|
De zoete dood Mail Staf Henderickx Inhoud Home
Naar de
pagina-versie
Kaftontwerp: Erik De Meyer, Uitgeverij EPO, Vertegenwoordiging voor Nederland, Ekologische Uitgeverij, ISBN 90-6445-932-0, D 2204-1983-14
Met dank aan: EEN DUIK IN DE NON-FERROGESCHIEDENIS VAN LIMBURG. 5 FABRIKAGE VAN ZINK EN AANVERWANTE NON-FERROMETALEN. 9 1. soorten 9 1.
Ertsbehandeling en roosting 15 ZWARE METALEN EN GEZONDHEID 25 A. De betekenis van zware metalen voor het lichaam 26 1.
enkele definities 27 B. Wetenschappelijk onderzoek in België 33 1. Lood 33 C. De normen 45 RECHTEN OP PAPIER EN IN DE PRAKTIJK 49 A. De arbeidsgeneesheer: een geneesheer van en voor de arbeiders? 49 1.
Medisch toezicht 50 B. De medische inspektie: een papieren tijger? 59 C. Hoe gebeurt een aanvraag tot schadeloosstelling door het Fonds voor Beroepsziekten? 60 D. Bijlagen 63 DE MILIEUSITUATIE IN DE NOORDER-KEMPEN 73 A. De Noorder-Kempen: situering 73 1. gasvormig 91 F. Situatie in Noord-Limburg 104 1. Zware metalen 106 G.
Chemisme van zware metalen in de bodem 131 A. De barrier blijft dicht 150 A.
De krisis leidt tot een nooit geziene
versterking van de holdings 155 1.
Rendabiliteit en tewerkstelling 159 * EEN DUIK IN DE NON-FERROGESCHIEDENIS VAN LIMBURG De industrialisatie van Limburg wordt door velen nog steeds geïdentificeerd met de opkomst van de steenkoolmijnen in Midden-Limburg. In 1901 boorde A. Dumont voor het eerst steenkool aan op het grondgebied van de gemeente As. Nochtans was de vestiging van de grootindustrie in de provincie reeds van start gegaan met de bouw van een arsenicumfabriek te Overpelt in 1888. Oprichter was de maatschappij Schulte en co, een vennootschap onder kontrole van Duits kapitaal met name van de bank Beer en Sundheimer te Frankfurt. De Noorderkempen waren in de tweede helft van de 19de eeuw industrierijp gemaakt door de aanleg van het Maas-Schelde-kanaal en de spoorlijn München-Gladbach. Dat de Duitse nijveraars hun oog op de Noorderkempen lieten vallen lag niet alleen aan de gunstige infrastruktuur. De lage bevolkingsdichtheid en de uitgestrektheid van het gebied maakten ze uiterst geschikt voor de sterk vervuilende arsenicum- en zink- produktie. Bovendien waren gronden en arbeidskrachten er goedkoop. Een paar jaar na de oprichting van de fabriek stond het volgende bericht te lezen in het Algemeen Belang: "Over eenige jaren verkregen eenige Duitsche nijveraars de toelating een gesticht op te richten te Overpelt waar men arse-niek (acide arsenieux) maakte en lood bewerkte. Eerst hadden zij gedacht die fabriek op te richten in Duitschland nabij Keulen doch zij kregen de toelating niet. In België wel. Eens dat de fabriek in werkzaamheid was zag men welhaast de werklieden aangetast door vreemdsoortige ziekten, ze kregen puisten op het lichaam en in de neusgaten; andere kenteekens nog duidden het bloedbederf aan. Daarbij, de rook uit de fabriek vernietigde alle groeikracht in den omtrek der fabriek, bijzonderlijk in de richting der heerschende winden. Tot op 1200 meters afstand langs de vaart, oostwaarts, verloren de bomen hunne bladeren en stierven. Men bestatigd den invloed van rook tot op eenen afstand van 1800 meters. De schoone weilanden welke men met zoo- 5 veel moeite en kosten heeft aangelegd, zijn aldus tot onvruchtbaarheid gedoemd. Nu vraagt de fabriek nieuwe zinkovens te mogen aanleggen. Overpelt en de bestendige deputatie van Limburg verzetten er zich tegen." De firma Schulte en co ging het voor de wind. In 1893 werd de eerste zinkoven in gebruik genomen en de werking van de fabriek bereidde zich steeds verder uit. In 1904 werd aangevangen met de bouw van een zink-en zwavelzuurfabriek te Lommel. De N.V. Société Métallurgie de Lommel, die haar kapitaal ontving van een Duits-Belgische financiële groep, bouwde haar nieuwe fabriek in een uitgestrekt heide-en bosgebied tussen Lommelcentrum en Stevensvennen. Rond de fabriek ontwikkelde zich later het gehucht Lommel-Werkplaatsen. De Lommelse fabriek kende een snelle uitbreiding. In 1905 waren er 55 werklieden tewerkgesteld maar vijf jaar later waren het er reeds 741. De verwerking van de non-ferrometalen vormden een bedreiging voor zowel de omgeving als voor de arbeiders. De werkomstandigheden waren ongezond en zwaar. De giftige koolzuur-en zwaveldampen tastten de gezondheid sterk aan. Aantasting van de luchtwegen, oogontstekingen, maagkrampen en vermoeide benen behoorden tot de veel geuite klachten. Vergiftigingsverschijnselen door de uitwasemingen in de bedrijven doken veelvuldig op. De geelgroene gelaatskleur en de knokige ledematen van de arbeiders sprongen het meest in het oog. In de Kamer van Volksvertegenwoordigers werd in 1914 meegedeeld dat 34% van de werknemers in de zinkfabrieken aan loodvergiftiging leed. Met de arbeidsveiligheid schortte ook één en ander, getuige de regelmaat waarmee in de plaatselijke pers melding werd gemaakt van arbeidsongevallen. Een krantenbericht uit de vele: "Neerpelt, donderdag der verleden week gebeurde hier een vreeselijk ongeluk in de metaalfabriek. Een werkman, geboortig van Gheel, werd door eenen wagen omver gestoot, met het ongelukkig gevolg, dat hij in een pot gloeiende loodafval terecht kwam. De ongelukkige kon zich niet redden en toen er hulp opdaagde, was hij totaal verbrand. Rug, achterdeel en beenen waren slechts eene wonde. Spoedig werden twee dokters bijgeroepen die hem verpleegden, doch zoo men denken kan, is zijn toestand uiterst bedenkelijke" (Uit het Algemeen Belang 17 november 1904) 6 Sociale spanningen bleven niet uit. In spontane stakingen vonden de arbeiders een uitlaatklep voor hun ontevredenheid. Zo brak er reeds op 4 april 1895 een spontane staking uit in de zinkfabriek van Overpelt. Aangezien de vakbeweging nauwelijks van de grond scheen te komen bleven de resultaten meestal uit. Net voor de Eerste Wereldoorlog, in 1913, fusioneerden de bedrijven van Overpelt en Lommel tot de N.V. Compagnie des Métaux Overpelt-Lommel. De hoofdzetel werd in Overpelt gevestigd waar toen ongeveer 1.700 a 1.800 arbeiders waren tewerkgesteld. Na de Eerste Wereldoorlog kwam de N.V. onder de kontrole van Belgische financiële instellingen. De Duitse verliezer werd verplicht de Duitse aandelen de verkopen aan Belgische financiële groepen. In de jaren 1928-1929 nam de concentratie in de non-ferroindustrie verder toe. De société Métallurgie van Corphalie, die een moderne zinkfabriek en andere bedrijven bezat, werd samen met de firma Pelgrims-Bonbeek opgeslorpt. De nieuwe benaming van de N.V. werd nu de Metaalfabrieken van Overpelt, Lommel en Corphalie. De zinkfabriek van Corphalie werd langzaam afgebouwd en in 1940 gesloten. In Overpelt kwam er tijdens de Tweede Wereldoorlog een gereedschapsmakerij tot stand. De naoorlogse periode was er een van modernisering zowel op het vlak van de produktiemethoden als van de werkomstandigheden, hoewel die verre van gezond bleven. Het Overpeltse bedrijf telde in de vijftiger jaren de volgende afdelingen: de afdeling contact waar zwavelzuur werd geproduceerd en het zinkerts werd voorbereid voor verdere bewerking, de zirikovens van Overpelt en Lommel, de gereedschapsmakerij, de afdeling aluinaardesulfaat en de algemene diensten. In 1959 kwam er de nieuwe afdeling bij van de kunststoffen. Deze afdeling groeide geleidelijk uit tot een zelfstandige onderneming. In 1968 smolt deze afdeling samen met Plascobel Zwijnaarde en kwam de nieuwe N.V. Overpelt-Plascobel tot stand. De belangrijkste fusie in de non-ferro na W.O. 2 kwam op 26 juni 1970 tot stand met de fusie Hoboken-Overpelt tot de N.V. Metallurgie Hoboken-Overpelt, beter gekend als de M.H.O. Volgens de direkties drong zich deze fusie op wegens de snelle technologische evolutie in de non-ferronindustrie. Er moest dringend overgeschakeld worden op het electrolyse-systeem. De fusie en de omschakeling van het produktiesysteem betekende de doodsteek voor de Lommelse zinkovens. 7 In 1974 werd de Lommelse zinkfabriek gesloten. Te Overpelt werd de nieuwe zinkfabriek op 23 oktober 1974 ingehuldigd.
FABRIKAGE VAN ZINKEN AANVERWANTE NON-FERROMETALEN - Inhoud Met de non-ferro's wordt een hele groep metalen bedoeld. De voornaamste zijn hieronder samengebracht. 8
Deze metalen komen voor in variërende koncentraties in tal van mineralen. Voor de zinkbereiding zijn vooral zinkblende, edelgalmei, smithsoniet en kiezelgalmei belangrijk. Deze ertsen bevatten in hoofdzaak zink maar de overige metalen komen er in mindere mate of als sporenelementen in voor (secundaire metalen). Vooral uit Spanje, Italië, U.S.A., Canada, Australië, Ierland en Zaïre worden ruwe ertsen ingevoerd 9 Omdat vele van deze non-ferrometalen een eerder laag smeltpunt hebben (vooral dan lood, zink, tin en koper) werden zij reeds in de vroege oudheid verwerkt. Zo gebruikten de Romeinen al loden buizen voor de waterleiding. Opgravingen van 2000 jaar oude Romeinse villa's brachten intakte gedeelten hiervan aan het licht. Koper wordt door de mens al 5000 jaar gebruikt. Het brons - een legering van koper en tin - heeft een lager smeltpunt en is bovendien harder. Om deze redenen werd het zeer veel gebruikt, zodat de beschaving een enorme sprong maakte van het steentijdperk naar de bronstijd: één der grootste technologische revoluties. Zink stelde wat meer problemen, maar toch konden de Chinezen reeds lang voor het begin van onze jaartelling een sterk met lood verontreinigd zinkmetaal vervaardigen. Tot een echte bloei in deze industrie kwam het pas in de 19e eeuw. Een bruikbaar procédé voor de bereiding van zink werd op punt gesteld door de Luikenaar Dony. Omwille van hun prachtige glans en hun weerstand tegen aantasting zijn goud en zilver altijd zeer begeerde metalen geweest. Vrouwen en mannen pronkten met hun schatten aan edele metalen en al zeer vroeg waren zij de meest courante betaalmiddelen. Andere metalen zoals seleen, germanium, thallium enz. zijn zeldzaam en werden vorige of deze eeuw ontdekt. 3) NON-FERROMETALEN IN BELGIE. - Inhoud Belgie verwierf al vroeg in de 19de eeuw een eersterangspositie in de non-ferrosector. De onderstaande inzet geeft een beeld van de Belgische positie op wereld- en op Europees vlak 10
België is in de EEG de belangrijkste uitvoerder van ruw zink en ruw koper. Op wereldvlak neemt België de tweede plaats voor zink en de vierde plaats voor koper in. Voor ruw lood zijn we de tweede uitvoerder binnen de Europese gemeenschap en de vierde ter wereld. Van een twintigtal fabrieken die zich in de negentiende eeuw ontwikkelden blijven nu slechts enkele mastodonten over, die naast hun vestigingen in België, meestal ook talrijke buitenlandse projecten patroneren. Enkele voorbeelden: roostprocédé Vieille
Montagne elektrolyseprocédé
Vieille Montagne De Metallurgie
Hoboken-Overpelt (MHO) heeft in België drie grote vestigingen: 11 Naast deze Belgische
vestigingen is de MHO vertegenwoordigd in de Waarom een dwerg zoals België zich ontwikkelt tot een non-ferroreus is gemakkelijk te begrijpen. In het vroegere Belgisch Kongo lagen de goedkope grondstoffen voor het grijpen en de zwaar onderbetaalde inlandse werkkrachten verbeterden nog eens onze konkurrentiële positie. De ekonomische druk van industriële en financiële giganten en de korruptie van politici zorgen ervoor dat Zaire deze traditie voortzet. Het Noordelijke gedeelte van de Kempen werd omwille van de geringe bevolkingsdichtheid en de goedkope arbeidskrachten uitgekozen voor de vestiging van deze ongezonde industrie. In de zone Overpelt-Lommel, Balen en Budel (Hol.) wordt vooral zink en cadmium geproduceerd. Zoals eerder al aangehaald komen deze samen met een hele reeks secundaire metalen voor in de gebruikte grondstoffen. De verontreiniging die deze industrie teweegbrengt is dan ook zeer complex. De verwerking der zinkhoudende ertsen heeft heel wat veranderingen ondergaan sinds het procédé van Dony. Volgens deze methode werden de zinkertsen eerst geroost waarbij het zinksulfide werd omgezet in zinkoxide. Dit roostgoed werd dan verhit tot 1100 a 1200°C in aanwezigheid van koolstof.
12 Deze "droge weg" had veel nadelen. De ruwe zink die men verkreeg als eindproduct, bevatte nog tal van onzuiverheden. Het procédé vereiste enorme hoeveelheden warmteënergie en de werkomstandigheden waren bar slecht. Deze methode wordt enkel nog gebruikt om zinkpoeders en zink voor de pastillen en galvanisatie te verkrijgen. (New Jersey-afdeling van MHO). De laatste jaren is men dan ook meer en meer overgeschakeld op de "natte weg". Deze methode heeft grote voordelen. Er kan zeer zuiver zink mee verkregen worden en de rekuperatie van de secundaire metalen (Cd, Cu, Pb...) verloopt veel vlotter. Bovendien is heel het procédé gemakkelijker te automatiseren. Wat in de toekomst meer en meer zal doorwegen is het verwerken van zinkhoudende grondstoffen van zeer verschillende aard. Ook dit kan beter langs de natte elektrolytische weg. Omwille van sterke schommelingen in de prijzen der mineralen en de onzekere aanvoer (stakingen in de mijnen, politieke tegenstellingen enz.) gebruikt men meer en meer zinkhoudende recycleerbare afval. Economisch is dit natuurlijk zeer interessant. De schaduwzijde is echter dat het steeds moeilijker kan worden een afdoende kontrole uit te oefenen op de elementen die de arbeider of omwonende bedreigen. De Bedrijfsraad voor het metaal beweert in zijn publikatie "De non-ferrometalenindustrie in België" het volgende: "In zekere zin levert zij (de non-ferroindustrie) een belangrijke en permanente bijdrage tot de milieubescherming. Zij tracht immers tot een maximale exploitatie van haar grondstoffen te komen, waardoor het haar ook mogelijk wordt afval te behandelen dat voortkomt van andere bedrijfstakken zoals de elektronika, de automobielsector, de elektriciteitssector, de ijzeren staalindustrie enz. In de non-ferrometalensector behoren de recyclagepercentages tot de hoogste: 40% voor lood, 35% voor koper, 25% voor aluminium en 10% voor zink." Twee hydrometallurgische procédés worden gebruikt: het jarositeprocédé en het goethiteprocédé ontwikkeld door Vieille Montagne. De fabriek te Budel gebruikt de eerste, de MHO en Vieille Montagne de tweede methode. We bespreken hier summier de Goethitemethode. 13
Vier grote stappen kunnen onderscheiden worden: Ertsbehandeling en roosting, Zwavelzuurbereiding, Loging en zuivering en Elektrolyse. 14 1. ERTSBEHANDELING EN ROOST1NG. - Inhoud
De gebruikte grondstof wordt zodanig gemengd dat steeds ongeveer dezelfde koncentratie wordt verkregen. Het gekorrelde mengsel wordt dan in de werveloven verhit. De binnengepompte lucht doet het erts wervelen en bij de hoge temperatuur wordt de zinkerts geroost
Het roostgas, dat voor het grootste gedeelte bestaat uit zwaveldioxide, bevat nog tal van onzuiverheden (stof, andere gassen, metaaldeeltjes...). Het wordt dus verder gezuiverd, in de cyclonen door een wervelende beweging van het gas en door een sterk elektrisch veld in de elektrofilters. 15
2. ZWAVELZUURBEREIDING. - Inhoud Het gezuiverde roostgas wordt geoxideerd: 99,7% van het SO2 wordt omgezet in zwaveltrioxide SO3. 2SO2 + O2 ^ SO3. Dit gas wordt naar de absorptietoren geleid waar het in kontakt wordt gebracht met water. Door reaktie ontstaat het zwavelzuur. SO3 + H2O ^ H2SO4.
