|
De wind
ontstijgt opeens een plas
waar blauwe plekken van de nacht
zich stoten en gaan vechten
met een zwarte zonnevlek.
De grond is koud en guur bij het ontwaken
als kamers zonder vuur.
Ik ben alleen, met hangend in mijn mond
een sigaret die ademt in mijn plaats.
Ik haast me naar een doorgang zonder einde
waar deuren tunnels zijn als vlekken,
en schaduwen zich stoten zonder pijn
en muren vuil zijn tot het eind der tijden.
Het licht schijnt log en kromgebogen
op een wereld zonder vreugde of verbazing.
In naaktheid van het bloed dat in mij vloeit
beadem ik dezelfde koude stenen.
De anderen beleven elk voor zich mijn leven,
vereenzaamd tussen hoge wanden van het hart.
Alleen het hoofd verwisselt af en toe van blik,
vanuit het hart ontspruit eenzelfde plant van smart.
|