|
Mijn handen zoeken naar de plaats
waar streling zijig ritselt
en waar ons lichaam staande blijft
en aanleunt tegen steedse muren.
Eén blik, één kus van jou,
brengt mij méér naderbij dan ooit
zoals jou mond zich legt op die van mij,
een beetje als een nevel om een donker beekje.
Het volstaat mijn armen om jou heen te leggen
dat het wonder weer verrijst
waarvan wij warme trossen persen
die ons hoog verheffen in het paradijs.
|