerden de mensen te kalmeren en legden hen het doel van de aanval uit. Ze hadden de specifieke opdracht om de echtgenotes van CAFGU-leden op te zoeken. Ze vroegen hen hun man ertoe aan te zetten de cafgu te verlaten en een andere job te zoeken.’

Ka Flavio kadert het to in het geheel van het zomeroffensief van het NPA in Bicol: ‘Dat is zowel politiek als militair een succes geworden. Alleen al bij het regeringsleger vielen 37 doden en 34 gewonden, zonder de slachtoffers bij politie en cafgu te tellen. Vier militaire posten zijn nu vernietigd, en nog eens vier andere werden door het leger preventief teruggetrokken.

Wij doen hier dus aan een omgekeerde gradual constriction: het is het leger dat door onze acties gedwongen wordt zich geleidelijk samen te trekken in steeds grotere kampen, die aan de periferie van onze zone liggen. Zo krijgen wij opnieuw vrij spel en kunnen we in de dorpen waar we ons een paar jaar geleden moesten terugtrekken, de draad van ons politiek en organisatorisch werk weer opnemen.’

Naar huis

18 april. Nu onze patiënten het beter stellen heeft ook de medische staf tijd voor evaluaties. We bespreken ons medisch werk tijdens het to, het reilen en zeilen in het medisch kamp, de operaties en het postoperatief management van de patiënten en het geheel van mijn verblijf hier.

Want de tijd van afscheid nemen is gekomen. Ka Bong, Ka Maricel, Ka Necel: het doet me pijn deze fijne kameraden achter te laten, allicht voor altijd. Ka Elmo wordt emotioneel en laat mijn hand bijna niet meer los. Hoewel ik het hem niet heb verteld, vermoed ik dat hij weet dat ik hem bloed heb gegeven.

20 april. Na een bustocht van tien uur en een jeepneyrit door het van hitte zinderende Manilla stap ik af aan halte Broadway, dichtbij huis. Langs het smerige riviertje dat dienst doet als collectieve vuilnisbak ga ik met steeds snellere pas het straatje af. Vlug de hoek om, nog 100 meter, de oprit naar ons appartementje. Ik ben te opgewonden om mijn gewone thuiskom gefluit te laten horen en sla de klapdeur van muggengaas open. Oef, Rita en Yuri zitten rustig thuis en zien er opperbest uit.

Rita verwacht me. Er staat Magnolia-roomijs in de koelkast, de Flavor of the Month, en een paar frisse biertjes San Miguel. Een hele avond de tijd om mijn verhaal te doen, Rita’s belevenissen te aanhoren, de post door te nemen.

Debate N° 0

21 april. Bij de lectuur die Rita voor me heeft klaarliggen trekt een nieuw tijdschrift mijn bijzondere aandacht: Debate. Het is uitgegeven in Amsterdam door prominente linkse Filipino’s, zoals de politieke wetenschapper Joel Rocamora en de bevrijdingstheoloog Ed de la Torre. Het tijdschrift wil een forum bieden voor discussie binnen de linkse beweging. Ik stort me op dit nulnummer, want veel interessante politieke literatuur vind je hier niet.

De twee hoofdartikels gaan effectief in debat en wel met de analyse en strategie van de Filipijnse nationaal-democratische revolutie. Joel Rocamora schrijft over Revolutionaire Projecten in de Derde Wereld en het Einde van de Koude Oorlog. Hij begint met Gorbatsjov te prijzen, want ‘sinds de perestrojka kan de Sovjetunie weer in marxistische termen praten met progressieven uit de Derde Wereld’.

Met dit artikel wordt de draagwijdte van het pro-Gorbatsjov artikel in het CPP-tijdschrift Ang Bayan van een paar maand terug me duidelijker. Zoals de nieuwe ideologen van het kapitalisme lijken de auteurs te geloven in het einde van de geschiedenis, het einde van de ideologieën. Met ‘een minder almachtige Verenigde Staten’ en ‘tot rede gekomen - want minder stalinistische - derdewereldrevolutionairen’ zijn eerbare compromissen mogelijk: een onderhandelde oplossing van de conflicten moet leiden naar een maatschappij met een gemengde economie waar alle klassen, de bourgeoisie incluis, aan hun trekken komen...

Over een onderhandelde oplossing van het Filipijns conflict schrijft een zekere Omar Tupaz. Hij maant het ndf aan een strategie van vredesonderhandelingen uit te werken om zijn politieke objectieven te bekomen, want ‘wereldwijd is de trend er een van vredesonderhandelingen, niet van gewapende strijd’. Als voorbeelden vermeldt hij het fmln in El Salvador en het anc in Zuid-Afrika.

Zijn dat nu echt de na te volgen voorbeelden voor de Filipijnse beweging? Is Tupaz’ stelling niet eerder: ‘De trend is dat het imperialisme oppermachtig is, dus leg je er maar bij neer - en je wapens erbij’? Debat en discussie, allemaal goed en wel. Maar als ze gebruikt worden om verwarring te stichten en ontmoediging te preken, dan heb ik mijn twijfels over het nut en de bedoeling van dit nieuw tijdschrift.

Mara

11 juni. De geboorte van ons tweede kindje was op 6 juni berekend, maar pas vanmorgen heeft Rita haar vaginale slijmprop verloren, het eerste teken van de naderende arbeid. In de namiddag beginnen de weeën. Ik monitor de contracties, rustig en regelmatig, met nog grote tusseNPAuzen. Om 16.30 uur ga ik de vroedvrouw Merly bellen; een uurtje later staat ze daar. Ze is verwonderd dat ze ons buiten op de bank aantreft, kijkend naar Yuri die met zijn kornuiten aan het ravotten is. Binnen onderzoekt Merly Rita: al 6 cm opening, tijd om alles in gereedheid te brengen voor de bevalling. Ik breng een matras en enkele kussens naar de achterkamer, Rita maakt de mand voor baby in orde, Merly belt de gynaecologe. Ik help Rita douchen, en bij elke contractie - nu sterker en sterker - ademen we samen. Om 21 uur leg ik Yuri in bed. De jongen merkt dat er iets gaande is. Hij roept vanuit zijn bed, moet nog drinken, dan weer plassen. Om 21.45 uur vindt Rita dat ze toch best gaat liggen in de zetel. Ze heeft zich amper neergelegd of daar is de eerste perswee al. Gauw-gauw naar de achterkamer. Bij de volgende perswee breken de vliezen en zien we het hoofdje al. De doktora spreekt van knippen, maar Merly en ik protesteren. Nog één perswee, een flinke duw en het hoofdje is eruit, ’t Is een meisje: Mara!

Yuri is wakker geworden van het gebrul van kleine Mara. Hij klautert uit zijn bedje en wil de baby direct gaan troosten. Grote broer komt aandraven met een Duplo-brommertje en een beker fruitsap voor zijn zusje.

Apo Namalyari

16 juni. Als we opstaan is het net of er een woestijnstorm door ons huisje is getrokken. Alles ligt onder een laag heel fijn, grijs krijtstof, alsof iemand een reusachtige bordveger heeft uitgeklopt. De geboorte van Mara werd met een groot vuurwerk gevierd: na 600 jaar soezen is de vulkaan Mount Pinatubo ontwaakt en heeft hij vuur en as gebraakt. De berg ligt in Centraal-Luzon, zo’n 100 km ten noorden van de hoofdstad, maar een enorme aswolk is tot over Manilla gewaaid.

De Pinatubo is de heilige berg van de Aeta-volksstam. Hun god die er woont, Apo Namalyari, zou zijn opgeschrikt door de oefenvluchten van de Amerikaanse gevechtsvliegtuigen die opstijgen van de nabijgelegen luchtmachtbasis Clark. Vandaar zijn woede-uitbarsting.

Het contract waarmee Washington de militaire basissen op de Filipijnen huurt loopt af in september 1991. Hoewel in de nieuwe grondwet van 1987 staat dat op Filipijns grondgebied geen buitenlandse basissen meer zullen toegelaten worden, toont de regering Aquino zich bereid de Amerikanen respijt te geven. Maar de onderhandelingen verlopen moeizaam, want de VS is niet van plan met veel dollars over de brug te komen. Apo Namalyari beslist er anders over: Clark Air Base wordt ontruimd.

De VS hebben nooit toegegeven noch ontkend dat er nucleaire wapens liggen opgeslagen op hun Filipijnse basissen. Maar volgens de Britse krant The Guardian werd na de vulkaanuitbarsting op Clark nucleair alarm geslagen. In ijltempo verliet een rij geheimzinnige vrachtwagens met opleggers de basis. Om atoomwapens in veiligheid te brengen? De 15.000 VS-militairen en hun families, katten en honden inbegrepen, werden snel geëvacueerd. De Filipino’s die op de basis werkten kregen alleen een laconiek berichtje dat ze die dag niet naar het werk hoefden te komen.

De streek rondom de Mount Pinatubo is zwaar getroffen. De eerste schattingen spreken van meer dan 200 doden, 180.000 vluchtelingen en voor miljarden frank schade. Op initiatief van de Council for Health and Development treedt de Samahang Operasyong Sagip weer in actie, de gezamenlijke reddingsoperatie. Er worden medische missies georganiseerd naar het rampgebied.

Inleefbezoeken

Juli-augustus. Zomervakantie in België, dan krijgen we bezoekers over de vloer. Daar kijken we elk jaar naar uit, want die hebben natuurlijk heel wat post en pakjes voor ons bij (Cóte d’Or!). Van onze kant kunnen we ook post en cadeautjes met hen meegeven. En we kunnen bijkletsen over België, het solidariteitswerk, gemeenschappelijke vrienden.

Meestal gaat het niet om doodgewone toeristen, maar om Filipijnenreizigers die hier op exposure komen. Dat betekent dat ze ervoor kiezen ‘zichzelf bloot te stellen’ aan de sociale realiteit van het land, aan de dagelijkse leef- en werksituatie van de arme Filipino’s, aan het lijden en strijden van het volk. Op die manier verwerven ze inzicht in de mechanismen van uitbuiting en onderdrukking. Ze ondervinden aan den lijve hoe de Filipino’s daarmee omgaan, hoe ze zich organiseren, hoe ze opkomen voor hun rechten.

Zo’n inleefbezoek kan verschillende vormen aannemen: algemeen of toegespitst op een bepaalde sector (arbeiders, boeren, gezondheidszorg, vrouwen), een korte onderdompeling of een langere integratie, observerend of participatief. Maar vast staat dat een inleefbezoek niet vrijblijvend kan zijn. Het moet resulteren in het opnemen of verdiepen van een concreet engagement voor het Filipijnse volk. Het kransje bezoekers dat hier dit jaar de revue passeert is een goede staalkaart.

Kurt, Greet, Sabine en Roland zijn gezondheidswerkers op inleefreis met Geneeskunde voor de Derde Wereld. Ze komen niet alleen om projecten van basisgezondheidszorg te leren kennen, maar overnachten ook in een sloppenwijk en nemen deel aan een onderzoeksmissie naar schendingen van de mensenrechten. Ze gaan helpen in evacuatiecentra bij de Pinatubo en doen een mini-research naar verkeerd gebruik van geneesmiddelen. Terug in België zullen ze info-avonden geven in hun parochie, jeugdbeweging en werkkring, voor familie en vrienden. Ze gaan zich ook inzetten voor de Filipijnse gezondheidsprojecten die op de 11.11.11 -campagnelijst staan.

Anita, Geert, Mark, Pol 1 en Pol 2 zijn van de Katholieke Arbeidersjeugd in het Waasland. De KAJ werkt twee jaar lang rond de Filipijnen, onder andere via een uitwisseling met haar Filipijnse zusterorganisatie, de Young Christian Workers (YCW). Voor elk van hun gastheren/-vrouwen hier hebben de KAJ’ers een origineel cadeau bij: een kleurige T-shirt van een antiracistisch muziekfestival, geschonken door een Vlaamse KAJ-militant. Er zit een adres bij, wat de mogelijkheid biedt voor persoonlijke correspondentie. Om de Filipijnse situatie in België visueel te kunnen voorstellen, zeulen de KAJ’ers een grote mand vol Filipijnse spullen mee. Daarin zit zelfs een houten bakje van een straatventer, compleet met tientallen pakjes sigaretten en wisselgeld.

Koen is hier voor de tweede keer. Hij is reeds jaren actief in het solidariteitswerk met de Filipijnse volksbeweging. Geen betere manier om de batterijen weer op te laden dan een hernieuwde confrontatie met armoede en onrecht en vooral met de strijdlust van de volksorganisaties.

Veiligheidsperikelen

30 juli. Drie partijkaders die regelmatig met Lean samenwerken zijn aangehouden! Vlug doe ik grote opkuis in mijn papieren en tijdschriften. Gelukkig vertrekt overmorgen net een groepje inleefbezoekers. Met hen kunnen we al ons ondergronds materiaal meegeven voor Hilde Vanobberghen, de enige in België die op de hoogte is van onze UG contacten. Hopelijk blijft de schade beperkt en geraken noch Lean noch wijzelf in moelijkheden.

6 augustus. Nu is ook Romulo Kintanar, de stafchef van het NPA, gearresteerd, terwijl hij op consultatie ging bij een oogarts in het Makati Medical Center, het grootste privé-hospitaal van Manilla. Waarom lopen zulke hoge kaders toch in Manilla rond? Ze zouden toch veiliger zitten in een guerrillakamp. En hoe komt het dat ze zich zo gemakkelijk laten klissen?

Als stafchef is Kintanar de directe overste van Leans Medische Sectie. Paniek dus. Ella komt ons echter geruststellen dat Lean safe is. Ik schrijf naar Hilde:

‘Van het ndf in Utrecht heb je waarschijnlijk al meer vernomen over de ernstige veiligheidsproblemen hier. Lean heeft zich goed kunnen wegsteken, maar voor het medisch werk bij het NPA is het een ramp. De Medische Sectie moet zijn activiteiten noodgedwongen bevriezen. Net nu ik nog eens wou deelnemen aan een vormingscursus kan die niet doorgaan. Ik loop lichtjes gespannen rond. Niet plezierig, maar het hoort er nu eenmaal bij.’

Bases out

16 september. Vandaag loopt het verdrag af dat het verblijf van de Amerikaanse militaire basissen op de Filipijnen regelt. Na het onverwacht vertrek van de Amerikanen uit Clark Air Base stemde president Aquino zonder tegenpruttelen in met het laatste voorstel van Washington: een nieuw verdrag van tien jaar voor de zeemachtbasis Subic, aan het soldenprijsje van 203 miljoen dollar per jaar.

De essentie van dat akkoord wordt prachtig in beeld gebracht door de handdruk van de twee hoofdonderhandelaars, minister van Buitenlandse Zaken Manglapus voor de Filipijnen en speciaal gezant Armitage voor de Verenigde Staten. Manglapus: een ineengekrompen mannetje met een ouderwetse bros, die onzeker zijn hand uitsteekt naar Armitage en nauwelijks durft opkijken. Armitage: kop en schouders boven Manglapus torenend, met een brede Colgate-smile en zware ringen aan de vingers van zijn reuzenklauw, die Manglapus’ handje grondig en met zichtbaar genoegen tot moes knijpt. Knecht en meester.

De volksbeweging heeft jarenlang actie gevoerd tegen de Amerikaanse basissen, hét symbool van het VS-imperialisme. Dit jaar werd een Internationaal Vredesfestival gehouden, met 140 afgevaardigden uit 40 landen. Er waren tientallen prikacties aan de Amerikaanse basissen en twee grote betogingen in Manilla.

Vandaag zijn 30.000 betogers op de been, ondanks de gutsende regen. Ik ga er met onze bezoeker Koen naartoe. Herinneringen aan de reusachtige Europese vredesbetogingen van weleer, met een uitgelaten, ludieke sfeer. De verwachting is dat de Filipijnse senaat, onder druk van de volksbeweging, vandaag zal weigeren het nieuwe verdrag te ratificeren. Als dat in de late namiddag ook gebeurt, barst op straat de feestvreugde los. ‘Bases out’ , klinkt het overal juichend.

De lijdensweg van Ina Dao-wan

12 oktober. Onze katulong Mercy is bijna twee weken weggeweest omdat haar moeder ziek was. Vandaag is ze weer opgedoken. Voor ze naar huis gaat stopt ze ons een brief in handen:

‘Ate (grote zus) Rita en Kuya (grote broer) Bert,

Wij bezorgen u deze brief om u mee te delen hoe het onze moeder is vergaan. Op 30 september ontvingen we nieuws van onze oom Cresenciano Culangan dat zijn zuster, Ina Damiana C. Dao-Wan, in een zeer ernstige gezondheidstoestand verkeerde. Volgens hem had Ina (Mama) al drie weken niet meer gegeten, zelfs vloeibaar voedsel of water kon ze nauwelijks innemen.

De mensen verwachtten dat ze gauw zou sterven, en daarom vroeg nonkel Ciano ons om naar de provincie terug te keren of iemand te sturen om te helpen bij de financiële problemen. Dezelfde dag nog besloten we te gaan, in de hoop Ina nog levend te zien. We namen de nachtbus naar Bangued, in de provincie Abra (in de noordelijke bergketen, de Cordillera).

Op 1 oktober bereikten we Bangued en in de namiddag het dorp Malibcong. Daar overnachtten we, omdat we moe waren van vijf uur door de regen te stappen.

Op 2 oktober om 6 uur ’s morgens vertrokken we richting Bangilo, waar we rond 11.30 uur toekwamen. Onze moeder zag er ziek en mager uit. Onze broers en zussen dachten dat Ina het niet lang meer zou uithouden. Haar baxter was al opgebruikt. We probeerden kokosnootsap te gebruiken als alternatief, maar omdat Ina er veel pijn van had besloten we er niet mee door te gaan.

Op dat moment reageerde Ina niet goed en kon ze de mensen rondom haar niet meer onderscheiden. We baden tezamen en zeiden tegen mekaar dat we op alles moesten voorbereid zijn.

Een paar dagen later besloten we Ina naar het hospitaal te brengen, of ze ^ de reis zou overleven of niet. We zonden een boodschapper naar de parochiepriester met het verzoek om voor 6 oktober een jeepney te voorzien om Ina naar het hospitaal te voeren.

Onder de broers en zussen was er heel wat discussie over deze beslissing, vooral dan over de financiële kant van de hospitalisatie. De mensen van het dorp hebben zo al zorgen genoeg: hun dagelijks voedsel, ziekten in de gemeenschap en de aanwezigheid van de militairen.

Tn de streek waren er voortdurend militaire operaties, zeker sinds een week eerder een gewapend treffen had plaatsgevonden tussen het regeringsleger en het Nieuwe Volksleger. Daarom hadden sommigen schrik om de zieke naar de plaats te brengen waar de jeepney zou staan te wachten, want onderweg kan je aan de controleposten van het leger ondervraagd worden. De soldaten zouden je ervan kunnen verdenken te sympathiseren met de communisten.

Op 6 oktober om 4 uur ’s morgens vertrokken we met Ina. Ondanks de pijn en de ontberingen, omdat we ons zo moesten haasten over bergachtig terrein, slaagden we erin op tijd de wachtende jeepney te bereiken.

Rond 18 uur bereikten we het hospitaal van Bangued. Ina werd niet onmiddellijk voor opname aanvaard. We panikeerden, want ze reageerde op niets meer. Maar na een tijdje werd ze toch opgenomen en gaf men haar zuurstof en een baxter. Ze kreeg ook een bloedtransfusie. Zo verbeterde de toestand van Ina.

Met deze brief willen we melden dat we met een groot probleem zitten. Niet meer met onze moeder maar met de hospitaalrekening, die op dit moment (na een week) al 7.925 peso bedraagt. Daarom vragen we uw steun om ons te helpen deze verantwoordelijkheid te dragen. Om eerlijk te zijn, ons geld is juist voldoende voor ons eten en de huishuur, vermits we ook al zoveel uitgaven voor de reis naar de provincie.

We hopen dat u met ons zal zijn in onze strijd voor het leven. We danken u bij voorbaat voor uw steun.

Hartelijke groeten,

Mercy’

Rita en ik besluiten een gedeelte van de hospitaalrekening op ons te nemen. We betalen Mercy twee maand loon op voorhand uit, en publiceren haar brief met steunoproep in onze nieuwsbrief.

Debate N°1

We krijgen een nieuw nummer van Debate in handen. Omar Tupaz, weer hij, schrijft een nieuwe Revolutionaire Strategie voor de Jaren Negentig voor. Hij wil de strategie van de langdurige volksoorlog op het platteland vaarwel zeggen omdat die... te lang duurt. In de plaats stelt Tupaz een ‘binnenweg naar de overwinning’ voor door middel van een volksopstand in de steden naar Nicaraguaans voorbeeld.

Maar wat is er geworden van de Nicaraguaanse revolutie? De Sandinisten hebben ingestemd met verkiezingen onder druk en op de voorwaarden van de vs, verkiezingen die ze verloren van Violeta Chamorro, de door de VS zwaar gesponsorde kandidaat. In de laatste jaren van hun bewind voerden de Sandinisten een structurele aanpassing van de Nicaraguaanse economie door volgens neoliberaal recept. Dat kwam neer op het afbouwen van de verworvenheden van de revolutie. Het is duidelijk dat de Sandinistische ‘binnenweg’ niet heeft geleid tot een duurzaam en progressief maatschappijmodel.

Tupaz’ schrijfsels en Leans opmerking dat er in de beweging heftig gediscussieerd wordt over de te volgen strategie, doen een belletje bij me rinkelen. Paste de algemene staking van eind vorig jaar, de welgang bayan waarbij passagiersbussen in de fik werden gestoken, misschien in het strategisch concept van de volksopstand in de steden?

Tupaz beweert verder dat de legale massabeweging evenveel politieke invloed en impact kan hebben als de gewapende strijd. Niet logisch dat hij zoiets schrijft in een periode waarin de volksbeweging in de steden heel wat minder sterk staat dan pakweg vijf jaar terug. De paar militante betogingen tegen de olieprijsverhogingen zijn zonder tastbaar resultaat gebleven. De welgang bayan heeft geen vervolg gekregen. De legale boerenbeweging moet voorlopig de wet van de sterkste ondergaan, die van de grootgrondbezitter.

De verhevigde counterinsurgency van het regeringsleger is een aanduiding dat het regime drommels goed weet uit welke hoek het meeste gevaar dreigt, namelijk uit de bergen, waar het NPA het volk organiseert en bewapent en niet uit de steden, waar betogingen en stakingen met politierepressie en schendingen van de mensenrechten in bedwang worden gehouden.

Ik moet terugdenken aan Chili. Het socialistisch experiment van Allende werd door velen bewonderd, maar het werd wél in bloed gesmoord. Toen ik tien jaar nadien in Chili was had de volksbeweging zich nog steeds niet van die klap hersteld. Ik moet ook denken aan buurland Indonesië, waar in 1965 een opstandsstrategie van een grotendeels ongewapende revolutionaire beweging tot een afgrijselijk bloedbad leidde. Tussen 500.000 en 1 miljoen boeren en intellectuelen werden afgeslacht op verdenking van communistische sympathieën.

Omar Tupaz vindt dat de guerrilla niet MAG streven naar een ‘totale overwinning’. Dat is niet haalbaar, niet realistisch, zegt hij. Maar is een ‘gedeeltelijke overwinning’ van de uitgebuiten en onderdrukten op hun uitbuiters en onderdrukkers dan realistisch? Hoe kan het volk zich ‘gedeeltelijk’ bevrijden van zijn ketenen? En moet het vrede nemen met een halve oplossing voor zijn miserie? Ik wind me op over die salonrevolutionairen, die met lange artikels en in zwierige bewoordingen de revolutie proberen op te doeken. Op het terrein ervaar ik hoe het precies de gewapende revolutie is die voor het eerst aan miljoenen arme boeren concrete lotsverbetering en een zinvol toekomstperspectief biedt.

Het jaar loopt naar zijn einde, tijd om het met Rita eens over onze toekomst te hebben. We hebben juist met de CHD en Bevrijde Wereld een nieuw tweejarig contract als NGO-coöperant ondertekend, tot eind 1993; dan denken we ermee op te houden op de Filipijnen. Zes jaar is een hele tijd. Ikzelf kan me elders qua job en politiek werk moeilijk verbeteren, maar voor Rita is het niet helemaal geworden wat ze verhoopt had. Ze zit vast in Manilla, moet veel bureauwerk doen en krijgt qua politieke ervaringen niet de kansen die ik heb, met mijn tochtjes naar guerrillagebied. Met de kleine Mara bij zich heeft Rita zich het laatste half jaar niet erg nuttig kunnen maken voor de CHD. Op kantoor is geen kinderopvang, en elke dag met een baby door de smog van Manilla vinden we niet verantwoord, zodat Rita veel thuis werkt.

6. 1992 - ‘Welke liefde is er groter...’  - Inhoud

Panay

18 februari 1992. Op de kleine luchthaven van Kalibo, op de noordkust van het eiland Panay, stapt een uitgelaten ploeg van 35 gezondheidswerkers uit het vliegtuig: de Council for Health and Development op missie! Naast de staf van de CHD zijn er een vijftal chirurgen, twee anesthesisten, twee tandartsen en een stuk of wat studenten geneeskunde en verpleegkunde bij. Gedurende vijf dagen zal deze ploeg in en om het dorpje Naile consultaties houden en ingrepen verrichten.

De missie is een initiatief van Father Marlon, de parochiepriester van Naile. Via het netwerk van christelijke basisgemeenschappen had hij over de CHD gehoord. Hij wil nu in zijn parochie met een Community-Based Health Program beginnen. Om het een vliegende start te geven en meteen tegemoet te komen aan de meest acute gezondheidsnoden van zijn parochianen, vroeg hij de CHD om een medische missie op touw te zetten.

Als het niet om noodhulp gaat heb ik mijn vragen bij het concept van zo’n medische missie. Een artificiële transplantatie van gezondheidswerkers van buitenuit, in plaats van te vertrekken vanuit de eigen gemeenschap. Ineens specialisten met hun gemedicaliseerde aanpak en hoge technologie, in plaats van de dorpsgezondheidswerkers centraal te stellen, met eenvoudige middelen en oog voor de sociaal-politieke context. Medische mirakels die uit de hemel vallen, maar de week erop moeten de mensen terugvallen op de ontoereikende openbare gezondheidszorg of op onbetaalbare privé-geneeskunde.

Maar wie ben ik om de inwoners van het afgelegen Naile deze uitzonderlijke kans te ontzeggen om eindelijk die liesbreuk of goiter te laten opereren, om met een zalfje toch voor een paar maand verlost te zijn van schimmelinfecties, om die bloeddruk eens te laten checken waarover de radio het zo dikwijls heeft.

Positief is zeker dat deze activiteit wordt gezien als stimulans om een project van basisgezondheidszorg op te zetten. Het is ook een manier om dokters en studenten uit Manilla even weg te trekken uit hun kunstmatig en comfortabel bestaan en hen onder te dompelen in het leven van de Filipino’s op het platteland.

En wie weet kunnen de kasama’s van het NPA in al hun creativiteit niets verzinnen om een graantje mee te pikken van deze medische missie. Het zou me niet verwonderen dat er onder de patiënten NPA’ers zitten die zich laten verzorgen en wat broodnodige geneesmiddelen meekrijgen.

Met twee volgeladen jeepneys rijden we naar Naile. Het dorpje ligt aan de overkant van een ondiepe stroom, die we op een wankel vlot oversteken.

22 februari. Opdracht volbracht. Het was een ware volkstoeloop van mensen, waarvan velen nog nooit een dokter gezien hadden. We waren in drie teams opgesplitst. Het eerste team vormde het hoofdkwartier in Naile. De parochiekerk werd ingericht als kliniekje, met artsen, tandartsen en laboranten. Het tweede team trok verder naar Aparicio, twee uur stappen landinwaarts. Het derde team verzorgde de chirurgie in het districtshospitaal van Ibajay, het dichtstbijgelegen stadje.

Na een dag consultaties in Naile werd ik aan het chirurgisch team toegevoegd. Elke dag opereren tot 9 of 10 uur ’s avonds, en ’s morgens om 5 uur wakker door de kapelklok. Eén keertje zelfs om halfvijf, toen een bende kaalgeschoren en grimmig uitziende cafgu’s zingend en roepend door het dorp kwamen gejogd.

Als bedankje trakteert Father Marlon ons op een uitstapje naar Boracay. Op dit eilandje voor de kust van Panay vind je het summum van tropische stranden. De lekenhelpers van de parochie hebben voor ons een barbecue klaargestoomd. Daarna begeven we ons onder leiding van de Father naar de Beachcomber, een grote openluchtdiscotheek. Een goeie fuif is jaren geleden, ik voel onweerstaanbare kriebels en bij de eerste tonen van Bob Marley haast ik me uit mijn schoenen en storm de dansvloer op.

In de verkiezingscampagne

23 februari. Op de terugweg is er even oponthoud op de luchthaven van Kalibo. Naast ons op de tarmac staat het presidentieel vliegtuig. Cory Aquino arriveert in Panay om haar kandidaten voor de verkiezingen een steuntje in de rug te geven.

Reeds maanden zijn alle ogen gericht op de verkiezingen van 8 mei 1992, de grootste uit de Filipijnse geschiedenis: voor president, parlement, provincie en gemeente. Het merendeel van de kandidaten zijn echte trapo’s. Trapo is de samentrekking van traditional politician, maar betekent in het Spaans ook vod, vrij te vertalen als smeerlap. Die politici hebben immers alleen hun persoonlijke verrijking voor ogen, wat ze bereiken door politiek geknoei en corruptie.

De 3-4 grote partijen zijn in niets van mekaar te onderscheiden. Een sociaal wetenschapper deed eens een vergelijkend onderzoek naar de partijprogramma’s. Hij stootte echter op een probleem: de regeringspartij, de ldp, bleek namelijk geen programma te hebben. Opportunisme en machtsgeilheid maken dat veel kandidaten balimbing zijn. De balimbing is een Filipijnse vrucht die in de loop van de seizoenen van kleur verandert, dus iemand die van partij wisselt zoals van ondergoed.

De enkele kandidaten die niet tot de trapo’s gerekend worden zijn al even kleurrijk: filmsterren, presentators van TV-shows, een bekende kokkin, de puriteinse hoofdcensor van film en tv, het hoofd van de dienst vulkanologie (populair geworden dankzij de Pinatubo), de moeder van het slachtoffer van een beroemde moord, enz. En Imelda Marcos, de weduwe van de ex-dictator.

Voor onze nieuwsbrief schrijft Rita een stukje, gebaseerd op een krantenartikel:

‘Kardo is een 40-jarige werkloze sloppenwijkbewoner, voor wie het leven nooit veel te bieden heeft gehad. Maar dat is nu veranderd. Tot de verkiezingen van 8 mei hoeft Kardo zich nergens meer zorgen over te maken. Hij heeft een job, en niet eens een zware. Hij moet niets anders doen dan urenlang rechtstaan en op bevel juichen en applaudisseren.

Kardo is lid van de huurlingenbrigade, de ingehuurde fanclub van een rijke verkiezingskandidaat. Voor elke verkiezingsmeeting moeten hij en zijn maats deftige kleren aantrekken en als het even kan een paar schoenen. Rond drie uur ’s namiddags worden ze opgepikt en naar de plaats van de meeting gebracht. Ze mengen zich ongemerkt onder het publiek, en zo gauw hun kandidaat het podium opstapt beginnen ze te roepen en te klappen.

"Voor een avond krijg ik 100 peso", glundert Kardo. Zijn baantje is maar goed voor drie maand, maar snuggere Kardo heeft zich daarop voorzien. Hij speelt supporter bij drie verschillende kandidaten. "Dit is de enige keer dat we van de politici iets kunnen loskrijgen", weet hij.’ De analyse van Reaffirm

April-mei-juni. Tijdens onze tweejaarljkse vakantie in België wonen Rita en ik met Yuri en Mara weer in bij Hilde Vanobberghen. Ze is nu huisarts in de groepspraktijk van Geneeskunde voor het Volk in Mechelen. Naast haar medische praktijk is ze actiever dan ooit in de derdewereldbeweging. Ze heeft zich opgeworpen tot de spil van het Filipijnen-solidariteitswerk in België en zelfs in Europa.

Maar het debat in de Filipijnse nationaal-democratische beweging heeft lelijk huis gehouden in Europese solidariteitsmiddens. De meeste groepen waar ik twee jaar geleden nog ben gaan spreken zijn in crisis. Ze zijn meegedraaid met de nieuwe wind die illusies liet waaien over verkiezingen, vredesonderhandelingen en socialistische vernieuwing a la Gorbatsjov en nu nemen ze afstand van de koerscorrectie die de Filipijnse Communistische Partij voorbereidt.

Daarover hebben ze kunnen lezen in een eerste versie van Reaffirm Our Basic Principles and Rectify Errors (Herbevestig onze basisprincipes en zet de fouten recht), geschreven door partijvoorzitter Armando Liwanag. Dit intern document van de CPP zal besproken worden op het Tiende Plenum van haar Centraal Comité later dit jaar. Maar dissidenten hebben het al verspreid, zowel in Manilla als in Europa, en maken er enorm misbaar over. Op het NDF-kantoor in Utrecht krijgen we een kopie van Reaffirm, want we moeten nu toch ook weten waarover de discussie gaat.

Het document stelt dat in de loop van de jaren ’80 in de Filipijnse Communistische Partij in toenemende mate fouten zijn gemaakt op politiek, ideologisch en organisatorisch vlak en die hebben de beweging ernstige schade toegebracht.

De ergste fout is de idee dat een snelle overwinning van de revolutie kan geforceerd worden door een gewapende opstand in de steden, gecombineerd met acties van grote guerrillaformaties met zware wapens. Hierdoor werd het accent verschoven van organisatiewerk en kleine guerrillateams aan de basis, naar grote militaire eenheden en staforganen aan de top; van voornamelijk politiek werk naar bijna puur militair werk; en van het platteland naar de stad.

Dit maakte de guerrillafronten kwetsbaar voor de counterinsurgency-operaties van het regeringsleger. In Mindanao, waar met deze strategie werd begonnen, leed het NPA vanaf ’ 85 meer en meer nederlagen. Die werden verkeerdelijk toegeschreven aan infilttatie van vijandelijke agenten in eigen rangen, deep penetrating agents of dpa’s. Met de bedoeling de beweging van dpa’s te zuiveren volgde een hysterische overreactie. Zonder eerlijk proces en op basis van onterechte of gefabriceerde beschuldigingen werden honderden kasama’s het slachtoffer.

In dezelfde periode waren er ook rechtse fouten, zoals het standpunt dat de Sovjetunie en haar bondgenoten konden en moesten te vriend gemaakt worden, met het doel internationale diplomatieke erkenning en zware wapens te krijgen. De vroegere kritiek van de CPP op de revisionistische ontaarding in de Sovjetunie sinds Chroesjtsjov werd ingeslikt.

Enkele hoge CPP-kaders legden ook te veel nadruk op de fout die de beweging maakte door de presidentsverkiezingen van 1986 te boycotten, toen Cory Aquino het opnam tegen dictator Marcos. Deze kaders vonden dat de beweging toen front moest vormen met de burgerlijke oppositie rond Aquino en na haar overwinning in een coalitieregering moest stappen. Zij pleitten ook voor meer aandacht voor vredesonderhandelingen en verkiezingen, ten nadele van de gewapende strijd.

De artikels in Debate, de discussies met Ka Lean, de uitleg van Ka Flavio hadden me al duidelijk gemaakt dat er een en ander misliep in de beweging. Maar het gevolg van de indrukwekkende reeks fouten die Reaffirm analyseert komt over als een donderslag bij heldere hemel: de massabasis van de beweging is gekrompen tot het niveau van 1983-1984! Wij die dachten in de Filipijnen de overwinning van de bevrijdingsstrijd te zullen smaken, zijn in tegendeel getuige geweest van haar achteruitgang, zonder dat we er erg in hadden!.

Reaffirm stelt dat die neergaande trend maar kan omgebogen worden door consequent terug te grijpen naar de basisprincipes van de Filipijnse revolutie: de analyse van de Filipijnse maatschappij als semikoloniaal en semifeodaal; het nationaal-democratisch karakter van de revolutie; de strategie van de langdurige volksoorlog; de leidende rol van de arbeidersklasse en haar partij, de CPP; de kritiek op het revisionisme, dat in het Oostblok geleid heeft tot het herstel van het kapitalisme.

Op het internationaal kantoor van het ndf in Utrecht acht men het raadzamer de afloop van het debat af te wachten alvorens opnieuw te investeren in intensief solidariteitswerk voor het NPA in Europa. Ik concentreer me daarom op een paar pilootprojecten.

Ik vlieg naar Oslo om orthopedisch chirurg Hans Husum op te zoeken. Hans heeft een jarenlange ervaring als oorlogschirurg in Afghanistan en Libanon en hij is ook op de Filipijnen geweest. Hij werkt aan een standaardboek over traumachirurgie en ik pols er hem over of hij niet wat van zijn kennis en ervaring wil overbrengen op de medics van het NPA.

Op de luchthaven van Oslo word ik door de politie apart genomen, de enige van alle passagiers. Mijn bagage wordt ondersteboven gekeerd, een agent bladert ijverig door al mijn papieren en brochures en ze moeten per se weten wie ik kom bezoeken in Noorwegen. Dit kan nauwelijks toeval zijn. Ik verbaas me erover hoe efficiënt het internationaal politieapparaat functioneert. Voorzichtiger zijn in het vervolg, Bert-Miguel-Peter!

Ramos for President

We volgen de Filipijnse verkiezingen vanuit België. Even zijn de Filipijnen weer in het nieuws, en ik word gevraagd voor interviews op de BRTN-radio en het BRTN-TV-journaal.

Met amper 24% van de uitgebrachte stemmen wordt Fidel Ramos president. Een tragikomisch gedoe, die verkiezingen. Tragisch omdat de Filipijnse kiezer een figuur aan de macht brengt waar niets goeds van kan komen. Een ex-generaal als president bevestigt immers de trend van voortschrijdende militarisering van het regime. Zijn opleiding kreeg Ramos in de Amerikaanse militaire academie van West Point en als hoofd van de gevreesde Philippine Constabulary - de rijkswacht - was hij de belangrijkste uitvoerder van Marcos’ bloedige staat van beleg.

Komisch was het theaterstukje van de grote verliezer, Miriam Defensor. Ze beweerde dat ze door fraude van de winst was afgehouden - wat best mogelijk is - en ging uit protest in hongerstaking, ‘in navolging van Gandhi’. Maar het was dan wel een hongerstaking in een luxueuze hospitaal-suite, aan een baxter vol vitaminen en met liters gesuikerde thee. Na drie dagen staakte ze haar actie.

De Filipino’s hebben ook massaal filmsterren, komieken, TV-personaliteiten en sportvedetten in de Kamer en de Senaat gestemd, want in een circus verkies je toch de echte clowns boven hun politieke imitatie?

Als toerist in Manilla

4 juli. Problemen op de luchthaven van Manilla: de douane wil baby Mara niet bij inschrijven op mijn of Rita’s visum. Ze MAG haar geboorteland alleen in als... toerist, met een visum voor 21 dagen! Dat moet snel in orde worden gebracht of Mara De Belder wordt een illegal alien, een illegale vreemdeling, waarschuwt de douanebeambte. Het arme wicht zal een medisch onderzoek en een aidstest moeten ondergaan en moet in drievoud haar vingerafdrukken afleveren. Van een handtekening en een psychologisch onderzoek wordt ons eenjarig dochtertje op het nippertje vrijgesteld.

In ons appartement hebben vrienden van de CHD gewoond en we vinden het netjes in orde weer. Maar onze katulong Mercy heeft een job gevonden als telefoniste in een parochie. Haar jongere zus Celia zal haar vervangen.

10 juli. De aanpassing verloopt deze keer minder vlot. De hitte en de drukte van Manilla en het tijdsverschil van 7 uur spelen ons parten. Yuri en Mara hebben last van jeukende hitte-uitslag. Gelukkig is deze week het regenseizoen begonnen, waardoor de temperatuur een paar graden zakt.

Yuri gaat dapper weer naar school, uitgerust met pet, rugzakje en kinderparaplu. In Rita’s job is een grote verandering ingetreden. Met de CHD is overeengekomen dat ze kan werken voor de Commissie Vrouwen en Gezondheid van gabriela. Het kantoor is slechts een korte jeepneyrit van huis en heeft kinderopvang voor onze Mara. En het werk van die Commissie, de link leggen tussen basisgezondheidszorg en vrouwenproblematiek, is helemaal iets voor Rita.

