Paul Goossens- Leuven '68
of het geloof in de hemel, 1993


Paul Goossens, Leuven '68 of het geloof in
de heme
l, 1993, Roularta Books - Knack/Trends

Mail                                   Inhoud                        Home 

Voor mijn ouders die het
zonder al te veel uitleg
allemaal maar moesten begrijpen

Naar inhoud

Zijblad - Achterblad:

'Meer dan een objektief verhaal over deze scharnier van een generatie, is het een verslag van een deelnemer' {De Standaard)

'De herinneringen van een hemelbestormer' (De Morgen)

'Reeds in de inleiding van het boek spreekt de auteur de hoop uit dat het "de jongeren van nu zou inspireren om hun stem te laten horen en op hun beurt die vragen te formuleren waarop het beleid liever niet wordt aangesproken. Een vermoeide demokratie kan alleen maar beter worden van een forse dosis tegenspraak."' {De Financieel Ekonomische Tijd)

1° druk: september 1993 2° druk: oktober 1993

C.I.P. Koninklijke Bibliotheek Albert I
Paul GOOSSENS, LEUVEN '68 OF HET GELOOF IN DE HEMEL
ISBN 90 5466 087 2 NUGI 661 © 1993 by Roularta Books
Research Park Zellik 1731 Zellik Tel.: (02) 467.56.40 Zetwerk: Griffo, Gent Druk: Erasmus, Wetteren

Wettelijk depot: D/1993/5466/31 ISBN 90 5466 087 2

Inhoud

Hoofdstuk 1: De fascinatie van een magisch jaar
   De meerzinnige kontestatie
   Nationale splijtstof

Hoofdstuk 2: De prehistorie
   De oorlog rond de uiterlijkheden
   De bedwelmende smaak van politiek
   Hoofd van de studiedienst...

Hoofdstuk 3: Afscheid van het brave Vlaanderen
   De afwezige leiders
   'Een kruisweg met vele staties'
   Achter de rug van de manager

Hoofdstuk 4: De Meredith-mars
   'Een demokratische republiek'
   Extreme tolerantie voor eigen 'folklore'
   'Strijd zuiver houden'

Hoofdstuk 5: Het verlies van de onschuld
   De eerste kennismaking
   Staken om mee te praten
   Seks en katolieke etiek

Hoofdstuk 6: Het memorabele begin van een wonderjaar
   'Fleet Street' aan de Dijle
   Afscheid van Leuven-Vlaams?
   De woede in beeld gebracht
   'Le repos du guerrier'

Hoofdstuk 7: Tussen solfer en mededogen
   De verovering van het woord
   De kinderkruistocht
   De match met VdB

Hoofdstuk 8: De roes van de gevallen engelen
   De nieuwste Parijse mode
   De odyssee van politieke wezen
   Het nieuwe geloof in de oude dogma's

Hoofdstuk 9: De nieuwe totalitaire bedreiging
   De dorheid van het ekonomisch fundamentalisme
   "The day that changed politics"
   Als de kraaien over Europa vliegen

Inleiding - Inhoud

Leuven '68 was meer dan een keerpunt in de Belgische politiek. Het was ook een begeesterend moment waarop plots zoveel meer mogelijk leek. Een jonge generatie ontdekte de relativiteit van de macht en probeerde met veel woorden en niet weinig daden een andere, meer genereuze samenleving te forceren. Daarin slaagde ze maar zeer ten dele. Vijfentwintig jaar later is het niet onzinnig om de film van die bewogen tijd terug te spoelen. Het blijft immers een intrigerende en vooral aktuele vraag waarom jongeren toen wel door politiek gefascineerd werden en er zich zo roekeloos voor engageerden.

Dit is geen objektief verhaal. Daarvoor was de auteur te nauw bij het gebeuren betrokken en te dikwijls medeverantwoordelijk voor de rumoerige feiten. Het is het relaas van één van de akteurs. Als het sommige 'oudstrijders' zou inspireren om de draad van toen weer op te nemen, zou me dat verheugen. Nog mooier zou zijn als het de jongeren van nu zou inspireren om hun stem te laten horen en op hun beurt die vragen te formuleren waarop het beleid liever niet wordt aangesproken. Een vermoeide demokratie kan alleen maar beter worden van een forse dosis tegenspraak.

Hoofdstuk 1 - Inhoud

De fascinatie van een magisch jaar - Inhoud

Er zijn jaren die alleen in geschiedenisboeken of in vergeelde archieven overleven. Het zijn de trage of monotone jaren waarin de tijd niet versnelt en alleen voorspelbare, normale en logische feiten worden geregistreerd. De luie planeet ligt er dan bij als een hagedis in de zon en bekomt van de vermoeiende vlucht uit de alledaagsheid. Er zijn ook andere, magische jaren die in het kollektieve geheugen zijn gegrift — en zelfs als ze al lang van de kalender zijn verdwenen — een heel aparte schittering blijven behouden. 1968 hoort daar ongetwijfeld bij, alsook 1789 en 1989. De fascinatie voor deze jaartallen heeft iets mytisch en religieus, omdat het korte, hevige momenten van intense hoop op betere tijden en een andere wereld waren. De ban, zo leek het, kon toch gebroken worden en dat bleef hangen, ondanks de desilluzie die onvermijdelijk volgde. De mensheid kan niet leven zonder droom, hoop en utopie en zal die zeldzame ogenblikken waarop plots zoveel meer mogelijk leek, blijven koesteren. In 1789 zakte veel van het 'Ancien Régime' in elkaar omdat het argumenten noch verweer had tegen de krachtexplosie die 'vrijheid, gelijkheid, broederlijkheid' veroorzaakte. Tweehonderd jaar later kwam heel het oosten van het Europees kontinent van onder de steen van de dik-tatuur gekropen en schudde als een natte hond het juk af dat het eerste gebod uit 1789 systematisch had genegeerd. En opnieuw was er de euforie en de droom en dat leidde tot de hereniging van Duitsland, het afscheid van de Sovjetunie en dat ambitieuze verdrag van Maastricht. De deling van Europa was voorbij, we zouden opnieuw eikaars broeders in plaats van vijanden zijn. De ontnuchtering bleef ook deze keer niet uit en vlugger dan verwacht werd in voormalig Joegoslavië de droom aan stukken geschoten. Iln toch, ondanks Bosnië, Sarajevo en de bedenkelijke Europese onmacht, zoniet lafheid, zal 1989, het jaar waarin de muur van de Berlijnse schande werd neergehaald, een wonderjaar blijven.

Ook 1968 was zo'n roezig en fascinerend jaar. Plots werd de politiek jong en fris. Het was weer lente en nog wel mei, zoals in het gedicht van Herman Gorter. Een generatie die nooit oorlog had gevoerd, nam het woord en zei van Berkeley over Leuven, tot Praag en Parijs, dat het anders kon en anders moest. Er zouden geen zinloze oorlogen meer gevoerd worden, waarin mensen sterven voor idealen en waarden waarvoor niemand nog hoort te sterven. Deze keer waren de universiteiten en niet de kazernes, de bedrijven of de hoofdkwartieren van de politieke partijen, de krachtcentrales van een beweging die in heel het Westen nogal wat regeringen en nog meer akademische overheden deed opschrikken, en de naoorlogse status-quo verstoorde. Men begreep het niet, want er werden vragen geformuleerd en eisen gesteld die je niet met een simpel ja of nee kon beantwoorden en nog minder met een smak geld kon afkopen. Er werd immers naar de fundamenten en het waarom der dingen gepeild. En dat met onduidelijke gesprekspartners die in erg onoverzichtelijke strukturen optraden. Hier ontbraken alle vertrouwde referentiepunten, breuk- en scheidingslijnen uit de naoorlogse politiek en dat ontregelde de pasklare schema's. Het meest ongewone was allicht dat een heel jonge generatie, nauwelijks twintig en behoorlijk verwend tijdens lange jaren van ekonomische groei, zich zo rebels en eigenzinnig manifesteerde. En bovenal zo ondankbaar was, want wie had er zich doodgewroet om dat jonge volk in eer, deugd en vooral welstand op te voeden? Hier klopte iets niet. Waarom moest Oedipus uitgerekend nu de 'vermaledijde vaders' van de welvaart naar het leven staan?

Ook vandaag blijft 1968 een intrigerend jaar. Nog meer misschien dan tien, vijftien jaar terug, blijft het een geheim, zoniet een mysterie, waarom zoveel jongeren hun eigenwijze en niet zelden brutale bek opendeden en schreeuwden dat de samenleving moest veranderen. Ze lieten er ook weinig twijfel over bestaan dat zij zich geroepen voelden om de klus te klaren, want bescheidenheid was niet hun grootste deugd. Was men toen zoveel naïever of is de jonge generatie vandaag zoveel lucider? Of verkijkt men zich vandaag, net als toen, op de energie, de dynamiek en vooral de bewogenheid die in elke jongerengeneratie schuilt. Evengoed als nu werd er destijds geschreven dat de jeugd materialistisch en nihilistisch was en alleen maar in komfort en welvaart was geïnteresseerd. Op heel overtuigende en soms iets te nadrukkelijke wijze werd het bewijs van het tegendeel geleverd en dat voedde de hoop van de mensheid dat een betere wereld, ondanks al die trauma's van de twintigste eeuw, misschien toch tot de mogelijkheden behoorde. Zo werd 1968 een bijna mytologisch jaar, zoals 1789,1989 en zeker 1492, toen drie Spaanse karvelen die van de rede van Saltes waren uitgevaren, een nieuwe wereld ontdekten. Daar is men zich pas veel later bewust van geworden. Christoffel Columbus was immers op weg naar Indië en dacht dat hij op onbekende eilanden voor de kust van Azië was terechtgekomen. In die overtuiging stierf hij. De ware toedracht werd pas de volgende eeuw ontdekt. Rond 1968 zijn de raadselen niet minder groot, want veel enigma's zijn nog niet ontsluierd.

Zo is er de omstreden vraag naar de resultaten, die onveranderlijk borg staat voor grote meningsverschillen. Ondermeer omdat ze doorgaans heel absoluut wordt geformuleerd. Terwijl men over regeringen al best tevreden is als ze geen te grote knoeiboel van 's lands begroting, instellingen en financiën hebben gemaakt, gelden voor '68 heel andere normen. Aan welk debat of interview over dat rumoerig tijdsgewricht je ook deelneemt, de vraag of'68 nu de wereld heeft veranderd - minder lijkt niet eens de moeite waard — zul je niet ontlopen. Willy De Clercq, die vice-premier was in de regering die over Leuven viel en bijgevolg enigszins met de problematiek vertrouwd is, kon daar heel grappig of liever denigrerend over doen. Zoals tijdens een debat in Leuven in het begin van 1993. De balans die De Clercq, die de verandering van de wereld doorgaans in het staatsblad of de bijlagen ervan waarneemt, toen van '68 opmaakte, was van een ontmoedigende schamelheid. In feite een wit blad met een paar vuile vingers op, het vermelden nauwelijks waard, althans in vergelijking met de verbluffende realizaties van de liberale gedachte en aktie... Frans Grootjans, nog zo'n prominente, liberale staatsman, maakte dan weer een andere evaluatie. Na de opmerkelijke verkiezingen van 24 november 1991 werd Grootjans tot informateur benoemd. Hij had dus nagedacht over de kloof tussen burger en politicus, de aantrekkingskracht van uiterst rechts, de aftakeling van de traditionele partijen en de verschraling van de politieke belangstelling. Een paar dagen nadat hij zijn informatieopdracht had beëindigd, zei hij mij in een interview: "Het zal u misschien choqueren, maar de beweging van '68 heeft bij dit alles een verantwoordelijkheid. Ze wou het paternalisme vernietigen, zowel in de universiteiten, de vakbonden als in de kerken. Overal dus. Zo zijn we op weg gegaan naar een vaderloze maatschappij, een samenleving zonder gezag. Het enige waardevolle van die beweging is dat ze de persoonlijke vrijheid van de burger heeft vergroot. Dat is natuurlijk enorm, maar daar is het wel bij gebleven. Er kwam geen nieuw gezag en een demokratie zonder autoriteit is een zelfvernietigend systeem." Dat is niet eens zo'n dwaze analyse, alleen is het niet duidelijk waarom de vernietiging van het paternalisme tot een maatschappij zonder gezag zou leiden. Als dat een automatisme zou zijn, ligt daar natuurlijk de verklaring Waarom zoveel gezag zo bang voor assertieve en mondige burgers is. Bestaat er dan geen autoriteit die niet op bevoogding stoelt, maar daarentegen op een rationele afspraak onder gelijkwaardige partners? Is het een gevaarlijke utopie, zoals 'adel, titel en wijsheid' sinds de Coriolanus van William Shake-speare onveranderlijk denkt? Voor die aristokratische Romein was demokratie synoniem voor algemene domheid, "omdat hij 't volk in handeling en kennis niet knapper acht en wijzer voor de wereld dan een kameel in oorlogstijd." In dat geval mag het een weldaad heten én een historische verdienste van '68, dat ze deze utopie terug heeft afgestoft en opnieuw als een haalbare doelstelling formuleerde.

De meerzinnige kontestatie - Inhoud

De polemiek over de betekenis en de draagwijdte van '68 is niet nieuw. Wel integendeel, al van de eerste meidagen van dat jaar zat Bet er tussen Raymond Aron en Jean-Paul Sartre bovenarms op OVCr de betekenis van al dat ongewoons. "Als de bejaarde Aron", /.o schreef Sartre met een pen die in de scherpste vitriool was gedopt, "tegenover de studenten eindeloos de ideeën van zijn tesis uil 1939 herhaalt, zonder dat deze enige kritische kommentaar kunnen geven, oefent hij een reële macht uit, maar ze is allerminst op kennis gebaseerd. Het is tijd dat mensen als Aron tot het inzicht komen dat denken in eenzaamheid en dertig jaar dezelfde indachten reciteren, allerminst van intelligentie getuigt." Ruim vijftien jaar later, in zijn 'Mémoires' van 1983, replikeerde Aron die lijdens de rumoerige meidagen herhaaldelijk op heel onvriendelijke woorden van de aktivisten was onthaald, dat Sartre heel zijn leven een "sale gosse" was gebleven. Aron geloofde niet in '68 en vond dat het 'genie' Sartre er de pedalen bij verloor. "Ik zou het als een nationale vernedering hebben ervaren", zo schreef hij, "dat een Cohn-Bendit het in die dagen van een Charles de GauUe zou hebben gehaald."

Onmiddellijk na de gebeurtenissen schudde dezelfde Aron het essay "La révolution introuvable" uit zijn mouw. Daarin mini-malizeerde hij het belang van de hele beweging, ondermeer door de specifieke nationale kenmerken ervan sterk in de verf te zetten. Voor Aron was '68 onbegrijpelijk en onverklaarbaar als men daar geen rekening mee hield. Het is een kontroversiële stelling, maar voor Leuven is ze wel korrekt. De Leuvense revolte kwam niet uit het luchtledige vallen en nog minder was ze het resultaat van de aandachtige lektuur van de grote revolutionaire schrijvers uit de vorige of het begin van de twintigste eeuw. De Leuvense kontestatie had haar wortels in de vertrouwde Belgische, dus communautaire bodem. Al van in het begin van de jaren '60 was er gewoel in de Leuvense straten en werden studenten middels forse communiqués tot daden aangespoord. Aan de universiteit was reeds geruime tijd een gistingsproces bezig en dat leidde in 1966 tot een eerste spektakulaire ontlading. Aanleiding was de toon en de inhoud van het mandement van de bisschoppen, de inrichtende macht van de universiteit. Dat zette zoveel kwaad bloed dat het akademisch jaar vroegtijdig werd afgesloten en dat het in heel Vlaanderen tot een anti-klerikale oprisping kwam. Toen werden de fundamenten voor '68 gelegd, want velen die zich tot op dat ogenblik nauwelijks voor de kwestie Leuven hadden geïnteresseerd, kregen dan wel belangstelling. Wat tot dan een heel traditioneel Belgisch wrijvingspunt was, dat vooral de klassieke Vlaamse organizaties en de specialisten in communautaire twisten en rumoer kon boeien, werd plots in een veel ruimere groep onderwerp van verhit debat. 'Leuven-Vlaams' werd ook een tema van de jonge Vlaamse generatie.

Daarmee kreeg '68 hier iets heel meerzinnigs. Of is dubbelzinnig een meer adekwate term? De Leuvense kontestatie kon niet los van de Belgische politiek gezien worden en liet de Vlaamse tema's nooit volledig los. Soms verwijderde ze er zich even van en zette een grote campagne rond het informatierecht aan de universiteit op, maar een tijd later kwam ze toch weer opnieuw in de Vlaamse bedding terecht. Daar stelde ze dan weer punten aan de orde die spanningen, diskussies en niet zelden grootschalige disputen bij de Vlaamse 'strijdverenigingen' veroorzaakten. Vanaf mei 1966, de eerste revolte, was er geen gebrek aan centrifugale krachten die op een radikale breuk van Vlaamse beweging en studentenbeweging aanstuurden. Die kwam er niet, hooguit was er sprake van een Koude Oorlog met vele grensincidenten. De scheiding der wegen vond plaats in 1969, met de staking bij Ford-Genk en begin 1970 met een nieuw mijnalarm in Limburg. Bij deze radikalisatie verloor de harde kern echter de voeling met de grote studentenmassa en kreeg ze het steeds moeilijker om grootschalig te mobilizeren. Niet dat daar op dat ogenblik echt om werd getreurd. De kontestatie had zichzelf toen al overleefd. Ze had de plaats geruimd voor het marxisme-leninisme en was en maoïsti-sche sekte geworden. De universiteit zelfwas tot een rekruteringscentrum voor revolutionaire intellektuelen gedegradeerd, een soort klein kasteeltje van de klassenstrijd. De jonge intellektuele rekruten kregen de raad om zo vlug mogelijk naar de bedrijven te trekken en zich daar van de oude, burgerlijke denkbeelden te ontdoen. Door die onzin is veel politiek talent in Vlaanderen verloren gegaan.

Hoewel ik geen gepassioneerd flamingant was en mijn familie niet door de oorlogsjaren werd getekend, probeerde ik als stu-dentenleider altijd het kontakt met de brede achterban te behouden. De Vlaamse tema's, in casu de overheveling van de Franstalige universiteit uit Leuven, werden nooit uit het oog verloren. Dat was meer dan opportunisme of populisme, zoals me door uiterst links of traditioneel rechts dikwijls is verweten. Het kaderde in een opvatting dat een universiteit in dienst van de eigen samenleving moet staan. Bijgevolg moet ze in de eigen regio gelokalizeerd zijn, zoniet wordt ze een elitaire instelling. Overigens was het onze stellige overtuiging dat de Franstalige afdeling al veel kenmerken had van een onvervalste kastenuniversiteit. Daar ontdekten we de meeste 'fils a papa's', niet zelden franskiljons, en met sportwagen. De Vlaamse verankering van de kontestatie was ook, zij het misschien zeer onbewust, uit feeling voor macht ingegeven. Een studentenbeweging die zich entte op de fundamentele konfliktpunten van de Belgische staat had sowieso meer impakt. Dan kon ze immers hefbomen in beweging zetten die een regering wel in moeilijkheden konden brengen en zelfs doen vallen.

Zo het nog wel enige tijd zal duren vooraleer er klaarheid komt over de vraag of'68 al dan niet de wereld veranderde, is het alvast duidelijk dat het België kompleet overhoop haalde. Naar aanleiding van de Leuvense kwestie viel de regering Vanden Boeynants-De Clercq en eindigden vele unitaire dromen. De kristen-de-mokratie viel in twee onafhankelijke partijen uiteen en in de nieuwe centrum-linkse regering Eyskens-Merlot, werden de ministers Tindemans en Terwagne met de grondwetsherziening - de derde in 140 jaar Belgische geschiedenis — belast. In december 1970 werd de nieuwe grondwet door beide kamers goedgekeurd en was de kulturele autonomie een feit. Het werd geen eindpunt van de federale dynamiek, wel integendeel. Met een steeds grotere regelmaat werden de Belgische regeringen verplicht aan de staatsstruk-tuur te schaven, want sinds de Leuvense kwestie gingen de traditionele partijen zich op hun beurt communautair profileren. In het midden van de jaren '70 kreeg de toenmalige voorzitter van de cvp-Jongeren, Eric Van Rompuy, nationale bekendheid met nogal drieste pleidooien en uitspraken over Vlaamse arrogantie. Hij leek toen te flirten met het separatisme en telkens ik hem daar op wees, verweerde hij zich met de opmerking dat het allemaal een gevolg van Leuven was. "Jullie", zo zei hij, "hebben een einde aan België gemaakt en het scheidingsproces in beweging gebracht."

Nationale splijtstof - Inhoud

Daarmee bewees Van Rompuy ons misschien teveel eer en overschatte hij de (oneigenlijke) resultaten van '68. Dat was niet meteen onze bedoeling en het is zelfs twijfelachtig of we ons echt bewust waren van de explosieve kracht van de Leuvense splijtstof. Hoewel, ook al waren we jong en politieke groentjes, echt naïef waren we toch niet. Als je de hoogste kerkelijke en politieke instanties, alsook het journalistieke kruim en zoveel rijkswachters, voor Leuven in de bres zag springen, kreeg je toch een sterk vermoeden dat je met gevaarlijk, politiek dynamiet bezig was. De Leuvense kontestatie speelde zich dus niet in het ijle of in een akademisch vacuüm af. We hoorden, zagen en voelden dat we de Wetstraat, en zeker de regering, voor het blok konden zetten. Een krisissituatie in Leuven kon de dingen in Brussel op scherp zetten en dat was een belangrijk inzicht en een leuke gewaarwording. De val van de regering Vanden Boeynants vervulde ons dan ook met intense voldoening. Eindelijk hadden we loon naar werk gekregen en het was een resultaat dat veel buitenlandse kollega's ons benijdden.

In de universiteit zelf gebeurden eveneens onomkeerbare dingen. Op 4 oktober 1968 kwam er een nieuw organiek reglement en ontstonden twee autonome afdelingen die in juni 1970 rechtspersoonlijkheid verwierven. Zo werd prorektor De Somer tot rektor van de Katolieke Universiteit van Leuven gepromoveerd en niemand betwistte - zeker De Somer niet — dat die uitverkiezing hem van rechtswege toekwam. Mgr. Descamps, de veelbeproefde rector magnificus uit die bewogen jaren, mocht zijn titel behouden. De bevoegdheden was hij evenwel kwijt, hij was nu een koning zonder land, een ceremoniële figuur. De politieke impasse was eveneens doorbroken. Op initiatief van André Oleffe, de spilfiguur van de Waalse kristelijke arbeidersbeweging (moc), werden na de vorming van de regering Eyskens-Merlot de modaliteiten van de overheveling vastgelegd en op 2 februari 1971 werd in aanwezigheid van koning Boudewijn in Ottignies de bouwwerf van Louvain-la-Neuve geopend. Op dat ogenblik was voor de Vlaamse studentenbeweging de Leuvense kwestie al geschiedenis. Voor mij en vele van de medestanders eveneens. We waren terug over heel Vlaanderen uitgezwermd. Ook voor ons was '68 voorbij, zij het nog lang niet afgesloten.

Zelf trok ik na enkele turbulente legermaanden naar Antwerpen. Ik was uitgekeken op Leuven en de eindeloze palavers in de doorrookte studentencafés. Het was me allemaal te gekunsteld en artificieel geworden. Een subkultuur voor de laatste versie van de eeuwige student, de alternatieve. Meer dan drie jaar lang had ik er vooral vergaderd, disputen bijgelegd of akties voorbereid. Als het niet in Leuven was, dan in Gent, Brussel of Antwerpen en zelfs in Amsterdam en Parijs. En 's nachts werd er natuurlijk nagepraat of gediskussieerd. Daar ontsnapte je niet aan, want de meningsverschillen moesten worden uitgepraat, zoniet op scherp gesteld. Dat kon het bewustmakingsproces alleen maar ten goede komen. Ik was Leuvens publiek bezit en waar ik ook kwam om bij een kop koffie op adem te komen, altijd was er wel iemand die me wou vertellen wat hij of zij ervan dacht en hoe het verder met de beweging moest. Op de duur gaat dat erg vermoeien, zeker als het al ver na middernacht is. In Antwerpen kon ik in de anonimiteit

herademen en na de aardschok proberen orde op zaken te stellen. Tenslotte is het werkelijkheidsgehalte van een studentenbestaan eerder beperkt. Het is slechts een intermezzo en veel wat dan gezegd en gedaan wordt, blijft gratuit. Ondertussen waren de jaren '70 begonnen, was er een einde gekomen aan Bretton Woods en de waardevaste dollar en stevende de wereld af op die andere schok: de oliekrisis. De 'golden sixties' waren voorbij en jankten nog wat na in de geluidsboxen. Bob Dylan en The Beatles bleven overeind, maar Marcuse en zijn eendimensionele mens belandden in de ramsj. Zo ook enkele van de meest populaire tema's uit '68. Leo Tindemans was nu premier en vertelde diepzinnige dingen over een beschavingskrisis. We zouden op een andere manier moeten gaan leven, ook al omdat het begrotingstekort bij zoveel werkloosheid anders uit de hand dreigde te lopen. Het was allemaal nogal verwarrend, want erg retro. De oude kwalen van het systeem, dus ook de oude tegenstellingen, waren nog springlevend. Alsof de jaren '30 opnieuw in aantocht waren en '68 slechts een onbeduidende parentesis was geweest, een frivool misverstand van de grote geschiedenis en een 'fata morgana' van een ludieke generatie die nooit oorlog of werkloosheid had gekend.

Zondag 4 juli 1993 nam de Duitse minister van Binnenlandse Zaken Rudolf Seiters ontslag omdat hij zich politiek verantwoordelijk achtte voor de 'terechtstelling' door de politie van een terrorist van de Rote Armee Fraktion. De raf is, zoals de Rode Brigade in Italië, een wilde tak van '68. In Vlaanderen is de kontestatie echter nooit in de terreur beland. Nochtans zijn nogal wat medestrijders bij extreem-links terechtgekomen, maar nooit — ondanks de dadendrang, het betonnen geloof in de revolutie en het immense misprijzen voor de bourgeoisie en haar staat — hebben ze toegegeven aan de terroristische verleiding, die nochtans reëel moet geweest zijn. Velen gaven immers alles — hun vrijheid, vrije tijd en onafhankelijk denken — op om een echte kommunistische partij uit de grond te stampen, die bij elke verkiezing steeds verder verschrompelde. Spijt de totale inzet en de bedevaarten naar China, Albanië en andere paradijzen, slaagden ze er in twintig jaar niet in ook maar één vertegenwoordiger in het parlement te krijgen. Sommigen van de medestudenten gingen na gedane studies gewoon aan de slag. De karrière duldde geen uitstel. Ze werden suksesrijke notarissen, bedrijfsleiders, journalisten, advokaten, parlementariërs of dj's. Anderen daarentegen lummelden een paar jaar rond, hadden onduidelijke jobs en dito inkomens. Ze moesten zich akklimatizeren aan de nieuwe tijden en omstandigheden, vooraleer ze zich definitiefin een job of een situatie vestigden. En zelfs dan bleven ze meestal kritische observators en stille kontest-anten van de bestaande orde. Zij hadden hun twijfels over het systeem, bleven achterdochtig tegenover het gezag en voelden zich altijd aangesproken telkens de saaie gang van zaken werd doorbroken. Of'68 de wereld ingrijpend had gewijzigd, lieten ze in het midden. Ze hadden genoeg aan de wetenschap dat ze zelfwaren veranderd. Hun ideeën, hun kijk op de wereld, hun betrokkenheid bij de samenleving. Het geloof in de hemel waren ze kwijt, maar ze hadden wel ontdekt dat ze nooit meer afzijdig zouden kunnen blijven, ondanks de wetenschap dat alle drama's steeds opnieuw gebeuren en alle vergissingen zich altijd weer herhalen.

Hoofdstuk 2 - Inhoud

De prehistorie - Inhoud

"En als ze niet naar ons willen luisteren, moeten ze maar eens met een universiteit zonder studenten beginnen." De man achter de mikro pauzeerde even en dat was nodig. Het was een zin die aansloeg, goed voor klaterend applaus. De handen gingen meer en alleszins uitbundiger op elkaar dan voor de gebruikelijke, harde Vlaamse uitspraken. Dat scheen Roei Nieuwdorp, praeses van het Leuvens Studentenkorps (lsk) en altijd even keurig formulerend, op die decemberavond in 1965 in het Leuvense stadspark toch wel te verbazen. Mij ook trouwens. Het zinnetje is blijven hangen en later heb ik het ook gebruikt. Plagiaat natuurlijk, maar het was dan ook de betere kreet en een voor die dagen belangwekkend inzicht. Zonder ons bestond er geen universiteit. Zo simpel was dat en het kon geen kwaad dat de instanties bij tijd en wijle aan deze evidentie herinnerd werden.

Het is bekend dat de generatie van '68 lef had. We waren nogal zelfbewust en twijfelden er niet echt aan dat we enkele belangrijke dingen te vertellen hadden. En hoe meer tegenkanting we ontmoetten, hoe meer we van ons gelijk en van hun dwaling overtuigd raakten. Op dat ogenblik moest het begrip 'golden sixties' nog worden uitgevonden, waren de jaren '50 nog alom prezent en ook van het 'Ancien Régime' stonden nog restanten overeind. Terwijl de ekonomische machinerie zich met Amerikaanse investeringen, expansiewetten en sensationele groeicijfers drogeerde, dobberde veel beleid nog op het trage ritme van de 'fifties' verder. We hadden de indruk dat de vorige generaties het ritme en de versnelling niet konden volgen en dikwijls met autoritair en pedant gezag hun onzekerheid en bedreigde positie probeerden te verbergen. De manier waarop er verkrampt op de haardos en de kledij van vier jongelui uit Liverpool werd gereageerd, onthulde veel over hun twijfels.

Tijdens ons middelbaar onderwijs hadden we ons niet alleen aan Vondel, Ovidius of Homeros tegoed gedaan. We hadden ook de les 'Expo 58' gevolgd en meer dan welk ander vak had de 'folie' aan de Heizel de jeugdige geesten in vervoering gebracht. Dat was het uitstalraam van de toekomst, de droomwereld die zeer binnenkort ook in België werkelijkheid zou worden. Met volle treinen gingen hele scholen zich vergapen aan het Atomium en aan het Amerikaans paviljoen dat zoveel leuker en aangenamer dan het Russische was, ondanks de daar tentoongestelde spoetnik, de eerste kunstmaan. Zo hoorde het ook in volle Koude Oorlog en twee jaar na de bloedige opstand in Boedapest. Met de Harlem Globetrotters, hamburgers en cola, wuifden we de armoedige wereld van onze ouders en grootouders uit. Al die vervelende praatjes over zuinig zijn en "geen brood weggooien, want in de oorlog hebben we honger geleden", waren nu echt wel voorbijgestreefd. De deerniswekkende aardappeleters, zoals ze op het einde van de vorige eeuw door de roodharige mythomaan uit de pastorie van Nuenen werden geschilderd, met hun klompen en hun kopje chicorei als geronnen bloed, hoorden al een tijdje in het museum thuis. Nu werd afscheid genomen van die zorgzame Vlaamse wereld met hoezen over de zetels en salons waar je zelfs niet op hoogdagen binnen mocht. Met 'Expo 58' werden de fundamenten van het land blootgelegd en afgekeurd. Ze waren aan vervanging toe, want de peilers van een beschaafde natie, zo was recentelijk in de raden van bestuur beslist, bestonden uit aluminium en gewapend beton. De uitdrukking 'not even the sky is die limit' zou pas veel later binnenwaaien, maar hoog in het Atomium kreeg men wel een vermoeden dat er misschien een hemel op aarde kon komen: de konsumptiemaatschappij, een tweelingzuster van de welvaartsmaatschappij.

Dat was uiteraard een kopie van 'the American way of life' en natuurlijk was dat een samenleving die op vier wielen reed. In de jaren vijftig en zestig werden de fietsen, ondanks Rik Van Looy en Eddy Merckx, massaal aan de kant gezet en stapte de ene Vlaamse familie na de andere de auto in. Voor velen was het de ultieme bekroning van een leven vol hard labeur. Het bestaan van miljoenen mensen werd er op een meer ingrijpende wijze door veranderd dan de Bijbel, de Koran of het Kommunistisch Manifest ooit voor elkaar hadden gekregen. Plots werden de wereld en Vlaanderen zoveel kleiner. We ontdekten het platteland, de Provence, de eerste files en wisten nu zeker dat er een alternatief voor 'opera en belcanto' en de landerige verveling van de zondagmiddagen bestond. Het land was rijp om de nieuwe messias te verwelkomen. Hij kwam ook, had zijn kiesdistrikt in Mechelen en heette Jos De Saeger, een man van weinig woorden en des te meer onteigeningen en autobanen. We zijn altijd een volk van katedraalbouwers geweest.

Meer dan de trein en het vliegtuig heeft de auto de snelheid en de mobiliteit gedemokratizeerd en er een beschavings-, dus politiek probleem van gemaakt. Het was de auto die elke zomer de volksverhuizingen van noord naar zuid mogelijk maakte en de genothebbers van het betaald verlof elk jaar met hun lot verzoende. Volgens de Franse architekt en stedebouwkundige Paul Virilio hebben mobiliteit en snelheid een direkte impakt op de organizatie van de samenleving, ondermeer op het funktioneren van de de-mokratie. "Hoe moet het nu verder met de demokratie die per definitie tijdrovend is", zo vroeg hij zich na de Golfoorlog af, "als alle informatie met de snelheid van het licht over de planeet wordt verspreid? Hoe kunnen we de macht verdelen en beslissingen kontroleren als de tijd ons ontsnapt?" Wie in de jaren '60 twintig werd, had de statische samenleving nooit gekend en kende - in 1 cgenstelling tot de vorige generaties die het op dat ogenblik in de sirukturen en de instituten voor het zeggen hadden - geen of alleszins minder aanpassingsproblemen. Deze generatie leefde volgens het ritme en de klok van de nieuwste tijden en dat was een 1 toef als men de konfrontatie met de ouderen, de regenten en hun traagheid moest aangaan. Het maakte ons zelfzeker en zelfbewust en zeer overtuigd van ons gelijk. Dit was onze tijd, we hadden dus rechten. Pas later zouden we ontdekken dat we ook de weg effen-Jen voor de industrie van de vertrossing en de vervlakking. En nog veel later zouden we de barbaar, zoals Fernando Pessoa die had omschreven, ontdekken. "Het essentiële aan de barbaar", zo schreef het genie uit Lissabon, "is dat hij door en door modern is, hij is helemaal van zijn tijd."

