De
zomer wordt de grootste vis
die in de stroom kan zwemmen.
De zomer wordt het grootst kristal
dat wij getweeën kunnen heffen.
Vanaf mijn hoofd tot aan de hoogste lucht
bedraagt de afstand slechts een meter licht
waarmee ik trachten zal het wezen op te meten
dat tussen onze blikken flitst.
De wegen komen naar mij toe
zoals de takken van een boom
die al zijn wortels heeft gepoot
daar waar jij stilstaat op je been.
In bossen stappen wij op stralen
als op slangen in een huis
die vluchtend zoeken naar de brug
die avondval legt over stromen.