Naar Lacub

20 juli. Rita’s zus Hilde is weer op bezoek. Ze komt met een opdracht van het Steunfonds Derde Wereld om een tussentijdse evaluatie te maken van het gezondheidsproject in Lacub, dat door het Steunfonds gefinancierd wordt. Ik besluit Hilde te vergezellen. Lacub ligt in Noord-Luzon, vlak naast het dorp waarvan Mercy en Celia afkomstig zijn.

De medische vorming binnen het Lacub-project wordt verzorgd door Chestcore, een ngo die deel uitmaakt van de CHD. Met ABBy, Gigi en Boy, drie stafleden van Chestcore, gaan we op weg. De bus doet er tien uur over naar de provinciehoofdplaats Bangued. Da’s twee uur langer dan voorzien, omdat alle verkeer wordt omgeleid rond de Pinatubo-streek, die weer geteisterd is door lahar (vulkanische modder) en overstromingen.

21 juli. In Bangued leggen we een beleefdheidsbezoekje af bij de vice-burgemeester van Lacub, een vadsige kerel in shorts, T-shirt en sleffers. Op tafel staan drie lege bierflesjes en hij laat meteen een nieuwe voorraad aanrukken. Het hele regenseizoen lang, zeven maanden per jaar, ruilt deze man zijn modderdorp voor het comfort van de stad.

Hij steekt een klaagzang af: ‘In Lacub hebben we geen elektriciteit. Er is geen openbare school en in de enige privé-school wordt 1.000 peso inschrijvingsgeld gevraagd. Dat kunnen veel boeren van Lacub niet ophoesten. Een kleine gezondheidspost is er wel, met een vroedvrouw, maar door gebrek aan geneesmiddelen houdt ze haar zaakje de helft van de tijd gesloten.’ De vice-burgemeester lijkt zich echter niet bepaald uit te sloven om enige verbetering te brengen in deze toestand.

We huren een jeepney voor een Camel Trophy-rit van drie uur. De weg, officieel een provinciale weg, heeft nooit asfalt gezien. De fondsen hiervoor zijn in de zakken van corrupte politici verdwenen. Alleen jeeps met de motor van een vrachtwagen en met zware kettingen om de achterwielen geraken over de diepe putten, grote stenen en beslijkte hellingen, om ten slotte te stranden voor een brede rivier, waar de betonnen brug het al jaren geleden heeft begeven.

We moeten de sterk gezwollen stroom tot op borsthoogte doorwaden, en trekken dan te voet verder. Het gaat nu steil bergop en bergaf langs modderwegeltjes, verdomd lastig. Het regent zonder ophouden, we worden kletsnat. Maar onze inspanningen worden ruimschoots beloond door het mooie landschap: groene heuvels met daartussen mozaïeken van geïrrigeerde rijstterrassen. Deze architecturale meesterwerkjes worden al generaties lang door de inheemse bevolking in stand gehouden.

Het is voorbij zessen en al schemerdonker als we Lacub bereiken. De dorpskern wemelt van militairen. Dan toch een overheidsinstelling die Lacub niet links laat liggen! ABBy kent haar wereld en lacht eens vriendelijk naar de soldaten.

Het verhaal van Manang Minda

Boy, die het project in Lacub superviseert, brengt ons haar het huis van Manang Minda. Dit pezig vrouwtje van een jaar of 50 is een van de leidende gezondheidswerkers in het project. Bij een dampende schotel rijst met sardientjes verklaart ze ons het waarom van de militaire aanwezigheid in Lacub:

‘Twee weken geleden stootte een legerpatrouille in de omgeving van het dorp op een groepje NPA’ers. De militairen openden het vuur, maar ze kregen lik op stuk. Een soldaat werd gedood. De militairen dwongen dan een dorpeling om de achtergebleven rugzak van de gedode soldaat te gaan ophalen. De arme man durfde niet weigeren, maar toen hij de rugzak ging halen werd hij op zijn beurt doodgeschoten door de militairen.’

Minda zwijgt even en zucht dan: ‘Dat is hoe de soldaten hier te werk gaan. En sinds die dag houden ze zich in het dorp op.’

Hilde en ik zijn geschokt door Minda’s verhaal. Onze Filipijnse vrienden lijken er makkelijker overheen te kunnen. Zijn ze misschien meer gewoon of moet die uiterlijke onbewogenheid hun innerlijke gevoelens verbergen? We praten met ABBy over deze laffe daad van de soldaten. Wilden ze wraak nemen voor de dood van hun collega? Was het een poging om het NPA te kunnen beschuldigen van het doden van burgers? Of moesten ze aan hun oversten kunnen melden ‘one ct down', één ‘communistische terrorist’ minder? Wat er ook van zij, voorvallen als dit kunnen de haat voor de militairen en het vuur van de opstand alleen maar aanwakkeren.

Een gemeenschapsproject

22 juli. Na het ontbijt bezoeken we de projectsite. Hier zal een kliniekje worden opgezet, beheerd door de dorpsgezondheidswerkers zelf, en met regelmatige medische consultaties door een CHESTCORE-dokter. Een stuk terrein is al vrijgemaakt voor de bouw, de plannen zijn uitgetekend, het geld is beschikbaar en de mensen van Lacub staan erachter. Het is nu wachten op de droge maanden, want bijna alle bouwmaterialen moeten aangevoerd worden uit Bangued.

Een tiental dorpsgezondheidswerkers en verantwoordelijken van de gemeenschapsorganisaties uit de omliggende barrio’s zijn naar Lacub afgezakt óm met ons het project te bespreken Ze verontschuldigen zich uitvoerig voor de vertraging in de projectuitvoering. Ze excuseren zich ook omdat niet elke gezondheidswerker ons is komen verwelkomen: iedereen is druk bezig op het veld, want met de regens moet de rijst verplant worden. Mang Rudy, blijkbaar de woordvoerder, vertelt dat de gezondheidswerkers het voorbije jaar al verschillende medische cursussen hebben gevolgd. F.n in afwachting van het kliniekje doet een kast in Manang Minda’s huis dienst als alternatief dorpsapotheekje. Dan worden de bouwplannen in detail besproken. Allemaal hebben ze hun commentaar, iedereen doet voorstellen.

De militairen in actie

23 juli. Als we opstaan heerst er een gespannen sfeer in het dorp. Mannen lopen af en aan, kinderen worden naar binnen geroepen. Een jongen komt binnengestormd bij Manang Minda: ‘De sodaten roepen alle volwassen mannen naar het dorpsplein.’ Waarom? Niemand die het weet.

Abby gaat aan een officier vragen of we de dorpsgezondheidswerkers in het verderop gelegen gehucht PICOPoc kunnen gaan bezoeken. Hij antwoordt: ‘Wacht maar tot we de mannen vrijlaten, dan kunnen jullie met hen mee terug naar PICOPoc.’ Vrijlaten? Zijn ze dan gearresteerd? Op beschuldiging waarvan?

Plots een doffe knal in de verte. Hilde en ik kijken mekaar aan. Een tweede knal. Boy neemt onze twijfels weg: ‘Mortiergeschut’! Bij elke nieuwe mortierinslag stijgt onze woede en verontwaardiging.

Manang Minda is bij de buren meer te weten gekomen. De militaire overheid beweert dat er sinds het treffen van twee weken geleden nog vijf lijken van NPA’ers in het bos liggen. De soldaten hebben de opdracht die te gaan halen, maar omdat ze het woud niet in durven, wordt eerst met mortieren in die richting geschoten. Nu moeten de mannen van het dorp het bos uitkammen, op zoek naar de lijken.

De vrouwen zijn zenuwachtig, bang dat hun mannen wat zal overkomen, want als er per se vijf lichamen moeten gevonden worden zijn die soldaten tot alles in staat. Gelukkig komen bij valavond de dorpelingen veilig en wel thuis - zonder lijken. Ze verhalen de wandaden van het leger: een maïsoogst werd in brand gestoken; een deel van hun rijstvoorraad en een varken gingen eraan, want de militairen wilden ’s middags eten. Na de zoekactie stelde de commandant dat 85 mannen van het dorp lid moesten worden van de cafgü, zoniet zou het leger verplicht zijn de bevolking aan haar lot ‘en aan de NPA-terreur’ over te laten. ‘Als ze dat maar eens deden’, merkt iemand op.

Iedereen zet zich nu bijeen in de veranda van Manang Minda en de vrouw des huizes overstelpt ons met Filipijnse gastvrijheid. Heerlijk fruit wordt afgewisseld met hoe langer hoe straffere drankjes, een soort jenever en suikerrietwijn. De tongen komen goed los. Met ABBy als tolk - de lokale taal is het Ilokano - maken Hilde en ik van de gelegenheid gebruik om de mensen van Lacub uit te vragen over het Nieuwe Volksleger. Zouden ze de schuld voor de militaire repressie niet bij de guerrilla leggen? Heeft die met zijn acties het regeringsleger niet gepfovoceerd?

‘Eerst en vooral’, legt Mang Rudy uit, ‘dat de boeren arm zijn of dat er geen sociale voorzieningen zijn is niet de schuld van het NPA, maar van de grootgrondbezitters en van de machthebbers in Manilla’.

Een oud vrouwtje zegt: ‘Van het NPA hebben we geen last. Die betalen tenminste als ze rijst nodig hebben’.

Een man voegt eraan toe: ‘En toen we technische problemen hadden met een project van de coöperatieve, waren het toen de kasama’s niet die ons met raad en daad bijstonden?’ De anderen knikken.

‘En wat die repressie betreft’, besluit Manang Minda, ‘die was er al voor de eerste NPA’ers zich in Lacub vertoonden.’

Een martelgang

24 juli. ABBy, Gigi, Boy, Hilde en ik nemen afscheid van Manang Minda en de mensen van Lacub. Eerst vijf uur stappen tot die ingezakte brug. Pech: de jeepney die ons hier zou opwachten is nergens te bespeuren. Geen nood, nauwelijks twee uurtjes verderop weet Boy een splitsing waar nog twee jeepneys moeten passeren. Weer pech: ze laten het allebei afweten. Verder dan maar, in de wetenschap dat het volgende dorp ettelijke kilometers verderop ligt. Een jeep komt ons tegemoet. De inzittenden melden dat 3 a 4 km verder een kleine vrachtwagen van de wegenwerken staat. Die zal ons wel willen meenemen. Die ‘3 a 4 km’ zijn er 6 a 7 (op die godvergeten grindweg staan mooie gele kilometerpaaltjes) en de beloofde vrachtwagen staat er niet meer.

Niet getreurd, of toch niet te veel, die jeep van daarnet zal tegen de avond wel rechtsomkeer maken en dan zijn we gered. Maar de avond valt en geen jeep te zien. Dus maar weer de hort op. Op sleffers, want onze gemartelde voeten barsten uit onze schoenen. Om de moed erin te houden beginnen’we te zingen, van Bella Ciao tot Simon & Garfunkel. Nog eens twee uur later winnen de volhouders. Een overvolle jeep komt langsgereden. We overtuigen de chauffeur om nog vijf wanhopige strompelaars op te laden. Om 10 uur ’s avonds bereiken we Bangued, uitgeput, uitgehongerd, doorweekt van regen en zweet.

29 augustus. Uit een brief naar huis:

‘Juist weer een hevige tyfoon achter de rug, met alles wat daarbij komt kijken: hevige wind, zware regenval, kou - wij bibberen hier als het kwik onder de 25°C daalt - en Pinatubo-asse die vanuit Centraal-Luzon tot hier komt gewaaid. Heel wat straten stonden onder water. Het verkeer zit dan nog meer in de knoop dan anders, en de brown-outs zijn veelvuldiger en langer. Ook twee dagen geen school voor Yuri.’

De rectificatiecampagne gaat van start

13 september. Onverwacht bezoek. Lean springt binnen met belangrijk nieuws. Het veelbesproken Tiende Plenum van het Centraal Comité van de CPP is afgelopen. Het Reaffinn-document is aanvaard, met een aantal amendementen op de eerdere versie. In de partij, het volksleger en de massaorganisaties wordt een grootscheepse rectificatiecampagne aangevat om de fouten uit het verleden recht te zetten en de basisprincipes van de Filipijnse revolutie in ere te herstellen.

Er zijn ook 19 resoluties aangenomen. Een ervan stelt dat alle nationale staforganen van het Nieuwe Volksleger ontbonden moeten worden, dus ook de Medische Sectie van Ka Lean. Het oprichten van nationale staforganen in het NPA kaderde in de foutieve oriëntatie om de guerrillatroepen voortijdig te organiseren als een echt leger en te voorzien van zware wapens voor steeds grotere militaire acties. De meeste staforganen vertoonden de neiging om logge, bureaucratische structuren te worden, ver verwijderd van het werk onder de massa’s. Een beetje fier zegt Ka Lean dat de Medische Sectie een gunstige uitzondering werd genoemd.

Vrouwen en gezondheid

15 september. Rita schrijft in onze nieuwsbrief:

‘In juli en augustus was ik een van de lesgevers op een cursus Vrouwen en Gezondheid, waarvoor gezondheidswerksters uit Panay, Negros en Mindanao naar Manilla waren afgezakt. Buiten de gewone onderwerpen rond ziekte en gezondheid, besteedden we veel aandacht aan zwangerschap, bevalling, contraceptie, abortus, seksualiteit en geweld tegen vrouwen. Ik werd geconfronteerd met een schrijnend gebrek aan kennis en met veel bijgeloof rond seksualiteit en voortplanting:

- Als je op de dag van je eerste menstruatie van drie treden hoog springt, zullen je volgende regels maar drie dagen duren.
- Als je zwanger wil worden en een zoon wil, moet de man zich na het vrijen rechts van de vrouw leggen.

- Een tweeling krijg je als je veel tweelingbananen eet.
- Verder kende elke cursiste wel een vrouw in haar omgeving die bevallen is van een slang, een vis, een kikker of zelfs een paard.

Niet eenvoudig om te weten of, in hoever, en hoe wij tegenover dit ‘bijgeloof’ onze Westerse, ‘rationele’, ‘wetenschappelijke’ kijk moeten plaatsen.’

Kinderarbeid

18 september. Vandaag staat in de krant een foto van het prinseNPAar van York met hun dochtertje Beatrice. Een aankondiging voor een nakend bezoek van Fergie en Andrew aan de Filipijnen? Nee, het gaat over het snoezige kleedje van de kleine Beatrice, dat hier gemaakt is. Er zit weliswaar geen etiket Made in the Philippines in, dat staat immers niet voor zo’n duur kleedje. Bovendien komt de stof uit Indonesië, de kant uit Frankrijk, de draad uit Taiwan en de knoopjes uit Japan. In een dorpje op Negros werd dit alles tot een kleedje genaaid door meisjes, niet veel ouder dan het schattige prinsesje.

Kinderarbeid is wijdverspreid op de Filipijnen. De regering geeft hierover geen cijfers, maar ngo’s hebben voorgerekend dat ongeveer 5 miljoen Filipijnse kinderen onder de 14 jaar werken, dat is één op vier. Meer dan de helft hiervan op het platteland, als onbetaalde werkkracht op het lapje grond van de familie, op plantages of in de kleine huisnijverheid.

In de illegale sweatshops groeien meisjes op met het geluid van ratelende naaimachines. Als baby spelen ze met de klosjes en rond hun vierde zetten ze hun eerste steekjes. Een paar jaar later helpen ze mama na schooltijd met het naaien, en zodra ze elf of twaalf zijn blijven ze thuis om voltijds te werken.

De naaistertjes worden per stuk betaald. Ze verdienen niet meer dan 15 tot 150 frank per week, maar voor veel gezinnen maakt dit 30 tot 60% van hun inkomen uit. Dikwijls is het door het loon van grote zus dat de jongere kinderen naar school kunnen. Het werk in de sweatshops is repetitief en intensief. Als een bestelling moet worden afgewerkt is het nachtwerk geblazen, maar er zijn ook maanden zonder orders, dus zonder inkomen. De kleine ateliers zijn overbevolkt, slecht verlicht en verlucht en lawaaierig. De meisjes klagen van hoofdpijn en vermoeide ogen.

De kind-werkertjes in de steden is geen beter lot beschoren. Een deel van hen hoort bij de anderhalf miljoen Filipijnse straatkinderen. Je ziet ze aan drukke kruispunten sigaretten, kranten of bloemen verkopen, schoenen poetsen of op geparkeerde auto’s letten. Of ze trekken door de straten met een stootkar, doorzoeken de vuilnisbakken en verzamelen oud papier, leeggoed en ijzer. Het zijn de jobs met de hoogste arbeidsrisico’s: blootstelling aan de natuurelementen en aan de pollutie, verkeersongevallen, straatgeweld.

De kinderen slapen in parken, onder bruggen, in leegstaande huizen. unicef schat dat zo’n 60.000 Filipijnse kinderen uit armoede en wanhoop overgaan tot de verkoop van hun eigen lichaam, in de schemerwereld van prostitutie, pornografie en mensenhandel.

Cagayan Valley

21 oktober. Cagayan Valley, in het noordoosten van Luzon, is een van die gebieden waar nog plekjes ongerept regenwoud zijn. Het is ook een sterk gemilitariseerde streek; zowat elk dorp heeft zijn militair detachement. Het is geen sinecure om dit guerrillafront binnen te geraken. Vier dagen marcheren, met een grote omweg door het woud.

Andrea, Lean en ik zijn op weg naar een cursus guerrillagezondheidszorg. We worden vergezeld door Ka Mente. Mente is een veteraan van de streek. Hij komt net van een belangrijke partijvergadering, waar hij een hogere taak heeft gekregen in de regio die wordt aangeduid met capa: de provincies Cagayan Valley en Kalinga-Apayao. Een fijne kerel, Ka Mente, die graag vertelt in zijn wat gebroken Tagalog. Hij hoort me uit over Europa en de internationale politiek.

Onderweg is het kamperen onder de blote hemel. Kikkers en krabbetjes vangen in een riviertje en van vochtig sprokkelhout een vuurtje maken om die portie proteïnen te roosteren en wat rijst te koken. Slapen in de hangmat of dicht tegen mekaar aan op een regenzeil. En ’s morgens rillend opstaan en weer die natte, beslijkte kousen en schoenen aantrekken voor een nieuwe dagmars.

Maar nu zijn we in een gehucht aanbeland. Er leven niet meer dan een zestal families Aggay, een van de vele inheemse volkeren van Noord-Luzon. Het is jaren geleden dat Ka Mente nog in deze sitio is geweest. Hij spreekt wat Aggay en wordt door de plaatselijke bevolking ingehaald als een verloren zoon. Oude moedertjes halen met hem herinneringen op. Lean, Andrea en ik doen in deze rustpauze waar we verzot op zijn: kaartspelen.

Tegen de avond neemt Ka Mente ons mee naar een klein NPA-kamp een boogscheut verderop waar we kennismaken met een twaalftal kasama’s.

Ze helpen ons onze regenzeilen en hangmatten te spannen. Heerlijk om me te kunnen uitstrekken in de rust van een guerrillakamp.

Ka Berly

Na het avondmaal roept Ka Mente ons bijeen voor een vergadering over het medisch werk in de regio. Ka Berly brengt verslag uit.

‘Die is hier al vijfjaar’, zegt Mente me, ‘ze is alom geliefd om haar opgewekt karakter’.

Het wordt een leuke vergadering, want Berly kan het niet laten om bij elk punt uit haar betoog, ook al gaat het om problemen of mislukkingen, een aanstekelijk lachje ten beste te geven.

22 oktober. ‘Laat mij maar met Ka Lydia meegaan, jij rust beter nog wat.’ Met een brede glimlach, die een prachtige rij tanden ontbloot, neemt Ka Berly een taak over van haar kersverse guerrilla-echtgenoot Mandy, die herstelt van een diarree-aanval. Ze gooit gezwind haar m16 over haar schouder, zwaait nog eens en snelt Ka Lydia achterna. Ze gaan groenten zoeken in de nabijgelegen sitio.

Verbijstering als we geen tien minuten later horen schieten. ‘Paw, paw, papapapapaw!!!’ Het klinkt gevaarlijk dichtbij. Het vuur wordt beantwoord: ‘Paw, paw, paw!!’ Zonder op of om te kijken begin ik, behoorlijk nerveus, mijn rugzak te pakken. ‘Kalm aan, geen paniek’, roept Ka Mente. ‘Iedereen rustig inpakken en verzamelen bij de wasplaats.’ De rust die zelfs bij direct gevaar uitgaat van een ervaren kader als Ka Mente geeft me vertrouwen.

Onder het inpakken wisselen Lean, Andrea en ik een paar woorden. Iedereen beseft dat er iets moet gebeurd zijn met Ka Berly en Ka Lydia. Na nog een paar korte salvo’s heeft het schieten opgehouden. We blijven zonder nieuws, maar kunnen ons niet veroorloven nog langer te wachten. Met het medisch team trekken we stroomopwaarts, moeizaam de gladde rotsen opklauterend. Twee NPA-teams blijven achter om de aftocht te dekken en uit te zoeken wat er gebeurd is.

Een paar uur later worden we bijgehaald door enkele kasama’s. Ka Lydia is erbij, ze heeft een schotwonde in de arm. Maar waar is Berly? Met een bang voorgevoel luisteren we naar Lydia’s verhaal: ‘Toen we aan het groentenveld vlakbij de sitio kwamen, werd er plots vanuit een van de huisjes op ons geschoten. We wierpen ons op de grond, maar Ka Berly kreeg een kogel links in haar borst.’ Met haar goede arm toont het meisje het traject van de kogel. ‘Zo, in de richting van haar schouder. Berly riep me toe dat ik mezelf in veiligheid moest brengen, dat zij haar plan wel zou trekken. Ze had nog de tegenwoordigheid van geest om haar wapen onder wat bladeren te verstoppen. Dan heb ik me teruggetrokken.’

Met de medische staf bespreken we wat ons te doen staat. Ka Lydia heeft een vleeswonde in de voorarm, die makkelijk te verzorgen is. Maar volgens haar beschrijving is Ka Berly’s verwonding zeer ernstig, potentieel dodelijk. Er moet zo snel mogelijk een medisch team naartoe, met de nodige instrumenten om operatief in te grijpen. Lean en Andrea zoeken het materiaal bijeen.

Maar Ka Mente, die het bevel voert, laat niemand vertrekken: ‘De toestand is veel te onzeker. Zolang we niet weten waar de vijandelijke soldaten zich ophouden en met hoeveel ze zijn, kunnen we niet nog meer kasama’s aan gevaar blootstellen. Er zit niets anders op dan ons verder terug te trekken. In de bescherming van het woud zullen we afwachten wat de verkenners komen melden.’

De kleine guerrillacolonne baant zich zwijgend een weg door het bos. Ongetwijfeld denkt iedereen aan Ka Berly, die misschien ergens zwaar gekwetst ligt te lijden. Niemand durft hardop te zeggen wat iedereen weet: veel kans dat Berly dood is.

De nacht is al gevallen als de verkenners terugkomen. Ze onderhouden zich op fluistertoon met Ka Mente. Op zijn bedrukt gezicht is te lezen dat het met Ka Berly slecht is afgelopen. Dan licht Mente ons in dat de kasama’s haar lichaam gevonden hebben. De kogel is in haar linkerborst gedrongen en er naast haar schouderblad weer uitgekomen. Hij heeft waarschijnlijk Berly’s hart doorboord, of op zijn minst de grote bloedvaten vlak boven het hart. Ze moet binnen de paar minuten gestorven zijn. Een loden stilte valt over het bos.

Van de Aggay hoorden de kasama’s ook nieuws over de militairen. Die waren de avond voordien tijdens een patrouille in hun sitio aanbeland, blijkbaar eerder toevallig, ze vroegen niet eens naar NPA’ers. Onder het oog van de militairen hadden de mensen geen kans om de kasama’s in het kamp te verwittigen.

Die morgen werden de nietsvermoedende soldaten opgeschrikt door Ka Berly en Ka Lydia, die vrolijk taterend aan het groentenveld verschenen. Toen de soldaten de m 16’s van de meisjes bemerkten vuurden ze onmiddellijk. Daarna maakten ze zich uit de voeten. Volgens Ka Mente moeten ze al even verrast zijn geweest als wij. Want de vijand verkeerde in de waan dat deze streek al jaren van het NPA ‘gezuiverd’ was.

Een kasama moeten begraven...

23 oktober. Voor de begrafenis van Ka Berly keren we met z’n allen terug naar het kamp. De kasama’s hebben het lichaam van Berly op een draagberrie tot hier gebracht. Bij het zien ervan nestelt zich een dikke krop in mijn keel; het is mijn eerste directe confrontatie met de dood. Het doet pijn dat het juist die levendige, sympathieke Ka Berly is die sneuvelt. Ik begrijp nu beter het guerrilla-gezegde dat de martelaars van de revolutie de beste zonen en dochters van het volk zijn. Voor het eerst word ik er ook in alle scherpte aan herinnerd dat een engagement in de bevrijdingsstrijd er een op leven en dood is. Ik heb zin om heel hard te huilen, maar ik zie hoe Lean en Andrea, Mente en de andere kasama’s zich sterk houden, en verbijt mijn verdriet.

Ka Berly’s lichaam zit helemaal onder het slijk en het bloed. Zonder een woord te zeggen beginnen Lean, Andrea en ik het te reinigen. Ik heb mijn gedachten op oneindig en laat mijn tranen de vrije loop. Andere kasama’s wenen ook. Een paar meisjes diepen hun mooiste kleren op voor Ka Berly. Haar haar wordt zorgvuldig gewassen en gekamd. Het lichaam wordt in de mooiste malong gerold en dan in een speciaal gevlochten bamboemat.

Met z’n allen graven we voor Berly een laatste rustplaats. Bij gebrek aan schoppen of zelfs maar bolo's, machetes, gebruiken we potdeksels en onze blote handen. Onze machteloze woede doet ons zo tekeer gaan dat het graven flink opschiet.

De begrafenisplechtigheid zelf is kort. Voorzichtig wordt het lijk van Ka Berly in het graf neergelaten. Ka Mandy, Berly’s echtgenoot, gooit er een flesje achteraan. Daarin zit een briefje met Berly’s echte naam en haar politieke levensloop. Mandy weent hartverscheurend, de jongen is ontroostbaar.

Ka Mente en Ka Lean zeggen elk een kort woordje ten afscheid. Samen zingen we een paar revolutionaire liederen. We eindigen met een mooi liefdeslied, Pag-ibig sa tinubuang lupa: ‘Welke liefde is groter dan zijn leven geven voor zijn medemens? Er is er geen, geeneen.’ Anong pag-ibig pa, wala na nga, wala...

De slag om Marag Valley

24 oktober. We stappen een halve dag tot aan het tijdelijke basiskamp van de regionale CPP-leiding. Twee vrouwelijke kasama’s, Ka Jon en Ka Badyaw, bekleden leidende posities in capa. Deze streek omvat ook de legendarische Marag Valley. De Maragvallei was de voorbije jaren het proefterrein voor de counterinsurgency van het Filipijnse leger. De naam werd in binnen- en buitenland een symbool voor de schendingen van de mensenrechten door het Aquino-regime. Jon, Badyaw en Mente geven me een nauwkeurige beschrijving van de recente geschiedenis en de huidige situatie van Marag Valley.

De Maragvallei ligt in een onherbergzaam gedeelte van de provincie Kalinga-Apayao. Vanuit de hoofdstad Manilla is ze slechts te bereiken na 15 uur bus, 4 uur met een prauw de rivier op en een paar uur stappen. De plek zou een aards paradijs kunnen zijn: maagdelijke regenwouden, een zeer vruchtbare bodem en allerhande mineralen in de ondergrond. De bevolking bestaat uit hoop en al een paar duizend Isneg en Aggay, volkeren die aan overlevingslandbouw, jacht en visvangst doen.

De Filipijnse strijdkrachten geven als reden voor hun onbarmhartige aanvallen op de vallei dat de plek de standplaats zou zijn van de regionale schaduwregering van het Nationaal Democratisch Front. Ze zou ook gebruikt worden voor militaire trainingen van het NPA. Maar de eigenlijke bedoeling is de vallei van elk menselijk leven te ontdoen om fortuin te kunnen maken met de ontginning van het tropisch regenwoud.

Door de plaatselijke autoriteiten werd Marag Valley in 1985 tot niemandsland uitgeroepen. Met één pennentrek werden de inwoners van de vijf Marag-dorpjes uit de bevolkingsregisters geschrapt. Dat die daardoor niet meer kunnen gaan stemmen of geen belastingen meer hoeven te betalen zal hen een zorg wezen. Maar van de overheid geen schooltjes of kliniekjes, leerkrachten of vaccinaties, wegen of openbaar vervoer krijgen is minder prettig.

Wat Marag wél kreeg was een legerbataljon. Voor de bevolking het begin van een lange reeks lukrake beschietingen, bombardementen, gedwongen evacuaties, standrechterlijke executies, verkrachtingen en folteringen.

Toen president Aquino in februari 1987 de totale oorlog afkondigde, werd het offensief tegen Marag opgevoerd. Oplan Red Buster III betekende meer troepen, meer vigilantes, meer vuurkracht, meer terreur. Aan het reeds indrukwekkend arsenaal mensenrechtenschendingen werden toegevoegd: het vernietigen van de oogst, het platbranden van dorpjes, roof, voedsel- en geneesmiddelenblokkades en het gebruik van chemische wapens.

Oplan Salidummay

In oktober 1990 begon onder de codenaam Oplan Salidummay een nog grotere counterinsurgency-operatie, die leidde tot het beleg van Marag, dat nu al twee jaar duurt. Niet minder dan vijf bataljons, wel 2.500 manschappen, werden de piepkleine vallei ingestuurd. Meer soldaten dan inwoners! Een mensenrechtenorganisatie noteerde voor 1991: 47 burgers gedood, 74 kinderen in evacuatiecentra gestorven tijdens een mazelenepidemie, 88 huizen en 19 rijstschuren platgebrand, 3.000 zakken rijst vernietigd of niet geoogst. Weer eens verlieten tientallen haveloze en geterroriseerde Marag-gezinnen hun huisjes. Ze zochten een onderkomen in kerkelijke sanctuaries, tot in Manilla toe.

In de eerste helft van 1992 vielen 13 burgers, waaronder 3 kinderen, onder de kogels en bommen van de regeringstroepen. Volledige families werden gearresteerd, inclusief een 9 maand oude baby. Aan de pers werden ze voorgesteld als ‘rebellen die zich hebben overgegeven’. Een kapel, twee schooltjes en zeven huisjes werden vernield, tientallen carabao’s, varkens en kippen werden gestolen of gedood, en op 75 hectare rijstland kon niet worden geoogst.

In september 1992 meldde het Ramos-regime dat ‘regeringstroepen Marag Valley hebben bevrijd van de controle van het NPA’ . Een generaal bestond het te verklaren dat ‘er geen mensen meer leven in Marag’. Als laatste schakel van de counterinsurgency-strategie werd de oprichting van de Marag Valley Development Authority aangekondigd. Uit het niets zijn ze ineens allemaal daar, de ministeries van landhervorming, openbare werken, sociaal welzijn, gezondheidszorg. Met grootse middelen komen ze Marag Valley ‘ontwikkelen’. Voor een valleitje dat jarenlang aan zijn lot was overgelaten en nu volledig is kapotgeschoten en uitgerookt, wordt ineens 14 miljoen peso uitgetrokken, voor een gemeentehuis, een politiekantoor, wegen, een schooltje en een kliniekje.

Nachtelijke oogsten op revolutionaire velden

Ondanks het gevaar en de ontberingen hebben 200 Marag-families ervoor gekozen ter plaatse te blijven. Velen zijn wel moeten vluchten, maar in omgekeerde richting: hoger de bergen en dieper het woud in.

Met hun ingewortelde traditie van zelfvoorziening en zelforganisatie weten de Isneg en Aggay zich behoorlijk uit de slag te trekken. Hun sociale organisatievormen zijn intact gebleven; ze hebben zich verenigd in coöperatieven en comités. Het oogstcomité organiseert collectieve ‘commando-oogsten’ na zonsondergang, wantje overdag op de rijstvelden vertonen is levensgevaarijk, het leger laat geen enkele economische activiteit toe. Meer dan één boer die het riskeerde in de buurt te komen van een ‘revolutionair rijstveld’ - eentje waar ’s nachts geoogst was - werd nooit meer weergezien.

Niet dat de militairen zich zoveel veiliger zouden voelen aan de overkant van de rivier. De Marag-bewoners hebben hun eigen volksmilities opgericht, die ondersteund worden door het Nieuwe Volksleger. Want de guerrilla en de inheemse bevolking zijn natuurlijke bondgenoten tegen een gemeenschappelijke vijand. Allebei vechten ze voor het recht op land, op overleving, op een menswaardig bestaan. Samen slagen ze erin de kwetsbare militairen geduldig te decimeren. Sinds oktober ’90 hebben al 168 regeringssoldaten het loodje gelegd.

In een situatie waarin de bevolking voortdurend te maken krijgt met het brute geweld van de militairen, is gewapend verzet een vanzelfsprekendheid en een noodzaak. De CPP-kaders hadden het in Marag en omstreken behoorlijk lastig om de bevolking het kortstondig staakt-het-vuren van ’86-’87 te doen slikken, tijdens de vredesbesprekingen tussen de regering Aquino en het ndf.

Rekruteren voor het NPA loopt hier gesmeerd. ‘Als jullie het beleg niet meer zouden aankunnen of als jullie ons in de steek zouden laten, goed, maar laat dan tenminste jullie wapens bij ons achter’, krijgt het NPA van menig Isneg of Aggay te horen.

Clouseau bij de guerrilla

25 oktober. Het eten in het kamp is eentonig. En ik die dacht dat een tropisch oerwoud een rijkdom aan vruchten en wild zou opleveren. Maar het is hier sitaw, sitaw en nog eens sitaw: dunne, bijna smaakloze en wel 30-40 cm lange prinsessenbonen. In Noord-Luzon wordt als smaakmaker veel bagoong gebruikt, maar dit verschrikkelijk zoute sausje van garnaleneitjes moet ik niet.

Na de middag vertellen Ka Jon, Ka Badyaw en Ka Mente verder over het werk van het NPA in de regio. Uiteraard doet het volksleger meer dan alleen de milities van de inheemse bewoners ondersteunen. Het treedt zelf gewapend op tegen militairen, oorlogsheren en privé-legertjes van houtkapbedrijven. Er is een begin gemaakt met "de revolutionaire landhervorming. Het opleggen van het minimumprogramma heeft de pacht die de boer aan de grootgrondbezitter betaalt, teruggebracht van één derde van zijn bruto-oogst tot één vierde van de netto-oogst, een aanzienlijk verschil, waardoor de boeren het economisch merkelijk beter hebben. En ze weten aan wie ze dit te danken hebben. Veel boeren dragen spontaan (een deel van) hun meerinkomen af aan het NPA.

27 oktober. Medics uit andere guerrillafronten beginnen toe te komen. Ik raak aan de praat met Ka Giging, die in een naburig front het gezondheidswerk van het NPA leidt. Een kleine, vinnige meid met een leergierige blik en het hart op de tong. Giging heeft zich volledig door zelfstudie gevormd tot medic.

Ze toont me haar voornaamste handleiding: een beduimeld boekje, Health Knowledge. Het ding is gepubliceerd in de Verenigde Staten in 1935! Het staat vol foto’s van nette Amerikaanse gezinnetjes, met stichtende onderschriften als ‘selder moet goed gekauwd worden’. Ik hoop maar dat Ka Giging die boekenwijsheid heeft aangepast aan de concrete omstandigheden van de Filipijnse guerrilla anno 1992.

29 oktober. In deze streek zijn veel kasama’s analfabeet. De kampleiding wil dat verhelpen met een cursus die veel verder gaat dan lezen, schrijven en rekenen. Ook wetenschappen, sociale vakken en zelfs kunstwetenschappen staan op het programma. De lesgeefster, een jonge vrouwelijke kasama die vroeger voor de leerkrachtenvakbond in Manilla werkte, legt uit wat de bedoeling is: op 3 a 6 maand tijd de belangrijkste leerstof van de lagere school en van de vier jaar middelbare school aanleren. Aan de motivatie en studieijver van het alfabetisatieklasje te zien is de revolutie hier weer een mirakel aan het verrichten.

30 oktober. Ik knijp even in mijn wang om zeker te zijn dat ik niet droom. Ik bevind ‘me toch in een Filipijnse guerrillazone, ver van alle Westerse beschaving? Niet ver genoeg. Uit het transistortje van mijn buurman hoor ik onmiskenbaar... Clouseau! Anna, when Isee youl can hardly hold myfire. De jongens van Sint-Genesius-Rode hebben het ver geschopt. Maar de song wordt bruusk onderbroken. Het is vijf uur en dan worden de Filipijnen officieel wakker op de tonen van het nationaal volkslied.

1 november. Ik moet weer in Manilla zijn voor het einde van het Allerheiligenverlof. Door de vertraging met de dood van Ka Berly zal ik de medische vormingscursus moeten missen.

Andrea en een paar kasama’s vergezellen me. Deze keer nemen we een kortere weg, maar voor de veiligheid moet dat ’s nachts. Na vier uur stappen zijn we het woud uit. We mogen onze zaklampen niet meer gebruiken. Bij een flauw maneschijnsel schuiven Andrea en ik verschillende keren van de nauwe richel tussen de rijstvelden.

Als we op een zandweg komen fluistert iemand plots: ‘Rennen!’ Zonder te weten waarom en in de volslagen duisternis zet ik het mee op een lopen. Het gaat in gestrekte draf, zonder op- of omkijken. Ik moet me goed concentreren op de witte sportschoenen van mijn voorganger om te zien waar ik moet lopen. Andrea en ik hebben moeite om het tempo bij te houden. Eindelijk, ik schat na wel 20 minuten, houden we halt. Een kasama legt uit dat we dicht langs een CAFGU-detachement gekomen waren. Mogelijk werden we opgemerkt, hij had iemand horen roepen.

Na een uurtje bereiken we het huisje van sympathiserende masa. Voor dag en dauw worden Andrea en ik afgehaald met een moto. Om 6 uur ’s morgens zitten we veilig op de bus, voor een reisje van 15 uur naar Manilla.

7. 1993 - Het Jaar van de Haan - Inhoud

De faxoorlog van Joma Sison

December 1992. Hoewel het document Reaffirm is goedgekeurd op het in juli gehouden Plenum van het Centraal Comité van de CPP, zijn er geruchten over blijvende meningsverschillen binnen de nationaal-democratische beweging. Het duurt niet lang of dit wordt breed in de pers uitgesmeerd, met naam en toenaam. Onder progressieven is er nog maar één gespreksonderwerp: het ‘debat’.

7 december 1992. In een gefaxt interview met de Philippine Daily Inquirer, de belangrijkste Filipijnse krant, zegt José Maria Sison niets te weten over een zogenaamde scheuring in het ndf. Hij wijt die verhalen aan psychologische oorlogvoering van het Ramos-regime, dat agenten gebruikt om intriges te zaaien en valse artikels tegen het ndf en de CPP in de pers te ‘planten’. De krant meldt dat 20 vroegere leden van het Centraal Comité van de CPP, die niet aanwezig waren op het Plenum, met een petitie tegen de CPP-leiding zijn gestart.

10 december. Internationale dag van de mensenrechten, maar dit jaar de dag van de meest besproken kop in de Inquirer: ‘Split in de CPP bevestigd; vredesbesprekingen in gevaar’! José Maria Sison, door de krant ‘de controversiële voorzitter van de CPP’ genoemd, heeft weer gefaxt. Zijn boodschap slaat in als een bom: ‘Ricardo Reyes, Romulo Kintanar en Benjamin De Vera worden door de militairen gebruikt in een project van inlichtingenwerk en psychologische oorlogvoering.’ Reyes is de vermoede ex-secretaris-generaal van de CPP, Kintanar de voormalige stafchef van het NPA en De Vera het vroegere hoofd van de Mindanaocommissie van de partij. De drie zijn onlangs vrijgelaten als politieke gevangenen. Volgens Sison zijn zij degenen die ‘de meeste schuld treft voor de ergste fouten van de CPP. Het zijn ook zij die de opvoedende rectificatiecampagne van de CPP het bitterst bekampen.’

Sison stelt verder dat ‘president Ramos het gewapend conflict niet wil beëindigen door middel van vredesbesprekingen, maar door de revolutionaire beweging te verzwakken en tot overgave te dwingen.

Dit is het model van onderhandelingen dat in El Salvador heeft geleid tot het opgeven van de gewapende strijd.’