De oorlog rond de uiterlijkheden - Inhoud

De konsumptiemaatschappij en haar glitterende winkel van auto's, koelkasten, tv's en brommers, was voor ons een gegeven. Het was er al toen we onze eerste bewuste passen op de planeet zetten en achter het waarom van de dingen probeerden aan te gaan. We beschouwden het als normaal alaam en knielden er niet voor neer om het te koesteren, te vereren, laat staan te aanbidden. Evenmin vonden we al dat modern komfort een godsgeschenk van het systeem. Het ontlokte geen dankbaarheid of erkentelijkheid. Het was allemaal heel vanzelfsprekend, iets waar je recht op had. Er waren er nog die er zo over dachten. De jeugd werd immers tot markt uitgeroepen, een afzetgebied voor de producenten van elpees, geluidsinstallaties en jeans. Zoveel vlugger dan de autoriteiten in de politiek en het onderwijs namen Wrangier en Levy's ons wel 'au serieux'. We kregen dus - of dwongen we het af? - enige vesti-mentaire autonomie en hoefden niet langer als jeugdige kopieën van onze vaders en grootvaders in hun grijze en sombere pakken rond te lopen. Daar was in het midden van de jaren '60 nog niet erg veel van te merken, maar dat veranderde vlug. In de auditoria zaten de meesten er nog altijd als fantazieloze muizen bij. Ze straalden al de waardigheid en ook de verveling van het ambt uit dat hen na gedane studies ongetwijfeld zou worden toevertrouwd. Toen de 'oude gewaden' werden afgelegd, was dat voor velen een bevrijding, een vorm van protest ook en een teken van onafhankelijkheid.

De vestimentaire oorlog werd op een breed front gevoerd. Zelfs Jean-Luc Dehaene en Willy Kuypers hebben er zich ooit op gemanifesteerd. Ongetwijfeld heeft dat gevecht rond de uiterlijkheden er mee toe bijgedragen dat die generatie een gezicht kreeg en dat ze zich van haar eigenheid bewust werd. Het is wel meer gebeurd dat de kleren de ideeën voorafgingen. Robert Musil had al gesignaleerd dat het gemakkelijker was revoluties langs de kleermakers en de modegebeurtenissen teweeg te brengen, dan "langs de verantwoordelijke weg van de intellektuele ontwikkeling, via filozofen, schilders en dichters". Er waren dus alternatieven voor de politiek of voor de verbale kontestatie. Het anders zijn, kon ook met kleren, lange haren en muziek worden aangetoond. Vooral de muziek heeft de twintigers uit de jaren '60 een stem, een identiteit en een bewustzijn gegeven. Daar zouden we Philips & Co de rest van ons leven dankbaar moeten voor blijven, want de kombinatie van techniek, industrie en commercieel vernuft maakte van ons de eerste jongerengeneratie die zelf haar muziek kon kiezen. Wij hadden platen en pick-ups en beslisten zelf wat we wel en niet zouden beluisteren. Of het nu harde rock & roll, The Beatles, The Rolling Stones of Georges Brassens waren, het scheidde de generaties in de samenleving. De regenten waren er allergisch voor en reageerden misnoegd. Het was - opnieuw — hun ritme niet. Het verontrustte en werd als dekadent of subversief ervaren. Het kon dus geen kunst zijn, daarvoor waren de klanken te agressief en te dissonant.

Muziek uit die dagen wilde ook iets vertellen. En niet zelden met woorden. Dat heette dan het luisterlied of kleinkunst en een tijdlang maakten Miei Cools en kompanen met hun zeemzoete teksten furore. Toen kwam Boudewijn De Groot en die was zoveel meer dan alleen maar een tikkeltje ondeugend en hij hoefde ook niet te knipogen om sukses te hebben. Bovendien had hij lang haar, zong al eens over 'Mijnheer de president', over politiek dus, en vooral, slaagde erin om uiting te geven aan de fantazie en de verlangens van die generatie. Hij was geen Bob Dylan, maar hij ontroerde en inspireerde, zoals Ferre Grignard. En zoals Dylan was er tenslotte maar één, die kon hooguit geïmiteerd maar nooit geëvenaard worden. Voor Boudewijn De Groot liep Leuven in die dagen storm, daar moest je lang op voorhand voor reserveren.

Voor Bob Dylan ging je, de ogen toe, naast je platendraaier liggen, dankbaar voor zoveel schoonheid uit krakende boxen.

De studenten die in het midden van de jaren '60 aan de universiteiten kwamen, leefden al in een kuituur die zich op vele, wezenlijke punten van de dominante kuituur van de ouderen onderscheidde. Er was een eigen muzikale taal met specifieke rituelen, normen en kodes, we lazen andere boeken en waren gek op film, een kunst die niet zo heel lang terug nog iets van een verboden vrucht had. Aan de universiteit konden we eindelijk alles zien, ook de 'te mijden' films van Roger Vadim en Jean-Luc Godard met Brigitte Bardot. Nog voor de eerste protestaktie of het eerste politieke debat kreëerde dat een zeldzame samenhorigheid en kohesie. Die werd nog versterkt door de kommunikatiestoornis, als het al geen openlijke vijandigheid was, met de behoeders van de officiële kuituur. Zij troonden vooral in de akademische wereld en leken achter hun hoge kateders onaantastbaar, zelfs onfeilbaar. Het was slechts schijn. Ook in Vlaanderen was de dominante kuituur al enige tijd in het defensief. Niet alleen omdat ze dikwijls oubollig, preuts of muf was, dan wel omdat ze vervreemd was van haar tijd. Velen onder ons hadden 'De verwondering' en 'Omtrent Dedee' en zelfs 'Het boek Alfa' stiekem moeten lezen, want Hugo Claus stond net als Louis-Paul Boon en Gerard Walschap op de zwarte lijst van vele katolieke scholen, en Ivo Michiels werd al evenzeer met achterdocht doorbladerd. Alsof de tijd en de literatuur bij Ernest Claes en Felix Timmermans was blijven stilstaan en Vlaanderen één groot Bokrijk was. Ook in de wereld van de officiële kunst en kuituur bewaakten teveel pausen de dogma's en de normen, zodat het kreatieve, artistieke leven zich noodgedwongen in contramine ontwikkelde.

De moderne samenleving met haar forse industriële groei gokt op mobiliteit en snelheid en kan zich slechts ontwikkelen als de traagheid van de vroegere statische tijden is gesloopt. Dat proces heeft '68 aanzienlijk versneld. Zonder dat we er ons bewust van waren, werden we ook als handlangers ingehuurd. Velen die dachten dat ze een heroïsch gevecht voor de rode idealen leverden, waren ook efficiënte wegbereiders van wat later de post-industriële samenleving zou heten. De geschiedenis is dol op grappen, liefst cynische, en net als de hel baalt ze van goede intenties. Het is pure realpolitiek, alleen het resultaat telt. Hoedanook, de generatie van '68 was niet zomaar een jongerengeneratie die slechts geduld moest oefenen tot ze op haar beurt naar de topposities kon doorschuiven. Plots werd ze een koninginnestuk op een schaakbord waarbij een veel ruimere en diepgaandere aflossing van de wacht aan de orde was. Het was ook het begin van een nieuw industrieel en zeker kultureel tijdperk, ondermeer omdat de gevolgen van een andere revolutie, die in de media, voelbaar werden. Het was immers in de jaren '60 dat het nieuwe medium, de televisie, haar suprematie vestigde. Het beeld won voortdurend aan belang tegenover het geschreven woord en dat veroorzaakte een omwenteling waarbij veel, zoniet alles, anders werd.

De bedwelmende smaak van politiek - Inhoud

Hoe gevoelig deze generatie ook voor ritme en dissonante klanken was, ze had ook een politieke sensibiliteit. Die had ze niet uit de kranten of de politieke debatten op radio en televisie gepuurd. Die was haar in de scholen zelf ingelepeld. Einde 1954 was immers het 'Komitee voor Vrijheid en Demokratie' opgericht, dat de strijd tegen het beleid van de socialistische onderwijsminister Leo Col-lard zou organizeren. Daarmee was de schoolstrijd een feit. Hoe jong we ook waren, toch werden we voor het goede doel gemo-bilizeerd. Dingen waar we tot dan toe niet eens aan hadden durven denken, omdat ze absoluut taboe waren, werden plots getolereerd, zoniet aangemoedigd. Het was een sfeer als bij een burgeroorlog. Bijna alle middelen waren goed om het eigen belang te bevorderen en zelfs de kinderen werden als voetvolk ingezet. Toen mocht het dus wel, de school verlaten om in het centrum van de stad tegen Collard te manifesteren. Als je nauwelijks 12 bent en er elke dag streng wordt toegekeken of je de kortste weg van en naar de school neemt, is het natuurlijk een sensatie als je tijdens de lesuren de straat op mag. We liepen daar achter vlammende spandoeken, riepen kwaadaardige kreten aan het adres van de minister en staken stoer bordjes met dezelfde boodschap in de lucht. Hoe solide dat materiaal was, konden we even later op een autobus uittesten en een deel van de brokstukken brachten we nadien in triomf de school binnen. Geen leraar die zoveel destruktief engagement van de kinderkruistocht veroordeelde. Als de hogere belangen op het spel staan, moet opvoeding altijd wijken.

Die heel aparte politieke ervaring was tien jaar later nog niet volledig vergeten. Althans niet bij de deelnemers aan de kinderkruistocht. Kapotte ruiten, trek- en duwwerk, we hadden het al eens meegemaakt, evenals de verontwaardiging die zoveel 'geweld' bij de tegenpartij ontlokte. Zonder de minste wroeging slaagden we erin om de opgeklopte ergernis van hogerhand te relativeren. Zo ook de kwaadaardige sermoenen in de Vlaamse pers toen we op onze beurt in de katolieke kolleges en lycea aktiekomitees voor de demokratie oprichtten. Waarom zou nu niet mogen, wat de hoogste kerkelijke hiërarchie en de Christelijke Volkspartij destijds wel mocht? Als we in 1954 en '55 al iets leerden, was het dat politiek zoveel meer was dan een saai parlementair debat of rou-tineus de verkiezingen winnen. Toen op 10 juli 1955 bij de 200.000 mensen door het centrum van Brussel defileerden, wist je — hoe jong je ook was - dat Collard en de vrijzinnige regering van Achil-les Van Acker (bsp) geklopt waren. Drie jaar later, nadat katoliek Vlaanderen op nadrukkelijk verzoek van hogerhand geen Victoria-chocolade of Materne-konfituren meer at en honderden miljoenen spaargelden bij de postcheckdienst en de ASLK had weggehaald - een idee van de toekomstige eerste minister Theo Lefévre die aldus de schatkist onder druk wilde zetten - werd de cvp voor zoveel agitatie met de absolute meerderheid in de senaat beloond. Onder impuls van een homogeen cvp-kabinet werd in mei 1959 het schoolpakt goedgekeurd.

Hoe ongewoon spannend en avontuurlijk Belgische politiek kon zijn, maakte de grote staking van 1960-61 nog eens duidelijk.

Vier volle weken legde de Luikse vakbondsleider André Renard Wallonië lam, terwijl er ook in vele Vlaamse steden, ondermeer in de Antwerpse haven, werd gestaakt. De aktie was zo massaal en de onzekerheid over de uitkomst van het konflikt zo groot dat iedereen met ingehouden adem de krachtproef volgde. Zelfs als je voor zulk soort toestanden geen barst belangstelling had, werd je naar de nieuwsberichten gezogen, want het was menens. "Dit is subversie en rebellie", zei premier Gaston Eyskens op een toon die de grote meerderheid in Vlaanderen kippevel bezorgde. Wekenlang was het thuis het enige gespreksonderwerp en wij, op het puntje van de stoel, luisterden ademloos toe en proefden opnieuw de bedwelmende smaak van politiek. De kruitdamp en de risico's, de emotie en de goede zaak, de kracht van de massa en de hoogmoed van de vakbondsleider. Dit was anders dan de schoolstrijd, maar er waren veel gelijkenissen. Dit was ook anders dan de Koningskwestie, het eerste grote konflikt dat ik enigszins bewust had meegemaakt. Ik herinner me nog hoe ik als broekventje om het uur achter mijn vader het huis binnenstormde om er met het oor aan de radio de opwindende nieuwsberichten van het nir te volgen. Ik wist niet wat ik me bij Grace-Berleur en de drie doden moest voorstellen, maar van de ouderlijke gezichten kon ik aflezen dat dit heel ernstig was. Vervolgens was er het referendum, het aftreden van Leopold 111 en de eedaflegging van een trieste en stille Boudewijn. Het is niet niets als je op nauwelijks tien jaar tijd -nog wel tussen je zeven en achttien jaar - tot driemaal toe in heel ongewone politiek, waar telkens de heel grove middelen worden bovengehaald, wordt ondergedompeld. Misschien is het die ervaring wel die de fascinatie - misschien is verslaving een korrektere term - voor de grote politiek, van mij en mijn leeftijdgenoten verklaarde. Dit was allemaal zo onwaarschijnlijk boeiend dat we - als de kans zich zou voordoen - ze zeker niet zouden missen. Ook al praatten we dan weinig over de Wetstraat, de politiek had onze jonge jaren gekleurd en dat is ongetwijfeld een verschil met de huidige studentengeneratie. Ze groeide op in een periode dat de politiek alleen de professionelen kon passioneren. De politiek van de kleine zinnetjes, de ondoorgrondelijke staatshervormingen en de grote cijfers. Op geen enkel moment bereikte ze de dramatische intensiteit zoals wij die tot driemaal toe meemaakten.

Toen ik in oktober 1965 in Leuven aankwam, had ik er helemaal geen vermoeden van dat er daar binnen afzienbare tijd ongewone dingen zouden gebeuren. Ik had mijn kandidaturen rechten aan de Facultés in Namen gedaan — op die manier was ik erin geslaagd om toch op kot te gaan - en had, toen ik in Leuven arriveerde, een goed gestoffeerd relatienet in de Leuvense rechts-fakulteit. Het verwonderde me in hoge mate dat zovelen van die Naamse kompanen zich in de studentenpolitiek hadden gegooid. Carl Bevernage, Herwig Langohr en Ivo Onckelinckx, die een jaar voor mij naar Leuven waren vertrokken, waren nu aktivisten en specialisten in overhevelingsproblematiek. Die Vlaamse belangstelling was me tijdens de lange avonden in de Naamse 'Vieille Porte' ontgaan. Als er daar al over politiek werd gesproken, was het niet meteen over de Vlaamse territoriale eisen. We waren immers fans van Louis Armand en Michel Drancourt en hun "Plaidoyer pour l'Avenir". Dat leek ons zoveel belangwekkender dan de Leuvense agenda. Dat bleek dus een misverstand. Toen ik de voormalige Naamse kollega's in oktober 1965 terugzag, leken het net bijbelgeleerden. Ze kenden de subtielste finesses van het laatste communiqué van de Acapsul, de vereniging van het Franstalig aka-demisch en wetenschappelijk personeel van Leuven, en konden daar zeer gesofistikeerde bedenkingen rond weven. Ze waren immers goed geïnformeerd en hadden, zo werd me vertrouwelijk gesignaleerd, regelmatig kontakt met hoge akademische en politieke kringen.

Het kon me nauwelijks boeien. Zoals ook de rechtsstudies me steeds minder interesseerden. De ekonomie daarentegen des te meer. Daar lag de sleutel, zo vermoedde ik, om het wezen van de macht te begrijpen, want niet het recht of de godsdienst waren de motor van de maatschappelijke veranderingen. Die wijsheid had ik niet bij Karl Marx gejat, wel bij mijn Naamse jezuïtenprofessor Jean Raes. Adieu rechten, ik werd student in de zuivere ekonomie en daar was 'Leuven-Vlaams' geen punt van diskussie. De vele debatten van de studentenelite over splitsing en overheveling gingen aan mij voorbij. Ik liep kollege, las Merleau-Ponty en Sartre en diskussieerde tot de vroege ochtend met mijn kotgenoten. Allemaal Spanjaarden en Latijnsamerikanen, ik was de enige autochtoon. Zij hadden een heel aparte dagindeling. In de vroege namiddag werd er ontbeten, nadien werd het huis op orde gezet en trokken ze naar buiten. Een luchtje scheppen, kursus lopen, inkopen doen, een koffie in de 'Cercle des Nations', de ontmoetingsplaats van de Leuvense Derde Wereld. Omstreeks middernacht zat iedereen rond de tafel voor de warme maaltijd en werd er tot 4 of 5 uur 's morgens eindeloos gepraat over Latijns-Amerika, Ca-millo Torres, een voormalige student van Leuven, de guerrilla en het verzet tegen Franco. Normaal trouwens, want één van de aanwezigen was Felipe Gonzalez, van wie ik betwijfel of hij ooit één les in Leuven gevolgd heeft. Daar had hij het toen al veel te druk voor. Ook Jaïme Paz Zamorra deelde het huis, de koelkast en de maaltijden. Hij is Boliviaan, ontsnapte later een paar keer aan de dood, overleefde als enige een vliegtuigcrash en is nu al een tijd president van Bolivië.

Hoofd van de studiedienst... - Inhoud

De wereld werd er voor mij niet eenvoudiger op. Ik werd in de realiteit van de diktatuur en het verzet daartegen geïntroduceerd en maakte kennis met sombere Columbianen en getormenteerde Spanjaarden die zo uit een schilderij van El Greco leken te komen. Leuven was voor hen een heel artificiële werkelijkheid. Ze kregen er gewetenswroeging, want het idee dat ze in hun land een rol moesten spelen, liet hen niet los. Ze maakten plannen, waren met onduidelijke projekten bezig, waarover ze tegenover Vlamingen nooit in detail traden, schreven eindeloos lange brieven en lazen intrigerende, duistere teksten. Ze waren getekenden van de politiek. Dit was een heel andere werkelijkheid dan die van de kollegezalen en de kursussen staathuishoudkunde of mikro-eko-nomie. Een andere realiteit ook dan het steeds luider wordend rumoer rond de overheveling. De temperatuur was in Leuven fel gestegen, vooral na een geruchtmakend interview met algemeen beheerder Michel Woitrin over de verdere expansie van de universiteit in de driehoek Leuven-Waver-Woluwe en 'Ie tres grand Bruxelles de l'avenir'. De Vlaamse pers sloeg onmiddellijk alarm rond de Brusselse olievlek en het regende strijdlustige communiqués van eindeloos veel verontruste Vlaamse verenigingen. De studentenbetogingen konden bijgevolg niet uitblijven. Eerst een tocht naar Waver en in december '65 een massale manifestatie door de Leuvense binnenstad. De twee suksesslogans waren 'Walen buiten' en 'Prorektor Vlaming en leek'. Ik was een aandachtig toeschouwer, vond dat ik mijn tijd zinvol moest besteden en worstelde me door 'The Affluent society' van John Kenneth Galbraith en 'L'économie du XXe siècle' van Francois Perroux. Dit leek me zoveel relevanter dan de taalstrijd die rond de Leuvense Oude Markt werd gevoerd.

Ondertussen probeerde ik mijn Spaanse, Boliviaanse en Co-lumbiaanse vrienden duidelijk te maken wat het probleem met Leuven, de Franstaligen en de Vlamingen was. Ik maakte het mij gemakkelijk en stelde het voor als een soort bevrijdingsbeweging of een streven naar autonomie, vergelijkbaar met dat van de Catalanen. Daarmee kon ook de Andalusiër Gonzalez zich oriënteren en voor Wilfried Martens was dat, vijftien jaar later, zoveel tijd uitgespaard. Op 31 januari 1966 vielen de doden in Zwartberg en dat vereiste minder omstandige uitleg. Hoewel, toen waren zij het die mij een paar verhelderende toelichtingen bezorgden. Ordehandhavers die met scherp schieten, het was een materie waar ze nogal vertrouwd mee waren. En verder kreeg ik tekst en uideg dat achter een nationalistische strijd dikwijls een sociale strijd schuilgaat. Het bracht me op ideeën.

Vanaf 1 april vallen de politieke festiviteiten aan de universiteit meestal stil. Ook in 1966 doofde de agitatie langzaam uit en begon de jacht op de laatste kursussen. De verkiezing van de praeses van het Katholiek Vlaams Hoogstudentenverbond (KVHV) was in Leuven het signaal dat het feest zo goed als voorbij was. Herwig Langohr, een goede kennis uit de Naamse tijd, was kandidaat om Torn Swartelé op te volgen en prezenteerde een progressief programma. Net zoals de tegenkandidaat, die de volle steun van de Verbondswacht en 't Pallieterke had, verdedigde hij krachtige akties om de overheveling af te dwingen en onderstreepte daarbij het groot belang van de demokratizering van universiteit en onderwijs. De 'rechtse' kandidaat was daar vager over. Hij was er niet tegen, maar alles op zijn tijd en je vooral niet van tegenstander vergissen. Ik had me laten overtuigen om in het team van de progressieven een funktie op te nemen: hoofd van de studiedienst... Die heeft niet één keer vergaderd, maar niemand die zich daarom bekreund heeft. Ik leverde ook mijn eerste kopij voor Ons Leven, het blad van het KVHV, in. Een nogal subversief verhaal dat ik de kop "voor een revolutionair aggiornamento" meegaf en dat een warm pleidooi voor de gewapende strijd in Latijns-Amerika wilde zijn. Daarbij bepleitte ik de noodzaak dat de Kerk, in naam van de evangelische waarden, solidair zou zijn en eveneens op de barrikaden zou klimmen. Camillo Torres was niet voor niets een oud-student van de Leuvense Alma Mater en verder beriep ik mij op het gedachtengoed van het Tweede Vaticaanse concilie. Kortom, opruiende lektuur en niet meteen Vlaams-nationaal of kristen-demokratisch van inspiratie. Het werd gepubliceerd. Niemand die er zich erg druk over maakte, tenzij Ludo Martens, de toekomstige hoofdredakteur van Ons Leven. Hij vond het geen slecht stuk, een interessant tema, maar was het volledig met mij oneens over de passage waar ik voor de katolieke kerk nog een (bescheiden) revolutionaire rol reserveerde. Het was mijn eerste gesprek en mijn eerste meningsverschil met Martens.

Hoofdstuk 3 - Inhoud

Afscheid van het brave Vlaanderen - Inhoud

Toen Thomas Jefiferson na één van zijn toespraken van plagiaat werd beschuldigd, reageerde hij met een even gevatte als lakonieke repliek: "Het was mij totaal onbekend", zo zei hij, "dat ik in deze funktie ook nog geacht werd met nieuwe ideeën uit te pakken." Een gelijkaardige opvatting over zijn taak had het Belgisch epis-kopaat toen het op 13 mei 1966 het mandement uitvaardigde. Na rijp beraad waren ze tot de konklusie gekomen dat in Leuven alles best bij het oude bleef en dat de institutionele, funktionele en geografische eenheid van de universiteit behouden moest blijven. De tekst eindigde met een gespierde oproep om de beslissing te aanvaarden. Voor de personeelsleden was er een toemaatje: "De oproep wordt een verordening waar het gaat om de leden van het akademisch, wetenschappelijk en administratief personeel van de beide taalstelsels." En ook voor de studenten was er een aparte vermelding: "Wat de studenten betreft, die deze schikkingen niet zouden kunnen onderschrijven: zij moeten zelfde gevolgen trekken uit de door hen gedane keuze." De goede raad werd opgevolgd, zij het niet op de manier die de briefschrijvers hadden gehoopt.

In '66 verkeken de bisschoppen een unieke kans om het beproefd recept van alle verlichte konservatieven in praktijk te brengen: "alles veranderen, om alles te behouden zoals het is." Daarvoor ontbrak het hen echter aan durf, en zeker aan visie en fantazie. Zij veranderden niets en zo bleef niets zoals het was. Aldus eindigde het akademisch jaar 1965-66 in een onwaarschijnlijk tumult, een nooit geziene chaos, en werd het mandement het lanceer-platform waarmee Leuven '68 in baan werd gebracht.

Het blijft een raadsel waarom het episkopaat het nodig oordeelde zijn beslissing nog voor het einde van het akademiejaar publiek te maken. Weliswaar was de blokperiode in zicht en was het aktivistisch vuur al een tijdje gedoofd, alleen de professionelen kwamen nog naar de schaarse vergaderingen. De kolleges waren echter nog niet beëindigd, zodat al het studentenvolk nog in de stad was, wat hoedanook een risico betekende. Trouwens, op 3 en 4 mei hadden de Vlaamse studenten nog een goed opgevolgde staking uitgeroepen. Maar zelfs dat signaal bracht de bisschoppen er niet toe om hun timing te veranderen. Onbegrijpelijk, tenzij ze natuurlijk met al hun drukke besognes uit het oog waren verloren dat een universiteit uit meer dan professoren en wetenschappelijk personeel bestaat. Hadden ze het iets handiger aangepakt en, zoals de regeringen in tijden van budgettaire rampspoed meestal doen, de pijnlijke beslissingen in de vakantie genomen, dan was de geschiedenis ongetwijfeld heel anders gelopen. Een even groot raadsel is de reden waarom het episkopaat zich zo in het nauw heeft laten drijven en zich toch op het politieke mijnenveld begaf. De Wetstraat, in eerste instantie de regering en de Christelijke Volkspartij, vroegen niet liever dan dat de Leuvense kelk aan hen zou voorbijgaan en dat de bisschoppen de zure droesem in hun plaats zouden drinken. Het was immers een onmogelijke opdracht, want de Vlaamse en Franstalige katolieken stonden met getrokken messen en onverzoenlijke standpunten tegenover elkaar. Toch waagde het episkopaat het erop en nog wel op de meest onhandige manier. Wat een meesterwerkje van fijnzinnige Rooms-Florentijnse diplomatie had kunnen zijn, groeide uit tot een nationale ramp voor de kerk in Vlaanderen. De ravage was immens en voor de zoveelste maal in de geschiedenis kwam het tussen de kerkelijke hiërarchie en Vlaanderen tot kortsluiting. De grootste misrekening van de kerkleiding was te geloven dat de brave Vlaamse katolieken ook deze keer zouden plooien en knielen, zoals ze in het verleden wel meer hadden gedaan. Het tegendeel gebeurde.

Dat er kruitdamp in de lucht hing, was zondagavond 15 mei al duidelijk. In de studentencafés gingen de eerste kopieën van het kwestieuze dokument van hand tot hand. Het ontlokte meer dan normale ergernis. Naarmate de avond verstreek en er steeds meer studentenvolk binnenwaaide, dat met bekwame spoed uit de provincie naar Leuven was afgezakt, verkleurde de ergernis tot koleire. De forse uitspraken logen er niet om. Of het nu gefluisterd of gebulderd werd, de konklusie was steeds dezelfde: "Dit kunnen we niet over ons heen laten gaan." In de buurt van de Oude Markt werd de aanwezigheid van Piet De Somer gesignaleerd die, zo wisten de verantwoordelijken van de fakulteit geneeskunde te vertellen, heel, heel boos was en aan iedereen die het horen wilde, zei dat het nu tijd voor de revolutie was. Er werden ook praktische afspraken gemaakt, 's Anderendaags zouden alle studentenver-antwoordelijken in spoedvergadering bijeenkomen, een standpunt bepalen en een keiharde aktie uitwerken. Er werd alvast een afspraak gemaakt om de volgende avond massaal voor het Leuvens stadhuis te verzamelen. Aldus geschiedde. Hoewel er nauwelijks propaganda was gemaakt en de Vlaamse kranten die dag - zeer tot onze verwondering trouwens - biezonder voorzichtig reageerden, was er heel veel volk op de been. Het was één van die prachtige lenteavonden waarop zelfs monniken en slotzusters een stapje in de wereld willen zetten. Opgemerkte afwezigen waren echter de studentenleiders. Ze hadden een ekskuus. Ze vonden geen antwoord op de vraag hoe het nu verder moest. De situatie was ook verre van simpel. Wie de eerste zittijd wilde halen, had geen tijd meer te verliezen en voorts waren er de weinig subtiele dreigementen van de bisschoppen. Die mochten niet lichtvaardig worden opgenomen, waarschuwden de juristen. Een 'verordening', zo had de Duitse bezetting geleerd, kon men niet weglachen.

De afwezige leiders - Inhoud

Voor het Leuvens stadhuis dacht men daar heel anders over. Er werden daar weinig lieve dingen aan het adres van de inrichtende macht geroepen en nogal wat aanwezigen waren met een kleurrijke mijter getooid. Niet weinig 'protestanten' hadden hun versie van de feiten al op een bordje, een spandoek of een paraplu gezet.

Doorgaans erg geïnspireerd en grappig, voor zover je althans geen bisschop was. Er hing een uitgelaten, maar nerveuze sfeer. Elk ogenblik kon de rijkswacht tussenbeide komen, want er was geen toelating voor dit spontaan protest gevraagd. Op de pui van het stadhuis stond ik me met een paar toevallige medestanders danig te ergeren over de afwezige leiders. We vonden het onverantwoord dat ze op zulk belangrijk moment de achterban in de steek lieten. "Ze zouden onmiddellijk komen", zo werd gezegd. "Nog heel even geduld, men legt de laatste hand aan een persmededeling." De minuten verstreken en niemand daagde op. Het ongeduld nam toe, de spanning ook, de eerste blauwe zwaailichten daagden op. Er moest toch iets gezegd worden, al was het maar "goede avond, fijn dat jullie er zijn en tot morgen dan maar." De man met de megafoon, een ancien van de Leuvense studentenorganizaties, stond in de buurt, zei dat het nu of nooit was, weigerde zelf wat dan ook in de mikro te zeggen en duwde het tuig vervolgens onder mijn neus. Het was een grap, maar niemand besefte het. De gezangen en kreten verstomden, zoals dat doorgaans gebeurt als een gemandateerd spreker diep ademhaalt vooraleer hij enkele opmerkelijke dingen gaat vertellen. Men werd op zijn wenken bediend. Bij gebrek aan ervaring en omdat ik toch wel aanvoelde dat ik me op heel glad ijs begaf, hield ik het kort. Een drie puntenprogramma. "Morgen zullen we uit protest staken. (Applaus) Het akademisch jaar is bij deze beëindigd. (Uitzinnige vreugde) En op speciaal verzoek van de Heilige Geest zal de katolieke universiteit van Leuven van nu af pluralistisch zijn." Dat was een voltreffer. Nergens hoorde je nog "Walen buiten", wel "Bisschoppen buiten" en "Revolutie", ook al omdat de blauwe kielen ondertussen op doortastende wijze met de ordehandhaving waren begonnen. Daarmee moest ik mijn betoog voortijdig afbreken en de climax inslikken. Een geluk misschien, want zonder overleg of enig mandaat een staking van onbeperkte duur uitroepen, het akademisch jaar sluiten en de pluralistische universiteit afkondigen, het is niet niets. Ik had ook niet het minste idee wat de officiële studenten-leiding beslist had en wat ze van mijn improvizatie vond. Ik ben het die nacht ook niet meer te weten gekomen. In het stadscentrum was de matrakkensabbat begonnen en dan staat je hoofd er niet naar om over details te emmeren. En 's anderendaags had het geen zin meer. Tot mijn allergrootste verbazing was de staking vrijwel kompleet en drie dagen later was ook mijn tweede punt gerealizeerd. Elf dagen vroeger dan normaal werd het akademisch jaar afgesloten.

Ondertussen had burgemeester Smets, die ook niet bij de pakken bleef zitten, een samenscholingsverbod afgekondigd. Avond na avond werd het entoesiast en massaal overtreden. Bij het vallen van de duisternis zakten de jonge studaxen in kleine groepjes naar het stadscentrum af. Velen op turnpantoffels. Dat maakte het iets makkelijker om de rijkswacht in snelheid te nemen. Die rukte elke avond met groot materieel uit, knuppelde er fors op los en arresteerde studenten met trosjes. Er sneuvelden toen nogal wat ruiten en er werden ook kwalijke tikken uitgedeeld, maar toch was het minder bitsig dan in '68. De rijkswacht zat trouwens met een imagoprobleem en kon zich na de doden van Zwartberg geen nieuw 'ongeluk' veroorloven. De publieke opinie koos bovendien onmiddellijk partij voor de studenten, ondermeer omdat ze de toon van de bisschoppen niet had geslikt, en dat was duidelijk waarneembaar in de krantenkommentaren. Die draaiden bij en vervoegden één voor één het afwijzingsfront. Het Belang van Limburg, zeer verknocht aan het kerkelijk gezag, nam wel zijn tijd. Op dinsdag 17 mei schreef die krant nog dat de bisschoppen in hun grote wijsheid de beste beslissing hadden getroffen. De Gazet van Antwerpen had het eveneens moeilijk en vond het, eveneens op 17 mei, nodig om de bisschoppen voor hun grote wijsheid te loven. Ook het wetenschappelijk personeel en het professorenkorps verklaarden zich na een week, rijkelijk laat dus, solidair met de studenten. Ik maakte toen voor het eerst kennis met enkele politieke prominenten. Vic Anciaux en Wim Jorissen van de Volksunie maakten 's nachts regelmatig hun opwachting, trakteerden al eens een pint en waren altijd beschikbaar voor goede raad. Die werd niet altijd in dank aangenomen en ondermeer met Gaby Van Dromme, toen pas tot voorzitter verkozen van de Vereniging van Vlaamse Studenten (ws), de overkoepelende Vlaamse studentenorganizatie, kwam het tot hoogoplopende diskussies. Daar kwam veel volk naar luisteren.