16
Verder komen uit de schouw nog tal van verontreinigingen die men niet heeft kunnen absorberen: stof, kwik, ozon, stikstofoxiden... Omwille van hun complexiteit zullen de nu volgende produktiestadia zeer schematisch worden behandeld. De bedoeling is immers een inzicht te krijgen in de oorzaken van vervuiling en niet van specialistische kennis te verwerven in de metallurgie der non-ferro's. Voor wie toch dieper op deze materie wil ingaan wordt een meer gedetailleerd overzicht bijgevoegd. 3. LOGING EN ZUIVERING. - Inhoud Deze produktiefase kan in grote takken onververdeeld worden in: a. neutrale loging Een gedeelte van het in het roostproces gevormde zwavelzuur kan verkocht worden, maar een grote hoeveelheid is nodig voor het oplossen van het roostgoed. De oxiden van zink en van de secundaire metalen (cadmium, koper, cobalt...) lossen op in de vorm van sulfaten. Later zullen deze metalen van elkaar moeten gescheiden worden. ZnO + H2SO4 -> ZnSO4 + H2O b. ijzerloging Door nog meer zuur te gebruiken en bij een hogere temperatuur te werken lossen nu ook de ferrieten op. Dit is belangrijk omdat deze complexe ferrieten nog grote hoeveelheden zink, koper en cadmium binden. 17 Na deze ferriet- of zure loging zal nu 95% van het zink, 94% van het ijzer, 97,5% van het koper en cadmium dat in het erts zat, opgelost zijn. Het slib dat niet oplost is rijk aan lood en zilver. Deze metalen zullen dan ook in een speciale afdeling afgezonderd en gezuiverd worden. c. Goethite productie Aan de vloeistof die van de ijzerloging komt wordt nu achtereenvolgens blende en roostgoed toegevoegd. Hierdoor -wat ingewikkelde scheikunde wordt overgeslagen- wordt het storende ijzer afgezet onder de vorm van een weinig oplosbare stof: het goethite (Fe203.H2O). Dit goethite is afval en zal op de fabrieksterreinen (of elders?) gestort worden. Goethite bevat tal van gevaarlijke stoffen. Eén kg. goethite bevat 41,35 g. ijzer;8,5 g. zink; 0,75 g. zinksulfaat;2,2g. lood, 0,0119g. zilver; 0,05 g. cadmium; 0,5 g. koper; 0,54g. arseen... Even rekenen. Vieille Montagne produceert jaarlijks 45.000 ton goethite en bezat op het ogenblik van de publikatie 3.300 ton op het fabrieksterrein (4).
Van probleemafval gesproken! Onder welke scheikundige vorm worden deze verbindingen gestort? Hoe werken zij op elkaar in? Hoe reageren zij op de langdurige aanwezigheid van zuurstof, water en zuren? Hoe verspreiden deze produkten zich in onze omgeving en wat is de invloed op mens, dier en plant? d. Zuivering. De vloeistof die van de verschillende logingen komt wordt nu van de secundaire metalen ontdaan door toevoeging van zinkpoeder (bereid langs thermische weg - New Jersey afdeling). Hierdoor kunnen koper, cadmium, cobalt en nikkel afgezonderd worden.
18 Het lood- en zilverhoudende slib wordt zoals reeds aangegeven afgezonderd. In de Vieille Montagne worden deze metalen tot de zuivere toestanden verwerkt. In Overpelt wordt dit slib - 6000 kg. nat produkt per uur - enkel gedroogd en voor verdere verwerking overgebracht naar Hoboken. verontreiniging: Het slib moet geneutraliseerd worden waardoor weer gips ontstaat. Door het drogen ontstaat er loodhoudend stof. Dit wordt gedeeltelijk tegengegaan door het korrelen. Tevens wordt er rook en drogingsgas gevormd. De gezuiverde vloeistof loopt mee in bakken waarin afwisselend aluminium en loden platen zijn aangebracht. Tussen deze platen wordt een potentiaal verschil aangelegd zodanig dat het zinkmetaal zich afzet op de aluminiumcathode. Het gevormde zink wordt regelmatig van de platen verwijderd (strippen) en omgesmolten tot blokjes van 25 kg. (lingots) en grotere jumbo's van 800 kg. De overgebleven vloeistof wordt terug naar de afdeling loging gevoerd om een nieuwe hoeveelheid roostgoed op te lossen.
Het zou verkeerd zijn te denken dat deze metaalindustrieën enkel maar afgewerkte produkten zouden verkopen. Zeker zo belangrijk is de verkoop van technologie, de know-how. Indrukwekkende cijfers verduidelijken dit: jaarlijks wordt op 19 wereldvlak meer dan 1 miljoen ton zink geproduceerd volgens methoden ontwikkeld door de maatschappij Vieille Montagne. Een onderzoek uitgevoerd in 1977 berekende dat Belgische firma's bedrijfsklare industriecomplexen leverden voor een bedrag van 23,6 miljard Bf. Een vierde van dit bedrag was voor rekening van de non-ferrosector
20
21
22
23
24 Zoals reeds gezegd verwerken de MHO en de VM een groot aantal zware metalen zoals ijzer, zink, lood, zilver, cadmium, koper, thallium, antimoon, tin, kobalt, nikkel, naast andere produkten als zwavel en arsenicum... De mens kan deze stoffen in zijn lichaam krijgen langs verschillende wegen: door inademing in en buiten het bedrijf, langs het water, langs voedingsstoffen die ermee bevuild zijn (vb. groenten) en langs de huid. De ertshopen worden niet bespoten en niet afgedekt, zodat stofverspreiding vrij aanzienlijk is. De afvalproductie en storting beloopt voor VM alleen al rond de 45.000 ton per jaar. Er werd al vervuiling vastgesteld van zwaveldioxide, zink, cadmium, lood, arsenicum en thallium. Voor de meeste metalen zijn echter geen meetposten voorzien, zodat we eigenlijk geen idee hebben van de werkelijke omvang van de vervuiling. Bovendien stuit men bij het behandelen van de medische aspecten op een aantal moeilijkheden. Vooreerst is er geen overeenstemming over wat normaal en wat niet normaal is. Zo heeft iemand die in een drukke stad woont meer lood in zijn lichaam dan iemand die buiten woont. Hiervan maken de bedrijven gebruik om wetenschappelijke normen naast zich neer te leggen en eigen, hogere normen te hanteren. Ten tweede zijn er weinig studies beschikbaar over de invloed van zware metalen op de gezondheid. In elke medische bibliotheek kan je zonder moeite honderden boeken en artikels vinden over bijvoorbeeld de zeldzame leverkanker, maar over zware metaalvergiftiging die duizenden mensen treft is weinig materiaal beschikbaar. Vandaar dat de meeste gegevens niet "af' zijn. De bestaande studies zijn nog onvolledig en laten dikwijls geen definitieve konklusies toe. Ten derde beschikken we niet over eenvoudige, zekere, onbetwistbare testen. We moeten met dit alles rekening houden als we spreken over de invloed van zware metalen op de gezondheid. 25 A. De betekenis van zware metalen voor het lichaam. Lood, cadmium en arsenicum spelen geen enkele rol in het menselijk lichaam. Wel weten we dat ze een aantal funkties verstoren. Cadmium verstoort de stofwisseling van zink, koper en ijzer. Het bindt zich op een bepaald eiwit in de plaats van één van deze metalen door kompetitie voor de metaalbinding van het methallothioneine. Arsenicum komt tussen in de reakties van de celstofwisseling door wijzigingen te veroorzaken in de struktuur van sommige enzymen. Enzymen zijn stoffen die bepaalde reakties in de cel vergemakkelijken. Arsenicum komt tussen in de reakties van de celstofwisseling door binding met de sulhydrylgroep van de enzymen. Zink daarentegen is een oligo-element, d.w.z. een stof die normaal in kleine hoeveelheden in het lichaam moet aanwezig zijn voor het goed funktioneren ervan. Zink heeft een brede waaier van funkties die tot op heden nog niet alle opgehelderd zijn. Zink vormt een essentieel deel van de metallo-enzymen, is een cofactor van verscheidene enzymen, vormt een deel van de niet-enzymatische proteïnes, speelt de rol van verbindingselement, komt tussen in de regeling van de celstofwisseling, en heeft een effekt op de celmembraan. Waarschijnlijk speelt het ook een belangrijke rol in de stofwisselingsprocessen van de huid, en vertegenwoordigt mogelijk een energie-regulatorisch element in de spermatozoa. Deze gegevens gelden enkel voor elk element afzonderlijk. Wat er gebeurt als er bv. een overmaat van alle elementen samen voorkomt is tot op heden niet of nauwelijks bestudeerd. Wel weten we dat een overmaat aan zink de effecten van cadmium gedeeltelijk teniet doet. 26 1) ENKELE DEFINITIES: - Inhoud Normale waarde: is de gemiddelde koncentratie ± S.D. bij een bevolking zonder specifiek blootstellingsrisico. S.D. betekent Standaard Deviatie, wat wil zeggen de aanvaardbare afwijking van het gemiddelde. Een bevolking zonder specifiek blootstellingsrisico wil zeggen een bevolking die leeft in een streek waar geen abnormale blootstelling bestaat aan het betreffende element. Niveau van intoxicatie betekent de laagste bloed- of urinespiegel bij dewelke ziektetekens kunnen optreden. Er moet dus niet noodzakelijk ziekte zijn, maar wel een reële kans daarop. Niveau van impregnatie: betekent een verhoogde blootstelling zonder dat er ziektetekens kunnen optreden. ppm = parts per million = het aantal volume-eenheden van een toxisch gas in 1.000.000 volumes. Men kan dit omrekenen in mg per kubieke meter indien men de volgende formule gebruikt: ppm x molecuulgewicht 22,4 MAC = Maximum Allowable Concentration in de lucht = de 'veilige' koncentratie van een stof in de lucht bij een blootstelling van 8 uur per dag en 5 dagen per week. Bij een langere blootstellingstijd moet uiteraard een nieuw 'veilig' blootstellingsniveau bepaald worden. Dit maakt dat de MAC vooral geschikt is voor gebruik binnen het werkmilieu, maar minder voor gebruik buiten het werkmilieu (bvb. in de omliggende woonwijken) daar dit milieu praktisch dag en nacht onder invloed van een toxisch element kan staan. TLV = Tresholt Limit Values = heeft dezelfde betekenis als de MAC. MAC en TLV zijn normen die gemiddeld niet mogen overschreden worden. Het is dus mogelijk dat er gedurende de dag piekwaarden worden genoteerd, maar dat die worden opgeslorpt door lage waarden op andere ogenblikken van de dag. 27 Ceiling Values: zijn waarden die nooit, ook niet kortstondig, mogen overschreden worden. Screening tests: zijn tests om bij een grote groep personen diegenen aan te duiden bij wie een verhoogde blootstelling bestaat. Diagnotische tests: zijn tests om bij de vooraf geselekteerde personen de juiste aard en de ernst van de blootstelling zo nauwkeurig mogelijk te bepalen. 2)ZIJN ZWARE METALEN KANKERVERWEKKEND? - Inhoud Steeds meer onderzoeken wijzen op het gevaar voor kanker bij chronische intoxicatie door zware metalen. Deze vrees berust tot op heden vooral op statistische studies. Zo weten we dat er in woonwijken rond een bedrijf dat arsenicum verwerkt meer huid-en longkanker voorkomt. Tussen statistische evidentie en wetenschappelijk bewijs ligt echter een lange weg. Verdere studies dringen zich dus op. De volgende gegevens moeten dus beschouwd worden als zeer waarschijnlijk, maar nog niet op de vereiste wetenschappelijke manier bewezen. Lood: is niet kankerverwekkend. Cadmium: is momenteel nog ter studie. De kans op prostaatkanker neemt toe bij verhoogde blootstelling. Ook zou de kans op kanker van de neus-keelholte toenemen, doch er is nog onzekerheid of cadmium dan wel nikkel de hoofdschuldige is. Bij onderhuidse inspuiting van cadmium bij ratten ontstaan gezwellen langs de zijde van de inspuiting, evenals teelbalgezwellen. Zink: zinkchloride en zinksulfaat ingespoten in de teelbal van de haan veroorzaken kanker. Verder zou verstoring van een enzym dat van zink afhankelijk is bijdragen tot het ontstaan van bloedkanker (leukemie). Arsenicum: statistisch bestaat er een verband tussen het voorkomen van verschillende vormen van kanker en kontakt met of inname/inademing van arsenicum. Te vermelden zijn vooral huidkanker, kanker van het ademhalingsstelsel en kanker van de lever, de bloedvormende organen en de weiknopen. 28 3) MEDISCH-WETENSCHAPPELIJKE ONDERZOEKINGEN. - Inhoud Reeds in 1974 toonde een Belgische studie aan dat 68% van de arbeiders die meer dan 20 jaar in een cadmium-verwerkend bedrijf werken, een overmaat aan eiwit in de urine verliezen. Ze toonde aan dat alle onderdelen van de nier (de filtertjes, de vergaarbuisjes en de cellen) door cadmium kunnen aangetast worden en besloot tevens dat de norm voor cadmium veel te hoog ligt. Volgens de onderzoekers mocht cadmium maximum een koncentratie van 50 mcg per mm3 lucht bereiken, en maximum 15 mcg per gram creatinine in de urine. (Lauwerijs e.a.). In 1977 werden 40.421 inwoners van de Zuid-Westkust van Taiwan onderzocht. In die zone wordt reeds meer dan 60 jaar het water gehaald uit putten die een hoge arsenicumkoncentratie bevatten, namelijk tussen 0,01 en 1,82 ppm. De putten zijn 100 tot 280 meter diep. Voor elke 1000 inwoners waren er 10,6 met huidkanker, en 8,9 met de zogenaamde "blackfoot disease" gekenmerkt door afsterven van weefsel, speciaal van de voeten. Boven de leeftijd van 60 jaar hebben meer dan 10% van de inwoners huidkanker. Beide ziekten komen meer voor bij stijgende arsenicumkoncentraties in het putwater. Ook de tijd is belangrijk: hoe langer men het water gebruikt, hoe meer kans op de ziekte. Na 5 j aar waren 23,7% van de zieken overleden, na 10 jaar 36,7%, en na 15 jaar 47,8%. (Wen-PingTsen). Eveneens in 1977, in Noord-Zweden, werden de doodsoorzaken nagegaan van de arbeiders en de omwonenden van een arsenicumvervuilend metallurgiebedrijf. Bij de arbeiders werd een sterke toename van longkanker als doodsoorzaak vastgesteld. (Göran Pershagen e.a.). Nog in 1977 werden in de VSA 1774 kinderen onderzocht. Allen woonden in de nabijheid van non-ferro bedrijven. Het onderzoek stelde vast dat de kinderen een verhoogde arsenicum- en loodopname vertoonden rond kopersmelterijen en een verhoogde lood- en cadmiumopname rond lood- en zinksmelterijen. (baker e.a.). In 1978 stelt een Zweedse studie bij arbeiders van een kopersmelterij, blootgesteld aan arsenicum, het volgende vast: dood door longkanker was vijf maal hoger dan bij niet-arbeiders, dood door hart- en vaatziekten twee maal. Dood door 29 kwaadaardige bloedziekten (bloedkanker en beenmergkanker) en leverziekte (cirrhose) was eveneens toegenomen. (O. Axelson e.a.). Een Belgische groep onderzocht tussen 1974 en 1978 schoolkinderen, wonende in de omgeving van non-ferrobedrijven. Zij besloot dat deze kinderen meer blootgesteld waren aan lood, cadmium en arsenicum dan een kontrolegroep. (J.P. Buchet e.a.). In 1979 in Japan werd cadmiumvergiftiging vastgesteld bij omwonenden van een cadmium-verwerkend bedrijf. Een studie toonde aan dat er een direkt verband bestond tussen cadmium in de urine en nierbeschadiging. (Shigematsu e.a.) (Nogana e.a.). Eveneens in 1979 in Zweden besloot men uit een studie dat de levensverwachting bij cadmium-arbeiders daalt, en dat er onder hen een verhoogde sterfte is door long- en nierziekte. Tevens stelde de studie een verhoogde kans op prostaatkanker vast, en stelde zich vragen over het verband tussen cadmium en kanker van de neus- en keelholte, hoewel hier ook een invloed van nikkel werd vermoed. (Kjellstrom e.a.). In 1981 duidde een Chileens team arsenicumvervuiling van het water aan als oorzaak van huid- en leverkanker. (Rober Zaldinare.a.). In Engeland werden 12 non-ferro arbeiders gedurende jaren medisch gevolgd. 6 vertoonden eiwit- en calciumverlies in de urine, 2 ontwikkelden nierstenen, 5 kregen letsels van de nierfiltertjes en 1 vertoonde beenderafwijkingen. (Kazantzis). In Duitsland werden 352 kinderen onderzocht die in de nabijheid van een loodverwerkend bedrijf woonden nabij de stad Mainz. 30 van hen vertoonden sporen van loodvergiftiging- Ten slotte vermelden we nog twee studies uit 1979 die de cadmium-opstapeling in voedsel (groenten en dieren) bestudeerden. Sommige planten zijn zeer gevoelig voor cadmium, andere veel minder. De opbrengst van spinazie, soyabonen, sla en waterkers vermindert al bij hoeveelheden van 5 tot 15 mcg cadmium per gram bodem, terwijl tomaten, kolen, pompoenen en rijst tot 150 mcg per gram verdragen. De hoeveelheid cadmium die door de plant wordt opgenomen is zeer verschillend. Bij een plantvoeding die 0,1 mcg cadmium per ml bevat vinden we in bonebladeren 9 mcg cadmium per gram terug, en 30 n bietenbladeren tot 200 mcg cadmium per gram. Ook de verdeling binnen de plant is zeer verschillend. Fruit en zaden bv. nemen minder cadmium op dan bladeren. Het besluit is dat sommige planten zoals bladgroenten cadmium opstapelen, en dat zelfs lage cadmium-koncentraties in de grond voldoende zijn om die groente ongeschikt te maken voor menselijke konsumptie. (Frank T. Bingham). Bij dieren stapelt cadmium zich vooral in bepaalde organen op. Bij koeien en varkens wordt het teruggevonden in lever en nieren, en niet in melk, spieren of beenderen. Bij legkippen wordt het eveneens in lever en nieren aangetroffen, maar na zes maanden ook in spierweefsel, en niet in eieren en beenderen. (R.P. Sharma e.a.)