Mensenrechtendag wordt door de Medical Action Group gevierd met een conferentie en een solidariteitsmaaltijd. Ik ga er naartoe. Tussen de bedrijven door en op fluistertoon is de fax van Joma Sison het onderwerp van vele gesprekken. Onze UG vriendin Ella zit onopvallend in het publiek. Ze neemt me even terzijde en steekt haar ongenoegen over het optreden van Joma niet onder stoelen of banken. Ik weet niet wat ervan te denken. Een scheuring in de beweging zou rampzalig zijn en gaat Joma dat nu niet juist uitlokken met zijn openlijke en blijkbaar weinig gefundeerde beschuldigingen?

11 december. Joma reageert op het /n^uirer-artikel. ‘Er is geen scheuring in de CPP, het Centraal Comité blijft zijn leidende taken uitvoeren en geniet de volle steun van de partijleden.’

12 december. Kintanar, Reyes en De Vera ontkennen op een persconferentie alle aantijgingen van Joma: ‘Gedurende meer dan twee decennia hebben wij onze diensten verleend aan de zaak van nationale bevrijding en democratie. Dat zegt genoeg.’ Satur Ocampo, de alom gerespecteerde vroegere hoofdonderhandelaar van het ndf, spreekt van een ‘debat tussen personen die buiten de partij staan’, want sinds hun vrijlating uit gevangenschap zijn de drie nog niet opnieuw geïntegreerd in de beweging. ‘Gesteld dat ze dat nog zouden willen’, voegt hij er fijntjes aan toe.

15 december. Ramos beweert dat ‘de communistische opstand zichzelf aan het vernietigen is. In heel de wereld zien we het fenomeen van de val van het communisme. Wij maken daarvan nu de lokale versie mee.’

17 december. ‘Schrijf ons niet te vroeg af’, zegt Joma in de Inquirer. ‘Ramos droomt, en de poging om de revolutionaire beweging te vernietigen is een halt toegeroepen precies omdat Reyes, De Vera en Kintanar zijn ontmaskerd.’ Hij voegt eraan toe dat de CPP geen revisionistische partij is zoals die van de Sovjetunie en Oost-Europa die ontaard en ten slotte verdwenen zijn, maar een echte marxistisch-leninistische partij.

27 december. De CPP faxt haar verjaardagsverklaring naar de pers. Daarin staat dat de besluiten van het 10de Plenum van het Centraal Comité onverkort

zullen worden uitgevoerd, met als belangrijkste: een dringende rectificatie-campagne tegen de ernstige ideologische, politieke en organisatorische fouten die hebben geleid tot een zware terug val en ernstige verliezen voor de partij.

Die dag schrijf ik naar Hilde Vanobberghen:

‘De problemen in de beweging zijn spannend. Joma lijkt me overoptimistisch. Ik denk dat het klopt dat de grote meerderheid van de beweging uiteindelijk de heroriëntatie zal aanvaarden, gelukkig maar. Ik heb me juist door de definitieve versie van Reaffirm geworsteld die Lean ons bezorgd heeft. De 64 bladzijden Engels van de eerste versie zijn er in het Tagalog 88 geworden, met meer voorbeelden, uitleg, details en hier en daar wat scherpe kantjes bijgevijld.

Maar zowat iedereen, ook degenen die aan de Reaffirm-kant staan, vindt het ongepast dat Joma in de pers de interne vuile was uithangt en een persoonlijk faxoorlogje voert. Ik heb nog maar één persoon gehoord die vindt dat Joma het bij het rechte eind heeft, dat er geen andere manier meer was om de beweging te alarmeren over de zware problemen dan via de media.’

Het Jaar van de Haan

Wat heeft de haan, die hier taktalaok zegt in plaats van kukelukuu, zoal te bieden voor de Filipijnen in 1993? Omdat een haan voedsel vindt op de meest barre grond wordt het volgens Chinese astrologen een succesjaar voor de landbouw. Dat MAG wel eens, najaren van natuurrampen en droogte, waardoor dit zo vruchtbare land verplicht is zelfs het basisvoedsel rijst in te voeren.

Minder mooi oogt de voorspelling dat het een goed jaar wordt voor de militairen. Wat ‘hanig’ voor hen betekent blijkt uit de schendingen van de mensenrechten genoteerd tijdens de eerste helft van 1992: 468 illegale arrestaties, 15 verdwijningen, 40 standrechtelijke executies, 174 gevallen van mishandeling of foltering, 27 gedwongen evacuaties van burgerbevolking. Ten gevolge van militaire operaties werden 1,2 miljoen mensen interne vluchtelingen, vluchtelingen in eigen land. En wat zal het Jaar van de Haan brengen voor de volksbeweging?

4 januari 1993. De Alex Boncayao Brigade, de stadsguerrilla van het NPA in Manilla, weigert zichzelf te ontbinden en zich bij de guerrilla op het platteland te

voegen, zoals is bevolen door de CPP-leiding. ‘Popoy’, die de CPP-afdeling van Manilla leidt en dus ook de ABB, bluft dat zijn 5.000 mensen als één man het 10de Plenum verwerpen.

5 januari. Een rapport van de militaire inlichtingendienst geeft namen van CPP-leiders die horen bij het kamp van de ‘fundamentalisten van Sison, die vasthouden aan de maoïstische strategie van de langdurige volksoorlog’ en bij dat van de ‘revisionistische militaire avonturiers van Kintanar, die aansturen op meer stadsguerrilla en massa-acties’.

8 januari. Sison voegt twee namen toe aan het lijstje van scheurmakers: Carlos Forte of ‘Popoy’ (echte naam Felimon Lagman, CPP-Manilla) en Victor Del Mar (Arturo Tabara, CPP-Visayas).

15 januari. De Washington Post schrijft dat ‘ondanks hun historisch isolement, de val van het communisme in het Sovjetblok nu ook de communisten op de Filipijnen te pakken heeft’. De Amerikaanse kwaliteitskrant beweert dat Sison er in Nederland een comfortabele levensstijl op nahoudt. Hij zou in Nederlandse disco’s zelfs gekend zijn om een door hemzelf uitgevonden dans, ‘de proletarische shuffle’!

Waarvoor staan Ric Reyes en Popoy?

19 januari. Ricardo Reyes verklaart in een interview met de Manila Chronicle dat het goed mogelijk is dat in de nabije toekomst ‘een nieuwe linkse formatie’ gevormd wordt, die met bestaande legale organisaties zou kunnen samenslaan. Hij onthult dat er al vanaf 1988 een blok van hervormers bestaat binnen de partij, die streven naar een herziening van de revolutionaire theorie en strategie, in het licht van de opstand van ‘volksmacht’ die in februari 1986 dictator Marcos van de macht verdreef.

24 januari. Lean komt weer af en toe bij ons op bezoek. We praten natuurlijk veel over de hele heibel. Ik schrijf aan Hilde:

‘De reële invloed en aanhang van de scheurmakers is relatief beperkt en niet in verhouding tot de aandacht die ze in de media krijgen. Ric Reyes is de belangrijkste. Overal waar het de voorbije jaren behoorlijk mis liep, was Reyes verantwoordelijk. Hij leidde de Mindanaocommissie tijdens de bloedige campagne tegen de veronderstelde infiltranten. Hij was ook hoofdredacteur van het partijblad Ang Bayan toen daarin eind ’90 nog lovend over Gorbatsjov werd geschreven.

De man klaagt over gebrek aan democratie in de partij, maar het echte probleem was er een van te véél democratie, van liberalisme. Als Reyes consequent was geweest met zijn flagrant reformistische ideeën had hij de partij al lang geleden moeten verlaten in plaats van de middelen en het prestige van de partij te misbruiken tegen de revolutie.

De andere bekende dissident, Popoy van de regio Manilla, weigerde zich al ten tijde van de parlementsverkiezingen van 1978, in volle Marcos-dictatuur, te houden aan de boycotpolitiek van de partij. Hij werd toen overgeplaatst naar Noord-Luzon, maar na een paar jaar weer in zijn functie hersteld.

De fouten die zijn gewapende groep, de ABB, worden aangewreven zijn niet minnetjes: militarisme, avonturisme, financieel gesjoemel en samenwerking met gangsterbendes. Het is opvallend dat het de mannen zijn met de grootste flaters op hun actief die het wildste te keer gaan tegen Reaffirm en de rectificatie. Popoy verbiedt zijn mensen de officiële partijdocumenten te lezen of te bediscussiëren. Van democratie gesproken!’

In de sloppenwijk Apelo Cruz

28 januari. Rita schrijft over haar werk met gabriela:

In twee sloppenwijken van Manilla heeft onze Commissie voor Vrouwen en Gezondheid pilootprojecten om gezondheidswerksters op te leiden, die runnen dan zelf een kleine gezondheidspost. Het ene project is in Letre, een uitgestrekte sloppenwijk in het noorden van de stad. In de hele wijk, 26.000 families, is er niet één gezondheidscentrum van de staat.

De tweede wijk ligt dicht tegen de luchthaven, in het zuiden van de stad, Apelo Cruz Street 704, Pasay City, Metro Manilla. Het klinkt als het adres van een welstellende Chinese handelaar. Maar de buurt ziet er helemaal niet exclusief uit, een paar honderd meter van een druk busstation op de grote ring edsa.

Daar gonst het van activiteit. Reizigers die uren moeten wachten voor de bus vertrekt, anderen die afgemat en uitgehongerd in de grootstad toekomen na een lange reis. Bussen met pikzwarte uitlaatgassen rijden af en aan, gammele taxi’s verdringen elkaar, en de beter georganiseerde tricycles wachten geduldig hun beurt af. Daartussen de verkopers. Sommigen leuren met hun waren, anderen hebben een min of meer permanent stalletje. Te koop: fruit, groenten, klaargemaakte gerechten, drank, koekjes, snoep, tot zelfs speelgoed, toiletartikelen, schoenveters en aanstekers. En ’s avonds nog meer: vrouwen en meisjes, voor 30 of 40 peso per beurt.

Naast de Pasig-rivier, eerder een open riool, ligt nummer 704. Achter dit ene huisnummer gaat een volledige sloppenwijk schuil, een braakpand dat is ingepalmd door zo’n 600 gezinnen squatters, krakers. Rijen krotjes uit golfplaten, hout, karton en plastic leunen tegen mekaar aan. Door een smal gangetje glip je de wijk binnen. De krotjes zijn zo dicht naast en op mekaar geknutseld dat er bijna geen daglicht binnenkomt. Het is oppassen geblazen voor de kommen met wasgoed en voor de hanen die hier overal staan, aan hun poot vastgebonden met een touwtje. Veel volk: mannen in shorts en bloot bovenlijf, vrouwen die wassen en plassen, spelende kinderen.

In elk huisje kan je binnenkijken door de openstaande deur. Een woning bestaat veelal uit één enkele kamer, een paar vierkante meter groot. Aan privacy is hier geen overschot. Iedereen kent, hoort en ziet iedereen, roddels en ruzies vloeien rijkelijk. De meeste bewoners van Apelo hebben een klein TV-toestel, dat samen met een paar gloeilampen onwettig is aangesloten op het elektriciteitsnet. De tv is hun venster op een droomwereld van welvaart en welzijn, het spiegelbeeld van de realiteit in Apelo.

Huisnummer 704 heeft slechts één aansluiting op de waterleiding, met twee kraantjes. 600 gezinnen komen zich hier van water voorzien, met emmers en jerrycans. Om gesleur te besparen wordt het wassen van kleren en mensen in openlucht gedaan, bij de kraantjes.

De meeste huisjes in Apelo hebben geen wc. Met zo weinig ruimte ter beschikking ga je toch geen apart kamertje voorbehouden om maar een paar keer per dag te gebruiken! Trouwens, afloop en riolering zijn er al evenmin. Behoeften worden gedaan in een conservenblikje of een plastic zakje, dat met het huisvuil meegaat. Dat wil zeggen in de rivier, want huisvuilophaling is hier natuurlijk niet.

Tenzij selectieve vuilnisophaling, daar leeft Apelo namelijk van. De meeste mannen, maar ook vrouwen en heel wat kinderen, zijn professionele voddenrapers en vuilsorteerders. Op straat en huis aan huis verzamelen ze papier, blik, leeggoed. In Apelo wordt dat netjes gesorteerd in grote zakken, die door tussenhandelaars worden opgekocht.

Een vrouwencursus

2 februari. Op Rita’s kantoor begint een medische cursus voor de vrouwen van Apelo Cruz. Rita noteert:

‘Door middel van een tekening mogen de vrouwen zichzelf voorstellen. Christina tekent zichzelf, haar man, haar zes kinderen en een krotje. Verlegen zegt ze erbij dat het huisje er niet al te best uitziet, "maar dat zal wel aan mijn tekenkunst liggen".

Filomena tekent geen huis. Sinds haar man haar heeft verlaten woont ze met haar vijf kinderen in een stootkar. ’s Morgens werkt ze in het kleine wijkkliniekje van de vrouwenorganisatie, ’s namiddags wast ze kleren tegen betaling en rond 16 uur begint ze haar ronde met de stootkar langs de straten van Manilla, op zoek naar recycleerbaar vuilnis. Haar twee jongsten moeten mee in de kar, tussen het vuil, want wie zal er anders op hen passen? ’s Avonds legt Filomena wat karton op de bodem van de kar, ze spant er een doek boven, en zo slapen ze.

In de cursus trachten we de medische onderwerpen zo aanschouwelijk en boeiend mogelijk aan te brengen: een rokende fles om het effect van sigaretten op de longen te demonstreren; een constructie van een met water gevulde fietsband en enkele planken om de werking van een bloeddrukmeter te demonstreren; een rasechte jeannette die de situatie van de homo’s komt uitleggen; en een rollenspel om de symptomen van de meest voorkomende ziekten aan te leren.’

Bij de Rejects

10 februari. Vandaag kan ik een van de beruchte discussiegroepen bijwonen van de Rejects. Zo noemt men degenen die de analyse van Reaffirm verwerpen. Het kantoor van Luisa, de Hollandse non met wie we bevriend zijn, is een van de hoofdkwartieren van de Rejects. Er vindt een discussie plaats over ‘het debat’ en ik nodig mezelf uit. Spreker is niemand minder dan Joel Rocamora, naast Ric Reyes de intellectuele goeroe van de dissidenten.

Ik merk al snel dat alle aanwezigen insiders zijn. Wie hier zit is verondersteld op zijn minst bij een NDF-organisatie te horen en het CPP-document Reaffirm te kennen. De toon van Rocamora’s uiteenzetting is er een van persoonlijke aanvallen, belachelijk maken, geruchten, halve waarheden en hele leugens. Rocamora maakt domme woordspelingen over 'fax attacks’,

‘Sison’s greetings' (in plaats van season's greetings, eindejaarsgroeten), ‘zijn vuile Lenin wassen’ (in plaats van zijn vuil linnen).

‘Heimelijk, in zijn achterhoofd, vindt CPP-voorzitter Armando Liwanag dat er geen drie wapens zijn voor de revolutie - partij, volksleger en eenheidsfront - maar vier. Dat vierde wapen is een groot leider, zoals hijzelf.’ Rocamora echoot ook de militaire propaganda dat CPP-voorzitter Armando Liwanag en politiek asielzoeker José Maria Sison een en dezelfde persoon zijn. ‘Maar dat zal ik nooit in het openbaar zeggen’, voegt hij eraan toe.

Rocamora verdedigt de scheurmakers met hand en tand. ‘Ze menen het goed. Ze houden zich in om geen splitsing te veroorzaken. Voorlopig organiseren ze alleen discussie- en vormingssessies binnen hun eigen eenheden.’ Nochtans is deze vergadering zélf al een bewijs dat de Rejects hun discussies ook buiten de geëigende structuren voeren.

Rocamora raadt de ‘oppositie’ aan feller uit de hoek te komen en een volledige splitsing te forceren: ‘Ze moeten een alternatief bilan opmaken, een dat exact in de tegenovergestelde richting wijst van Reaffirm. Organisatorisch moeten we naar twee aparte entiteiten die naast mekaar bestaan, met een nette scheiding van de echtelijke eigendom, regio’s inbegrepen. Dan kan elk aan zijn eigen project werken en in de praktijk zijn strategie en tactiek proberen te valideren.’

Ik stel Rocamora een vraag: ‘Als de oppositie ermee akkoord gaat dat er een ernstige terugval is in de massabasis van de revolutie en ze verwerpt de analyse die Reaffirm daarvan maakt, waaraan schrijft zij dan die negatieve trend toe?’

‘In één woord: dogmatisme. Bijvoorbeeld door de kansen niet te zien of te grijPen die zich voordeden bij de overgang van de Marcos-dictatuur naar het Aquino-regime. Verder is de nationale leiding zwak, ze heeft onvoldoende greep op de situatie. Ten slotte hebben ook de campagnes tegen infiltratie veel schade berokkend en niet alleen in Mindanao.’

Vergeleken met de diepgang van Reaffirm vind ik dit een zwakke en incoherente analyse over zoveel jaren van zware fouten en achteruitgang.

25 februari. Weer een discussie met Lean gehad over de breuk in de beweging en de ‘faxoorlog’. De overwegende mening is nu toch dat Joma het volste recht had om dit te doen, omdat hij in verschillende krantenartikels persoonlijk was aangevallen door de Rejects.

Maar nog veel belangrijker is dat de dissidenten echt met een georchestreerde campagne tegen de revolutie bezig zijn en dat de CPP-leiding in de Filipijnen daarvan niet op de hoogte was. Die bevindt zich in een afgelegen guerrillafront, waarmee net in die periode wegens vijandelijke militaire operaties de communicatie verbroken was.

In oktober-november konden tientallen oppositieartikels en -documenten vrij circuleren binnen en buiten de beweging. Met NGO-fondsen werden de artikels gebundeld en gebruikt in vormingsvergaderingen. Twee cruciale maanden lang was de partijleiding niet in de mogelijkheid te antwoorden op de aanvallen en de leugens. Door de faxen van Joma werd de hele nationaal-democratische beweging wakker geschud en werd de ernst van de situatie voor iedereen duidelijk.

Brown-outs

10 maart. De brown-outs of stroomonderbrekingen zijn tegenwoordig alledaagse kost. Ze duren geen paar uur meer, maar gewoonlijk 6, dikwijls 8 en soms zelfs 11 uur per dag en ze kunnen je gelijk wanneer overvallen.

Het jeepneyritje naar kantoor is er niet prettiger op geworden. Niet-functionerende verkeerslichten, gecombineerd met de Filipijnse rijstijl en de afwezigheid van verkeersagenten zorgen voor ellenlange files. Het kantoor van de CHD is een bakoven, het ligt immers in een gebouw dat ontworpen is om permanent airconditioning te hebben. Fotokopies moeten wachten, een faxbericht van mijn schoonzus komt niet door, de computers liggen stil.

De reden van zoveel onheil: door mismanagement en corruptie bevinden de Filipijnse elektriciteitscentrales zich in een erbarmelijke staat en ze laten het om de haverklap afweten. Voor tientallen energieprojecten zijn fikse percentages commissielonen in de zakken van politici verdwenen. De Wereldbank wil nu de energiesector komen ontwikkelen. Maar eerst wordt het Internationaal Monetair Fonds op Manilla afgestuurd om voorwaarden op te leggen. Zolang het Filipijns parlement en de Raad van State niet instemmen ihet een forse prijsstijging van de elektriciteit, weigeren het imf en de Japanse Import-Export Bank fondsen vrij te geven.

Kwatongen beweren dat de brown-outs met opzet worden gerekt om de verkopers van stroomgenerators ter wille te zijn, die gouden zaken doen. Of om de bevolking murw te krijgen voor prijsstijgingen, of zelfs voor het uitroepen van de noodtoestand. Ramos heeft van het parlement al volmachten losgepeuterd om de energiecrisis aan te pakken.

Maar brown-outs hebben ook voordelen. Het zijn rustige periodes, zonder radio’s, tv’s en karaokes van de buren. Brown-outs zijn ook een geliefkoosd gespreksonderwerp, een beetje zoals het weer. En als onverwachts het licht weer aan springt na 5 uur in plaats van na 6 uur, gaat er gejuich op in de buurt, worden welgemoed radio’s en waaiers weer aangezet en stijgt het moreel: we kunnen er weer voor een tijdje tegen.

14 maart. Joepie, we zijn weer zwanger. Als alles meezit zullen we in oktober ons derde kindje hebben. En dan houden we het voor bekeken.

Een open brief aan de solidariteitsbeweging

10 april 1993. Een paar van onze Belgisch-Nederlandse vrienden zitten in dissident vaarwater. Roger heeft zich afgekeerd van de KMU en Sister Luisa van gabriela. Ze zijn dikke maatjes met Joel Rocamora. Roger vertrekt op vakantie naar België. We vrezen dat hij in de Europese solidariteitsbeweging een erg vertekend beeld van het debat gaat ophangen. Hilde Vanobberghen en onze vrienden van het ndf in Utrecht houden ons op de hoogte van de ontwikkelingen daar. Het laatste Bulletin van de Filipijnengroep Nederland bevat een lange scheldtirade tegen Reaffirm. Mijn handen jeuken om hen van antwoord te dienen, als ontwikkelingswerker die van nabij betrokken is bij de Filipijnse revolutionaire beweging. Ik overleg met een paar andere progressieve ontwikkelingswerkers en kruip in mijn pen.

‘Voor blijvende en fundamentele solidariteit met de strijd van het Filipijnse volk

De Europese solidariteitsbeweging met de Filipijnen is in crisis. Sommige groepen en comités vervallen in passiviteit, andere worden fel uitgedund of zelfs helemaal opgeheven. Dit verontrustend fenomeen vertoont veel overeenkomst met wat gebeurt in andere solidariteitsbewegingen met de Derde Wereld. De oorzaak van deze terugval is te zoeken in de invloed van enkele opmerkelijke politieke, economische en sociale wereldgebeurtenissen van de laatste jaren: de "val van het socialisme" in Oost-Europa, de verkiezingsnederlaag van de Sandinisten in Nicaragua, de onderhandelde "vredes" waaraan allerhande bevrijdingsbewegingen ten onder gaan en de opmars van het neoliberaal gedachtegoed en extreem-rechts in Europa.

Maar specifiek voor het Filipijnse solidariteitswerk geldt deels ook een andere verklaring. Onder het mom van "kritische" solidariteit verliezen verschillende solidariteitsgroepen zich in discussies en gissingen omtrent de interne debatten en problemen van de Filipijnse nationaal-democratische beweging. Wat erger is: gewild of ongewild lijkt tegelijk de fundamentele solidariteit met het Filipijnse volk terzijde te worden geschoven.

Waar het solidariteitswerk op afstemmen ?

De laatste tijd hebben niet-gouvernementele organisaties hun mond vol over duurzame ontwikkeling, gender sensitivity en popular education. De Filipijnen-solidariteitsgroepen haken gretig in op deze modetrends. Nu is er uiteraard niets verkeerds aan bekommernis om het milieu of om vrouwenrechten. Wel worden deze termen vaak uit hun context gehaald en dreigen deze deelaspecten de solidariteit met de essentiële eisen van het Filipijnse volk naar het achterplan te verdringen.

Want voor de Filipijnse boeren, interne vluchtelingen, inheemse volkeren, stadsarmen en arbeiders die dagelijks te maken hebben met de realiteit van uitbuiting, onderdrukking en keiharde repressie, zijn deze mooie woorden praat voor de vaak. Vraag hén naar de prioriteiten, en je zal te horen krijgen: land, werk, een dak boven het hoofd, onderwijs, medische verzorging. En wapens!

Laten we niet vergeten dat de Filipijnen tot nader order een onderontwikkeld, agrarisch derdewereldland blijft, in de greep van buitenlandse belangen en binnenlandse elites. Of om het met meer wetenschappelijke termen te zeggen: de basisproblemen van de Filipijnse maatschappij heten nog steeds imperialisme, feodalisme en bureaucratisch kapitalisme. De taak die de nationaal-democratische beweging op zich heeft genomen blijft dan ook brandend actueel: het Filipijnse volk leiden in zijn strijd om dit drievoudig juk af te werpen.

Het interne debat in een notendop

Dissidenten binnen en buiten de beweging jammeren meestal over de vorm waarin het interne debat plaatsheeft, en verliezen daarbij bewust of onbewust de zoveel belangrijker inhoud uit het oog. Daarom een kort woordje hierover.

Het debat binnen de CPP, het ndf en de hele nationaal-democratische beweging dateert niet van gisteren. Het is al meer dan tien jaar aan de gang. Heel die tijd mocht ieder zijn zegje hebben over de meest uiteenlopende zaken: de strategie van de volksopstand versus de langdurige volksoorlog, de boycotfout van 1986, de duiding van het Aquino-regime, de vredesbesprekingen, de analyse van de Filipijnse maatschappij, de rol van verkiezingen, de gebeurtenissen in Oost-Europa. Mede door tekortkomingen van de centrale leiding konden binnen de beweging diverse dissidente ideeën en theorieën zich vrij ontwikkelen en werden jarenlang allerhande experimenten toegelaten.

Precies in die periode had in het hele land een belangrijke terugval plaats in de sterkte en impact van de revolutie, met een alarmerende reductie van haar massabasis. Toen tientallen rapporten uit de regio’s en uit alle geledingen van de beweging de toets van een diepgaande theoretische analyse ondergingen, werd het verband duidelijk tussen de zware achteruitgang op het terrein enerzijds en de wildgroei van afwijkende ideeën en alternatieve praktijken anderzijds. Het lijstje met serieuze ontsporingen die werden geïdentificeerd is duizelingwekkend. Aan de ene kant heb je ‘linkse’ fouten: militarisme, insurrectionisme, bureaucratie, hysterie in anti-infiltratiecampagnes en zelfs regelrechte gangsterpraktijken. Aan de andere kant heb je rechtse afwijkingen: ultrademocratie, electoralisme, populisme, overdreven geloof in vredesonderhandelingen, misplaatst gedweep met Gorbatsjov.

De rode draad doorheen tien jaar verwarring: de beweging had zich verwijderd van de massa’s, van de mensen waarvoor en waarmee de revolutie juist gevoerd wordt. De oplossing lag dan ook voor de hand: back to basics, terug naar de strategie, tactiek en werkmethoden die de beweging groot hadden gemaakt. Terug naar de grassroots ook, naar de massa’s, naar het water, de enige plek waarin de vis gedijt.

Dit proces, in het jargon rectificatie genoemd, is in feite gestart nog voor het zo gecontesteerde CPP-document Reaffirm het levenslicht zag. In de meeste regio’s waren de desastreuze gevolgen van de vele fouten immers al eerder duidelijk geworden en had men besloten het roer weer om te gooien. Vanaf 1990 deed ook de nationale leiding afstand van de foutieve oriëntaties. Reaffirm en de rectificatiecampagne zijn dus de systematisering, uitdieping en veralgemening van een analyse en een proces die al jarenlang aan de gang waren.

De nieuwe uitdaging voor de solidariteitsbeweging

Wij menen dat de solidariteitsgroepen met het Filipijnse volk aan een kritisch gewetensonderzoek toe zijn. Onze indruk is immers dat de solidarieitsbeweging in zekere mate beïnvloed is door de rechtse fouten begaan door de nationaal-democratische beweging.

Met een populair Filipijns TV-programma zouden we dan ook willen uitroepen: 'Hoy! GisingY, ‘Hé, word wakker!’. Wil de Europese solidariteitsbeweging nog echt solidair zijn met het Filipijnse volk, dan moet ze zich herpakken. En vooral goed luisteren naar die Filipino’s die met beide voeten op de grond en in de strijd staan.

Het ogenblik om de Filipijnse volksbeweging in de steek te laten is uitermate slecht gekozen, in een periode van blijvend intense totale oorlog, psychologische oorlogvoering rond amnestie en vrede, militarisering van het Ramos-regime en een sterk veranderde internationale situatie.

Het is dan ook hoog tijd dat de echte vrienden van het Filipijnse volk opstaan en zich weer met man/vrouw en macht achter de nationaal-democratische bevrijdingsstrijd scharen.’

Ik onderteken met Chris Devon, Bezorgde Ontwikkelingswerkers in de Filipijnen, en verstuur de brief naar een 30-tal Filipijnengroepen in Europa.

Protest tegen moedersterfte (Rita)

28 mei. Vandaag is het de Internationale Actiedag voor Vrouwen en Gezondheid. gabriela doet mee. We maken van de actiedag een begrafenis, om alle vrouwen te gedenken die nodeloos zijn gestorven ten gevolge van zwangerschap of bevalling.

Op de Filipijnen zijn dat elk jaar 2.000 vrouwen, waarvan 97% in de sloppenwijken. De belangrijkste directe oorzaken van hun dood zijn bloedingen, infecties en de verwikkelingen van hoge bloeddruk. 94% van de moedersterfte op de Filipijnen is te voorkomen, want in België leiden dezelfde medische problemen meestal niet tot de dood.

Maar het is meer dan een kwestie van bloedbanken, antibiotica of bloeddrukmeters. De hele Filipijnse gezondheidszorg bevindt zich in een lamentabele toestand, ook de pre- en postnatale zorg. Aanstaande moeders gaan te weinig of te laat op prenatale controle. Bij een privé-arts betekent dit immers veel betalen terwijl je niet eens ziek bent en op de gratis consultaties in de overheidsklinieken word je afgesnauwd (‘Weeral zwanger? Waarom kom je zo laat op controle?’), moetje uren in de rij staan en is er gebrek aan gekwalificeerd personeel, aan onderzoeksinstrumenten en aan geneesmiddelen.

Veel vrouwen lijden aan bloedarmoede of algemene ondervoeding. Ze krijgen te veel kinderen en te vlug na mekaar, op te jonge of te gevorderde leeftijd. Door de lage scholingsgraad en de strikte katholieke moraal wordt goede contraceptie zelden toegepast, met als gevolg dat veel vrouwen zich gedwongen voelen abortus te plegen.

Maar omdat abortus wettelijk verboden is worden eigenhandig allerlei middeltjes uitgeprobeerd: een wortel in de vagina steken, bittere plantenaftreksels drinken, extreme fysische activiteit of 12 aspirientjes en 3 cola’s naar binnen zwelgen. De vrouw kan ook naar een hilot gaan, een engeltjes-maakster. Die probeert het met baarmoedermassage, kruiden of een catheter. Om hoeveel abortussen het gaat is door het illegale karakter ervan moeilijk te achterhalen. Voor de Filipijnen variëren de cijfers tussen 150.000 en 750.000 gevallen per jaar. En een slecht uitgevoerde abortus is een belangrijke oorzaak van moedersterfte.

Deze voormiddag hebben we een gesprek over het probleem van de moedersterfte met minister van Volksgezondheid Flavier. Hij kan maar een kwartiertje voor ons uittrekken. Ja, hij is zich bewust van het probleem. Maar of hij er ook iets aan kan doen? Het is allemaal zo complex... het systeem... de politici... de Kerk... de beperkte middelen...

In de namiddag trekken we met zo’n 200 vrouwen van gabriela in optocht door de stad, met spandoeken, toeters en bellen. Bij het Philippine General Hospital, het grootste staatshospitaal, leggen we een rouwkrans neer, omringd door brandende kaarsen. De viering wordt voorgegaan door een vrouw in de rol van een babaylan, een hogepriesteres uit de prekoloniale tijd.

Vaccinatie en militarisatie

Ramos’ minister van Volksgezondheid, Juan Flavier, is een populaire figuur. Hij is 32 jaar dokter geweest op het platteland, heeft daarover drie boekjes volgeschreven met pittige parabels en anekdotes en stond lang aan het hoofd van een grote NGO, het International Institute for Rural Reconstruction.

Minister Flavier staat model voor de zogezegd nieuwe aanpak van president Ramos: people empowerment, duurzame ontwikkeling, participatieve democratie, begrippen die in een niet al te ver verleden nog subversief werden bevonden door diezelfde Ramos, toen hij onder dictator Marcos aan het hoofd stond van de repressiekrachten.' Bovenaan Flaviers actieprogramma staan de Nationale Vaccinatiedagen. Die moeten gepaard gaan met een Staakt-het-vuren voor Kinderen, waarbij ‘alleen vaccins zullen worden geschoten, geen kogels’. Een handige propagandaslogan die nergens op slaat, want het is niet het gewapend conflict dat de verspreiding van kinderziekten in de hand werkt of de strijd ertegen bemoeilijkt, wel de abominabele sociaal-economische toestand en het gebrek aan goede gezondheidsdiensten.

De militaire analogie die Flavier gebruikt - de vaccinatiecampagne wordt ook OplanAlis Disease genoemd, Operationeel Plan Weg Ziekte - is misplaatst. Een gezondheidswerker uit Negros, die al meermaals met Ramos’ soldaten te maken kreeg, schrijft een lezersbrief naar de kranten: ‘Er sterven veel meer kinderen door militarisatie dan door polio. Als de minister zo bekommerd is om het welzijn van de kinderen, waarom voert hij dan geen actie tegen de militarisatie?’

Maar hierover zwijgt Flavier in alle talen, net zoals over het schuldenprobleem, het grootgrondbezit, de werkloosheid, de prijsstijgingen. De Council for Health and Development noemt Flaviers populistische gezondheidsprojecten zoethoudertjes voor Ramos’ onpopulaire politieke en economische maatregelen. Erger zelfs, als een element in de counter-insurgency. Want gezondheidsorganisaties in verschillende provincies informeerden de CHD dat goedbewapende soldaten vaccinatieteams vergezellen naar afgelegen dorpjes, waar ze ijverig de namen noteren van alle adolescente jongens. Maar na de vaccinatiedagen roept minister Flavier triomfantelijk uit dat ‘gezondheid neutraal is en geen ideologie kent’...

Een ander project van het ministerie van Volksgezondheid is de Super Sangkap Laban sa Hirap, de Superfactor tegen Armoede. Dit zijn jodium-capsules om het jodiumtekort te verhelpen, dat tot goiter en mentale achterstand leidt. Maar of daarmee ook aan de armoede wordt verholpen? Idem met Oplan Sagip-Mata, Red de Ogen. Aan kinderen worden vitamine A-capsules uitgedeeld om een oogziekte te voorkomen die veroorzaakt wordt door vitamine A-gebrek. De capsules zijn geschonken door de ontwikkelingsorganisatie van de Amerikaanse overheid, usaid.

Flaviers gezondheidsprojecten zijn sterk gecommercialiseerd. De vaccinatiecampagnes worden gesponsord door de Filipijnse fastfood-keten Jol-libee. Zo worden samen met immuniteit tegen kinderziekten ook slechte eetgewoonten aangekweekt. Het Amerikaanse McDonald’s kon niet achterblijven. Het sponsort het ministerie van Volksgezondheid voor de Maand van het Hart. Tussen het verorberen van een hartige hamburger en een cafeïne-cola door kunnen de klanten in McDonald’s gratis hun bloeddruk laten meten.

Minister Flavier bedient zich graag van afkortingen. Een volledig gevaccineerde streek heet een Fully Vaccinated Region of fvr, de initialen van president Fidel v. Ramos. Er is nog een ander FVR-project: Fortified Rice Vitamin, een met vitaminen versterkte rijstsoort. Er is ook fidel: Fortified lodine Deficiency Elimination, net als destijds marcos (Medical Assistance to Rural Communities and Other Sectors) en imelda (Integrated Medical Expeditions to Less Developed Areas). Kunnen wij ook hoor. Rita en ik denken erover projecten op te zetten onder de namen bert (Belgian Expeditions to the Rural Tropics) en rita (Research Initiativesfor Training andAssistance).

Hoechst versus Romy Quijano

Nestlé, McDonald’s, de farma-business: de Filipijnen zijn een geliefkoosd jachtterrein voor multinationale ondernemingen. In hun niet aflatende jacht naar maximale winst willen ze geen strobreed in de weg worden gelegd. Dat ondervindt ook onze vriend Romeo Quijano. Romy is farmacoloog, universiteitsprofessor, voorzitter van de Health Alliance for Democracy, een organisatie van progressieve gezondheidswerkers, en adviseur van de Council for Health and Development. In een kranteninterview had hij gezegd dat Thiodan, een veelgebruikt pesticide van de Duitse chemie-gigant Hoechst, potentieel kankerverwekkend is. De inkt was nog niet droog of Hoechst had al een proces tegen hem aangespannen met een schadeclaim van zomaar eventjes 22 miljoen peso.

Thiodan (generische naam: endosulfan) is door de Wereldgezondheidsorganisatie gerangschikt onder de ‘middelmatig schadelijke’ pesticiden. Het Filipijns ministerie van Landbouw had het product in 1992 al eens verboden, maar Hoechst wist de ban langs gerechtelijke weg ongedaan te maken.

De juridische stappen van Hoechst gaan gepaard met een leugenachtige reclamecampagne: ‘Hoechst, voor een beter leven’. Een beter bedrijfsleven dan wel, want het leven van de Filipijnse rijstboeren wordt ernstig bedreigd door pesticidengebruik. Elk jaar worden in Centraal-Luzon, de rijstschuur van de Filipijnen, duizenden gevallen genoteerd van vergiftiging door pesticiden, waarvan honderden met dodelijke afloop. Boeren die jarenlang zijn blootgesteld aan pesticiden kunnen last krijgen van bloed-, lever-, nier-, ademhalings-, huid-, oog- en zenuwaandoeningen. Maar dat zal Hoechst een zorg wezen.

De afscheuring

16 juli. De CPP-Manilla onder leiding van Popoy verklaart haar autonomie ten opzichte van de centrale CPP-leiding. Popoy stelt dat zijn groep nog steeds voor gewapende strijd is, maar bereid is ‘alle mogelijkheden van de burgerlijke democratie te gebruiken’ en ‘de kleinste kans te benutten om te zoeken naar een vreedzame, onderhandelde oplossing voor de opstand’.

Tegelijk dreigt hij ermee de aanvallen van de stadsguerilla op politiemensen, misdadigers en zakenlui op te drijven. De Alex Boncayao Brigade zal de Presidentiële Commissie tegen de Misdaad een lijst van 1.000 harde misdadigers overhandigen die het kan uitschakelen, zegt Popoy. Ramos antwoordt droogjes dat zijn eigen politiediensten dat varkentje wel zullen wassen.

18 juli. Een anoniem CPP-kader in Manilla zegt dat de afgescheurde groep van Popoy verantwoordelijk is voor het in brand steken van passagiersbussen tijdens de welgang bayan van 1990, en voor de serie bomaanslagen in 1991, waarbij onschuldige slachtoffers vielen. Hij waarschuwt dat Popoy een tweejarenplan heeft om het stadsterrorisme nog op te drijven.

21 juli. Ik schrijf Rita’s zus Hilde:

‘Het debat en de "split" hebben ook hun effect op vriendschapsbanden. Roger praat nog amper tegen Rita en mij; hij schermt zich volledig van ons af. Wij proberen normaal met hem om te gaan. Politieke meningsverschillen, zelfs ernstige, hoeven voor ons een normale menselijke omgang niet in de weg te staan. Maar blijkbaar denkt Roger er anders over.

Ik ben met de CHD nog eens een vormingscursus gaan geven, in Mindanao. Dat doet altijd deugd. Binnenkort volgt er nog een, maar tegenwoordig heb ik vooral veel papierwerk: projectvoorstellen, verslagen, artikels schrijven, enzovoort.

Nu onze kant door de Rejects beschuldigd wordt van stalinisme komen |c Engelstalige boeken en artikels over de Stalin-periode goed van pas. Ik heb ze via Lean doorgespeeld aan onze Filipijnse kameraden. Blijkbaar valt dat in goede aarde, want ik ben gevraagd om UG vorming te geven over politieke economie en over het boek De USSR en de fluwelen contrarevolutie. Alles bij elkaar heb ik een boeiende en afwisselende job. Ik denk dat ik al veel heb bijgeleerd.

Ook Rita is heel druk bezig de laatste maanden, met medische vorming en de begeleiding van de vrouwenorganisaties in de sloppenwijken.

Over onze toekomst in België zullen we het volgend jaar eens uitgebreid moeten hebben, want jij zit blijkbaar met de misvatting dat wij dan al definitief terugkeren! We hadden toch besloten dat we nog anderhalf jaar zouden bijtekenen, tot de lente van 1995.’

Philippines 2000

27 juli. In zijn State of the Nation-toespraak heeft president Ramos het bijna uitsluitend over zijn Medium Term Philippine Development Plan, ook Philippines 2000 genoemd, dat hij in januari lanceerde. Het is een ambitieus economisch vijfjarenplan dat de basis moet leggen om de Filipijnen tegen het jaar 2000 om te vormen tot een nic, een Newly Industrializing Country. Daarvoor moet het Bruto Nationaal Product naar een jaarlijkse groei van 7,5% gaan. Dat zou goed zijn voor 1,2 miljoen nieuwe arbeidsplaatsen per jaar. Door de economische groei zou tegen 1998 het armoede-cijfer dan dalen tot ‘amper’ 30% van de bevolking.