Van Dromme was toen het zwart, of liever het rood schaap van de Vlaams-nationalisten. Dat lag hem wel. Hij zocht de kon-frontatie, provoceerde graag, noemde zich links en schreef soms heel kontroversiële artikelen. Zo had hij een paar maand voordien aanstoot gegeven met een uiterst polemische tekst rond de IJzerbedevaart. "Het zou allemaal", zo schreef hij met verve, "een voorbeeld van verlicht kabaret kunnen zijn, als de kontekst niet zo verouderd was, en als bepaalde veruitwendigheden geen regelrechte clichés waren van het Dritte Reich. Ik kan me levendig voorstellen dat, als een Israëliet op de bedevaartweide stond, hij voortdurend uitkeek naar het nummertje waarop een Jood vergast werd." Dat miste zijn effekt niet. In Leuven kwam het tot een brede maatschappelijke, niet zelden gepassioneerde diskussie, waarbij de bevlogen Van Dromme zich opwierp als de katalysator van het progressieve gedachtengoed. Dat is hij toen ongetwijfeld geweest. In die dagen en vooral nachten, want zeker dan was Van Dromme hyperaktief, heeft hij velen aan het denken gezet over de rol van het studentensyndikalisme, het Vlaams-nationalisme en de mentale luiheid van de Vlaamse intellektueel. Het was dan ook niet abnormaal dat Van Dromme, die na zijn studies in het zakenleven stapte, het progressieve weekblad Vrijdag — goed voor 13 nummers - uitgaf en ook bij de Brusselse Volksunie aktief was, in de meidagen van '66 de pen vasthield om voor de Leuvense studentenbeweging het mandement en het studentenverzet te duiden. Op 19 mei was de klus geklaard en stond de revolte in een ruim politiek kader én op papier. Er was nu geen twijfel meer mogelijk: het tijdperk der geuzen was ingezet. Het dokument, dat even plechtig en niet zelden even absoluut formuleerde als het mandement, schetste brede perspektieven en onderscheidde zich door vele apodiktische stellingen. Zo maakte het voor eens en voor altijd duidelijk wat een vrije universiteit voor bisschoppen betekende: "Het is een universiteit die willekeurig is overgeleverd aan het autoritair gezag van het episkopaat en tegenover haar gemeenschap geen enkele verantwoording heeft af te leggen. Ze is alleen onderworpen aan het toevallig gezag dat autokratische diktaten meent te mogen uitvaardigen." Het dokument sloot af met de hoop: "dat de ganse Vlaamse gemeenschap, gelovig en vrijzinnig, en op de eerste plaats de arbeiders, de fakkel van het verzet zullen overnemen. De studenten hopen dat deze Leuvense revolutie de bakens van de Vlaamse beweging zal verzetten en dat de verstarde strukturen ervan struktureel maar zeker qua geest, zullen doorbroken worden."

'Een kruisweg met vele staties' - Inhoud

Voor die tijd stonden in het dokument een paar - naar Leuvense normen - hoogst ongewone woorden. Autokratisch, kapitalisme, arbeiders en revolutie, het was een innovatie en het zette de toon voor de volgende maanden en jaren. In normale tijden was het Van Dromme & Co nooit gelukt de studentenorganizaties achter zo'n tekst te krijgen, maar toen lag het anders. De sfeer was danig verhit en alleen zinnen die spijkers met koppen sloegen, werden getolereerd. Nochtans was het slechts een heel kleine minderheid, die van de ideologisch geschoolden, die toen met arbeidersstrijd en revolutie bezig was. Mei '66 was in eerste instantie een spontane, anti-klerikale ontlading. Bijna iedereen die toen in Leuven rondliep, kwam uit katolieke scholen en had 18 jaar of meer rooms leven achter de rug. Er waren er die daar op dat moment mee afrekenden en dingen riepen die ze voordien nauwelijks hadden durven denken. Het was ongetwijfeld een inhaalbeweging voor die reglementen, verboden en geboden die ze al die jaren hadden moeten opvolgen. Ze konden het allemaal van zich afschudden. Het leek er trouwens op dat ook een deel van de rekeningen van de vorige generaties met de kerkelijke hiërarchie werden vereffend, want de aanmoedigingen uit het achterland waren overweldigend.

Dit was een kleine revanche voor al de affronten en het onrecht dat de kerkelijke overheid Daens, de Daensisten en zoveel ander gewoon volk had aangedaan. Met deze revolte verloor Vlaanderen, dat zolang voor het gelijk van Rome en Mechelen gebeefd had, zijn vrees voor de kromstaf. Dominikanen en jezuïeten schreven toen virulente stukken tegen het diktaat. "De enige evangelische daad die de bisschoppen op dit ogenblik kunnen stellen", aldus de jezuïet Van Bladel in Streven, "is de terugtrekking van hun rampzalige verklaring en het vragen van excuus. Zij hebben het volk beledigd."

Het is sinds die periode dat de mispraktijk spektakulair begon terug te lopen. Volgens Karel Dobbelaere in 'België en zijn goden' bedroeg de kerksheid in België in 1950 nog 50 procent. In 1964 was het nog 45 procent maar in 1981 nog slechts 25,9 procent. Het verval zette zich vooral in Vlaanderen versneld door in de periode 1968-73:12 procent tegenover een Belgisch gemiddelde van 10 procent. Als oorzaken weerhoudt Dobbelaere de 'ineenstorting' van een traditioneel gedrag en de interne kerkelijke kritiek naar aanleiding van de encycliek Humanae Vitae en de splitsing van de Leuvense universiteit.

Met kardinaal Danneels, zelfs Van Roey, aan het hoofd van het Belgisch episkopaat was de ravage waarschijnlijk beperkt gebleven. In tegenstelling tot Suenens, die toen echt de kop van jut werd, straalt Danneels niet de ongenaakbaarheid en de superioriteit van de kerkvorst uit. Suenens had nog de aura van een echte prelaat en in Vlaanderen werd hij gewantrouwd. Men vermoedde dat hij te dicht bij de machtscentra van de unitaire staat aanleunde, een vriend van het Hof was — een juiste intuïtie zoals later met de charismatische beweging bleek - en niet de minste voeling met de Vlaamse samenleving had. Was hij trouwens geen verfranste Vlaming? Terwijl Danneels zich graag — te graag? — als een man van het volk aandient en gemakkelijk kommunikeert, bleef Suenens altijd op grote afstand, zodat hij de indruk wekte dat hij op de kudde neerkeek. En waarschijnlijk was dat ook zo. Het is alleszins opmerkelijk dat hij tijdens de hele Leuvense krisis op geen enkel moment een gesprek met de studenten op gang probeerde te brengen. De enige die in die dagen kontakt zocht, was de pauselijke nuntius Mgr. Oddi, die enkele dagen voor de publikatie van het mandement een studentendelegatie ontving en het gezelschap de verzekering gaf dat "Rome na rien a voir dans tout cela". De ontgoocheling over Suenens was des te groter omdat inhoud en toon van het mandement totaal in strijd waren met de geest van het Tweede Vaticaanse concilie. Dat was op 11 oktober 1962 door de non-konformistische paus Johannes XXIII in Rome geopend en had in Vlaanderen veel verwachtingen gewekt. Men begon te dromen van een minder dogmatische en meer demokratische kerk, zonder de hiërarchische strukturen uit de feodale tijd. Met mensen zoals Edward Schillebeeckx, Max Wildiers en Herman Mer-tens, leverde Vlaanderen toen een originele en vernieuwende bijdrage tot de teologie en het katolieke denken. Dat was de geest van Vaticanum II en die zat haaks op de mentaliteit die het mandement uitademde.

Het was de opzet van het concilie om de kerk opnieuw bij de tijd te brengen en Suenens speelde er een belangrijke rol. De progressieve Suenens van Rome bleek in eigen land echter een autoritaire chef, die de verordening boven de dialoog verkoos. "Leuven", zo zei hij in een interview in 1979 toen hij ontslag nam als aartsbisschop, "is een kruisweg met vele staties geweest." Toch had het voor de kardinaal nog beroerder kunnen worden. Hij was zo gegriefd door het studentenprotest en de felle anti-klerikale uitspraken dat hij een week lang met het idee speelde om enkele studentenverantwoordelijken het 'concileum abeundi' te geven. Dat het niet zover kwam, heeft enig lobbywerk vereist. Zowel Ward Leemans als Louis Roppe, de gouverneur van Limburg, hebben de kardinaal uiteindelijk van die onzalige gedachte doen afzien. Roppe beschikte overigens over informatie uit eerste hand. Zijn zoon, de huidige burgemeester van Hasselt, zat toen in het eerste doktoraat rechten, was er altijd bij als er 's avonds gewandeld werd, en was een Naamse studiegenoot. Ook voor onze inlichtingen bewees dat familiaal relatienet meer dan eens zijn nut.

Achter de rug van manager - Inhoud

Dat er echt sankties of represailles werden voorbereid, vernamen we ook uit andere bronnen. Zo kwam de sekretaresse van de vice-rektor, die ik nog uit een vorig leven kende, me de dag na mijn opmerkelijk debuut op de pui van het stadhuis, vertellen dat ik erg op mijn tellen moest letten. Zowel bij de politie als het rek-toraat was mijn identiteit bekend en men dacht eraan mij verantwoordelijk te stellen voor de nachtelijke festiviteiten. Ze raadde me aan een tijdje onder te duiken, want de politie was van plan om me op te pikken. Het is toen dat de industrieel Rik Seghers (toevallig?) in een fonkelnieuwe Mercedes, modieus lentepak en prachtig gebronsd, zijn glorieuze entree maakte. In het begin van de jaren vijftig was hij verbondsvoorzitter geweest en hoewel geen nationalist - tot vandaag toe heeft Seghers prima kontakten met Wilfried Martens, Jean-Luc Dehaene en tal van andere cvp-pro-minenten — was hij biezonder gebeten op de kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders. Hij vond dat we een heroïsche strijd voerden en was graag bereid om als schild te dienen. Het aanbod werd aanvaard en de studentenleiding die maandagavond het rendez-vous met de basis had gemist, ging zich achter de rug van de suksesmanager verschuilen. Het was er iets veiliger, bovendien was het er komfortabel. Alleen al de manier waarop hij de drank betaalde, imponeerde. Achteloos haalde hij uit zijn broekzak een pak briefjes van duizend, alsof het pasmunt was... Enkele dagen na de voortijdige sluiting van het akademiejaar vergaderde de studenten-leiding ten huize Seghers, een niet zo kleine woonst in Malderen (Klein-Brabant). Ik was er eveneens bij, voor het eerst. Na mijn opruiend betoog werd ik in de klub opgenomen. Het was een bedaarde, bijna bureaukratische bijeenkomst. Er werden vooral praktische zaken afgehandeld, allemaal erg routineus. De belangstelling lag elders, bij de blok, de examens, de loopbaan. Terwijl ik gedacht had dat zowat iedereen, wegens heirkracht en dwingende verplichtingen op het terrein, voor de eerste zittijd zou bedanken, gebeurde precies het tegendeel. Eerst de examens en dan de 'revolutie'. Dit leek eerder een raad van bestuur, dan een aktiekomitee of een voorhoede.

De drijvende kracht van die opwindende meidagen was de studentenleiding zeker niet. Zij onderging veeleer de gebeurtenissen, zij het met niet geveinsde sympatie. De motor lag bij die honderden studenten die zich voor het eerst op publiek en politiek terrein hadden gewaagd. Zij voelden zich wel direkt aangesproken en reageerden vanuit een grote spontaniteit. Tot dusver hadden ze zich geplooid naar het verwachtingspatroon van ouders, schoolhoofden en andere behoeders van het braaf maatschappelijk fatsoen. Het mandement bracht echter een ontstekingsmechanisme in werking. Ze hoorden zichzelf zeggen dat het genoeg was geweest en vonden zelfde slogans en liederen waarmee ze zich konden identificeren. De studentenleiding schreef nog wel de gedreven manifesten en de heldhaftige communiqués, maar de kreatieve ordewoorden kwamen niet van hogerhand. Opeens begon iemand "We shall overcome" te zingen en iedereen deed mee, omdat het onze gevoelens en originaliteit zoveel juister vertolkte dan de hoogbejaarde Vlaamse Leeuw. Dan voelden we dat we tot een beweging behoorden die ook in Alabama en Nashville aktief was en niet aan kleine regionale grenzen stopte. Er waren er nogal wat die de negerhymne van de vroegere tabaksplanters met tranen in de ogen zongen.

Met het bisschoppelijk diktaat kwam er een pak anti-autori-taire energie los. Vlaanderen dat - enkele Antwerpse enklaves en kroegen buiten beschouwing gelaten - immuun leek voor de geest van de provobeweging, begon nu ook Amsterdamse symptomen te vertonen. Je rook, zag en hoorde het. Er hing al eens een hasj-geurtje, de eerste witte pakken deden hun opgemerkte intrede en de woordenschat werd met enkele handzame begrippen, zoals 'regentendom', 'klootjesvolk' en 'happening' verrijkt. Wezenlijk was natuurlijk de kuituur van achterdocht tegenover alle autoriteiten. Misschien was het dat wat in '66 de toenmalige studentenleiding aanvoelde en wat haar zo onwennig maakte. Plots was de sfeer veranderd en manifesteerde zich een andere, minder studentikoze mentaliteit. Tot op dat ogenblik had de studenten-leiding voor haar campagnes systematisch steun bij het Vlaamse establishment gezocht. Er bestond trouwens een echte vertrouwensrelatie en meestal werden standpunten en akties vooraf met de Vlaamse leiders doorgepraat. Na mei '66 veranderde dat kompleet. De tijdgeest zat daar voor veel tussen, maar evengoed de veranderde sociale herkomst van de studentenbevolking. In de leiding van de studentenorganizaties waren de zonen en, in mindere mate, de dochters van de Vlaamse elite oververtegenwoordigd. Dat had zijn invloed op de tema's en de stijl van de studentenbeweging, alsook op de relatie tot de machthebbers. Er was veel respekt en nog meer vertrouwelijkheid, alsof het één grote familie was. Niet zelden was dat ook zo.

Naarmate de doorstroming van de lagere sociale klassen zich realizeerde, veranderde de mentaliteit aan de universiteit. Het werd er groter, de knusheid en de geborgenheid verdwenen en de tegenstellingen van de samenleving werden er steeds duidelijker zichtbaar. De universiteit was ook niet langer een ticket naar de maatschappelijke top. Zo groeide de vervreemding en kwam er steeds meer ruimte voor kritiek op het maatschappelijk systeem. Met de krisissituatie van mei '66 werden de barsten in het ideologische behang voor het eerst zichtbaar. Plots werd duidelijk dat er aan de katolieke universiteit van Leuven vele 'andersdenkenden' waren, zowel op konfessioneel, sociaal als politiek vlak. Daarmee werd natuurlijk aan de fundamenten van de verzuiling gewrikt, want voor het eerst sinds lang verloor de katolieke zuil de kontrole over de ideeën van de jongeren en grote delen van de intelligentsia. In Vlaanderen zit de verzuiling niet alleen in de vakbonds- of politieke strukturen, ook het denken is gekolonizeerd en zeker in de jaren '60 werd het maatschappelijk gedachtengoed van veel intellektuelen door de politieke kleur van de moederschoot bepaald.

De erg spontane en massale afwijzing van het mandement heeft de bisschoppen tot een koerskorrektie genoopt. Geleidelijk begonnen ze in te zien dat de overheveling onvermijdelijk werd. Het veranderde ook het leven van Piet De Somer die op 7 juni tot prorektor werd benoemd. Het veranderde eveneens het leven van veel studenten die op die prachtige meidagen zichzelf, vele gees-tesgenoten en de macht van een generatie ontdekten. Het was hen gelukt om de kerkelijke leiding en de akademische overheid te doen wijken en dat was een revelatie. Ook mijn leven kantelde. Van het ene moment op het andere kwam het in een nieuwe baan en belandde ik in een draaikolk van vergaderingen, akties en kon-troverses. Terwijl ik tot dan slechts een verre observator van de overhevelingsproblematiek was, stond ik nu mee op het podium en een paar weken later zou ik Vlaanderen rondtrekken om de splitsing van de Leuvense universiteit te bepleiten. De boeiende dingen waarmee ik tot dan was bezig geweest, liet ik vallen, want ze waren niet langer prioritair. Die ommekeer was niet gepland, nauwelijks beslist. Hij overviel me.

Hoofdstuk 4 - Inhoud

De Meredith-mars - Inhoud

Dinsdagmorgen 4 oktober, het liep al tegen de middag, stonden ze voor het Casino in Oostende. Ze, dat waren een paar tientallen studenten - niet eens honderd - die vijf dagen later te voet Leuven hoopten te bereiken. Grijze wolken dreven laag over het vlakke land. Geen zon, wel af en toe regendruppels die uit de zee het land binnenwaaiden. Eenzame Don Quichottes, die eerder meelij wekten dan dat ze vrees inboezemden. In kladjes stonden ze aan hun veters en rugzakken te frunniken en ze troostten zich met de gedachte dat er de eerste dag slechts twintig kilometer gestapt moest worden. Dat leek haalbaar. De belangstelling van de Oostendse bevolking was niet echt overweldigend. Een paar gepensioneerden volgden met nauwelijks verholen skepticisme de voorbereidingen voor de lange mars. We voelden ons klein in de strijd met de elementen.

We hadden de tocht de naam Meredith-mars meegegeven. James Meredith was een Amerikaanse negeraktivist die zich na de verkiezing van John Kennedy tot president vruchteloos aan Ole Mis, de blanke universiteit van Mississippi, had proberen in te schrijven. In juni 1966 werd hij tijdens een antiracistische mars door een blanke neergeschoten. Die aanslag haalde de koppen van alle kranten en ook in Vlaanderen was het voorpaginanieuws. Op dat ogenblik speelden we al met het idee van een voettocht. Daarmee hoopten we net voor het begin van het akademisch jaar Leuven opnieuw in het brandpunt van de aktualiteit te tillen en heel Vlaanderen voor ons gedachtengoed te sensibilizeren. De vele steunbetuigingen en spontane akties tijdens de Meirevolte, ondermeer in het middelbaar onderwijs, hadden ons van de grote symboolwaarde van Leuven overtuigd. Leuven was tegelijkertijd nationaal dynamiet, een Vlaams sanctuarium en dè kans voor de jonge generatie en de onafhankelijke intelligentsia om wat meer bewegingsvrijheid af te dwingen.

Er was na de Meirevolte trouwens veel gedacht en geschreven. Niet in het minst door geestelijken waarop de kerkelijke hiërarchie nauwelijks of geen vat had. Wildiers, Callewaert en Van Bladel waren allemaal in de pen gekropen, sympatizeerden met de beweging en legden progressieve klemtonen. Ook Maurits van Haegendoren, voorzitter van de Lodewijk de Raetstichting en een Vlaamse autoriteit die later nog senator voor de Volksunie zou worden, was toen een slagvaardig publicist. Nog in 1966 verscheen "De ziekte aan de Dijle", waarin hij veel begrip toonde voor de eigen interpretatie die de studenten aan het gebeuren hadden gegeven. Hij hakte ook fel op de rijkswacht in. "De orde-strijdkrachten", zo schreef hij, "poseerden 'gewillig' in de rol van pretoriaanse wacht van het Belgische establishment. De rijkswacht verzuimt geen gelegenheid om zich in Vlaanderen gehaat te maken; steeds weer betekent haar optreden olie op het vuur. Zij ondermijnt meer dan joelende studenten of betogers dat kunnen, gezag en aanzien van de staat, wiens symbool allengs de matrak dreigt te worden." De aktivisten hadden zich eveneens aan het schrijven gezet. Zeer produktief in die dagen was Waker De Bock, de voormalige hoofdredakteur van Ons Leven. In het weekblad De Nieuwe, waar Mark Grammens de kolommen gul ter beschikking stelde — een generale repetitie voor de manier waarop hij later het Egmontpakt coverde — zette De Bock het episkopaat op zijn plaats en predikte hij de grote omwenteling. "De bisschoppen", zo schreef hij, "staan voorgoed rechts van de gemeenschap, d.w.z. daar waar men vertwijfeld roept om orde en gezag. Datgene waarvoor de studenten te Leuven in opstand kwamen, is niet langer meer iets dat de Vlamingen voor zichzelf opeisen, het is ook geen probleem dat tot de universitaire wereld zelf beperkt blijft. De studenten zetten in dit geval de totaalstruktuur van een maatschappij op de helling. Zij distantiëren zich grondig van de verdergravende verzuiling en wensen konsekwent de sociaal-ekonomische gemene deler van dit alles in vraag te stellen."

In de vakantiemaanden, tussen twee examenperiodes door, werden die teksten door een kleine minderheid bekommentari-eerd. Een harde kern overzomerde in Leuven. Ze blokte, besprak 's avonds de laatste ontwikkelingen, maakte plannen voor het volgende akademiejaar en bereidde de rentree en de voettocht voor. Dat was nog niet zo simpel. Alle besturen van de gemeenten die we zouden doorkruisen, werden aangeschreven. En verder moest er toch iets georganizeerd worden om het gezelschap tijdens die dagen aan proviand en overnachting te helpen. Ten slotte was er elke avond een meeting gepland, zodat er zalen of pleinen moesten zijn, en sprekers aangeduid. Het mag een wonder heten dat er tijdens de tocht niemand van honger is omgekomen en dat we nooit van de rechte weg zijn afgeweken, want de planning en de taakverdeling liepen tijdens die zomermaanden vooral in de war. Er moest immers de hele tijd geïmprovizeerd worden, want er werd voortdurend met wisselende ploegen gewerkt. Het was ook een innovatie om in volle vakantie aan de slag te blijven. Die stijl waren de Leuvense studentenorganizaties niet gewoon. Bovendien groeide de twijfel of het verantwoord was om in oktober een heruitgave van de Meirevolte na te streven. De dingen waren immers aan het bewegen, zowel in de Brusselse politiek als op Leuvens akademisch vlak, en dat bracht meer dan één studentenleider aan het twijfelen. Reeds op 17 mei had cvp-fraktieleider Jan Verroken een wetsvoorstel neergelegd tot regeling van het taalgebruik in het hoger onderwijs. In kristen-demokratische rangen veroorzaakte het initiatief de nodige irritatie, want het kon zowel de regering als de toen nog unitaire cvp-psc in grote moeilijkheden brengen. Van partijvoorzitter Robert Houben kreeg Verroken geen steun, Gaston Eyskens reageerde zeer afstandelijk, terwijl Theo Lefèvre vierkant tegen was. In Het Belang van Limburg kreeg Verroken van kommentator Tenax, een pseudoniem voor cvp-senator Leynen, de volle lading. Hij voorspelde dat "de blinde vooruitlopers nog wel met de kop tegen de muur zouden botsen". Verroken krabbelde niet terug, maar kamer en senaat namen zijn wetsvoorstel niet eens in overweging. Niet meteen een politieke overwinning, al werd het initiatief toch aangegrepen om de studenten tot kalmte aan te sporen. Eindelijk bevond het dossier zich op politiek vlak. Alle hoop op een gunstige afloop was dus gewettigd.

'Een demokratische republiek' - Inhoud

Oproepen tot kalmte kwamen vooral van de Leuvense universitaire top. Die beriep zich op steeds nieuwe feiten om aan te tonen dat het mandement achterhaald was en verdere aktie bijgevolg zinloos en dwaas was. Op 25 mei werd immers meegedeeld dat Ward Leemans tot kommissaris-generaal was benoemd. Leemans had tot ieders tevredenheid de werkzaamheden van de kommissie Leemans-Aubert geleid, waarin de herstrukturering van de direktieorganen en de geografische spreiding was bestudeerd, en die op 8 april haar verslag had overhandigd. Als kommissaris-generaal zou Leemans de rector magnificus bijstaan om de herstrukturering en de inplanting van Franstalige kandidaturen in het kanton Waver door te voeren. De bisschoppen, zo werd ons voorgehouden, waren dus aan het terugkrabbelen. Dit was een eerste stap naar de volledige overheveling. Op 4 juni kwam er een nieuw feit. Terwijl ze op de Heizel 75 jaar Rerum Novarum vierden, benoemden de bisschoppen Piet De Somer tot prorektor van de autonome Vlaamse sektie. Het episkopaat heeft lang geprobeerd om een andere figuur op die strategische plaats te benoemen. Want De Somer, die op dat ogenblik nog 50 jaar moest worden, was nogal eigengereid en bood, zo oordeelde de hiërarchie, geen waterdichte kerkelijke garanties. Dat hij het uiteindelijk toch haalde, was een uitgesproken politieke beslissing. De Somer had het volste vertrouwen van het Vlaamse establishment, dat hem een briljant wetenschapsman en een loyale Vlaming vond. Hij wist ook van wanten. Hij kende de Leuvense krabbemand met zijn vele clans, rivaliteiten en ambities als zijn broekzak en domineerde het spel. Zo was het hem het jaar voordien gelukt een paar duizend studenten achter de slogan 'Prorektor. Vlaming en leek' te doen opstappen. Hij

was gefascineerd door de macht en was een sluwe, onkonven-tionele autokraat die niet terugdeinsde voor een goedgemikte provocatie en die iedereen zijn waarheid durfde te zeggen. Ook de studenten, met wie hij veel kontakten had, en met wie hij graag in de clinch ging. Bij zijn eerste interview zei hij dat hij de voorzitter van een demokratische republiek wilde zijn en geen diktator...

De Somer was dus van een ander kaliber dan zijn voorganger de brave Monseigneur De Raeymaeker, en de vertegenwoordigers van het 'Ancien Régime'. Het spel werd alleszins stukken gekompliceerder, want ook De Somer knikkerde veel en pokerde graag. Hij verzorgde ook zijn public relations. Zo trok hij Jef Claes, journalist bij Het Volk en gelegenheidskommentator bij die krant, als deeltijds woordvoerder aan. Daarmee had hij - voor zover het nog nodig was - het dagblad van de kristelijke arbeidersbeweging aan zijn kant. Op de steun van De Standaard kon hij sowieso rekenen en als het echt hoefde, beschikte hij over een goed relatienet op die redaktie. Tenslotte had De Somer een verhaal dat met graagte door alle kranten werd overgenomen. Hij plaatste zich als een schild voor de bisschoppen, want nu was hij verantwoordelijk. En verder liet hij nooit na om heel nadrukkelijk op de kwalijke gevolgen van al dat revolutionair gedoe te wijzen. "Van nu af aan", aldus de prorektor in een gesprek met Ons Leven in september 1966, "wordt het beleid opgedragen aan nieuwe mensen. Indien ons beleid niet konstruktief is, kunt u ons later afschieten, maar het mag niet gebeuren uit onbegrip. Een minimum krediet moet u ons toestaan. Ik vrees dat u de universiteit zult kapot maken... Uw en ons doel moet nu zijn een sterke Vlaamse universiteit uit te bouwen. Ik bekamp alles wat daartegen in gaat en daarom zult u in mij ook een tegenstander vinden bij een revolutie in oktober." Daarmee wisten we waar we aan toe waren. De kromstaf was opgeborgen, maar we moesten ons nu wel gedragen, want er was geen reden meer tot rebellie. Die versie werd er ook door de katolieke kranten ingehamerd, al dan niet met de voorha-mer. Dat deed Waker De Bock, die alle kommentaren met het vergrootglas doornam en desgevallend op steekkaart zette, tijdens de Meredith-mars uitroepen: "ze schrijven meer over onze voeten dan over onze ideeën." Die kreet kende veel bijval en was niet onjuist. Toch waren ook op dat vlak de dingen volop in evolutie. Naarmate de opening van het akademisch jaar dichterbij kwam en de vrees voor een hete herfst toenam, kwam het ook tot echte kritiek op het gedachtengoed. "Wij moeten er over waken", aldus Toon Van Overstraeten in Wij, het blad van de Volksunie, "dat de strijdvaardigheid van de vlaamsgezinden niet misbruikt wordt voor doeleinden die vreemd zijn aan de Vlaamse beweging." Daarmee was de toon gezet en het was zeker geen toeval dat die vaderlijke raadgeving uitgerekend in het blad van de Vlaams-nationalisten verscheen.

Het nieuwe denken en optreden van de studenten werd door het Vlaams-nationalisme, dus de vu, als een bedreiging ervaren. Alleszins reageerden die kringen veel alerter en slagvaardiger dan de behoeders van het liberale, kristen-demokratische of socialistische ideeëngoed. Die hadden nochtans evenmin reden tot groot entoesiasme, want de teksten uit die periode konden hen zo mogelijk nog minder bekoren. Er werd nogal fors ingehakt op vele pijlers van het toenmalig Belgisch model, de kerk bijvoorbeeld, en uiteraard de Generale holding. En voorts werd er driftig tegen de verzuiling, het bindmiddel van het unitaire België, aangetrapt. "Het was juist de Belgische kerkprovincie", zo schreef ik in de zomer van '66, "die de hechte steun van het establishment vormde. Het katoliek milieu met zijn organizatiewezen ging het vaste centrum-blok vormen, dat de stabiliteit van ons bestel moest verzekeren, dwars door alle tegenstellingen heen, ondermeer de sociale en de Vlaams-Waalse. De katoliek begint zich nu stilaan uit deze middeleeuwse opvatting los te maken. Bij de Leuvense studenten is dit proces reeds vrij ver gevorderd; voor hen is de 'Sainte Al-liance' ontmanteld en in al zijn relativiteit blootgelegd." Het was niet meteen een tekst die de instemming van een cvp-kongres kon wegdragen. En toch waren het vooral de Vlaams-nationalisten die uiting aan hun bezorgdheid gaven.

Wat hen vooral stoorde, was ons ongeloof in de harmonische nationalistische myte. Het feit dat we systematisch de sociale breuklijnen en tegenstellingen in Vlaanderen signaleerden, alsook de nadrukkelijke verwijzingen naar de lagere sociale groepen, in casu de arbeiders, ontlokte groeiende wrevel. Bovendien bleef het niet bij teksten, maar werd van langsom duidelijker dat de studentenbeweging naar akties en konflikten ging die nog maar weinig met het eng nationalistisch programma hadden te maken. Ten slotte vonden sommige vu-mensen het zeer ongepast dat de fascistoïde restverschijnselen van de Vlaamse beweging werden blootgelegd.

De extreme gevoeligheid van de vu voor het ideologisch klimaat in Leuven lag voor de hand. Buiten de CVP was het de enige politieke formatie die er op dat ogenblik een voet aan de grond had. De liberalen waren toen totaal afwezig, zo ook de Belgische Socialistische Partij (bsp). Hoewel er rond Brug een kleine linkse kern aktief was, had de socialistische partijleiding niet de minste belangstelling voor Leuven. Dat was het territorium van de Christelijke Volkspartij, die er sinds de tweede Wereldoorlog zowat al haar kaders rekruteerde, zowel voor de partij als voor de zuil. Met de oprichting van de vu kreeg de cvp evenwel konkurrentie, althans bij de studentenbevolking. De Volksunie had toen nog het radikale imago van een onverschrokken zweeppartij. Regeringsdeelname was niet aan de orde en evenmin de moeizame gesprekken en onderhandelingen met het onvermijdelijke geven en toegeven. De vu was toen nog jong, rechtlijnig, en bood zich als een alternatief aan voor de traditionele, verzuilde en unitaire partijen. Dat lag goed in de jongerenmarkt en de vu was in het midden van de jaren '60 goed op weg naar het monopolie van de politieke vernieuwing. De kiesresultaten en -peilingen bevestigden de opmars van de partij. In 1954 kwam ze voor het eerst op en haalde ze één zetel. In 1965 waren dat er al 5 en in 1968 zouden het er 12 worden. De vu had er dus alle belang bij om de slag rond Leuven simpel te houden en er een pure Vlaams-Waalse konfrontatie van te maken.

Extreme tolerantie voor eigen 'folklore' - Inhoud

De Vlaams-nationale vlag dekte trouwens een politieke krabbe-mand toe. Het was een amalgaam dat geen belang had bij het uitklaren van de dingen, want teveel duidelijkheid dreigde in slaande ruzies en dissidenties te eindigen. Tien jaar later, naar aanleiding van het Egmontpakt, was het zover. Overigens had de vu in 1965 afscheid genomen van haar linkervleugel. VU-kamerlid Daniël Deconinck stapte toen op en probeerde dat jaar met de Vlaamse demokraten een plaats in het parlement te veroveren. Het werd een mislukking en was zeker niet van die aard om het begrip of de belangstelling van de vu-leiding voor de progressieve stroming te vergroten. Het partijblad Wij reageerde bijgevolg weinig entoesiast op de Meredith-mars. "Er was", zo schreef het, "een geestloos, ouderwets en onbeschaafd anti-klerikalisme voelbaar en een triestige verprovocering. Het was een gedachteloos napraten van de dingen die 'in' heten te zijn." In de vu-leiding, alsook in het kader, voerden de fundamentalisten het hoge woord. Zij werden minder gedreven door een staatkundig projekt - Hugo Schiltz en zijn geestesgenoten waren pas aan hun moeizame weg naar de partijtop begonnen - dan wel door een roep om revanche tegenover een Belgische staat die hen of hun familie onrecht had aangedaan. Sommigen, onder hen Karel Dillen en zijn getrouwen van de Vlaamse Militantenorde (vmo), waren onverzoenlijk extreemrechts en verlieten de vu toen bleek dat ze de kontrole over de partij kwijt waren. Bij anderen was het allemaal minder doordacht. Het was eerder een sfeer, een emotie, en niet zelden de neerslag van een overdosis romantische lektuur. Teveel Wies Moens of Ernest Vander Hallen maakte van veel ongerepte politieke zielen 'fellow travellers' van extreem-rechts.