31 Tabel 2: cadmium-gehalte in groenten, gekweekt op een bodem waaraan 0,1 en 5 mcg cadmium per gram wordt toegevoegd.
32 B. Zware metalen en ziekte - Inhoud Rond de MHO-fabriek te Hoboken stierven in 1973 een groot aantal dieren door loodvergiftiging. Een onderzoek van Prof. Dr. Debackere toonde aan dat de streek ernstig vervuild was. De geheime resultaten van bodem- en grasonderzoek door het Ministerie van Volksgezondheid uitgevoerd, werden openbaar gemaakt. Een onderzoek bij schoolkinderen en volwassenen bracht een vijftal gevallen van loodvergiftiging aan het licht. Het kwam tot een betoging in de straten van de gemeente Hoboken. De MHO nam een aantal maatregelen zoals het afsluiten van speeltereinen en het bouwen van een schouw, maar in de kranten van eind juni 1982 verschenen opnieuw berichten over hoge loodwaarden in het milieu. In de bedrijven van Hoboken en Overpelt zelf was er officieel geen probleem. Zo werd in 1980 één enkel geval van loodvergiftiging en één geval van kwikvergiftiging gemeld. Maar alleen al in de huisartsengroepspraktijk in Lommel werden zes gevallen gekonstateerd: 3 mensen met loodimpregnatie en 3 mensen met loodvergiftiging - allen arbeiders van de MHO-; daarnaast werden nog eens 2 gevallen van loodimpregnatie vastgesteld bij arbeiders van de fabriek VM. Deze tegenstrijdige resultaten worden begrijpelijk als we zien welke normen de Medische Dienst van het bedrijf hanteert. Bij onderzoek werd ondermeer de uitscheiding gemeten van het delta-aminolevulinezuur in de urine. De Medische Dienst gebruikte als normale waarde 20 mg per liter urine, terwijl de medische tijdschriften 4,5 mg als normaal beschouwen. D.w.z. bijna 5 maal minder! In 1973 waren minstens 2% van de arbeiders ernstig ziek, als we ons baseren op de te hoge norm van de Medische Raad. In 1980 werd bij 1493 personeelsleden een onderzoek uitgevoerd. 736 stonden in hun dagelijks werk bloot aan lood, 656 aan zink, 506 aan cadmium, 213 aan kwik, 210 aan arsenicum, en 414 aan zwavelverbindingen. De meeste dus aan verscheidene metalen tegelijkertijd.
33
a) De voornaamste ziektetekens. 1. Bij kinderen zijn de ziektetekens eerder vaag, wat het vroegtijdig herkennen van loodvergiftiging moeilijker maakt. Het kind wordt lusteloos, prikkelbaar en vertoont een gebrek aan eetlust. Soms braakt het en heeft een moeilijke stoelgang. Later verschijnen loodlijnen op de RX-opnamen van de beenderen, en een loodzoom op de tanden. Bloedarmoede kan voorkomen. In erge gevallen onstaat er aantasting van de hersenen met aanhoudend braken, perioden van gedaald bewustzijn, stuipen en coma. Ook nierontsteking is mogelijk. 2. Bij volwassenen is het ziektebeeld duidelijker. - Bij acute loodvergiftiging staan hevige maag-darmstoornissen op de voorgrond, zoals krampen, braken, diarree, zwarte stoelgang. De nierwerking kan stilvallen met als gevolg een hoge bloeddruk en een belangrijke vermindering van de hoeveelheid geproduceerde urine (oligurie). Op het laatst kan dit leiden tot coma en zelfs tot de dood. - Bij kronische loodvergiftiging is er reeds een redelijk grote hoeveelheid lood in het lichaam aanwezig voor er ziektetekens optreden. In het begin zijn de klachten eerder algemeen zoals gebrek aan eetlust, verstopping, moeheid, hoofdpijn, slaptegevoel, een metaalsmaak in de mond, een loodzoom op de tanden. Later verschijnt er braken, prikkelbaarheid, nervositeit, vage pijnen in de armen, de benen, de gewrichten en de buik. Ook gevoelsveranderingen in de ledematen en verlamming van de strekspieren van armen en benen komt voor. Bij vrouwen kan de menstruele cyclus verstoord zijn en kan miskraam voorkomen. Bij vergevorderde vergiftiging staat aantasting van de hersenen op de voorgrond. De bloeddruk 34 stijgt, de hersenzenuwen zijn verlamd, er is delirium, stuipen en tenslotte coma. Een zieke op de vier met hersenaantasting sterft! b) Een voorbeeld + P.R., 49 jaar, loodgieter van de MHO, klaagt
over gevoelsverandering in beide handen. Op vermoeden van aantasting van
de gevoelszenuwen wordt een bloedonderzoek uitgevoerd met volgende
resultaten: + J.P., 48 jaar, arbeider van de VM, komt op
raadpleging wegens moeheid, en een loom gevoel in de spieren. Het
bloedonderzoek toont: Een studiegroep onder leiding van Prof. Dr. Lauwerijs (U.C.L) houdt zich reeds een tiental jaar bezig met de studie van de invloed van cadmium op de gezondheid van Belgische arbeiders. Al in 1973 werden 150 arbeiders onderzocht, allen werkzaam in cadmium-verwerkende bedrijven. Er werd vooral aandacht besteed aan de invloed van cadmium op de longen en op de nieren. De voornaamste besluiten zijn de volgende: 1. De longen Arbeiders die minder dan 20 jaar in het bedrijf werkzaam zijn vertonen een geringe doch duidelijke vermindering van de longfunktie. De geforceerde vitale kapaciteit is gemiddeld met 7,2 % gedaald in vergelijking met een kontrolegroep. Bij arbeiders die meer dan 20 jaar aan cadmium zijn blootgesteld zijn de afwijkingen groter. De geforceerde vitale kapaciteit is met 12 % gedaald, naast andere funktionele afwijkingen. Er komt ook meer hoest voor, evenals kortademigheid van de eerste graad (d.w.z. ademnood bij inspanningen). 2. De nieren. Nierletsels nemen sterk toe na 15 tot 20 jaar blootstelling aan cadmium. Bi j 68 % van de onderzochte arbeiders treedt er een overmaat aan eiwitverlies op langs de urine. Cadmium tast alle onderdelen van de nier aan, zowel de nierfiltertjes, de afvoerbuisjes als de niercellen. Bovendien zijn de letsels na deze periode onomkeerbaar. Volgens metingen van het LISEC bevat de grond rond de MHO en de VM 45 kg cadmium per hectare. Het goethiet op het stort bevat 0,8 kg per ton. De oplossing in de kuipen binnen het fabriek bevat 300 mg per liter. . In de huisartsengroepspraktijk van Lommel werden 4 gevallen van cadmiumvergiftiging bij arbeiders vastgesteld, 2 uit de MHO en 2 uit de VM. a) De voornaamste ziektetekens. 1. Acute vergiftiging: - door inademing van cadmium-houdend stof en/of dampen: er ontstaat een metaalsmaak in de mond, zwaktegevoel, pijn in de benen, koorts. Bij ernstige vergiftiging vormt zich vocht op de longen (longoedeem), en blokkeert de nierfunktie met vermindering van de urinevorming (oligurie). - door inslikken van cadmium-houdend stof ontstaan voornamelijk maag- en darmstoornissen zoals braakneigingen, braken, diarree, speekselvloed en buikpijn. Daarnaast ook hoofdpijn en spierkrampen. 2. Kronische vergiftiging: Allerlei organen kunnen aangetast worden. - de nieren: door letsels, voornamelijk van de uitscheidingsbuisjes van de nieren, gaan deze slecht funktioneren. Er verschijnen aminozuren (onderdelen van eiwitten), glucose (suiker), calcium, fosfor, zout, urinezuur en eiwitten in de urine. Dit geheel noemt men het Fancooi-syndroom. Het teveel aan calcium kan aanleiding geven tot nierstenen. Ook de nierfiltertjes kunnen aangetast worden. 36 - de longen: er ontstaat uitzetting van de voor lucht voorziene ruimte aan het einde van de luchtpijpvertakkingen, naast vernietiging van de tussenschotten tussen de luchtzakjes. Dit geheel noemt men emfyseem. - de beenderen: de kalk- en fosfor-nederzetting in de beenderen is gestoord (osteomalacie). De kombinatie van nierletsels en beenderletsels is in Japan goed bekend onder de naam Itai-Itai-ziekte. - andere organen: + bloedarmoede en hoge bloeddruk. Uit onderzoek blijkt ook dat vrouwen en zuigelingen extra-gevoelig zijn voor blootstelling, omdat zij meer cadmium opnemen. Dit zou onder andere te wijten zijn aan een relatief laag gehalte aan ijzer in het serum. b) een voorbeeld Geneeskundig verslag over de biologische onderzoeken uitgevoerd bij de Heer L.P. op 16.5.1972, 18.10.1973, 4.12.1975, 16.3.1976,24.2.1978. Cadmium is een kumulatief en toxisch metaal dat, eens geabsorbeerd, zeer lang in het organisme opgeslagen blijft. Het staat nu duidelijk vast dat bij arbeiders die langdurig aan cadmium blootgesteld zijn de nier het eerste orgaan is waarbij tekenen van intoxicatie vast te stellen zijn. Over het algemeen worden de longen slechts aangetast bij acute blootstelling aan dampen van cadmiumoxide, wat eventueel kan leiden tot een blijvende stoornis van de longfunktie. De nierfunktie van de Heer L.P., arbeider blootgesteld aan cadmium in de fabriek Vieille Montagne te Balen, werd in de periode van 1972 tot 1978 vijfmaal geëvalueerd door het laboratorium Toxicologie Industrielle et Médicale van de Université Catholique de Louvain. Deze onderzoeken werden uitge- 37 voerd in het kader van een studieprogramma over de toxiciteit van cadmium voor de nieren. Na elk onderzoek werden de resultaten aan de arbeidsgeneesheer van het bedrijf overgemaakt. Dit rapport geeft een samenvattend bilan van al deze onderzoeken. Uit de twee onderzoeken die uitgevoerd werden toen de patiënt nog in dienst was op de cadmiumafdeling (16.5.1972 en 18.10.1973) kon men reeds afleiden: 1. dat de hoeveelheid cadmium die in het organisme aanwezig was, niet alleen de hoeveelheid overschreed die doorgaans bij personen zonder professionele blootstelling aan cadmium wordt aangetroffen (cadmium in bloed lager dan 0,6 microgr/ 100 ml en cadmium in urine lager dan 2 microgr/gr creatinine), maar ook de grenswaarde die men nog als aanvaardbaar kon beschouwen (cadmium in bloed 1 tot 2 microgr/100 ml en cadmium in urine 15 microgr/gr creatinine). Onder aanvaardbare grenswaarde wordt een cadmiumgehalte verstaan dat bij regelmatige overschrijding ervan kan gepaard gaan met de ontwikkeling van nierletsels. 2. dat er zeer duidelijke tekenen van nierdysfunktie waren die aan cadmium toe te schrijven zijn (proteinurie, aminoacidurie, toename in de urinaire uitscheiding van proteïnen met laag en hoog molekuulgewicht, elektroforese van urinaire proteïnen). Deze biologische tekenen van renale dysfunktie zijn zeer karakteristiek voor een overdadige blootstelling aan cadmium. Na onze bevindingen werd de Heer L.P. op 2.9.1974 van de cadmiumafdeling overgeplaatst naar een andere dienst in het bedrijf. Sindsdien werden nog drie onderzoeken van de nier- funktie uitgevoerd (op 4.12.1975,16.3.1976en 24.2.1978). Er werd een progressieve afname van het cadmiumgehalte in het bloed waargenomen maar er werd geen betekenisvolle verandering vastgesteld in het urinaire cadmiumgehalte. Dit is ten andere toe te schrijven aan het bekende feit dat wanneer de nierbeschadiging opgetreden is, het cadmiumgehalte in de urine hoog blijft, ondanks de afwezigheid van blootstelling aan cadmium. In dit geval wordt het cadmium dat in de nieren opgeslagen is met de urine uitgescheiden. Deze laatste drie studies toonden een blijvende nierdysfunktie aan die dus als onomkeerbaar moet beschouwd worden, aangezien de proteinurie, de urinaire uitscheiding van verscheidene specifieke proteïnen en de elektroforese van urinaire proteïnen abnormaal blijven. Deze perturbaties werden 38 bijzonder duidelijk aan het licht gebracht in het vierde onderzoek (op 16.3.1976), waarbij vooral de nierclearance van creatinine en verscheidene proteïnen werd bestudeerd. Dankzij het vijfde onderzoek (op 24.2.1978) konden wij het cadmiumgehalte in de lever en de nieren van de Heer L.P. bepalen door middel van neutronenaktiveringsanalyse. De resultaten ervan toonden ondubbelzinnig aan dat deze patiënt gedurende zijn dienstjaren in de cadmiumafdeling een aanzienlijke hoeveelheid cadmium in zijn organisme had opgestapeld waaraan de hierboven vermelde nierletsels te wijten zijn. Daarenboven moet gewezen worden op het feit dat het cadmiumgehalte in de nieren vroeger nog groter moet geweest zijn, aangezien de nieren cadmium loslaten van zodra de nierletsels zich voordoen. Besluit: Ten gevolge van zijn beroepshalve blootstelling aan cadmium gedurende 23,5 jaar heeft de heer L.P. een zodanige hoeveelheid cadmium opgestapeld in zijn organisme, vooral in de nieren, dat er zich nierletsels hebben ontwikkeld. Uit de onderzoeken van de laatste vier jaar kan men besluiten dat deze nierletsels onomkeerbaar zijn alhoewel weinig evoluerend. Prof. Dr. Lauwerys Brussel, 19 januari 1979. Op basis van dit rapport werd er beroepsziekte aangevraagd: "Ondergetekende, Dr. Med., verklaart dat L.P. aangetast is door een beroepsziekte nl. cadmium (cfr. rapport van Prof. Lauwerys) met blijvende nierletsels. Deze geven een invaliditeit van ±60%. Dr. A. Vos Arbeidsgeneesheer n.v. Vielle Montagne 2490 BALEN De aanvraag werd afgewezen door het Fonds voor Beroepsziekten. Tegen deze beslissing werd beroep aangetekend. Door een deskundige werd een invaliditeit van 20% voorgesteld. 