|
Op avonden ontbloot van zonlicht
spreiden dorpen pluimen rook van schouwen
en woud dat blauwig is, gezond en koel,
blijft oppermachtig als een lichaam zonder woorden.
Op steeds hetzelfde fluitsignaal, gegeven door de
wind
marcheren grassen groep per groep
en nemen grote stroken vlakte mee
tot waar de ene horizon alleen nog maar de andere ziet.
De lucht klaart op zoals een vredevolle stad
terzelfdertijd als die nog gekker zijn
waarnaar de vrouwen snellen, onvatbaar als een schicht
en waar wie vlug is opbrandt in de nacht.
Hoe weg te gaan, ontlast van de herinnering,
uit lange en te smalle straatjes van de
stad
waar men niet wenen kan en vensters je omringen
hun schouders heffend met hun klinken.
|