De centrale begrippen van Philippines 2000 zijn competitiviteit op de wereldmarkt, bevordering van de export en het aantrekken van buitenlandse investeringen. De instrumenten om dat te bereiken: liberalisering of het vrijmaken van de economie; privatisering van staatsbedrijven en -diensten; deregulering of het verwijderen van ‘bureaucratische remmingen’.

Het geheel is in progressieve terminologie gegoten: levenskwaliteit, people empowerment, human resource development, duurzame ontwikkeling. Maar mooie woorden kunnen niet verdoezelen dat Philippines 2000 niets anders is dan een structureel aanpassingsprogramma onder een andere naam, zoals ze worden voorgeschreven door het Internationaal Monetair Fonds en de Wereldbank.

Sinds 1961 heeft Manilla al 20 iMF-programma’s afgesloten om de economie er bovenop te helpen, maar het enige dat groeit in de Filipijnse economie is de buitenlandse schuld. Bij de val van Marcos in 1986 bedroeg die nog 26,3 miljard dollar. Vandaag, na jaren van miljardenbetalingen, is het 34,1 miljard dollar. Volgens een vertrouwelijk rapport van de Wereldbank zal de volgende vijfjaar 20 miljard dollar worden afbetaald om... de schuld nog te zien toenemen tot 40 miljard dollar!

Dictator Marcos en zijn opvolgers Aquino en Ramos hebben altijd slaafs alle buitenlandse schulden afbetaald, zelfs die waarvan het frauduleus karakter bewezen is. De Filipijnse minister van Buitenlandse Zaken Romulo geeft vandaag openlijk toe dat de buitenlandse schuld ‘als een molensteen om de nek’ van zijn land hangt, maar in dezelfde adem herhaalt hij dat de regering zal blijven afdokken.

De volksbeweging onderwerpt Ramos’ Philippines 2000 aan een striemende kritiek. De boerenbeweging kmp heeft berekend dat 118.000 hectare landbouwgrond zullen moeten plaats ruimen voor agro-industriële ontwikkelingszones en golfterreinen. De volksorganisaties voorzien met Philippines 2000 massale schendingen van de mensenrechten, evacuatie van boeren en inheemse volkeren, super-uitbuiting van arbeiders, vervuiling van land, water en lucht, voedselonveiligheid, militarisatie, besparingen in de sociale voorzieningen en hogere belastingen.

Onze Filipinootjes

7 augustus. Yuri komt enthousiast thuis van school: ‘Papa, daarjuist kriebelde er iets aan mijn poep en er kwam iets uitgekropen, en Ate Nene zei dat het een bulate (worm) was.’ De jongen lacht onbedaarlijk, maar wij vinden het minder grappig. We geven de twee kinderen een antiwormmiddel, maar buiten die ene lange dikke ringworm bij Yuri komt er niets mfeer uit. We brengen Mara’s stoelgang naar het labo, zij sukkelt al weken met diarree. Ze blijkt amoebiasis te hebben, een vervelende darmparasiet.

Aan tafel discussiëren Rita en ik over de naam voor ons derde kindje. Yuri snapt niet waarom we nog twijfelen: voor een meisje Yasmin, het mooie prinsesje uit de Disney-film Aladdin, en voor een jongen Jaffar, de boze tovenaar uit diezelfde prent en zijn grote favoriet. In Manilla is de Disney-rage overweldigend. Yuri is er niet immuun voor. Ook in dat opzicht zijn onze kinderen volwaardige Filipinootjes.

Hommeles bij de volksorganisaties

Augustus-september. Het debat in de ondergrondse nationaal-democratische beweging sijpelt door tot de legale volksorganisaties. Een moeilijke, verwarde periode voor iedereen die van ver of van dichtbij betrokken is bij de Filipijnse beweging.

Eerst is de boerenvakbond kmp aan de beurt. Meningsverschillen over de te volgen strategie blijken onoverbrugbaar. Het spel wordt hard gespeeld, met als inzet onder andere buitenlandse ontwikkelingsgelden. De Nationale Raad van de kmp beslist, meerderheid tegen minderheid, om voorzitter Jimmy Tadeo en enkele anderen uit hun functie te ontzetten. Die stichten dadelijk een rivaliserende organisatie, de ‘Democratische kmp’.

In de KMU-vakbond worden leiders van de afdeling Manilla in de minderheid gesteld over een aantal politieke en organisatorische kwesties. De Nationale Raad van de KMU ontheft hen uit hun functies. Even later kondigen zij aan uit de organisatie te stappen. Op 14 september richten ze een anti-KMU vakbond op, de bmp (Bond van Arbeiders voor Verandering) en beschuldigen ze de KMU-leiding plots van corruptie.

Een gelijkaardig scenario bij de overkoepelende volksorganisatie Bayan: de afdeling Manilla trekt zich terug uit de nationale organisatie.

Pina (Rita)

20 september 1993. Vandaag is het vrijdag en dan ga ik naar Apelo Cruz. De gezondheidswerksters houden hun wekelijkse vergadering. We praten wat bij en ik bezoek enkele patiënten. Ik heb ook met Pina afgesproken voor een interview. Ze is een van de meest actieve gezondheidswerksters van Apelo en ik wil haar verhaal graag in onze nieuwsbrief.

Ik tref Pina aan in het wijkkliniekje, ze heeft net haar golvend haar laten knippen. Met de vele kilo’s die ze vermagerd is, ziet ze er jonger en frêler uit.

We zoeken een plekje waar we rustig kunnen zitten. Veel keuze is er niet, we zetten ons op het voeteneinde van de onderzoektafel. Ons gesprek wordt een paar keer onderbroken als we moeten plaats maken voor een zieke of voor een zwangere die op prenatale controle komt.

Pina is zenuwachtig: ‘Wat moet ik vertellen?’

‘Begin maar met het begin: wie ben je en van waar ben je afkomstig?’

‘Mijn naam is Josefma Rodil Ricohermoso, maar iedereen noemt me Pina. Ik ben geboren in 1959 op Marinduque, een eiland ten zuiden van Manilla. Ik ben nu dus 34 jaar. Mijn vader is gestorven toen ik nauwelijks 6 maand oud was. Mijn moeder heeft mij en mijn vijf oudere broers en zussen in haar eentje moeten grootbrengen. We leefden op het platteland, onze dichtste buur woonde een kilometer verder. Samen bewerkten we het land, we verbouwden rijst, maniok, maïs en wat groenten. Honger hebben we nooit geleden, maar er was niet veel geld om kleren, huisraad of eens wat vlees te kopen.

Toen ik zeven werd mocht ik naar de dorpsschool. Ik heb zes jaar lager onderwijs genoten, maar een middelbare school was er alleen in de stad. Ik moest dus stoppen met studeren. Omdat er thuis niet veel te doen was voor een tiener als ik, die dan nog de jongste was, besloot ik een vriendin te gaan helpen in Manilla, die als winkeljuffrouw in een bakkerij werkte. Ik verdiende er amper 40 peso per maand, plus kost en inwoon. Maar mijn moeder werd ongerust en kwam me weghalen.

Moeder leerde me naaien en ik vond opnieuw werk in Manilla, eerst in een klein atelier waar ze ons per stuk betaalden: 4,50 peso voor een broek, wat 1 a 2 uur werk was. Later in een grote textielfabriek, met een weekloon van 108 peso. Maar daarvan was ik al 100 peso per maand kwijt aan de huur van een kamertje.

Hoewel ik bijna twintig was ging ik niet veel uit. Zo kon ik wat sparen voor het geval ik zou ontslagen worden. In die periode leerde ik mijn toekomstige echtgenoot kennen. Hij huurde een kamer in het logementshuis naast het mijne en hij had een job in een steenhouwerij. Na vier jaar vrijen trouwden we. Veel was daar niet aan: alleen voor de wet, zonder mis of feest. Mijn moeder was boos omdat ik zo jóng trouwde.

Tn 1983 nam ik ontslag, want ik had intussen twee kinderen. Met één loon was het moeilijk rondkomen. Mijn man besloot zijn geluk te beproeven in het buitenland en trok als arbeider naar Irak. Van de 10.000 peso die hij per maand verdiende stuurde hij er 3.500 naar huis. Een groot deel ging naar het agentschap dat voor zijn visum en vliegtuigticket had gezorgd. De tijd dat mijn man weg was ben ik met de kinderen terug naar de provincie getrokken. Maar door de oorlog tussen Iran en Irak werd mijn man al na een jaar naar de Filipijnen teruggestuurd.

Met zijn ontslagpremie en met wat ik had bijeengespaard solliciteerde hij opnieuw voor Saudi. Na zes maand wachten bleek dat het agentschap hem in het ootje had genomen. Onze lieve centen waren we kwijt. Hij is dan mee naar de provincie gekomen om als visser aan de slag te gaan. Maar dan heb je nooit een vast inkomen, zeker met al die tyfoons. Nadat ik bevallen was van een tweeling, drong ik erop aan terug te keren naar Manilla.’ Dankzij gabriela

‘Sinds ’ 89 wonen we in Apelo. Mijn oudste zoon heb ik bij mijn schoonouders in de provincie gelaten, hij loopt daar school. We leven met z’n zessen in een kamertje van 4 meter op 3. Er is één venster, maar dat zetten we nooit open want het ziet uit op een blinde muur. De vier kinderen delen een stapelbed. Mijn man en ik slapen op een matje op de grond. Verder zijn er een tafel, een bank en drie stoelen. Eén van de hoeken is ingericht als keukentje, met een afwasbak en een klein gasfornuis. We hebben ook een ventilator en een tv. Er is dus elektriciteit, maar water moeten we gaan halen aan een gemeenschappelijke pomp en we delen één wc met vier families.

Mijn man is een tijdje als ijscoman aan de kost gekomen. Nu is hij voddenraper, zoals de meesten hier. In het begin ging ik mee uit werken, maar dan moest ik al om 2 uur ’s ochtends opstaan om te wassen, te koken en te kuisen en was ik pas om 6 uur ’s avonds weer thuis.

Sinds een jaar of twee werk ik mee met de vrouwenorganisatie gabriela. Ik ben toevallig met hen in contact gekomen, toen ze hulp nodig hadden bij de voorbereiding van hun kerstfeestje, gabriela had pas het kliniekje geopend en dat sprak me aan. De consultaties zijn gratis, de medicamenten goedkoop en vooral de mensen zijn er vriendelijk. Een groot verschil met de medische centra van de regering. Ik werd lid van de vrouwenorganisatie en voor ik het besefte werkte ik als vrijwilligster mee met een vaccinatiecampagne. Later kreeg ik zes maand opleiding in basis-geneeskunde.

Als wijkgezondheidswerkster hou ik een voormiddag per week het kliniekje open. Ik ruim wat op, onderzoek enkele patiënten en verkoop geneesmiddelen. Daarvoor krijg ik een maandelijkse vergoeding van 500 peso. Ik ben ook verantwoordelijk voor de kredietcoöperatieve. Die leent geld aan lage intrest aan vrouwen die een klein handeltje willen beginnen. Elke namiddag doe ik mijn ronde om de afbetalingen te innen.

Ik doe mijn werk graag, het is zeker beter dan thuis te zitten. Mijn man steunt me in mijn werk, wat hier wel een uitzondering is. Hoewel ik weinig formele medische opleiding heb genoten, kan ik de meeste vrouwen hier toch helpen bij hun gezondheidsproblemen. Maar vooral het samenzijn met andere vrouwen vind ik positief: ervaringen uitwisselen, problemen bespreken en plezier maken. De dagen dat we medische vorming hebben zijn wel hard. Dan zijn we uren onderweg naar het kantoor waar de lessen gegeven worden.’ Kanker

‘Mijn gezondheidsproblemen zijn zowat een jaar geleden begonnen. Ik had een droge hoest die maar niet wou overgaan. Ik dacht meteen aan tuberculose, maar de radiografie was negatief. Drie maand geleden begon ik bloed op te hoesten en op de volgende rx was een zwarte vlek te zien. Tk moest voor onderzoek naar het hospitaal. Als je van een armenwijk komt, zijn de onderzoeken in een overheidshospitaal goedkoper, maar het is uren aanschuiven, en ze sturen je dikwijls van het kastje naar de muur. Na een maand had ik nog maar alleen uitslagen van bloed- en urineonderzoek, een elektrocardiogram en een derde radiografie.

Toen het bloedspuwen verergerde, besloot ik naar een gespecialiseerd privé-ziekenhuis te gaan, wat natuurlijk veel duurder uitkwam. Na twee weken vertelden de dokters me dat ik een uitgezaaide kanker had en dat ik nog maar drie maand te leven had. Zomaar, vlakaf! Ze stelden me voor chemotherapie te ondergaan. Maar één sessie kost 10.000 peso, en je moet in totaal zes sessies volgen. Waar zou ik die som vandaan halen?

Het enige dat op dat moment door mijn hoofd spookte was: "Ik ga sterven". Na overleg met de vriendinnen van gabriela ben ik bij een homeopaat in behandeling gegaan. Ik volg een streng dieet: onbespoten groenten, fruit en rijst. Voor de rest MAG ik niets eten, geen vlees, kip, eieren, vis, conserven, brood. Ik neem homeopathische medicamenten en moet mezelf drie lavementen per dag zetten. Op twee maand tijd ben ik 14 kg vermagerd, maar ik voel me een stuk beter. Die benauwdheid bij het ademen is weg. Mocht ik nu ook nog van die hoofdpijn afgeraken...

Maar die kan ook van de zorgen zijn. Het geld dat mijn man elke dag naar huis brengt gaat op aan eten voor hem en de kinderen. Gelukkig steunt gabriela me voor de aankoop van de geneesmiddelen. Die steun is een hart onder de riem. Ik geef de hoop niet op, ik blijf doorvechten.’

Klaar voor de thuisbevalling

21 september. Na veel wikken en wegen heeft Rita mij bereid gevonden de thuisbevalling van ons derde kind zelf te doen. Tenslotte ben ik dokter, heb ik hier meegewerkt aan het opstellen van een cursus verloskunde en heb ik ooit al eens enkele bevallingen gedaan, tien jaar geleden op stage in Chili. Waarom dan niet die van mijn eigen vrouw? Trouwens, als ik weiger zie ik Rita ertoe in staat de klus helemaal in haar eentje te klaren.

We verzekeren ons van de hulp van enkele vriendinnen dokters, verpleegkundigen en een vroedvrouw. Onze achterkamer wordt weer omgevormd tot bevallingskamer annex materniteit. Een grondige kuisbeurt, wat meubelen| verhuisd, en een roltafeltje met alle benodigdheden, inbegrepen twee paar steriele handschoenen en een tube om het bloed uit de navelstreng op te vangen voor onderzoek. We hebben onze duyan weer bovengehaald, de rieten hangwieg. Ik desinfecteer de kamer een laatste maal en hoop dat er niet te veel kakkerlakken zullen langslopen tijdens de bevalling.

Rejects in de regio’s

8 oktober. Nu is het de beurt aan de regionale CPP-leiding van Negros om zich autonoom te verklaren. Ze zetten zich af tegen het ‘stalinistisch, feodaal en absolutistisch leiderschap van Sison’. De dissidenten vinden een bondgenoot in de gouverneur van Negros, een grote suikerbaron: ‘Dit is een positieve stap. Nu Sison niet meer in de weg staat, zijn we in een betere positie om het vredesproces verder te zetten. Ik heb trouwens altijd al gevonden dat Sison niet meer relevant is voor het Filipijnse volk.’

17 oktober. De laatste in het rijtje is het regionaal CPP-comité van Centraal-Mindanao, de kleinste regio op het eiland.

Ik meld deze nieuwe ontwikkelingen aan Hilde Vanobberghen:

‘Blijkbaar nemen de Rejects nog uitbreiding in plaats van omgekeerd. Ik denk dat de partijleiding de ernst van de split heeft onderschat. Wat zou ik graag nog eens uitgebreid met Lean praten, om al die berichten in hun context te kunnen plaatsen en om te horen hoe het globaal met de beweging gesteld is.

En weetje de laatste al van Roger? Hij is betrokken bij het opzetten van een derde vakbondscentrum, naast de KMU en de bmp, van sociaal-democratische inslag.’

Lize

18 oktober, 5 uur ’s ochtends. Rita maakt haar bedgenoot en privé-verloskundige wakker. Haar weeën zijn al een paar uur zachtjes aan de gang. We brengen alles in gereedheid voor onze tweede thuisbevalling. De kinderen slapen rustig voort. Bij buren die telefoon hebben begin ik mijn assistenten op te bellen. Marlyn, de verpleegster die voor de pasgeboren baby zal zorgen, ligt nog vast te slapen. Bij Junice, een dokteres van gabriela, doet de telefoon het niet. Leni kan al evenmin bereikt worden, haar semafoon heeft een platte batterij. En tot overmaat van ramp is Merly, de vroedvrouw, al vroeg vanmorgen op cursus vertrokken buiten Manilla.

Gelukkig gaat Rita’s arbeid niet snel vooruit. Als om 8.15 uur Marlyn zich meldt kan ik nog gauw Yuri en Mara naar school brengen. Maar als om 9 uur nog niet meer hulp is opgedaagd ga ik Leni en Gemma uit een vergadering weghalen en iemand gaat Junice thuis met een taxi ophalen.

Rond 13 uur begint de bevalling. Verdomme, de elektriciteit valt uit. Gelukkig heeft Marlyn een noodlamp meegebracht. Ik ben uit mijn lood geslagen als het kind er met haar aangezichtje eerst uitkomt in plaats van met haar achterhoofdje. Toch verloopt alles vlot, de baby is daar.

Rita lacht en schreeuwt van verlossing en geluk: ‘Babaaa-eeee! ’, een meisje! Amper twee uur na de bevalling brengt mijn vrouwtje het gezegde ‘bevallen en opstaan’ in praktijk: ze komt met Lize vooraan bij het bevallingsteam zitten. Ons kleine meisje kijkt wakker in het rond en gaat van arm tot arm.

Reaffirm haalt de bovenhand

30 november. Bonifacio-dag, de herdenking van de arbeidersleider die de eerste Filipijnse revolutie leidde, in 1896 tegen de Spaanse bezetters. De organisaties die geïdentificeerd worden met Popoy betogen samen met de tucp, de oerconservatieve regeringsvakbond. Ook Jimmy Tadeo is erbij, de weggestemde ex-voorzitter van de boerenvakbond kmp. Die verklaart dat ‘rechts en links elkaar hebben gevonden in hun drang naar gerechtigheid’. De super-clandestiene ABB-stadsguerrillero’s delen pamfletjes uit die zowel de regering Ramos als de ‘stalinisten in de CPP’ op de korrel nemen. In de betoging worden spandoeken meegedragen ‘Weg met het stalinisme’.

De KMU houdt zijn eigen manifestatie, samen met de andere nationaal-democratische organisaties. De Inquirer merkt op: ‘De KMU reageerde niet op de aanvallen van de dissidente fractie, maar concentreerde zich op de eis van de arbeiders voor hogere lonen.’

26 december 1993. De Filipijnse Communistische Partij viert haar 25ste verjaardag. In een verklaring stelt ze dat het na anderhalf jaar duidelijk is dat de

partij met de rectificatiecampagne een grote overwinning boekt. Ze vertrouwt erop dat de verloren gegane reikwijdte en kracht van de revolutie op een paar jaar tijd hersteld kunnen worden. De CPP moet opnieuw in staat zijn ‘de Filipijnse revolutie van de ene overwinning naar de andere te leiden’. Maar daarvoor is nog ‘veel werk en strijd voor de boeg’.

28 december. Antonio Zumel, een leider van het Nationaal Democratisch Front, schrijft een lezersbrief naar de Inquirer. Hij legt uit waarom een beperkt aantal vroegere topkaders van de revolutionaire beweging beschuldigd worden van fouten en misdaden, en welke deze zijn. Hij zet ook de puntjes op de i over de rectificatiecampagne: ‘Dit is eerst en vooral een ideologische strijd over de lijn, over juiste en verkeerde ideeën, over goede en slechte praktijken. Er worden alleen organisatorische maatregelen getroffen tegen mensen die weigeren hun fouten toe te geven, die opteren voor scheurmakerij en intriges.’

Ik ben blij dat 1993 achter de rug is. Voor de nationaal-democratische beweging, waarmee ik me nu sterker dan ooit verbonden voel, was het een jaar van crisis. Maar ook een bijzonder leerrijk en heilzaam jaar, een jaar van loutering.

8. 1994 - Neutraliteit ontmaskerd - Inhoud

Januari 1994. We schrijven Hilde:

‘Normaal gezien gaat nu ons laatste volledig jaar op de Filipijnen in. Hoe dichterbij onze definitieve terugkeer komt, hoe minder we erop uit zijn. We hebben het hier op alle gebied goed naar onze zin: onze job, ons huisje, de school en de opvoeding van de kinderen. Rita voelt zich prima in haar werk met de vrouwen. Ik ga vanaf nu ook met HEAD meewerken, een hele uitdaging in deze moeilijke tijden van debat en scheuring.’

De Health Alliance for Democracy (head) is de vereniging van gezondheidswerkers die deel uitmaakt van Bayan, de koepel van nationaal-democratische volksorganisaties. Ik ben lid geworden en werk mee met head’s Comité voor Politieke Studie. Dit comité geeft politieke vorming aan de leden van head, organiseert informatie-activiteiten voor een breder publiek van gezondheidswerkers en geeft een tweemaandelijks tijdschrift uit, Pulso ng Bayan, de Polsslag van het Volk.

Moordend melkpoeder

Maart. Rita neemt de kleine Lize overal mee, in een draagzak. Niet alleen naar kantoor en naar vergaderingen, maar ook naar de sloppenwijken. Dan is niets zo handig als borstvoeding. Maar dat is in de Filipijnen al evenmin evident als in België. Rita schrijft er een stukje over in onze nieuwsbrief:

‘Met onze kleinste pagadder Lize die zo gezond groeit op een dieet van moedermelk worden we weer eens met onze neus op het belang van borstvoeding gedrukt. In een arm derdewereldland als de Filipijnen hebben flesgevoede kinderen een 15 tot 25 maal hoger risico op ondervoeding, ziekte en dood door diarree dan borstgevoede baby’s.

In een arm gezin kan tot 40% van het huishoudelijk budget opgaan aan melkpoeder voor de baby. Een onhoudbare situatie, waardoor de moeders de melk dan hopeloos gaan verdunnen of overschakelen op gecondenseerde melk, die absoluut niet geschikt is voor baby’s. Voeg daarbij de hoge hygiënische vereisten voor het bereiden van de melk, waaraan arme gezinnen

moeilijk kunnen voldoen, en je hebt de belangrijkste factoren die de gezondheidsproblemen van flesbaby’s verklaren.

De babyvoedingsmultinationals promoten hun poedermelk met alle geoorloofde en ongeoorloofde middelen. Nochtans is op de Filipijnen sedert 1986 een Melkcode van kracht, die de promotie voor poedermelk aan banden legt. Maar Nestlé en andere melkproducenten lappen de Melkcode aan hun laars. Nestlé schenkt couveuses aan neonatologie-afdelingen van Filipijnse ziekenhuizen. Andere firma’s delen aan pas bevallen moeders gratis stalen melkpoeder uit. Aan vroedvrouwen verkopen ze melkpoeder aan sterk verminderde prijzen, die dezen dan met winst doorverkopen aan de moeders. Deze slinkse aanpak verzekert hen ervan dat de vroedvrouwen aan hun nietsvermoedende patiënten het ‘juiste’ merk melkpoeder aanprijzen.

De firma’s overstelpen ook het medisch personeel met gadgets allerhande: balpennen, kalenders, stethoscopen of knuffelbeesten. De Melkcode wordt omzeild door op deze spullen niet de naam van het product te zetten, maar die van de firma. Zo kan Nestlé beweren dat het reclame maakt voor chocola, niet voor melkpoeder.

Het probleem met de Melkcode is dat hij ruimte laat voor interpretatie. In een wet die producten niet volledig bant maar alleen reguleert, blijven schemergebieden bestaan die door de eersteklas advocaten van de multinationals worden uitgebuit. En hoewel Nestlé & Co de wet overduidelijk met de voeten treden, weigert de Filipijnse overheid in te grijpen.’

De ‘derde weg’

Met onze vrienden van vroeger gaat het niet goed. Nu de scheidingslijnen in het ‘debat’ zijn getrokken en ik vorig jaar tijdens de discussie met Joel Rocamora mijn nek heb uitgestoken, laat ook Luisa zich bijna niet meer aan ons zien. We hebben haar meter gemaakt van Lize, maar een cadeautje voor haar petekind bezorgt ze via een grote omweg.

20 maart. De kranten kondigen de vorming aan van een ‘derde blok’ binnen de CPP. Zij zouden zich over kwesties van strategie en tactiek afzonderen van wat de pers de ‘pro-Sison’ en de ‘anti-Sison’ groepen noemt.

24 maart. De Manila Chronicle publiceert een artikel over het programma van de ‘derde macht’. De groep zegt zich niet te baseren op Mao, zoals Sison doet, maar op ‘de vroege Marx, eerï humane Marx die de rechten van het individu benadrukte’. Deze voormalige communisten willen een open, legale organisatie oprichten, die ze Siglaya gaan noemen. Dat is de samentrekking van Siglo ng Paglaya, de eeuw van de bevrijding. Siglaya zal alle strijdvormen hanteren: verkiezingen, lobbywerk, massamobilisaties. ‘We staan ook open voor de gewapende strijd, maar dat moet geval per geval worden bekeken.’ Het is een publiek geheim dat Ricardo Reyes de touwtjes van het derde blok in handen heeft.

Weer twee jaar voorbij...

26 maart. We staan gepakt en gezakt klaar om naar de luchthaven te vertrekken. We gaan twee maand op vakantie naar België. Vooral Yuri is erop uit, ‘want daar is het altijd koud’. We trekken weer in bij Hilde Vanobberghen in Mechelen. Deze keer zal het er krap worden met de kleine Lize erbij.

Voor Rita wordt het niet alleen België. Negen jaar nadat ze op een draagberrie uit een guerrillazone moest gerepatrieerd worden, gaat ze op bezoek in El Salvador. Een oude droom, hoewel de omstandigheden wel anders zijn dan gedroomd: een rechts regime aan de macht in plaats van een revolutionair.

We hebben alle pro’s en contra’s van dat bezoek goed afgewogen en het lijkt ons nu de ideale periode te zijn. Sinds begin ’92 zijn er vredesakkoorden van kracht in El Salvador. Dat betekent dat Rita’s naam waarschijnlijk op geen enkele zwarte lijst meer staat en ze dus legaal het land in mag. Veel vrienden van toen zijn nog altijd in El Salvador, of zijn er na de akkoorden teruggekeerd. Ten slotte is Lize klein genoeg om probleemloos in haar draagzak mee te reizen.

10 april. We bezoeken onze kasama’s van het ndf in Utrecht. Natuurlijk hebben we het uitgebreid over het debat, de rectificatie en de ‘split’. Een paar NDF-kaders en -stafleden die me vroeger hielpen met UG solidariteits-werk in Europa hebben afgehaakt. Ze trappen behoorlijk na, dikwijls op een stompzinnige manier, zoals met een pamflet dat de film Jurassic Park parodieert: 'ndf International Office, Utrecht’s Jurassic Park. Kom kijken naar de politieke dinosaurussen: Sisonosaurus Rex, Jalandonisaurus Rex en Armando Liwanag Rex. Bewonder het prehistorisch document Reaf-firm. Video te koop: Een miljoen jaar voor Christus. De oorsprong van het denken van Sison.'

Rita in El Salvador (Rita)

10 mei. Als ze me bij aankomst op de luchthaven vragen of het de eerste keer is dat ik het land bezoek, denk ik erbij ‘langs deze weg’ en zeg zonder blozen ‘ja’. Marc ‘Jonathan’ Ingelbrecht staat ons op te wachten. Ik geraak niet uitgekeken op het mooie, groene, rotsachtige landschap. Hoe dikwijls heb ik vroeger niet gevloekt op die heuvels, toen er na een lange nacht stappen met een zware rugzak nóg een helling te beklimmen viel.

Het doet deugd om na bijna tien jaar nog zoveel companeros van destijds weer te vinden. Er valt heel wat bij te praten. Ze vertellen over hoe de oorlog veranderde door de jaren, over companeros die gesneuveld zijn, over de hoop die iedereen koesterde toen eind ’89 het slotoffensief van de guerrilla werd voorbereid, en over hun verwarde gevoelens toen de vredesakkoorden werden getekend. Ze zakten af naar de stad, werden ineens weer bij hun echte naam genoemd, moesten proberen niet te reageren op helikoptergeronk.

17 mei. Samen met Lize toeren we het kleine landje rond. We gaan op ‘bedevaart’ naar plaatsen waar ik vroeger ben voorbij gestapt, in een hangmat heb geslapen, het einde van bombardementen heb afgewacht.

Mijn indrukken beginnen bij ‘wat een geluk dat de oorlog voorbij is’, maar evolueren gauw tot ‘is het nu allemaal voor niets geweest?’. Het fmln is gelegaliseerd, heeft aan de verkiezingen deelgenomen en telt een aantal verkozenen in het parlement en in de gemeenteraden. Maar de vredesakkoorden worden nauwelijks uitgevoerd. Vooral van de belangrijke sociaal-economische hervormingen komt weinig in huis. En de extreemrechtse doodseskaders zijn nog steeds actief; ze vermoorden FMLN-kaders.

Veel energie van de companeros wordt opgeslorpt door NGO-werk. Bijna alle ngo’s ontvangen fondsen van usaid, de officiële ontwikkelingsorganisatie van de Verenigde Staten. En zegt het spreekwoord niet ‘wiens brood men eet, diens woord men spreekt’?

Wat een verschil met vroeger. Toen was in El Salvador iets gaande vanuit de basis, er werd gewerkt aan een nieuwe maatschappij, aan de revolutie. Daar blijft vandaag niet veel van over. Er zijn nog een paar hoopgevende projecten, vooral bij mensen die bij de guerrilla geleerd hebben het collectieve belang boven het individuele te plaatsen. Nu ze wat land hebben gekregen, zoeken ze vanuit hun stevig georganiseerde gemeenschap samen naar oplossingen voor hun problemen. Een van die gemeenschappen heeft zelfs een gevallen guerrillero heilig verklaard en hun nieuw dorp naar hem genoemd: San Pablo del Seretal.

De vakbondssituatie in Manilla

11 juni. We vliegen terug naar Manilla. Mara verjaart op grote hoogte: drie jaar.

Norma, die het internationaal kantoor van de KMU leidt, licht ons in over de recente ontwikkelingen in de arbeiderswereld. De bmp, de tegen de KMU opgerichte vakbond, heeft op 1 mei een eenheidsinitiatief genomen, Caucus for Labor Unity genaamd. Behalve de KMU, die niet was gevraagd, doen alle vakbonden mee, ook de ‘gele’ vakbond tucp. Die laatste was onder Marcos de enige toegelaten vakbond. De tucp koppelt klassencollaboratie in de bedrijven aan steun voor het heersend regime. Maar de bmp is van oordeel dat ‘ideologische, politieke en organisatorische verschillen moeten worden opzijgezet in het hoger belang van de arbeiders, de syndicale eenheid en de collectieve strijd’.

Een maand later zijn het de verschillen tussen uitbuiters en uitgebuiten die opzijgezet worden, want dan sluiten de bmp en de tucp zowaar een Sociaal Pact met de Filipijnse Kamer van Handel en Industrie, het Werkgeversverbond van de Filipijnen en het ministerie van Arbeid. Het pact steunt de regeringspolitiek om de export te promoten en de competitiviteit van de Filipijnse industrie te verbeteren. Met andere woorden, de bmp steunt het Philippines 2000-plan van Ramos.

In het pact verzekeren de vakbonden een hogere efficiëntie, een stijging van de productiviteit en een verbetering van de kwaliteit. In ruil gaan de patroons meer rekening houden met de syndicale rechten. En ze beloven op hun eerstecommuniezieltje dat ze zelf op de naleving van de sociale normen zullen toezien.

De patroons zullen hun handen vol hebben: in de eerste acht maanden van 1993 werden 14.238 schendingen van de sociale normen genoteerd.

Miss-verkiezingen in tijden van cholera

De Filipijnen worstelen met de grootste cholera-epidemie sinds jaren. Deze typische armoedeziekte was jarenlang op de terugweg, maar nu heeft ze toegeslagen in 30 van de 73 Filipijnse provincies. Volgens officiële cijfers zijn al meer dan 150 mensen eraan overleden. Het werkelijke cijfer moet hiervan een veelvoud zijn. Gevallen van sterfte door diarree waarbij de stoelgang niet in een laboratorium is onderzocht, worden onder de algemene noemer gastro-enteritis geclassificeerd, ook al kan het om cholera gaan. En in afgelegen streken worden veel sterftes en doodsoorzaken niet gerapporteerd.

President Ramos legt de schuld voor de cholera-epidemie bij de armen, met al hun ‘onhygiënische gewoonten’. ‘Jullie gooien zomaar vuilnis rond zonder te denken aan het effect hiervan op de gezondheid’, kijft Ramos. Maar hij zwijgt over het feit dat 40% van de Filipijnse bevolking niet over zuiver water of sanitair beschikt.

Wat is er dan beter om het volk zijn miserie te doen vergeten dan een schoonheidswedstrijd? In Manilla heeft de finale plaats van de Miss Universe-verkiezingen. Zo krijgt Ramos de kans om het internationaal aanzien van de Filipijnen wat op te poetsen, precies twintig jaar nadat Marcos de Miss Universe-wedstrijd naar Manilla kon halen. En net als Marcos laat Ramos een paar straten en wijken van de stad opfrissen door een goeie 400 straatkinderen voor de duur van de competitie en zonder vorm van proces in de nor te draaien. Tegen de Miss-toestand worden protestacties gehouden door de vrouwenorganisaties, gabriela stelt dat, door als gastheer van de Miss Universe-finale op te treden, de Filipijnse regering zich verlaagt tot pooier.

Medische neutraliteit

Tijdens onze afwezigheid is het debat binnen de volksbeweging overgewaaid naar de rangen van progressieve gezondheidswerkers. De discussie kristalliseert zich rond één thema: medische neutraliteit. Hierover hebben wij met de Health Alliance for Democracy (head) een andere opvatting dan de Medical Action Group.

De Medical Action Group (mag) werd beginjaren ’80 opgericht om gezondheidswerkers te sensibiliseren voor de verdediging van de mensenrechten, in de context van de nationaal-democratische strijd. Een goed initiatief, want er waren heel wat problemen in verband met mensenrechten en gezondheid. Zo verbood de overheid ngo’s op medische missie te gaan in afgelegen streken. Dorpsgezondheidswerkers werden door militairen bedreigd, verdwenen of werden gedood. Soldaten arresteerden gewonden in ziekenhuizen, op verdenking NPA’ers te zijn.

mag lanceerde het concept van medische neutraliteit, dit wil zeggen dat gezondheidswerkers en patiënten te allen tijde gerespecteerd en beschermd moeten worden, ook in situaties van gewapend conflict, en dat elke patiënt evenwaardig is en recht heeft op medische verzorging. Op T-shirts drukte MAG een code van medische ethiek: ‘Ik zal niet toelaten dat overwegingen van godsdienst, nationaliteit, ras, partijpolitiek of sociale standing mijn plicht tegenover mijn patiënt beïnvloeden’.

Vandaag beweert MAG dat diezelfde medische neutraliteit haar ertoe dwingt aan de zijlijn te blijven in het debat, MAG zegt trouw te blijven aan haar nationaal-democratische oriëntatie, maar kiest voor de derde weg, de weg van de geleidelijke hervormingen binnen het systeem. Heel wat MAG-leden protesteren heftig tegen deze koerswending. Dit is een aanleiding voor het Comité voor Politieke Studie van HEAD om kritisch op zoek te gaan naar de achtergrond en betekenis van medische neutraliteit.

Rita herinnert zich dat de term medische neutraliteit in de vroege jaren ’80 in El Salvador werd gebruikt. In een situatie waarin niet alleen medische posten van de guerrilla, maar ook wagens en gebouwen van het Rode Kruis het doelwit waren van het regeringsleger, was de eis tot medische neutraliteit een gerichte aanklacht tegen het Salvadoraans regime. Maar Salvadoraanse mensenrechtenorganisaties gingen zich ook hoe langer hoe neutraler opstellen ten opzichte van het sociaal en politiek conflict in hun land. Hun functie als waakhond tegen de overheidsrepressie verwaterde en ze verloren krediet bij de volksbeweging.

Opzoekingswerk in bibliotheken en archieven leert dat die interpretatie van ‘politieke neutraliteit’ het oorspronkelijk doel van de medische neutraliteit ver te buiten gaat. Geneeskunde voor de Derde Wereld stuurt ons de documenten van een internationale conferentie over De Schending van de Medische Neutraliteit, die in 1991 in Maastricht werd gehouden. Frits Kalshoven, professor in Internationaal Humanitair Recht, merkt op dat de term medische neutraliteit in het internationaal recht niet eens bestaat. Al in 1906 legde de Franse professor Renault uit waarom: ‘Stellen dat dokters neutraal zijn zou betekenen dat ze onverschillig staan ten opzichte van een conflict waarbij de toekomst van hun land op het spel staat’. Vrij vertaald: alleen wie onverschillig is voor het lot van het volk kan zich neutraal opstellen ten opzichte van de bevrijdingsstrijd in El Salvador of op de Filipijnen.

In hun conclusies bevestigen de organisatoren van deze conferentie het problematische van het begrip medische neutraliteit. Het kan leiden tot een interpretatie van onpartijdigheid, iets wat zeker niet gevraagd wordt in de code van medische ethiek voor gezondheidswerkers. De wens om de oorlog humaner te maken door medische neutraliteit en respect voor de mensenrechten, kan leiden tot de wil om elke oorlog te allen prijze te beëindigen, iets wat het Internationaal Humanitair Recht helemaal niet vraagt. Integendeel, internationaal, historisch en zelfs door de Kerk wordt erkend dat het gerechtvaardigd is de wapens op te nemen tegen een wreed en onderdrukkend regime. Ik maak me de volgende bedenking: is het de oorlog die we humaner moeten maken, of de maatschappij, ook al is daar eerst een (bevrijdings)oorlog voor nodig?

Mag’s neutraliteit in praktijk

Met dit als achtergrondinformatie neemt het Comité voor Politieke Studie van HEAD de werking van de Medical Action Group tijdens de voorbije jaren onder de loep. We stoten op een nummer van Progress Notes, het tijdschrift van mag, uit 1992. Daarin staat mag’s reactie op een NPA-aanval in Mindanao op 15 februari van dat jaar. 47 soldaten verloren hierbij het leven. Ik weet nog goed hoe de pers moord en brand schreeuwde over ‘de bandieten van het NPA die soldaten na overgave executeerden en onthoofdden, en die tientallen kindsoldaatjes in hun rangen telden’.

En wat schrijft mag? ‘Dit tragisch incident herinnert ons aan de menselijke kost van oorlog’. Ik begrijp dat MAG een overwinning van de guerrilla moeilijk openlijk kan toejuichen, maar het een ‘tragisch incident’ noemen gaat me te ver. En uiteraard heeft elke oorlog een menselijke kost, maar heeft MAG al eens de menselijke kost van de ‘vrede’ van het bestaand systeem berekend? Of de fenomenale kost aan armoede, miserie, ziekte en dood door eeuwen van uitbuiting en onderdrukking?

mag gaat volledig over de schreef als het oproept tot ‘een onpartijdig onderzoek, met name naar de gerapporteerde deelname van kinderen aan de guerrilla-actie’. Dat is een beschuldiging waarvoor niet de minste aanwijzing bestaat, compleet uit de lucht gegrepen, een staaltje psychologische oorlogvoering in de regeringspers.

Bij de verdere evaluatie van het werk van de Medical Action Group van de laatste jaren merken we een zekere toenadering tot het Ramos-regime. MAG spreekt zich positief uit over de vaccinatiecampagnes van minister Flavier, de man die uitriep dat ‘gezondheid neutraal is en geen ideologie kent’. MAG vindt ‘het gebruik van vaccinatie voor vredesopbouw lovenswaardig’.