Wie er zijn ergernis over uitsprak dat de verbondswacht, de 'fanfare' of liever de ordedienst van het KVHV, bij haar drink-avonden de Hidergroet bracht, werd in die kringen als een linkse scherpslijper en een weinig verdraagzaam individu beschouwd. Dat was toch folklore en alleen maar als grap bedoeld? En was het niet zo dat al die oostfronters verdwaalde idealisten waren? Dat vergoelijken van de kollaboratie, maar ook van het fascisme, wijst erop dat er ook in die jaren veel schortte aan het geschiedenis-onderricht. Ik herinner me alleszins niet dat mij in het sekundair onderwijs veel over de oorlogstijd werd bijgebracht. Het was waarschijnlijk te 'hedendaags', zodat het dan maar onbesproken bleef en de zwarte oorlogstijd in het geheugen van veel jongeren een witte vlek bleef. De holocaust is hier te vlug in de vergetelheid geraakt en altijd werd ze afgewogen tegen de repressie die wel wreed en onrechtvaardig werd genoemd. De rancune tegenover België heeft velen politiek blind gemaakt. Vandaar ook die extreme tolerantie van veel Vlaamse intellektuelen tegenover de excessen van het nationalisme. Het kwam nooit tot een grondige kritiek van de nationalistische verdwazing, omdat de diskussie voortijdig strandde op de Belgische zandbank. Aldus kon veel extremistisch kruid welig blijven tieren in de Vlaamse tuin, wat het jaren later voor het Vlaams Blok allemaal zoveel makkelijker heeft gemaakt. Het was echter met de 'niet-politieke' Vlaamse organizaties dat het voortdurend hommeles was. In die tijd hadden de 'strijd- en kultuurverenigingen' die zich in het Overlegcentrum van Vlaamse Verenigingen hadden georganizeerd en zich graag de Vlaamse beweging noemden, een impakt die veel groter was dan nu. Ze slaagden er bij momenten in veel volk op de been te brengen en parlementsleden, vooral die van de CVP, onder druk te zetten. De vu hoefde niet, want die verdedigde identische standpunten. Als er zich met de vu al meningsverschillen voordeden, waren ze louter taktisch. Het ow was een buitenparlementaire oppositie die pluralistisch wilde zijn, maar daar slechts met moeite in slaagde. De inbreng van de vrijzinnigen was beperkt en die van de progressieven vrijwel verwaarloosbaar. Op gevaar af lichtjes te overdrijven, kon men stellen dat deze Vlaamse beweging de niet-partij politieke arm van de Volksunie was, maar dan iets paterna-listischer. De stuwende kracht van het ow was in die tijd de Vlaamse Volksbeweging van notaris Paul Daels. Hij had progressieve oprispingen, bekloeg zich voortdurend over de opdringerigheid van de rechtsen, maar wou met iedereen bevriend blijven. Op zijn initiatief werd het Koördinatiekomitee-Leuven opgericht dat, zo luidde het toen het initiatief werd aangekondigd, de studenten in hun aktie wou steunen. Alle traditionele Vlaamse organizaties zouden er deel van uitmaken en Maurits Van Hae-gendoren zou voorzitter worden. Dat laatste kwam vrij vlug voor elkaar, maar met de organizaties boterde het niet zo best. De vrijzinnigen vonden de doeleinden van het komitee te beperkt omdat er alleen over Leuven en niet over Brussel gesproken werd, terwijl de traditionele verenigingen grote bezwaren maakten tegen de nieuwe klemtonen van de studentenbeweging. Zo weigerde de Vlaamse Toeristenbond (vtb) toe te treden "wegens het teruggrijpen van studenten en oud-studenten naar motieven uit de Amerikaanse negerstrijd". Problemen waren er ook met het Algemeen Nederlands Zangverbond (anz) waar Valere Portier haast verplicht moest worden om mee te doen.

'Strijd zuiver houden' - Inhoud

Tot mei '66 verliep het overleg tussen studenten en Vlaamse organizaties bijna rimpelloos. De voorzitter van het KVHV ging plichtsgetrouw naar de vergaderingen en meningsverschillen waren haast onbestaande. Na de Meirevolte zat het er meteen bovenarms op. Zeker toen de heren — het was immers een mannenklub — over de Meredith-mars werden geïnformeerd, was de lol er voor de meesten af. Er waren er al die 'We shall overcome' niet hadden gepikt. En nu de naam Meredith... Waren dit Vlaamse studenten of zat men misschien met Amerikaanse, of nog erger, met Zuidafrikaanse negers rond de tafel? Diskussiestof genoeg dus, maar de plooien werden gladgestreken. Het Koördinatiekomitee wilde de mars meehelpen organizeren als het akkoord kon gaan met de slogans en de sprekers mee mocht aanduiden. Opnieuw palavers, zelfs ruzies. Sommigen stonden erop dat de studentensprekers vooraf hun speech zouden inleveren, want onaangename verrassingen konden best vermeden worden. Het hele interne meningsverschil draaide rond de demokratische eisen die de studenten formuleerden. De overgrote meerderheid van het komitee had daar geen principieel bezwaar tegen, maar vond het 'taktisch' onverantwoord om er nu mee uit te pakken. "We moeten de strijd zuiver houden", zo heette het. En verder kregen we de raad — de verordening? - om op dit beslissend moment van de Vlaamse ontvoogdingsstrijd niets te ondernemen dat het Vlaamse front kon verzwakken, dus de tegenstander versterken. Wij, met uitgestreken gezicht: "Hoe zou de demokratie de Vlaamse beweging nu kunnen verzwakken? De demokratie kan een volk alleen maar sterker maken en wie dat betwist, effent de weg voor een autoritair systeem." Alleen het geduld en het diplomatiek talent van Van Haegendoren en Daels, die wel begrip hadden voor de studentenargumentatie, verhinderden dat het toen tot kortsluiting kwam. Die werd slechts uitgesteld. Dit was water en vuur. We verschilden over alles van mening, over de politiek zeer zeker, maar ook over muziek, de kleuren van de regenboog en de relatie tussen de lengte van het haar en de graad van het fatsoen. Dit kon nooit goed komen. Zij vonden ons een zootje ongeregeld, wij vonden het een klub bazige heren, bisschoppen haast.

En toch werd de Meredith-mars een sukses. Elke avond kwamen in de etappesteden een paar honderd mensen naar de meetings en het aantal toehoorders ging in stijgende lijn. Telkens waren er twee sprekers, een student en iemand van het Koördinatiekomitee-Leuven. Die spraken elkaar wel eens tegen, maar dat leidde bijna niet tot animositeit van het publiek. Slechts één keer ging het bijna fout. Toen Zeger Van Hee, de legendarische prof van de Leuvense rechtsfakulteit en het enige lid van het aka-demisch korps van Leuven dat tijdens de mars het woord nam, in Mechelen aan de beurt kwam. Dat gebeurde in openlucht op de Veemarkt. Van Hee had een duidelijke boodschap: eerst de overheveling en dan de demokratizering. Als bijkomende stelling verdedigde hij het standpunt dat de inspraakprocedures, zoals die al bestonden en verder zouden worden uitgewerkt, ons door de hele wereld konden benijd worden. Nergens bestond meer of beter. Bijgevolg was er geen reden tot overhaasting en het was helemaal zinloos om zich een slecht geweten te kultiveren. Van Hee, die in zijn kursussen meesterlijk kon improvizeren, had deze keer geen risico's willen nemen. Alles stond op papier, maar op het podium was geen licht. De spreker werd dan maar in een oude Volkswagen geloodst waar hij met een paar zaklampen werd bijgelicht. Zo ging een deel van het oratorisch effekt in de duisternis verloren.

Elke avond hielden we trouwens de adem in als de studentenvertegenwoordigers het woord namen. Zouden ze worden weg-gefloten als het tema van de demokratie aan bod kwam of zou het integendeel entoesiast worden geslikt? In Antwerpen, waar ik met Paul Daels het woord nam, zat ik behoorlijk met stress toen ik achter de mikro postvatte. Paul Daels was er evenmin gerust is. Evengoed als nu was Antwerpen toen het bastion van de fla-mingantische ultra's en die hadden weinig begrip voor de meer progressieve aksenten. Ik doorstond de vuurproef, hoewel ik betwijfel of ik alles gezegd heb wat op mijn tong lag. Van Dromme had meer problemen. Hij praatte op zondagavond tijdens de afsluitende meeting in Heverlee en had, ondermeer met zijn geruchtmakend IJzerbedevaart-artikel van een paar maand eerder, een kwalijke reputatie in Vlaams-nationale kringen. Hij werd op gefluit en gejouw onthaald en even zag het er naar uit dat hij de konfrontatie zou verliezen. De Vlaamse ultra's werden echter overstemd en Van Dromme hield zich dapper, zij het met trillende benen, en zei wat hij te zeggen had. Er stond toen een paar duizend man te luisteren, een veelvoud van de enkele tientallen die in Oostende van start waren gegaan. Enkele honderden hadden de tocht tussen Antwerpen en Mechelen meegedaan, terwijl de laatste etappe met duizenden werd afgelegd. Dat overtrof al onze dromen. Daar was veel jong volk bij, studenten en scholieren, maar ook de falanks van de vmo. In uniform uiteraard en telkens 'We shall overcome' werd ingezet, replikeerden zij met 'De Vlaamse Leeuw' of een ander autentiek Vlaams strijdlied. In het centrum van Leuven gold nog steeds een betogingsverbod en dat zou, zo werd ons verzekerd door de Bijzondere Opsporingsbrigade (bob) die ons de hele mars vergezelde, hoedanook worden gerespekteerd. We hielden ons, zij het na lang aarzelen, aan het verbod en weken uit naar Heverlee.

De vermoeidheid zat daar ongetwijfeld voor iets tussen. Voor velen was de tocht een uitputtingsslag geweest. We hadden pijnlijke voeten, stramme spieren en kampten met acuut slaaptekort. We wilden ook niet dat de Meredith-mars, die zonder enig incident was verlopen, in een onoverzichtelijke rel met de rijkswacht zou eindigen, met de vmo in een vedetterol. Dat kon alleen maar onze ideeën diskrediteren. We leefden toen trouwens in een roes. Tijdens de lange mars was er uren gepraat, over de nieuwe tijden, het sociale onrecht en de rol van de intellektueel. We voelden ons verantwoordelijk en ook belangrijk, want het was niet niets wat we in beweging hadden gezet. Het was een wandelende politieke universiteit. Elke ochtend werden de kranten bekommentarieerd en de strategie van de anderen doorgenomen. Die was duidelijk. Ze zouden proberen ons te paaien en aan het lijntje te houden, want een nieuwe Meirevolte wilde het gemeenschappelijk front van politici, akademische overheden en hoofdredakteuren hoedanook vermijden. Dan dreigden ze immers de ideologische kontrole over de nieuwe generatie te verliezen. Ze waren bang, en als je nauwelijks twintig bent en in onvrede leeft met veel van wat rondom je gebeurt, is dat een niet onaangename ontdekking.

Hoofdstuk 5 - Inhoud

Het verlies van de onschuld - Inhoud

"Het politieke probleem in de wereld is doodsimpel. Wie beweert van niet — niet diens bewering moet om te beginnen onderzocht worden, maar zijn motief voor die bewering. De tegenstelling in de wereld is die tussen rijk en arm." Zo begint 'Bericht aan de rattenkoning' van Harry Mulisch uit 1966, en mede om die eerste zin werd het boek in Leuven geknuffeld en ging het van hand tot hand. Zoals politici en ondernemers zijn wereldverbeteraars allergisch voor al te gekompliceerde analyses, want die hebben het vervelende kenmerk dat ze steeds nieuwe vragen, dus ook twijfels oproepen. Vandaar de uitgesproken voorkeur van aktivisten voor nogal onwrikbare zekerheden en het sukses van profeten en hun onfeilbare waarheden. Mulisch schreef zich dus in, in een lange traditie van alles verklarende simplismen. Hij introduceerde of popularizeerde in de lage landen een nieuwkomer in het genre: voorzitter Mao Tse-toeng van de Chinese volksrepubliek en uitvinder van de guerrilla. Dat vond Mulisch heel belangwekkend. 'Vom Kriege' van Clausewitz kon de prullenmand in en dat was voor Nederlands meest revolutionaire auteur uit de jaren '60 een heuse opluchting, want een beslissende stap van de mensheid naar meer beschaving. Bovendien was de guerrilla a la Mao een bruikbaar recept, zo meende althans Mulisch, om "in het door ouderen en hun regenten bezette vaderland der bezittenden" de opstand in te luiden. Dat was het tenslotte wat Van Duyn en provo hadden ontketend, namelijk: "de kastenstrijd, de opstand tegen een redeloos brok onvrijheid, tegen het anachronisme van een sociaal fossiel: de regentenmentaliteit."

Toen we met stramme spieren aan het nieuwe akademiejaar begonnen, waren we nog de domme gevangenen van de logika van Clausewitz. We dachten voortdurend dat het tot een heruitgave van de Meirevolte zou komen, maar dan grootschaliger, met felle opstoten in de vele scholen van de steden die we tijdens de Meredith-mars hadden aangedaan. Kortom, we streefden de beslissende veldslag na en dat was het precies wat Mao, zo doceerde ons Mulisch met al zijn kennis, ten zeerste afraadde. "In de guerrilla bestaat immers geen beslissende slag, alles is onophoudelijk in beweging. De hoofdregel is: verspreiden, koncentreren, verspreiden. Het heeft zijn tijd geduurd vooraleer we zoveel 'wijsheid' de onze konden noemen en de Nederlandse inzichten hoe anachronistisch de regentenmentaliteit wel was, behoorden op dat ogenblik evenmin tot het gemeenschappelijk denkgoed. Er waren wel vage vermoedens en onduidelijke intuïties, maar het was voortdurend zoeken naar de vonk waardoor de vlam opnieuw in de pan zou slaan. Dat kon, zo was het axioma in die dagen, alleen de problematiek rond de overheveling van de Franstalige afdeling voor elkaar brengen. Daar zaten de dingen echter muurvast. De nieuwe prorektor De Somer zei dat Leuven-Nederlands alles had om een sukses te worden, voor zover er tenminste rust was. De harde kern die de voettocht had meegemaakt, was het daar om vele redenen niet mee eens. Zij stelde dat het politieke probleem van Leuven doodsimpel was, want er was sinds de Meirevolte niets fundamenteels veranderd. En verder Mulisch parafrazerend, konklu-deerde zij: "Wie beweert van niet - niet diens bewering moet onderzocht worden, maar zijn motief voor die bewering."

De onverzettelijken van de Meredith-mars waren ondertussen op sleutelposten in de studentenorganizaties terechtgekomen, ondermeer in het Verbond (KVHV). Van buitenaf leek het op een machtsgreep, maar dat was het niet echt. Die intentie was er niet, hoewel de resultaten op hetzelfde neerkwamen. Het was veeleer een aflossing van de wacht, want niet iedereen vond het zo leuk om in deze woelige en konfliktueuze konjunktuur op de eerste rij te staan. Zoals de voettocht had het iets van een afvalwedstrijd, waarbij de sterkst gemotiveerden zich het gemakkelijkst aan de nieuwe situatie aanpasten. De eerste dagen van oktober had Herwig Langohr, die enkele maanden voordien tot praeses van het KVHV was verkozen, ontslag genomen. Ik kende hem goed. We waren vrienden en hadden voordien veel en gepassioneerd over politiek gepraat. Hoewel zijn familie tot de betere Antwerpse kringen behoorde en een Vlaams aktivistisch verleden had, was hij allerminst een bekrompen taalflamingant. Hij kwam met een uitgesproken progressief programma en een dito ploeg aan de leiding van het Verbond. Hij had Ludo Martens hoofdredakteur gemaakt van Ons Leven, het KVHV-blad, en mij overtuigd om mee te doen. Plots haakte hij af en het is me nooit echt duidelijk geworden waarom. Was de psychologische druk te groot en werd hij afgeschrikt door de vele konfrontaties en disputen met de autoriteiten, die zich aankondigden? Of was het tot een ideologische krach gekomen, nu de progressieve tema's plots konkreet en konfliktueel werden? Ik belandde op zijn plaats. Ik begon pas aan mijn tweede jaar in Leuven en mijn kennis van de universitaire wereld vertoonde nog vele witte vlekken. Zo had ik nog nooit iemand van de akademische overheid gezien, laat staan gesproken. Dat ik toch verkozen werd, had met mijn optreden in mei en met mijn uithoudingsvermogen tijdens de Meredith-mars te maken. Veel keuze was er trouwens niet, ik was de enige kandidaat.

Op dat ogenblik stond het me helemaal niet duidelijk voor ogen hoe het nu verder moest met de studentenaktie. Ondanks het sukses van de voettocht werd het vlug duidelijk dat een heruitgave van de Meirevolte onmogelijk was. Het emotioneel moment, de bisschoppelijke verordening, was voorbij en de argumentatie van het nieuwe bewind vond in de pers, en zeker in de fakulteiten, veel weerklank. In vele apartjes met de dekanen werden studenten-verantwoordelijken ervan overtuigd dat De Somer een kans moest krijgen en dat een nieuwe rebellie onverantwoord zou zijn. Daarnaast was er groeiende achterdocht tegen de linkse, radikale koers van het Verbond. Geruime tijd ging het gerucht dat er een nieuw KVHV zou worden opgericht, één dat opnieuw een 'eerlijke en zuiver Vlaamse lijn' zou volgen. Zover kwam het niet. Allicht ontbrak het de raad van bestuur van het KVHV, waarin de traditionele flaminganten, zoals Richard Celis die lang het anz leidde en Jan Verstraeten, momenteel politiek verslaggever en kommentator bij Gazet van Antwerpen, absoluut dominant waren, aan een valabele ploeg. Wij van onze kant slaagden er, spijt vele verwoede pogingen, niet in om de grote massa op de been te krijgen en als we toch met 2.000 overtuigden door de Bondgenotenlaan trokken, bleek dat de rijkswacht tijdens de vakantiemaanden evenmin had stilgezeten. Net zoals in de leiding van de universiteit en in de studentenbeweging was er een machtswissel doorgevoerd. Onder de leiding van majoor Reviers had ze zich taktisch bekwaamd en begon ze zelfs met een diplomatiek charme-offensief. Bij elke betoging - er gold in het centrum nog steeds een betogingsverbod -kwam een rijkswachtdelegatie ons over onze plannen polsen. Er werden telkens eigenaardige voorstellen geformuleerd. Indien gewenst, mochten we tot halverwege de Bondgenotenlaan betogen, dan pas zou er worden ingegrepen. Met het waterkanon dat dan keurig zou leeggespoten worden, zodat de pers mooie plaatjes kon schieten en wij ons doel — mediabelangstelling - hadden bereikt. Desgevallend kon daar nog een tweede watersalvo bij. De klant was koning en hoe beter de service, hoe groter de tevredenheid. Meer moest dat toch niet zijn en waarom het moeilijk maken als het ook zonder matrakken kon? Het harmoniemodel als het ware. Bovendien waren we altijd welkom in de rijkswachtkantine, waar het bier bijna gratis was en er altijd wel een officier was die in ruil voor een lange babbel met plezier de rekening betaalde. Reviers zelf liet zich daar graag zien, sprak de studenten met de voornaam aan, en liet vervolgens als een grootmoedig veldheer het kleine grut vrij dat tijdens onschuldige wanordelijkheden was opgepikt. Zoveel charme verraste, verstoorde en bemoeilijkte de radikale aktie. Opnieuw moesten enkele schema's uit de vakantie worden herzien. In mei was het zoveel eenvoudiger geweest, toen werd er niet gepraat en des te meer geklopt. Met Reviers was het anders. Hij was geen prokonsul van een pretoriaanse wacht en evenmin was hij een Vlaamse variant van Westmoreland, de Amerikaanse generaal die in Vietnam met de grove middelen het oproer probeerde neer te slaan. Hoewel Reviers imponeerde als hij aan het hoofd van zijn troepen kwam aangemarcheerd en daar ook zichtbaar van genoot, probeerde hij de veldslagen tot een minimum te beperken. Hij verkoos een politieke oplossing boven een militaire en kreeg voor die aanpak veel lof in de Vlaamse pers. Dankzij Leuven bracht hij het tot generaal en kwam hij later aan de top van de rijkswacht. Na De Somer hadden wij er een tweede intelligente en moeilijk te maneuvreren tegenspeler bij. Als we Oscar Wilde mochten geloven, kon ons geluk niet op. Die schreef toch dat je in de keuze van je tegenstanders niet kritisch genoeg kunt zijn. "Geen enkele van de mijne is dom", aldus Wilde. "Stuk voor stuk zijn het mensen met hersens, zodat ze allemaal achting voor mij hebben." We werden dus door de omstandigheden zeer verwend. We hoefden onze tegenstanders-met-hersens niet eens te kiezen, ze boden zichzelf aan.

De eerste kennismaking - Inhoud

Het werd dus zoeken naar een gepaste tegenzet en naar aktie-vormen waarop geen pasklaar antwoord bestond, zodat er geïm-provizeerd moest worden en de waarschijnlijkheid dat de tegenpartij in de fout ging, groter werd. Vanuit de Verenigde Staten kwam er een pak bruikbare ideeën of alleszins begrippen. De skin bijvoorbeeld, een zacht synoniem voor bezetting, werd op 20 oktober '66 voor het eerst uitgetest. Het was bedoeld als een bescheiden prikaktie. Met enkele honderden trokken we naar de universiteitsbiblioteek om er gedurende een paar uur de leeszaal in te nemen. Dat was unitair terrein, bovendien diende hier sinds eeuwen een gewijde stilte in acht genomen te worden. De Frans-taligen zouden de 'ordeverstoring' dus niet pikken en onmiddellijk de Vlaamse universitaire leiding onder druk zetten om er een eind aan te maken. Dat zou niet simpel zijn, want Reviers en zijn mannen mochten hier niet zomaar binnenstormen. Bovendien waren ze tussen die oude en waardevolle folianten zeer gehandikapt. Je kon er bezwaarlijk een waterkanon binnenroUen of de matrak bovenhalen. De tegenpartij was dus in het defensief en zou de gebeurtenissen moeten ondergaan. Wij deden er voorlezing van stichtende teksten waarin de hoofse minne werd bezongen, wat zeer in de smaak van de aktievoerders viel. De sfeer was trouwens ingetogen en slechts af en toe werd ze met gezangen en toespelingen op de aktualiteit opgevrolijkt. Toen de aktie op passende en plechtige wijze werd afgeblazen, werd ik onmiddellijk door een heer van middelbare leeftijd aangeklampt. Hij was niet echt vriendelijk en duidelijk over zijn toeren. Hij gaf het bevel om hem onmiddellijk naar het rektoraat te volgen. Het was kommissaris-generaal Leemans, maar ik had hem nog nooit ontmoet en herkende hem dus niet. Mijn vraag met wie ik dan wel de eer had, werd weinig gewaardeerd. Toen ik vervolgens zei dat mijn drukke agenda me geen ommetje langs het rektoraat toeliet, omdat ik al een andere afspraak had, werd hij echt kwaad en liep hij weg zonder mij nog een woord of een blik te gunnen. Een paar uur later zag ik hem terug, in de rektorskamer, geflankeerd door Piet De Somer en vice-rektor Guido Maertens. Er was een dwingend en dreigend telefoontje aan te pas gekomen, dat geen tegenspraak duldde. Met ruime vertraging kwam ik toe en dat was bewust. Voor mijn eerste konfrontatie met de akademische overheid wou ik me vooral niet in de hoek laten drummen. De enscenering moest bijgevolg op punt staan. Het bazig toontje waarop Leemans me had gedagvaard, had trouwens irritatie gewekt. Pure intimidatie en autoritaire bluf. Hij kreeg lik op stuk. Terwijl hij zich aan een gemakkelijke drie tegen één had verwacht, kwamen we het rektoraat binnen met bij de 30 medestanders, die zich allemaal even verantwoordelijk voelden. Het werd een overrompeling, want op zoveel volk was het lokaal niet berekend. Het werd een luidruchtig zoeken naar een zitje, waarbij de trojka die zich op een doodernstige vertoning had voorbereid, bijna in een burleske terechtkwam. Ik zat boven op een vensterbank en kon het plateau overschouwen. Leemans, die zich wou en moest waarmaken, werd al na een paar zinnen door een vallende bloempot onderbroken en wist toen dat hij deze match niet meer kon winnen. Pas toen het allemaal goed uit de hand begon te lopen en Maertens, een minzame monseigneur en verantwoordelijk voor orde en studententucht, zich in het debat had gemengd, kwam De Somer, die de happening tot dusver met misprijzen had gadegeslagen, tussen. Hij had een feeling voor machtssituaties en had door dat het een verloren zaak was. Hij maakte er nog een vinnige babbel van, argumenteerde een paar van zijn gekende stellingen en verzekerde ons dat hij niet zou dulden dat de universiteit een chaos werd. Na woord en wederwoord konden we terug naar buiten. Zonder sankties en in het besef dat slechts één van de drie over stalen zenuwen beschikte. Daarnaast was er de ontdekking dat deze direkte konfrontaties heel gevoelig lagen. Het ontbrak de nieuwe leiding aan de nodige ervaring om zich door zulke onvoorspelbare situaties te slaan. Daarnaast was er ongetwijfeld onbegrip, maar dat is een eufemisme, voor de demo-kratizeringseisen van de studenten. Ook bij Piet De Somer.

Op die 20ste ontmoette ik hem voor het eerst. Hij begroette mij kort en koud met 'Goossens' en liet mij verder mijn gang gaan en hoog op de vensterbank tronen. Hij observeerde, wikte en woog, want voor De Somer bestond de mensheid uit twee soorten: sterke persoonlijkheden en andere. Of het nu politici, bisschoppen, Vlaamse voormannen of studenten waren, ze kregen allemaal een plaats in zijn klassement. De Somer had het niet voor zwakke figuren, pilaarbijters en volgzame ja-knikkers. En het sym-patieke aan hem was, dat hij dat overduidelijk liet merken, zowel aan derden als aan de betrokkenen. Terwijl hij zelf een Vlaams boegbeeld was, durfde hij heel nijdig naar de leiders van de Vlaamse beweging uithalen. Die werden onveranderlijk 'stigmatici' genoemd en dat zei hij met zo'n immens dédain dat je - tegen beter weten in - haast medelijden met die lui kreeg. Ook al verdedigde hij een instituut, hij had lak aan het konformisme en het stereotiepe dat instituten bijna altijd stimuleren. Hij was er zich ook van bewust dat hij in normale omstandigheden niet aan de top van Leuven-Nederlands zou zijn beland. Daarvoor was hij immers te eigenzinnig, te weinig volgzaam, en lapte hij sommige normen met te veel plezier aan zijn laars. Zo durfde hij al eens een nachtje doorzakken en omstreeks sluitingsuur met bravoure in café De Harp stranden, waar altijd wel oproerig volk de wacht hield. Meestal was hij dan erg overmoedig, gaf iedereen zijn zaligheid en zag er geen graten in dat hij met gelijke munt werd betaald. Het lag hem wel: één tegen allen. Hij was eigengereid, uitermate trots maar niet laf. Dat bewees hij ondermeer tijdens het pausbezoek, toen hij met enkele kritische opmerkingen over de konservatieve roomse koers het katolieke feest verstoorde. De laatste keer dat ik hem ontmoette, was tijdens een debat in Leuven, in het begin van de jaren '80. In volle rakettenkwestie en op het moment dat de toenmalige cvp-fraktieleider Luk Van den Brande, die er in '68 in Leuven ook bij was, nog eens met een gewetensprobleem zat. Moest hij afstand nemen van het regeringsbeleid en tegen de installatie van de Euro-raketten manifesteren? Terwijl velen konden meeluisteren, zei De Somer toen vreselijke dingen over de CVP en haar opportunisme. Hij was tegen de raketten en bezwoer Van den Brande om - zelfs als de partijleiding het daar niet mee eens was - het kontakt met de vredesbeweging te behouden. Het was ook De Somer die in december '66 drie studentenleiders schorste omdat ze een staking rond medezeggenschap hadden uitgeroepen.

Staken om mee te praten - Inhoud

Weken voordien had hij ons al laten weten dat hij deze staking niet zou slikken. Hij ging er niet mee akkoord omdat hij vond dat er geen reden was om naar dit extreem aktiemiddel te grijpen. De nieuwe universitaire leiding verdiende dit niet. Ze spande zich in om voor iedereen aanvaardbare oplossingen te vinden en beschouwde een staking als een oorlogsverklaring en een bewust doorbreken van de universitaire konsensus. Ze vond het een poging om het konfliktmodel, een variant op de klassenstrijd, te installeren, dus kwalijk voor de universitaire geest en schadelijk voor de reputatie van de Vlaamse afdeling. Dat De Somer deze affaire heel persoonlijk nam, was evident, maar begrijpelijk. Het was ook een krachtproef. Als hij door de knieën ging, leed hij gezichtsverlies en verloor hij veel autoriteit. In zowat alle fakulteiten werden professoren gemobilizeerd om het ongelijk van de studenten-leiding te argumenteren. Dat had gevolgen, vooral in het Fakultei-tenkonvent waar de verantwoordelijken op hun beurt de kwaliteiten van het harmoniemodel ontdekten. Het KVHV, dat de motor van de aktie was, dreigde geïsoleerd te worden. Ook al omdat De Somer niet stil zat, en hij de dingen niet op hun beloop liet. De dekanen werden de loopgrachten ingestuurd en voorts kon hij op alle begrip van de katolieke pers rekenen. Zelfs bij een gesprek onder vier ogen liet hij er geen twijfel over bestaan dat het menens was. Een paar dagen voor er over de staking beslist zou worden, verzekerde hij mij dat ik geen meerderheid van de fakulteiten zou krijgen. "Goossens", zo zei hij met een sardonisch plezier, "ge haalt het niet en als het toch tot een staking komt, vliegt ge eruit." Ik antwoordde dat ik van hem niet minder verwacht had en dat hij dan maar moest doen wat hij niet laten kon. En omdat hij blufte, kon ik niet achter blijven: "De Somer, ge krijgt ons hier niet buiten en als ge het toch probeert, bestaat er geen universiteit meer." We hebben ons toen dubbel geplooid om de fakulteiten, die uiteindelijk moesten beslissen, voor de staking te winnen, want het mocht niet fout lopen. Ik reisde heel Leuven rond om in vele fakulteitskringen de demokratische zaak te bepleiten en uiteindelijk kregen we, indien onze voorstellen werden afgewezen, een meerderheid achter een ééndagsstaking. Dat 'njet' kwam op 22 december en een dag later stonden zowat alle professoren voor lege kollegezalen. Nog dezelfde dag vernamen we langs de radio dat drie studentenleiders waren geschorst. Carl Bevernage, voorzitter van ws-Leuven, Raf De Canck, praeses van het Fakulteitenkon-vent, en ikzelf. Voor de ultieme sanktie was De Somer terug-geschrikt en ook de schorsing was twee weken later al ongedaan gemaakt. In ruil voor een communiqué waarin we verklaarden met de akademische overheid te zullen samenwerken om Leuven-Nederlands in demokratische geest stevig uit te bouwen, werden we opnieuw volwaardig student.

De eisen waren niet ingewilligd, maar toch was dit geen nederlaag. Voor het eerst waren we erin geslaagd een studentenaktie rond een syndikaal tema los te krijgen. Medezeggenschap en inspraak waren tot op dat ogenblik gespreksonderwerpen voor specialisten. Op kongressen van de ws, de overkoepelende studenten-organizatie, kwamen ze aan bod, alsook in kleine vergaderingen van vooral progressieve aktivisten. In Leuven hadden ze nauwelijks een debat uitgelokt. De belangstelling van de studentenleiders lag elders, bij de overheveling en de Vlaams-Waalse problematiek. De achterban toonde evenmin veel interesse en op geen enkel moment kwam er van onderuit een bijsturing. Eind '66 kwam de kentering en was het gedurende weken het belangrijkste gespreksonderwerp. Ongetwijfeld had dat te maken met de verandering van het klimaat aan de universiteit. De sociale samenstelling van de studentenbevolking was gewijzigd en bracht een grotere openheid voor sociale tema's. De tijd dat alleen de zonen en dochters van de elite aan de universiteiten vertoefden, was voorbij en dat had gevolgen voor de oordelen en de vooroordelen. Syndikalisme was niet langer een vies woord en de worm zat in het geloof dat de autoriteiten de wijsheid in pacht hadden en dat men ze neerbuigend tegemoet moest treden. In mei was het gezag van de troon gevallen en dat maakte het bijna vanzelfsprekend dat we zelf een stem in het kapittel kregen. En hadden we trouwens geen recht van spreken? Waren wij het niet die toen de meeste klappen hadden gekregen en was het niet dank zij ons verzet dat de huidige universiteitsleiding aan de top was gekomen? Zo'n staat van dienst verleende toch rechten. En was het minimum minimorum niet dat we mee mochten praten, dat we tenminste gehoord werden, zodat het studentenbelang aan bod kon komen? De voorbeelden van professoren die hun onderwijs- en researchopdracht als een bijverdienste beschouwden, waren immers legio. Zo werd medezeggenschap een konkreet tema, waarvoor ook de 'korporatisten' van de fakulteiten belangstelling hadden. Het gevolg was dat de kring van geïnteresseerden zich aanzienlijk uitbreidde en dat velen — naarmate de dialektiek aktie—reaktie op gang kwam — radikalizeerden. Terwijl gevreesd of gehoopt kon worden dat de campagne de nieuwe studentenleiding zou marginalizeren, gebeurde precies het tegenovergestelde. We kregen veel steunpunten in de fakulteiten bij, ontzenuwden de dooddoeners rond het revolutionair spook dat door Leuven dwaalde en betrokken een aanzienlijk ruimere groep studenten in een maatschappelijk relevante dis-kussie. Het was een betekenisvolle politieke overwinning. Niet in het minst omdat ze behaald werd tegen een ruim afwijzingsfront van professoren, kommentaarschrijvers en 'stigmatid'.