39 Volgens metingen van het LISEC bevat de grond rond de MHO en de VM 2070 kg zink per hectare. Het goethiet bevat 85 kg per ton. De oplossing in de kuipen bevat 150 gr per liter. De deegachtige afval op het oude fabrieksstort bevat 15 tot 20% zink. Een meetpost van het Instituut voor Hygiëne en Epidemiologie in de Paulusstraat te Lommel stelde een hoge zinkvervuiling vast in de lucht, nl. méér dan 1 microgr. zink per kubieke meter. Deze meetpost bevindt zich op ongeveer één kilometer afstand van het bedrijf. a) De voornaamste ziektetekens. Over het verband tussen zink en ziekte is eigenlijk nog weinig bekend. We weten enorm veel over de invloed van zinktekort op het lichaam, maar weinig of niets over zinkteveel. Zoals gezegd is zink in het normale organisme aanwezig, en is het vrij moeilijk te bepalen wat nog normaal en wat niet meer normaal is. 1. Acute vergiftiging: - door inademen van zinkoxidedampen ontstaat de zogenaamde smelterskoorts (zinc fume fever) met zich onwel voelen, hoge koorts, speekselvloed, hoesten, braakneigingen en zelfs stuipen. - zinkchloridedampen veroorzaken huidwonden, en bij inademing een vorm van longontsteking (chemische pneumonitis). - zinkoxide in het voedsel veroorzaakt vooral maag- en darmklachten zoals braakneigingen, braken, diarree en buikpijn. Volgens sommige onderzoekers veroorzaakt zinkoxide vooral ziekte indien er terzelfdertijd lood en cadmium aanwezig zijn. 2. Kronische vergiftiging: Hier zijn de gegevens praktisch onbestaande. Wel weet men dat een zinkovermaat kopertekort doet ontstaan. Wanneer de verhouding tussen cadmium en zink hoger is dan 1,35, neemt de neiging tot het krijgen van hoge bloeddruk fel toe. Over zink en kanker werd reeds iets gezegd. Bij dieren werden bloedarmoede, gewichtsverlies en groeiachterstand vastgesteld. 40 b) een voorbeeld Bij K.L., arbeider van de VM, werd toevallig een zinkwaarde in het bloed aangetroffen van 164 microgr per 100 ml (normale waarde minder dan 100), naast andere afwijkingen. (Analyse uitgevoerd door het centraal labo te Antwerpen op 22.9.1981). 4) ARSENICUM en ARSINE. - Inhoud Goethiet bevat 5,4 kg arseen per ton. Boven de 500 mg per ton wordt als giftig beschouwd. De oplossing in de kuipen bevat een 0,5 mg per liter. In het grondwater werd tot 164 mg arseen per liter aangetroffen. De Europese norm voor het drinkwater bedraagt 50 mg per liter. De VM heeft een vergunning voor het opslaan van ± 12.500 ton kalkarsenaat (bevat 18% arseen), 40.000 ton goethiet, 1.250.000 ton gekorrelde slakken (bevat 3% arseen), en 3.500 ton gedroogd slib. Uit een Amerikaanse studie van 1977 bleek dat de arseenopname bij kinderen toeneemt in de buurt van kopersmelterijen. a) De voornaamste ziektetekens. 1. Acute vergiftiging: - door inslikken van een grote hoeveelheid: eerst ontstaat een erge maagdarmontsteking met brandende pijn ter hoogte van de slokdarm en overvloedige waterige of bloederige diarree. Later daalt de bloeddruk, de huid wordt koud en klam en de zieke voelt zich zwak. In het eindstadium verschijnen stuipen en comateuze toestand en mogelijk overlijden door het tekort schieten van de bloedsomloop. Na 1 tot 3 dagen ontstaan geelzucht en vermindering of zelfs stoppen van de urineproduktie. Door inslikken van een kleine hoeveelheid: er ontstaat rusteloosheid, braakneiging, braken, hoofdpijn, duizeligheid, rillingen, krampen, prikkelbaarheid en verlamming. Arseen passeert ook de moederkoek bij zwangerschap. - door inademen: er vormt zich vocht in de longen (longoe- 41 deem) met kortademigheid, blauwe lippen en vingers, hoesten met produktie van schuimig slijm en vochtige reutels over de longen. - arsine: veroorzaakt in het begin een prikkelend en brandend gevoel in het aangezicht. Na 3 tot 4 uur doet zich bloedafbraak (hemolyse) voor en verschijnt er rode bloedkleurstof (hemoglobine) in de urine. De huid wordt bronskleurig, lever en milt zwellen en worden pijnlijk. De zieke voelt zich beklemd, en hij heeft braakneigingen en last bij het slikken. 2. Kronische vergiftiging: kan zowat alle organen aantasten. - het centraal zenuwstelsel (= hersenen en ruggemerg): vooral zenuwontsteking (polyneuritis), ontsteking van de oogzenuw (optische neuritis), gevoelloosheid en branderige gewaarwordingen in handen en voeten. - de huid: bronskleur, haaruitval en gelokaliseerde vochtopstapeling (oedeem). - het maag- en darmstelsel: braakneigingen, braken, buikkrampen, speekselvloed en aantasting van de lever (cirrhose). - het hart- en vaatstelsel: hartzwakte, vochtopstapeling, bloedsomloopstoornissen die leiden tot het afsterven van de extremiteiten (necrose). Bloedarmoede. - de nieren: chronische nierontsteking. - aantasting van de erfelijke eigenschappen. - mogelijk verband met kanker. b) een voorbeeld J.V. uit Lommel is arbeider in de V.M.. Sinds jaren lijdt hij aan allerlei min of meer vage klachten, voornamelijk hoofdpijn van het migraineuze type, braakneigingen, prikkelhoest, moeheid, krampen, vermagering, en soms koortsopstoten. Zijn klachten worden steeds afgedaan, als "zenuwen". Een bloedname op 2-7-1981 toont volgende afwijkingen: koper-ceruloplasmine: 151 mcg per 100 ml bloed (normaal 95-120). zink-ceruloplasmine: 81 mcg per 100 ml bloed (normaal 80-100). arsenicum-ceruloplasmine: 0,29 mcg per 100 ml bloed (normaal 0). 42 Onderzoek uitgevoerd door de professoren De Schaepdrijver en Heyndrickx. Hij wordt tijdelijk werkonbekwaam verklaard en uit het werkmilieu verwijderd. Bij opeenvolgende kontroles op 17-8-1981, 22-9-1981, en 27-10-1981 worden sterk schommelende waarden van arsenicum, koper en zink gevonden. Niettegenstaande verwijdering uit het werkmilieu blijven er afwijkingen bestaan in het bloed! Omdat men vermoedt dat er wellicht een milieu-invloed meespeelt worden ook de echtgenote en het dochtertje van 8 jaar onderzocht. Een bloedname op 29-10-1981 levert volgende resultaten: echtgenote: arsenicum: 0,3 zink: 90 dochter: arsenicum: 0,2 zink: 86 Er blijkt dus duidelijk dat heel de familie, wonende op ongeveer 1 km afstand van de fabriek, arsenicum in het bloed vertoont. Geen enkel lid van de familie is roker. Waar komt het arsenicum vandaan indien het niet uit het milieu komt? Kwikvergiftiging is vooral bekend geworden door de gebeurtenissen in het Japanse vissersdorpje Minamata. Een lokale verffabriek loosde kwikafval in zee. Het kwik stapelde zich op in de schelpdieren, het hoofdvoedsel van de inwoners van Minamata. Na jaren begonnen de mensen verlammingsverschijnselen te vertonen, stierven of kregen misvormde en doodgeboren kinderen. De waterlopen rond Lommel zijn sterk vervuild door kwik. In 1982 werd een geval van kwikvergiftiging vastgesteld bij een MHO-arbeider. De voornaamste ziektetekens. 1. Acute vergiftiging: Gebeurt meestal na inslikken van oplosbare kwikzouten, gewoonlijk kwik-choride. Bij een hoeveelheid van 0,1 gr. ver- 43 schijnen reeds ziektetekenen, 0,5 gr. is meestal reeds dodelijk. Kwik-ionen veroorzaken lokale ontstekingsreakties op de slijmvliezen. Er ontstaat hevige mond-, keel-, en stembandpijn. Buikkrampen met braakneigingen en braken beginnen binnen de 15 minuten. Kwik wordt gekoncentreerd in de nieren waar het de cellen van de uitscheidingsbuisjes vergiftigt waardoor een neiging ontstaat tot overdreven urinevorming binnen de eerste 2 tot 3 uren. De kombinatie van braken, uitdroging, bloeddrukdaling en progressieve beschadiging van de uitscheidingsbuisjes van de nieren leidt tot het stilvallen van de urineproduktie (anurie) en opstapeling van het giftige ureum in het bloed. Een gedeelte van het kwik wordt ook uitgescheiden via de darm en veroorzaakt een erge darmontsteking met bloederige diarree en valse stoelgangsnood (het gevoel te moeten ontlasten, maar niet te kunnen). Na verloop van tijd volgt meestal de dood. 2, Kronische vergiftiging: Gebeurt meestal door inademen van kwikdampen, of ook door inname van methylkwikzouten. Kronische vergiftiging tast vooral het zenuwstelsel aan : - aantasting van de kleine-hersenen. - blindheid. - aantasting van de zenuwvezels en een vermindering van de overdracht van prikkels van de zenuwen naar de spieren. Tussen acute en kronische vergiftiging in bestaat er nog een tussenstadium: de subacute vergiftiging. Hierbij ontstaan zowel aantasting van de slijmvliezen als van het zenuwstelsel. - bruine, zwarte of grijze verkleuring van het mondslijmvlies. - speekselvloed, mondvliesontsteking, diarree. - tekens van zenuwaantasting: beven van de ledematen, de tong en de lippen. Spraakmoeilijkheden, veranderingen in de gemoedstoestand zoals prikkelbaarheid, depressie... 44 1) Van het Kommissariaat-Generaal voor de bevordering van de Arbeid. TLV: lood: 0,15 mg/m3 lucht (anorganisch lood). cadmium: 0,2 mg/m3. Stof en zouten zoals cadmiumoxide: 0,05 mg/m3. zinkoxide: 5 mg/m3. Zinkchloride-dampen: 1 mg/m3. Voedsel: 0,2 - 0,5 mg/gr. arsenicum: niet vermeld, kwik: 0,5 mg/m3. 2) In de vakliteratuur. MAC: lood: 0,20 mg/m3 (normale waarde in niet gepollueerde zones: minder dan 2 microgr./m3. Voedsel: 2,56 mg/kg. cadmium in de lucht: 0,005-0,36 microgr./m3. het water: 5 nanogr./gr. de grond: 5-10 nanogr./gr. voedsel: minder dan 0,05 microgr./gr. zink: niet bepaald. arsenicum: 0,05 ppm. Voedsel: 0,65 mg/500 gr. Kwik: 0,5 PPm 3) Opmerkingen. - Er is een verschil tot een faktor 100 tussen de waarden van het Commissariaat-Generaal en die van de vakliteratuur. Eerstgenoemde baseert zich nog steeds op gegevens van vóór 20 jaar. De normen vermeld in de vakliteratuur hebben de neiging om nog steeds te verlagen! Dit laatste is zeker zo voor lood en cadmium. Of: hoe meer wetenschappelijke gegevens beschikbaar zijn, hoe lager de normen komen te liggen. - Nergens worden Ceiling Values vermeld. Men houdt dus geen rekening met piekwaarden, maar enkel en alleen met gemiddelden, ook voor de meest toxische produkten. 45
46
47 B. Enkele opmerkingen : 1. Het bepalen van de normen berust op objektieve gegevens (statistische gegevens en dosis-respons relatie) naast arbitraire beoordelingen. Dit verklaart de tegenstellingen die er bestaan tussen de nonnen gesteld door de industrie en die gesteld door medici. 2. Er bestaan tamelijk veel gegevens over de invloed van de zware metalen elk afzonderlijk, maar geen over de interakties tussen deze metalen en de gezamenlijke invloed op het menselijk lichaam. 3. De studies over de mogelijke cancerigeniciteit van zware metalen laten nog geen definitieve konklusies toe. Voor sommige metalen zijn er sterke aanwijzingen, maar nog geen dierexperimentele modellen voorhanden. 4. Recente onderzoeken wijzen, voor een aantal metalen, steeds meer op patologische weerslag bij reeds lage blootstellingsniveaus. Verwacht mag dan ook worden dat een aantal normen in de toekomst lager zullen worden . Deze tendens is b.v. duidelijk aanwezig voor lood en cadmium. 5. De dosage-methodes staan vaak nog in de kinderschoenen, en er bestaan verschillende laboratoriumtechnieken, waardoor een intense kwaliteitskontrole tussen de laboratoria onderling noodzakelijk blijft. Dit alles, samen met het gebruik van verschillende soorten eenheden, vergemakkelijkt uiteraard de interpretatie der resultaten niet. 48 RECHTEN OP PAPIER EN IN DE PRAKTIJK - Inhoud Wettelijk is de arbeider op drie manieren beschermd tegen de gevaren van vergiftiging door zware metalen: door de arbeidsgeneeskunde, door de arbeidsinspektie en door de wetgeving i.v.m. beroepsziekten. Alleen kennis en strijd van de arbeiders en hun organisaties kan de patroon en de aangestelde geneesheren van het bedrijf (arbeidsgeneesheer) en van de Staat (medische inspektie) en van het Fonds voor Beroepsziekten, dwingen de wetgeving korrekt toe te passen. Tot beter inzicht in de wetten en de rechten van de arbeiders in de non-ferro willen we een poging doen. A. De arbeidsgeneesheer: een geneesheer van en voor de arbeiders? - Inhoud Veel verwarring heerst er rond de taak van de arbeidsgeneesheer. Bij de routine-medische onderzoeken wordt de nadruk gelegd op de cholesterolkontrole en de rookgewoonten. Bij arbeidsongevallen en plotse ziektetoestanden wordt het kabinet van de geneesheer een E.H.B.O.-post. Wat zegt de arbeidsgeneesheer en waarover zwijgt hij ? Wat doet hij en wat doet hij niet? In teorie zijn de taken van de arbeidsgeneesheer nochtans bij de wet vastgelegd. De arbeidsgeneesheer heeft hoofdzakelijk een preventieve rol te vervullen. Zijn opdracht is tweevoudig en omvat enerzijds het medisch toezicht over de arbeiders en bedienden en anderzijds het toezicht op de hygiënische omstandigheden in de onderneming.
