|
Van
zon rest enkel een paar sterren
die langzaam in de hemel draaien
en dag waarvoor 't heelal te klein was
laat zich in haar lampen vangen.
Van jou ontwaar ik slechts een schouder,
als avond valt over het bed,
en ook je slapen waar zoals de bron,
het bloed zijn hoogst gelegen gras bereikt.
Uit ogen als een lenteknop gesloten
zal bos bij dageraad ontluiken
en jou stem, verpozend op je lippen
geeft een naam aan zwijgen door mij te benoemen.
De nacht schrijdt voort met reuzenstappen
over al het zaad der aarde,
over borsten aan mijn handen vastgeklonken,
over dromen waar wij weer tezamen
zijn.
|