Met de 'strijd- en kultuurverenigingen' waren er rond de Me-redith-mars al een paar aanvaringen geweest. De aktie rond medezeggenschap zorgde voor een frontale botsing. Terwijl op 16 en 30 november, en op 14 december telkens bij de 4.000 studenten door Leuven stapten om een volledig onafhankelijke en demokratische universiteit te vragen en we iedere keer tot op de huid waren nat-gespoten, kregen we op het Koördinatiekomitee van de Vlaamse verenigingen de wind van voren. Op 21 december waren de Vlaamse leiders immers voor een groots opgevatte meeting naar Leuven afgezakt. Zo hadden zij het tenminste gepland. Dat viel enigszins anders uit, want er was nauwelijks een kraai in de zaal. Terwijl er de dag voordien nog een paar duizend door de Bond-genotenlaan stapten, moesten de Vlaamse voormannen voor een gehoor van enkele tientallen studenten het woord nemen. Zeer pijnlijk. Het leek op sabotage en geen één van de leiders die er aan twijfelde dat we in onze organizatorische plichten waren tekort geschoten. Dat we onderhand een beetje overwerkt waren — naast die drie betogingen op nauwelijks 14 dagen tijd hadden we ondertussen ook nog het Atomium, het Belgisch symbool van de moderne tijden, bezet en in het parlement gemanifesteerd — kwam bij de heren nauwelijks op. Terecht misschien want het was het gezelschap ook niet ontgaan dat Leuven die avond vooral met medezeggenschap bezig was. Aloïs Gerlo, de ex-kommunist maar nog altijd even bazig en betweterig, bond de kat de bel aan. Hij schreef dat hij zijn medewerking aan het Koördinatiekomitee wilde opschorten wat - zeer tot onze verbazing - indruk maakte. Op de volgende vergadering kreeg ik de volle lading en nog wel van Rik Borginon en Valere Portier, lieden met een verleden en niet meteen de meest progressieven die in de Vlaamse gouw rondliepen. Ze keurden het af dat de studenten akties ondernamen die niet vooraf door het komitee waren goedgekeurd. Ze werden voor het volle pond door Gerlo gesteund, die het taktisch volkomen fout vond om de eensgezindheid inzake de overheveling met niet algemeen Vlaamse eisen te doorkruisen. Toen werd het mij teveel. Ik was pas door Vlaamse leiders uit Leuven als student geschorst en had de laatste maanden een paar honderd kilometers voor de 'goede zaak' gestapt en nogal wat water en matrakslagen over mij gekregen en nu zou dit 'sanhedrin' ons vertellen wat wel en wat niet mocht. "De tijd dat studenten als huurlingen in de houding gingen staan, was voorbij. En bevelen hoefden helemaal niet meer, nog een verschil met vroegere generaties die zo graag in uniform rondliepen." Dat luchtte op, maar het klonk wel als een afscheid. De Vlaamse organizaties die in de jaren '70 met het verzet tegen het Egmontpakt hun laatste glorieus moment beleefden, bleken te rigide en te verkrampt om het kontakt met de nieuwe generaties te leggen. Met uitzondering van de staatshervorming misten ze de volgende jaren alle grote maatschappelijke debatten. Bij de uitzonderlijke mobilizatie tegen de raketten waren ze, ondanks de anti-militaristische inspiratie van de IJzerbedevaart, afwezig. Zelfs de aantasting van de Vlaamse kulturele identiteit door extreme commercializering, veroorzaakte geen tegenbeweging. Evenmin trouwens als het politiek extremisme tlat de Vlaamse problemen door de uitstoting van de andere wilde oplossen. Spijt de vele communiqués, kongressen en vrije tribunes, bleven de Vlaamse organizaties steeds nadrukkelijker aan de kant staan wanneer de wezenlijk belangrijke uitdagingen van de tijd aan bod kwamen. Misschien had het anders gekund.

Seks en katolieke etiek - Inhoud

Er waren de vorige maanden veel taboes aangetast en remmen weggevallen. Dat moest natuurlijk gezegd en vooral geschreven worden. Er borrelden veel onduidelijke initiatieven op, waarvan de centrale studentenleiding nauwelijks weet had en waarop ze nog minder vat had. De verbeelding begon te werken. Op een morgen prijkte op vele Leuvense muren het nieuwe letterwoord NUL en dat bleek voor Nederlandse Universiteit Leuven te staan. Er kwam ook een blad met die naam uit, met daarin de toelichting dat de "hele inboedel van de keuken van Vlaanderen is samen te vatten als nul". Nul was immers een 'anti-begrip'. Er zaten dus provo's achter het initiatief en dat versterkte het vermoeden dat Ludo Martens, de hoofdredakteur van Ons Leven, van wie geweten was dat hij al eens een trip naar Amsterdam maakte, er voor iets, zoniet veel, tussen zat. Dat vermoeden kreeg nog meer voedsel omdat NUL fel naar diezelfde Martens uithaalde en de hoop uitsprak dat de akademische overheid deze pseudo-revolutionair vlug uit Leuven zou doen verdwijnen. Dat leek een iets te doorzichtige provocatie. Dezelfde Martens had immers ophef en schandaal verwekt met een 'seksnummer' van Ons Leven. Hoewel de inhoud weinig voorstelde en inzake 'durf nauwelijks kon tippen aan wat vandaag in veel gelauwerde Vlaamse romans staat, volgde er prompt reaktie van de akademische overheid. Als er nog één artikel verscheen dat de kristelijke etiek aantastte, hoefde Martens geen examens meer af te leggen. Hoewel Martens zeer omstreden was, zette dat dreigement kwaad bloed. Als voorzitter van het KVHV werd ik bij vice-rektor Maertens ontboden. Het was hem aan te zien dat hij tegen de karwei opzag. Ik protesteerde tegen de onaanvaardbare beperking van de vrije meningsuiting en zei hem dat er over de kristelijke etiek de grootste onduidelijkheid bestond. Over de omstreden encycliek 'Humanae Vitae' werd niet gesproken, aangezien die pas enkele maanden later verscheen, maar wel over de groeiende diskrepantie tussen de normen en geboden en de seksuele praktijk van het katolieke volk, vooral de jongeren.

Opnieuw was de kerk een rendez-vous met de moderne tijd aan het missen. Het gesprek ontaardde, toen ik de monseigneur uitdaagde om een sluitend godsbewijs te geven. Het kwam er niet, want de vice-rektor vond dat het er noch het moment noch de plaats voor was. Er waren andere prioriteiten.

Intern is er over het eigengereid initiatief van Martens veel gebakkeleid. Ik vond het een onnodige provocatie, want ze verzwakte onze positie bij de andere studentenverenigingen. Je kon niet tegelijkertijd tegen alle taboes en kontroversiële onderwerpen aantrappen en dan nog eens hopen dat je een massale aktie op gang kon brengen. Het was toch geen speeltuin voor de individueelste expressie van de meest individuele frustratie. Martens was het daarmee niet oneens, bagatellizeerde het 'seksnummer' dat slechts een door anderen overroepen grapje was, en ging hard aan de studentenvakbeweging werken. Van dan af werd de seksuele revolutie vooral ondergronds en in stilte gevoerd, zonder manifesten of grensverleggende teksten. Iedereen zocht zelf wel uit wat kon en niet kon. Er was hoedanook meer mogelijk dan vroeger. De pil deed haar intrede en de scheiding der seksen in de studentenhuizen was op een paar maanden een folkloristisch papieren reglement geworden. En het belangrijkste van al, het zondebesef was weg. De marteling van de jonge man, zoals James Joyce ze had beschreven en die sommigen tijdens hun kollegejaren nog heel konkreet gekend hadden, was voorbij. "De zonden lekten niet meer als druppels schande uit de ziel, die etterde en lekte als een zweer, een smerige stroom boosheden." Van die verstikkende druk waren we (grotendeels) bevrijd.

Een paar weken later werd de SVB opgericht. Eerst als een werkgroep binnen het KVHV en vervolgens als een volledig onafhankelijke organizatie. Dat de overheveling nog een grootschalige mo-bilizatie kon teweegbrengen, geloofde Martens niet meer. Dat probleem zou op hoog niveau, ver van de studenten worden opgelost. Ik probeerde verder het tegendeel te bewijzen en lanceerde op i maart 'Operatie Ultimatum' waarin opnieuw veel betoogd werd, en die op 26 april met een massamanifestatie werd afgesloten.

Zonder sukses evenwel, want de gevraagde beslissing over de overheveling kwam er niet. Opnieuw probeerden we een staking te forceren, maar deze keer mislukten we. De fakulteitskringen weigerden hun medewerking. Leuven was echter van aanzien veranderd, want de muurkranten hadden hun intrede gedaan. Het was een Chinese vondst, die we als eersten in het Westen introduceerden, en die geruime tijd een opmerkelijk sukses kende. Het visua-lizeerde de veranderde mentaliteit en riep associaties op met de onbegrijpelijke, maar toen nog fascinerende omwentelingen in China. Dichter bij ons gebeurden al even opmerkelijke dingen. In de Verenigde Staten waren het vooral de universiteiten die tegen de oorlog in Vietnam in verzet waren gekomen en de regering van president Johnson met een binnenlands front konfronteerden. In Berlijn werd de noodtoestand afgekondigd nadat de student Benno Ohnesorg tijdens een manifestatie tegen de sjah van Perzië was doodgeschoten. 1968 was nu heel dichtbij.

Hoofdstuk 6 - Inhoud

Het memorabele begin van een wonderjaar - Inhoud

De dood van de Berlijnse student Benno Ohnesorg op 2 juni 1967 betekende ook voor de Vlaamse studentenbeweging een keerpunt. Op haar beurt sloot ze bij de internationale kontestatie aan en belandde met haar denken in nieuwe sporen. Bij een betoging tegen de sjah, die op officieel bezoek in Duitsland was, werd Ohnesorg, die voor het eerst aan een studentenmanifestatie deelnam, door een politieagent in burger neergeschoten. In Berlijn brak daarop zo'n heibel uit dat de burgemeester de noodtoestand afkondigde. De herrie breidde vervolgens naar zowat alle Westduitse universiteiten uit en op vele plaatsen kwam het tot ongeregeldheden. De buitenparlementaire oppositie, zoals die door de sds, de meest aktieve studentenorganizatie met ondermeer het Duitse studen-tenboegbeeld Rudi Dutschke, werd gepromoot, begon de politieke scène te beheersen. Ze had ook invloed op ons denken, want er werd met overzichtelijke, rudimentaire schema's gewerkt. Alle politieke partijen, ook de kommunistische, werden op één hoopje geveegd. Dat van de reaktie en het bange verdedigen van de bestaande orde. De studenten daarentegen kregen een zeer eminente en strategische rol toebedeeld. Zij werden uitgeroepen tot de avant-garde van de nieuwe samenleving, want ook de arbeidersklasse was 'hopeloos' geïntegreerd. Herbert Marcuse en zijn een-dimensionele mens waren in aantocht. Dit ideeëngoed sijpelde vlug in Leuven door. De pers begon Duitsland te volgen. Bovendien waren er ook rechtstreekse kontakten. Na de dood van Ohnesorg trok een Leuvense delegatie naar Berlijn waar ze een paar dagen in de heksenketel rondliep. Diep onder de indruk en met veel teorie en kilo's papier kwam ze terug. In vergelijking met Berlijn '67 was Leuven '66 slechts kinderspel geweest. De hele tijd door zaten de kollegezalen vol en niet de proffen voerden het hoge woord, maar wel de aktivisten. En voor het eerst kwam de inhoud van het onderwijs en het wetenschappelijk onderzoek in het vizier. Met verbijstering lazen we de eerste rapporten waarin werd aangetoond hoe de Amerikaanse universiteiten in de militaire research rond de oorlog in Vietnam werden ingeschakeld. Uit de Berlijnse dokumentatie bleek trouwens dat het lang geen exclusief Amerikaanse ziekte was. Ook in Duitsland was het al zover en gebeurden er bedenkelijke dingen. De universiteit werd een hulpje van het bedrijfsleven en de studenten dreigden, indien deze evolutie niet werd bijgestuurd, tot vakidioten in plaats van kritische intellektuelen te worden opgeleid. Er was dus nood aan een 'kritische universiteit', een Duits begrip dat zeer vlug gemeengoed zou worden en waarop de diskussies zich de volgende maanden zouden toespitsen.

Ook uit Nederland werden geschriften en projekten geïmporteerd. In Nijmegen was Ton Regtien immers met een Studenten Vakbeweging (SVB) begonnen en de idee maakte vlug aan alle Nederlandse universiteiten furore. Regtien was geen volksmenner, maar wel een gedreven, getormenteerde en rechtlijnige doorzetter. Hij was het die in september '67 de 'Kritische universiteit van Amsterdam' lanceerde. "De universiteit van vroeger", zo zei hij bij die gelegenheid, "was een ivoren toren die los stond van de maatschappij. Vandaag wordt ze omgebouwd tot een soort ivoren fabriek, een grote hygiënische broedbak voor jong intellekt, specialisten met vakkennis en een tot het eigen vakgebied beperkende kritische zin." Hij was één van de hoofdfiguren bij de bezetting van het Maagdenhuis, het administratief centrum van de Amsterdamse universiteit, in april 1969 en ik heb toen veel met hem gepraat. In de jaren '70 kreeg hij het een paar keer met Roei van Duyn, de bezieler van de opgedoekte provobeweging, aan de stok, want Regtien was toen bij de Nederlandse kommunistische partij CPN verzeild geraakt. Dat duurde niet lang en na nogal wat ontgoochelingen belandde hij in de journalistiek. In 1977 reisde hij naar Bolivië om er tien jaar later de laatste levensdagen van Che Guevara te rekonstrueren. Hij schreef er een aangrijpend verhaal over. Toen ik hem het laatst ontmoette, op de redaktie van De Morgen, maakte hij een ontmoedigde indruk. De veer leek gebroken. Hij had zich het leven en de nieuwe maatschappij heel anders voorgesteld en kon het verleden met de konsekwente principes niet opgeven. We maakten afspraken over journalistieke samenwerking, waarvan nooit iets gerealizeerd werd, want een paar maanden later verscheen in de Nederlandse kranten een klein berichtje dat hij overleden was.

'Fleet Street' aan de Dijle - Inhoud

In Leuven was het vooral Ludo Martens die met een studenten vakbeweging van start wou gaan. Na de tribulaties rond het seksnummer, begon hij teksten te schrijven waarin de oprichting van een Leuvense Studenten Vakbeweging werd aangekondigd. Het zou een werkgroep van het Verbond worden... Toen ik op het einde van het akademiejaar opnieuw als praeses werd verkozen, kregen de traditionele aktiviteiten van het KVHV nauwelijks nog een vermelding en ging de diskussie in hoofdzaak over het studentensyndikalisme en de nieuwe werkgroep. Was de SVB autonoom of moest ze zich verantwoorden tegenover het KVHV, zijn raad van bestuur en aandeelhouders? Mijn antwoord vertoonde vele hiaten maar omdat ik ook deze keer geen tegenkandidaat had, werd er niet echt op doorgeboord. Het was echter een onhoudbare toestand en een paar weken later beslisten we — tot grote opluchting van de raad van bestuur van het Verbond - dat de SVB het KVHV zou verlaten en op eigen vleugels verdergaan. In het begin van het akademiejaar nam ik ontslag als praeses en verhuisde op mijn beurt naar de SVB, als 'werkleider'. Buiten die drie letters en pakken buitenlandse brochures was daar niets. Geen blad, geen bankrekening, geen frank in de kas, geen struktuur, geen adres. Wel hadden we van alle studentenorganizaties veruit de meeste militanten en het beste kader. In het Verbond, waar er allerminst gebrek aan geld was en waar er fantastische verhalen de ronde deden over de fortuinen die de organizatie in katolieke en Vlaamse brouwerijen beheerde, waren we anders gewend. Na een paar weken hadden we de levensnoodzakelijke basisinfrastruktuur van de organizatie voor elkaar. Een adres (Eikstraat 5), een telefoonnummer en het allerbelangrijkste, een blad. Het kreeg een zakelijke titel: '13 mei', de dag van het mandement. Het idee kwam van Raf Maschelein, nu prof in Leuven en destijds een gematigd radikaal. De uitgave van het blad was een kollektief avontuur. Omdat alles zuinig moest, deden we de vormgeving zelf en drukten we in offset. Dat was een innovatie in de toenmalige studentenpers, die toen nog volledig in lood, dus saai en weinig kreatief, op de persen werd gelegd. Ook de verkoop was een grootschalige onderneming. Abonnementen hadden we immers niet zodat — in tegenstelling tot de rest van de studentenpers — alle exemplaren moesten worden gevent. Dat lukte. Elke keer verkochten we vele honderden exemplaren want op dat moment was '13 mei' het medium dat als een breekijzer de mentale rekonversie probeerde te forceren. Het was het studentenblad dat durfde...

Het is geen toeval dat vele '68-ers uit Leuven later in de journalistiek terechtkwamen. Belangstelling voor de pers was er trouwens al bij de lichting die net voordien was afgestudeerd. Frans Verleyen, Guy Mortier, Herman Deconinck, Edi Clijsters en Waker Zinzen, die de opkomst van de rumoerige jaren nog hadden meegemaakt, werden bekende pennen of gezichten. Nadien kwamen Geert Van Istendael, Gie Polspoel, Johan Depoortere, Toni Vanden Bosch, Brigitte Raskin, Jos Bouveroux, Paul Huy-brechts, Mon Vanderostijne, Wilfried Hendrickx, Waker Debock, Paul Theunisse, Francis Vanden Berghe, Harry Coenjaerts en anderen. En ook Leo Neels en Mark Appel waren bekende Leuvense namen. Allemaal waren ze toen geïnteresseerde en niet zelden hyperaktieve kontestanten. Velen schreven hun eerste, doorgaans erg geëngageerde stukjes in de toenmalige studentenpers. Daar werd een Leuvense journalistieke school gevormd, alhoewel het me steeds minder duidelijk is wat het gemeenschappelijk kenmerk van die bonte troep is. Ooit dacht ik dat het de kwaliteit en een metodisch wantrouwen tegenover het gezag was, maar sinds de komst van vtm houdt die stelling geen steek meer. Sommigen leefden al als journalist en verwierven invloed omdat ze nadrukkelijk in de studentenpers aanwezig waren. Zo slaagde Coenjaerts er met groot talent in om van 'Rerum', het brave blad van het Fakultei-tenkonvent, een vinnig en belangrijk politiek akteur te maken. Zijn interviews en nieuwsgaring waren voor de 'Leuvense Wetstraat' een must. Ze bepaalden het klimaat en zowel de studenten-leiding, de akademische overheid als de kommandant van de rijkswacht, probeerden er zich van te bedienen als ze de publieke studentenopinie wilden bereiken.

Die mediainteresse was geen toeval en nog minder een tijdverdrijf. Het was een noodzaak zoals later ook in het buitenland, ondermeer in Frankrijk met Liberation is gebleken. Als we niet betoogden of vergaderden, waren we met teksten en bladen bezig, want het geloof in de kracht van het geschreven woord was nog uiterst solide. Een feit, zeker als het politiek of maatschappelijk was, bestond maar als het op papier stond en door anderen kon gelezen worden. Vandaar het sukses van de muurkrant, want was het Mao niet die gezegd had dat de macht uit de loop van de viltstift kwam? Bij momenten leek het schrijven zelfs een volwaardig substituut voor de aktie. Eerst was er altijd het woord, de tekst, het manifest of het ideologisch platform, en dan pas was er de daad, die niet zelden synoniem was voor een nieuwe woordenvloed maar dan op grotere schaal en via een ander medium. Kortom, de zoveelste variant op het scheppingsverhaal. Eerst is er het woord en het woord is god. Het was heel absoluut en tegelijkertijd erg schizofreen. Hoewel we er ons nauwelijks bewust van waren, was onze generatie de eerste die haar tijd en de wereld niet uit boeken, en slechts zeer ten dele uit kranten had leren kennen. We waren de eerste lichting jongeren die met de televisie groot werd en de vergelijking tussen de visuele en de verbale versie van de feiten kon maken. En niet zelden was de werkelijkheid anders dan men ons had voorgehouden en vooral voorgeschreven. Nauwelijks twintig hadden we al teveel van de wereld en de Mekong-delta gezien om

nog veel geloof aan de simpele kreten van de bejaarde waakhonden van het naoorlogs fatsoen te hechten. We waren tenslotte de eerste jongerengeneratie die jaren na elkaar elke avond naar oorlog kon kijken, als toeschouwer. We zagen boven Vietnam de bommen en de napalm uit de B-52's vallen en een tijd lang geloofden we Lyndon Baines Johnson, de opvolger van John Kennedy, die beweerde dat de terroristen, die pas veel later vrijheidsstrijders werden genoemd, beslissende nederlagen waren toegebracht. Toch kapituleerde Vietnam niet, ondanks de 'hightech' en een half miljoen Amerikaanse militairen. Vreemd.

Wat was het toch dat sterker was dan superieure vuurkracht en waarom zag je alleen een vuile oorlog, terwijl ons nochtans werd voorgehouden dat er slag werd geleverd voor het goed van de Westerse beschaving? Ook Paul Vanden Boeynants zagen we met andere, juistere ogen dan de kranten. Helemaal geen wonderboy of een voorloper van de charismatische beweging, wel een uitgekookte sjoemelaar die het land en de funktie voor eigen eer en glorie liet renderen. De beelden, meer dan de boeken, hebben de fundamenten van veel dogma's aangetast, die de overlevering en traditie in ons hoofd hadden geheid. Ze verdreven veel simplistische mytes rond de eenvoud van goed en kwaad, oost en west. Zo ze onze onschuld niet aantastten, dan wisten ze alleszins veel naïef vertrouwen in de gedrukte waarheid uit. De schrijvende pers werd gezien en vooral ervaren als een spreekbuis van belangengroepen, en dan pas als een betrouwbare informatiebron. We konden immers vergelijken en oordelen. Niet alleen de kommentaren over de studentenbeweging verschilden al naargelang de partijpolitieke 'roots' van de kranten, maar evengoed de verslaggeving. Bovendien waren de kranten uit die dagen oud, grijs en saai. Ze waren de bolwerken waarin de generatie van na de bevrijding zich had verschanst. Die slikte de zelfbewuste mondigheid van de nieuwe generatie niet en nog minder haar misprijzen voor de voorgekauwde waarheden en paternalistische waarschuwingen. Wij irriteerden hen en zij irriteerden ons, omdat we hen lakeien van de macht vonden. Zoveel meer dan vandaag had de waarheid in België een kleur en leek onafhankelijke of autonome journalistiek een utopie. In tegenstelling tot radio en televisie liet de schrijvende pers geen gelegenheid voorbijgaan om de rebelse jongeren te waarschuwen en — met opgestoken vinger — terecht te wijzen. De toon was meestal paternalistisch en met een hardnekkigheid een betere zaak waardig, probeerde men de 'misleide' studentenbevolking tegen de 'valse leiders en agitatoren' op te zetten. Vooral het dagblad Het Volk, dat toen een direkte lijn met de top van de kriste-lijke vakbond en het rektoraat had, onderscheidde zich met 'koude oorlogstaai' tegen de linkse 'subversie'. Telkens keerde de indringende en eentonige vraag terug hoelang de akademische overheid dit 'mollenwerk' nog zou dulden. De Standaard en Manu Ruys schreven subtieler, maar niet fundamenteel anders en werden altijd bereid gevonden elk bazig optreden van de overheden met weinig ter zake doende argumenten te vergoelijken. "Veel twijfelachtiger", aldus Ruys na de schorsing van de studentenverant-woordelijken en de rel rond het seksnummer, "was het bijna principiële negativisme t.o.v. gezag, kerk, geloof en dies meer; het was duidelijk dat een vrije universiteit zich vroeg of laat zou verzetten tegen de afbraak van die katolieke beginselen, waarvoor zij toch was opgericht."

Afscheid van Leuven-Vlaams? - Inhoud

Het hield ons waakzaam en leerde ons veel over België, zijn pers, en volgzame journalisten en intellektuelen. Het was ook een aansporing om een journalistieke tegenmacht te organizeren, zodat een andere versie en een andere interpretatie van de feiten aan bod konden komen. De Leuvense studentenpers - naast 13 mei, Rerum en Ons Leven waren er ook nog Universitas en de vele fakul-teitsbladen - haalde toen een uitzonderlijke kwaliteit en voor de auteurs was het een uitgangspunt dat hun teksten niet vrijblijvend waren. Ze bepaalden mee het klimaat, stimuleerden het intel-lektueel gistingsproces en lagen dikwijls aan de basis van felle nachtelijke kontroverses. Tussen 'El Rincon' en 'The Pipe' werd er tot vroeg in de ochtend intens en fel gepolemizeerd, vooral met de SVB, de nieuwste, armste en meest dynamische studentenorga-nizatie. Het risico dat de studentenvakbeweging eenzaam aan de kant belandde, was bij de oprichting meer dan reëel. Dat dit niet gebeurde, kwam mede door het geduldig praten met kringverantwoordelijken, eerstejaarsstudenten en de studentenpers. Die evolueerde geleidelijk en begon op haar beurt kritische tema's uit te spitten. Daarnaast ontweek de SVB het isolement door Leuven-Vlaams niet los te laten. Evident was dat niet, want de lektuur van al die radikale Duitse teksten verhoogde de belangstelling noch het begrip voor het bescheiden, lokaal probleem. De nieuwste studentenlichting beschouwde het als een afgezaagd, burgerlijk tema dat slechts de aandacht van de fundamentele tegenstellingen kon afleiden. "Trouwens", zo werd in december '6j in SVB-krin-gen geargumenteerd, "de overheveling interesseert de Leuvense studenten niet meer." Na lang palaveren hadden de rivalizerende studentenorganizaties de handen in elkaar geslagen en een Aktie-komitee Universitaire Expansie opgericht. Op 13 december orga-nizeerde het zijn eerste betoging en slaagde er met moeite in om 1.000 studenten op de been te brengen. Dat was ongeveer evenveel als voor een protestaktie een paar dagen eerder, tegen het neerschieten van een landbouwer door de rijkswacht in Oudenaarde. In de SVB kwam het tot een groot strategisch debat en meningsverschil. Toen we iets voor Kerstmis brainstormden over wat er ons in '68 zoal te doen stond, kwam Ludo Martens, die allicht een meerderheidsstandpunt verdedigde, tot de konklusie dat het geen zin meer had ons kruit nog langer voor Leuven-Vlaams te verschieten. Dat probleem zou wel in der minne worden opgelost, want iedereen, in eerste instantie de bisschoppen, had zijn lesje geleerd en fouten zoals in mei '66 zouden niet meer worden gemaakt. De studentenbeweging moest voorgoed afscheid nemen van de tema's die haar door de Vlaamse bourgeoisie waren opgedrongen. Ik was het daar niet mee eens en voelde me erg ongemakkelijk in mijn vel. Ik begreep absoluut niet hoe men de werkelijkheid, namelijk de levensgrote communautaire tegenstellingen en de patsituatie die eruit volgde, kon negeren. Het Leuvens dynamiet was intakt en kon op elk moment exploderen. Hoe ik ook argumenteerde, ik kreeg geen gelijk en voor het eerst ontdekte ik de linkse blindheid. Waarom zou men zich trouwens, zo luidde een veel gehoorde opmerking, nog verder om Leuven-Vlaams bekreunen? Het was toch geen zuivere strijd. Een jaar voordien lag ik met de Vlaamse leiders in de clinch omwille van de Vlaamse zuiverheid. Nu kwam het in eigen rangen bijna tot kortsluiting omwille van de linkse zuiverheid. Alsof politiek niet altijd een amalgaam is van invloeden en tegenstrijdige stromingen, het tegendeel dus van een matematisch model of van een helder teo-retisch schema.

De woede in beeld gebracht - Inhoud

Op 15 januari 1968 kwam er plots een einde aan de kunstmatige vrede die meer dan een jaar lang in Leuven had geheerst. Veertien dagen voordien eiste de frankofone ultra professor Paul De Visscher in een geruchtmakend artikel in La Libre Belgique het recht op een volledig vrije expansie in het Leuvense op. Daarbij beriep hij zich, zoals het in die dagen in die kringen gebruikelijk was, op 'la décision irrévocable de l'épiscopat.' Op 14 januari volgde de akademische raad van Leuven-Frans hem eenparig en een dag later werd het plan openbaar gemaakt. Leuven-Frans zou in Leuven blijven en in Ottignies zou een speciale inplanting komen. Elke uitleg over wat daar zou worden neergepoot, ontbrak evenwel. Het was een vrij duidelijke tekst. De Franstaligen weigerden de overheveling en leken vastbesloten om zich definitiefin het Leuvense te nestelen. De Vlaamse diplomatie om het 'Front des Francophones' te breken, had gefaald. Dezelfde dag reageerde het eensgezinde Leuvense studentenfront met een fel communiqué en kondigde het voor de volgende dag een volksvergadering in het kollege De Valk aan. Een doordachte keuze, de auditoria van de rechtsfakulteit waren niet al te groot en als ze goed volzaten, heerste er vlug een daverende ambiance, 's Avonds, op mijn kot in de Eikstraat waar de SVB haar hoofdkwartier had, werd de nieuwe situatie in een kleine groep nog even doorgepraat. Michiel Vandenbussche en Mon Vanderostyne waren erbij en we namen het scenario voor de volgende dag door. Ik zou op de volksvergadering als laatste praten, alle registers opentrekken en afronden met de oproep om een 'bezoek' aan de universiteitshallen te brengen. Daar moest het dan gebeuren en we moesten er zeker van zijn dat de televisie er was.

Het verschil met de reaktie in '66 was opmerkelijk. Toen trok de studentenleiding zich met 24 uur vertraging in konklaaf terug en bezon ze zich vele uren over een motie. Vervolgens besliste ze dat er een uitgebreid dokument zou komen en ondertussen vergat ze de 'basis' te zeggen wat er te doen was. Deze keer ging de eerste aandacht niet naar het woord maar naar het beeld, de aktie dus. Als we uit die eerste revolte al iets onthouden hadden, was het dat het er vooral op aankwam de krisis te visualizeren. Pas als we daarin slaagden, zou Vlaanderen begrijpen dat het menens was en konden we hopen dat de vonk naar de andere onderwijsinstellingen, in eerste instantie naar de universiteiten, zou overslaan. De aanpak was dus iets professioneler. Ik was die avond behoorlijk gespannen. Terwijl vele studentenverantwoordelijken, niet in het minst bij de SVB, oordeelden dat het Franstalig expansieplan slechts een strovuurtje zou veroorzaken, was het mijn overtuiging dat het tot groot vuurwerk kon leiden. Als we tenminste korrekt reageerden, want dit was hèt moment dat we niet mochten missen. "De timing is alles. Als die meezit, kun je op een paar dagen zaken realizeren waar je anders jaren voor nodig hebt." Dat hoorde ik André Leysen enkele jaren later zeggen, toen hij vertelde hoe hij de plotse stijging van de zilverprijs had aangegrepen om Bayer hoofdaandeelhouder in Agfa-Gevaert te maken. Hij glunderde toen hij het verhaal uit de doeken deed. Hij wist trouwens dat hij een aandachtig toehoorder had die zulk talent naar waarde wist te schatten. Tijdens de hete zomer van 1976 was ik hem thuis in Wilrijk gaan opzoeken. Met een vonnis van de Brusselse rechtbank van Koophandel op zak, zei ik hem dat het nu of nooit was. Tenminste als hij ooit De Standaard wilde kopen. Hij luisterde, schoot onmiddellijk in aktie en belde me toen bijna dagelijks op. Toen ik tien jaar later met een gelijkaardig verzoek voor De Morgen kwam, reageerde hij niet en raadde hij mij aan een nieuwe politieke partij op te richten...

De intuïtie dat er elektriciteit in de lucht hing, bleek juist. Het auditorium in De Valk zat afgeladen vol — enkele honderden meer dan toegelaten — en je kon de kruitdamp ruiken. Het knetterde en op elke zin die achter de mikro werd uitgesproken, volgde een salvo van oproerige kreten. Het meest in trek waren 'Bourgeois buiten' en 'Revolutie', een heel verschil met '66. Voor de tweede keer in minder dan twee jaar hoorde ik mezelf een algemene staking van onbeperkte duur afkondigen en opnieuw werd de normale beslissingsprocedure op flagrante wijze genegeerd. Niemand die er zich over bekreunde, wel integendeel. Het auditorium daverde en wilde onmiddellijk aan de slag. Naar de Hallen dus. Daar werden de kantoren van de vice-rektoren, zowel de Vlaamse als de Franstalige, lelijk toegetakeld en een deel van het meubilair, inklu-sief enkele fichesbakken, belandde op de Oude Markt en werd in brand gestoken. De kamera's draaiden, want dit was woede. Voor één keer was de rijkswacht kompleet verrast en rukte ze slechts met ruime vertraging uit. Toen ze de Hallen bereikte, was er nauwelijks nog een student te bespeuren. Die waren over de hele stad uitgezwermd, ondermeer naar het Handelskot waar het tot een spektakulair kat- en muisspel kwam. Ik kon op het nippertje uit de grijpgrage handen van een ordehandhaver ontsnappen door uit een open raam te springen. Anderen hadden minder geluk, want die dag werden meer dan 300 kollega's opgeleid, 's Avonds waren de rellen het eerste bericht op het BRT-nieuws. Het leek of heel Leuven brandde en de ganse stad kookte. Die nacht gingen de lichten in het SVB-huis niet uit. Er werd de hele tijd vergaderd en pas in de vroege uurtjes ging iedereen naar bed. De meesten gingen elders - in een rustige hoek van de stad - slapen, want we vreesden dat politie en rijkswacht zouden anticiperen op de woelige dag die komen zou.