Voor MAG is het enige probleem van de Filipijnse maatschappij de militarisatie. ‘De remedie is doodeenvoudig: stop de totale oorlog en herstel de schade door middel van psychosociale rehabilitatie. Vaccinatie- campagnes, gezondheidszorg en een staakt-het-vuren kunnen hierbij behulpzaam zijn.’ Behulpzaam voor wie? In een pas verschenen, glanzende brochure van het ministerie van Volksgezondheid staan foto’s van legerhelikopters en soldaten in volledige gevechtsuitrusting die vaccina- tieteams vergezellen. Een officier van de Filipijnse Strijdkrachten verklaart onomwonden dat de Nationale Vaccinatiedagen erg nuttig zijn geweest voor de counterinsurgency.

head besluit dat de Medical Action Group zich heeft bezondigd aan alle afwijkingen van de medische neutraliteit waarvoor de internationale conferentie in Maastricht waarschuwde. Stap voor stap hebben ze medische neutraliteit vervangen door politieke neutraliteit. In de Filipijnse bevrijdingsstrijd en in het debat beweren ze een onpartijdige positie in te nemen, ‘onverschillig ten opzichte van een conflict waarbij de toekomst van hun land op het spel staat’.

Extra time

12 juli. Brief van Rita aan onze ouders:

‘We zijn weer met een basisopleiding voor vrouwen uit de sloppenwijken begonnen: twee dagen vorming per week, gedurende 4 a 5 maand. Eentje is er al mee gestopt, ze is beginnen werken als kaartjesknipster op de bus. Twee keer vier uur aan een stuk rechtstaan op een zigzaggende bus en je heel de tijd tussen bezwete lijven door wringen, in de hitte en de stank van Manilla: een rotjob. Maar met de karige vergoeding die wij onze gezondheids werksters betalen, kan je geen gezin onderhouden.

Gisteren heb ik vijf Belgische bezoekers meegenomen naar Apelo. Een toffe groep uit de Christelijke Arbeidersbeweging, geleid door Cecile Har- nie van de antiracistische organisatie Objectief 479.719. De gebruikelijke rondgang door de wijk en een praatje met de vrouwen in het kliniekje.

Maar dit voor mij ‘gebruikelijke’ bezoek was voor onze gasten een scherpe confrontatie, hoorde ik vandaag van Cecile. Ze vertelde dat de groep zo onder de indruk was dat ze een lang gesprek nodig hadden om hun emoties en indrukken te kunnen uiten en uitwisselen.’

De kogel is door de kerk. In overleg met onze Filipijnse en Belgische partnerorganisaties hebben Rita en ik besloten er nog een jaartje bij te doen.

Eerst en vooral omdat onze Filipijnse gastorganisaties erop aandrongen. Rita krijgt hoe langer hoe meer verantwoordelijkheden bij gabriela en voor mij geldt hetzelfde bij de CHD en nu ook bij head. Nu we goed zijn ingewerkt en het Tagalog beheersen, is onze bijdrage aan het projectwerk groter dan voorheen.

Een andere reden om ons Filipijnen-verblijf te rekken: in deze kindvriendelijke maatschappij en met een flexibele werksituatie lijkt de combinatie van twee voltijdse jobs en drie kinderen ons in Manilla heel wat beter doenbaar dan in Brussel. En wie kan zich in België de luxe permitteren om een kind tot anderhalf jaar borstvoeding te geven?

Het betogingsseizoen voor geopend verklaard

25 juli. De jaarlijkse State of the Nation van de president. Traditioneel opent daarmee het betogingsseizoen. Ik loop mee met het contingent van HEAD in de betoging tegen president Ramos, georganiseerd door Bayan, de koepel van de nationaal-democratische volksorganisaties. Op een viaduct, een paar kilometer van het parlement waar Ramos zijn toespraak houdt, worden we tegengehouden door de militaire politie. We zijn woedend als even later naast het viaduct twee andere groepen wél door het politiekordon mogen. Het zijn de organisaties onder leiding van Popoy Lagman en die van de derde weg, die zich hebben afgescheurd van de nationaal-democratische beweging. Zij richten hun pijlen op Ramos’ plannen om de btw (vat in het Engels) te verhogen, een door het IMF geëiste maatregel. Daarom noemen ze zich vandaag ComvAT (Combat vat) en KUIvat. Bayan ziet de zaken echter ruimer. Wij vallen niet alleen de maatregel van Ramos aan, maar het IMF in zijn geheel. Onze slogan is Baklas-iMF: breek met het imf.

Weerzien met Neneng

29 juli. De vijfde verjaardag van de Council for Health and Development. We organiseren een feestzitting met 150 leden, medewerkers en vrienden van de Community-Based Health Programs. Om onze verbondenheid met het volk en zijn strijd te onderstrepen, hebben we als sprekers de voorzitters van de boerenorganisatie kmp, de vakbond KMU en de vrouwenorganisatie gabriela uitgenodigd. Mefals toemaatje een bakla, een jeannette, die met de vuist omhoog een boodschap voorleest van de pas opgerichte ho- mo-organisatie Pro-Gay.

Na de viering komt een vrouw op Rita en mij af, breed lachend. ‘Hello, kamusta na kayo?’, hoe gaat het met jullie? Het is Fe ‘Neneng’ Mamon, de sympathieke dokteres die we in november 1987 ontmoetten tijdens ons inleefbezoek in Negros. Ik herken haar bijna niet meer, zo lang geleden. Neneng staat nu aan het hoofd van de gezondheidsorganisatie hei p op het eiland Panay, dat vlak naast Negros ligt. Ze heeft ook een kleine medische praktijk in een provinciestadje. Tot onze verbazing heeft Neneng nu drie kinderen: naast de geadopteerde Aleng onverhoopt toch een eigen kind en nog een tweede aangenomen.

‘Kennen jullie Sister Luisa uit Nederland?’ vraagt Neneng. Ja, natuurlijk kennen we die, ze is meter van onze jongste. Neneng vertelt dat de religieuze congregatie van Luisa zopas de financiering van een groot project van help heeft goedgekeurd. De zusters hebben het geld, bijna 20.000 dollar, op Luisa’s persoonlijke rekening gestort, want HELP-Panay beschikt over geen dollarrekening.

Neneng wil weten hoe het geld in Panay zal geraken. Ik licht haar in over het feit dat Luisa’s politieke vrienden Reject zijn. Ik vrees dat Luisa eerst zal willen uitvissen waar HELP-Panay politiek gesitueerd wordt, vooraleer ze de storting overmaakt. Neneng vraagt of ik eens bij Luisa wil nahoren, want zijzelf vertrekt direct terug naar Panay.

4 augustus. Ik zoek Luisa op om te bespreken hoe de fondsen van haar congregatie snel bij Neneng kunnen geraken. Ze vraagt zich natuurlijk af wat ik daarmee te maken heb. Zo gek is dat niet, vind ik: HELP-Panay is een lidorganisatie van de CHD, ik werk bij de CHD, en ik ken zowel dr. Mamon als Sister Luisa. Maar ik vang bot. Luisa wil eerst naar Panay om het project te bekijken, en wel stante pede. Nochtans was er aan de storting van de congregatie geen enkele voorwaarde verbonden. Ik bel Neneng en die is bereid Luisa te ontvangen en naar de projectsite te begeleiden. Maar makkelijk zal dat niet zijn, momenteel zijn er militaire operaties in het gebied.

HEAD versus MAG

13 augustus. Algemene Vergadering van head, met meer dan 70 aanwezigen. De controverse met MAG over medische neutraliteit en de keuze voor steun aan de nationaal-democratische beweging staan centraal.

Hoe wij met HEAD onze opdracht als progressieve gezondheidswerkers zien, wordt in een resolutie gegoten. Deze is gebaseerd op ons onderzoek naar de kwestie van medische neutraliteit, HEAD gebruikt deze term niet langer, maar spreekt over ‘onze collectieve medische ethiek en politieke verantwoordelijkheid’. De resolutie besluit:

1. HEAD hernieuwt zijn engagement om het volk van ganser harte te dienen, met een sterke voorkeur voor de onderdrukte en uitgebuite massa’s en hun volksorganisaties. Door hun directe ervaring met de ongezondheid ten gevolge van de structurele problemen van de Filipijnse maatschappij, hebben progressieve gezondheidswerkers en studenten de bijzondere politieke verantwoordelijkheid om de volksstrijd voor echte nationale soevereiniteit en democratie te steunen.

2. Deze optie is duidelijk niet neutraal, maar het is de meest principiële en ethische toepassing van het humanitair recht in de ruime betekenis van het woord. Want dit betekent een keuze om te vechten tegen een systeem van structureel geweld, ongelijkheid en onrecht, en voor een nieuwe maatschappij, die de voorwaarden zal creëren voor de volledige menselijke ontplooiing van het volk.

3. Neutraliteit inroepen in een situatie van gewapend conflict dat voortkomt uit sociale en economische problemen, is onmogelijk en onaanvaardbaar. Iedereen die zichzelf neutraal noemt helpt objectief de status quo in stand houden en steunt dus bewust of onbewust het VS-Ramos-regime.’

Als de algemene vergadering al twee uur bezig is komen een tiental trouwe MAG-leden - die tevens lid zijn van HEAD - luidruchtig de zaal binnen. Ze willen hun ontslagbrief voorlezen. Daarin beweren ze dat de mensenrechten boven de klassen staan, dat iedereen de universele mensenrechten moet aanvaarden omdat die door praktisch alle landen ter wereld zijn geratificeerd, dat de beweging voor mensenrechten apolitiek is, en... dat zijzelf nog altijd nd’s zijn, nationaal-democraten.

‘Boven de klassen’, ‘iedereen’, ‘apolitiek’; het contrast met de resolutie van HEAD is frappant. Wij kiezen voor een politieke opstelling aan de zijde van het volk, in zijn strijd tegen het heersend systeem. Wie daar fundamenteel anders over denkt hoort niet thuis in head, vindt de algemene vergadering. ‘Onze organisatie wordt er misschien een beetje kleiner door, maar een stuk beter.’

19 augustus. De Medical Action Group houdt een symposium over mensenrechten en medische neutraliteit. Met HEAD willen we deze gelegenheid aangrijpen om een principieel debat aan te gaan. Goed voorbereid trekken we er met een 40-tal leden naartoe.

De uiteenzettingen blijven aan de oppervlakte. Tijdens het open forum nemen verschillende HEAD-leden het woord. We kunnen zelfs onze resolutie over medische ethiek voorlezen. Maar het is een dovemansgesprek, de mensen van MAG weigeren elke inhoudelijke discussie. Ze spelen het liever vuil: geroep, gelach en lawaai voor onze sprekers, applaus voor hun sprekers. Als het MAG-publiek al te rumoerig wordt terwijl Monina spreekt, een jonge studente verpleegkunde, sta ik op en vraag om elke spreker met hetzelfde respect te behandelen. We hebben het hier toch over mensenrechten, niet? Maar één van hen roept: ‘Jij buitenlander moet zwijgen!’

Elke discussie wordt nu onmogelijk gemaakt, het MAG-symposium eindigt in een anticlimax. De volledige breuk tussen MAG en HEAD is een feit.

Father Frank, guerrillapriester

12 september. Ik vertrek naar Davao City, de grootste stad op het eiland Mindanao, om er een cursus projectbeheer te geven voor medewerkers van alle Community-Based Health Programs in Mindanao. Het grote gespreksonderwerp tijdens de merienda, het vieruurtje, is de recente dood van Frank Navarro, één van de gekendste priesters die zich bij de guerrilla heeft gevoegd. Een goeie maand geleden sneuvelde Father Frank bij een onverhoedse aanval door het regeringsleger. Velvet en Leleng, Shalom en Louie schetsen mij een beeld van deze legendarische figuur. Niet dat zij hem persoonlijk gekend hebben, maar in Mindanao doen ontelbare verhalen en anekdotes over de man de ronde en in de plaatselijke pers worden heel wat artikels aan hem gewijd.

Frank Navarro wordt in 1975 tot priester gewijd. Als Directeur voor Sociale Actie van het bisdom Tandag wordt hij dagelijks geconfronteerd met schrijnende armoede eh immens onrecht. Geleidelijk wordt zijn keuze voor de armen duidelijker. Hij is te zien bij landbezettingen, stakingen en betogingen. Father Frank wordt nog kortstondig parochiepriester in twee boerendorpjes, tot de Marcos-dictatuur in 1983 een arrestatiebevel tegen hem uitvaardigt. Dit dwingt de priester zijn actieterrein te verleggen naar de guerrillazones.

Frank Navarro raakt al gauw bekend en geliefd onder zijn strijdersnaam Ka Migo, Kameraad Vriend (van het Spaanse amigo). Hij wordt politiek officier van een guerrillaeenheid en later lid van het regionaal NPA-bevel. Tijdens de vredesonderhandelingen met het Aquino-regime in 1986-’87 vertegenwoordigt Frank Navarro het regionale ndf. Verscheidene keren komt hij in de pers als hij de overdracht van door het NPA gevangen genomen militairen aan de autoriteiten organiseert.

De eerste jaren van zijn verblijf in de bergen blijft Father Frank af en toe zijn priesterfuncties uitoefenen, in de barrio’s van het guerrillafront. Hij legt echter zijn priesterfuncties neer wanneer hij huwt met een kasama.

Met zo’n levensloop haalt Father Frank/Ka Migo zich de haat van de militairen op de hals. Hij krijgt een prijs van 1 miljoen peso op zijn hoofd. Negen keer wordt hij door de overheidspropaganda dood verklaard en regelmatig meldt de pers de overgave van de guerrillapriester.

Op 9 augustus 1994, om 5 uur ’s morgens, slaat het noodlot toe. Father Frank loopt wacht in een NPA-kamp. Als hij in het struikgewas militairen opmerkt, snelt hij naar het kamp terug, luid roepend om zijn kameraden te waarschuwen voor het dreigend gevaar. Geweerschoten treffen Ka Migo in de dij en de rug. In het daaropvolgend vuurgevecht slaagt het NPA erin drie regeringssoldaten te doden, maar voor Father Frank komt alle hulp te laat. Zijn kameraden maken zijn levenloos lichaam schoon, rollen het in twee banigs (matten) en begraven hem ter plaatse.

De militairen hebben er oorspronkelijk geen flauw benul van dat het deze keer echt Ka Migo is die ze dodelijk getroffen hebben. Zelfs als de ondergrondse Christenen voor Nationale Bevrijding en het ndf het overlijden van Ka Migo bekendmaken, hechten zijn vijanden er weinig geloof aan. Een generaal verklaart: ‘Navarro lacht zich weer eens dood bij de berichten over zijn dood’.

Om alle twijfels weg te nemen en om zijn vrienden en familie de kans te geven hun geliefde dode te eren, wordt op 6 september het lijk van Frank Navarro opgegraven. Een hele karavaan trekt naar de bewuste plek in de heuvels. Het is een bont gezelschap: mensen van ngo’s en volksorganisaties, de provinciegouverneur (die dokter is en persoonlijk de lijkschouwing leidt), de broer van Frank (een voormalig communistisch kader, nu burgemeester van het dorp Marihatag), de bisschop van Tandag en enkele priesters. Het lichaam wordt herkend als dat van Father Frank. Iedereen verbaast zich erover dat hij in moeilijke omstandigheden - vlak na een gewapend treffen in de bergen - van zijn kasama’s zo’n verzorgde begrafenis heeft gekregen. * De her-begrafenis van Frank Navarro heeft plaats op 17 september, de dag na het aflopen van onze cursus. Velvet en Leleng gaan er naartoe. Ze stellen me voor om mee te gaan.

De begrafenis van Ka Migo

17 september, 5 uur ’s morgens. Na een slapeloze nacht op de bus stappen Velvet, Leleng en ik af in een onooglijk dorpje aan de oostkust van Mindanao, dat luistert naar de naam Marihatag. Ook in het schemerdonker vinden we zonder moeite waar we zijn moeten. Een halve straat is afgesloten en staat vol tafeltjes waar tientallen mensen rond zitten. Sommigen zijn nog aan de rum van gisteravond toe, anderen al aan hun ochtendkoffie. De rumdrinkers zetten grif peso’s in bij het mahjong-spel; aan de koffietafel wordt een nuchter partijtje schaak gespeeld. Met daartussen nog enkele slapende gezinnen op veldbedden en het geschuifel van tientallen pas aangekomen gasten, is het er op dit vroege uur al een drukte van belang.

Het gebeuren concentreert zich voor het grootste huis in de straat, dat voor de gelegenheid is uitgebreid met een luifel. Daaronder een lijkkist, omgeven door bloemenkransen. Enkele oude vrouwtjes zitten geknield en op zagerige toon gebeden te prevelen en novenen te zingen. Het lijkt een gewone Filipijnse dodenwake.

Maar bij nader toezien blijkt het doek over de lijkkist een reuzenvlag van het Nationaal Democratisch Front te zijn. Verschillende kransen zijn voorzien van een boodschap van revolutionaire organisaties. Eentje draagt zelfs het hamer-en-sikkel symbool van de Filipijnse Communistische Partij. De foto’s op de kist tonen aan de linkerzijde een jonge man in priestergewaad, aan de rechterzijde een breedlachende guerrillero met Mao-pet en m16 geweer. Hier ligt een bijzondere man opgebaard: Frank ‘Ka Migo’ Navarro.

8 uur. Niet minder dan 17 priesters en de bisschep van Tandag gaan voor in de begrafenisviering, die als thema heeft ‘Ik ben gestorven omdat ik het volk diende’. De kerk zit barstensvol, honderden mensen staan nog recht. Ze zijn van verschillende rang en stand, maar er is vooral veel gewoon volk.

Een jong meisje blijft de hele mis door ontroostbaar snikken. Ze is de eerste afgestudeerde lumad (inheemse volkeren van Mindanao) van de alfabetisatieschool van het NPA, die was opgezet door Ka Migo. Onder de treurenden is ook een voormalige politiechef. De man was jaren terug door

het NPA gearresteerd. 16 dagen lang werd hij door een volksrechtbank onder leiding van Ka Migo verhoord over 12 misdaden, waaronder moorden, die hij had begaan. Maar de man toonde berouw, kreeg een heropvoeding in een barrio in de guerrillazone en is nu actief in een boerenorganisatie.

Bisschop Amantillo benadrukt dat dit niet het moment is om te rouwen, maar om dankbaar te zijn dat Father Frank het ultieme offer heeft gebracht, dat van zijn leven. Hij vertelt dat Father Frank zijn beste, want meest eenvoudige priester was: de enige priester in het bisdom die geen meid of wasvrouw wou, de enige die alle huishoudelijke klusjes zelf deed. De bisschop besluit: ‘We hopen dat de geest van Father Frank ons allen zal blijven inspireren, zodat we ons ervan bewust zijn dat er heel wat mogelijkheden - hoe ongewoon ook - zijn om God en het volk te dienen.’

Burgemeester Navarro, de broer van Frank, is in het rood. Ka Migo had gevraagd bij zijn dood geen zwart te dragen maar rood, de kleur van de hoop, van de revolutie, van de toekomst. Hij daagt de aanwezige priesters uit om Franks voorbeeld te volgen. De militairen, die opvallend onopvallend in burger aanwezig zijn, geeft hij een veeg uit de pan omdat zij hun ‘totale oorlog’ blijven doorzetten, terwijl het NPA in de regio al twee jaar lang geen aanvallen meer heeft uitgevoerd.

Vertegenwoordigers van de boeren, de vissers, de inheemse volkeren, de vrouwen, de jeugd en de kerk, en ook de ouders Navarro, brengen de offergaven aan. Een koortje zingt typisch Filipijnse melancholische liederen met nauwelijks verholen ‘subversieve’ teksten. Na de misviering volgen nog twee uur lang getuigenissen, solidariteitsboodschappen en liederen. Het hek is nu helemaal van de dam, de toespraken worden radicaler. Er wordt zelfs een NDF-boodschap voorgelezen. Ik verwacht halvelings aan De Internationale als apotheose, maar die blijft uit.

Een begrafenisstoet van meer dan 2.000 mensen trekt naar het plaatselijk kerkhofje, dat een prachtig uitzicht biedt op de oceaan. De hele ochtend hebben jongeren met bamboelatjes en gekleurd papier bordjes ineengeknutseld. Met rode verf, in kromme letters en met aandoenlijke spellingsfouten hebben ze er slogans opgeschilderd tegen de totale oorlog, voor een echte landhervorming en ter ere van Ka Migo, martelaar van het volk.

Op het moment dat de kist in het graf wordt geplaatst vallen de eerste regendruppels, alsof zelfs de hemel Ka Migo beweent.

Op de terugweg botsen we op een klein en haveloos troepje tegenbetogers, allicht opgetrommeld door de militairen. Op hun spandoeken staat heel propertjes en foutloos dat ‘conflicten uit de mode zijn’ en dat het ‘tijd is voor verzoening’. Ze roepen op om Father Franks dood niet te wreken en om de gewapende strijd vaarwel te zeggen. Het groepje wordt straal genegeerd.

De missionarispositie van Sister Luisa

11 oktober. Neneng uit Panay aan de telefoon. Luisa is half augustus het project van help gaan bezoeken, maar omwille van de militarisatie en door vervoersproblemen is ze niet tot in de dorpjes geraakt waar het project wordt uitgevoerd. Nu schrijft ze Neneng dat ze ‘uit betrouwbare bron’ heeft vernomen dat haar project een ‘spookproject’ is. Ze beweert dat Neneng niet genoeg moeite heeft gedaan om haar naar de projectsite te brengen.

Na telefonisch overleg van Luisa met de generaal-overste van haar congregatie wordt de 20.000 dollar op haar rekening niet vrijgegeven. De zusters stellen voor een ‘beter bereikbaar en beter haalbaar’ project voor financiering in te dienen.

Neneng en de hele HELP-staf zijn zwaar aangeslagen. Ik ben woedend op Luisa, met haar bemoeizucht en achterbakse handelwijze. Ik vraag Neneng uit over de details van de hele historie. Ze faxt me ook de briefwisseling tussen Sister Luisa, haar congregatie en HELP-Panay. Ik schrijf meteen een brief naar de zusterorde, als consulent van de CHD, waar help lid van is.

Geachte Zusters,

Een warme groet uit de Filipijnen!

We hebben recent verschillende ongeruste en ontgoochelde brieven en telefoons gehad uit Panay in verband met de kortsluiting over de reeds goedgekeurde en naar de Filipijnen overgemaakte fondsen voor het HELP-project.

Zr. Louise weigert de fondsen over te maken aan help, waarvoor ze telkens een andere reden opgeeft. Eerst zou ze een cheque meenemen als ze bij HELP-Panay op bezoek ging. Toen ze die cheque niet bijhad, ging ze het bedrag storten. Toen ze een bankrekeningnummer kreeg op naam van dr. Fe Mamon en dr. Elizabeth Riel, de twee artsen van help, eiste ze een bankrekening op naam van de organisatie. Wanneer ook dat geregeld was, vroeg Zr. Louise plots een nieuw projectbezoek aan.

Ten slotte was er de botte weigering om het geld over te maken, omdat z.e ‘uit betrouwbare bron’ had vernomen dat ‘het gezondheidsprogramma van HELP-Panay niet bestaat, of enkel op minimale schaal’.

Zr. Louise heeft echter met help nooit enig overleg gepleegd noch enige uitleg gevraagd of verschaft over deze kwestie. We veronderstelden altijd dat uw congregatie werkt volgens de moderne ontwikkelingsprincipes van partnership, maar blijkbaar hangt Zr. Louise liever de oude missionaire stijl aan.

Uit geen enkele communicatie konden wij opmaken dat Zr. Louise van uw congregatie de opdracht zou hebben gekregen om het project te inspecteren. Nochtans stond ze erop dit onmiddellijk te doen. In Panay had ze gesprekken met de staf van help en met dorpsgezondheidswerkers van het project. Ze kon verslagen en foto’s inkijken en werd tot in San Remigio gebracht. De dorpjes zelf waar het project wordt uitgevoerd konden echter niet bereikt worden omdat de streek in die periode net erg gemilitariseerd was.

Maar Zr. Louise blijkt een eigenaardig idee te hebben over militaire operaties. Dorpjes die volledig door de militairen zijn afgesloten, waar de avondklok is ingesteld en waar verschillende militaire checkpoints langs de weg staan, dat telt blijkbaar niet. Haar opmerking of help niet "verondersteld wordt een legaal programma te zijn" (dat dus geen schrik moet hebben van de militairen) is een ongehoorde en onverantwoordelijke insinuatie. Dit kan kwalijke gevolgen hebben voor de staf van HELP-Panay, in een situatie die nog steeds gekenmerkt wordt door veelvuldige schendingen van de mensenrechten en verdachtmakerij van eenieder die het lot van de armsten wil verbeteren en hen wil verdedigen.

Persoonlijk ben ik ervan overtuigd dat Zr. Louise’s onredelijke ingreep slechts één oorzaak heeft, namelijk haar banden met een welbepaalde fractie van de Filipijnse volksbeweging. Allicht hebben die mensen Zr. Louise ingefluisterd dat HELP-Panay aan hun politieke controle ontsnapt is. help stelt zich inderdaad onafhankelijk op van die groep.

De houding van Zr. Louise heeft geleid tot het opblazen van langdurige relaties van vriendschap, vertrouwen en partnership; het verspreiden van valse geruchten, halve waarheden en hele leugens; het ontzeggen van reeds toegekende fondsen aan een humanitair project van basisgezondheidszorg; en het in gevaar brengen van toegewijde stafmedewerkers van Community-Based Health Programs.

Wij blijven geloven in de eerlijke bekommernis van uw congregatie om concrete basisprojecten in de Filipijnen te steunen. Daarom stellen we voor om, zo gauw de wonden veroorzaakt door deze onfrisse affaire geheeld zijn, rechtstreeks vanuit uw congregatie met HELP-Panay te communiceren, zonder Zr. Louise als tussenpersoon.

Met vriendelijke groeten.’ ‘Verdronken huizen! ’

21 oktober. Tyfoon Katring raast door Manilla en richt serieuze schade aan. 48 uur lang zit de hoofdstad zonder stroom.

3 november. Barbara uit Mexico is op de Filipijnen om het werk van Gabriela te leren kennen. Ze logeert bij ons. Rita trekt met Barbara en de kinderen naar de streek van de Pinatubo en noteert:

‘Na de tyfoon van twee weken terug zijn er opnieuw zware modderstromen geweest. Een triestig zicht: een uitgestrekte, grijze woestijn waar niets meer overeind staat, een maanlandschap. Hier en daar een dak dat boven de modder uitsteekt. "Verdronken huizen!", roept Mara. Er is enorm veel stof. We bezoeken een evacuatiecentrum. Daar wonen nu boerenfamilies, samengeperst op enkele vierkante meters, zonder enig toekomstperspectief. Hun land en hun inkomen zijn ze kwijt. Een deel van hen zit al vanaf de vulkaanuitbarsting in juni ’91 in het evacuatiecentrum, anderen zijn hier de laatste maanden bijgekomen ten gevolge van de laharstromen.’

Bij de Mangyan in Mindoro

Half november 1994 wordt de noordkust van het eiland Mindoro getroffen door een aardbeving; 67 mensen laten het leven, vele duizenden zijn dakloos. De CHD wordt gevraagd medisch personeel te leveren voor een missie naar het rampgebied. Ik stel me kandidaat, samen met een groepje laatstejaarsstudenten geneeskunde. Ook Georgina gaat mee, een Mexicaanse arts die vorige week Barbara is komen aflossen in onze logeerkamer.

30 november. We vertrekken met z’n zessen vanuit Manilla. Met de bus gaat het naar Batangas en van daar met de overzetboot naar Mindoro. In het kantoor van een lokale ngo krijgen we een briefing. Men vertelt ons dat de mensen in de ergst getroffen kustdorpjes niet meer weten waar ze de hulpgoederen moeten stapelen. Afgelegen dorpjes daarentegen worden aan hun lot overgelaten.

Daar leven de Mangyan, de inheemse bevolking van Mindoro. Het is daar dat we hulpgoederen gaan leveren en medische zorgen gaan verstrekken. Materieel zijn de dorpjes van de Mangyan niet bijzonder getroffen door de aardbeving, maar veel bewoners hebben er een psychisch trauma aan overgehouden. Logisch voor mensen die volledig van de natuur afhankelijk zijn en plots merken tot wat die natuur in staat is.

Met nog een tiental plaatselijke NGO-werkers en vrijwilligers kruipen we in een jeepney. Het is al donker als we worden afgezet langs de kant van een modderweg. Te voet gaat het verder naar het dorpje Bacungan. Voor ons ligt uitgestrekt veenland, een vroeger moeras dat door de Mangyan na tien jaar geploeter moeizaam in cultuur is gebracht, met als enig gereedschap hun handen.

Zoals de meeste inheemse volkeren leefden de Mangyan oorspronkelijk aan de kust. Door settlers werden ze reeds vele jaren geleden naar de bergen en wouden in het binnenland verdreven. Maar nu ook de rijkdommen van het regenwoud onbarmhartig worden geëxploiteerd, worden de Mangyan verder opgejaagd, naar het drassige moerasland.

Bijna drie uur strompelen we langs en door half-braakliggende rijstvelden, dikwijls tot enkelhoogte in de modder en het water. Zo moeilijk als bij de guerrilla, met dit verschil dat we hier niet stil moeten zijn, we mogen luidop vloeken. Eindelijk zien we in het schijnsel van de zaklampen een piepklein bamboehutje. Een Mangyan-oudste steekt zijn hoofd naar buiten en hij wenkt ons. Een voor een klimmen we naar binnen, langs een stuk boomstam met gleuven erin gekapt. De heer des huizes, die niet meer aanheeft dan een schaamlapje, nodigt ons uit om de nacht door te brengen in zijn hut. Hoé is niet meteen duidelijk, met vijftien in een hutje dat uit één enkele kleine ruimte bestaat. We kruipen dicht tegen elkaar aan op de harde en ongelijkmatige vloer van smalle bamboelatjes.

‘Laat maar gaan...’

1 december. Vroeg wakker, met stijve knoken. Ik kijk verwonderd om me heen. Dit is het armoedigste en primitiefste dat ik in de Filipijnen al gezien heb. In het piepkleine eenkamerhutje van onze gastheer staat werkelijk niets: wat doeken en kleren in een hoekje, een paar kookpotten en een bolo (machete).

Ik ga naar buiten en raak aan de praat met enkele Mangyan, die nieuwsgierig uit verderop gelegen hutjes komen toegelopen. Ze hebben wat knolgewassen meegebracht. Een vrouw begint ze schoon te maken. Rijst eten ze maar één keer per dag, want het land is niet vruchtbaar. Dit is openbaar land, maar sinds de Mangyan het in cultuur hebben gebracht hebben enkele laaglanders er hun oog al laten op vallen.

Een geldeconomie kennen de Mangyan niet. Ze zijn praktisch volledig zelfvoorzienend, maar op een zeer primitief niveau. Ze beschikken niet over werkdieren of ploegen en hebben zelfs geen simpele handwerktuigen. Als ze toch eens geld nodig hebben om iets te kopen dat ze niet zelf kunnen kweken, vinden of maken - zoals zout, lucifers of nagels - gaan ze collectief wat wortelgewassen verkopen op de markt. Als men door de eigen rijstoogst zit, gaan de mannen soms voor een tijdje hun diensten verkopen aan laaglanders. Hun loon: amper 60 peso per dag. (Het levensminimum bedraagt 240 peso per dag voor een gezin van zes.) Soms worden ze in natura betaald. Een man zegt me dat de versleten, tweedehands T-shirt die hij aanheeft zijn ‘loon’ was voor twee dagen hard labeur op het land!

Buiten het modderwater in de rijstvelden en een troebel bronnetje, is het water hier erg schaars. Wassen doen deze mensen zich nauwelijks, en wij doen met hen mee.

Georgina komt erbij zitten. Samen proberen we een beeld te krijgen van de gezondheidssituatie hier. Voor de 118 families die in Bacungan leven bestaan er geen medische diensten. De kinderen zijn niet gevaccineerd. Drie maand geleden heeft cholera hier vijf doden geëist.

Naar het hospitaal gaan de Mangyan maar in uiterste nood. Buiten het feit dat er geen geld voor is, ervaren zij in de staatsgezondheidszorg grove discriminatie. Een typisch voorval. Een week geleden hadden de dorpelingen een man die tijdens de aardbeving een ruggenmergtrauma had opgelopen, naar het hospitaal gebracht. Eergisteren hebben ze de patiënt onverrichterzake terug naar Bacungan gedragen. In het ziekenhuis was niets met hem gedaan: geen dossier opgesteld, geen onderzoeken, geen behandeling. Gisteren is de‘man overleden...

De dood is hier nooit ver weg. Als bij een ernstig zieke huismiddeltjes niet helpen en er geen geld is om naar dokter of kliniek te gaan, dan zeggen de Mangyan gelaten: Mapabayaan, laat maar gaan.

Medische raadpleging in openlucht

Om 11 uur staat een kleine plek vaste grond tussen de rijstvelden overvol met Mangyan-families. De medische missie kan beginnen, in openlucht. We zitten op neergelegde bamboepalen, met een zeil boven onze hoofden tegen de stekende middagzon. Eerst geeft Luis op een plastische en humoristische manier gezondheidsopvoeding aan de aandachtig luisterende toehoorders. Hoe longontsteking bij kleine kinderen herkennen. Wat te doen bij diarree. Over persoonlijke hygiëne kunnen we het moeilijk hebben, er is hier nauwelijks water voorhanden. Evenmin over het belang van vaccinaties, want vanwaar zouden die moeten komen? En wat met gezonde voeding, voor mensen die niet veel meer dan rijst en wortelgewassen te eten hebben?

We gaan over tot de raadpleging. Met vier dokters, mezelf inbegrepen, zien we 138 patiënten. Voor velen is dit de eerste keer in hun leven dat ze een dokter zien en geneesmiddelen kunnen krijgen. Allemaal willen ze van die geheimzinnige medicamenten in die kleurige flesjes en doosjes.

2 december. We trekken naar het dorpje Magtibay, dat er duidelijk beter voorstaat. Er loopt een weg naartoe en de meeste huisjes zijn in hout en relatief ruim. We zien verschillende vrouwen in traditionele klederdracht. De rok bestaat uit een lang kralensnoer gemaakt uit kokosschelp, dat wel honderd keer rond het middel is gedraaid. Ik vraag me af waarom we die traditionele klederdracht niet hebben gezien in het primitievere Bacungan. Bij de uitleg moet ik eens slikken. De mensen daar zijn te arm (gemaakt) om hun eigen cultuur te kunnen behouden. Bij een storm vorig jaar kwam heel hun moerasland anderhalve meter onder water te staan. Hun hutjes werden weggespoeld, met al hun karige bezittingen, traditionele kledij inbegrepen.

3 december. We zakken af naar een nog groter dorp. Voor onze consultaties beschikken we hier over twee ruime kamers in de multi-purpose hall, een soort gemeenschapscentrum voor alle gebruik. De vraag naar medische zorg is hier minder groot, slechts enkele tientallen patiënten komen opdagen. Ik hou me bezig met het inventariseren van de apotheek. Na de middag gaan we een frisse duik nemen in de nabijgelegen waterval. En morgen terug naar huis.

Pina’s beenbreuk (Rita)

12 december. Met Pina, de wijkgezondheidswerkster van Apelo Cruz met haar uitgezaaide longkanker, is het lang goed blijven gaan. Ze bleef zelfs actief in het kliniekje van Apelo. Aanvankelijk gaf dat een probleem. De mensen dachten dat kanker besmettelijk was en wilden niet door Pina verzorgd worden of met haar samen werken. Een gelegenheid om het verschil tussen kanker en infectieziekten uit te Ibggen.

Maar vanmorgen liep het mis met Pina. Bij het rechtkomen uit een zetel brak ze zomaar haar rechter dijbeen. Het bot moet zijn uitgevreten door de kanker. Pina had enorme pijn. Met een geleende auto werd ze naar een ziekenhuis gebracht, maar omdat ze niet meteen geld op tafel kon leggen, werd haar de toegang geweigerd! Blijkbaar is een pijnlijke, en wegens het gevaar van inwendige bloedingen ook gevaarlijke dijbeenfractuur geen spoedgeval. En als het niet om een spoedgeval gaat, moet elke patiënt vóór opname langs de kassa passeren.

Ten einde raad wordt Pina naar het GABRiELA-kantoor gebracht. Herinneringen aan El Salvador en mijn eigen dijbeenfractuur schieten door mijn hoofd. Pina wil niet dat we haar been aanraken, het doet te veel pijn. Met wat overredingskracht kunnen we toch de eerste zorgen toedienen. Met stevige plakband op haar huid, een stuk touw en een zelfgemaakt zandzakje leggen we het been in tractie. Zo worden de gebroken botuiteinden uit elkaar getrokken, de spieren ontspannen zich en de pijn ebt weg.

13 december. Pina is de nacht relatief goed doorgekomen. We slagen erin haar te laten opnemen in een ander ziekenhuis. Een bevriende orthopedist is bereid haar gratis te opereren. Familie en vrienden springen bij om bij Pina te waken, haar medicamenten toe te dienen, eten te geven en te verschonen.

GATT verdomme

14 december. Met 18 stemmen tegen 5 keurt de Filipijnse senaat het nieuwe akkoord goed van de General Agreement on Tariffs and Trade (gatt), dat voorziet in de oprichting van de Wereldhandelsorganisatie (wro) op 1 januari 1995. Dit is hier maandenlang in het nieuws geweest. Politici en technocraten stonden lijnrecht tegenover volksorganisaties en ngo’s. De enen beweren dat de wto vooruitgang en welzijn zal brengen, door de Filipijnse economie beter te doen aansluiten op de wereldeconomie en -handel. De anderen stellen dat dat precies het probleem is, dat een verdere iNPAssing in de wereldeconomie alleen meer uitbuiting en een groter verlies van onafhankelijkheid zal meebrengen.

De volksorganisaties voorspellen dat de armoede op het platteland zal toenemen door prioriteit te verlenen aan exportgewassen ten koste van voedingsgewassen en door de import van landbouwproducten te liberaliseren. Zo komt de voedselveiligheid van het land in gevaar, en honderdduizenden Filipijnse boeren zullen in hun bestaan bedreigd worden. De standaardcommentaar van Rafael ‘Ka Paeng’ Mariano, de voorzitter van de boerenvakbond kmp, luidt: ‘Met gatt zullen we voor ontbijt spaghetti moeten eten, ’s middags asperges en ’s avonds snijbloemen.’

Maar niet alleen de landbouw zal worden getroffen. Een meer op de export gerichte industrie zal resulteren in nog meer uitbuiting van de arbeid in vrijhandelszones. De transnationale ondernemingen komen in een sterkere positie om de lokale industrie weg te concurreren, met jobverlies als gevolg. Een gelijkaardig effect zal de liberalisering van handel en diensten hebben. De invoer van schadelijke producten, zoals pesticiden en toxisch afval, wordt hierdoor vergemakkelijkt.

De clausules over de intellectuele eigendom betekenen dat de eeuwenoude wijsheid van de inheemse volkeren en de natuurlijke rijkdom van het tropisch regenwoud ten prooi vallen aan multinationals, die er een patent kunnen op nemen. Dit is nu al het geval voor de geneeskrachtige kruiden sambong, lagundi en banaba.

Er zijn nog meer negatieve effecten voor de gezondheidszorg. Het patentrecht op geneesmiddelen wordt verlengd van 17 tot 20 jaar. Dat betekent drie jaar langer wachten op generische, goedkopere producten. De liberalisering van de invoer geldt ook voor hospitaal- en laboratoriumdiensten en voor de winstgevende medische verzekeringen waarmee buitenlandse commerciële bedrijven de Filipijnse patiënten nu kunnen komen uitzuigen. Ten slotte maken de clausules over het intellectuele eigendomsrecht het quasi onmogelijk om nog wetenschappelijke literatuur in goedkope piraatversies op de markt te brengen. Dit is een veelvoorkomende praktijk in de Filipijnen, en voor geneeskundestudenten een belangrijke besparing.

20 december. Sneller dan goed voor haar is komt Pina uit het hospitaal. Een kamer op ons kantoor zal de volgende maanden dienst doen als ziekenkamer, want langer in het ziekenhuis blijven was gewoon onbetaalbaar. Nu al is haar hospitaalrekening duizelingwekkend: 7.500 peso voor de interne fixator die op haar dijbeen is genageld, 2.500 peso voor radiografies, 10.000 peso voor het hospitaalverblijf.

Een ziekteverzekering heeft Pina niet, ze heeft immers geen geregelde job met een vast salaris. Pina’s man verdient als voddenraper nog geen 100 peso per dag, zijzelf krijgt voor haar vrijwilligerswerk in het kliniekje van Apelo 50 peso per dag. Samen zouden ze 133 dagen moeten werken om de hospitaalrekening te betalen. * 21 december. Weer telefoon van Neneng uit Panay. Ze is in alle staten, want we hebben een onverhoopte overwinning behaald. Luisa is door haar congregatie teruggefloten, en hoe! HELP-Panay kreeg een brief met uitgebreide verontschuldigingen: Zr. Louise had dat geld onmiddellijk moeten doorstorten, ze had helemaal geen opdracht om het project te inspecteren, ze heeft op eigen houtje en onverantwoord gehandeld, enzovoort. De zusters zullen de som van 20.000 dollar opnieuw storten, deze keer rechtstreeks naar HELP-Panay. Assertief zijn en geen schrik hebben om in de clinch te gaan, dat loont blijkbaar.

