|
De
zoldering wordt donker
boven ogen die nochtans geopend zijn
en ik vermoed je in de schaduw
die jou komt drukken tegen mij.
Het bloed likt met zijn blauwe vlam
een laatste maal langsheen mijn slaap,
om dan mijn lichaam te verlaten
langsheen mijn lippen aan de stilte vastgehaakt,
gaan muren die verdikken in gedachten,
het enige bedekken wat mij rest,
jou bijzijn dat ik dragen wil
tot aan het eind van mijn bestaan.
Maar je gelaat is door mijn handen zo vermaakt,
je naam zozeer geschreven in mijn mond
dat enkel door mijn ogen neer te slaan
jij in mijn hoofd de plaats neemt van de dood.
|