'Le repos du guerrier' - Inhoud

Het werd inderdaad een memorabele dag. Tegen valavond was er opnieuw een volksvergadering gepland, om de stand van zaken op te maken en de verdere campagne te bespreken. Het auditorium zat opnieuw barstensvol en de sfeer was nog grimmiger dan de dag voordien. Deze keer konden we ons aan een snelle interventie verwachten. Het gezag zou zich geen tweede maal laten verrassen. Jef Dauwe, praeses van het KVHV, praatte als eerste maar was nauwelijks met zijn speech begonnen, toen er hoog in het auditorium luid gestommel werd gehoord. Gelaarsde heren in blauwe plunje en met wapenstok deden hun intrede en kwamen tergend traag de trappen af, in hun midden majoor Reviers in groot ornaat. Op imperiale wijze dirigeerde hij de maneuvers. Het was prachtig teater, zeer intimiderend en Dauwe verloor de draad van zijn betoog en schoof me de mikro toe. Ik haalde even diep adem, keek Reviers recht in de ogen en zei dat het nu wel duidelijk was wat we onder vrije meningsuiting moesten verstaan. Die bestond slechts bij de gratie van de knuppel. Verder kwam ik niet, want ik werd nogal hardhandig vastgepakt en samen met een paar medestanders opgeleid. In het lokaal brak vervolgens een onwaarschijnlijk tumult uit. Toeval of niet, maar er stonden vele flesjes bier in het auditorium en die kon je, zo werd daar proefondervindelijk uitgetest, ook als projektiel gebruiken. Ik kreeg een plaatsje in de combi van de rijkswacht en bracht de nacht in een cel van de kazerne door. Het was er weinig komfortabel en ook niet echt rustig. Er was die nacht veel volk op straat en het geschreeuw, ondermeer dat ik onmiddellijk "uit de handen van de fascisten moest komen", kon ik tot in de cel horen. De rijkswachtautoriteiten die vroeger stonden te dringen om een praatje te maken, lieten zich niet meer zien. Deze keer leek het menens.

Pas 's anderendaags werd het mij duidelijk dat ik het enige tijd zonder zakgeld zou kunnen stellen. Terwijl Jef Dauwe vrijkwam, werd ik met een speciale eskorte naar 't Klein Gevang in Leuven gebracht. Deze revolte zou ik op afstand, als toeschouwer, meemaken. Ik vond het uitermate frustrerend, maar niet echt verontrustend. Het leek me een vrij normaal 'beroepsrisico'. Toch vreesde ik een paar keer in een val terecht te komen. Zo kreeg ik een wee gevoel toen de onderzoeksrechter mij voorlas waarvan ik werd beticht. Het was niet niets, want bij de beschuldigingen hoorden ondermeer het leiden van gewapende benden en inbraak in privé-gebouwen. Tot daar toe, maar de zielepoot probeerde mij de hele tijd te destabilizeren en beriep zich daartoe op getuigenissen en verldaringen van medestudenten die mijn vele misdrijven bevestigden. Het kostte me weinig moeite om deze vertegenwoordiger van de onafhankelijke rechterlijke macht in zijn gezicht uit te lachen en hem eens duidelijk mijn gedacht te zeggen. Toen verloor hij zijn zelfbeheersing en ik was een psychologische overwinning en een aanklacht rijker: smaad. Helemaal gerust was ik er niet in. Het leek wel alsof er een Praags proces in de maak was. Die indruk werd een paar dagen later versterkt toen de radio met het bericht uitpakte dat men in Parijs een obskuur sujet met mijn internationaal paspoort had opgepikt. Dat kon niet, want enige tijd voordien had mijn vader het dokument in kwestie ingeleverd en sindsdien was het niet opgehaald. Als het in Parijs gevonden was, had de politie het georganizeerd. Er kwamen dus 'dirty tricks' bij te pas en dat maakte me achterdochtig en beklemd.

Na 14 dagen kreeg ik mijn vrijheid terug. Tot een proces is het nooit gekomen en van de zware beschuldigingen heb ik niets meer gehoord. De operatie 'beschadiging' werd dus voortijdig afgebroken, allicht onder druk van een Vlaamse publieke opinie die de kant van de studenten had gekozen. De twee weken cel, één in Leuven en één in Vorst, hadden mij weinig aangevreten. Ik kan tegen eenzaamheid en tijdens die veertiendaagse retraite kwam ik op adem. Regelmatig slapen, eten, geen telefoons of vergaderingen, en de hele dag door lezen en schrijven. Er zijn erger dingen.

Waker De Bock had me een stapeltje boeken bezorgd dat -vreemd genoeg — voorbij de censuur was geraakt. Fier als een gieter, want hij sympatizeerde ook wel met de 'goede zaak', overhandigde de gevangenisdirekteur van Leuven me het pakket subversieve lektuur. Zelfs de militaire geschriften van Mao werden me door de direktie welwillend toegestopt. De gebeurtenissen aan het Leuvense front kon ik op de radio volgen en ik geloof niet dat ik die dagen één nieuwsuitzending heb gemist. Regelmatig hoorde ik mijn naam, want van Roeselare tot Turnhout eisten betogende scholieren mijn onmiddellijke vrijlating. In zulke omstandigheden is het niet moeilijk om stoer te blijven. De verdienste was zeer gering, zoals ik twee jaar later kon ervaren. Toen kreeg ik op een Britse militaire basis, ver in Duitsland, veertien dagen militair cachot omdat ik in een Humo-interview weinig lieve dingen over het Belgisch leger en zijn leiding had verteld. Toen moest ik het zonder radio, boeken of sigaretten stellen en nergens was er iemand die protesteerde. Dat vreet je wèl aan.

Of je het wilt of niet, in de cel ontsnap je niet aan de moeilijke vragen. Als de cipiers of medegevangenen ze niet stellen, komen ze vanzelf. Bijvoorbeeld of de politiek wel de moeite waard is om er dergelijke risico's voor te lopen. En of deze zaak belangrijk genoeg was om er die toestanden voor over te hebben en er toekomst of karrière voor te hypotekeren. Op de rand van mijn brits heb ik daar, terwijl de sigarettenrook traag omhoog cirkelde, veel over gepiekerd. En hoe meer ik er over nadacht, hoe zekerder ik werd dat het geen bevlieging en nog minder 'spielerei' mocht zijn. Ik twijfelde toen bevreemdend weinig wat zeker met mijn opvoeding te maken had. Toen al was veel over sociale verantwoordelijkheid gesproken en had ik mij intens voor karitatieve akties ingezet. De karitas was politiek geworden, maar de motivatie en de intensiteit van het engagement - op dat ogenblik nog geen vies woord — waren gebleven. Natuurlijk was het toen zoveel eenvoudiger om te geloven dat je de dingen kon keren. Het utopisch denken was nog niet aangetast door het failliet van de grote alternatieve systemen. Dat gaf hoop en perspektief. Bovendien hadden 'the golden sixties' en de welvaartsmaatschappij de traditionele kwalen van het kapitalisme nog niet toegedekt. Er was nog duidelijkheid, een arbeidersklasse en eilanden van armoede, zodat je wist dat je een verantwoordelijkheid tegenover de kollektivitek had. En ook hèt axioma van die jaren, "full employment", stond nog overeind. Pas in het midden van de jaren '70, na de oliekrisis, ontstond twijfel aan John Maynard Keynes en zijn recepten. Daarvoor bestond nog de zekerheid dat het marktmechanisme kon en moest gekorrigeerd worden en dat het de enige weg naar sociale gerechtigheid was. Die zekerheden, dus ook het geloof in het nut van de politiek, werden in de jaren '80 uitgehold. Wij, nauwelijks twintig, waren er echter van overtuigd dat we het onrecht uit de wereld konden helpen en dat we oorlogen konden voorkomen of toch tenminste stoppen, zoals bleek in Vietnam. We werkten met schema's en koncepten, waarvan we zeker waren dat ze bijna of grotendeels klopten. Ongetwijfeld waren we naïef. Het etiket dat op iedere idealist kleeft en hem of haar een beetje pantsert tegen een teveel aan luciditeit, doorgaans een eufemisme voor cynisme, de maatschappelijke kwaal van het tv-tijdperk. Ik verliet de gevangenis in uitstekende konditie. Lekker uitgerust en iets serieuzer dan voordien kon ik de arena weer in.

Hoofdstuk 7 - Inhoud

Tussen solfer en mededogen - Inhoud

"Mag ik de geachte vergadering voor de gevaren van de personen-kultus waarschuwen." Het waren de eerste woorden die ik na twee weken cel wist te verzinnen. Ik was opnieuw thuis, op het podium van het tot de nok gevulde studentenrestaurant Alma II, voor de volksvergadering. Het had even geduurd eer ik dat niet echt geïnspireerd zinnetje kon formuleren, want ik werd op een applaus getrakteerd alsof ik net met ruime voorsprong de Ronde van Frankrijk had gewonnen. Ik wist niet hoe me te houden: handen in de broekzakken of een vuist triomfantelijk in de lucht. Je moet uit biezonder hout gesneden zijn om als populair objekt op het toneel te staan, je te laten toejuichen en toch geen rotfiguur te slaan. Op zulke momenten moet je geluk hebben, of een zakdoek. Ik begon uitgebreid mijn neus te snuiten en zo tikten de sekonden voorbij en had ik iets om handen, een bezigheid. De rest van mijn optreden was kinderspel. Wat ik ook zei, de vergadering klapte zich te pletter. Dit is slecht voor het ego van de spreker en bovendien geen bewijs van een hoogontwikkelde kritische zin bij de toehoorders. De avond voordien was ik in Leuven toegekomen en ik had al een paar sterke inside-verhalen gehoord. Niet in het minst over de ambiance op die volksvergaderingen. Toch overtrof de waarneming de verbeelding. Er was een onwaarschijnlijke, broeierige sfeer, en bij momenten had ik de indruk dat ik in een heel ander Leuven was beland. Zelfs de ergste burgerlijke specimen riepen om de haverklap en met gebalde vuist 'Revolutie' en typen die veertien dagen voordien nog de gematigdheid en de bedaardheid zelfwaren, ontpopten zich nu tot vervaarlijke agitatoren. Heel de Leuvense studentenbevolking leek door een opstandig virus te zijn aangetast en propagandist van de meest radikale standpunten te zijn geworden. Mijn verwondering was groot en evenaarde mijn argwaan. Was dit een psychose, een modieuze pose of hallucineerde ik?

Zo abnormaal was die opgefokte sfeer natuurlijk niet. Het was er die dagen heel ongewoon aan toegegaan. Bijna drie weken was Leuven een echte broeikas geweest, op weinig na een bezette stad, waar het 's nachts haast even druk was als overdag. En er gebeurden vreemde dingen. In zowat alle studentenhuizen waren huiszoekingen verricht. Ook mijn kot in de SVB was grondig overhoop gehaald en in het ouderlijk huis hadden de speurders eveneens in kleerkasten en boekenrekken naar het verbodene gezocht. Ondanks een nieuw betogings- en samenscholingsverbod was er bijna onophoudelijk gemanifesteerd en in tegenstelling tot het jaar voordien, werd er niet langer met de rijkswacht gepalaverd. Het was hard tegen zeer onzacht geworden. Kommandant Reviers was van taktiek veranderd, had zijn diplomatieke aanpak opgeborgen en liet zijn korps opnieuw met overtuiging en entoesiasme knuppelen. Gebeurde dit op bevel van hogerhand - de bevoegde minister Herman Vanderpoorten was een tolerante liberaal maar was zeer allergisch voor straatrumoer - of was Reviers tot de konklusie gekomen dat praten zinloos was? Bij mijn aanhouding had hij me al toegesist dat ik er deze keer spijt zou van hebben. Blijkbaar was hij er toen al van op de hoogte dat ik voor langere tijd uit de circulatie zou verdwijnen. Die doortastendheid en dadendrang van de ordehandhavers heeft de verbetenheid van het studentenfront in niet geringe mate aangescherpt. Dat het er sowieso harder zou aan toegaan dan tijdens de Meirevolte lag voor de hand. Het geduld was op en het geloof dat zachtaardig en tijdrovend overleg uiteindelijk tot overheveling en demokratizering zou leiden, waren we het jaar voordien kwijtgeraakt. En uiteraard waren we ondertussen politiek ontgroend. In '66 hadden we ons als lammeren aan de matrakken aangeboden en de slagen gelaten geïnkasseerd. Die zelfopoffering was er niét meer en gelijktijdig met de teorie van de wettige zelfverdediging deden de eerste helmen hun intrede. Waarom het verstand uit je hoofd laten timmeren en hersenletsel riskeren als er zo'n solide en goedkope hoofddeksels bestonden?

Er werd trouwens van in het begin offensiever' en agressiever gereageerd. Een deel van het meubilair van de vice-rektoren was in vlammen opgegaan en dat had de toon gezet. Er was overvloedig met verf en spuitbus gekladderd en nogal wat ruiten waren gesneuveld. Dat behoorde haast tot de normale Leuvense traditie en leek een logisch gevolg van een bijna honderdjarige kasseikultuur. Bij elke manifestatie waar het er een beetje geëmotioneerd aan toeging, waren er die de straatkeien begonnen los te wrikken om ze vervolgens als projektielen te gebruiken. Dit Volksvermaak' verdween pas toen het wegdek van het stadscentrum onder een laag asfalt werd gestopt. Daarnaast waren er nog meer gewaagde initiatieven. Er werd voor het eerst met molotov-cocktails geëxperimenteerd en op een nacht brandde een auditorium gedeeltelijk uit.

Het misdrijf veroorzaakte nogal wat konsternatie in de Vlaamse pers die er, zoals Emiel Van Cauwelaert in Het Volk, een bewijs in zag dat "een aantal ongure troebelwatervissers en uitdagingsagenten in Leuven waren neergestreken". Ik heb daar weinig van gemerkt en als er al duistere sujetten rondliepen, kwamen ze uit het Antwerpse. Zoals de geestelijke zonen van Karel Dillen, want Wim Maes en de vmo beschouwden Leuven als hun jachtterrein. Ze werden echter gemeden als de pest en niemand die ik kende, had er kontakt mee. De brand in het auditorium is nooit opgehelderd maar hoewel ik toen in de cel verbleef, had ik goede reden om aan te nemen dat hij het werk van heel gewone, zelfs voorbeeldige studenten was. Later hebben ze zich nog maar zelden met politiek ingelaten en schopten ze het tot alom gerespekteerde burgers, mensen waar de goegemeente naar opkijkt. De dag dat ik werd aangehouden, had ik ze plannen horen maken. "Het braaf praten, vergaderen en betogen hielp niets. Het was steriele be-zigheidsterapie." Enkele dagen later verscheen het gelegenheids-blad 'Revolte' dat zichzelf 'illegaal dagblad' bestempelde, de politiek met de voornamer propageerde en een geur van solfer verspreidde. Want het was ook een receptenboek met explosieve cocktails en bepleitte de doeltreffendheid van de nachtelijke guerrilla. Het vierde en laatste nummer van het blad dat steeds illegaler werd, werd door De Somer in beslag genomen en het mag een klein wonder heten dat er die dagen niet meer met vuur is gespeeld. De sfeer was verbeten, lichtjes verbitterd, en niemand maakte zich bovenmatig druk over een dosis geweld. Dat werd als niet abnormaal ervaren en als een onvermijdelijk neveneffekt van de grote Belgische politiek beschouwd. Ook bij de Koningskwestie, de schoolstrijd, de grote staking van '60-61, en Zwartberg, kortom op alle belangwekkende momenten van het naoorlogse België, was het tot harde konfrontaties gekomen. Er moest eerst veel porselein gebroken worden vooraleer er echt gepraat en onderhandeld werd en ongetwijfeld werd dat veroorzaakt door het verkrampt vasthouden van bepaalde klassen en bevolkingslagen aan achterhaalde belangen, strukturen of ideeën. Om onduidelijke redenen slaagde de Belgische politiek er de laatste kwarteeuw in om de grote sociale en institutionele konflikten op een rustiger, meer beschaafde manier aan te pakken. De herstrukturering van het Waalse staal en de sluiting van de Kempense steenkoolmijnen veroorzaakte geen fatale incidenten. In de jaren '50 en '60 was dat allicht ondenkbaar geweest. In '68 was niemand zo ver en was er eerst een brute krachtproef nodig vooraleer er ernstig naar een kompromis kon worden gezocht. Dat bevorderde het geloof dat ook in Leuven grootschalige herrie een noodzakelijke en voorafgaande voorwaarde voor een oplossing was. De schade bleef echter zeer beperkt en evenmin later heeft de kontestatie in Vlaanderen, in tegenstelling tot in vele andere landen, ooit tot terrorisme geleid. Hier verkoos de generatie van '68 altijd pamfletten boven bommen en altijd behield ze haar geloof in de superieure kracht van standpunten en ideeën op die van explosieven.

De verovering van het woord - Inhoud

Vlaanderen is geen volk van krijgsheren of generaals en als het toch de wereld wilde veroveren, verkoos het doorgaans het woord boven het zwaard. Zo ook in januari '68. Niet de bommen of de guerrilla waren prioritair, wel de volksvergaderingen. Bij de vorige revolte was er nauwelijks gepraat, tenzij onder enkele verantwoordelijken en in de cafés. Nu zaten elke dag, ruim vier weken na elkaar, honderden studenten een paar uur samen. De volksvergadering was het hart van de revolte, daar vertrokken alle impulsen, werden de wonden gelikt en werd er uitgeroesd. Het was deze vondst die de onzekerheid hielp overwinnen, de kohesie smeedde en de nodige entoesiaste brandstof voor nieuwe akties leverde. Tot dan toe waren er alleen meetings gehouden, meestal in openlucht. Daar kon alleen staccato en met forse uitroepingstekens worden gepraat, en moesten de weersomstandigheden ook nog meezitten. Voor de toenmalige studentenleiding volstond dat blijkbaar, want zoveel had ze ook weer niet te vertellen. Bij ons lag het anders. We waren aan een copernicaanse revolutie begonnen en kwamen monden en uren tekort om het allemaal uitgelegd te krijgen. Voor zowat iedereen was het de eerste keer dat er onder leeftijdgenoten, gelijken dus, urenlang over de samenleving werd gesproken en dat de grote vragen van de maatschappij aan bod kwamen. Het gaf ons een gelukzalig en allicht overmoedig gevoel. Zo we de macht niet hadden, waren we er toch al in geslaagd om het woord te veroveren dat in de klassen, de auditoria en de media doorgaans door de ouderen werd gemonopolizeerd. Later is deze vergader-techniek, die evengoed een aktiemiddel was en die voordien al aan de Amerikaanse en Duitse universiteiten was uitgeprobeerd, ook in Parijs, Brussel, Gent en alle andere oproerige universiteiten toegepast. De frisheid van de Leuvense volksvergaderingen heb ik echter nergens teruggevonden. Elders zat er vlug slijtage op het procédé en niet zelden waren het saaie en oeverloze palavers waar specialisten van de revolutie met elkaar in de clinch gingen over punten en komma's. In Leuven was dat niet of alleszins minder het geval. Het was allemaal spontaan gegroeid en beantwoordde aan een direkte noodzaak. Het was geen truuk of een substituut voor de aktie. Het was een ftmktionele samenkomst met een doordachte regie. Want die zaken lieten we niet graag op hun beloop. Zo was de duur van de volksvergaderingen beperkt, zodat we naar een climax konden toewerken en het risico op al te grote verbale onzin klein was. De sprekers waren meestal vooraf aangeduid, moesten zich aan een strikte tijdslimiet houden en doorgaans stond het vast waar we met al dat praten naartoe wilden. Dat werd meestal vooraf in kleine groep doorgenomen, zoniet dreigde een wildgroei van woorden de daad te overwoekeren. We stuurden de diskussie en slaagden daar meestal in, want de toenmalige studen-tenleiding had enige autoriteit verworven. De woorden mochten niet in het ijle blijven hangen, ze moesten feiten worden. Ofwel was dat een uitstapje naar het rektoraat, een betoging door het stadscentrum of een verre tocht naar de Luikse staalbedrijven, om de Waalse arbeiders van ons demokratisch gelijk te overtuigen. Met teksten in het schoonste Frans, want ze waren nauwgezet gekorrigeerd door dissidenten van de Franstalige afdeling.

Zo was het alleszins op 31 januari toen ik mijn rentree maakte. Omstreeks 3 uur 's nachts vertrokken twee bussen richting Coc-kerill in het Luikse om er de ochtendploeg over het gebeuren in Leuven te informeren. We waren nauwelijks ter plaatse of de politiemacht van het socialistische gemeentebestuur rekende iedereen zonder veel plichtplegingen in. Terwijl mijn advokaat me bij mijn vrijlating had aangeraden toch een beetje voorzichtig te zijn - je kon nooit weten wat hogerhand in het schild voerde — had ik nog geen vierentwintig uur later opnieuw prijs. Er werd een keurig proces-verbaal opgemaakt wat, gezien de taalproblemen en het aantal arrestanten, een heel tijdrovende bezigheid werd. Het was al bijna donker toen we terug naar huis mochten. Het was ons nauwelijks gelukt een paar tientallen pamfletten aan 'les amis travailleurs' uit te delen en voor diskussies was er helemaal geen kans geweest. We hadden echter onze plicht gedaan. Een symbolische daad die vooral aandacht trok in de Franstalige media, die ons zo graag als racisten voorstelde. Het was niet de enige expeditie naar de arbeidende klasse. De dagen voordien was er aan vele bedrijven in Vlaanderen tekst en uitleg over de inzet van de Leuvense strijd verschaft en met volle autobussen was een delegatie naar de Limburgse mijnen vertrokken. Daar deed dus veel volk aan mee. Een jaar eerder was het nog een gauchistische provocatie om over de solidariteit tussen studenten en arbeiders te spreken. Nu was het een normaal tema dat op de volksvergaderingen intens en oprecht applaus uitlokte. Zelfs Van Dromme die nauwelijks twee jaar eerder een radikaal progressief etiket had, zou door de meerderheid van de aanwezigen links voorbijgestoken zijn. De ommezwaai was opmerkelijk en ongetwijfeld een bewijs van het dynamisme van de SVB. De Studentenvakbeweging, die de meest gedreven organizatie was en waarin veel politiek talent zat, had natuurlijk niet stilgezeten. Of er nu borden of muurkranten moesten gemaakt worden, manifesten geschreven, vergaderingen geleid of nachtelijke uitstappen georganizeerd, meestal nam de SVB het initiatief. Toch biedt dit rusteloos aktivisme slechts een zeer gedeeltelijke verklaring voor de plotse belangstelling voor het werkende volk en de arbeidende klasse. De lektuur van de marxistische klassiekers was dat evenmin, want op een paar uitzonderingen na had op dat ogenblik vrijwel niemand de geschriften van Karl Marx of Lenin in de hand gehad. Men had er bijgevolg geen flauw vermoeden van dat volgens deze leer de arbeiders geroepen waren om de geschiedenis naar haar einddoel te leiden. De betrokkenheid was in hoge mate emotioneel en idealistisch. Er was een gevoel dat men als geprivilegieerde minderheid in het krijt stond bij een bevolkingsgroep die minder kansen had gekregen. We moesten iets terugdoen en proberen een deel van de schuld af te lossen. Ongetwijfeld was het een elan dat met veel wortels aan de liefdadigheid vastzat. Het was ook mededogen en dat is vandaag meer en meer een verdacht begrip. "Jammer genoeg", zo schreef John Berger onlangs, "is men er iets neerbuigends gaan in zien. Maar aanvankelijk zijn de kommunisten kommunist geworden, omdat ze werden gedreven door mededogen, ook Marx. Hij vervlocht zijn opvatting van de wetten der geschiedenis met een heilsleer voor wie meelij wekten. Later zijn die wetten gebruikt voor steeds verder reikende en dogmatischer veralgemeningen, waardoor het uiteindelijk leugens werden."

We vonden dat we verantwoording verschuldigd waren, niet tegenover de top van de maatschappij, wel tegenover de kleine man, de eeuwige kop van jut in de geschiedenis. De scheidingslijnen die toen door de studentenbeweging liepen, waren ongetwijfeld politiek en ideologisch. Het zou echter fout zijn om ze daartoe te herleiden. De breuklijnen waren vager, minder gesystematizeerd dan de pers voorhield en de studentenleiders zelf bij momenten geloofden. Er waren zeer zeker twee kampen. Het ene was narcistisch en op de individuele karrière gericht, het andere appelleerde aan de generositeit en de maatschappelijke verantwoordelijkheid. Het blijft intrigeren waarom de rechterzijde, ongeacht of ze zich nu konservatief, katoliek of liberaal noemde, aan dat altruïstisch elan geen perspektief kon bieden. Overigens kon de socialistische partij die zich zo knus in het unitaire België en de welvaartsmaatschappij had genesteld en bovendien zeer gecomplexeerd was tegenover alles wat op een jonge intellektueel leek, dat evenmin. We moesten het antwoord grotendeels zelfverzinnen en gingen te rade bij de oude socialistische kerkvaders en hun duistere en simpele schema's, evenals bij de nieuwe profeten van de sociale gerechtigheid. Velen daarvan liepen rond in uniform, dat van guer-rillero of priester-arbeider. Vijfentwintig jaar later wordt op die genereuze antwoorden nogal hooghartig neergekeken. Een deel ervan was inderdaad retro en kwam beschadigd, zoniet vernield uit de jaren '70 en '80. Alsof het wezenlijke van '68 in de kreten, de slogans of de doctrinaire traktaten lag en niet in het grote verlangen van een generatie om zich in te zetten, zich dienstbaar te maken en een rechtvaardig spoor na te laten. Die onthechte ambitie kenmerkt elke generatie, alleen is het vandaag zoveel moeilijker dan toen om er vorm aan te geven. Hoe ontloop je als twintigjarige de holle leegte in een samenleving die alleen het geld, de winnaars en de markt eert, en waar het beleid, zoals jarenlang in voormalig Joegoslavië, steeds meer een demonstratie van machteloosheid wordt? In '68 was het iets eenvoudiger om niet in wanhoop of cynisme op te groeien. Je kon iets gemakkelijker in de haalbaarheid van het betere geloven en je stond in dat geloof niet alleen. Over vele grenzen heen was je met een generatie die een zelfde droom wilde realizeren. De term generatie was toen seen fiktief begrip of een inhoudsloze abstraktie. Het was een volksvergadering, een spreekkoor, een kollektief entoesiasme voor een genereus doel.

De kinderkruistocht - Inhoud

We voelden ons in '68 trouwens de gemandateerden van een generatie. Dat was niet helemaal ten onrechte want de Leuvense strijd veroorzaakte beroering in zowat alle middelbare scholen van Vlaanderen. In alle grote en middelgrote steden kwamen de scholieren op straat. Tijdens de lesuren nog wel en niet zelden tegen de wil van de direktie, wat een wezenlijk verschil was met de tijd van de schoolstrijd. Dat scholieren in Antwerpen en Gent manifesteerden, was niet zo uitzonderlijk maar dat het ook in Tielt, Izegem, Menen, Puurs, Geraardsbergen en Turnhout gebeurde, was wel zeer biezonder. Het bleef trouwens niet bij het ene tochtje door de stad of de gemeente. Op vele plaatsen werd er gestaakt en uit het hele land kwamen er scholierendelegaties naar de volksvergaderingen. En de Leuvense aktivisten gingen vervolgens met brochures vol subversieve wijsheid terug naar hun school van herkomst. Daar richtten ze demokratische aktiekomitees op en ook dat herinnerde aan de jaren '50 en die andere schoolstrijd. Bij de scholieren begon een bewustwordingsproces dat veel gelijkenissen met het onze vertoonde. De Vlaams-nationale en niet zelden and-autoritaire oprisping kreeg vlug een uitgesproken maatschappijkritisch fundament en leidde niet zelden tot konflikten met leraren en direktie. Net als aan de universiteit was de kwestie Leuven een katalysator. Over heel Vlaanderen grepen scholieren de kans om zich van veel kleingeestige reglementen en bevoogding te ontdoen. En wij konden het werk nauwelijks bijhouden. Al dat jong, geëmancipeerd volk vroeg teksten, sprekers en goede raad over hoe de strijd nu moest worden verdergezet. Want het was toch maar een begin? Of hadden ze dat verkeerd begrepen? Meer nog dan de onrust aan de Leuvense universiteit, heeft de 'kinderkruistocht' de leiders van het land, in het biezonder die van de Christelijke Volkspartij, aan het denken gezet en de vrees gevoed dat de cvp het kontakt met de jeugd voorgoed dreigde te verliezen. Wij gingen er alleszins vanuit dat deze spektakulaire verruiming van het front zeer ongelegen kwam voor de Vlaamse leiding van de kristen-demokratie. Heel bewust riepen we alle Vlaamse scholieren op om zich op 6 februari, 'zwarte dinsdag', te roeren. Die dag zou cvp-fraktieleider Jan Verroken de regering interpelleren en de toepassing van de taalwetten in het hoger onderwijs vragen. Een rege-ringskrisis werd bijgevolg zeer waarschijnlijk.

In '66 hadden de regering en de politieke partijen nog van op de tribune kunnen toekijken naar de slag om Leuven. Nu stond de politiek zelf in de ring. Het episkopaat, in het biezonder de Vlaamse bisschoppen, waren van de Meirevolte danig geschrokken en het had ook hun denken geaktiveerd. Alvast bij Monseigneur De Smedt, de bisschop van Brugge, die al een paar keer had laten verstaan dat hij niet langer achter het mandement stond. Op 2 februari '68 zei hij dit op de jaarvergadering van de Boerengilden op zo'n wijze dat er geen misverstand mogelijk was: "Ik ben ervan overtuigd dat ik mij op 13 mei 1966 schromelijk en grof heb vergist." Daarmee was ook bij het episkopaat de patsituatie kompleet en botste in de hoogste kerkelijke regionen noord met zuid. Gedurende de hele Januarirevolte bleven de bisschoppen - hoewel ze nog altijd de inrichtende macht waren — uit het vizier van de studentenaktie. De mijters werden niet meer vanonder het stof gehaald en ook het antiklerikalisme was niet meer in trek. Alle pijlen werden op de regering Vanden Boeynants gericht en dat beantwoordde ongetwijfeld aan het strategisch plan van prorektor De Somer, die er natuurlijk een evident belang bij had dat het slagveld naar Brussel werd verlegd. Hij zocht trouwens toenadering met de 'commune' — een vondst van Manu Ruys — en was op zoek naar 'goodwill'. De vergaderingen in de universitaire lokalen werden gedoogd en de prorektor verscheen 's nachts een paar keer in de Dagobertstraat waar hij de aangehouden studenten handenvol chocolade toestopte. In tegenstelling tot het jaar voordien kreeg ik ook geen rekeningen meer toegestuurd om de schade aan de universitaire gebouwen terug te betalen. Toch was er op geen enkel moment overleg. Het kwam integendeel opnieuw regelmatig tot aanvaringen. Niet alleen nam De Somer 'Revolte' in beslag. Het werd de prorektor ook kwalijk genomen dat hij op 22 januari de kolleges een weeklang schorste. Een zeer overbodige beslissing - sinds 17 januari lag de universiteit al plat, want ook de Vlaamse professoren waren onder impuls van Raymond Derine de studenten in hun stakingsaktie gevolgd — tenzij het de bedoeling van De Somer was om zo de retour naar de heimat te stimuleren. "Talrijke ouders", zo meldde De Standaard een dag later op haar frontpagina, "zijn persoonlijk naar Leuven gekomen (of hebben telegram gestuurd) om hun 'studerende kinderen' naar huis... of minstens tot de orde te roepen." Echt suksesvol waren die tussenkomsten niet. 's Anderendaags op een meeting in Heverlee sprak Gie Polspoel, die ook als politicus zijn weg zou hebben gemaakt, de ongehoorzame kinderen zo overtuigend toe dat de rijkswacht het rekord aanhoudingen op spektakulaire wijze kon verbeteren. Er werden die nacht 675 personen opgeleid. Een biezonder scherpe score. Terwijl het rekord verspringen van Bob Beamon uit 1968 ondertussen al weer een paar jaar uit de tabellen is verdwenen, staan de 675 van Leuven nog altijd pal overeind.

De match met VdB - Inhoud

De initiatieven om in Leuven te demobilizeren mislukten. De druk bleef op de ketel en werd zelfs nog opgevoerd. Niet met molotov-cocktails, wel met een verdere verbreding van de aktie naar andere onderwijsinstellingen. Terwijl we een jaar voordien nog een ondubbelzinnige beslissing over de overheveling van de raad van bestuur en de inrichtende macht hadden gevraagd, werd nu de val van de regering geëist. Het was een riskante koerskorrektie, want dat was wel het laatste waaraan premier Vanden Boeynants dacht. VdB had zijn intrek in de Wetstraat 16 genomen als de man van de nieuwe, dynamische stijl en hij had grootse plannen, zowel voor de Brusselse Noordwijk, als voor de politieke vernieuwing en de toekomstige legeraankopen. En als typische Brusselse exponent van de unitaire 'mirage' was elke federale reflex hem vreemd. Desondanks kon hij op veel sympatie van de Vlaamse katolieke pers rekenen. Ondermeer bij De Standaard was hij, zoals ik later hoorde, "een vriend van het huis". VdB, de suksesrijke 'selfmade' man, was allergisch voor de Leuvense kwestie. Voor hem waren intellektuelen, a fortiori wanneer ze in jeans rondliepen en naar The Stones luisterden, per definitie verdacht en haast synoniem voor subversie. Bovendien was VdB een taaie, een gewiekst arrangeur en een meester in het vinden van kompromissen waarmee alle betrokken partijen — niet in het minst VdB zelf- hun voordeel konden halen. Hij zou zich dus niet zonder slag of stoot van zijn troon laten stoten. Het was bijgevolg geen kleine gok de val van het kabinet te eisen. Op 13 januari en de dagen onmiddellijk daarna leek dat nog onhaalbaar. Maar dit veranderde snel naarmate de temperatuur in Leuven steeg en steeds meer onderwijsinstellingen in beweging kwamen. Alle Vlaamse parlementsleden van de meerderheid, die van de cvp in de eerste plaats, werden met lokaal ongenoegen gekonfronteerd en konden bij de volgende verkiezingen erge dingen vrezen. Ook de kommen tatoren hadden hun bocht genomen en stelden nadrukkelijk dat Leuven een regeringszaak was. "Het kabinet kan niet zeggen", aldus de Vlaamse pers op 23 januari, "dat Leuven een interne aangelegenheid is van de kerk en de katolieken. Het is duidelijk dat de beroering moet worden opgevangen door een politieke beslissing. Leuven is uitgegroeid tot een hoofdprobleem van het Belgisch staatsleven."

Zo verscheen Verroken opnieuw op het voorplan en op dinsdag 6 februari interpelleerde hij het kabinet. Het was niet de bedoeling, zo onderstreepte hij in vele gesprekken en interviews, om de regering te doen vallen. "Ik wil alleen een duidelijk antwoord van de premier over de toekomst van de Leuvense universiteit."