49 1. HET MEDISCH TOEZICHT. - Inhoud Hoewel het eerst de bedoeling was dat iedere arbeider de medische onderzoekingen zou ondergaan, zijn deze onderzoekingen uiteindelijk beperkt gebleven tot bepaalde groepen van werknemers. De vakbonden hebben zich steeds verzet tegen de veralgemening van medische onderzoekingen (nl. selektiegeneeskunde). Terecht meende men dat een veralgemening zou leiden tot indienstneming, afdanking en mutatieverplaatsing op "medische" gronden. Wie is er nu verplicht zich aan medische onderzoekingen te onderwerpen? - alle minderjarigen, welk ook het werk is waarmee ze belast zijn; - de werknemers blootgesteld aan het risiko van beroepsziekten; - de werknemers die een verantwoordelijke funktie uitoefenen, zoals het besturen van motorvoertuigen, kranen, rolbruggen, machines waarmee gevaarlijke installaties of toestellen aan gang gebracht worden; - de personen die moeten ingeënt worden tegen pokken, tetanus of t.b.c.; - de mindervaliden (die de werkgever in dienst moet nemen in toepassing van de wet van 16 april 1963, betreffende de sociale reklassering van de minder-validen); - (sinds K.B. 22 januari 1973) de werknemers die, uit hoofde van hun beroepsaktiviteit in direkt kontakt komen te staan met voedingswaren of -stoffen. Deze kategorieën zijn verplicht drie soorten van medische onderzoekingen te ondergaan, nl. onderzoek bij indiensttreding, periodiek onderzoek en onderzoek bij werkhervatting. Een belangrijke vraag is wat met de resultaten van deze onderzoekingen gebeurt. De arbeidsgeneesheer stelt de patroon in kennis van zijn advies betreffende de geschiktheid van de arbeider, door een '"Kaart van medisch onderzoek" in te vullen. Hij bezorgt de werknemer een afschrift van deze kaart. Op deze kaart mag geen enkele aantekening worden gemaakt, die met de ziekte verband houdt. Naargelang van de aard van het onderzoek zal de kaart aanduiden of de werknemer arbeidsgeschikt of arbeidsongeschikt is of dat het aanbe- 50 volen is dat zijn job aan bepaalde voorwaarden voldoet. De werkgevers moeten voor de toelating en de verdeling van de werkposten in de onderneming rekening houden met de adviezen van de arbeidsgeneesheer. Het is verboden werknemers die door de arbeidsgeneesheer ongeschikt werden verklaard voor arbeidsplaatsen met risiko voor beroepsziekten of voor blootstelling aan ironiserende stralingen met die taken te belasten of te blijven belasten. Dit is teorie, de praktijk roept vaak veel vragen op i.v.m. gebruik en doorspelen van medische inlichtingen. Tabel d) geeft een overzicht van de aandoeningen die de arbeidsgeneesheer heeft vastgesteld. Bij de nieuwe overplaatsingen was het opvallend dat het telkens arbeiders betrof die op één of andere manier reeds minder gezond waren. In perioden van krisis kan dit een wapen tegen de arbeiders worden. De arbeidsgeneesheer kan dus weinig beslissingen met dwingend karakter nemen. Alleen het ongeschikt verklaren van een werknemer heeft dwingende gevolgen. Voor het overige beperkt zijn bevoegdheid zich tot het geven van adviezen. Dit is des te meer het geval voor het toezicht van de arbeidsvoorwaarden. 2) TOEZICHT OP DE ARBEIDSOMSTANDIGHEDEN. - Inhoud De arbeidsgeneesheer heeft in toepassing van het ARAB een belangrijke taak m.b.t. het toezicht op de arbeidsomstandigheden. In art. 47 van het ARAB staat duidelijk wat er van de arbeidsgeneesheer verwacht wordt. (ARAB = Algemeen Reglement op de Arbeidsbescherming.) Art. 147 nonies-K.B. 3 oktober 1973, art. 1. In zijn hoedanigheid van raadgever van de werkgever en van de werknemers voor het toepassen van de bestrijdingsmaatregelen van de arbeidshinder, vervult de arbeidsgeneesheer in het bijzonder de volgende specifieke opdrachten: 1. Kennis nemen van het arbeidsproces en van de fabrikagetechnieken, ter plaatse onderzoekingen verrichten en 51 voorstellen doen omtrent de maatregelen en aanpasingen, die van aard zijn om de daaruit voortvloeiende riskio's te verminderen; 2. op eigen initiatief of op aanvraag van de werkgever of van de betrokken werknemers, de werkposten onderzoeken, waarvan de titularissen blootgesteld worden aan een verhoging van de bestaande gevaren of aan nieuwe gevaren van de hinder; 3. op eigen initiatief inlichtingen verschaffen aan de werkgever en aan het Komitee voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing der werkplaatsen, telkens als hij vaststelt dat de hinder de werknemers kan treffen, een ongemak bij het volbrengen van hun werk of een nadelige werking op hun gezondheid kan uitoefenen; 4. advies verstrekken aan de werkgever en aan het Komitee voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing der werkplaatsen, aangaande ieder ontwerpmaatregel waarvan men de toepassing overweegt en die rechtstreeks of onrechtstreeks, onmiddellijk of op termijn gevolgen kan hebben voor de gezondheid van de werknemers; 5. analyses of kontroles zelf uitvoeren of doen uitvoeren door de werkgever in voorwaarden voorzien bij artikel 148 decies. 1, §-6 van dit reglement; 6. deelnemen aan het bezoek van ondernemingen, ten einde de risiko's voor hinder op te sporen, zoals voorzien in de opdrachten van de Komitees voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing der werkplaatsen, in uitvoering van de bepalingen van artikel 837C, nr. 1 van dit reglement. De arbeidsgeneesheer noteert zijn adviezen en voorstellen in een verslag dat hij afgeeft aan de werkgever. Hij houdt bovendien het dubbel van dat verslag ter beschikking van de geneesheren-arbeidsinspekteurs. Daarmee is meteen geweten dat de arbeidsgeneesheer zich ook moet toeleggen op het onderzoeken van de arbeidsplaatsen. Dit wordt ook uitdrukkelijk gezegd in art. 3 van het reeds genoemde K.B. Dit artikel bepaalt: "de atmosfeer van de werklokalen moet het voorwerp uitmaken van voortdurend toezicht, opdat het koncentratieniveau van de bezoedeling in de atmosfeer van deze lokalen zo laag mogelijk zou zijn en in ieder geval nooit de grenzen van de toelaatbare limietwaarde zou overtreffen die werden vastgesteld voor het aantal chemische stoffen (T.V.L.values)." 52 De arbeidsgeneesheer moet blijkbaar een beslagen diplomaat zijn. Zijn opdracht vervult hij in nauwe samenwerking met de werkgever, de direktie, het Komitee voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing der werkplaatsen, de sociale dienst, de personeelsdienst en elke persoon die zich in de onderneming bezig houdt met de veiligheid en gezondheid. Hij moet elke vergadering van het Komitee voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing der werkplaatsen als raadgever bijwonen. Het K.B. van 20 juni 1975 over het voorkomingsbeleidgeeft de arbeidsgeneesheer ook nog onrechtstreeks enige kontrole over de arbeidsomstandigheden. De kern daarvan is dat iedere bestelling van installaties, machines en voertuigen een eisenbundel met voorwaarden inzake veiligheid en hygiëne moet omvatten. Hierbij dient wel gezegd dat het voorkomingsbeleid op de eerste plaats het werkterrein is van de veiligheidschef. Dit brengt ons naar de vraag van de beschermingsmaatregelen van de arbeidsgeneesheer. Geschillen die de technische en morele onafhankelijkheid van de arbeidsgeneesheren in het gedrang brengen dienen opgelost te worden door de "erkenningscommissie". die commissie is samengesteld uit 3 werkgeversafgevaardigden, 3 werknemersafgevaardigden en 6 leden van het medisch corps. De tussenkomst gebeurt slechts op verzoek van één der betrokken partijen. 3) DE ARBEIDSGENEESHEER EN ZWARE METALEN. - Inhoud Wat zware metalen betreft heeft de arbeidsgeneesheer op het terrein van de arbeidshygiëne een duidelijke taak. Hij moet de werknemers aan periodische onderzoeken onderwerpen. Het risiko voor beroepsaandoening, zo zegt het ARAB, bestaat voor de personen die werken of verblijven in plaatsen waar met bepaalde stoffen wordt gewerkt, of die tot stand komen tijdens een fabricageprocédé, of aanwezig is onder de vorm van stof, gassen, dampen, mist, alsook vloeibare of vaste stoffen. 53 In de volgende tabel wordt een lijst gegeven van giftige stoffen, die aanleiding geven tot periodische onderzoekingen. We hebben er die uitgepikt die van belang zijn voor werknemers in de non-ferro. In de tabel wordt er telkens vermeld welk soort onderzoek er dient te gebeuren, hoe vaak en na welke periode van blootstelling.
De arbeidsgeneesheer is ook verplicht de beroepsziekten aan te geven. Een groot probleem blijft dat arbeidsgeneesheren meestal de juiste waarden van urine en bloedonderzoek niet aan de arbeider meegeven. Zonder dit recht op inzage en beschikking over hun eigen medisch dossier staat de arbeider machteloos. De arbeidsgeneesheer beslist zelf over de graad, de ernst en de te 54 nemen maatregelen in geval van beroepsziekten. Voor de vakbonden in de non-ferro moet het inzagerecht in het medisch dossier een belangrijke syndikale eis zijn. Een bijzondere zorg gaat uit naar de voorkoming van de beroepsziekten. Hier kan tot nu toe moeilijk van een duidelijk sukses worden gewaagd. Waar voor sommige aandoeningen er een lichte teruggang valt aan te stippen, blijken andere in opgang. De gegevens daarover zijn statistisch niet te interpreteren ten gevolge van een toenemende exactheid dan diagnosestelling gepaard aan meer doorgedreven en meer uitgebreid medisch onderzoek. Alhoewel de reglementering (art. 147 ter van het ARAB) de arbeidsgeneesheer verplicht tot aangifte van de beroepsziekten, van de ziekten waarvan hij de beroepsoorsprong vermoedt en van de voorbeschiktheid tot beroepsziekten, vormt zij een lastig toe te passen wetgeving, mede door de terughoudendheid van vele arbeidsgeneesheren in verband met het medisch broepsgeheim inzake de werknemer. Dit bemoeilijkt een aanvaardbare interpretatie van de ter beschikking staande gegevens. Evolutie van beroepsziekten aangiften - totale en bijzonderste risikio's:
55 LIJST VAN BEROEPSZIEKTEN - Inhoud De volgende lijst geeft de beroepsziekten aan die van belang zijn voor de arbeiders in de non-ferro. Bij elke beroepsziekte is tevens het kodecijfer vermeld dat ingevuld wordt bij een aangifte of aanvraag. a) Beroepsziekten veroorzaakt door chemische agentia.
56
4) DE HUISARTS EN ZWARE METALEN. - Inhoud Door de vooruitgang op het vlak van bloed- en urineonder- zoek is het voor elke arts mogelijk de graad van blootstelling aan zware metalen bij een patiënt na te kijken. In volgende tabel wordt een lijst gegeven van de hoeveelheid staal, maximale waarde, de aard van het staal voor elk verschillend metaal. Zo kan elke dokter bij verdenking een eerste test uitvoeren. Verklaring van de gebruikte afkortingen
(1) toegelaten limietwaarden (TLV) zoals die ook te vinden zijn in de lijst van het kommissariaat-generaal van de bevordering van de arbeid (kongres van de Amerikaanse konferentie van goevernementele industriële hygiënisten). 57 Op de tabel klikken om horizontaal beeld, sluiten om terug te keren
58 B. De medische inspektie: een papieren tijger? - Inhoud Van staatswege is een medische inspektiedienst georganiseerd, die moet kontroleren of de wetten op de arbeidsgeneeskunde wel gevolgd worden. Vooraf moeten we stellen dat deze dienst met één geneesheer-arbeidsinspekteur per provincie totaal onderbemand is om zijn taak een beetje serieus te volbrengen. De medische inspektie bestaat uit drie diensten met elk een welbepaalde taak: 1. De algemene dienst - erkenning van de arbeidsgeneeskundige diensten 2. De medische inspektie - toezicht op de naleving der reglementen
betreffende hygiëne en gezondheid der werknemers (ARAB) 3. De scheikundige inspektie Kontrole op het gebruik van giftige of gevaarlijke stoffen of produkten (ze beschikt daarvoor over een labo). In de praktijk moet de medische inspektie dus niet op jacht gaan naar arbeiders die één of ander reglementje overtreden maar ze is verantwoordelijk voor de kontrole op de organisatie van de arbeidsgeneeskunde. Bij gevaarlijke, hinderlijke en ongezonde fabrieken adviseert de arbeidsinspektie bij het afleveren van een exploitatievergunning. De geneesheer-arbeidsinspekteur kan bedrijven en vooral hun arbeidsgeneeskundige dienst op de vingers tikken of een 59 proces-verbaal opmaken. De arbeidsauditeur vervolgt echter zelden en de sankties zijn vaak belachelijk. De geldboete is bijna altijd kleiner dan het herstellen van de aangeklaagde wantoestand. Op papier zijn er voor de arbeiders en syndikaten mogelijkheden om de medische inspektie in te schakelen ter kontrole of tot het onderzoek van klachten. Zoals vaak is de wet dode letter, die de patroons niet afschrikt. Personeelstekort, beperkte deskundigheid en minieme werkingskosten verhinderen de uitvoering van de wet. Neem daarbij dat tussen de arbeidsinspekteur en de arbeidsgeneesheer de "kollegialiteit" heilig is, dat de medische inspekteur bij een inspektie vooraf op een "etentje" wordt vergast en nadien beladen met enkele kleinoden buitengaat, dan is het begrijpelijk waarom deze dienst te kort schiet. Nochtans kan men steeds van de dienst gebruik maken om bij onregelmatigheden i.v.m. arbeidsgeneeskunde, de gezondheidsvoorschriften en beroepsziekten een klacht in te dienen. Een goed komitee voor veiligheid en gezondheid moet de behandeling ervan op de voet volgen. C. Hoe gebeurt een aanvraag tot schadeloosstelling door het Fonds voor Beroepsziekten? - Inhoud 1. Wat is schade door B. Z. ? Als schade aan een persoon komen volgende schadegevallen in aanmerking voor een schadeloosstelling (vergoeding) 1. overlijden van de getroffenen (weduwepensioen) 60 2. De aanvraag Deze moet schriftelijk onder aangetekende omslag verstuurd worden aan: F.B.Z. Sterrenkundelaan 1 1030 BRUSSEL De aanvraag moet de volgende stukken bevatten: 1. uittreksel uit het bevolkingsregister met
vermelding van de burgerlijke stand - (te verkrijgen op het gemeentehuis) - vermelding van de laatste drie werkgevers 4. medische verslagen, foto's of andere bewijsstukken die het voorkomen van een beroepsziekte kunnen staven: vb. longfoto's, bloedonderzoeken, gehoorsmetingen... 3) Bij overlijden Sterft een arbeider ten gevolge van een beroepsziekte dan kan een overlevingspensioen voor de weduwe worden aangevraagd. 1. uittreksel van de akte van overlijden ** F.B.Z. = Fonds voor Beroepsziekten 61 4) Herziening Bij verergering der beroepsziekte moet steeds aangetekend een medisch verslag worden toegestuurd met opgave van de wijzigingen in de ziektetoestand. Ook het F.B.Z. kan de patiënt regelmatig voor een herziening oproepen. 5) Beslissing In afwachting van een beslissing krijgt de patiënt meestal zijn medische onkosten reeds vergoed. De aanvragende arts kan inzage van het dossier vragen met de redenen waarom een aanvraag werd goedgekeurd of afgewezen. Bij zijn beslissing hanteert het F.B.Z. een aantal criteria (normen) die echter weinig vastliggen. De aanvragende arts zal in zijn medisch verslag dus de nadruk leggen op het bewijzen van een verband tussen blootstelling aan een bepaald risiko en een bepaald ziekteverschijnsel. Enkel voor loodintoxicatie (cfr. bijlage) en doofheid zijn deze criteria vrij afgelijnd. 6) Beroep Eens de beslissing genomen door het F.B.Z. is enkel beroep bij de arbeidsrechtbank mogelijk. Binnen het jaar na de afwijzing der aanvraag mc t dit beroep worden aangetekend. Best wendt de arbeider zich tot de juridische dienst van zijn vakbond. Zulk beroep is de enige mogelijkheid om bij betwisting een arbitrage of bemiddeling te verkrijgen en ook een specialistische tussenkomst. 7) Vergoedingen In principe kan de getroffene arbeider beroep doen op een vergoeding of een verwijdering uit het milieu of op beide. In alle gevallen gebeurt de vaststelling van het percentage op grond van lichamelijke letsels en het geleden loonverlies. 1. Lichamelijke letsels Een percentage bepaling evenredig met de hevigheid der letsels en de weerslag op de arbeidsongeschiktheid. Verdwijnen deze letsels volledig dan wordt het percentage op 0 62 teruggebracht, terwijl de vergoeding der gezondheidszorgen wordt behouden. 2. Loonverlies Heeft een verandering van werk tot gevolg dat de arbeider minder verdient (vb. bij verandering van post) dan heeft hij recht op een vergoeding die rekening houdt met het geleden loonverlies. De uitkeringen van het F.B.Z. lopen parallel met die van het fonds voor arbeidsongevallen. De uitkeringen in beide stelsels worden berekend op dezelfde loonbasis en volgens dezelfde percentages. Metalurgie Hoboken-Overpelt N.V. - Jaarverslag van de arbeidsgeneeskundige dienst (1980) - uittreksels - Totaal getal onderzochte personen : 1493.
Opgave der gevallen van beroepsziekten
63
Al kunnen we moeilijk beweren dat er geen vuiltje aan de lucht is, dan mogen we toch ook niet overdrijven... 64
"Hunne schouwen - er zijn er 27 - braken een zware, verpestende rook uit die op de velden neerdaalt en noodlottige uitwerkselen heeft". (Aug. Dewinne 1912).
De werkomstandigheden bij de zinkovens tarten alle verbeelding. 65
Binnenzicht op een hall in de fabriek van Balen-Wezel.
De fabriek te Balen: zicht op de smidse. 66
De ruïnes van de oude loodglasfabriek: in de kelders liggen de duivenkrengen bij de voorraden arsenicum-houdend afval die er zijn opgeslagen.
Een zicht op de vergaarbakken in het oude loodglasfabriek. Bemerk het waterniveau. Deze vergaarbakken dienen als stortplaats. 67
De non-ferro-industrie bracht ongetwijfeld welvaart en moet blijven. Maar ze heeft ook het milieu vervuild en dat moet gesaneerd. De kosten worden zonder twijfel gerecupereerd op de post "Volksgezondheid". Economie en ecologie: tussen die twee hoeft niet de minste tegenstrijdigheid te bestaan.
De Maatheide, waar vroeger de Lommelse "métallique" stond: zelfs berken, die nochtans tegen een stootje kunnen, overleven hier niet of schuchter. 68
De woonwijken rond MHO situeren zich in de onmiddellijke nabijheid van de ertshopen (foto boven) en van het fabrieksstort (foto onder).
69
De Eindergatloop ontvangt helder water van het zuiveringsstation. Daarna volgt hij zijn loop dwars door de fabrieksterreinen van de MHO heen
70 DE MILIEUSITUATIE IN DE NOORDER-KEMPEN - Inhoud A. De Noorder-Kempen: Situering - Inhoud De streek die in dit werk wordt doorgelicht situeert zich in het noorden van de provincie Limburg (België) en - vermits milieuverloedering zich niets aantrekt van landsgrenzen - in het zuiden van de provincie Brabant (Nederland).