9. 1995 - Afscheid van Hilde - Inhoud

De paus in Manilla

1 januari 1995. ‘De Heer en heerser komt; hem behoort het koningschap, de heerschappij en de macht!’ Zo luidt de aankondiging van het komende pausbezoek door kardinaal Sin, aartsbisschop van Manilla.

De kleine 300 politieke gevangenen op de Filipijnen willen het pausbezoek aangrijpen om hun penibele situatie onder de aandacht van de wereldopinie te brengen. Ze eisen hun onvoorwaardelijke invrijheidsstelling. Om hun zaak kracht bij te zetten zullen ze in hongerstaking gaan.

3 januari. De 59 politieke gevangenen in de gevangenis van Muntinlupa nabij Manilla beginnen hun hongerstaking. Ze worden gevolgd door tientallen lotgenoten in provinciale gevangenissen. De meeste politieke gevangenen zijn eenvoudige boeren, arbeiders of mensen uit de sloppenwijken, die door militairen of politie werden gearresteerd op verdenking NPA’er te zijn, de guerrilla te steunen of ermee te sympathiseren. Maar het Ramos-regime ontkent het bestaan van politieke gevangenen.

De meesten van hen zijn gearresteerd of veroordeeld voor misdaden van gemeen recht (moord, roof, slagen en verwondingen). Gewoonlijk gaat het om valse aanklachten en bij eventuele strafbare feiten wordt nooit de politieke motivatie erkend. Deze criminalisering van politieke misdrijven kan tot surrealistische toestanden leiden. Als het NPA bijvoorbeeld een militaire post van het regeringsleger aanvalt, leeghaalt en plat brandt, luidt de juridische aanklacht ‘inbraak met brandstichting’.

10 januari. De paus arriveert. Onder druk van de hongerstakers, die gesteund worden door de volksorganisaties, laat Ramos een schamele 24 gevangenen vrij. In de meeste gevallen gaat het om mensen die al jaren geleden moesten vrijgelaten zijn, hetzij om humanitaire redenen (er zijn zieken bij en een kind van 14), hetzij omdat ze hun straf hebben uitgezeten, of omdat hun veroordeling door een hogere rechtbank ongedaan is gemaakt. ' 18 januari. We schrijven naar huis: ‘Jullie weten natuurlijk dat de paus hier is geweest. Voor zijn openluchtmis was er een massale volkstoeloop: 4 miljoen mensen! Iedereen had continu radio en tv aan om toch maar niets te moeten missen - net als bij de poging tot staatsgreep vijfjaar geleden. De meeste scholen waren tien dagen dicht, want gelijktijdig met het pausbezoek had in Manilla de katholieke Wereldjongerendagen plaats; de duizenden gasten werden te slapen gelegd in scholen. Wij hebben twee keer geluk gehad: de school van onze kinderen was niet uitverkoren, en de paus hield zich ver van Quezon City waar wij wonen en werken, zodat het hier rustig bleef.’

Hongerstaking in Muntinlupa

11 februari. Op de 40ste dag van hun hongerstaking bezoek ik met een medisch team van HEAD de actievoerders in het Maximum Security Prison van Muntinlupa. Dr. Delen dela Paz - de vroegere directrice van de Council for Primary Health Care - en Monina zijn hier al ettelijke keren geweest en kennen de bewakers goed.

Terwijl zij onze pasjes regelen kijk ik nieuwsgierig rond. Aan de ingang van het reusachtige gevangeniscomplex staat een metershoge, uit steen gehouwen kop van ex-dictator Marcos. In de wachtzaal een holle patriottische leuze, met een voor een gevangenis cynisch slot: ‘De Filipijnen zijn een land waar vrijheid en gerechtigheid heersen’.

Onze pasjes zijn in orde, we mogen mee naar de barak van ‘de politieken’. Ramos MAG beweren wat hij wil, zijn eigen gevangenispersoneel noemt deze gevangenen ‘de politieken’.

De hongerstakers liggen of zitten op britsen in een grote slaapzaal. Ze maken een verzwakte indruk, maar strijdbaar zijn ze nog steeds. De slecht verluchte en verlichte ruimte is opgesmukt met vlaggen en spandoeken van volksorganisaties. Aan de muur foto’s van solidariteitsacties in Manilla, de VS en Europa. Ook een boodschap van het Nationaal Democratisch Front, dat verzekert dat de vrijlating van de politieke gevangenen bovenaan de agenda staat bij elk gesprek met de Filipijnse regering over mogelijke vredesonderhandelingen.

Delen en Monina worden meteen door verschillende gevangenen aangesproken. Ik zet me wat ongemakkelijk op de eerste de beste brits en probeer een gesprek aan te knopen. Jaime Salvante heet mijn gesprekspartner, een oude, pezige man met witgrijs haar en een diep doorgroefd gelaat. Hij middellijke en onvoorwaardelijke vrijlating van alle politieke gevangenen eisen, zoals de nationaal-democratische beweging en HEAD doen? Of kan je met de Rejects en de Medical Action Group je boontjes te week leggen op de amnestiewet van Ramos, op een regeringscommissie en op de herziening van individuele gevallen?

Ook in de houding tegenover de hongerstakers is er een verschil. Met HEAD benadrukken we integratie met de politieke gevangenen, morele en politieke ondersteuning. Tot in de media toe propageren we hun politieke eisen, MAG is vooral bezig met de medische ondersteuning van de hongerstakers. In hun perscommuniqués doen ze niet veel meer dan klagen over hun slechte gezondheidstoestand. Erger, MAG verkondigt dat de politieke gevangenen depressief zijn, en jammert dat ze vandaag ‘geen bezoekers zullen hebben op Valentijn’.

20 februari. Eind vorige maand had het stichtingscongres plaats van Siglaya, de afscheuring van de nationaal-democratische beweging die de ‘derde weg’ wil gaan bewandelen. Ik krijg een kopie van hun congresteksten in handen. De meeste zijn geschreven door Ric Reyes en Joel Rocamora. Ze beweren dat ‘het NPA geneutraliseerd is’, dat ‘de mogelijkheid bestaat dat Philippines 2000 slaagt’, wat ‘een nieuw stadium zou betekenen in de kapitalistische ontwikkeling van de Filipijnen’, en dat de Amerikaanse overheersing van de Filipijnen ‘significant is afgenomen’. Slaan naar de revolutie, zalven naar Ramos en de Amerikanen!

Veranderingen in huis

28 februari. Een droevige verrassing als ik thuiskom. Onze katulong Celia meldt dat ze ons verlaat. Volgende week vertrekt ze naar Hong Kong. Zonder dat we er iets van wisten heeft Celia maanden geleden gesolliciteerd bij een agentschap dat meiden ronselt voor het buitenland. Ze hoorde er niets meer van, tot ze nu plots een visum en een vliegtuigticket krijgt om volgende week te vertrekken. Ze is er het hart van in, en wij ook.

Maar Celia ziet naar het buitenland gaan als de enige manier om genoeg te verdienen om jongere broertjes, zusjes, neefjes of nichtjes te laten studeren en om haar zieke moeder in de provincie te helpen. Celia’s job bij ons wordt overgenomen door haar zusjes, Mary en Mercy. Mary na schooltijd, Mercy, die werk heeft, op haar vrije dag.

1 maart. We hebben weer logés in huis. Leen is studente geneeskunde en komt via Geneeskunde voor de Derde Wereld drie maand stage lopen in twee staatshospitalen in Manilla.

De Ata-Manobo versus Alsons

Op het grondgebied van de gemeente Talaingod, in de provincie Davao del Norte op Mindanao, leeft al eeuwenlang het inheemse volk van de Ata-Manobo, maar sinds 25 jaar worden zij geconfronteerd met de bosbouwfirma Alcantara and Sons (Alsons). Van 1969 tot 1989 had Alsons er een houtkap-vergunning. Net toen die ten einde liep, voerde het ministerie van Milieu en Natuurlijke Rijkdommen een nieuwigheid in: de Industrial Forest Management Agreement (IFMA). Klinkt ecologisch: bosbeheer. En inderdaad, een IFMA laat alleen ontbossing toe - voor een periode van 25 jaar, verlengbaar met nog eens 25 jaar - op voorwaarde dat er aan herbebossing gedaan wordt.

Door connecties met hooggeplaatste politici verkreeg Alsons in 1991 zulk een IFMA, voor 19.000 hectare op het grondgebied van Talaingod. Omdat 20.000 ha de wettelijke limiet is, gebruikte Alsons een andere naam om een tweede vergunning te krijgen, goed voor nog eens 10.000 ha. DeAsian Development Bank, het Aziatisch zusje van de Wereldbank, verstrekte Alsons een zachte lening van 350 miljoen peso.

Voor de Ata-Manobo bleek de herbebossing onder de IFMA ingrijpender dan de vroegere ontbossing. Bij ontbossing verdwijnt enkel het woud; bij herbebossing ben je ook je land kwijt, want dat wordt een bomenplantage. Er wordt slechts één enkele soort snelgroeiend hout aangeplant, er is geen sprake van het herstel van het natuurlijk woud. Een monocultuur, die heel wat pesticiden vergt en het ecosysteem vernietigt, waar de Ata-Manobo, jagers-verzamelaars en eenvoudige landbouwers, in hoge mate van afhankelijk zijn. Verder liggen in Talaingod de voorvaderlijke gronden van de Ata-Manobo. Als die hen worden afgenomen dreigt hun eeuwenoude cultuur mee ten onder te gaan.

Vanaf de uitvoering van de nieuwe IFMA werden de Ata-Manobo door Alsons lastiggevallen. De firma gebruikte hiervoor de burgemeester van Talaingod, en een 200-tal Ata-Manobo die als werknemer bij het bedrijf werden aangetrokken. De gekende verdeel-en-heers tactiek.

Om zich te verdedigen tegen de expansie van Alsons, richtten 50 datu’s, de traditionele hoofden van de Ata-Manobo, eind 1993 de organisatie Salugpungan op. Dit wekte de woede op van Alsons, die de hulp van de militairen inriep. Honderden dorpelingen sloegen op de vlucht. In augustus 1994, na maanden ontberingen, trokken meer dan 500 Ata-Manobo naar Davao City, de grootste stad van Mindanao.

Dit bracht de zaak in de media. Er volgden onderhandelingen tussen Alsons en Salugpungan, en het kwam tot een akkoord. De bosbouwfirma verbond zich ertoe de gronden met rust te laten van alle Ata-Manobo die tegen de IFMA waren, en het hele gebied zou opgemeten worden om het voorvaderlijk domein van de inheemse volkeren vast te leggen. De vluchtelingen keerden naar huis terug.

Maar toen er van de uitvoering van het akkoord niets terecht kwam en de treiterijen van Alsons en de militairen voortduurden, oordeelden de datu’s van Salugpungan dat de maat vol was. Ze kondigden een pangayaw af, dit is een traditionele manier om recht te doen gelden door oorlog te voeren tegen vreemde indringers. Voor de moegetergde Ata-Manobo het laatste reddingsmiddel om hun gronden, hun cultuur, hun levenswijze en hun overleven zélf te verdedigen. Na een laatste waarschuwing werden op 20 oktober 1994 vijf werknemers van Alsons gedood bij een aanval met pijl en boog.

Het antwoord van Alsons en de Filipijnse staat liet niet lang op zich wachten. Tegen tien leiders van Salugpungan werd klacht ingediend wegens moord, dubbele moord, moordaanslag en dubbele moordaanslag. Arrestatiebevelen werden uitgevaardigd. Troepenversterkingen en cafgu’s werden naar Talaingod gestuurd.

Sindsdien leiden de datu’s van Salugpungan een verborgen bestaan in de uitgestrekte bergen en bossen van Talaingod.

Op internationale onderzoeksmissie

6 maart. Tegen die achtergrond vertrek ik voor een International Fact-Finding Mission naar Talaingod. Bedoeling is een onderzoek in te stellen naar de schendingen van de mensenrechten tegen de Ata-Manobo, en voedsel- en medische hulp ter plaatse te brengen. De missie is een initiatief van de protestantse United Church of Christ in the Philippines. Ik vertegenwoordig de CHD en head. Er nemen nog een tiental andere binnen- en buitenlandse mensenrechten- en gezondheidsorganisaties aan deel.

7 maart. We worden gebrieft door datu Pansana. Hij is één van de tien gezochte leiders van Salugpungan, de organisatie van de Ata-Manobo. Een man met een aanstekelijke glimlach en gaten in zijn oorlellen waar je een 50-frank stuk zou kunnen doorsteken. Bij feestelijke gelegenheden worden hierin oorbellen gestoken, legt mijn buurman Rodel uit.

De datu vertelt dat de militairen op 30 december 1994 een Manobodorpje hebben platgebrand. Op 4 februari dit jaar is een priester in een verdacht auto-accident om het leven gekomen. De man was zelf een Manobo en steunde de strijd tegen Alsons. Van 24 tot 28 februari, pas een week geleden, heeft een nieuwe militaire operatie twintig families op de vlucht gedreven.

Datu Pansana vertelt dat de situatie van de Ata-Manobo precair is. Velen lijden aan ondervoeding en infectieziekten. De bewakers van Alsons hebben aan de enige toegangsweg tot Talaingod een voedsel- en geneesmiddelenblokkade ingesteld. Niemand MAG meer dan 5 of 10 kg rijst tegelijk het gebied binnenbrengen, ‘want dat zou wel eens naar het NPA kunnen gaan’.

Intussen doen Alsons en de militairen in de pers al dagenlang aan psychologische oorlogsvoering tegen onze onderzoeksmissie en tegen Salugpungan. De organisatie zou in de rug gedekt worden door niet minder dan 600 NPA’ers. Wijzelf zouden niet tot Talaingod worden toegelaten. Burgemeester Libayao kan niet voor onze veiligheid instaan. Wij zouden duistere motieven hebben. Enzovoort. De dag voor de missie verschijnt in de Inquirer een paginagrote advertentie van Alsons, vol leugens en insinuaties, maar met als grote kop: ‘Geef de Waarheid een Kans’.

8 maart. In een gespannen sfeer vertrekken we in drie jeepneys richting Talaingod. Langs de weg zijn tientallen spandoeken opgehangen. De slogans laten aan duidelijkheid niets te wensen over. Ze eisen de uitvoering van de IFMA en slingeren de ngo’s en onze onderzoeksmissie allerlei schunnigs naar het hoofd. Het werk van Alsons en/of de militairen.

Hoe verder we rijden hoe vreemder we worden aangestaard door de mensen langs de weg. Na een bocht staan we plots voor een barricade. Met nogal wat misbaar en gezwaai van bolo’s komen zo’n 30 Ata-Manobo op ons af. Als we van onze eerste verbazing en schrik zijn bekomen, treedt ons onderhandelingsteam in actie. Maar de Ata-Manobo willen van geen wijken weten. Hun leider, die veel te goed Tagalog spreekt om Manobo te zijn, bezweert ons dat Alsons’ herbebossingproject gunstig is voor de Ata-Manobo en dat ngo’s niets goeds te bieden hebben. Tk zou jullie ten stelligste afraden verder te rijden, want voorbij de barricades staan in de bosjes 300 traditionele strijders klaar die heel boos zijn op jullie.’

Tijdens de discussie neemt een Manobo foto’s van ons, een andere noteert de nummerplaat van onze jeepneys. Voor de volledigheid komt een militaire jeep aangereden. De dienstdoende luitenant beweert doodleuk dat hij niets kan doen aan die barricade op de openbare weg. Hij waarschuwt dat de Ata-Manobo ‘wel eens wild zouden kunnen worden’. Na een laatste onderhandelingspoging besluiten we rechtsomkeert te maken. Missie mislukt!

9 maart. We geven een druk bijgewoonde persconferentie in Davao City; 2 TV-zenders, 2 radiostations, 5 lokale en één nationale krant willen ons verhaal horen. We klagen het tegenhouden van de onderzoeksmissie aan. Als Alsons, die vraagt de Waarheid een Kans te geven, ons de situatie in Talaingod niet wil laten zien, moet de firma zeker heel wat te verbergen hebben.

Voor de pers willen we de mythe van Philippines 2000 doorprikken. President Ramos is ook net op missie, hij ronselt buitenlandse investeringen in Europa. Maar terwijl hij daar verkondigt dat rapporten over schendingen van de mensenrechten ongegrond zijn, worden de Ata-Manobo geconfronteerd met militaire wreedheden en een voedsel- en geneesmiddelenblokkade. En terwijl Ramos de mond vol heeft over de snelle ontwikkeling van de Filipijnen, zijn wij in Talaingod getuige van ‘ontwikkelingsagressie’: ontwikkeling in naam, maar in werkelijkheid agressie tegen het volk.

Toch bij de Ata-Manobo

Na de persconferentie komt een jonge vrouw op me af. Het is Ana, een eerder zwijgzame deelneemster aan de missie. Ze vraagt of ik niet geïnteresseerd ben om langs een achterpoortje naar de Ata-Manobo te gaan. Ik ben de enige arts in het gezelschap en er is heel wat medische nood te lenigen in Talaingod. Het is ook belangrijk om ter plaatse poolshoogte te nemen van de toestand en daarover te rapporteren in binnen- en buitenland.

Ik heb aan Rita en op de Council gezegd dat ik na de onderzoeksmissie nog enkele gezondheidsprojecten in Mindanao wil bezoeken. Langer wegblijven is dus het probleem niet. Is het niet mijn plicht als gezondheidswerker om in te gaan op deze vraag naar medische hulp? En dan die wat heimelijke manier waarop Ana me benadert, dat ‘achterpoortje’: zou dit een half-clandestiene tocht zijn, zou er toch iets van aan zijn van die ‘600 NPA’ers’ in Talaingod? Ik zeg toe.

Ana neemt me mee naar een huis even buiten de stad. Binnen een dag of twee zal een gids me hier komen oppikken. Met hem kan ik een tiental dagen langs de verschillende gehuchten van Talaingod trekken.

13 maart. Daar is mijn gids: Barudong, een stevig kereltje dat van wanten weet. Hij heeft een zware crossmoto plus bestuurder bij, en begint meteen een zak rijst, twee dozen geneesmiddelen en mijn rugzak op de moto te binden. Ik MAG achterop en Barudong zet zich op de benzinetank, tussen de armen van de bestuurder. Na een ritje van twee uur kunnen we niet meer verder. Barudong en ik stappen af en nemen afscheid van de motorrijder. Een doos en mijn rugzak zijn voor mij, de zware rijstzak en de tweede doos voor Barudong. Het is nog twee uur stappen langs en doorheen een rivier voor we het eerste dorpje bereiken.

Ik heb veel bekijks, maar het is wederzijds. De Manobo-vrouwen en mannen hebben weer van die immense gaten in hun oorlellen. Sommige vrouwen hebben er ronde oorbellen inzitten waaraan ze halssnoeren hebben bevestigd. De datu heeft ook een halssnoer om, waaraan diverse prullaria hangen: een zakje met wat kruiden, een veiligheidsspeld, belletjes, een leeg flesje van oogdruppels,... De vrouwen houden onveranderlijk een dikke prop tabak tussen hun bovenlip en hun tanden geklemd. Een van hen heeft haar reserve tabaksblaren altijd bij de hand: mooi opgerold in het gat in haar oorlel. Velen hebben tatoeages op hun voorarmen, en de vrouwen ook op hun ontblote buik. Ik zie zelfs twee mannen met tatoeages als een karrenwiel rondom hun tepels.

Op aanvraag houd ik direct medische consultaties, want hier komt nooit een dokter. De eerste gezondheidspost is op uren afstand, en met de huidige gespannen situatie kan daar niemand naartoe. Ik zie vooral patiënten met infecties van de bovenste luchtwegen, diarree, malaria en geïnfecteerde wonden. Barudong neemt me mee naar een klein huisje, waar een vrouw kreunend op de grond ligt. Ze heeft een abces dat de helft van haar aangezicht aantast. Ik haal er een half kopje stinkende etter uit. We trekken verder. Onderweg passeren we nog een dorpje, waar we in de gauwte raadpleging houden. Tegen de middag bereiken we Sitio Tibucag, een gehuchtje van eenvoudige bamboehutjes. Het is half verlaten, het is hier dat twee weken geleden een militaire operatie van het Filipijns leger plaatshad. De bewoners van Tibucag overnachten als opgejaagd wild in het woud. Overdag, als alles veilig is, keren ze naar hun dorpje en hun velden terug.

Dit onooglijk en armoedig gehuchtje is één van de zenuwcentra van Salugpungan, de organisatie van de Ata-Manobo. Boven op een heuvel

woont datu Ginom, de vice-voorzitter van Salugpungan, een van de tien wanted. We leggen ons te slapen in één van de lege hutjes.

Datu Ginom en datu Lesoro

14 maart. In zijn één-kamer-hutje ontvangt Datu Ginom ons hartelijk. Het is er de hele dag een komen en gaan van datu’s, vrouwen en kinderen. Ze komen raad vragen of gewoon een praatje slaan. Of ook om die ‘Amerikaan’ eens te keuren natuurlijk. Barudong moet alles voor mij vertalen, niemand spreekt hier Tagalog.

Ginom zegt dat de mensen maar één oplossing zien voor hun problemen: Alsons buiten! En kan dat niet goedschiks, dan maar kwaadschiks, want als de Ata-Manobo hun land kwijtraken hebben ze niets meer. Omdat ze ongeletterd zijn, geraken ze moeilijk aan een job. Er zijn geen scholen in de wijde omtrek, en een alfabetiseringsproject, opgezet door een NGO, werd een paar jaar geleden door de militairen stopgezet.

16 maart. Datu Lesoro, de woordvoerder van Salugpungan, voegt zich bij Ginom. Een grappige, praatzieke man. Minder leuk vind ik dat hij me zowat de kleren van mijn lijf vraagt. Voor de straatarme Ata-Manobo ben ik natuurlijk een rijke westerling, maar ik moet nog wel op een deftige manier terug geraken naar de meer bewoonde wereld.

De twee datu’s bespreken wat de Ata-Manobo te doen staat. Ze besluiten een Open Brief op te stellen. Ze willen de autoriteiten en de publieke opinie duidelijk maken dat ze de stopzetting eisen van de militaire operaties. Ze vragen ook dat hun voorouderlijke gronden worden afgebakend en dat het conflict met Alsons een vreedzame oplossing krijgt.

Ginom noch Lesoro kunnen schrijven. Het is Barudong die voor hen de brief neerpent, zij spreken hem dan in op cassette. Een boodschapper zal de cassette naar een plaatselijk radiostation brengen.

Honger en onderontwikkeling

17-21 maart. Ik bezoek nog enkele dorpjes in de buurt. Geen makkelijke klus, door de brandende zon over de heuvels. Overal houd ik medische consultaties, met mijn beperkte kennis en alsmaar beperktere middelen, want ik zit snel door onze kleine voorraad geneesmiddelen.

Nu de dorpelingen hun velden nog nauwelijks kunnen bewerken, is het armoe troef wat eten betreft. De meeste Manobo-gezinnen eten geen drie keer per dag. Rijst is er zelden, het basisvoedsel is gemalen maïs. Voor de rest zijn er alleen groenten, of alleen zout, of soms helemaal niets om erbij te eten. Op een week tijd krijgen we één keertje een magere kip op het menu, eerlijk verdeeld over twintig borden. En één keer een blikje sardientjes dat Barudong uit zijn rugzak tovert. Het gebeurt ook dat er rijst noch maïs is; dan eten we wortelgewassen. Sommige kinderen zijn echt uitgehongerd, storten zich op het eten, zouden vechten om een paar korrels rijst.

23 maart. Een jonge durver, Mario, is vannacht naar Talaingod-centrum geweest, door de blokkade heen, om rijst te gaan kopen. Op de terugweg is hij in de duisternis van een rots gevallen. Ik verzorg de gapende wonde op zijn dij. Gelukkig heeft hij niets gebroken. Datu Ginom vertelt dat al verschillende volwassenen en kinderen ’s nachts op de vlucht in het woud het leven hebben gelaten bij ongevallen.

De leiders van Salugpungan bespreken de mogelijkheid om een dialoog te vragen met de militairen. De Ata-Manobo hebben dringend behoefte aan wat ademruimte. Ze willen het woud uit, terug naar huis en naar hun velden. De honger knaagt. Maar Salugpungan houdt vast aan zijn eis voor een halt aan de militaire operaties.

Ik verveel me behoorlijk de laatste dagen. Barudong is niet altijd in de buurt en zonder zijn vertaalwerk kan ik met niemand converseren. Het boek dat ik bij me heb, Maldevelopment van Samir Amin, is uit. Theoretische modellen om onderontwikkeling te verklaren, terwijl ik hier middenin de praktijk van onderontwikkeling zit. Ik vraag Barudong of het nog nodig is dat ik blijf. Kan hij misschien mijn terugtocht regelen?

25 maart. Op mijn laatste dag bij de Ata-Manobo word ik om 4.30 uur gewekt door datu Lesoro. Hij zingt luidkeels gebeden om van de god Magbabaya voor mij een veilige terugreis af te smeken. Of het daaraan ligt weet ik niet, maar na een zware voettocht en een motorritje ben ik veilig en wel in de stad.

Flor

25 maart. Terwijl ik door de heuvels van Talaingod trek, schrijft Rita naar huis: * ‘Is het geval van Flor Contemplacion ook bij jullie in de kranten verschenen? Sinds een paar weken staan de Filipijnen op hun kop, nog nooit hebben we hier zoiets meegemaakt.

Flor is een Filipina die sinds 1987 als meid in Singapore werkte. Daar werd ze ervan beschuldigd een andere Filipina en het zoontje van haar werkgever te hebben vermoord. Een ingewikkelde historie, maar iedereen is er hier van overtuigd dat Flor onschuldig is, of dat er op zijn minst heel wat verzachtende omstandigheden zijn: de jarenlange scheiding van haar man en kinderen, de extreme uitbuiting, tot en met lijfstraffen waaraan ze blootstond. Maar het verdict luidde "schuldig", en in Singapore staat op moord de doodstraf door ophanging. De week voor haar aangekondigde executie was er een permanente wake voor de ambassade van Singapore. Te elfder ure vlogen advocaten en getuigen nog naar Singapore en president Ramos diende een gratieverzoek in bij sterke man Lee van Singapore. Vrijdagmorgen 17 maart was iedereen aan radio of tv gekluisterd. Toen het nieuws van haar verhanging bekend werd, waren er spontane betogingen. De mensen zijn echt verontwaardigd. Ik ben twee keer mee gaan betogen, met Lize in de koets. Vandaag zijn bijna alle collega’s naar Flors begrafenis.’

Vanwaar dat massaal meeleven - die massahysterie, volgens sommigen? En waarom doen gabriela en de hele volksbeweging daaraan mee? Is dit geen twijfelachtige affaire, geen apolitiek thema?

Toch niet. De Filipijnse overheid voert een beleid om de export van arbeidskrachten te stimuleren. In 1993 brachten de Flors - en de Celia’s - langs de officiële bankkanalen 2,2 miljard dollar het land binnen. Dit vertegenwoordigt 3,4% van het Filipijns Bruto Nationaal Product, 30% van het jaarlijks handelstekort, of de volledige intrestbetaling op de buitenlandse schuld. Niet te verwonderen dat president Aquino de Filipijnse migranten ‘de nieuwe helden’ noemde.

Maar in feite zijn het ‘de nieuwe slaven’. Naast hun onhoudbare leef- en werksituatie hebben de migranten dikwijls te lijden onder geweld, afpersing en bedrog vanwege hun werkgever of recruiter. En als deze helden iets overkomt, laat de Filipijnse regering ze vallen als een baksteen.

Meter Hilde nooit meer zien...

Vrijdag 31 maart, 14 uur. Rita telefoneert me op de CHD. Ik schrik van haar snikkende, gebroken stem: ‘Ons Hilde, ons Hilde is dood.’ - ‘Wat? Dat kan niet! Hoe weetje...’ - ‘Boudewijn heeft juist gebeld.’ Boudewijn Deckers is de Filipijnenverantwoordelijke van de Partij van de Arbeid. ‘Ik kom direct.’

Ik leg de hoorn neer en moet er bleek en ontzet uitzien, want iedereen op kantoor komt naar me toe: ‘Wat is er, Bert?’

Ik mompel: ‘Namatay si Hilde, Hilde is gestorven, de zus van Rita. Ik moet gauw naar Rita.’ Pas op straat wellen de tranen in mijn ogen op. Ik haast me naar het kantoor van gabriela, twee straten verder. Onderweg gaan allerlei gedachten door me heen. Wat kan er gebeurd zijn? Was het een auto-ongeval? Zou het wel waar zijn?

Rita komt me tegemoet en valt me wenend in de armen. ‘Het was haar hart. Gisteravond, terwijl ze vorming gaf aan studenten in Gent. Ze hebben nog geprobeerd haar te reanimeren.’

In al mijn opwinding had ik er niet eens aan gedacht dat Hilde geboren was met een zware hartafwijking, waarvoor ze als kind drie operaties had ondergaan. Buiten het opvallend litteken op haar borst, leek niets aan dat hartprobleem te herinneren. Ik denk terug aan onze zware tocht in Lacub. Hilde gebruikte nooit haar hartaandoening om zware inspanningen te ontvluchten. Om uiteindelijk te bezwijken achter een tafel...

We wachten op een tweede telefoontje van Boudewijn. Hij doet het verhaal opnieuw. En wat met de mama en papa van Hilde en Rita, die op vakantie zijn in Spanje? ‘Ze zijn verwittigd en komen naar huis.’ Rita en ik twijfelen geen seconde en melden dat we met de kinderen naar België komen, zo snel mogelijk. Ook al moeten we de hele reis zelf bekostigen, want voor een sterfgeval ‘in de tweede graad’ komt de verzekering van NGO-coöperanten niet tussen.

Het is al tegen vier uur als we thuiskomen. Op de zitbank voor ons huisje zitten Lyn, Yayen en Leni van de CHD te wachten. Het nieuws van Hildes overlijden heeft als een lopend vuurtje de ronde gedaan en in de beste Filipijnse traditie komen onze vrienden ons onmiddellijk troosten. Ze hebben sandwiches, koeken en frisdrank mee, want ze weten beter dan wijzelf dat we - ook in afwezigheid van de overledene - in ons appartementje een soort Filipijnse dodenwake zullen moeten houden. Met bijna voortdurend bezoekers, die allemaal iets moeten eten en drinken.

Ik ga de kinderen van school halen en vertel hen het trieste nieuws. Vooral Yuri is onder de indruk, hij was Hildes petekind. Mara vraagt ongelovig: ‘Zullen we meter Hilde dan nooit meer zien?’

Rita en ik doen die nacht geen oog dicht. We huilen dicht tegen mekaar aangedrukt, we praten over Hilde, we bespreken wat ons te doen staat.

Zaterdag 1 april. Op Rita’s kantoor gaan we telefoneren naar België. Deze keer met Dirk, Rita’s broer. Hildes lichaam zal gecremeerd worden. De familie heeft besloten op ons te wachten, maar wanneer kunnen wij in België zijn? De crematie is voor alle zekerheid pas voorzien voor vrijdag 7 april, de asverstrooiing voor de dag erna. Met de familie is er een korte begrafenisplechtigheid vrijdagnamiddag.

We winnen informatie in bij een reisagentschap. We kunnen het land niet uit zonder uitreisvisum, en dat kan makkelijk drie werkdagen duren, zelfs als je op immigratie extra betaalt voor de Express Lane. Toch boeken we een vlucht voor woensdag 5 april, aankomst in Brussel een dag later.

Boudewijn belt ons opnieuw. Hij vraagt of we iets over Hilde willen schrijven voor het weekblad Solidair. De Partij van de Arbeid heeft samen met enkele andere organisaties en in overleg met de familie het initiatief genomen voor een herdenkingsviering voor Hilde, op 8 april ’s namiddags in de Stadsfeestzaal in Mechelen. De bekommernis en steun van zoveel mensen ontroert en steunt ons.

Op de CHD zitten ze evenmin stil. Ze willen ook in Manilla een afscheidsviering organiseren voor Hilde, een parangal. Ze zijn fantastisch, onze Filipijnse vrienden!

De enige haalbare datum voor de viering is dinsdag 4 april. Teth en Jojo zijn verantwoordelijk voor het programma. Vanuit Mindanao komt het bericht dat Hilde Verheyen, een vrijwilligster van Geneeskunde voor de Derde Wereld, voor de parangal naar Manilla komt. En maandag komt Stijn, de vriend van onze stagiaire Leen, in Manilla aan om zijn paasvakantie hier door te brengen. Hij zal rouwboodschappen uit België en een videocamera bijhebben voor de herdenking.

Zondag 2 april. Stom, een zondag. We moeten tot morgen wachten om aan de bureaucratische lijdensweg voor een uitreisvisum te beginnen. Gelukkig vindt de CHD ook hier weer een oplossing. De vader van een CHD-staflid is een hoge piet op immigratie. Hij kan een goed woordje doen om de procedure voor een uitreisvisum te versnellen.

Maandag 3 april. Om 8 uur ben ik op post op immigratie, en negen uur later heb ik resultaat: we mogen de uitreisvisa woensdagvoormiddag afhalen, vlak voor ons vliegtuig vertrekt. Rita is intussen naar de bank en het reisagentschap en faxt naar Solidair:

‘Hilde, zus, vriend en kameraad,

In een van onze laatste Filipijnse brieven naar jou schreven we: "Iedereen hier vraagt wanneer je nog eens afkomt". Zoveel volksorganisaties en ngo’s waren al gewend geraakt aan je jaarlijkse bezoekjes. Je antwoordde laconiek: "Als iedereen dat vraagt, tja, dan zal ik maar komen, hé. Waar zou ik anders naartoe gaan deze vakantie?" Je had al een vlucht geboekt en je schreef dat we je niet moesten komen afhalen aan de luchthaven: "Ik geraak wel thuis." Thuis wasje hier inderdaad, bij ons in de Filipijnen.

Net zoals wij en zovele Filipino’s bij jou in Mechelen thuis waren. Pas enkele weken geleden had je nog twee Filipijnse gasten op logies. Terug in Manilla vertelde Romy ons enthousiast hoe jij hem, professor farmacologie, op een vroege vrieskou-ochtend meenam naar de fabriekspoort van Van Hooi om er pamfletten uit te delen. En Mei was al even enthousiast over de grote Objectief-betoging van 19 maart, waarin zij naast jou opstapte. Je slaagde er altijd in om derdewereldbezoekers zich te laten inleven in de strijdbewegingen in België, wat onontbeerlijk is voor een echt wederzijdse internationale solidariteit.

De Filipino’s en Filipina’s die jou hebben leren kennen, hier en ginder, herinneren zich vooral je principevastheid, je werklust en je verantwoordelijkheidsbesef. Maar ook de schijnbaar vanzelfsprekende openheid en eenvoud waarmee je hen tegemoet trad, je warme vriendschap en kameraadschap. Nee, je zal niet meer naar de Filipijnen komen, je zal hier blijven, in het hart van het Filipijnse volk, en aan hun zijde in de lange strijd voor bevrijding van uitbuiting en onderdrukking.

Onze Filipijnse vrienden zijn diep onder de indruk van je voortijdig heengaan, Hilde. Zoals het bij Filipijnse dodenwakes de gewoonte is kwamen velen van hen ons de allereerste avond al hun medeleven en sympathie betuigen. Ze lieten de zeldzame foto’s die ze van jou hadden van hand tot hand gaan en vertelden over hun ervaringen en anekdotes met jou. Onmiddellijk werd gepland om een herdenkingsbijeenkomst te organiseren, zoals hier ook voor andere geliefde figuren uit de nationaal-democratische beweging gedaan wordt. Het is een hele eer, maar bijzonder verdiend, dat men je hier op gelijke voet plaatst met de internationalistische arts Norman Bethune, en met de Filipijnse artsen-martelaars Bobby dela Paz (vermoord door de militairen omdat hij gewonde NPA’ers zou hebben verzorgd) en Johnny Escandor (vermoord nadat hij zich bij het ondergronds verzet had gevoegd).

Hilde, we zullen in België en op de Filipijnen met velen een tandje meer moeten steken om de leemte die je achterlaat zo goed en zo kwaad mogelijk op te vullen. We zullen dat graag en vol overgave doen. Want als eerbetoon voor een revolutionair zoals jij wordt niet een minuut stilte gevraagd, maar een leven lang van volgehouden engagement.’

Mabuhay ka, Kasamang Hilde! Je leve lang, kameraad Hilde!

Leen gaat Stijn afhalen op de luchthaven. Hij heeft nog een briefje bij van Hilde, geschreven op de dag van haar overlijden:

‘Hallo,

Snel nog de laatste minuten gebruiken om te vertellen wat er allemaal in Stijn zijn valies zit:

* een diskette met alle artikels die je gevraagd hebt
* een briefje voor Lean. Geven jullie er wat paaseieren bij?
* paaseitjes voor de drie (vier? vijf?) kapoenen
* wat lectuur
* een boek voor mijn zusje haar verjaardag - op tijd, hé - en te laat voor mijn schoonbroer zijn verjaardag

De groeten aan Leen, ik zal geen tijd meer hebben om haar nog een briefje te schrijven.

’t Is hier al enkele dagen lente, we hebben al sneeuw, hagel en regen over ons vel gekregen. Daarnaast vriest en stormt het af en toe. Plezant is anders.

Groetjes,

ikke’

Alsof ze haar einde voelde naderen: ‘de laatste minuten gebruiken’, ‘geen tijd meer’, een te vroeg verjaardagscadeau...

‘Zwaarder dan de bergen van de Cordillera’

Dinsdag 4 april. De viering voor Hilde is prachtig. Mijn gevoelens worden over en weer geslingerd tussen verdriet om het verlies van Hilde en vreugde om al het mooie dat zij betekend heeft, en dat vandaag zo tastbaar is in het medeleven, de solidariteit, het engagement van zovelen. Er zijn wel 150 aanwezigen. Zelfs Roger is opgedaagd. Hij wisselt zijn oude vijandschap in voor een gemeende handdruk. Er zijn een vijftiental sprekers, van de volksorganisaties KMU, kmp, HEAD en gabriela, van de CHD en andere ngo’s uit Noord-Luzon en Mindanao. Leen en Hilde Verheyen brengen een getuigenis, en uit België hebben we de boodschap van Geneeskunde voor de Derde Wereld vertaald. Uiteraard moeten ook Rita en ik spreken. Omdat niemand anders dat om veiligheidsredenen kan doen, zijn wij het ook die de rouwboodschappen voorlezen die verschillende ondergrondse organisaties hebben bezorgd.

Die van de NDF-organisatie van gezondheidswerkers begint met een citaat uit Mao Zedong’s Dien het Volk:

‘Alle mensen moeten sterven maar hun dood kan een heel verschillende betekenis hebben.

De klassieke Chinese schrijver Szuma Chien zei: "Hoewel de dood iedereen treft zonder onderscheid, kan ze zwaarder wegen dan de Berg Thai of lichter dan een veertje."

Sterven voor het volk is zwaarder dan de Berg Thai, maar sterven voor de uitbuiters en verdrukkers is lichter dan een veertje.’

In hun tekst trekken Hildes vrienden uit Noord-Luzon deze vergelijking door:

‘Wij herinneren ons nog levendig hoe hard Hilde werkte om financiering te bekomen voor het kliniekje in Lacub. Al maakten de tyfoons de beklimming erg zwaar, Hilde trok over de bergen om het project te bezoeken. De mensen van Lacub hebben in Hilde echte solidariteit en kameraadschap ervaren. Nooit zullen we vergeten hoe zij haar gezondheid en haar leven gaf om al wie vecht voor verandering te steunen. Hildes dood weegt zwaarder dan de bergen van de Cordillera.’

De parangal eindigt met het liefdeslied dat we ook voor Ka Berly zongen: ‘Welke liefde is groter dan zijn leven geven voor zijn medemens?’ Anong pag-ibigpa, wala na nga, wala...

Woensdag 5 april. De uitreisvisa zijn in orde, we kunnen het vliegtuig op. We zijn blij ons te kunnen neervlijen in de knusse zetels, een hele verademing na vijf drukke en slapeloze dagen.

‘Je bent er nog!’