Dat kwam er niet, want de cvp-ministers aarzelden. VdB had op 6 februari een behoorlijk dubbelzinnig tekstje uitgewerkt waar nogal wat cvp-topfiguren mee konden instemmen. Er werd die dag veel vergaderd en tot laat in de nacht getelefoneerd. De cvp-ministers waren verdeeld en vroegen de kommentatoren en de universitaire top om advies. De 'go-between' was Jef Claes, ge-legenheidskommentator bij Het Volk, die van het kabinet van Jos De Saeger naar dat van Raf Hulpiau navetteerde, uiteraard via een ommetje langs Leuven om er Piet De Somer te informeren. Daar kookte het. Zowel de twijfels van de cvp-top als de truken van VdB waren ons bekend, en we zetten dus alles op alles. In de nacht van maandag op dinsdag hadden we aan een stuk door 'volksver-gaderd' en bij het krieken van de dag, tussen 6 en 7 uur, liepen we als een ratelende wekker door het stadscentrum. In de namiddag was het weer zover: vergaderen en betogen. In Leuven uiteraard, alsook in tal van Vlaamse steden en gemeenten, 's Avonds was het nog maar eens feest en ook voor 's anderendaags waren alle schikkingen getroffen. De Leuvense autoriteiten wisten dus dat we, hoewel lichtelijk vermoeid, springlevend waren en — zolang de regering overeind bleef- niet zouden ontwapenen. En omdat een universiteit in tegenstelling tot een regering of een koalitie, rendez-vous heeft met de eeuwigheid, werden VdB en de portefeuilles van de cvp-ministers geofferd. Op woensdag 8 februari bood de regering haar ontslag aan, dat door de koning onmiddellijk werd aanvaard. Wij hielden die avond in Alma II een uitbundig overwinningsfeest en trokken nadien nog eens in stoet de stad in. Die nacht werd er niet één student opgepikt. Nu het kabinet ontslag had genomen, moesten Reviers & Co blijkbaar iets minder orde handhaven.

De verkiezingen van 31 maart werden een persoonlijke triomf voor VdB die meer dan 116.000 voorkeurstemmen haalde. Ook de taaipartijen, Volksunie, Rassemblement Wallon en Front Démo-cratique des Francophones, boekten aanzienlijke winst. Het fdf ging met 2 kamerzetels vooruit, het rw met 5 en de vu met 8 wat haar totaal op 20 zetels bracht. Daarmee werd ze na de CVP en de bsp de derde grootste Vlaamse partij. De PW die met de driekleur campagne had gevoerd, verloor terrein in Vlaanderen en Brussel. Ook de bsp kreeg klappen in Wallonië en Brussel. De kristen-demokraten gingen op volledig autonome vleugels naar de verkiezingen, maar het mocht niet baten. Alleen de kartellijst van VdB in Brussel ging vooruit. In Wallonië zakte de psc van 18 naar 14 kamerzetels, terwijl de cvp die met de slogan 'De cvp doet het' de kiezer had gelokt, 6 zetels verloor. Ze zakte van 51 naar 45 kamerzetels. Omdat een tripartite mislukte en VdB niet met de socialisten in zee wilde gaan, kwam op 17 juni, na een regeringskrisis van 130 dagen, Gaston Eyskens, de man van de eenheidswet van 1960 en een Leuvense bekende, opnieuw in de Wetstraat 16. De passus over Leuven in het regeerakkoord was geen pareltje van duidelijkheid. Raymond Derine, de voorzitter van de Leuvense professoren, die pas in Antwerpen op een cvp-lijst was verkozen, vond de tekst zo gortig ambigu dat hij ontslag gaf als parlementslid. Voor de studentenbeweging was 'Leuven-Vlaams' zo goed als afgehandeld. De principiële beslissing over de overheveling was genomen en op de vertrouwelijke gesprekken over de financiering van de transfer hadden we geen vat. De interesse was trouwens gering, al ging het over gigantische bedragen. In Ottignies en omstreken zijn er aan de overheveling fortuinen verdiend. Maar onze belangstelling lag elders. Eind maart waren we met een volle autobus naar Parijs getrokken om er op een internationale meeting over de studentenaktie te praten. We werden daar met veel egards onthaald. Omwille van die volle bus, waardoor het auditorium toch nog behoorlijk gevuld raakte, en omwille van onze wapenfeiten. We baarden ook opzien. Ondermeer door onze kennis van het Frans en zeker door onze 'savoir faire'. Terwijl er op de binnen-koer van de Sorbonne eindeloos gepalaverd werd omdat de overheid — Charles de Gaulle stond nog pal overeind - geen lokaal ter beschikking wilde stellen, doorbraken wij met Vlaams alaam en dito doortastendheid de impasse. Er sneuvelde een ruitje en iedereen klauterde door de ramen naar binnen. Er werden toen spijkers met koppen geslagen. Niet in het minst door een roodharige student uit Nanterre, die enkele dagen later een internationale beroemdheid zou worden. "Het is toch simpel", zo hamerde hij zijn gehoor in. "We moeten aktie voeren, comme l'ont démontré ici et a Louvain les camarades flamands."

Hoofdstuk 8 - Inhoud

De roes van de gevallen engelen - Inhoud

Wat is intenser dan het gevoel dat je als groep iets opmerkelijks, zoniet onmogelijks voor elkaar hebt gebracht? Als er zoiets als geluk bestaat, wordt het op zulke momenten waarschijnlijk erg dicht benaderd. De voldoening van het besef dat al het uitputtend la-beur zinvol was, maakt je euforisch. De werkelijkheid is niet zo weerbarstig of amorf dat een ondernemende groep haar niet zou kunnen plooien of kneden. Je begint anders over de toekomst te denken, de muren waar je tot dan tegenaan botste, lijken gesloopt of je gelooft dat je er zo doorheen kunt lopen. Je ziet opnieuw een verre horizon en je hebt alleen maar te beslissen of je de stap zult zetten. De hemel is heel dichtbij. Deze roes kende ik begin 1987, toen we Vlaanderen en onszelf verbaasden door voor een kleine krant een bedrag van tientallen miljoenen bij elkaar te sprokkelen. We vertrokken met niets en de kollega's hadden ons 'in memoriam' al geschreven en afgedrukt. De hogere kringen, zowel de politieke, de syndikale als de financiële, hadden ons afgeschreven en meden ons. Ze hadden ons doodvonnis uitgesproken omdat we de 'codex' van het toedekken, het lijmen en het slijmen niet naleefden, en slechts zeer ten dele omdat de cijfers niet klopten. Het was een perfekte moord, alleen werd het slachtoffer uit het oog verloren. Het wilde niet medeplichtig zijn en wilde, ondanks het vonnis van de partizane rechters, verder leven. Het lukte. Met tientallen benefietavonden, nog maar eens een voettocht en een krant die met de hand werd geschreven, kreeg De Morgen opnieuw een bankrekening, een kapitaal en een beetje toekomst. We konden opnieuw dromen, vielen elkaar in de armen en weenden gelukzalige tranen. Het was de overwinningsroes zoals ik die al eens in de lente van '68 had meegemaakt.

We hadden de overheveling afgedwongen, Vanden Boeynants op de knieën gekregen, de regering doen vallen, en weken na elkaar het monotone leven en de stereotiepe gezags- en denkpatronen doorbroken. Een generatie die voorbestemd was om op haar beurt neerbuigend en volgzaam te zijn, had een dwars profiel en een eigenzinnige stem gekregen. Bovendien wilde ze niet alleen in komfort en konsumptie, maar ook in het genereuze investeren. België en Vlaanderen zouden nooit meer zijn zoals vroeger. Alles zou minder kneuterig, minder muf, vrijer en misschien wel iets rechtvaardiger worden. Er stonden nu enkele deuren en ramen open. Voor de ministers van Binnenlandse Zaken en hun politiediensten waren we staatsgevaarlijk en dat vonden we een terecht eerbetoon. Het streelde onze ijdelheid en we vonden het passend en billijk dat er zich onder onze toehoorders altijd een koppel van de Bijzondere Opsporingsbrigade bevond. Die kwamen pennen en notaboekjes tekort, want we hosten met velen heel Vlaanderen rond. Men wilde de Leuvense rebellen zien en horen en bijna altijd liep het uit de hand, zeker in de tegensprekelijke debatten. Overal hadden we jonge supporters die genoten als ze met Guido Maer-tens, de vice-rektor van Leuven-Nederlands, of met Leo Tinde-mans, de 'coming man' van de Vlaamse cvp, in de clinch konden gaan. Terwijl we ons in de materialistische -wetten van de geschiedenis probeerden te bekwamen, hadden we moeite om op de begane grond te blijven. Op onze beurt werden we voer voor de media-molen. Ons gezicht verscheen in de pers en op de buis. We waren niet alleen berucht, het was erger. We waren bekend. Op de examens werden we met biezondere attenties ontvangen: "Aangenaam met u kennis te maken. Sorry, met wie heb ik de eer? Professor Van Waterschoot, fijn dat u de tijd vond om het examen van mijn kursus ekonometrie af te leggen." Veel meer was er niet nodig om met onze kop in de wolken te zweven.

Na de Januarirevolte werden we studenten met een heel apart statuut. Terwijl we voordien al nauwelijks de tijd vonden om kollege te lopen, werd dat nadien helemaal onmogelijk. We werkten voltijds voor de kontestatie. In de SVB werd er zo mogelijk nog meer vergaderd dan vroeger om de ongekende toevloed van nieuwe leden op te vangen. De oogst was zo mirakuleus groot dat we haast aan de oprichting van een alternatieve fakulteit dachten. Bij zulke overrompeling is het even moeilijk om bescheiden en realistisch te blijven. Dit was zo'n verschil met alles wat we tot dusver hadden gekend dat we ons konden verwachten aan nog meer spektakulaire toestanden dan de Januarirevolte. Niet in het minst omdat we uit alle hoeken van Vlaanderen vragen kregen om ak-tiekomitees of campagnes te helpen opstarten. Het was een ongekende explosie van politieke energie, die voortdurend werd aangewakkerd door de gebeurtenissen in het buitenland. We leefden in trance en de uitzonderlijke evenementen flitsten in steeds vlugger tempo voorbij. De orgie kon niet lang meer uitblijven. Op 4 april werd Martin Luther King in Memphis door een blanke scherpschutter neergekogeld en Black Power maakte een vuist die de bange meerderheid in de Verenigde Staten deed rillen. Er volgden dagenlange wraakakties in zowat alle Amerikaanse steden. Nog geen week later werd de Duitse studentenleider Rudi Dutschke bij een aanslag op de Berlijnse Kurfurstendam zwaar gewond. Hij overleefde nipt. In vele Duitse steden kwam het vervolgens tot ernstige rellen en moest vooral de Springer-pers, uitgever van het sensatieblad Bild, het ontgelden. Op 2 mei werd de universiteit van Nanterre, waar Daniel Cohn-Bendit was ingeschreven, gesloten. Acht dagen later stonden in het Quartier Latin in Parijs de eerste barrikaden in brand en was de politieke orgie een feit. Alle Franse universiteiten gingen dicht en de meeste bevolkingslagen en sociale groepen deden zich aan de 'contestation' te goed. Echt menens werd het pas toen de arbeiders in staking gingen en het hele openbare leven ontregeld raakte. De Gaulle wankelde.

De nieuwste Parijse mode - Inhoud

Ook.aan de Belgische universiteiten bracht 'Ie mai Francais', die op een echte revolutie leek uit te draaien, de geesten in beweging en zelfs in vervoering. Vanuit Leuven vertrokken onmiddellijk

uitgebreide delegaties naar Parijs, want het ging om geschiedenis met een hoofdletter. Onvervalste 'Histoire'. We keken toe met de ogen van professionelen. Alles was belangrijk: het optreden van de crs, de Franse rijkswacht, de verslaggeving in de media, de orde-woorden van de studentenleiding, het soort projektielen dat door de lucht vloog en de relaties met de politieke partijen en de vakbonden. We namen nota, wisselden adressen en telefoonnummers uit, nodigden de aktivisten uit om na gedane arbeid naar België te komen en sleepten alles wat op bedrukt papier leek mee naar Leuven. We overleefden op stokbrood, sliepen in de auditoria en toen we ziek van het traangas en de uitputting aan het eind van onze krachten waren, zochten we een lift naar het noorden. In Leuven werd alles geordend, in een rapport verwerkt en onder militanten besproken. We vergeleken de Parijse opstand met onze Januarirevolte en kwamen tot de konklusie dat de arbeiders het verschil maakten. Terwijl ze in Vlaanderen en België op geen enkel moment hun egelstelling hadden verlaten, reageerden de arbeiders in Frankrijk wel. Natuurlijk, Frankrijk was België en zeker Vlaanderen niet. De vakbonden waren hier zoveel sterker ingeplant en vooral het acv, het sterkste syndikaat, was allergisch voor alles wat progressief en intellektueel was. Dat hadden we dikwijls in hun krant kunnen lezen en Jef Houthuys had ons een paar maanden voordien in Leuven toegeroepen dat we "onze poten van de arbeiders moesten houden". Het was niet meteen een uitnodiging tot dialoog, maar dat was allicht het laatste wat Houthuys wilde. Tussen de '68-ers, een zeldzame uitzondering buiten beschouwing gelaten, en Houthuys is het nooit meer goedgekomen. Hij kon trouwens biezonder grof uit de hoek komen. Meer dan tien jaar later, na een betoging van het gemeenschappelijk vakbondsfront waar ik als verslaggever aanwezig was, ontplofte hij bijna toen ik hem een beleefde hand kwam geven. Hij schold en verwenste mij zo erg, dat Willy Peirens zich onmiddellijk uitgebreid verontschuldigde. Voor Houthuys was '68 een vijand waarmee hij alleen oorlog wenste te voeren. Waarschijnlijk was het voor hem een zoveelste variant op die andere oorlog, de Koude. Georges Debunne van de socialistische vakbond had wel belangstelling. Hij luisterde, maakte tijd voor een gesprek, ging met veel niet akkoord maar begreep het essentiële.

De Franse meidagen scherpten in Leuven vooral het intern debat aan en stimuleerden gepassioneerde diskussies over de juiste lijn. De gevolgen bleven niet uit. Bij de ergste vergadertijgers werd de eerste dogmatische eelt zichtbaar. Het is een kwalijk symptoom. Even verontrustend als zelfingenomenheid, een ander neveneffekt van de vele spitse disputen en bloedernstige lektuur. Opmerkelijk was wel dat de revolutionaire roes die toen in de lucht hing, de Leuvense rebellen alleen binnenskamers beroerde. Uitgerekend op het moment dat de studentenaktie heel Europa uit zijn hengsels lichtte - tot in Italië, Spanje, Joegoslavië en Turkije waren er grootschalige uitingen van universitair ongenoegen — werd het akademisch leven in Leuven door niets of niemand verstoord. Er was niet één poging om in het zog van Parijs, of daarvoor Berlijn, met een nieuw offensief te starten. Er was in januari natuurlijk veel energie verbruikt en in veel fakulteiten probeerden de professoren de verloren tijd in te halen. Dat legde een hypoteek op de aktiebereidheid van de part-timers van de kontestatie. En natuurlijk was er een tijdperk afgesloten. De tandem 'overheveling-de-mokratizering' die in niet geringe mate het sukses en de impakt van de Leuvense studentenbeweging had verklaard, bestond niet langer. De communautaire springstof was zo goed als verdwenen en Leuven werd weer een gewone stad en een universiteit zoals de andere. Weliswaar groter en prestigieuzer, maar niet langer een nationaal symbool. Het imposante nationale dekor waarin we de jaren voordien zo entoesiast met lucifers en ander brandbaar materiaal hadden gespeeld, was weg. Het stond nu in de Bru^. ,lse randgemeenten en ook wel een beetje in Voeren. We moesten op zoek naar nieuwe tema's en een andere strategie. Zoiets impro-vizeerde je niet en moest je zeker niet uit Parijs importeren. Althans niet in Leuven.

Aan de Université Libre de Bruxelles (ulb) dachten ze daar anders over. Na veertien dagen tumult in Parijs, zat het er ook in Brussel bovenarms op. Het was allemaal begonnen als een bescheiden solidariteitsaktie voor de kollega's van de Sorbonne, en omdat die dag Melina Mercouri met allure tegen de Griekse kolonels en hun diktatuur kwam praten, bracht het ene woord het andere mee. Zo kwam er een heuse 'assemblee libre' en een 'mouvement de contestation permanent de l'enseignement bourgeois'. Het bleef niet bij woorden. Men eiste het onmiddellijke ontslag van de 'ondemokratische' raad van bestuur. Toen dat beleidsorgaan daar niet dadelijk op inging, werden de grote hal van de universiteit en de kantoren van de rektor bezet. Aan de buitenkant van het gebouw verschenen spandoeken die de universiteit open verklaarden voor de hele bevolking. Het feest zou 47 dagen duren. De Leuvense SVB werd er met open armen ontvangen en op haar beurt uitgenodigd om haar licht op het wereldgebeuren te laten schijnen. Nog voor ik één woord had gezegd, werd ik door de bijna exclusief Franstalige vergadering warm toegejuicht. Een paar weken voordien was ik aan dezelfde ulb door een bijna even grote massa uitgejouwd. De meeting waaraan ik toen had moeten deelnemen, werd afgelast en vervolgens werd het lokaal waar ik was ondergedoken, bestormd. Er werden toen onaardige dingen geroepen. Ik moest 'au poteau' en 'ma peau' wilden ze ook heel graag hebben. De sfeer werd zo grimmig en verhit dat we noodgedwongen de brandspuiten en blusapparaten moesten gebruiken. Dat koelde af en hield veel chique volk op afstand. De veldslag eindigde toen de Brusselse politie me met zichtbare tegenzin kwam ontzetten. Nog geen drie maanden later werd ik ontvangen alsof ik een held uit Parijs was. De ideeën waren blijkbaar geëvolueerd. Ook in de Franstalige Brusselse kringen was de kontestatie, zelfs als ze uit Leuven kwam en Nederlands sprak, een populair en bijna modieus tema. Zelfs het filmfestival van Cannes moest eraan geloven. De vertoning van een film van Carlos Saura met Geraldine Chaplin in de hoofdrol, en met Truffaut, Godard en Lelouch in de zaal, werd zo grondig verstoord dat 's anderendaags de vlaggen van de 58 deelnemende landen, in aanwakkerende wind, één voor één werden gestreken.

De odyssee van politieke wezen - Inhoud

Op 17 juni was de euforie definitief voorbij. Op dezelfde dag dat de nieuwe Belgische regering Eyskens-Merlot de eed aflegde, verlieten de laatste bezetters de Sorbonne. Op de televisie waren het trieste en vooral zielige beelden, met een troep 'Katangezen' in een bedenkelijke hoofdrol. Een paar dagen voordien hadden de vakbonden de akkoorden van Grenelle goedgekeurd. Het minimumloon zou stijgen en de regering beloofde haar uiterste best te doen om de arbeidsduur te verkorten. De arbeiders gingen terug aan het werk en de studentenaktie brokkelde zienderogen af. Het normale leven hernam zijn rechten. De macht die, zo leek het toch, dagenlang voor het grijpen lag, bleef in gaullistische handen. Waar was het dan fout gelopen? Waren de arbeiders nu evengoed geïntegreerd, zoals Marcuse beweerde, of lag de oorzaak bij de leiding van de arbeidersbeweging? Zowel de cgt, de kommunis-tische vakbond, als de pcf, de partij, hadden de studenten van avonturisme en onverantwoordelijk gauchisme beschuldigd en probeerden een 'cordon sanitaire' tussen hen en de arbeiders te leggen. In het overleg met de regering Pompidou gooiden ze alleen centenkwesties op tafel. Kwalitatieve of politieke eisen werden weggewuifd. Te riskant. De andere oppositiepartij, de Parti So-cialiste van Mitterrand, maneuvreerde zich heel omzichtig door de mei- en junimaanden. Met uitzondering van Pierre Mendés France hield ze zich ver van het gewoel en beperkte ze zich tot de bedenking dat het tijd was voor een wisseling van de macht. De '68-ers zaten dus met een kolossaal probleem. Zonder duidelijk politiek perspektief was het onvermijdelijk dat elke revolte - hoe breed haar maatschappelijk draagvlak en hoe intens de golfslag ook waren — na enkele weken tot rust zou komen en alleen in vergeelde krantenarchieven een spoor zou nalaten. Geen enkele politieke partij, zo was in Frankrijk gebleken, had veel belangstelling voor de tema's van de kontestatie. Ze vonden ze te radikaal ofwel te fundamenteel, en dikwijls beide. En bijgevolg weinig interessant als elektorale springplank. Zonder efficiënt politiek verlengstuk dreigde al dat aktivisme te verkruimelen en als fijn gruis te worden weggeblazen.

Parijs is Leuven niet, maar op 17 juni stonden wij opnieuw met de voeten op de grond. Anders maar even acuut dienden wij een antwoord te vinden op de vraag waar we die pas aangeboorde politieke energie naar moesten richten. Moesten we onderdak zoeken in een bestaande politieke formatie en die proberen te hervormen? Een kompleet nieuwe partij oprichten? Of onszelf veroordelen tot zeer onafhankelijke individuen die — in de marge van de macht — over alles hun zeg hadden? Daar is aan alle Vlaamse universiteiten veel over gepraat en nog meer over gepiekerd. We zijn er niet in geslaagd om een kollektief antwoord te formuleren. Iedereen moest het zelf uitzoeken, met alle gevolgen vandien. De '68-ers kwamen in zowat alle partijen terecht, met uitzondering van de liberalen en in mindere mate de cvp. Zo ontsnapten de hoofdkwartieren van de partijen aan een globale politieke diskussie en werd de 'integratie' van de '68-ers doorgaans vereenvoudigd tot individuele transakties. Het kan niet ontkend worden dat de Vlaamse kristen-demokratie op dat punt blijk gaf van zeldzaam talent. Op minder dan een jaar tijd werd ik tot driemaal toe benaderd. Een eerste keer in februari '68 toen Fons Vanstappen, de loopjongen van Jos De Saeger, mij namens de grote baas de derde plaats op de Mechelse kamerlijst kwam aanbieden. "Een strijd-plaats", aldus de loopjongen, "maar gemakkelijk haalbaar voor iemand die voor de Vlaamse zaak 14 dagen achter de tralies zat." Het aanbod overviel mij. Ik zei de klusjesman dat ik voor het pluralistisch onderwijs was, tegen de verzuiling, en volledig solidair met de strijd van het Vietnamese volk tegen het Amerikaans imperialisme. Zeer tot mijn verbazing stapte de man niet op. Hij nam ijverig nota, vroeg nog enkele verduidelijkingen rond mijn interessant programma en zei dat hij de hogere partij-instanties zou raadplegen. Een week later stond hij opnieuw in Leuven. De leiding had geen bezwaar. De partij had nood aan frisse ideeën, nieuwe krachten en populaire figuren. De derde plaats was voor mij. Ik hoefde slechts ja te zeggen. Het werd neen. En omdat hij wilde tonen dat hij en zijn partij het ernstig meenden met de progressieve zaak, schreef hij een check van 5.000 frank uit voor de SVB. Een paar maanden later zat ik met Wilfried Martens in het berookt buffet van het Brussels Centraal station. "Of ik hem niet wilde opvolgen als voorzitter van de cvp-Jongeren? Anders werd het Jan Huyghebaert, ongetwijfeld een verdienstelijk kandidaat, maar zonder de minste uitstraling en iemand", aldus Martens, "die weinig garanties bood dat de progressieve frontvorming zou worden verdergezet." De derde keer kraaide de kristen-demokratische haan in het ouderlijk huis in Mechelen. Enkele maanden voor mijn legerdienst ontmoette ik er kolonel Weyns, kabinetschef van cvp-minister van Landsverdediging Segers, en senator Robert Vandekerckhove, vleugelvoorzitter van de cvp. "Waarom ik nu per se met een Soldatenvakbond wilde beginnen? Het leger mag toch niet aan politiek doen. En moest ik mijn tesis niet afmaken? Dat kon, ook in het leger. Op Corsica kon ik een rustige job krijgen en een vol jaar aan mijn eindwerk schaven." Ik zei nog maar eens neen, liet het voorstel in de pers lekken en moest in 1970 ergens in Duitsland een maand extra dienst kloppen.

De Volksunie was minder opdringerig en zeker niet zo hoerig. Met de Vlaams-Nationale Studentenunie (vnsu) had ze in Leuven en Gent trouwens een eigen relatienetwerk waaruit ze jonge beloften kon rekruteren. Erg veel stelde de vnsu niet voor. Ze stond trouwens voor een onmogelijke opdracht. Ze wilde als autonome studentenorganizatie zelf haar koers bepalen en toch loyaal blijven tegenover de vu. Het was een moeilijke evenwichtsoefening die bovendien een grote dosis kreativitek vereiste. Ze wilde niet rechts zijn, en ook niet links, maar toch maatschappijkritisch zonder daarom de eerlijke Vlaamse eisen uit het oog te verliezen. Meer dan eens kwam de Leuvense afdeling in gewetensnood, maar ze kon in de SVB altijd op veel medeleven en ideologische bijstand rekenen. In Gent lag het moeilijker, vooral omdat Hugo Coveliers heel systematisch alle progressieve initiatieven en voorstellen counterde. Wat hem toen dreef was even onduidelijk als de standpunten die hij verdedigde, en op geen enkele moment wekte hij de indruk dat hij enige sympatie koesterde voor de kontestatie. Mede door dat onduidelijke schipperen, bleef de aantrekkingskracht van de vu beperkt en slechts een minieme fraktie van de aktivisten kwam later bij die partij terecht. Met de socialistische partij die zich toen nog Belgisch noemde, had de Leuvense stu-dentenleiding helemaal geen kontakt. Er was wel eens een gesprek met Alfons Vranckx, minister van Binnenlandse Zaken ten tijde van Zwartberg, en in die dagen het socialistisch boegbeeld van Leuven. Na lang aandringen en na bemiddeling van zijn dochter, die we iets beter kenden en niet ongenegen waren, kregen we in alle vroegte een uur spreektijd. Het werd niets. Ook al omdat er geen koffie was en Vranckx zich de spreektijd zelf toeëigende. We werden vaderlijk toegesproken, kregen veel goede raad en elke poging om toch over socialisme en politiek te praten, werd deskundig gepareerd. Het was meer dan onvermogen, het was onwil. Bij Vranckx, Jos van Eynde en de andere socialistische leiders overheerste de achterdocht. Ze rekenden en cijferden en keken niet verder dan de volgende verkiezingen en portefeuilleslag. Ze waren de zelfgenoegzame gevangenen van een machtskluwen en als de dood voor alles wat dat fantazieloze en steriele spel kon verstoren. Om het even of het ging om ideeën, een nieuwe sociale beweging of een jeugdige politieke interesse. Pas jaren later met Karel Van Miert, toen het socialisme in Vlaanderen totaal onnodig op een verontrustend peil was beland, kwam de glasnost. Veel te laat natuurlijk, maar nog te vroeg voor de nomenclatuur van veel rode burchten die zich tot de laatste snik tegen de indringers bleven verzetten. Met uitzondering van Leo Collard gaven de socialistische leiders na '68 geen enkel teken dat ze ook maar iets van de beweging begrepen. Vranckx slaagde er eind 1970 met zijn maatregelen rond de buitenlandse studenten zelfs in om de studenten-gemeenschap van het hele land nog eens eensgezind tegen zich in het harnas te jagen. Er werd geen kans gemist om de jongeren ver van de socialistische partij te houden. Desgevraagd viel Edmond Leburton zelfs in de armen van Mobutu en tooide hij zich met de tekens van de Orde van het Luipaard. Als premier verweet hij de scholieren die met 10.000 tegen Vanden Boeynants en de legerhervorming hadden gemanifesteerd, dat ze op "sleeptouw waren genomen door beroepsagitatoren". Voor de jongeren was de bsp een politieke goelag waar alleen extreme opportunisten of rotka-rakters overleefden. Het is niet zo verwonderlijk dat Ludo Martens en de erven van de Studentenvakbeweging het in het begin van de jaren '70 op eigen kracht probeerden en met Axnada een nieuwe partij uit de grond stampten. Het mocht dan een filiaal van de Chinese kommunistische partij zijn, en onuitstaanbaar rigide en simplistisch, het was tenminste 'pure et dure'.

Het nieuwe geloof in de oude dogma's - Inhoud

Met het juni-debacle van de Franse revolte en het ontbreken van een perspektief, nestelde zich de twijfel in de kontestatie. De idylle tussen een nieuwe generatie en de samenleving was nauwelijks tegen de zure tijd bestand. In augustus vielen Russische tanks Praag binnen en daarmee was zowel in de Tsjechische hoofdstad, als in Parijs, Berlijn en Leuven de lente voorbij. De olijke, bolle kop van de Parijse opstand, Cohn-Bendit met zijn aanstekelijke pretogen, moest de plaats ruimen voor de zachtmoedige clowns-kop van Alexander Dub&k die ook als hij lachte een beetje op huilen stond, en omgekeerd: het tragikomisch menselijk gezicht van het Europees kommunisme. Niet dat we iets met de Oost-europese regimes te maken hadden. Maar het stof dat de tanks aan de Moldau deden opwaaien, versomberde ook de hemel boven de Dijle. De Sovjet-inval was voor het Westen een godsgeschenk. Het holde onze overtuigingskracht uit, voedde nieuwe twijfels en legitimeerde het eigen systeem en het behoud van de bestaande status-quo. De autoriteiten konden herademen. De Koude Oorlog was plots weer aktueel en elke radikale invraagstelling riskeerde het odium deloyaal te zijn. Opnieuw werd de binnenlandse politiek een afgeleide van de tweestrijd tussen de grootmachten. Voor onze tegenspelers werd het weer aangenaam debatteren. Op de

maatschappijkritische bedenkingen hoefden ze niet eens meer te antwoorden, ze moesten alleen maar verwijzen naar Praag, de tanks en de in geweld gesmoorde demokratie. Vlugger dan verwacht zaten we in de tang van de Oost-West-tegenstelling. En hoe we ons ook distantieerden van de Sovjets en hun kommunisme, we zaten in het verweer en waren verplicht in verdediging te spe-len.

De laatsten die dat zouden toegeven, waren de 'oud-strijders' van januari. Er is niets wat strijders meer verfoeien dan de waarneming dat het tij gekeerd is, want verderfelijker dan defaitisme is de melding van ongunstige feiten. Het akademiejaar ging in over-drive van start, alsof Frankrijk slechts een onbetekenende, typisch Franse uitschuiver was geweest en Praag iets heel veraf. Zelfs het feit dat we in Leuven niet langer op communautair dynamiet dansten, kon het entoesiasme van de harde kern niet temperen. Leuven had nu twee volledig onafhankelijke universiteiten en de twee prorektoren waren tot rektor gepromoveerd. Bovendien had de ucl, de Franstalige universiteit, een plan voor de volledige overheveling uitgewerkt en bestond er een akkoord om beide universiteiten eigen rechtspersoonlijkheid te geven. Alleen over de biblioteek werd er nog gebakkeleid maar als tema sprak dit niet meteen tot de verbeelding. De communautaire oorlog was voorbij. De studentenbeweging kon nu de echte problemen, de demokra-tizering van de (kritische) universiteit aanpakken. Er ging opnieuw een aktie 'informatierecht' van start en net zoals twee jaar voordien kwam het tot kortsluiting met de akademische overheid. Dat leidde tot enkele volksvergaderingen, een optocht en een eendags-staking op 4 december. Zonder resultaat evenwel, tenzij de 'bekering' van Kris Merckx die in deze aktie zijn reformistisch geloof verloor en het nooit meer terugvond. Desondanks bracht het geen kentering in de sfeer. Het akademiejaar werd niet meer verstoord en voor het eerst sinds jaren werd er weken na elkaar niet betoogd.

Het was een teken aan de wand. Na zoveel aktivisme was het een normale terugslag. Revoltes kun je tenslotte niet programmeren en je kunt ze nog minder bestellen. Daarnaast had de studentenbevolking steeds meer vragen rond de zin en de oriëntatie van de campagnes die de aktivisten lanceerden. Tijdens de vakantie was "Wat te doen?" van Lenin in grote hoeveelheden in Leuven toegekomen. De 'harde kern' van de SVB had het boek gelezen en verloor haar belangstelling voor de 'kleinburgerlijke' strijd aan de universiteit. Die kon hooguit revoltes uitlokken, geen revoluties. Dat was het voorrecht van de arbeiders. Vanop de eerste verdieping van wat later een ideologisch torengebouw zou worden, keek men wat misprijzend op het studentengewriemel neer en speurde men de horizon af, op zoek naar klassenstrijd. En het oosten was rood. Bij Ford-Genk brak een staking uit, wat onmiddellijk een hektische aktiviteit van de Leuvense SVB veroorzaakte. Een zorgvuldig uitgekozen keurgroep reisde dadelijk af, mengde zich een paar dagen onder de 'massa's' en gaf op 24 oktober een omstandige toelichting over het konflikt. Nadien trokken een paar honderd studenten die zich solidair verklaarden met de Ford-arbeiders, door het stadscentrum. Tot 21 november, de dag waarop de bonden een akkoord met de Ford-direktie sloten, waren de Leuvense studenten nadrukkelijk rond het bedrijf aanwezig. Bijna dagelijks reden één of meer autobussen naar Genk om er de piketten met raad en harde daden bij te staan. Er werd daar trouwens raak geklopt. Met de volle goedkeuring van de vakbondsleiding maakte de rijkswacht jacht op elementen die vreemd aan het bedrijf waren. Sommigen bleven de hele tijd ter plaatse en lieten zich alleen nog in Leuven zien om brochures te schrijven of een volksvergadering toe te spreken. De aktie doorkruiste de campagne voor het informatierecht kompleet en verlamde ze ook. Voor de meeste SVB-ers was Genk prioritair. Dat was echt, de rest was een futiliteit, een nuttige bezigheid voor de tweederangs militant.

