|
In
gangen waar er niets meer glanst,
bereikt men nachten langs een deur,
die raffelt tegen kalken muren.
Van hen nog warm draai ik mij om
en keer mij naar het leven dat zijn adem vindt
op mooie plekken in de zon,
waar aarde met de mensen spreekt
langs lichte vrouwenstemmen,
waar stromen aarde ronden geeft
met volle frisse handen,
en het gevangen hart van bossen
beweegt op schaduwsokkels,
waar wegen hemel worden aan de einders
getekend door de stap van boeren
waarvan de hoofden huizen overstijgen
zoals de hoogste en de zwaarste aren.
|