Donderdag 6 april. Een droevig weerzien met mama en papa Vanobberghen in Zaventem. En een pijnlijke thuiskomst in Mechelen, waar we Hildes appartement betrekken, haar keukengerief gebruiken, met haar auto rijden - maar zonder haarzelf in de buurt.

Vrijdag 7 april. In de kapel van het crematorium hebben we met de familie en dichte vrienden van Hilde een korte, mooie plechtigheid.

Zaterdag 8 april. Honderden mensen komen de asse van Hilde groeten. Het meest ontroert de aanwezigheid van de kleine Filipijnse gemeenschap uit Utrecht, die met twee volle auto’s gekomen zijn. Deze anders zo vrolijke bende, Joma Sison op kop, heb ik nog nooit zo verslagen gezien.

In de namiddag stromen vijfhonderd mensen samen in de Stadsfeestzaal van Mechelen. Kinderen brengen bloemen aan, prominenten, vertegenwoordigers van de vele organisaties waarvoor Hilde werkte, vrienden en familie brengen hun getuigenissen en sympathiebetuigingen.

Ces, een Filipijnse vriend uit Nederland:

‘Bij ons solidariteitswerk in België en Europa hebben we op tijd en stond nood aan goede raad, hulp, kritiek, efficiëntie en volharding. En aan een plek waar we tot rust kunnen komen, in een vriendelijke en relaxed atmosfeer. Hilde en de warme gastvrijheid van haar woonst kwamen voor ons dikwijls aan deze noden tegemoet. Filipino’s die op bezoek zijn in Europa associëren Hilde en Mechelen met de solidariteit en de vriendschap van de pvda en de bevolking van België.

Als wij onze martelaars begraven en herdenken, zingen wij twee liederen. Eerst Araw ng Lubhang Mapanglaw, De dag van Diepe Rouw. Maar daarna Sulong mga Kasama, Vooruit Kameraden, een lied van strijd, overwinning en vreugde. Hiermee willen we zeggen dat de dood van hen die strijden voor de ontvoogding en de bevrijding van het volk nooit tevergeefs is.’

Rita brengt een persoonlijk getuigenis over haar zus:

‘Het ga je goed, Hilde

Weet je het nog, Hilde? Jij moet ongeveer 5 jaar geweest zijn en ik 10. We gingen samen naar school en waren al aan het muurtje van de papierfabriek. Je had last met ademen en kon niet goed meestappen, ’k Ben toen kwaad op je geworden: "Allez, stap een beetje rapper, of we komen nog te laat!"

Toen ons ma een tijd later zei dat je nog niet helemaal in orde was en dat ze je weer moesten opereren, je weer moesten opensnijden om aan je hart te werken, voelde ik me natuurlijk slecht. Ik had je nog aangespoord om sneller te stappen. Het is toen dat ik de beslissing genomen heb om in ’t vervolg beter voor je te zorgen. Maar dat was niet nodig. Na die tweede operatie was je weer helemaal in orde.

Vrijdag 7 april. In de kapel van het crematorium hebben we met de familie en dichte vrienden van Hilde een korte, mooie plechtigheid.

Zaterdag 8 april. Honderden mensen komen de asse van Hilde groeten. Het meest ontroert de aanwezigheid van de kleine Filipijnse gemeenschap uit Utrecht, die met twee volle auto’s gekomen zijn. Deze anders zo vrolijke bende, Joma Sison op kop, heb ik nog nooit zo verslagen gezien.

In de namiddag stromen vijfhonderd mensen samen in de Stadsfeestzaal van Mechelen. Kinderen brengen bloemen aan, prominenten, vertegenwoordigers van de vele organisaties waarvoor Hilde werkte, vrienden en familie brengen hun getuigenissen en sympathiebetuigingen.

Ces, een Filipijnse vriend uit Nederland:

‘Bij ons solidariteitswerk in België en Europa hebben we op tijd en stond nood aan goede raad, hulp, kritiek, efficiëntie en volharding. En aan een plek waar we tot rust kunnen komen, in een vriendelijke en relaxed atmosfeer. Hilde en de warme gastvrijheid van haar woonst kwamen voor ons dikwijls aan deze noden tegemoet. Filipino’s die op bezoek zijn in Europa associëren Hilde en Mechelen met de solidariteit en de vriendschap van de pvda en de bevolking van België.

Als wij onze martelaars begraven en herdenken, zingen wij twee liederen. Eerst Araw ng Lubhang Mapanglaw, De dag van Diepe Rouw. Maar daarna Sulong mga Kasama, Vooruit Kameraden, een lied van strijd, overwinning en vreugde. Hiermee willen we zeggen dat de dood van hen die strijden voor de ontvoogding en de bevrijding van het volk nooit tevergeefs is.’

Rita brengt een persoonlijk getuigenis over haar zus:

‘Het ga je goed, Hilde

Weet je het nog, Hilde? Jij moet ongeveer 5 jaar geweest zijn en ik 10. We gingen samen naar school en waren al aan het muurtje van de papierfabriek. Je had last met ademen en kon niet goed meestappen, ’k Ben toen kwaad op je geworden: "Allez, stap een beetje rapper, of we komen nog te laat!"

Toen ons ma een tijd later zei dat je nog niet helemaal in orde was en dat ze je weer moesten opereren, je weer moesten opensnijden om aan je hart te werken, voelde ik me natuurlijk slecht. Ik had je nog aangespoord om sneller te stappen. Het is toen dat ik de beslissing genomen heb om in ’t vervolg beter voor je te zorgen. Maar dat was niet nodig. Na die tweede operatie wasje weer helemaal in orde. was niet getrouwd, en je had niet één speciaal iemand waarmee je al je vrije tijd doorbracht. Je had gewoon onnoemelijk veel vrienden.

Herinner je je die namiddag nog dat we samen over de kasseistenen van de Brusselse Grote Markt wandelden? Ik vertelde je over de plannen die Bert en ik hadden om naar de Filipijnen te gaan. Grootse plannen, maar die enkel te verwezenlijken waren als we in België iemand hadden die we konden vertrouwen en waarop we konden bouwen. Of jij die persoon kon zijn? Je hebt toen ja gezegd, en we hadden niemand beter kunnen hebben.

We zagen mekaar maar om het jaar, hetzij hier, hetzij in Manilla. Maar elke keer merkten we hoe je verantwoordelijkheden vergrootten, hoe je vanbinnen sterker werd, hoe beter jij je in je vel voelde. Je was ook gekend in steeds bredere kring. De laatste jaren moest ik me al voorstellen als: "Hallo, ik ben de zus van Hilde Vanobberghen", en dit tot op de Filipijnen toe.

En nu? Waarom, van al de mensen die we kennen, juist jij? Waarom zo plots? De pijn die ik voelde toen ik de telefoon kreeg in Manilla is moeilijk te beschrijven. Het was alsof er iets scheurde vanbinnen. Een pijnscheut die helemaal door me heen ging en een wonde liet die bloedde. Die veel moet bloeden, om goed te kunnen helen.

Het is moeilijk om je te laten gaan, Hilde. Het is zelfs moeilijk om nu op te houden met je te praten. Als ik ophoud, glijd je weer een beetje verder weg, altijd wat verder. Blijf nog een beetje, zet je, praat nog wat tegen me, geef nog wat raad, steun, kritiek,... zoals vroeger. Maar nee, je bent dood, gestorven. Je lichaam is er niet meer, je asse is verstrooid.

Maar weetje: je bent er nog! Zoveel mensen moeten het al gezegd hebben: je lichaam MAG ons verlaten hebben, maar jij bent er nog. Omdat ik je heb mogen kennen en met je samen zijn, blijf jij hier binnen in mij, ben je een deel van mij geworden. En dat deel zal ik altijd met me meedragen. Zoveel mensen hebben jou gekend, zoveel mensen dragen jou verder met zich mee. Zij zullen ervoor zorgen dat je verder leeft. Jouw inzet, jouw idealen, jouw vechten zijn een deel van onze inzet, onze idealen, ons vechten. Zolang wij ons blijven engageren, zal jij blijven leven.

Het ga je goed, Hilde. Daag!’

Hildes laatste vorming

10 april. We vinden de voorbereidende nota’s terug van de vorming die Hilde gaf op de avond dat ze stierf. Wat opvalt zijn de directe stijl, de klaarheid van de uiteenzetting en haar optimisme.

‘Bevrijdingsstrijd in de Derde Wereld - 30/03/95

Het kan voor sommige mensen raar klinken dat we over revolutie gaan praten. Revoluties zijn toch uit de tijd? Kijk maar naar Oost-Europa, Nicaragua, El Salvador; naar China en Vietnam die in crisis zijn; naar Cuba en Noord-Korea die onder druk staan van blokkades.

Heeft revolutie nog wel zin? Zitten we niet in het tijdperk van de onderhandelingen, de vreedzame oplossingen? Zoals in El Salvador, Nicaragua, Zuid-Afrika, Palestina?

Historisch perspectief is nodig om de ontwikkelingen in de wereld correct in te schatten.

1. Wereldkapitalisme is in zware crisis, ondanks alle schijn, alle triomfberichten die we dagelijks over onze hoofden uitgegoten krijgen.

Achter de zogenaamde eensgezindheid van het Westen gaat een bikkelharde concurrentiestrijd schuil tussen de Verenigde Staten, Europa en Japan.

2. Derde Wereld gaat onafgebroken achteruit

Uitbuiting en miserie bereiken ongeëvenaarde hoogten.

In cijfers: tussen 1982 en 1990 hebben de derdewereldlanden 1.345 miljard dollar aan schuldaflossing betaald aan het Noorden. In dezelfde periode ‘kregen’ ze 927 miljard dollar aan ontwikkelingshulp. Dus een transfer van 418 miljard dollar van Zuid naar Noord, of 6 x het Marshall-plan (het hulpplan van de VS aan West-Europa na de Tweede Wereldoorlog). De uitgehongerden voeden de dikke buiken!

Dit kan niet blijven duren!

3. Kapitalisme meer dan 500 jaar oud,

SOCIALISME 75 JAAR, ZEER JONG MAATSCHAPPELIJK FENOMEEN.

Oost-Europa was op alle vlakken beter af onder het socialisme (gezondheidszorg, onderwijs,...). Men heeft die landen voorgehouden dat het onder het kapitalisme beter zou zijn, dat het maar even zou duren vooraleer ze op het niveau van het Westen zouden komen.

Illusie! De kapitalisten gaan niet meer mensen uitnodigen om mee van de taart te eten, ze vinden nu al dat de taart te klein is voor henzelf.

In Oost-Europa zijn fouten gemaakt, maar dit betekent nog niet dat het socialisme zelf niet deugt. Men MAG de verworvenheden van het socialisme niet weggooien met het badwater.

4. Bevrijdingsstrijd in de Derde Wereld, uitgelegd aan de hand van het voorbeeld Filipijnen...’

Onze Kia Pride

30 april. Yuri, Mara, Lize, Rita en ik vliegen terug naar de Filipijnen.

5 mei. Voor ons allerlaatste jaar op de Filipijnen hebben we het ons wat comfortabeler gemaakt. Na zeven jaar jeepney op, bus af en tricycle op hebben we een tweedehands autootje gekocht, een Zuid-Koreaanse Kia Pride. Boodschappen doen in de supermarkt of eens op stap gaan met de drie kinderen is er een stuk eenvoudiger op geworden. Als het regent breng ik hen nu ook met de auto naar school. Autorijden in het helse Manillese verkeer is zenuwslopend. En vandaag is een grote ramp over mij neergedaald: de toeter doet het niet meer en die is hoognodig om al te acrobatische jeepneychauffeurs uit de buurt te houden. Vooral op het spitsuur geraak je maar vooruit door je al toeterend een weg te banen. Wel handig dat hier geen verkeersregels bestaan, of tenminste, ik heb daar nog niets van gemerkt.

Imelda in het Parlement

8 mei. In de parlementsverkiezingen rijft de regeringspartij 9 van de 12 senaatszetels en bijna 90% van de kamerzetels binnen. Ondanks alle gepraat over een nieuwe politieke cultuur, vieren de oude politieke clans hun heroptreden. Kinderen van drie vroegere presidenten maken hun opwachting in het parlement. Alleen Bongbong, zoon van Ferdinand Marcos, grijpt naast de prijzen, maar het blijft in de familie met Imelda, die een parlementszetel wint. Ook couppleger Gringo Honasan wordt nu een eerbiedwaardig senator.

De pers oordeelt dat de verkiezingen relatief geweldloos zijn verlopen: ‘slechts’ 27 doden en zo’n 40 gewonden, alleen al op de dag van de stembusgang.

Slecht nieuws uit Talaingod

Op kantoor ontvangen we alarmerende berichten over de Ata-Manobo. Op 7 april brachten legerhelikopters troepen naar Talaingod. Drie dagen later begonnen die met zware wapens naar Manobo-dorpjes te vuren. In een poging zich te redden sprongen de dorpelingen in een ravijn. Twee vrouwen en drie kinderen verongelukten.

Op 28 april kwam Noel Campilan niet thuis na een vergadering. Noel is een 27-jarige stafmedewerker van een Community-Based Health Program in Davao, die ook meedoet met de solidariteitsacties voor de Ata-Manobo. Zijn familie en collega’s sloegen alarm. Ze wisten dat hij al een paar keer geschaduwd was door ongeïdentificeerde mannen. En hij had anonieme bedreigingen ontvangen omdat hij contact zou onderhouden met het NPA.

Vanuit Manilla stuurden de CHD en enkele mensenrechtenorganisaties een onderzoeksteam, maar dat moest onverrichterzake terugkeren. Naar de Filipijnse kranten werden perscommuniqués en lezersbrieven gestuurd en er werd een dossier opgemaakt voor Amnesty International. Noel is nu een van de honderden Filipijnse verdwenen, wat wil zeggen: waarschijnlijk van kant gemaakt door de militairen.

Op 5 mei ten slotte werd mijn gids en tolk Barudong gearresteerd aan een militaire controlepost. Hij wordt nog steeds vastgehouden, zonder enige concrete beschuldiging.

Een artikel uit De Militant

Vanuit België krijgen we het maartnummer van het trotskistische tijdschrift De Militant toegestuurd, omdat het een merkwaardig artikel over de Filipijnen bevat. De splitsing in de Filipijnse Communistische Partij wordt erin toegejuicht als een ‘breuk met Mao’s verkeerde strategie’. De ‘anti-maoïstische linkervleugel’ zou dit jaar nog ‘een nieuwe revolutionaire formatie oprichten’. En het onderschrift bij de foto: ‘Het New People ’s Army - geïsoleerd van de politieke strijd en zelfs van de boeren’.

Met stijgende verbazing lees ik voort. Over de periode van Aquino schrijft De Militant dat ‘belangrijke democratische hervormingen werden verkregen, wat de legale organisatie van de arbeidersbeweging mogelijk maakte’. Toen wij eind ’87 in Manilla toekwamen - Aquino was toen anderhalf jaar aan de macht - was diezelfde legale arbeidersbeweging het doelwit van overheidsrepressie en scheelde het niet veel of de KMU werd verboden.

De trotskisten schrijven over de Filipijnse revolutie in de verleden tijd: ‘De strijd van de CPP en het NPA is een van de belangrijkste in de Derde Wereld geweest’. De Militant citeert de rechterhand van Popoy Lagman, van de afgescheurde groep in Manilla: ‘De NPA-eenheden lijden enorme verliezen en de guerrillastrategie zit in een complete impasse.’

Het blad beweert verder dat ‘partijleider José Maria Sison in de beste stalinistische traditie de dissidenten ter dood liet veroordelen door ‘volkstribunalen’ . Stellen dat José Maria Sison voorzitter is van de CPP kan zijn asielaanvraag en zelfs zijn leven in gevaar brengen. Het is precies hetzelfde als wat de politiediensten op de Filipijnen, in de VS en Nederland doen.

En de ‘terdoodveroordeling van de dissidenten’, wat is daar van aan? De CPP heeft dossiers samengesteld met criminele en politieke aanklachten tegen de vijf leidende scheurmakers: Lagman, Kintanar, Tabara, Reyes en Rocamora. De aanklachten zullen door een volksrechtbank onderzocht worden. Uitspraken of veroordelingen zijn er dus nog niet.

Het artikel in De Militant besluit dat ‘de formatie van een nieuwe marxistische partij de cruciale taak is voor ’95’ en dat dit ‘een welkome ontwikkeling is, die de steun van alle socialisten op internationaal vlak verdient’.

‘Een 25 jaar oude baby’

Nu de stellingen van Popoy blijkbaar ook internationaal weerklank vinden, zoek ik wat teksten van zijn groep bij mekaar om te bestuderen. Popoy heeft begin ’94 drie basisdocumenten gepubliceerd, die een radicale ontkenning inhouden van alle basisprincipes van de Filipijnse revolutie: het semifeodaal en semikoloniaal karakter van de maatschappij; de nationaal-democratische revolutie als antwoord daarop; en de langdurige volksoorlog als strategie voor bevrijding. Popoy stelt daartegenover dat de Filipijnen een kapitalistisch land zijn, en dat daarom de socialistische revolutie aan de orde van de dag is, met als strategie de gewapende volksopstand in de steden.

Hij klaagt dat ‘we er na 25 jaar langdurige volksoorlog nog niet zijn in geslaagd een geregeld leger op te bouwen om een geregelde guerrillaoorlog te voeren’ en dat ‘we in 25 jaar nog geen enkele vijandelijke compagnie hebben kunnen vernietigen’. ‘Ons volksleger’, besluit hij meewarig, ‘is een 25 jaar oude baby’. In de autonomieverklaring van zijn Manillese CPP-afdeling schrijft hij: ‘Onze kinderen zijn intussen opgegroeid. Wij willen vrede. Wij willen de kleinste mogelijkheid benutten om te zoeken naar een vreedzame, onderhandelde oplossing voor de opstand.’ Blijkbaar is bij Popoy het ongeduld om te winnen - door volksopstanden en grootscheepse militaire acties - omgeslagen in ongeloof dat de revolutie überhaupt kan winnen. Zijn woorden zijn die van iemand die oud is geworden, niet zozeer in jaren, maar van geest. Niet iemand die moe is, maar die de revolutie moe is, die het langdurig en moeizaam opbouwwerk ervoor niet meer kan opbrengen.

Tijdens de voorbije verkiezingen steunden de volksorganisatie Sanlakas en de vakbond bmp, die allebei behoren tot het kamp van Popoy, enkele progressief geachte kandidaten. Enkelen van hen wonnen, wat Sanlakas deed besluiten dat ‘het in dit land nog altijd mogelijk is hervormingen te bekomen via verkiezingen’.

Nochtans werden die verkiezingen als vanouds beheerst door de ‘drie G’s’: guns, goons and gold (geweren, gangsters en goud) en betekenden ze de comeback van de politieke dynastieën. De eerste hervorming die de nieuwe verkozenen doorvoerden was het verdubbelen van hun salaris. Ze vonden dat noodzakelijk om te kunnen tegemoet komen aan alle aanvragen van hun kiezers voor giften, begrafeniskosten, huwelijkscadeaus of andere gunsten.

Een onverwacht weerzien met Ka Son

18 mei. Meer dan vijfjaar nadat ik hem ontmoet heb in een guerrillazone in Bicol staat Ka Son op de voorpagina’s van alle kranten. Bij een militaire overval op een klein NPA-kamp, niet ver van de kust, raakte hij gewond en werd gevangen genomen. Zijn echte naam: Sotero ‘Teroy’ Llamas, volgens de Filipijnse overheid de hoogste leider van de CPP en het NPA in heel Bicol.

De arrestatie van deze belangrijke guerrillaleider gebeurt in een periode van drukke diplomatieke bedrijvigheid om de vredesbesprekingen tussen het Nationaal Democratisch Front (ndf) en de Filipijnse regering te kunnen hervatten. Een voorakkoord is al gesloten, de Joint Agreement on Safety and Immunity Guarantees (jasig), dat de vrije doorgang en diplomatieke identiteitsbewijzen regelt voor onderhandelaars en raadgevers van beide kanten. Het ndf stelt dat Teroy raadgever is van zijn onderhandelingsteam, en dus immuniteit geniet tegen arrestatie. Maar Ramos en de militairen weigeren hun prijsbeest te laten gaan en schorten de vredesbesprekingen op.

Evenmin als de andere 230 politieke gevangenen wordt Teroy door het regime als dusdanig erkend. Tegen hem zijn niet minder dan negen gerechtelijke aanklachten aanhangig gemaakt, van verboden wapendracht tot kidnapping, roof en moord.

10 juni. De kogelwonde van Teroy is slechts oppervlakkig, maar raakt door de onhygiënische omstandigheden in de gevangenis geïnfecteerd. Met Delen van HEAD ga ik Teroy opzoeken in zijn goed beveiligde cel in Camp Crame, het hoofdkwartier van de militaire politie.

‘Haaaa, die ken ik’, roept Ka Son/Teroy uit en sluit me in zijn armen.

‘Ssssjiji’, doe ik teken. Ik moet zijn enthousiasme temperen, want een paar meter van ons staat een militair in burger te luistervinken. En de enige plaats waar Teroy en ik elkaar al kunnen ontmoet hebben, is natuurlijk bij de guerrilla in Bicol.

Met gedempte stem vraag ik Teroy uit over de kameraden daar.

Zijn vrouw Rina is wat depressief door zijn gevangenschap, vertelt hij. ‘Want het is de eerste keer in twintig jaar bij de guerrilla dat ze mij te stekken hebben.’ Ka Lina van de medische staf stelt het goed. En ook Ka Elmo, die we twee jaar geleden geopereerd hebben, maar sinds zijn verwonding is een taak bij een gevechtseenheid te zwaar voor hem; hij werkt nu als NPA-organisator. ‘En aan iedereen die het horen wil, vertelt hij dat hij blank bloed in zijn aderen heeft’. Bulderende lach.

Maar waarom bevond Teroy zich bij zijn gevangenname in godsnaam in een perifeer NPA-kamp, en niet in zijn goed bewaakt hoofdkwartier in de guerrillabasis?

Teroy lacht weer smakelijk. ‘Haaaa, da’s een goeie vraag.’ Hij vertelt dat hij persoonlijk de rectificatiecampagne op de lagere niveaus wou leiden. ‘Ik hanteer het principe van leiding geven door het voorbeeld te geven. Zoals Jaworski. Die ken je toch?’ Jaworski is de grote man van het Filipijnse basketbal en is al jaren speler-trainer.

‘Je moet je troepen kennen’, vervolgt Teroy. ‘Door hen te gaan opzoeken en samen de problemen te bespreken, in plaats van uitsluitend te vertrouwen op geschreven rapporten.’

‘De werkstijl van de partij is grondig veranderd’, zegt Teroy. ‘Gedaan met al die hoofdkwartieren waar tientallen kaders en stafleden, diep weggestoken in het woud, de revolutie leidden per computer en per radioverbinding. De leidende kaders zijn nu toegevoegd aan de plaatselijke partij-afdelingen en NPA-eenheden, en worden alleen samengeroepen voor belangrijke besprekingen. Weg met de bureaucratie en terug naar het werk aan de basis!’

Staatssecretaris Moreels op bezoek

8 september. Op terugweg van de vn-Vrouwenconferentie in Beijing doet staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking Reginald Moreels onverwachts de Filipijnen aan. Moreels wil met programmalanden werken, een beperkt aantal landen waarop België zijn ontwikkelingssamenwerking concentreert. De Filipijnen worden er één van.

Moreels is chirurg en voormalig voorzitter van Artsen Zonder Grenzen. Vanuit die achtergrond geeft hij te kennen een gezondheidsproject van een ngo te willen bezoeken. Theo Meyers, de ABOS-man op de Belgische ambassade, komt bij ons aankloppen.

De Council for Health and Development is best bereid om een halve dag te investeren in het ontvangen van een staatssecretaris. We vinden het belangrijk onze hoge bezoeker een stukje echte Filipijnen te laten zien, in contrast met de overheidspropaganda. We vinden het ook nuttig dat Moreels het werk van de CHD en de daarmee verbonden ngo’s leert kennen en appreciëren. We stellen voor de staatssecretaris mee te nemen naar Parola, een sloppenwijk naast een vuilnisbelt. Een lidorganisatie van de CHD, Pulso, leidt er wijkgezondheidswerkers op en geeft er gezondheidseducatie.

Zondagmorgen, 10 september. Moreels en zijn gevolg komen naar het kantoor van de Council. Jojo doet de Filipijnse gezondheidssituatie uit de doeken. Hij benadrukt dat de overheidsdiensten te weinig middelen krijgen en slecht functioneren en dat de privé-geneeskunde ontoegankelijk en onbetaalbaar is voor de modale Filipino.

Mei legt de werking van de Community-Based Health Programs uit. Moreels heeft er nog nooit van gehoord, hoewel het abos verschillende dergelijke projecten mee financiert. Ik vrees dat we hem op een halfuurtje niet de essentie van onze aanpak kunnen bijbrengen. Mei heeft het ook over de repressie. Ze haalt het voorbeeld aan van Noel Campilan, de gezondheidswerker uit Mindanao die door de militairen ‘werd verdwenen’. De staatssecretaris is onder de indruk.

Parola

In de kersttijd zijn veel Filipijnse huisjes stemmig versierd met lantaarns. De typisch Filipijnse kerstlantaarn bestaat uit gekleurd papier over een lichte constructie van bamboe, en wordt parola genoemd. Parola is ook de naam van een sloppenwijk in Noord-Manilla. Minder stemmig, want de wijk lijkt hoe langer hoe meer op Smokey Mountain. De beruchte vuilnisbelt daar is nu gesloten en Parola is een van de vervangers. Met dit verschil dat de sloppen van Smokey Mountain geleidelijk werden gebouwd, naarmate de vuilnisbelt zich uitbreidde, terwijl Parola een bestaande wijk is waarnaast nu een stinkende heuvel vuilnis wordt opgeworpen.

De luxueuze 4x4 van de ambassade stopt bij de ingang van Parola. Met Moreels en zijn gevolg gaan we de wijk binnen. Langs smalle steegjes bereiken we het kantoortje van de lokale gezondheidsorganisatie Pulso. Projectleidster Virgie en een zestal wijkgezondheidswerkers wachten ons op met een merienda van cola en Filipijnse hapjes.

Dan neemt Virgie ons mee naar de vuilnisbelt, een paar steegjes verderop. Vlak tegen de huisjes, hutjes en krotjes van Parola, waarin duizenden gezinnen samenhokken, komen nu 24 uur per dag lawaaierige vrachtwagens hun stinkende lading uitstorten. Na protest van de wijkbewoners werd aan één kant van het stort een hoge schutting van golfplaten opgetrokken. Een oplossing die noch de stank, noch het lawaai, noch het ongedierte kan tegenhouden.

ABOS-vertegenwoordiger Wellens kan zijn ogen - en zijn neus - nauwelijks geloven. ‘Het beeld dat in de internationale pers over de Filipijnen wordt opgehangen is er een van een nu probleemloos, zich ontwikkelend Zuid-Oost-Aziatisch land. Ik krijg al jaren Filipijnse projecten op mijn bureau, maar het is alsof ik dit land nu pas leer kennen.’

Reginald Moreels staat er hoofdschuddend bij. Hij vindt de toestand in Parola ‘een regelrechte schande’. ‘Morgenochtend ga ik op de koffie bij president Ramos. Ik zal deze kwestie daar zeker aankaarten’, belooft hij.

12 september. We weten niet wat de staatssecretaris en de president die ochtend bedisseld hebben. In elk geval wordt Parola niet vermeld in de persverslagen van Moreels’ visite bij Ramos. Wél de gezamenlijke actie tegen de vrouwenhandel en tientallen miljoenen Belgische steun voor Ramos’ nep-landhervorming.

Een generaal bij het NPA

10 oktober. Grote koppen in alle kranten: brigadier-generaal Jarque loopt over naar het NPA! Raymundo Jarque is een veel gelauwerde maar nu gepensioneerde generaal van het Filipijns leger. Het grootste deel van zijn 33-jarige carrière besteedde hij aan het bestrijden van het Nieuwe Volksleger. Hij was berucht om zijn schendingen van de mensenrechten. In 1989 was hij de bevelhebber van Oplan Thunderbolt in Negros, dat 35.000 mensen op de vlucht joeg.

Ongeloof en twijfels alom. Waarom zou zo iemand bij het NPA willen aansluiten? Het is geweten dat Jarque last heeft met de overheid, die hem heeft beschuldigd van corruptie en zelfs moord. In een clandestiene persconferentie geeft Jarque toe dat dit de directe aanleiding is om ondergronds te gaan, ‘omdat ik geen enkele mogelijkheid meer zie om gerechtigheid te vinden binnen het huidige systeem’.

Maar hij voegt eraan toe: ‘De onderdrukking, corruptie en hypocrisie van de opeenvolgende regeringen zijn een kwaad dat zo diep zit, dat het alleen kan uitgeroeid worden als het bestaande systeem wordt vernietigd en vervangen door een systeem van echte gerechtigheid en democratie voor het volk. Er is geen andere mogelijkheid dan naar de bergen te trekken, om aan de zijde te staan van wat goed en rechtvaardig is, van de zaak van het volk.’

We vragen ons af hoe de revolutionaire beweging zal reageren. Kan die zomaar ‘de beul van Negros’ in haar rangen opnemen? Het ndf geeft een communiqué uit; het zal ernstig bestuderen of het Jarque kan aanvaarden. In elk geval zal dit een lang proces van heropvoeding en integratie vergen.

Wat er ook van zij, de spectaculaire overstap van Jarque is een morele opsteker voor het NPA en een zware propagandanederlaag voor het Ramosregime.

De ontruiming van Smokey Mountain

27 november. Voor één keer komt Manilla’s beruchte afvalberg niet alleen in de internationale pers, maar ook in de nationale kranten. Een sloppenwijk op Smokey Mountain werd op bevel van de overheid met de grond gelijk gemaakt. Maar de bewoners lieten niet zomaar begaan, ze wilden van geen wijken weten. De politie haalde de wapenstok en vuurwapens boven. Er vielen schoten. Een wijkbewoner werd gedood, verschillenden raakten gewond.

1.400 gezinnen verliezen hun woonst, want Smokey Mountain moet plaats ruimen voor een commercieel havencomplex, een onderdeel van Ramos’ ontwikkelingsplan Philippines 2000. De Belgische baggerbroers De Nul, verdacht van corruptie, sleepten hiervoor èen vet contract in de wacht.

Popoy en het kapitalisme

26 december. Op de verjaardag van de CPP geeft Popoy Lagman een interview aan de Inquirer. Zijn groep gaat een arbeidersbank en een kantoor voor juridische bijstand opzetten. ‘We hebben de wapens ingeruild voor rekenmachientjes en hebben nu meer oog voor banken en wetten dan voor revolutionair heldendom’, verklaart Popoy.

‘We zoeken naar minder bloedige methodes om een radicale verandering in de maatschappij teweeg te brengen’, vervolgt hij. ‘Wij zijn er niet tegen dat het kapitalisme zich op de Filipijnen ontwikkelt, als het maar niet ten koste van de arbeiders is’.

Een medestander van Popoy voegt eraan toe dat zij een nieuwe partij hebben opgericht, de Revolutionaire Arbeiderspartij, die 8.000 leden telt. ‘Deze partij verbindt er zich toe te werken binnen het huidige systeem, in plaats van het te willen omverwerpen.’

Duidelijker kan het niet: Popoy en zijn gevolg hebben zich in het bestaande systeem ingepast en hebben de revolutie vaarwel gezegd.

10. 1996 - Che-Che, de nieuwe generatie - Inhoud

Op vakantie

December 1995 - januari 1996. Voor we definitief naar België terugkeren willen we onze kinderen nog wat anders van de Filipijnen laten zien dan de grootstad Manilla. In de kerstvakantie zoeken we een paar vrienden op die werken in meer landelijke streken, op Mindanao en op Negros. Een heel avontuur - maar voor Filipino’s een doodgewone zaak - zo met drie kleine kinderen een rondreis maken met het openbaar vervoer. Je kan geen vervoermiddel opnoemen of we hebben het gebruikt: vliegtuig, tricycle, jeepney, taxi, ferryboot, vrachtwagen, moto, bus.

Op het schiereiland Zamboanga, in West-Mindanao, beleven we een heerlijk rustige kerst aan het strand. Toevallig is er 48 uur lang geen elektriciteit en daar zijn we deze keer niet rouwig om. Twee dagen later zoeken we Hilde Verheyen op, die in een plaatselijk Community-Based Health Program werkt. Binnenkort treedt ze in het huwelijk met Aldotz, en daarop vooruitlopend bouwen we een stevig feestje.

Op oudejaarsavond trekken we met Hilde en Aldotz naar Pitogo, een boerendorpje waar de familie van Aldotz een kleine kokosnootplantage en een rijstmolen uitbaat. Yuri, Mara en Lize geraken niet uitgekeken op de geiten, carabao’s, koeien, varkens, hanen en kippen, ’s Avonds wordt er wat rum vergoten en gaan enkele voetzoekers de lucht in, maar meer misbaar wordt hier van het nieuwe j aar niet gemaakt.

We zetten 1996 in met een duik in de Stille Zuidzee. De dag erna gaat het met de nachtferry naar Negros. Daar komen we terecht bij Jan Delbaere, een ABOS-coöperant die de ondankbare taak heeft de Belgische steun aan de landhervorming van Ramos in goede banen te leiden.

Landhervorming tegen revolutie

Die steun maakt deel uit van het samenwerkingsakkoord dat in maart 1995 tussen België en de Filipijnen is ondertekend. Het voorziet voor de periode 1997-’99 in een jaarlijkse ontwikkelingshulp van 300 miljoen frank; 140 miljoen frank hiervan gaat naar de landhervorming.

De Filipijnse wet op de landhervorming, de Comprehensive Agrarian Reform Law (carl), dateert van 1988, onder president Aquino. Bedoeling was om op tien jaar tijd 10,3 miljoen hectare land te onteigenen en te herverdelen onder de boeren. Deze wet was van bij het begin al een geval van too little, too late. Intussen is hij door een resem amendementen verder uitgehold en wat ervan overblijft, wordt veel trager uitgevoerd dan gepland. Acht jaar na de invoering van de carl is slechts 30% van de objectieven verwezenlijkt. En dan gaat het nog voornamelijk om de verdeling van staatsgronden. Van het privé-grootgrondbezit dat onder carl valt (dat is maar een derde van het geheel) is tot nu toe amper 19% verdeeld.

Nochtans vindt de Wereldbank dat het al lang welletjes is met die landhervorming. In een recent rapport zegt ze dat het voor de overheid veel te duur zou zijn om de carl toe te passen op de overblijvende privé-landerijen, omdat hoge compensaties moeten betaald worden aan de grootgrondbezitters. Ze stelt voor de ongelijke landverdeling maar zo te laten en vooral te investeren in de verhoging van de productiviteit van de landbouw.

Het Wereldbankrapport is muziek in de oren van de landeigenaars - en van het Ramos-regime, dat een flink deel van zijn steunbasis heeft onder de feodale landadel. Conform de aanbevelingen wordt de landhervorming hu ‘georiënteerd op de markt’. In plaats van de integrale uitvoering van de carl wordt de aandacht toegespitst op de zogenaamde Agrarian Reform Communities (ARC). Dit zijn 264 geselecteerde dorpjes waar de landhervorming effectief is doorgevoerd en waar aan rurale ontwikkeling wordt gedaan door projectjes voor productiviteitsverhoging, marketing of gezondheidszorg. Zo creëert men 264 kleine, verspreide eilandjes van ‘plattelandsontwikkeling’ in een oceaan van landloosheid en uitbuiting die onaangeroerd blijft.

België financiert elf arc’s in Negros Oriental, Bohol en Cebu, provincies waar de landhervorming nog slechter boert dan het nationaal gemiddelde: respectievelijk 25, 28 en 13% van het tienjarenplan is er uitgevoerd. In een synthesenota van het abos staat als uitgesproken doelstelling van het project vermeld: ‘de armoede bestrijden en de sociale rust verzekeren’. Door de boeren te helpen het hoofd net boven water te houden, kan ‘de sociale rust verzekerd worden’ en probeert men de boeren af te houden van het revolutionair alternatief.

Driedubbel volksprotest

Vanaf 1 januari moet de Filipijnse consument dieper in zijn geldbeugel tasten. De regering heeft het BTW-regime van 10% uitgebreid naar een brede waaier van verbruiksgoederen en diensten.

Op 2 januari worden de olieprijzen verhoogd, en een maand later nog eens. Zelfs het butaangas, waarop elk Filipijns gezin kookt, moet eraan geloven. De tarieven voor water en elektriciteit gaan ook de hoogte in. Alle consumptiegoederen volgen.

Ook op politiek vlak beweegt er wat. Ramos wil de hardere repressie een wettelijke basis geven door een Anti-Terrorisme Wet. ‘Terrorisme’ wordt echter erg breed gedefinieerd: het omvat ook wettelijke en geweldloze acties die ‘angst zouden kunnen veroorzaken onder de bevolking’ of die ‘het vertrouwen in de regering zouden kunnen ondermijnen’, zoals protestacties en betogingen. Voor ‘terrorisme’ voorziet het wetsontwerp de doodstraf. ‘Terroristische organisaties’ worden buiten de wet gesteld, zelfs lidmaatschap en steun aan dergelijke organisaties zullen strafbaar worden. De autoriteiten krijgen een wettelijk vrijgeleide om telefoons af te tappen, bankrekeningen te onderzoeken en arrestaties te verrichten zonder aanhoudingsbevel.

De reactie van de volksbeweging op deze driedubbele aanval van het regime is hevig. Wekenlang worden in Manilla en in alle grote steden van de Filipijnse archipel protestbetogingen gehouden, de grootste sinds Ramos aan de macht is. Met de progressieve gezondheidswerkers van HEAD vormen we een stevig, luidruchtig en creatief blok in de betogingen. We houden zelfs een eigen betoging. Met 150 gezondheidswerkers en een jeepney met geluidsinstallatie trekken we door de straten van het stadscentrum.

De protesten hebben de BTW-uitbreiding en de olieprijsverhoging niet kunnen tegenhouden. Maar Ramos zag zich wel genoodzaakt om zijn antiterrorismeplannen voorlopig op te bergen.

Zuid-Mindanao

Februari. Het is alweer een hele tijd geleden dat ik nog bij de guerrilla ben geweest. Ik wil eens met mijn eigen ogen vaststellen hoe het op het terrein met de rectificatiecampagne gesteld is. Ik contacteer Ella en leg haar mijn vraag voor. Ze blijkt over de juiste kanalen te beschikken om voor mij iets te versieren: Zuid-Mindanao. ’ Eind volgende maand reizen we af naar België. Op de CHD is het voor mij nu uitbollen, het valt me dus niet moeilijk er tien dagen tussenuit te knijpen.

8 februari. Vroeg in de ochtend vertrekken we met de bus uit Davao City. Ik ben vergezeld van twee kameraden uit de stad, die voor drie maand op integratie gaan in de guerrillazone. En er is Juan, een Argentijnse kameraad die op bezoek is op de Filipijnen. Ik speel tolk, want Juan spreekt alleen gebrekkig Engels, en natuurlijk geen Tagalog.

We stappen over op een kleinere bus naar een kleinere, landinwaarts gelegen gemeente. Daar worden we opgewacht door een jongeman met een crossmoto. Deze keer zitten we met z’n vieren op één machine: twee achterop en één zijdelings op de benzinetank, tussen de armen van de bestuurder. Drieënhalf uur over bergwegeltjes, nu eens rotsig, dan weer modderig. Niet bepaald een comfortabele rit, maar het is de eerste keer dat ik bij een bezoek aan de guerrilla letterlijk geen voet moet verzetten. We rijden tot aan een riviertje, we worden overgezet met een kleine banca, en in het dorpje aan de overkant bevindt zich de NPA-eenheid waar we moeten zijn.

Ka Paking

Op een heuveltje net buiten de dorpskern staat een man onze komst gade te slaan. Plots herken ik hem. Het is Ka Paking, de hoofdfiguur uit de video Green Guerrillas, die hier vorig jaar is gedraaid door de Nieuw-Zeelandse cineast Rod Prosser. De documentaire beschrijft het samenleven van het NPA met de lumad, de inheemse volkeren van Mindanao, en de strijd van de guerrilla tegen de ontbossing.

Ka Paking schudt ons de hand. Ik voel dadelijk sympathie voor de man, met zijn ontwapenende blik, zijn brede glimlach en zijn stevige snor. In T-shirt en op slippers onderscheidt hij zich in niets van de dorpsbewoners. Toch is hij de secretaris van het partijcomité van dit guerrilla-front.

De frontguerrillaeenheid verblijft enkele dagen in dit dorpje om wat uit te rusten na een tactisch offensief, vertelt Paking. De lokale bevolking vindt dat best. Ze is al jaren bij de revolutie betrokken, via een organisatiegroep (OG, de tweede stap in het organisatieproces).