De aktie 'informatierecht' flopte, maar een paar honderd studenten hadden tijdens de Ford-staking de stap naar de arbeidersklasse gezet en in diverse fakulteiten werden professoren geïnterpelleerd over de arbeidsvoorwaarden in de bedrijven. Er was dus grote vooruitgang geboekt, zo luidde toen de officiële SVB-uitleg.

In vergelijking met januari was men met minder, maar met beter en radikaler volk. De teorie van de voorhoede deed haar intrede. Waarom zich zorgen maken omdat de massa afhaakte? Het was toch onvermijdelijk? Als de kwaliteit van de 'avant-garde' verbeterde, was er geen reden om de politieke gemoedsrust te laten verstoren. Het is een riskante, want iets te komfortabele stelling om de tocht naar het luchtledige te vergoelijken. Ik had het daar moeilijk mee. Het stond haaks op mijn aanpak die er altijd op gericht was het isolement te vermijden en het kontakt met de meerderheid te behouden. En nog bedenkelijker was de onderdanigheid tegenover teksten die dikwijls meer dan een eeuw oud waren. Steigeren tegen alle Vlaams of akademisch gezag maar in het stof liggen voor geschriften uit de vorige eeuw. Alsof er toch onfeilbare waarheden bestonden waarvoor het hoofd nederig moest worden gebogen en die - zonder er de tanden in te zetten -alleen mochten worden doorgeslikt. De zoektocht naar de zuivere leer en de konsekwente praktijk was een akelig en verstikkend proces. Het was nog maar eens een universum van dogma's, rituelen en heiligen. Ze heetten nu Marx, Lenin, Mao en later zelfs Stalin, en ze waren boven alle kritiek verheven. Je individualiteit moest je - per definitie - prijsgeven, dus ook je denken, je 'onjuiste' maar fantastische ideeën en je spontaniteit. Het was dezelfde onverbiddelijke logika die tot de diktatuur van het proletariaat had geleid en waardoor alle kommunistische partijen eerst korrupt werden en nadien kapot gingen. Je moest soldaat van de klassenstrijd worden en je had, zoals Bertolt Brecht schreef, nog slechts één deugd. "Wie voor het kommunisme strijdt / moet in staat zijn te vechten en niet te vechten / de waarheid te zeggen en haar niet te zeggen / dienstbaar te zijn en niet dienstbaar te zijn / zijn belofte na te komen en haar niet na te komen / zich aan gevaar bloot te stellen en het gevaar te ontlopen / zich kenbaar te maken en onzichtbaar te blijven / Wie voor het kommunisme strijdt / kent van alle deugden slechts één: / dat hij voor het kommunisme strijdt." De sektaire en dogmatische kiemen zouden zich pas de volgende jaren fors ontwikkelen. Eind '68 waren slechts de eerste bedenkelijke symptomen merkbaar en hoe rigider het nieuwe geloof werd, hoe groter de vervreemding van veel vroegere medestanders. De scheiding van de wegen kondigde zich aan. Ik begon Leuven te ontvluchten en als een bohémien trok ik van bezetting naar bezetting. Aan de universiteit van Luik zag ik voor het eerst André Cools en Guy Mathot in aktie, in Antwerpen legden we goever-neur Kinsbergen het vuur aan de schenen, in Amsterdam kampeerde ik met Ton Regtien en honderden anderen bijna 10 dagen in het Maagdenhuis, het administratief centrum van de universiteit. Ludo Martens die zich niet meer in Leuven had mogen inschrijven, was in Gent aan de slag als gediplomeerde in de agitatie. In maart '69 had hij reeds beet en drie weken lang daverde de Blandijnberg. Het bleven spannende en chaotische tijden. In de nadagen van de kontestatie leken we de suksesvolle 'commis voyageurs' van een produkt dat al over zijn hoogtepunt heen was. Af en toe droomden we nog van de hemel, want het besef dat we al gevallen engelen waren, zou pas veel later komen.

Hoofdstuk 9 De nieuwe totalitaire bedreiging - Inhoud

Of je nu door de burelen van Alma IIj, de kantoren van het Verbond van Belgische Ondernemingen, de redaktie van De Standaard of de wandelgangen van het parlement loopt, overal ontmoet je mannen en vrouwen die er in '68 bij waren. En niet alleen als toeschouwer. Velen waren aktief, namen risico's en kwamen op voor de verandering van 'het systeem'. Nu zitten ze in dat systeem en zijn er nogal wat met prestigieuze ambten. Daarvoor moesten ze veel stellingen van toen inslikken, want voor invloedrijke en goed betaalde jobs moet je veel vrijheid en niet weinig ideeën inleveren. Ze hebben de prijs betaald en zijn het levende bewijs dat '68 en haar generatie ook een amalgaam waren. De bevlogen spandoeken en de rechtlijnige kreten vertelden slechts een deel van het verhaal van die bewogen jaren. Er waren veel voetnoten waarin de slogans werden afgezwakt en de staalharde communiqués geamendeerd. Geen enkele tijd of maatschappelijke beweging is zo kompakt dat ze in enkele slagzinnen kan worden ingeblikt. Zoals je een Goya niet tot enkele krachtlijnen of dominante kleuren kunt reduceren, zo bestaat er geen robotfoto van de '68-er. Elke poging in die zin is altijd mislukt, zeer tot ergernis van veel politiediensten en doctrinaire scherpslijpers. Altijd was het resultaat betwistbaar en nooit was het beter dan een karikatuur.

Hoe lotsverbonden ze ook is en hoeveel ervaringen ze ook deelt, een generatie blijft nooit bij elkaar. Ze waaiert uiteen, zoals knikkers die - ook al zijn ze aan dezelfde zwaartekracht onderhevig -in alle richtingen botsen. Met de '68-ers was het niet anders. Ze vertrokken naar heel diverse einders en dikwijls groeiden de kleine meningsverschillen van vroeger tot luidruchtige publieke ruzies uit. We hielden immers van de kontroverse en geloofden in de heilzame invloed van het openbaar dispuut. Over de grote ideologische verschillen heen is dit tenminste één gemeenschappelijk kenmerk van deze leeftijdgenoten. Er zijn er nog. Omdat ze de status-quo probeerden te doorbreken, kwamen ze veelvuldig met de inertie en de weerstand van de strukturen in aanvaring. Ze kregen dus voeling en belangstelling voor macht en de relativiteit ervan. Voor elk individu, zeker als het jong is en probeert te begrijpen hoe de wereld in elkaar zit, is het een revelatie te ontdekken dat macht niet onaantastbaar is en slechts overeind blijft omdat ze wordt gedoogd en de ondergeschikten medeplichtig zijn. Het is een groot privilege van de generatie van '68 dat ze de macht bij herhaling zag wijken. We merkten dat de professoren achter hun kateders terugkrabbelden, de bisschoppen hun plechtige mandementen inslikten, de universitaire leiding en het stadsbestuur gas terugnamen. Niet goedschiks of uit overtuiging, maar omdat ze geen andere keus hadden indien ze erger wilden voorkomen. En daar bovenop kregen we een regering klein en gaven we een staatsstruktuur van meer dan 130 jaar oud, een dreun die de aanzet vormde voor een meer eigentijds bestuur. Eén dat wel rekening hield met de diversiteit van de gemeenschappen en dus iets realistischer was dan de abstraktie uit 1830. De kwestie Leuven betekende het einde van alle unitaire partijen en het begin van een federalizeringsproces waarbij de macht in België ingrijpend herverdeeld zou worden. Die suksessen hebben ons voor het leven getekend. In tegenstelling tot onze ouders hebben wij verleerd om voor het gezag te knielen. De macht verloor in die jaren haar sakrale glans en werd een erg profane aangelegenheid. Ze werd wat ze in werkelijkheid was, iets dat bij konventie wordt vastgelegd en indien nodig kan herroepen worden. Dit inzicht in de absolute betrekkelijkheid van alle macht is trouwens een basisvoorwaarde om te geloven dat er zoiets als een betere toekomst bestaat en dat je die zelf vorm kunt geven. De aanvaarding van een onaantastbare of transcendente macht over de samenleving leidt tot fatalisme of hoogst irrationeel gedrag. Uiteindelijk tast het zelfs de demokratie aan, omdat het geloof in de zin en de kracht van politiek wordt gedood.

Als er na '68 zo onwaarschijnlijk veel tijd in het 'werken aan de basis' is geïnvesteerd, kwam het door het geloof dat de loop der dingen wèl kon veranderd worden en dat strukturen geen eeuwigheidswaarde hadden. Het was in die jaren een vaststaand gegeven dat gemotiveerde mensen die voor hetzelfde opkwamen, greep op de gebeurtenissen konden krijgen en beslissingen konden bijsturen. Dit optimisme dat soms wel eens overmoed leek, leverde de brandstof voor een eindeloze sliert van wijk- en arbeidersko-mitees, aktie- en Derde Wereldgroepen. Over heel Vlaanderen ontwikkelde zich een alternatief circuit dat — los van de grote organizaties — aan de strukturen van de samenleving begon te morrelen. In die middens van bewogen aktivisten kwamen in de jaren zeventig voor het eerst de milieuproblemen aan bod. En bijna nooit bleef het bij woorden, want het was een axioma dat alleen aktie de machthebbers uit hun zelfgenoegzaamheid kon halen en in beweging brengen. In ontelbaar veel scholen probeerden leraren met ambitieus projektonderwijs de ogen van leerlingen voor hun tijd en hun land te openen. Niet alles slaagde en veel mislukte, maar dat was geen reden om af te haken. Wel om het anders aan te pakken en zich beter te organizeren. Het is uit dat netwerk dat Agalev, maar ook andere partijen en bewegingen rijkelijk veel kaders en gedreven militanten hebben kunnen putten. Ze waren weinig komfort gewoon, hadden geleerd geduldig in de schaduw te werken en waren overtuigd dat alleen de verandering van ideeën — wat toen de mentale rekonversie werd genoemd - de waarborg voor een duurzame ommekeer betekende. En dat het denken kon evolueren, werd door niemand in vraag gesteld. Dat hadden we zelf tijdens die woelige tijd ervaren. Ongetwijfeld heeft de verwarring van het establishment en de machtsstrukturen, die in '68 meer dan eens op vertwijfeling leek, ook illuzies gevoed. We vergaten wel eens dat strukturen zoveel taaier zijn dan de leiders en dat de kern van de macht nauwelijks verstoord wordt door het gerommel aan universiteiten of de wissel van een eerste minister. Overigens waar lag het zenuwcentrum van de macht?

De dorheid van het ekonomisch fundamentalisme - Inhoud

Misschien was dit de vraag die ons toen het meest tormenteerde. Dat leek ons niet meer dan terecht. Het was ons uiteindelijk om de fundamenten en niet om de gezelligheid of de ambiance te doen. We hadden de ambitie van professionelen en onze aktivi-teiten waren erop gericht om de peilers van het bestel te raken. Zo ontstond ook het vermetel idee om met een Soldatenvakbond het Belgisch leger een grondige beurt te geven. Toen ik eind '69 mijn legerdienst aanvatte en daar vlugger dan verwacht met de 'repressieve onverdraagzaamheid' werd gekonfronteerd, was het de bedoeling dat de Soldatenvakbond de jaren zou trotseren. Daar was lang over gepraat in de leiding van de SVB en er was roerende eensgezindheid over dat het leger een aktieterrein van het grootste strategisch belang was. Het was per definitie ondemokratisch, een zeer unitair en autoritair instituut, op oorlog in plaats van op vrede gericht. Op beslissende momenten, zo was ondermeer in mei '68 in Frankrijk en tijdens de grote staking in '60-61 in België gebleken, was het leger de garantie voor de status-quo. Verder had je er een uitgelezen kans om maandenlang te praten met arbeiders die je dan later in bedrijven kon opzoeken. Er zou een blad komen dat studenten aan alle kazernes zouden uitdelen. De eerste reakties op het initiatief waren zeer hoopvol. Op het Klein Kasteeltje liep mijn eerste militair optreden bijna uit op een entoesiaste muiterij en vele toekomstige miliciens boden hun goede diensten aan. De legerleiding zelf reageerde paniekerig en probeerde me zo volledig als maar enigszins kon te isoleren. Ze had daar trouwens de middelen en de ruimte voor. Ik kreeg mijn opleiding heel alleen en werd vervolgens neergepoot in een bakkerij diep in Duitsland, in de bossen van het Sauerland. In die omstandigheden was het vrijwel onmogelijk om een vakbond uit te bouwen. Vanuit het studentenmilieu kwam er, spijt de afspraken, weinig steun. De prioriteiten lagen elders. In Limburg was een nieuwe mijnstaking uitgebroken en die kreeg absolute voorrang. Die ommezwaai kaderde volledig in de denkschema's en de stereotiepen over macht die toen in het studentenmilieu bestonden. Macht werd in eerste instantie ekonomisch gedefinieerd en was haast synoniem voor tonnenmaten en beheersmandaten. Niet de regering, de partijen of het parlement spraken het laatste of het beslissende woord. Dat bleef het prerogatief van het kapitaal en daar had de demokratie zich hoedanook bij neer te leggen. Een echte ommekeer kon er pas komen als de arbeidersklasse de macht over de bedrijven en de ekonomie zou verwerven.

Het waren de gekende stellingen van Marx en Lenin. Ze werden uit de oude boeken geplukt en bijna letterlijk geïnterpreteerd. Men ging voorbij aan alle bezwarende feiten die sindsdien waren opgestapeld. Zowel de integratie van de arbeidende klasse in de konsumptiesamenleving zoals Marcuse had aangestipt, als het ekonomisch falen van zoveel kommunistische systemen, werd weggelachen en zeker niet ernstig genomen. Zeer verbazend was hoe lichtvoetig over het schrijnend demokratisch tekort van die diktaturen van het proletariaat werd heengestapt. Op het einde van de jaren '60 en in het begin van de jaren '70 verkeerde de door de Verenigde Staten geleide wereld van de marktekonomie echter in ademnood. Steeds meer landen zochten aansluiting bij de dirigistische, geleide ekonomieën en de VS slaagden er niet in om het tij te keren. De kring van de landen met een marktekonomie werd kleiner. Na Rusland en de landen van Oost-Europa, had ook China zich na de tweede wereldoorlog losgemaakt en de dekolo-nizatie leek de beweging alleen maar te versnellen. Cuba en de aantrekkingskracht van Castro, het Amerikaans debacle in Vietnam, de opkomst van zoveel bevrijdingsbewegingen in Afrika en Latijns-Amerika, en de rassen- en studentenrellen in de vs versterkten de indruk dat het Westen in een impasse zat. Dat verhoogde de geloofwaardigheid van de oude teorieën waarin de wetten van de geschiedenis lagen besloten en die het zekere einde van het kapitalisme voorspelden. Zelfs de spektakulaire groeicijfers van de 'sixties' en de geringe werkloosheid konden de twijfel rond de ongeneeslijke kwalen van het systeem niet wegnemen. In tegenstelling tot 1989 en 1990 hing er in de Westerse hoofdkwartieren toen allerminst een zelfverzekerde of triomfalistische sfeer. Veeleer was er knagende onzekerheid over de vraag waartoe het verlies van zoveel markten, kolonies en kritische jongeren zou leiden.

Voor Mao kwam de macht uit de loop van een geweer. Voor veel politiek bewuste jongeren van twintig jaar geleden, kwam ze uit de hoogovens, de schoorstenen van de fabrieken en de raden van bestuur van banken en holdings. Daar lag de reële macht, de rest was schijn of alleszins zeer bijkomstig. En meestal van die aard om de aandacht van het essentiële af te leiden. Dit ekonomisch fundamentalisme veronachtzaamde het complexe samenspel tussen ekonomie, politiek en kuituur. Het was de nieuwste versie van een oud determinisme. De produktie bepaalde alles, ook het denken en de kunst, want autonomie bestond niet of nauwelijks. Het was allemaal nogal schraal en troosteloos. De hele samenleving werd tot één groot bedrijf herleid, de mens tot een producent. De intellektueel hoorde zich diep te schamen omdat hij geen arbeider was. De verbeelding was ver zoek, het was dor sociaal realisme dat vooral edelmoedige zendelingen en verkrampte dogmatici kon bekoren. Eén voor één verlieten ze de universiteit en hun vertrek riep gevoelens op die het midden hielden tussen bewondering en medeleven. Twintig jaar later zijn die gevoelens er nog, hoewel men nu eerder over respekt en verbijstering moet spreken. Voor hun goede zaak hebben ze zich zowat alles ontzegd wat ze binnen handbereik hadden: een aangenaam leven en het vrij zoeken naar waarheid. Ze werden niet gevolgd omdat de barre tocht door de marge van de samenleving afschrikte, maar evengoed omdat velen inzagen dat de schema's niet klopten en dat de wereld zich niet volgens die strakke dogma's liet verklaren.

"The day that changed politics" - Inhoud

Ook '68 niet, zeker '68 niet. De kontestatie kan bezwaarlijk vanuit de ekonomische situatie worden uitgelegd. Er was groei en het leek erop dat, in tegenstelling tot de jaren twintig en dertig, afdoende remedies tegen de recessie bestonden. Vele jaren na elkaar was de levensstandaard toegenomen en ook de arbeiders konden zich nu in de schaduw van de koelkast aan de televisie vergapen. Hun kinderen kregen zelfs uitzicht op universitaire studies, want er waren studiebeurzen en van Hasselt tot Kortrijk werden de kandidaturen gespreid. Er bestond geen vrees dat er voor die toename van diploma's ook jobs moesten zijn. Daar waren we heel gerust in. Werkloosheid was een vooroorlogs probleem. Iets dat we uit de boeken kenden en waar we zelf niet mee gekonfronteerd werden. Als de jongeren toen rebelleerden, was het niet uit ekonomisch ongenoegen. De beweegredenen hadden met politiek te maken en nog meer met de wijze waarop we onze identiteit dreigden kwijt te raken. De starre gezagsstrukturen en de achterhaalde kulturele en etische normen ervaarden we als een aanslag op onze eigenheid. Vandaar de malaise, de opstandigheid en het begin van de lange zoektocht naar het wezen van de macht. Dat sommigen naar de bedrijven trokken en onder de arbeiders gingen leven, was geen toeval. Het was het resultaat van veel lektuur en oprechte bewogenheid. Dat anderen de media opzochten, was evenmin een impulsieve gok, wel het gevolg van intuïtie. We hadden immers John Kennedy met miniem verschil de Amerikaanse verkiezingen van Richard Nixon zien winnen. Hij won omdat hij het nieuwe medium beter beheerste dan zijn konkurrent en niet omdat zijn programma zoveel solider was. "It was the day tJhat changed politics", schreef de Amerikaanse publicist David Halberstam in 1979 in 'The powers that be'. "Before it, politicians looked like poli-ticians and bosses were still bosses; after it, nothing was the same." Waarschijnlijk is het dit vage vermoeden dat de fascinatie van veel '68-ers voor kommunikatie en media verklaart. Er was het vlugge en weinig gesystematizeerde aanvoelen dat de mutatie in de media alles zou veranderen. Zowel het denken en het belang van teksten, als de politiek, de manier van oorlogvoeren en het funktioneren van de demokratie. Kortom, we wisten dat er een nieuw zenuwcentrum van macht ontstond.

In de 'sixties' speelde de televisie voor het eerst een rol en wierp ze zich op als de uitdager van de geschreven informatie. Als er in die jaren al een revolutie plaatsvond, was het in de media, al zou de impakt ervan pas veel later omschreven worden. Het ging immers om veel meer dan een nieuw medium dat de slag met de konkurrenten won en weldra zijn suprematie zou vestigen. Het was evengoed een strategische overwinning van een andere taal en de zoveelste nederlaag van het woord. Op haar beurt ontvluchtte de informatie de woorden en het schrift en werd de lijn van Galilei, Newton, Descartes en Spinoza doorgetrokken. Sinds het einde van de 16e eeuw had de ene wetenschap na de andere gepoogd om aan de bekrompenheid van de dogma's en de onnauwkeurigheid van de woorden te ontsnappen. Wiskunde werd synoniem van exactheid, omdat ze onvertaalbaar was. En de trend ging onverminderd door, zelfs tot in de filozofie. Eén van de meest originele wijsgeren van de twintigste eeuw, Ludwig Wittgenstein, probeerde als een geobsedeerde aan de tautologie van de woorden te ontkomen. "Wat wij een feit noemen", zo schreef hij ooit, "zou wel eens een door de taal gesponnen sluier kunnen zijn." Nu was het de beurt aan de informatie om naar een andere taal uit te wijken en afscheid van het woord te nemen. Het beeld was trouwens zoveel geloofwaardiger, want het was niet besmet door de totalitaire leugens van de twintigste eeuw. "Want dit", zo schreef Stefan Zweig in 1940 in 'De wereld van gisteren', "onderscheidde de eerste wereldoorlog gunstig van de tweede: het woord had toen nog effekt. Het was nog niet afgereden door de georganizeerde leugen, de 'propaganda', de mensen hadden nog respekt voor het geschreven woord. Het was voor de dichter, de schrijver dus zeker niet zinloos om te spreken."

Het is niet verwonderlijk dat de '68-ers zo vlug en zo scherp de impakt van het nieuwe medium aanvoelden. Zonder de televisie was de kontestatie er misschien nooit geweest. Zij bracht voor elkaar dat de jongeren met andere ogen naar de wereld en haar leiders keken. Ze hoefden niet langer door een waas van letters naar de ware toedracht te speuren. Als je de Amerikaanse bommenwerpers hun napalmbommen boven Vietnam zag droppen en de Gi's tegen de Vietcong aan de slag zag, begreep je meer van die oorlog dan je uit de lektuur van verslagen kon puren. En zonder de tv zou het verzet aan de Amerikaanse universiteiten allicht nooit dezelfde weerklank hebben gekend. Nu was het zeer inspirerend voor leeftijdgenoten aan de andere kant van de oceaan. Ook in Vlaanderen veranderde de tv de spelregels van de politiek. Iemand als Vanden Boeynants had dat onmiddellijk door, maar wij evengoed. Ze gaf ons immers veel meer maneuvreerruimte en maakte ons minder kwetsbaar voor de zure en tendentieuze opmerkingen van de patriarchen van de schrijvende pers. De kranten waren hun monopolie kwijt en de bevolking kon voor het eerst kijken naar wat er in Leuven gebeurde. Daar hielden ook wij rekening mee en meer dan eens werden akties ondernomen omdat ze sterke en pakkende beelden opleverden. Het was de eerste keer dat een grootschalig politiek konflikt in België zo nadrukkelijk door de tv werd gevolgd en de publieke opinie zich een oordeel kon vormen zonder dat de feiten door de kranten werden gefilterd. Beter dan wie ook waren we toen bekwaam om de gevolgen te extrapoleren. Deze mediamutatie zou uiteindelijk alle machtsbastions aantasten en een ommekeer veroorzaken vergelijkbaar met een vorige mediamutatie, die van de boekdrukkunst. Martin Lutlier verdedigde stellingen die zeer vergelijkbaar waren met die van Jan Hus. De Boheemse ketter stierf eenzaam op de brandstapel, terwijl Luther een eeuw later de vader van het eerste Westerse schisma werd, en het aanschijn van Europa veranderde. Dank zij het nieuwe medium. Hij begon als filoloog en monnik en eindigde als een politiek, zelfs militair leider. Het was de boekdrukkunst die het verschil maakte en het protestantisme is Luther niet meer schatplichtig dan Gutenberg.

De intuïtie dat de nieuwe mediasituatie het begin van een ander tijdperk was, bleek geen vergissing. Er werden de laatste kwarteeuw veel bolwerken beschadigd en soms zelfs gesloopt. De autoriteit van staten, parlementen en politieke partijen werd aangetast en een imperium als de Sovjetunie viel in brokstukken uiteen. De moderne kommunikatietechnieken speelden hier allerminst een neutrale rol, wel integendeel. Ze versnelden de desintegratie, ze aktiveerden ze ook. De trefkracht van beelden is zoveel direkter dan die van teksten. Bovendien onttrokken de beelden zich steeds nadrukkelijker aan de bevoogding van de traditionele machtscentra. In tijden van satelliettelevisie is censuur geen simpele zaak en mede daardoor verloor het Kremlin zijn greep op de publieke opinie en de gebeurtenissen. In Vlaanderen, waar de schrijvende pers zich altijd in de geborgenheid van de politieke partijen en hun zuilen had genesteld, luidde de teloorgang van haar dominante positie een veel lossere verhouding in. De partijen moesten gaandeweg hun ijzeren greep op de media lossen. Een onomkeerbare evolutie, vooral sinds 1989 toen de suksesstory van het Vlaamse commercieel station begon. De absolute vrijheid bestaat niet, in de pers nog minder dan elders. Bij elke meter die de politiek prijsgaf, boekte het commerciële terreinwinst. De grotere politieke vrijheid van kranten en media wordt nu ruimschoots gekompenseerd door een veel dwingender afhankelijkheid tegenover de markt. "Voor dat er in Vlaanderen sprake was van een kritisch kultureel leven, kwam er", zo zei Jozef Deleu twee jaar na de start van vtm, "een machine van verdomming op gang die uitsluitend commercie op het oog heeft." Over de ravage die wordt aangericht, zal men pas in een volgend decennium klaar zien. De symptomen zijn meer dan zorgwekkend. De triomf van het beeld, vooral van het commerciële, versnelde de ontlezing en in bijna alle media, maar niet alleen daar, kwam de kwaliteit in verdrukking. Ze moeten zich met kijk- of verkoopcijfers legitimeren en zo dreigt ook de biotoop van de kritische tegenmacht onherstelbare schade te lijden. Uiterst zinvolle initiatieven en projekten worden afgevoerd of krijgen geen kans omdat ze er niet in slagen zich voor de rechterstoel van het rendement te verdedigen.

Als de kraaien over Europa vliegen - Inhoud

In 1993 lijkt de macht veel verderaf te liggen dan 25 jaar geleden. Ze lijkt zelfs ongrijpbaar en men kan ze zich niet eens meer voorstellen. Hier falen de beelden. De eerste ministers, goeverneurs van centrale banken en de bestuurders van vennootschappen lopen er nog even nerveus en pronkerig bij als vroeger, maar niemand die zich daar nog op miskijkt. Ze hebben één of meerdere stappen moeten terugzetten. Ze zijn hun almacht kwijt en gedegradeerd tot uitvoerders. Ze volgen normen op en voeren besluiten uit die elders werden vastgelegd. Dat 'elders' is iets zeer diffuus. Het is geen stad, geen land, misschien is het zelfs synoniem voor nergens. Iets dat je plots op een beeldscherm ziet flikkeren, een korte flits uit een computerbrein, waartegen geen beroep mogelijk is. Hele bedrijfstakken, landen en kontinenten zijn nu aan wetten en kwota's onderworpen waarover geen enkel nationaal parlement ooit heeft gestemd. Waarom zou het ook? De mobiliteit van kapitalen, bedrijven en informatie is nu zo groot dat ze zich losgemaakt hebben van de zwaartekracht van de trage demokratie, die bovendien alleen maar binnen fikties, namelijk grenzen, kan werken. De industrie, de media of de luchtvervuiling storen zich nauwelijks of helemaal niet aan de barrières uit een vorig technologisch tijdperk. De demokratie daarentegen is er nog altijd niet in geslaagd om zonder grenzen te funktioneren. Dat veroorzaakt moedeloosheid en bij momenten radeloosheid. Het beleid wordt voortdurend in snelheid genomen en moet wanhopig achter de feiten aanhollen. Die worden elders beslist, maar steeds volgens de koele logika van de harde financiële cijfers waaraan iedereen zich nu heeft te konformeren. De kille regels die accountants de bedrijven hebben opgelegd, sijpelen nu als zure regen de hele samenleving binnen. Het is de wereld van McKinsey en zijn onverbiddelijke consultants. Ze beslissen niet, ze advizeren slechts, maar wel konsekwent en overtuigd van hun gelijk, ongeacht de sociale pijn. Sinds 1989 is er tenslotte maar één waarheid.

Opnieuw werden veel zekerheden die een maatschappij voor wanhoop behoeden, ondergraven. In de jaren '80 werd het geloof dat er voor iedereen werk zou zijn op de helling gezet. Wij werden groot met het besef dat 'full employment' haalbaar was en binnen

handbereik lag. Vandaag wordt het zelfs niet meer als doelstelling geformuleerd en geen enkele politieke partij durft het nog aan om deze 'utopie' in haar programma's te schrijven. Men heeft zich bij het onvermijdelijke neergelegd en aanvaardt nu werkloosheidscijfers die een veelvoud zijn van wat in de jaren '60 normaal of toelaatbaar werd geacht. Zelfs de verontwaardiging om de verspilling van zoveel ongebruikt talent belandde in de ramsj van de niet ter zake doende gevoelens. Als er al verontwaardiging is, slaat ze op de ondraaglijke financiële kost. Het onvermogen om een oplossing te bedenken en een alternatief te formuleren, geeft voedsel aan een brede maatschappelijke malaise. Van Rostock over Antwerpen tot Marseüle betrekt de hemel, verstommen de nachtegalen en alleen de kraaien die laag over de grond vliegen, roeren zich. De gieren cirkelen opnieuw boven Europa. In Sarajevo en voormalig Joegoslavië worden nog maar eens een pak illuzies rond de macht van beschaafde politiek aan flarden geschoten. Ondanks een paar duizend jaar Europese kuituur en de holocaust van deze eeuw wordt het kwaad weer eens met zoveel meer fantazie en hartstocht volbracht dan het goede.

En toch zijn defaitisme en fatalisme onverantwoord en zeer onterecht. De verhoogde mobiliteit en snelheid zijn, net als in '68, een kans om vastgeroeste privileges te doorbreken. Een deel van de Derde Wereld slaagt er nu in om de duivelskring van de armoede te doorbreken. Het wegvallen van de grenzen is vooral voor het zelfgenoegzame en egoïstische Westen een bedreiging. Het kwam er nooit toe om de schamele 0,7 procent ontwikkelingshulp vrij te maken. Nu wordt het gedwongen om te delen. Het kan zich niet meer barrikaderen achter tolmuren of protektionis-tische tarieven, want die houden toch geen stand. En als ze het al zouden doen, dreigt het er alleen maar erger op te worden. Dan zullen niet de produkten uit het Oosten of het Zuiden hier toekomen, wel het lompenproletariaat uit de Derde Wereld. Dat is per definitie revolutionair, want het heeft toch niets te verliezen. Voor het eerst sinds het ontstaan van het kapitalisme is de Derde Wereld in een positie dat ze eisen kan stellen. Dank zij de mobiliteit van kennis en produktietechnieken zijn de machtsverhoudingen in haar voordeel veranderd. Er bestaat nu uitzicht op een iets rechtvaardiger verdeling van welvaart, zij het dat Europa en haar werkende bevolking een trauma riskeren. Al de spelregels moeten herzien worden, evenals de ordewoorden en de grote begrippen, zoals solidariteit en verdeling van beschikbare arbeid. De verleiding zal groot zijn om de tijd terug te draaien en het trage ritme en de afgeschermde territoria van vroeger als norm te nemen. Dat mislukt altijd. In 1789,1968 en 1989 liepen zulke pogingen falikant af en zo zal het ook in de toekomst zijn.

Het is daarentegen absoluut noodzakelijk dat de doldraaiende machine wordt afgeremd. De politiek, de demokratie dus, moet opnieuw vat op het gebeuren krijgen en de rationaliteit van het hele systeem aan banden leggen. Als de commerciële logika zich als de nieuwste wet van de geschiedenis opdringt en alle menselijke aktiviteiten normeert, zit men dicht bij een totalitair systeem zoals dat door Hannah Arendt in 'The Origins of Totalitarism' werd gedefinieerd. Een kwarteeuw na '68 is kontestatie meer dan ooit nodig en moet het wezenlijke onderscheid tussen een fabriek en een samenleving worden benadrukt en ... afgedwongen. Er zijn aktiviteiten waar de industrie volledig of zoveel mogelijk haar klauwen moet afhouden, zoniet is men op weg naar een barbaren-dom dat nog veel erger dreigt te worden dan dat van de jaren '30. Er moeten in de hele samenleving verkeersdrempels en verkeersvrije zones komen, die het kwetsbare en het meest waardevolle leven voorde monsters op vier wielen beschermen. Kunst, onderwijs, geneeskunde en informatie moeten los van de industrie kunnen bestaan. Het commerciële dat van alles de juiste prijs kent, is immers stekeblind en ontheiligt alles. De ontdekking van Oscar Wilde uit 1891 staat nog altijd overeind. "De mensen", zo schreef hij in "The picture of Dorian Gray', "kennen tegenwoordig overal de prijs en nergens de waarde van." Wilde was geen ideoloog, wel een geniaal artiest die jaren in de gevangenis werd opgesloten.

 

 

 

 

 

 

Achterblad - Inhoud

68 de wereld veranderde, zal altijd wel een punt van verhit debat blijven. Zeker is alleszins dat na het wonderjaar de Leuvense universiteit, Vlaanderen en België anders werden. Het was het einde van een tijdperk, want nadien was in dit land niets meer als vroeger. Leuven '68 was een tijd waarin een nieuwe generatie op haar beurt de grote vragen formuleerde en uiteindelijk - toen ze vruchteloos op een antwoord had gewacht - dan maar zelf haar waarheden dekreteerde. "In feite", zo zei de vergrijsde liberale staatsman Frans Grootjans na de elektorale aardschok van november 1991, "is het toen begonnen. Die beweging wou het paternalisme vernietigen, zowel in partijen, de universiteiten, de vakbonden als in de kerken. Zo zijn ze op weg gegaan van een vaderloze maatschappij."

Eén van de meest rumoerige studentenleiders uit die turbulente tijd was Paul Goossens. Een kwarteeuw later blikt hij terug op het jaar waarin een generatie de hemel wilde bestormen.

Paul Goossens is ex-boofdredakteur van De Morgen. Hij is een befaamd journalist en schrijft artikels in vooraanstaande kranten en tijdschriften.

Boven - Inhoud