Weinig vruchtbare velden en weilanden liggen naast verzuurde heidegronden rimpelloze vennen. Dennen op de droge gronden en de loofaanplantingen in de wateringen of vloeiweiden geven aan het landschap een sterk afwisselend karakter. De invloed van de mens is wel erg diepgaand geweest. Van de oorspronkelijke eenzame heidevlakte, die er nog was in het begin van de 19de eeuw, blijft niet veel meer over. België was nog maar net onafhankelijk toen Leopold 1 zijn weledele goedkeuring gaf aan het graven van enkele kanalen: het Maas-Scheldekanaal (Bocholt-Herentals), het kanaal van Beverlo en het kanaal Dessel-Schoten. Wie even een kaartje van België onderzoekt zal zien dat overal aan onze noordelijke grens met Nederland dergelijke kanalen gegraven zijn. Zij vormden een borstwering tegen het vijandig gezinde Nederland uit die dagen (± 1840). Het pas opgerichte militaire kamp van Leopoldsburg werd langs het kanaal van Beverlo met dit kanalennet verbonden. Hoe dan ook, de ekonomische betekenis van de kanalen is zeer groot geweest. De industrialisatie van het gebied kon van start gaan, handel en nijverheid kregen een flinke stimulans. Het maaswater, rijk aan mineralen, kon gebruikt worden voor de bevloeiing van grote gebieden onbebouwbare grond. Toen in 1847 oogsten mislukten en er hongersnood dreigde, begon men in Lommel 230 ha heidegronden te bevloeien. Landbouwers uit Oost- en West-Vlaanderen, Antwerpen en Brabant werden aangetrokken om de pas ontgonnen gronden te "koloniseren". Door allerhande omstandigheden mislukte het opzet. De boeren vertrokken, de een na de ander, maar het gehucht "Lommel-Kolonie" met zijn prachtige "wateringen" bleef bestaan. De stoot was gegeven: industrie en landbouw modelleerden steeds meer het oerlandschap. Infrastruktuurwerken versnipperden steeds meer de heidevlakten en bossen. Industrie en woonkernen bezoedelden de eens zo maagdelijke natuur. De tijd dat de wekelijkse postkoets, tijdens het Napoleontische bewind, over de smalle Luikersteenweg dokkerde, is reeds lang voorbij. 74 B. Fysische Geografie. - Inhoud De bewoners hebben door ploeteren en labeuren de omgeving haar uiteindelijke vorm gegeven. Maar aan dit menselijk ingrijpen gaat een bijna eindeloze wordingsgeschiedenis vooraf. Deze geologische historiek is uiterst belangrijk om de huidige milieuverstoringen te begrijpen. De aard van de bodem, de doordringbaarheid der aardlagen, de waterbalans, de mogelijkheden voor begroeiing, landbouw en ontginning zijn allen factoren die een gewichtige rol zullen spelen in de beoordeling van de milieuinvloeden van de non-ferroindustrie die er zich vestigde. In de tijd dat Neanderthalers hier rondscharrelden werden door enorme krachten in de aardkorst de Alpen en, dichter bij ons, de Ardennen omhoog gestuwd. Dit gebeurde tijdens een periode die men het Pleistoceen noemt, ongeveer 1 miljoen jaren geleden. De Maas die nu een sterk verval had, donderde langs de Ardeense hellingen naar beneden en voerde fantastische hoeveelheden puin met zich mee. Bij het verlaten van het Ardeens plateau, vertraagde de stroming en bezonk het erosiemateriaal. Het pleistoceen was een periode vol opmerkelijke voorvallen. Niet alleen traden enorme vervormingen op van de aardkorst maar bovendien volgden zich vier ijstijden op: Günz, Mindel, Riss en Würm. Noord-Europa was bedekt met een reusachtige ijskap en gletjers woelden de aarde om. Ook de bodem in de huidige Kempen was blijvend bevroren. De Maas had op deze bevroren ondergrond moeite om zijn bedding te vinden en vertakte zich in talloze riviertjes die allen slib en puin afzetten in dikke lagen. Zo ontstond het Kempisch Plateau: een reusachtige puinkegel van de Maas. Dit hoger gelegen gebied strekt zich uit van Genk in het Zuiden (100 m. boven de zeespiegel) richting Lommel (50 m.) tot in Postel in het noorden. Lommel, Overpelt en Balen liggen aan de noordelijke grens van dit plateau. 75
Tijdens de Günz ijstijd zette de Maas lichtere materialen af: het opkrikken van de Ardennen was immers nog niet gebeurd. Zo werd in de zone Eindhoven, Roermond een dunne kleilaag afgezet. Bij Lommel en Mol werden dikke lagen wit zand gevormd die nu op grote schaal uitgebaat worden voor de glasindustrie en de bouwnijverheid. Onder deze zandlaag komt vanaf Mol de Rupeliaanse kleilaag voor die zich verder uitstrekt in de richting van de Schelde. Niets is te hoog of te diep om te vervuilen, want in deze kleilaag zou men te Mol hoog radioaktief afval willen dumpen. Nadat de Maas een groter verval had gekregen kon grover materiaal worden meegesleurd. Tijdens de Mindelijstijd werden metersdikke lagen grind afgezet. Wie kent niet het verhakkelde landschap aan de Maaskant waar dit grind uit de grond wordt gehaald. "Haal het papzand uit Lommel en de 76 grind uit Maaseik, maak er beton van en tover de grond tussen de geslagen putten om tot autosnelwegen". Dit zou een recept kunnen zijn uit het Belgisch handboekje voor landschapszorg. Toen na de ijstijden, eindelijk weer warmere perioden aanbraken, bleef er, vooral in het noorden, een kale troosteloze vlakte over. De gletjers hadden in Noord-Europa de grond omgewoeld en diepe dalen uitgeschuurd. De begroeiing, die de grond kon vasthouden met haar wortels, ontwikkelde zich slechts traag. De wind had dan ook vrij spel. Zand en löss werden over grote afstanden meegeblazen. Vertraagd door het Kempisch plateau zetten de noorderwinden dikke lagen dekzand af. Overal in de noorderkempen vindt men dit zand terug. Duizenden jaren windwerking vormden landduinen met grillige toppen en kommen waarin het regenwater zich kon verzamelen tot vennen en plassen.
77 Wie dacht dat de zaak nu wel bekeken was, heeft het mis. Mogelijk onder invloed van het enorme gewicht van de puinkegel op de onderliggende oudere lagen, traden verzakkingen op. Sommige delen werden omhoog gestuwd (horst) andere zonken naar beneden (slink). Zo ontstond de slenk van Roermond.
Geologische haart ran de Kempen Zo verkreeg de Maas haar nieuwe en huidige bedding. Een ander belangrijk gevolg van deze verzakking is dat de aardlagen talrijke breuken vertonen. Uit bijgevoegd kaartje blijkt dat één dezer breuken in de Lommelse ondergrond terug te vinden is. 78
Van de talloze zijarmen van de Maas die het Kempisch plateau doorsneden blijven er maar enkele riviertjes over. Sommige, zoals de Beekloop, Bolliserbeek en Gortenloop verenigen zich in de Dommel welke in de Maas uitmondt. Anderen zoals de Grote en de Kleine Nete voeren hun waters naar de Schelde. 79
Het slib dat door deze riviertjes werd afgezet zorgde voor vruchtbare, vochtige grond. Zo kon, temidden van de zanderige droge onvruchtbare grond, de eerste landbouw ontstaan. 80 C. Een huisje hier, een huisje daar... - Inhoud Landbouw en industrie ontwikkelden zich gelijktijdig. Zelfs de metaalfabrieken deden aan landbouw en veeteelt. Overpelt-fabriek had haar eigen boerderij, waar zij de melk produceerde die de arbeiders van het lood en de zink moesten afhelpen. Onder de schouw van Lommel-fabriek kweekte men gerst om zo te bewijzen dat het allemaal nog niet zó ongezond was. De meeste arbeiders hadden thuis nog wat beesten op stal staan om hun inkomen wat aan te dikken. Hoeveel van de beste stukken vlees werden aan de ingenieurs geschonken om betere werkomstandigheden te verkrijgen? De bevolkingsdichtheid nam pijlsnel toe. Steeds meerheide en bos moest wijken voor nieuwe woonkernen. Dat bij de inplanting van de nieuwe woonwijken geen rekening werd gehouden met de milieusituatie blijkt uit het bijgevoegde kaartje en windroos. Deze windroos geeft de jaarverdeling aan der heersende winden. Het overgrote gedeelte der winden blaast uit het ZW naar het NO. Het overdekken van windroos en kaart laat zien hoe Lommel onder de wind ligt van Vieille Montagne (II) en Philips (III). De gemeente Neerpelt krijgt de volle laag van de Metallurgie Hoboken-Overpelt (IV). Schrijnend blijkt deze ongezonde toestand uit de woonsituatie rond de Vieille Montagne (Balen). Hier kan geen sprake zijn van een historische ontwikkeling daar de fabriek zelf de woonwijken heeft uitgebouwd. Onder de schouw in de windrichting ligt de arbeidswijk "het glasfabriek", temidden van een schrale verdorde omgeving. Het ruikt er naar zwavel en groenten kweken wordt door de fabriek afgeraden. Aan de overkant van het kanaal in de zuidwesten, dus uit de wind, liggen de huizen en villa's der kaderleden. Groot, rij k en weelderig liggen zij verspreid tussen het groen. Hier is dus sprake van doelbewust wangedrag wat betreft de inplanting der woonwijken en van een minachting voor de leefomstandigheden der arbeiders. Wie kan er echter klagen? De fabriek domineert hier niet alleen het landschap. Wie er zij n brood verdient en bovendien in een fabriekshuisje mag wonen, moet zich gelukkig prijzen. Zelfs vertier wordt door de fabriek georganiseerd in het fa- 81 briedscasino. Als men het zo 25 jaar kan uithouden hebben de longen het wel zwaar te verduren gehad maar zorgt de fabriek toch nog voor een vergulde horloge als dank... Ook gemeentelijke overheden kunnen wel eens blunderen. Onlangs (1980) werd op een kale zandvlakte, weer eens ten NO en dus onder de wind, van Philips en Emgo een geheel nieuwe sociale woonwijk gebouwd: de Westwijk. De afstand van schouw tot huizen bedraagt mogelijk honderd meter. Philips en Emgo zijn gespecialiseerd in bereiden en verwerken van loodhoudend glas. Zij hadden nochtans laten weten dat zij de gekozen terreinen niet als de geschikte bouwplaats aanzagen. Maar ja, van een sociale wijk mag niet alles verlangd worden. Goedkoop tot daar toe, maar gezond en aangenaam bovendien, is toch wel een beetje te veel gevraagd!? 82 III Philips: Produktie van loodglas voor lampen. IV Overpelt: Vestiging van MHO. Produktie van zink en cadmium. I Maatheide: Huidig industrieterrein Lommel-fabriek. Oude vestiging van MHO afgebroken in 1973. II Balen: Vieille Montagne. Produktie van zink en andere non-ferrometalen.
83
84 D. Waar in 't bronsgroen eikenhout... - Inhoud Het limburgs volkslied zingt van eikenhout waarin nachtegaaltjes zingen. Maar hoeveel bronsgroen eikenhout is er nog en zingen er eigenlijk nog wel nachtegaaltjes? Natuurbescherming en landschapszorg staan hier, net als alle andere streken van ons dierbaar vaderland, voor een bijna onmogelijke taak. Het enige resultaat dat mogelijk kan bereikt worden is een verdere algemene verloedering tegenhouden en, om toch enig zichtbaar effekt te behalen, het behoud van enkele zeldzame natuurrelieken. Nochtans is zij van het allergrootste belang omdat iedere verstoring in de natuur wijst op een verbreken van het ekologisch evenwicht en is bijgevolg een bedreiging voor het harmonisch leven van de mens. Dikwijls zal milieuzorg zich toespitsen op de onmiddellijke nabijheid van vervuilingsbronnen of op gebieden met een hoge natuurwetenschappelijke of landschappelijke waarde. Het biologisch evenwicht in deze natuureilandjes is wankel en geen moeite mag te groot zijn om het in stand te houden. De Noorder-Kempen is zeer waardevolle gebieden rijk. Uitgestrekte dennebossen, heidegronden en velden maken van het landschap een rijkelijk tafereel. De twee toppers zijn echter de wateringen, waarvan reeds eerder sprake, en het natuurreservaat "Het Hagevenen". Dit wondermooie gebied bevindt zich op het grondgebied van de gemeente Neerpelt, langsheen de Nederlandse grens. Doordat het reservaat gelegen is ten NO van Metallurgie-Overpelt is het enorm bedreigd door de neerslag van zware metalen. Het bijgevoegde kaartje geeft een overzicht van de belangrijkste broedgebieden in Limburg. Hieruit blijkt duidelijk dat, wat de avifauna betreft, de streek Lommel, Overpelt, Neerpelt tot één der meest waardevolle gebieden in Limburg behoort,. 85
86
87 Verspreidingskaart van de onderzochte hokjes (1 KM2) voor broedvogels
Het Limburgs biologisch centrum werkte in 1978 een uitgebreide natuurwetenschapplijke evaluatie van het Hageven uit. In het voorwoord, geschreven door A. Huijgh, kan men lezen: is het vanwege de Provincie Limburg wijs en voorzichtig een aantal geselekteerde natuurgebieden door aankoop te behoeden voor onomkeerbare verandering en van de 21 prioriteitsgebieden is het Hageven een van de drie hoogst-geklasseerden.... Het valt buiten de limieten van deze bespreking om dit unieke natuurgebied uitgebreid te beschrijven. Toch is het nuttig enkele grote lijnen te schetsen. Zoals blijkt uit het kaartje vormen het reservaat en omliggende gronden een gedeelte van de Dommelvallei. Het heidelandschap met zijn open karakter leunt aan bij het beemdlandschap van het riviertje. Hier is de begroeiing dicht door struikgewas en loofhout. Typische veenformaties kan men aantreffen bij de landduinen waar de wind kommen heeft uit- 88 gewaaid. De arme zure gronden bezitten hun zo typische flora en fauna. De aangrenzende wateringen worden bevloeid door mineraal rijk water uit het Maas-Scheldekanaal. Een opvallende eigenschap van dit irrigatiewater is het hoge kalkgehalte waardoor het basische eigenschap verkrijgt (pH 8,25). Alzo wordt de zure grond bevloeid met basisch water. Hierdoor ontstaat een hele reeks overgangstoestanden in de zure bodems. Het gevolg hiervan is een bijzonder grote variatie aan flora en fauna. Bij de vennen bemerkt men tussen het veenmos planten met prachtige klinkende namen: weegbreefonteinkruid, vlottende bies, moerassmele De aangrenzende vochtige Dommelvallei met zijn voedselrijke moerassen zorgt voor een andere flora: barbarakruid, vrouwemantel, herfsttijlloos, rietorchis en zo vele andere.