San Antonio

9 februari. Met mijn Argentijnse gezel Juan kuier ik wat rond in het dorp en sla links en rechts een praatje. Het dorp, laten we het San Antonio noemen, telt 300 a 400 families, waarvan er een 40-tal in de dorpskern wonen. De bewoners zijn overwegend Mandaya, een lumad-volk, maar ze zijn grotendeels geassimileerd. Het zijn boeren (rijst, maïs, zoete aardappelen en kopra) en verzamelaars (abacavezels en rattanstengels). Het land is eigendom van de staat, maar door gewoonterecht hebben de Mandaya er het vruchtgebruik van.

San Antonio vertoont tekenen van een zekere welvaart. De meeste huisjes zijn opgetrokken uit hout, sommige hebben zelfs een zinken dak. Er is geen elektriciteit, maar wel een waterleiding, die naar twee gemeenschappelijk kranen voert. De lagere school, waar we even gedag gaan zeggen aan de kinderen en de juffen, telt drie leerkrachten voor de zes leerjaren. In het kerkje komt elke zondag een hulppastoor zijn mis lezen. Juan en ik ontdekken zowaar een gezondheidscentrum. Maar de buurman vertelt dat het centrum maar drie dagen in de maand een vroedvrouw ziet. Ze wordt eerlijk gedeeld met drie omliggende dorpen.

10 februari. Het is zondag en ik geniet van het vredig dorpsleven. Jongens spelen basketbal op het pleintje, vrouwen met kleine kinderen in touw gaan naar de mis. Met Vergel trek ik naar de rivier voor een verfrissend bad. Vergel is 16 jaar en de oudste zoon van Ka Paking. Het is schoolvakantie en de jongen heeft de ideale vakantiebezigheid gevonden: in de guerrillazone leert hij van zijn pa de stiel van NPA’er en ondertussen papt hij aan met de plaatselijke schoonheden.

Vergel en ik raken aan de praat met drie jonge kopra-verkopers die op de overzet-banca staan te wachten. Ze hebben vijf jutezakken kopra bij van 50 kg elk. Dat heeft hen een week werk gekost. Ze kunnen hun waar verkopen aan 300 peso per zak, maar de moto heen en terug kost 150 peso per persoon. Enig rekenwerk leert ons dat onze drie vrienden aan een week hard werken 1.050 peso overhouden, 350 peso per persoon, elk een schamele 50 peso per dag. En dan mogen ze nog van geluk spreken dat hier geen grootgrondbezitter meer is die twee derde van de oogst zou opeisen.

Allen samen tegen ziekte

Zo gauw de bevolking weet dat er een dokter in het dorp is komen ze me opzoeken in Pakings huisje. Een boer zegt bewonderend: ‘Jullie organisatie moet wel sterk en machtig zijn, want jullie zijn de enigen die erin slagen een dokter tot hier te brengen.’ Bij de NPA-eenheid zijn een paar medics. Tk besluit de medische raadplegingen te koppelen aan een theorie- en praktijkles voor de gezondheidswerkers van het NPA.

Twee patiënten hebben kleine chirurgie nodig: een man met een reusachtig abces op zijn arm, dat al lymfangitis met hoge koorts tot gevolg heeft, en een vrouw met een lelijke, gesteelde tumor op haar hoofdhuid. We inventariseren het beschikbare materiaal. Zoals ik gevreesd had valt dat nogal povertjes uit. Na een uitgebreide briefing voor de medics beginnen we eraan.

Het operatiekwartier is uitermate geschikt: knorrende varkens onder de vloer van het paalhuisje, kraaiende hanen op het dak, gitaarspelende guerrillero’s in de kamer ernaast en een tiental kasama’s en masa die nieuwsgierig toekijken. Die trekken grote ogen bij de enorme hoeveelheid etter die ik uit het abces duw.

Met de excisie van de tumor op de hoofdhuid heb ik het lastiger. We hebben geen echte naaldvoerder, geen sterke en scherpe naald en geen goede belichting. De patiënte en haar man, die naast haar zit en haar hand vasthoudt, zijn overgelukkig als het eindelijk afgelopen is. Dokter, medics en patiënten nemen samen een stevige merienda. Dat hebben we wel verdiend.

Guerrilladiplomatie

Ka Paking is amper 39, maar hij fungeert in dit gebied zowat als natuurlijke overheid. De hele dag ontvangt hij bezoekers. Twee leiders van de plaatselijke organisatie van de lumad komen raad vragen voor hun strijd tegen een boskapbedrijf. De secretaris van de clandestiene organisatiegroep in het dorp komt verslag uitbrengen. Een dorpeling zit met een financieel probleem: zijn vrouw moet gaan bevallen in het hospitaal. Of hij niet voor een weekje een cirkelzaag MAG lenen, en met een aanbevelingsbrief van Ka Paking blokken hout MAG verkopen aan de bosbouwfirma Candelaria? Het mag. Dat is een uitzonderlijke gunst, want het ndf is met diezelfde firma in onderhandeling over het afbouwen van hun activiteiten. Twee vertegenwoordigers van het bedrijf komen daarover met Ka Paking praten.

We krijgen zelfs afgevaardigden van een Japans-Australische multinational op visite. Ze komen het NPA toestemming vragen om in dit gebied aan mijnontginning te doen. Ze hebben cadeaus meegebracht: kilo’s varkensvlees, vis, koeken en een fles rum. De hele guerrillaeenheid doet zich te goed aan het vlees, de vis en de koeken. Maar de rum raken we niet aan, sinds de rectificatie is alcohol bij het NPA strikt verboden. Voor Juan, onze latino, een zware beproeving.

Ka Paking benadert zijn bezoekers met flair en flexibiliteit. Dat vertegenwoordigers van multinationals het NPA komen opzoeken, getuigt van de reële macht van de guerrilla. Maar Paking is zich goed bewust van de relativiteit daarvan, in een periode dat de revolutie zich nog in het strategisch defensief bevindt. De multinational ronduit verbieden kan hij moeilijk hard maken. Hij wikt en weegt, formuleert voorwaarden en modaliteiten, en houdt de boot diplomatisch af.

Paking vertelt Juan en mij hoe de guerrilla de kwestie van de boskap benadert. Het NDF-Mindanao heeft een totaal verbod op boskap afgekondigd. Naar analogie met de revolutionaire landhervorming kan dit het maximumprogramma genoemd worden. Maar overal onmiddellijk het onderste uit de kan halen is niet mogelijk. Rekening houdend met de plaatselijke krachtsverhoudingen, het bewustzijnsniveau van de bevolking en de beschikbaarheid van alternatieve bronnen van tewerkstelling en inkomen, bestaat er ook een minimumprogramma tegen boskap.

Het is dat minimumprogramma dat momenteel in dit guerrillafront wordt toegepast. Door onderhandelingen is het NPA tot een modus vivendi gekomen met het belangrijkste houtbedrijf in de streek, de firma Candelaria. Het bedrijf MAG nog slechts aan sterk gereduceerde capaciteit produceren, hetzij in een strikt afgebakend terrein, hetzij door boomstammen op te kopen van individuele houthakkers, voor wiens broodwinning voorlopig geen alternatief voorhanden is. Van haar kant heeft de firma zich ertoe verbonden geen regeringstroepen op haar domein toe te laten en wat hand- en spandiensten te verlenen aan het NPA, bijvoorbeeld voor het transport van zieken of gewonden.

Het milieu-effect van Ka Pakings omzichtige benadering is niet onbelangrijk: Candelaria’s productie is gedaald van 4.000 m’ per maand naar 900. Paking verzekert ons dat de tijd zal komen dat Candelaria zijn winkel volledig zal moeten sluiten, of naar een ander gebied zal moeten uitwijken, waar hen op termijn opnieuw een legale strijd met organisaties van inheemse volkeren en ngo’s wacht, en een gevecht met het NPA.

Front 15

14 februari. Juan en ik vragen Ka Paking naar de situatie van dit guerrilla-front. Het wordt f15 genoemd, front nummer 15. Het beslaat grote delen van drie provincies. In de regio Zuid-Mindanao zijn er niet minder dan acht guerrillafronten.

Het is pas sedert vier jaar dat het NPA opnieuw aanwezig is in Front 15. In 1985 was het in mekaar gestort. Het militair avonturisme van het NPA in die tijd liet de vijand toe een ‘omgekeerde volksoorlog’ te voeren en de bevolking tegen de revolutie op te zetten. De NPA-compagnie van het front werd in het defensief gedrongen. Door verliezen en deserties viel het terug van 100 op 30 manschappen. De regionale partijleiding besliste Front 15 tijdelijk te verlaten.

In 1992 werd een guerrillateam van Front 18 erop uit gestuurd om Front 15 weer te ‘openen’, met een radicaal andere aanpak. Het NPA besteedde het eerste jaar bijna volledig aan opvoedings- en organisatiewerk. Het besteedde daarbij eerst en vooral aandacht aan de eenvoudige behoeften van de plaatselijke bevolking, zoals gezondheidszorg. Nadat de blotevoetenchirurgen van het NPA een tiental hydrocoeles hadden geopereerd, kreeg de revolutie hier weer voet aan de grond. ‘Medical is magical', lacht Ka Paking.

Na amper vier jaar organisatiewerk nieuwe stijl is Front 15 nu een van de stevigste in Zuid-Mindanao. ‘Ik kan het amper geloven, de snelheid waarmee de revolutie hier vooruitgang boekt’, glundert Paking. Het NPA is hier sinds 1992 vertienvoudigd. Een nog snellere uitbreiding zou mogelijk zijn, veel nieuwe rekruten melden zich aan. ‘Maar we willen de rekruten goed screenen en hen een tijdje politiek organisatiewerk laten doen alvorens hen in het volksleger in te schakelen’, zegt Paking.

Che

Op onze kamer praten Juan en ik nog wat na. Juan vergelijkt de manier van werken van Paking met die van zijn landgenoot Che Guevara. Ik heb hem Che’s Dagboek in Bolivia cadeau gedaan, in het Spaans gekocht in Nicaragua. Juan zegt dat hij vroeger maar niet kon begrijpen hoe het kwam dat Che, zo’n groot revolutionair, in Bolivia mislukte. ‘Maar als ik het verhaal van Ka Paking vergelijk met het dagboek van Che, zie ik een belangrijk verschil. Voor het NPA is het opvoedings- en organisatiewerk onder de massa’s essentieel voor het welslagen van de volksoorlog. Che slaagde er in Bolivia niet in deze basis te leggen en werd daardoor in een te eenzijdig militaire en dus kwetsbare rol van guerrillaoorlog gedwongen.’

Che-che

Bij de frontguerrillaeenheid zijn twee meisjes met prachtig donker, lang haar. Che-che (genoemd naar Che Guevara) en Jeanette zijn zusjes. Als ze terugkomen van de rivier zet ik me even bij hen. Jeanette is wat verlegen, maar de jongere Che-che antwoordt ongedwongen. De meisjes komen uit een groot gezin van twaalf kinderen. Zeven zijn erbij het NPA gegaan, maar over de jaren zijn er al drie gesneuveld. Che-che (17 jaar) is pas bij het NPA en wil zich vormen tot medic, Jeanette (23) is getrouwd met de commandant van deze NPA-eenheid. Boyet (26) is de politieke officier van de eenheid. ‘Die kleine met zijn snorretje die ginder loopt te basketten’, wijst Che-che al lachend. Aylene (28) ten slotte is ook medic en is de vrouw van Ka Julius, de NPA-verantwoordelijke voor heel Front 15. Aylene is pas bevallen, ze is een paar maand op rust.

16 februari. Een magere, oudere man met een brilletje is op bezoek. Het is de vader van Che-che, Jeanette en Boyet. Ka Paking wenkt me: ‘Da’s een interessante man. Het moment om die hele revolutionaire familie eens te interviewen.’ Ik vraag de ouwe Peping — zo heet hij — of hij hun familiekroniek wil vertellen. Dat wil hij best. Hij roept er zijn drie kinderen bij.

Het gezin is afkomstig uit een naburig dorpje, waar Peping een arme maïspachter was. Al twintig jaar geleden passeerden in het holst van de nacht kasama’s door het dorp. Iedereen wist dat ze daarover moesten zwijgen of dat het hun dood zou betekenen. In 1982 startte het organisatiewerk in Pepings barrio. Hij en zijn vrouw Maria waren bij de eerste contacten, bij de Barrio Liaison Group. De volgende twee jaar sloten vier van hun kinderen zich bij de guerrilla aan, twee als strijders, twee als medics.

Er braken moeilijke jaren aan. Het organisatiewerk in hun barrio vorderde goed en Peping ging deel uitmaken van de lokale partijafdeling. Maar hij liep te veel in de kijker. Na verklikking werd hij een dag vastgehouden door de politie. Verschillende keren ontving hij bedreigingen. Hij moest zich meer en meer verborgen houden. Toen het regeringsleger bij een militaire operatie hun dorp aandeed, was Pepings huis een van de eerste doelwitten. Tn diezelfde periode sneuvelden twee van de kinderen in gevechten. Het viel Peping en Maria zwaar om hun engagement te blijven dragen.

Maar toen in december 1989 de derde zoon sneuvelde, stonden Boyet, Jeanette en Aylene klaar om de fakkel over te nemen. Giechelend vertellen Jeanette en Che-che dat het jaar nadien nog een zus bij het NPA ging, ‘maar die hield het maar een jaartje vol’. Ten slotte volgde Che-che. ‘Al bij al zijn toch nog vijf van de twaalf kinderen niét bij het NPA’, zucht Che-che. ‘Maar er is nog hoop. De kleinsten, 11 en 7 jaar oud, praten er al over.’

Ik vraag Peping hoe het verder is verlopen met zijn precaire veiligheidssituatie. Sinds 1993 durft hij zich terug in zijn dorp vertonen. Af en toe gaat hij nu zelfs met de soldaten van het detachement een biertje drinken en over de hanengevechten discussiëren. Met de hulp van de beweging heeft Peping zich economisch wat kunnen opwerken. Hij heeft anderhalve hectare land gekocht. ‘En ik ben trots dat de meeste van onze kinderen de lagere school hebben kunnen afmaken. Sommigen hebben er zelfs een paar jaar middelbaar opzitten.’

Peping, Boyet, Jeanette en Che-che zijn het er roerend over eens dat ze een gelukkig gezin vormen. Ze steunen elkaar door dik en dun, hoewel ze mekaar maar een of twee keer per jaar zien, bij gelegenheden zoals deze, als het NPA een paar dagen halt houdt in een nabijgelegen barrio.

Een studente op bezoek

Die avond krijgen we nog maar eens bezoek, van een gewapende propagandaeenheid. Er is een jonge studente bij uit Davao City, Lea. Ze gaat zes maand met het NPA optrekken. Ik kan een glimlach niet onderdrukken bij het doordrammerig gepraat van Lea: ‘Op school krijgen we alleen theorie, maar de praktijk is hier, onder de massa’s. Op school heb ik niets geleerd, ik ben naar hier gekomen om te leren van de boeren. In de stad zie je alleen maar gebouwen, je vraagt je af waar de massa’s zijn. Die bevinden zich natuurlijk op het platteland! Mijn ouders zijn bourgeois, ze hielden me in een kooi. Daarom ben ik thuis weggelopen.’

In elk geval is het meisje thuis weggelopen met een glanzend mooie rugzak, een vlotte jogging en peperdure Nikes. De jonge Vergel, de zoon van Paking, onderbreekt haar: ‘Zo, jij komt dus naar de guerrilla om je thuis te ontvluchten. Ik kom juist naar hier om mijn thuis te vinden.’ Juan en ik knipogen eens naar mekaar. De eenvoudige volksjongen zet het juffrouwtje mooi op haar plaats. Maar ik heb ook sympathie voor het meisje. Je moet het toch maar doen, je als studente voor zes maand bij de guerrilla aansluiten!

Het verhaal van Rhyme Petalcorin

17 februari. Mijn laatste dag bij het NPA; Ka Paking kruipt weer op de vertelstoel. Deze keer gaat het over de geschiedenis van het Nieuwe Volksleger in de regio. Die begint in de vroege jaren ’70, meer dan 25 jaar geleden.

Vanaf de First Quarter Storm, de studentenrebellie van 1970, organiseren de progressieve studenten van Davao City zich in de Kabataang Makabayan, de Jeugd voor het Volk. Dat is de nationaal-democratische studentenbeweging die in 1964 werd opgericht door José Maria Sison.

Eén van die studenten is Rhyme Petalcorin. Als Marcos in september 1972 de staat van beleg afkondigt, duiken Rhyme en een paar andere studenten onder in Mainit, een gemeente in de provincie Davao del Norte. Uit de revolutionaire propaganda hebben ze onthouden dat het NPA in de bergen zit, en rond Mainit zijn er bergen. Zonder geld of wapens gaan de jonge activisten op zoek naar de guerrilla. Weten zij veel dat het NPA op dat moment bijna uitsluitend actief is in de wouden van de provincie Isabela, in Noord-Luzon, het hele andere uiteinde van de Filipijnse archipel.

Rhyme en zijn kompanen trekken van barrio tot barrio en doen er politiek werk. De plaatselijke bevolking noemt hen de walang-sapatos, de zonder-schoenen. Die blijven zich verwonderd afvragen waarom zij geen NPA’ers tegenkomen. Tot ze geleidelijk beginnen te beseffen dat zij hier het NPA zijn!

Met gedurfde aanvallen op bewakers van een bananenplantage en op politieagenten weten Rhyme en zijn kameraden zich stukje bij beetje te bewapenen. Maar door gebrek aan militaire ervaring sneuvelen enkele kasama’s. Pas na een jaar slagen ze erin contact te leggen met het NPA in Noord-Luzon. Ze kunnen deelnemen aan een militaire training in het toenmalige mekka van het NPA, Isabela. In 1974 maakt Paking, een jonge, niet-georganiseerde activist, kennis met Rhyme Petalcorin. Het jaar daarop sneuvelt Rhyme, die dan al bevelhebber was van het NPA in Front 2.

Maar de revolutie blijft vooruitgaan in de regio. Met het uitkomen van de brochure Onze Dringende Taken heeft het NPA een handleiding voor het organisatiewerk ter beschikking. Dan gaat het heel snel. In de periode 1979-1981 nemen de tactische offensieven overhand toe. De volksorganisaties schieten als paddestoelen uit de grond: clandestiene boerenverenigingen, Revolutionaire Barriocomités, lokale partijafdelingen. Zowel binnen als buiten de guerrillazone neemt de massabeweging een geweldige uitbreiding. Tot fouten van militarisme toet in het eten strooien.

NPA zich op te stapelen. Het dieptepunt is het groot NPA-offensief van 1989, dat uitloopt op het verlies van twee volledige guerrillafronten.

Me steunend op de inzichten van Reaffirm, geef ik Julius en Paking mijn observaties uit andere regio’s waar allicht ook de fout van militarisme heeft gespeeld. In Bicol rekende NPA-leider Ka Louie uitsluitend in militaire termen als hij het had over het strategisch evenwicht in de volksoorlog: elk front een compagnie, elke regio een bataljon.

Tn Negros zag ik hoe het Nieuwe Volksleger in 1989 werd omgevormd tot een geregeld leger: grote compagnies met zware wapens, militaire driloefeningen en een parade in uniform. Best mogelijk dat dit ten koste van de massaorganisaties en guerrillaeenheden aan de basis was. In ieder geval werd de guerrillazone van Zuid-West-Negros bijna weggevaagd door Oplan Thunderbolt, een massale legeroperatie na de mogelijk ondoordachte NPA-aanval op Candoni.

Die eenzijdige nadruk op het militaire was ook te merken op medisch vlak. Toen Oplan Thunderbolt losbarstte waren de medics in Negros juist goed opgeleid voor oorlogschirurgie. Maar de ironie is dat zij op het terrein niet te maken kregen met gewonde guerrillero’s in een veldhospitaal, maar met kinderen in evacuatiecentra, die leden aan mazelen en diarree. En daarvoor waren de NPA-gezondheidswerkers nu net niét opgeleid.

Julius, Paking, Juan en ik komen tot één conclusie: gewapende strijd, natuurlijk, maar alleen in het kader van een echte volksrevolutie, waarbij de politieke aspecten steeds vooraan staan.

18 februari. Juan en ik nemen afscheid van Paking en Julius, Vergel en Che-che en de andere kasama’s. Zijzelf staan ook op vertrekken, het NPA wachten andere taken, nieuwe uitdagingen. De terugreis verloopt even vlot en probleemloos als de heenreis. Dezelfde avond nog zijn we in Manilla.

Thuisgekomen haast ik me naar de slaapkamer. Yuri, Mara en Lize liggen vredig te slapen. Dan begin ik mijn guerrillavertellingen aan Rita, over mijn allerlaatste ervaring met het Filipijnse Nieuwe Volksleger.

Neneng onder vuur

23 februari. In de vroege ochtend vallen tien zwaarbewapende militairen het kliniekje van dokter Fe ‘Neneng’ Mamon binnen in Iloilo, op het eiland Panay. Ze beschuldigen Neneng ervan een regionale leider van de Communistische Partij in haar kliniekje te verzorgen en te verbergen. Voor de ogen van Nenengs kinderen doorzoeken de soldaten het hele huis, hoewel ze geen huiszoekingsbevel hebben. Ze vinden niemand en moeten onverrichterzake afdruipen.

De fax die HELP-Panay hierover stuurt naar de Council geeft de echte reden aan waarom Neneng onder vuur ligt van de militairen, help is de laatste tijd erg actief onder de inheemse Sulodnon-bevolking. Die protesteren tegen legeroefeningen in een militair domein, dat zich gedeeltelijk over hun voorouderlijke gronden uitstrekt. De militaire oefeningen hebben een aantal Sulodnon uit schrik hun huizen doen verlaten.

Prins Filip op de Filipijnen

Begin maart. Een Belgische handelsmissie onder leiding van prins Filip bezoekt de Filipijnen. Ook Tony Vandeputte, afgevaardigd bestuurder van het Verbond van Belgische Ondernemingen, maakt deel uit van de delegatie, samen met een 80-tal andere zakenlui.

Voor de gelegenheid heeft de Belgische Dienst voor Buitenlandse Handel een glanzende brochure uitgegeven. We lezen erin dat ‘de oprichting van Export Processing Zones (vrijhandelszones) zeker een goede stimulans is’ voor Belgische investeringen. Geïnteresseerden worden gerustgesteld dat ‘het contact gemakkelijk is. De Filipijnse gesprekspartners spreken Engels en zijn zeer ontvankelijk voor nieuwe en Westerse producten’. Er staat ook dat wie zaken wil doen ‘er alle belang bij heeft aan te sluiten bij de projecten gefinancierd door de Wereldbank en de Aziatische Ontwikkelingsbank’. Inderdaad, die hebben het bedje van de multinationals al gespreid, in het kader van Ramos’ Philippines 2000-plan.

De handelsmissie is een succes. De baggerfirma De Nul haalt nog een contract binnen, deze keer voor de aanleg van een kustweg naar de haven van Manilla. De Kredietbank gaat een Filipijns filiaal openen en de bbl zal kredietlijnen verstrekken voor de Filipijnse uitvoer.

Even later ondertekent Belgisch minister van Landbouw en kmo’s Karei Pinxten een akkoord voor herstellingen aan de bovengrondse metro van Manilla. Het akkoord behelst een zachte lening van 131,6 miljoen frank. België hoopt daarmee de nodige goodwill te creëren om het herstellingscontract in de wacht te slepen voor acec. Intussen azen Bombardier Eurorail en Tractebel Engineering op het contract voor de uitbouw van een tweede metrolijn in Manilla.

Ik betwijfel sterk of de volgorde van de recente Belgische delegaties naar de Filipijnen toevallig is. Eerst effent Ontwikkelingssamenwerking de weg en in haar zog komen Buitenlandse Handel en kmo’s de zaak verzilveren voor de Belgische patroons.

Despedida

15 maart. Filipino’s zijn goed in kerstfeestjes, maar nog beter in afscheidsfeestjes, despedida’s. Vandaag het eerste in de reeks, georganiseerd door de CHD. Rita en ik zijn er niet bijzonder op uit. Niet alleen omdat we de Filipijnen niet graag vaarwel zeggen, maar ook omdat we niet graag in het middelpunt van de belangstelling staan. Maar er is geen ontkomen aan.

Het wordt een leuke bedoening. Ook veel vrienden van de volksorganisaties en andere progressieve ngo’s zijn present. Ze brengen ernstige en heel wat minder ernstige toespraken, gedichten, liederen en toneeltjes. Romy Quijano, onze vriend-farmacoloog en voorzitter van head, schreef een gedicht:

Salamat, dank

Voorheen deed het me niets jullie in bijeenkomsten te zien Ik dacht: weeral bezoekers, die blijven toch niet lang
Jullie luisterden rustig en spraken stil
Het ontging me dat jullie namen Bert en Rita waren
Maar met de tijd doorgebracht in de strijd
Sloegen jullie zachte stemmen
Als mokerslagen in onze harten
Jullie scherpe rede als zachte balsem
En woorden als klare wijn
In de diepte gravend
Met een vloeiende pen
En als het moest ook centen op tafel
Uit jullie daden sprak echte solidariteit Van ganser harte het volk dienend
Werd de juiste lijn uitgezet
Hier geboren en getogen
Zijn de vruchten van jullie liefde
Geen sterkere aanmoediging mogelijk:
De volgende generatie hier ter wereld gebracht
Uit jullie omhelzing van ons verdrukte land
Ontsprong hoop voor het volk dat vecht
Jullie brachten geestdriftig
De bevrijdende gezondheidszorg tot leven
Nu de tijd van afscheid is aangebroken
Wat kunnen wij jullie in ruil geven
Voor jullie internationale solidariteit
Tenzij
salamat, maraming salamat

Dank, hartelijk dank

Om aan een klassieke afscheidsspeech te ontsnappen is Rita op het idee gekomen van een quiz: Alles wat je altijd over Rita en Bert hebt willen weten en nooit hebt durven vragen. De waarheid over mijn ‘allergie voor zeevruchten’ wordt verklapt, en ontlokt een storm van verontwaardiging. De echte oorzaak van Rita’s handicap wordt onthuld, maar om een of andere' reden lijkt iedereen al op de hoogte. Dat is duidelijk niet het geval met onze vraag naar de contraceptieve methoden die Rita en ik op acht jaar Filipijnen niet gebruikt hebben. Hilariteit alom.

Het KMU-koor Tambisan heeft enige moeite om weer de juiste toon te pakken te krijgen. De despedida wordt afgesloten met enkele strijdliederen.

21 maart. Ook de kameraden van de UG, de ondergrondse beweging, hebben een despedida voorbereid. Afscheid nemen van Lean en Andrea, van Ella en de andere kasama’s valt Rita en mij zwaar. Omdat we van hen het meest hebben geleerd en het meest hebben gehouden. Omdat ik met hen het meest heb meegemaakt. En omdat we er niet zeker van zijn hen ooit nog terug te zien.

David tegen Goliath

22 maart. Een klein item in het dagblad Today trekt mijn aandacht:

‘Cateel, Davao Oriental - Voor het eerst in honderd jaar zijn honderden leden van de Mandaya-stam uit het binnenland gekomen. Ze stormden de straten van dit afgelegen kuststadje in om de opheffing te eisen van een bomenplantageproject van de grootste papierproducent in Azië.

Zo’n 500 leden van de organisatie Yagatibo (Verenigde Mandaya voor de Verdediging van de Voorouderlijke Gronden) betoogden met spandoeken tegen de IFMA 28, de houtkaplicentie toegekend aan de Paper Industries Corporation of the Philippines (PICOP).’

De Ata-Manobo tegen Alsons in Talaingod, de Mandaya tegen PICOP in Cateel. Inheemse volkeren staan op tegen heersende machten. David tegen Goliath. Maar David heeft zijn slinger, de Lumad grijpen terug naar pijl en boog. En naar meer ook, want het Filipijnse volk heeft een uiterst doeltreffend wapen opgebouwd: het Nieuwe Volksleger.

Naar de andere kant van de wereld

24 maart. Ons huisje is akelig leeg, onze inboedel is half uitgedeeld, half ingekist en per boot naar België verstuurd. We zeggen de buren vaarwel. Onze vrienden van de CHD brengen ons naar de luchthaven.

Yuri, Mara en Lize, die nooit iets anders gekend hebben dan de Filipijnen, Rita en ik, die hier waarschijnlijk de mooiste jaren van ons leven hebben beleefd: het is allemaal voorbij.

In de wagen zingen we het afscheidslied van Joey Ayala, dat ook bij de guerrilla populair is:

Ang pag-ibig natin ay Walang hanggang paalam At habang magkalayo Papalapit pa rin ang puso Kahit na magkahiwalay Tayo ’y magkasama

Sa magkabilang dulo ng mundo

Onze liefde
Kent geen vaarwel
En terwijl we ver vaneen zijn
Zijn we met ons hart dichtbij elkaar
Zelfs als we gescheiden zijn
Blijven we tezamen
Elk aan een andere kant van de wereld

Nawoord - Inhoud

Anderhalf jaar zijn voorbijgegaan sinds we de Filipijnen weer inruilden voor België. Maar de Filipijnen vergeten, dat kunnen we niet. Rita krijgt in De Sleutel, de groepspraktijk van Geneeskunde voor het Volk in Schaarbeek, heel wat Filipino’s en Filipina’s op raadpleging. Door mond-aan-mond reclame raakt ze gekend in de Filipijnse gemeenschap van huishulpjes - dikwijls illegalen - als de enige huisarts in Brussel die Tagalog spreekt.

Ik blijf met Geneeskunde voor de Derde Wereld nauw betrokken bij Filipijnse projecten van bevrijdende gezondheidszorg. Ik heb ook de taak van Hilde Vanobberghen overgenomen om contact te houden met José Maria Sison en het ndf in Utrecht.

Onze kinderen zitten nu in een Frans-Turkse omgeving en hebben het Tagalog zo goed als verleerd. Maar als we Filipino’s op bezoek of te logeren hebben kunnen ze weer wat oefenen. Deze week hebben we een afgevaardigde van de KMU in huis. Ric is stakingsleider bij Nestlé-Manilla, waar de arbeiders te kampen hebben met overname, herstructurering, afdankingen en repressie tegen strijdsyndicalisten. Clabecq en Renault in Manilla.

Vorig jaar hadden we Duque en Daday te gast. Zij zijn vanuit de vrouwenorganisatie gabriela betrokken bij projecten voor straatkinderen. Ze kwamen getuigen over het probleem van kinderprostitutie, toen heel België in rep en roer stond met het spaghetti-arrest, de Connerotte-week en de Witte Mars.

We hebben ook twee heel speciale gasten gehad. Sotero ‘Teroy’ Llamas, alias Ka Son, was korte tijd in Europa als politiek adviseur van het NDF-panel bij de vredesonderhandelingen. Na meer dan een jaar gevangenschap had Ramos hem moeten vrijlaten. Teroy vertelde honderduit, zijn verhalen doorspekt met zijn bulderende lach, over de situatie in Bicol, over zijn vrouw Rina-met-de-mooie-stem, en over Ka Lina, de verantwoordelijke van het gezondheidswerk.

Nog groter was onze verbazing toen we generaal Jarque op bezoek kregen. Na zijn spectaculaire overstap naar het NPA en een maandenlange proefperiode in een guerrillazone van Negros, werd Jarque door het ndf gevraagd als adviseur bij de vredesonderhandelingen. Ook hij kwam daarvoor even naar Europa overgevlogen en nam de gelegenheid te baat om met zijn vrouw en zoon te gaan toeristen in Parijs, Waterloo en Brussel. Hij liet een dankbriefje achter dat eindigde met: ‘We houden vol tot de overwinning. Ka Ray.’

Van onze vrienden bij de Council en bij gabriela krijgen we nog regelmatig nieuwsjes over mensen en projecten. Ook een droevig bericht: in oktober 1996 overleed Pina, na een lange en moedige strijd tegen kanker.

We volgen natuurlijk ook het politiek nieuws op de Filipijnen. Op 21 september 1997, de 25ste verjaardag van Marcos’ staat van beleg, was er een massabijeenkomst in Manilla, waar kardinaal Sin de mis opdroeg met naast zich de rode spandoeken van Bayan en de KMU. De manifestatie was gericht tegen president Ramos, die de grondwet wil wijzigen om de economische liberalisering te vergemakkelijken en zelf langer in het zadel te blijven. Iedereen was verenigd tegen deze Charter change, op zijn Filipijns spitsvondig afgekort tot Cha-cha.

Wat is er verder met de Rejects gebeurd? ‘Popoy’ Lagman heeft het tot voorzitter van de bmp geschopt, de anti-KMU vakbond, maar hij slaagt er niet in zijn nieuwe Revolutionaire Arbeiderspartij van de grond te krijgen. De stadsguerrilla ABB heeft Popoy uit zijn rangen gesloten. Of was het omgekeerd, zoals Popoy zélf beweert?

Ook die van de ‘derde weg’ bakken er niets van. Van hun ‘nieuwe linkse formatie’ is niets meer vernomen. Ze houden zich onledig met NGO-projecten, waarvan sommige worden gesteund door de Wereldbank.

De prijs van de mooiste postrevolutionaire carrière gaat ongetwijfeld naar Romulo Kintanar, de vroegere stafchef van het NPA. Op 17 december 1996 legde hij de eed af als lid van de regeringspartij Lakas-NUCD. Hij wil ‘de mensen op het platteland warm maken voor Ramos’ programma om de landbouw te moderniseren’.

De revolutionaire beweging gaat er intussen weer op vooruit. Volgens het Filipijns ministerie van Defensie was het NPA in 1996 in bijna 5% méér dorpjes actief dan het jaar voordien. Ook het ledenaantal van de guerrilla nam toe. In de eerste helft van 1997 was de groei nog belangrijker: bijna 12% dorpjes méér onder NPA-invloed, en verschillende nieuwe guerrilla-fronten ‘geopend’. De militairen moeten toegeven dat het NPA veel van het vroeger verloren terrein heeft teruggewonnen.

In de laatste veijaardagsverklaringen van de Filipijnse Communistische Partij en het Nieuwe Volksleger wordt gesteld dat de beweging na vijfjaar rectificatie gesterkt is op ideologisch, politiek en organisatorisch vlak. Vandaar de oproep om, waar de capaciteiten en omstandigheden het toelaten, de gewapende bevrijdingsstrijd weer op te voeren. Mabuhay!

Bert De Belder

Schaarbeek, 4 oktober 1997

Verklarende en vertalende woordenlijst

abaca: vezel uit een banaanboomachtige plant, gebruikt om touw te vlechten

alyado: bondgenoot

amoebendysenterie, amoebiasis: darminfectie door de amoebaparasiet

amfetamine: opwekkend geneesmiddel of drug

banca: prauw

banig’. matje

barrio: dorp, wijk

blaascatheter: buisje geplaatst in de urineblaas

bolo: machete, hakmes

carabao: waterbuffel

cavan: gewichtsmaat, ongeveer 50 kg

curatief: genezend

despedida: afscheidsfeest

dialectiek: de leer van de tegengestelden

duyan: hangmat of -mand

excisie: uitsnijden

farmacoloog: specialist in geneesmiddelenleer

fedayin: Palestijnse strijder

gangreen: zware bacteriële verrottingsinfectie

gekko: grote hagedis

glasnost: de politiek van openheid die Gorbatsjov toepaste in de ex-Sovjetunie

goiter: zwelling van de schildklier

huidtractie: het uiteentrekken van een gebroken been door een gewicht te hangen aan kleefverband, aangebracht op de huid

hydrocoele: vochtophoping in het scrotum

insurrectionisme: de strategie om de macht te veroveren door middel van een opstand

intraveneuze vochttoediening: vocht toedienen via een naald in een ader, ‘baxter’

jeepney: omgebouwde jeep, gebruikt als openbaar vervoermiddel

Ka kasama: kameraad, NPA’er

kalamansi: kleine limoen

katulong: meid of knecht, huishulp

kopra: gedroogd kokosvlees waaruit kokosolie wordt geperst

kuya: grote broer

lumad: inheemse volkeren van Mindanao

lymfangitis: bacteriële infectie van de lymfewegen

mabuhay: lang leve

mahjong: Chinees gezelschapsspel

malong: lakendoek, aan een zijde dichtgenaaid

masa: (lid van) de bevolking die sympathiseert of samen werkt met de guerrilla medic: gezondheidswerker van het NPA, meningitis: hersenvliesontsteking

merienda: snack, tienuurtje of vieruurtje

modus vivendi: manier van samenleven, pragmatische overeenkomst monocultuur: kweek van één enkel gewas

nationaal-democratisch, natdem: voor nationale onafhankelijkheid en democratie, de inhoudelijke doelstellingen van de volksbeweging op de Filipijnen

organizer: persoon die organisatiewerk doet

pangayaw: traditionele oorlog van de lumad

parangal: herdenkingsviering voor een overledene

pelvimetrie: meting van de bekkenuitgang

perestrojka: het geheel van economische hervormingen in de ex-Sovjetunie onder Gorbatsjov

peso: 1 peso = 1,2 frank

populisme: aan politiek doen door principeloos naar de gunst van het volk te dingen

preventie: voorkomen

reactionair: conservatief, reagerend tegen wat progressief of revolutionair is

Reaffirm: Herbevestig, verwijst naar het document Herbevestig onze basisprincipes en zet de fouten recht, het rectificatiedocument van de CPP uit 1992

recovery room: kamer om de eerste uren na een operatie te herstellen

rectificatie: rechtzetting van fouten

reformisme: hervormingsgezindheid, hervormingen willen bekomen zonder het bestaande systeem in vraag te stellen of aan te tasten

Reject: verwijst naar zij die de Reaffirm-analyse van de CPP verwerpen

revisionisme: de herziening van een vaststaande theorie of historisch feit; hier: de herziening van de basisprincipes van de revolutionaire leer, het marxisme-leninisme

salamat: dankuwel '

sitio: gehucht

spinale anesthesie: verdoving via het ruggemerg

squad: sectie, kleine guerrillaeenheid (7-12 leden)

steriliteit: situatie waarbij de omgeving vrij is van bacteriën

tactisch offensief: guerrilla-aanval

think tank: theoretisch onderzoeksinstituut

tricycle: motor met zijspan

trotskisme: theorie gebaseerd op het werk van Leon Trotsky

tyfoon: tropische storm

ulam: gelijk welke vlees-, vis- of groentenschotel die je bij rijst eet

vigilantes: burgerwachten

yaya: kindermeisje

Achterblad - Inhoud

Dokters Bert De Belder en Rita Vanobberghen vertrekken in oktober 1987 naar Manilla. Vanuit hun appartementje werken ze met de legale volksorganisaties en daarna ook met het gewapend verzet. Ze worden kasama, wat staat voor 'gezel, kameraad'. In maart 1996 keren ze naar België terug, met drie kinderen en met een zee aan ervaring, Kasama is het relaas van die acht jaren.

‘Dit boek zou je kunnen lezen als een roman over het engagement van twee mensen die van het leven houden en bovendien van elkaar. Of als een politieke thriller tegen een exotische achtergrond over de spanningen binnen een revolutionaire beweging. Maar het is ook het verhaal van Filomena en de stootkar die haar werk en haar huis is, en dat van haar vijf kinderen. Het verhaal van Pina die kanker heeft en die met een dijbeenbreuk geen toegang krijgt tot het ziekenhuis.'

Dr. Marleen Boelaert, Instituut voor Tropische Geneeskunde, Antwerpen

‘Het boek is een interessante afwisseling van ernst en lichtvoetigheid, wat maar mogelijk is omdat de auteurs zich nauw verbonden hebben met het Filipijnse volk in de loop van hun revolutionaire strijd.’

José Maria Sison, stichtend voorzitter van de Filipijnse Communistische Partij

'Boeiende en soms aangrijpende lectuur, aanbevolen aan elkeen die zich, zoals de auteurs, wil inzetten voor de ontvoogding en de gezondheid van de Derde Wereld.’

Prof. em. Dr. J. Vandepitte. K.uieuven

'Meeslepend én confronterend! Kasama roept vragen op bij je eigen inzet en bij je maatschappelijke keuze, zowel in het Zuiden als hier.’

Dr. Geert Van Moorter, lid Oxfam-Wereldwinkels en auteur van De Dodelijke Kloof

Rita Vanobberghen is huisarts
in De Sleutel, groepspraktijk van
Geneeskunde voor het Volk in Schaarbeek.

Bert De Belder is werkzaam
voor de ngo Geneeskunde voor de Derde Wereld.

Inhoud - Boven