Deze idylle staat in schril kontrast met de verkommerde woeste gronden, gelegen ten NO van de Metallurgie Overpelt. Bomen en struiken zijn er ten gevolge van bodem-, water-, en luchtverontreiniging atgestorven. Slechts op grote afstand van de fabriek kan het loofhout zich handhaven. In dit vergiftigde gébied, 25 ha groot, werden slechts 36 hogere plantensoorten aangetroffen. Voor 17 van deze 36 soorten vormen de beddingen van beekjes de noodzakelijke beschutting tegen de verpestende invloed van de fabriek. Even vergelijken: in de overige 1100 ha van het beschreven gebied werden 355 plantensoorten genoteerd. 89 E. Er zit een stofje in mijn oog: verontreinigingen - Inhoud Bij het overlopen van de zinkproduktie werd telkens aangegeven welke verontreinigingen kunnen vrijkomen. De belangrijkste zijn:
Al deze stoffen hebben hun eigen inwerking op plant, dier en vanzelfsprekend de mens. Voor sommigen is de invloed goed gekend, van anderen heeft men slechts een fragmentarische kennis. Heel weinig is geweten van de gelijktijdige inwerking van deze stoffen. Het nagaan van deze invloed is een buitengewoon ingewikkelde materie. Tal van faktoren en omstandigheden bepalen de aard en graad van vergiftiging van het milieu. Dezelfde kontaminant kan in twee gebieden een gewijzigd resultaat vertonen. Zo spelen koncentraties, waterbalans, windrichting, zuurtegraad en aard van de bodem, begroeiing en zovele andere elementen een bepalende rol. De tijd dat men zich kon beperken tot het meten en beïnvloeden van één of enkele vervuilende verbindingen is voorbij . Wil men een vergiftigde situatie verhelpen of het kwaad beperken, dan moet men zoveel mogelijk faktoren in rekening brengen. Het chemisch-biologisch aspekt is innig verweven met de aard der plaatselijke bebouwing en leefgewoonten en met de samenleving in haar geheel. Iedereen is afhankelijk geworden van de produktiemogelijkheden van de ander. Ingrepen in één tak van het ekonomisch bestel heeft onherroepelijk gevolgen voor al de rest. De weg van producent naar 90 verbruiker is bijzonder lang en ingewikkeld. Terwijl jaren terug, de producent zich geen zorgen maakte over de invloed van zijn bezigheden op de omgeving moet hij nu gedwongen worden wel degelijk rekening houden met biologisch-chemisch evenwicht, de noden van de samenleving en de psychologie van het individu. Men spreekt de laatste jaren van een systeembenadering. De losse onderdelen van een probleem optellen levert een som op die niet de juiste weergave is van het totale probleem. Men moet het systeem, gelijktijdig, vanuit zoveel mogelijk gezichtspunten onderzoeken. Het is voor iedereen duidelijk dat de mensheid nooit voor een grotere uitdaging is geplaatst. De slimme kop die het allemaam eens zal bekijken bestaat niet. Samenwerking tussen specialisten van verschillende opleiding, informatieverspreiding en bewustwording van alle lagen van de bevolking zijn meer dan ooit een absolute noodzaak. Laten we even trachten de invloed van de aangehaalde verbindingen op het milieu na te gaan. Zoals hoger vermeld geven de nu volgende effekten geenszins een afgerond beeld van hun werking, noch afzonderlijk noch gelijktijdig. * Zwaveldioxide (SO2) en zwaveltrioxide (SO3) Deze zwaveloxiden vormen waarschijnlijk het grootste milieuprobleem waar de mens ooit mee gekonfronteerd is. De verbranding van fossiele brandstoffen voor verwarming maar vooral bij industriële aktiviteiten en elektriciteitsopwekking is de oorzaak van de afgave van miljoenen tonnen zwavel- en stikstofoxiden in de lucht. Vooral de hoog geïndustrialiseerde gebieden in West Europa en de USA zijn de grote vervuilers. Zo produceerde Nederland in 1965 naar schatting 6000 ton zwaveldioxide. De USA zorgde in 1980 voor 24,1 miljoen ton en Canada 4,8 miljoen ton. Deze zwaveldioxiden en stikstofoxiden ondergaan een ingewikkeld chemisch proces in de dampkring. Hiervan is tot nog toe weinig of niets gekend. Wat men vaststelt is dat er een ganse reeks zuren worden gevormd die als droge deeltjes of als zure regen terug uit de dampkring neerslaan. In de vijftiger en zestiger jaren zorgden deze gasvormige afvalprodukten voor de beruchte smog, een uiterst dikke giftige 91 mist. Steden en industriezones verdwenen in een ondoorzichtige nevel waarin talrijke mensen het leven lieten. De overheid bepaalde dan maar dat de rookspuwende schouwen hoger moesten worden opgetrokken. Men hoopte alzo de giftige bestanddelen te verdunnen in de hogere luchtlagen, Inderdaad, het desastreuze effekt werd al vlug over veel grotere gebieden merkbaar. De overheersende winden worden zo transportlijnen van enorm grote hoeveelheden zuur. Zo waait de overheersende wind op het Amerikaanse kontinent vanuit de golf van Mexico over de Amerikaanse Midwest. Ongeloofelijke hoeveelheden zure bestanddelen en allerhande zware metalen worden meegevoerd. Canada dat het eindpunt vormt van deze gigantische natuurlijke smeerpijp krijgt de volle laag. Specialisten schatten dat, als er niet spoedig iets wordt ondernomen, tegen het einde van deze eeuw 48.000 meren volledig zullen verzuurd zijn. Nu reeds schat men dat 2.000 tot 4.000 meren in Ontario reeds zo zuur zijn dat er geen forel of baars meer in kan leven. Ook in Europa is er een analoge situatie. De zuidwestenwinden blazen miljoenen tonnen richting noordoost. Zweedse schoolkinderen organiseerden onlangs een brievenaktie tegen de Westduitse regering, om te protesteren tegen de zure regen, waarvan de oorsprong gelegen is o.a. in het hoog geïndustrialiseerde Ruhrgebied. Ongeveer 20% van de 100.000 Zweedse meren is reeds aangetast door het zuur. Door massale behandeling met kalk probeert men de moordende invloed tegen te gaan. Men bestempelt de regen als zuur als zijn zuurtegraad lager is dan pH = 5,6. In de bodem lost dit zure water talrijke mineralen op die essentiële voedingsbestanddelen zijn voor bomen en planten. Uiteindelijk komt deze zure oplossing - waarin zich tevens giftige metalen zoals lood, cadmium en kwik bevinden - terecht in rivieren en meertjes. Hiervan wordt het water onnatuurlijk helder en blauwig. Op de bodem vormt zich een dikke laag sponsachtig mos. Hogere en zelfs de lagere mikroörganismen sterven af. Het water is dood. De schade aan de natuur is onherstelbaar. Vanzelfsprekend heeft dit ook zware ekonomische gevolgen. Door afsterven van bomen verliest men in West-Duitsland 800 miljoen dollar en de Duitse landbouworganisaties voegen daarbij nog eens 600 miljoen dollar per j aar aan algemene landbouwschade. Niet alleen levende wezens ondergaan de schadelijke gevol- 92 gen van de zure regen. Allerhande konstrukties worden door deze in vretende regen aangetast. Alle oude historische monumenten, gebouwen, standbeelden lijden aan de zogenaamde steenkanker. Ons verleden, dat zich materialiseert in de historische monumenten, schijnt zich op te lossen in een zure mist. In West-Duitsland schat men de jaarlijkse schade op 10 miljoen dollar. In Rome verbrokkelen de oude Romeinse reliëfs op de kolom van Trajanus. Droge zuurdeeltjes dringen binnen in de luchtverversingssystemen van musea en bedreigen schilderijen en oude geschriften. * Ozon (O3) Ozon is een zuurstofvorm die in heel de dampkring in kleine hoeveelheden aanwezig is. Bij een heftig onweer kan men het ozon, dat in elektrische ontladingen kan gevormd worden ruiken. Op een hoogte van 25 km komt ozon in grotere hoeveelheden voor. Deze laag is erg belangrijk omdat zij het zonnelicht filtert van de schadelijke UV-straling. Door menselijke aktiviteiten wordt deze beschermende ozonlaag aangetast, vooral dan door het gebruik van het chloorfluormethaan dat als drijfgas wordt gebruikt in spuitbussen, koelsystemen e.a. De lozing van O3 door de industrie heeft helemaal geen positieve invloed op het herstel van deze laag, maar verhoogt de koncentraties in de lagere delen van de dampkring en hier speelt ozon een schadelijke rol. Uit onderzoekingen blijkt dat ozon giftig is door o.a. de verandering van de doordringbaarheid der celwanden. Het instituut voor scheikundig onderzoek (ISO) van het ministerie van landbouw gaat de invloed na van O3 op de fotosynthese (suikerproduktie) van planten. Hierbij is gebleken dat het blootstellen aan ozonkoncentraties van 100 tot 250 mikro- gram/m3 lucht (mikrogram is 1/miljoenste van een gram) gedurende 2 a 4 uur voldoende is om zichtbare schade aan te richten aan de gevoeligste planten. Deze koncentraties blijken in de meeste industriegebieden ruim overschreden te worden. De kwaliteit van landbouwprodukten gaat achteruit, de opbrengst vermindert (ekonomisch aspect) en de begroeiing in haar geheel wordt beschadigd (ekologisch aspect). 93 * Stikstofoxiden (NO2, NO, N2O4...) Deze zijn allen zonder uitzondering giftig. Zij spelen samen met de zwaveloxiden een hoofdrol in het ingewikkeld chemisch spel waar uiteindelijk in de hogere luchtlagen de zure regens worden gevormd. * Chloorgas (CL2) en fluor (F2) Deze verbindingen behoren tot de meest giftige en agressieve gassen. Zij zijn reeds in zeer geringe koncentraties giftig voor alle levende wezens. Het groene verstikkende chloorgas werd om die reden in de Eerste Wereldoorlog gebruikt als gifgas. Het eerste chemisch wapen. Fluor en chloor tasten onheroepelijk de ademhalingswegen aan. Reeds in kleine koncentraties zijn deze gassen schadelijk voor plantengroei: op zure zandgronden werd een sterke opbrengstvermindering vastgesteld vanaf 300 ppm F (ppm = mg/kg) * Koolstofmonoxide (Co). Dit gas komt vrij bij de verbranding van fossiele brandstoffen vooral wanneer de verbranding niet volledig kan verlopen door bijvoorbeeld een slechte zuurstofaanvoer. Het CO kan zich onomkeerbaar binden met de rode bloedkleurstof, het hemoglobine. Het carboxyhemoglobine dat alzo wordt gevormd is niet meer in staat zuurstof te binden. Bij grote koncentraties kan verstikking optreden. Koolstofidioxide (CO2) Dit verbrandingsgas komt in relatief grote hoeveelheden voor in de atmosfeer. De planten gebruiken het in hun fotosynthese, waarbij dan weer zuurstof vrijkomt. Zo bestaat er in de natuur een prachtig evenwicht tussen de dieren die CO2 als afvalgas uitademen en 02 verbruiken en planten die O2 afgeven en CO2 verbruiken. Dit evenwicht heeft ervoor gezorgd dat er voldoende O2 in de lucht aanwezig is. Menselijke invloeden kunnen zowel een positieve als een negatieve uitwerking hebben op de zuurstofbalans. Een positief effekt hebben natuurlijke of kunstmatige aanplantingen, vooral dan in een jong stadium. Door toenemend gebruik van fossiele brandstoffen wordt het 94 evenwicht O2/CO2 meer en meer verbroken. In industrielanden wordt 100 tot 175 ton per km2 meer O2 verbruikt dan er door de plantengroei wordt gevormd. Zo is de hoeveelheid CO2 in lucht de laatste halve eeuw toegenomen van 0,03% tot 0,04 %. Dit kan katostrofaal worden omdat deze toename de energieuitwisseling in de dampkring verstoort. Als het CO2-gehalte verder toeneemt kan de gemiddelde temperatuur op aarde gaan stijgen door het serre-effekt. De warmte-uitstraling wordt verhinderd. Bij een temperatuursverandering van enkele graden kunnen gedeelten van de poolkap gaan smelten wat dan weer tot gevolg heeft dat het zeeniveau met enkele meters gaat stijgen. Laag geleden gebieden zoals polders, Nederland enz... zouden onder de zeespiegel verdwijnen. * Arseenamine. Deze organische verbinding van arsenicum is uiterst gevaarlijk door zijn grote giftigheid. In deze vorm wordt het arseen gemakkelijk door het lichaam opgenomen. We verwijzen naar het medisch overzicht. * Zwavelzuurdruppels of accidentele zwavelzuurlozingen (H2S04). Dit zwavelzuur is een sterk zuur dat kan vrijkomen als nevel (deeltjes van 0,01 ^m tot 10 Mm (m™ = 1/miljoenste van een meter). Deze deeltjes gedragen zich als gas en worden verspreid in de atmosfeer. Dit gas kan dan met de neerslag uit de atmosfeer worden uitgewassen: zure regen (zie SO2 en SO3). Grotere druppels van 10 /xm en groter zullen snel naar beneden vallen en in de omgeving van de fabriek terecht komen. Het spreekt voor zich dat deze bijtende stof fatale gevolgen heeft voor de planten. In de omgeving van de fabriek dragen heel wat bladeren bruine vlekken, waarschijnlijk veroorzaakt door en zure druppel. Bij ongelukken kunnen grote hoeveelheden zwavelzuur in de omgeving terecht komen. 95 In 1981 brak bij een arbeidsongeiuk een zwavelzuurleiding. Drie arbeiders werden hierbij zwaar toegetakeld. Zo maar eventjes 60.0001. kokend gekoncentreerd zwavelzuur stroomde naar de Dommel. Massaal werd kalk (CaCo3) gestort om het zuur te neutraliseren. Ieder die ooit met zwavelzuur heeft gewerkt weet dat het hoe dan ook om een fatale ekologische ramp gaat. Op het Maas-Scheldekanaal, dat teoretisch niet had kunnen besmet worden, dobberden honderden dode vissen met de buik omhoog: gestikt door aantasting van de kieuwen. Welke schade is er aangebracht? Enkele kilometer verder stroomt de Dommel door het beschreven natuurreservaat "het Hageven". Dommelwater wordt overal gebruikt om het vee te drenken. Hoeveel jaar duurt het voor het milieu terug zijn evenwicht heeft bereikt, in de veronderstelling dat het de kans krijgt om een evenwicht te bereiken? *, Afvalwaters. Dit water wordt geneutraliseerd door kalktoevoeging en naar bezinkingsbekkens geleid. Het slib dat alzo kan worden afgescheiden bedraagt voor de Vieille Montagne: 2.000 ton/jaar decantatiebekken uitgang afkoelwateraters. samenstelling: 12,7% Ca, 15,5% SiO2,10,6% Fe, 8,7% Zn, 4,5%Pb, 0,4% As, 0,14% Cd, 0,34% Sn, 0,23% Cu. 1.500 ton/jaar afvalwaterslib gaszuiveringsinstallatie: samenstelling: ± 4% Zn, 0,6% As, 0,15% Pb, 0,6% Cd, 0,5% Fe. Deze gegevens zijn afkomstig uit het inlichtingsformulier in verband met mogelijke hinder voor de omgeving door de vestiging van opslagplaatsen voor afvalstoffen. Hetzelfde inlichtingsformulier stelt in bijlage 3 oplossingen voor die zijn voorzien voor deze afvalstoffen. Wij citeren: 1. slib voortkomende van de decantatiebakken uitgang afkoelwateraters : wordt in open lucht op onze terreinen opgestapeld en na droging uitgespreid. 2. slib van de neutralisatieinstallatie van afvalwaters van de gaszuiveringsinstallatie: wordt in open lucht op onze terreinen opgestapeld en na droging uitgespreid. Veel verbeelding is er niet nodig om te beseffen dat deze rotzooi door wind en neerslag in de omgeving kan verspreid worden. 96 In Budel, de enige plaats in Nederland waar zinkfabrieken staan, zou een verhoogde kankersterfte waargenomen zijn. De oorzaak zou het kankerverwekkende arseen kunnen zijn De overige aangehaalde vaste verontreinigingen bevatten of zijn zware metalen. De laatste jaren is hun invloed op de planten sterk onderzocht door verschillende onderzoekers en instituten. Wij zullen van deze studies dankbaar gebruik maken om een overzichtelijk beeld te schetsen van de inwerking van deze zware metalen op het milieu. Deze non-ferrometalen hebben een fytotoxische invloed (d.i. giftig voor planten). Gevolg hiervan is een verminderde opbrengst. Doordat deze planten metalen opnemen en opstapelen in hun weefsel kunnen ze in mens of dier terecht komen. De komplexiteit van heel de kringloop van deze metalen komt duidelijk tot uiting in het volgende schema 97
a) Verontreiniging van planten met zware metalen. Tal van faktoren kunnen verantwoordelijk zijn voor de aanwezigheid van zware metalen in het milieu. Plantaardig materiaal uit gebieden met een normale belasting bevatten eveneens zeer kleine koncentraties die erg afhankelijk zijn van de onderzochte plant. Normale koncentraties voor gras (12)(mg/kg droge stof)
De opname van zware metalen door de plant is natuurlijk afhankelijk van het aanbod, maar ook van het groeistadium, de 98 zuurtegraad van de bodem, het fosfaatgehalte, het gehalte organisch materiaal enz...
Analyse van groenten geteeld in de nabijheid van een metaalverwerkend bedrijf
Maïs a. referentiemonsters afkomstig uit een gebied met normale belasting b. bemonstering in de Z.O-richting van een emissiebron op een afstand van ongeveer 2000 a 2500 m 99
Al deze metalen hebben in mindere of meerdere mate een fytotoxische werking, d.w.z. belemmeren de groei en ontwikkeling van de plant.
Lood, zink en cadmium kunnen in relatief grote hoeveelheden in ogenschijnlijk gezond plantaardig materiaal aanwezig zijn. Dit is van grote betekenis voor voeder- en voedselgewassen. Normen voor voedsel
Zink en koper zijn minder gevaarlijk omdat bij de aangegeven koncentraties de planten reeds in die mate beschadigd zijn dat 100 ze niet meer als voedsel dienstig zijn. Vooral lood en cadmium zijn gevaarlijk. Zij zijn buitengewoon giftig voor mens of dier en worden in de planten gemakkelijk opgestapeld zonder zichtbare schade (let op de lage aanvaardbare koncentratie). De aangehaalde cijfers moeten toch toegelicht worden. Het gaat hier om metalen die door de plant zijn opgenomen in het weefsel. De belangrijkste besmetting zal echter gebeuren door stof dat zich op de buitenwand afzet. Hierdoor kan de aanwezige hoeveelheid zware metalen veel groter zijn. Wassen van groenten heeft hier dus een gunstig effekt. Vanzelfsprekend zal iemand die in de non-ferroindustrie werkt of op drukke verkeersaders vertoeft (lood uit benzine) de normale dagelijkse opname reeds overschreden hebben en zou de aanvaardbare koncentratie in de groenten veel lager moeten liggen. De hoeveelheid zware metalen die opgenomen wordt in de plant is sterk afhankelijk van de aard van de plant. Knolgewassen en fruit stapelen minder zware metalen op terwijl bladgroenten en zeker maïs dit zeer sterk doen. Tuinieren in de nabijheid van de non-ferrofabrieken blijkt dus niet de ideale bezigheid. Alhoewel het afgeraden wordt aan de omwonenden liggen zowel onder de schouw van de MHO als van de Vieille Montagne grote landbouwuitbatingen. Uitgestrekte maïsvelden liggen ten NO van de Vieille Montagne. De maïsplant blijkt nu juist bij uitstek grote hoeveelheden zink in het weefsel op te stapelen. Onderzoeken van het L.U.C. hebben ongelooflijk hoge koncentraties zink in het weefsel van deze maïs vastgesteld. Vee dat verontreinigd voedsel verobert zal bij hoge koncentratie ziekteverschijnselen vertonen, maar ook bij veel lagere hoeveelheden zal de produktie lager liggen. Dit is zeker het geval voor lood, koper en cadmium. Bij deze vergiftigde dieren kunnen verhoogde metaalkoncentraties voorkomen in de melk. Alzo komt dus weer het ekonomische aspect aan de orde. Door gebrek aan belangstelling, zo zuinig mogelijke milieuïnvesteringen of technische onkunde wordt de omgeving besmet. Hierdoor daalt het rendement van de omliggende gebieden tot minimale waarden. Uit de volgende grafiek blijkt nog eens heel duidelijk dat de groei en opbrengst zal gestoord worden door te hoge zinkhoeveelheden in de bodem. 101
Uit het verloop van de bovenstaande kurve blijkt dat zink nodig is en dat de bewuste plant maximaal groeit bij een koncentratie van 200 mg/kg zink in het blad. Bij grotere hoeveelheden zink gaat de groei zeer sterk achteruit. De oorzaak ligt o.a. in een verminderde omzetting van zonne-energie in de plant.
b) ITAI - ITAI EN MINAMA TA. Deze twee Japanse namen beduiden twee verschrikkelijke ziekten te wijten aan intoxikatie met zware metalen. Itaï-Itaï is de naam voor acute cadmiumvergiftiging, terwijl miniamata de gruwelijke vergiftiging is door kwik. Minamata was een idyllisch vissersdorpje aan een van de vele Japanse zeeïnhammen. Het begon allemaal met katten die, dol van ontzettende pijnen, zichzelf verdronken in de baai. Het duurde niet lang of de mensen waren aan de beurt. Sommige stierven, anderen kregen verlammingsverschijnselen. Mannen en vrouwen werden te slap en te moe om nog één enkele beweging uit te voeren. Kinderen werden dood of vreselijk misvormd geboren. Oorzaak: de kwikverbindingen die geloosd werden door een verderop gelegen verffabriek hadden zich opgestapeld in de schelpdieren van de baai, het hoofdvoedsel der bewoners van Minamata. Onder alle zware metalen is kwik zeker het gevaarlijkste en dit om twee redenen: het is enorm giftig en het stapelt zich gemakkelijk op in het weefsel van planten of dieren. Kwikmetaal - mogelijk herinnert U zich nog de met kwik ingespoten sinaasappelen - is op zichzelf niet schadelijk. De dampen of de verbindingen van kwik zijn dit wel. Vooral dan de organokwikverbindingen zijn zeer schadelijk (methyl- of ethylkwik). Nu blijkt echter dat het kwik dat in het milieu terecht komt gemakkelijk door mikro-organismen in de gevaarlijke methyl- of ethylvorm gebracht kan worden. Hogere dieren kunnen deze kwikverbindingen gemakkelijk opstapelen: vis kan een koncentratie kwik opstapelen die 1.000 tot 50.000 keer groter is dan in het milieu. Ook in de waterlopen kan het kwik zich opstapelen. Het blijkt zich zeer gemakkelijk vast te hechten aan zwevende deeltjes in het water. Bij bezinken ontstaat zo een slib dat zeer rijk kan zijn aan kwikverbindingen. In lage koncentraties blijkt kwik een groeiremmend effect te hebben vooral in het kiemstadium. Als er een hoeveelheid van lOppm in de bodem aanwezig is dan wordt er een aanzienlijke hoeveelheid kwik in de plant opgenomen. 103 F. Situatie in Noord-Limburg. - Inhoud Cijfermateriaal, metingen en grafieken betreffende het bestudeerd gebied zijn er in overvloed. De instellingen die in de Noorder-Kempen gesnuffeld hebben zijn: Limburgse Universitaire Campus (L.U.C.), het Ministerie van Landbouw, het Ministerie van Volksgezondheid (I.H.E.: Instituut voor Hygiëne en Epidemologie), het Centrum voor Bosbiologisch onderzoek en het Limburgs Studiecentrum voor toegepaste Ekologie (L.I.S.E.C.), Bodemkundige Dienst van België o.l.v. Prof. Piot en het Studiecentrum voor kernenergie te Mol (SCK), en de fak. voor landbouwwet o.l.v. prof. Cotteny Universiteit Gent. Naast de metingen van deze officiële instanties en instituten moeten er nog talloze gegevens opgetekend zijn door de industrieën zelf, maar deze laatsten, zeker de belangrijkste, zijn vanzelfsprekend geheim. Cijfers, metingen, gemiddelden en korrelaties worden berekend. Resultaten worden door computers verwerkt, omgekeerd en vermalen. Maar waar blijven de interpretaties? Gevolgtrekkingen komen zelden aan bod. Samenwerking tussen de aangehaalde studiecentra is er niet of nauwelijks. Dit laatste blijkt heel sterk uit het antwoord van een scheikundige verbonden aan het IHE op de vraag of er wetenschappelijke samenwerking betaat tussen de ministeries van Landbouw en van Volksgezondheid: "Van samenwerking tussen Ministeris heb ik nooit gehoord en wat er met onze meetresultaten gebeurt weet ik niet. Onze taak is te meten en deze metingen vrij te geven". Meten, interpreteren en remediëren zijn drie faktoren die onverbrekelijk samenhoren. Zonder de interpretatie en de remediëring is het meten natuurlijk zinloos. Nochtans blijken deze twee essentiële elementen niet of nauwelijks aan bod te komen. Waarom? Heeft men onvoldoende kennis of ontbreekt de wil op politiek of wetenschappelijk niveau? Zonder twijfel is het meten, - hoe ingewikkeld en ingenieus de nodige apparatuur ook is - nog de meest eenvoudige stap. Zij beperkt zich immers tot een welbepaald onderdeeltje. De interpretatie en nog meer de remediëring vergt echter de reeds vermelde systeembenadering en vraagt dus niet alleen kennis maar vooral samenwerking tussen drie machten: de politieke, de 104 ekonomische en de wetenschappelijke. Het zal voor iedereen duidelijk zijn dat de belangen hier dikwijls niet samenvallen en zelfs tegenstrijdig zijn. Cijfers en metingen zijn er voldoende. Zij worden gepubliceerd, iedereen kan er in snuffelen. Toch zijn zij meestal slechts in beperkte oplage vrijgegeven en in een vorm die enkel voor specialisten toegankelijk is. Het gaat dus hier zeker niet om een informatieverstrekking aan de mensen die er het meeste belang bij hebben; de omwonenden en de arbeiders. Specialistenwerk voor en door specialisten. Politici laten zich inlichten maar missen de nodige kennis om strijdbaar te durven optreden en werpen zich op meer eenvoudige modellen zoals ekonomische groei van de streek, tewerkstelling e.a. Industriëlen bespelen deze gevoelige snaartjes handig ter ere en glorie van nog meer profijt. In wat volgt zal getracht worden de situatie in Lommel- Overpelt, Balen en Neerpelt te beschrijven aan de hand van het cijfermateriaal bekomen van de vermelde instituten en door een beroep te doen op een ruime dosis gezond verstand. Geen gemakkelijke opgave. Er zijn niet alleen de verschillende bronnen van vervuiling (Overpelt-fabrieken MHO, Vieille Montagne, Philips en afgebroken Lommel-fabrieken), maar er zijn tevens verschillende ekotopen: grond, water en lucht. Deze staan nauw in relatie met elkaar. Bovendien zijn er de verschillende metalen die afzonderlijk gemeten worden maar juist in hun samen aanwezig zijn met de andere, hun effekt op het milieu verkrijgen. Wat bij iedere poging tot beoordeling ontbreekt is een absoluut kriterium, de norm die bepaalt hoe schadelijk of aanvaardbaar een bepaalde faktor eigenlijk is. Afwezig is dus het basisgegeven waarop een betoog kan opgebouwd worden en dat aan de analyse een onbetwistbaar karakter geeft. Weliswaar bestaan er normen, maar deze verschillen naargelang het land, naargelang de bron en deze worden meestal dan nog betwist door specialisten die ze te streng of te laag vinden, anderen beoordelen ze te ruim en te hoog. Ze missen ieder absoluut karakter daar men meestal vaststelt dat ze in de tijd veranderen. Wat echter opvalt is dat deze kriteria meestal strenger en strenger worden. Niet-vakmensen, waaronder arbeiders, inwoners of zelfs politici hanteren dan nog hun eigen subjektieve normen. Dramatisch wordt het als politici hun besluitvorming baseren op het al dan niet aanwezig zijn van kikkers of - nog sterker - op 105 het aantal gouden bruiloften in het gehucht gelegen in de nabijheid van de fabriek..... _b ril a) Luchtbezoedeling Door allerhande bewerkingen in de fabriek komen gassen vrij die al of niet door de schouw worden geloosd. Voor een deel bestaan deze gassen uit metaalverbindingen. Bij het verwerken (lossen, transport, malen...) van de ertsen wordt er stof gevormd dat door de wind kan meegevoerd worden. Het opslaan van metaalhoudend afval (Goethite) kan risikodragend zijn door de stofvorming. Zowel rond de MHO als rond de VM werden metingen uitgevoerd. Voor de periode 1970-1975 werd èen studie uitgevoerd door Hr. Delen. Deze studie spitste zich toe op de Vieille Montagne. Vaststellingen: * Vrijkomend zinksulfaat bij de koeling van de elektrolyse-oplossing: 2.790 kg./uur. * Zn-stof vrijkomend bij het omsmelten van het zink afgezet bij de elektrolyse: 2.152 kg./uur. * Zn-stof vrijkomend bij het malen van de zinkkras: 2.267 kg./uur. Alleen al voor deze drie produktiestappen komt dus 6.109 kg. zink of zinkverbinding per uur vrij. Per jaar betekent dit de ongelooflijke hoeveelheid van 53.514.840 kg. of 53.515 ton. Benadrukt moet worden dat het hier gaat om waarden gemeten bij normale produktie. In uitzonderlijke omstandigheden kunnen er echter sterk afwijkende piekwaarden worden vastgesteld. De belangrijkste bron van luchtvervuiling met zware metalen is echter het laden en lossen en het opslaan van de vermalen ertsen in open lucht. De wind heeft vrij spel en voert grote hoeveelheden met zich mee. Dit geldt natuurlijk ook voor de andere materialen (afval) die op de fabrieksterreinen worden uitgespreid. Zie het reeds vermelde "inlichtingsformulier in verband met mogelijke hinder voor de omgeving door de vestiging van opslagplaatsen voor afvalstoffen" opgesteld door de Vieille Montagne zelf. . i .. 106 Voorziene oplossingen: slib en decantiebekkens slib der neutralisatieïnstallatie van afvalwaters: wordt in open lucht op onze terreinen opgestapeld en na droging uitgespreid. In een studie uitgevoerd door LISEC (1979) staat vermeld dat in het gebied gelegen ten N.O. van de MHO per jaarop iedere hektare 2.070 kg. zink en 53.8 kg. cadmium terecht komt. Als oorzaak wordt ook hier vooral het opslaan en verwerken der ertsen opgegeven (LISEC jaarverslag 1979-1980 blz. 21.) Het Instituut voor Hygiëne en Epidemologie heeft zowel in de nabijheid van de Vieille Montagne (station OLOMO 1 Pauwelstraat) als in de omgeving van MHO (station OOVPO 1 Tussenstraat Neerpelt) een automatisch meetstation. Beide zijn in gebruik genomen in de loop van 1980 en meten de aanwezigheid van een ganse reeks metalen. Het jaargemiddelde (AV) en de maximum gemeten waarde zijn in de onderstaande tabel weergegeven. Men kan ze vergelijken met normen die in het EPA-rapport zijn aangegeven.
In het betreffende IHE-rapport werd de toestand beschreven als 't volgt: "In Lommel wordt een lichte koperpollutie waargenomen Een hoge zinkpollutie (jaargemiddelde 1/ug/ m3) vindt men ook in Lommel en Overpelt." Wij voegen er aan toe dat de gemeten maximumwaarde voor lood (3,33/ug/m3) de EEG-norm (2/ug/m3) ruimschoots overschrijdt. 107 Opvallend is ook dat universele normen ontbreken. Sommige landen hebben, waarschijnlijk uitgaande van één of andere binnenlandse situatie een norm vooropgesteld. Waarop zijn dan deze normen gebaseerd? Mag hun betrouwbaarheid niet in twijfel getrokken worden als men vaststelt dat bijvoorbeeld de norm voor lood in Canada dertig maal hoger wordt vastgelegd dan in Polen? Niet alleen echter de bedrijven in volle produktie leveren een voortdurende belasting op. Zo werd het oude zink- en zwavelzuurfabriek van Lommel wel afgebroken, maar wat achtergebleven is, is een uitgestrekte dorre grauwe woestenij, bedekt met afval van de vroegere fabriek. De grond is er ongelooflijk sterk verontreinigd met zware metalen. Iedere vegetatie is er praktisch onmogelijk. Verwonderlijk is het dan ook niet dat de wind, door niets gehinderd op deze kale vlakte, grote hoeveelheden metaalhoudend stof kan meevoeren. Vermits het hier niet meer gaat om een strikt gelokaliseerde vervuilingsbron is de kontrole ervan uiterst moeilijk, zoniet onmogelijk. 108 b) Bodemverontreiniging. Zoals blijkt uit de cijfers aangehaald in het vorige paragraafje komen zeer grote hoeveelheden zware metalen in de bodem terecht. De grootste hoeveelheid is afkomstig van stof of afval. Vermits het hier gaat over zware deeltjes, zal de grootste hoeveelheid terecht komen in de onmiddellijke omgeving van de fabriek. Weinig metaalhoudend stof zal door de wind meegevoerd kunnen worden verder dan 5 km. Eenmaal in de bodem zal het metaal zich kunnen opstapelen, door planten en dieren opgenomen worden of door neerslagwater uitgewassen worden.
In het IHE-rapport van 1982 staan een aantal analyses van bodemstalen aangegeven. Wij citeren: "De twee meest verontreinigde kernen in deze provincie (Limburg) situeren zich in Balen en in Overpelt telkens rond een non-ferrometaalbedrijf. (MHO en VM n.v.d.r.) Zowel Cd, Zn, Hg, Pb, als Cu-vervuiling komen in zeer grote mate voor. Een matige kontaminatie voor Ag en Sn kan eveneens vastgesteld worden. Daarnaast is de bodem licht aangerijkt met Co en Ni. In Overpelt is de bodem vooral vervuild door Zn en Cd en in mindere mate met Pb, Cu en Hg. Verder werd voor Ag een zwakke verontreiniging waargenomen. De bemonsteringsplaatsen tussen beide kernen (n.v.d.r. Lommel) zijn zwak tot matig gekontamineerd met Cu, Cd, Pb, Zn. Dit is te wijten aan een nu niet meer werkende zinkfabriek en waarschijnlijk ook aan wat over een langere afstand vanuit Balen getransporteerd wordt". Bijgevoegde kaartjes en tabellen geven een overzicht van deze meetwaarden. 109 Afstand (in hm) van drie emissiebronnen en koncentraties (ppm) van Zn, Cu, Pb en Cd van de bemonsterde horizonten.
hoeveelheid zink- en cadiumbalans in de bodem binnen de invloedssfeer van een non-ferrobedrijf (Overpelt, Heide a/d fabriek)
110
111 SITUERING VAN DE BEMONSTERINGSPLAATSEN IN LIMBURG
112 LOODGEHALTE IN DE BODEM
ZINKGEHALTE IN DE BODEM
113 CADMIUMGEHALTE IN DE BODEM
114 KÓPERGEHALTE IN DE BODEM
KWIKGEHALTE IN DE BODEM
115 Het effekt op de omgeving van de zware metalen verwerkende nijverheid is verschrikkelijk. Dor en grauw poogt de plantengroei hier en daar stand te houden. Waar iedere vegetatie onmogelijk is geworden blijft nog wat verdroogde humus over. Deze voelt dor en gefossiliseerd aan, zelfs een min of meer normale bakteriënflora is blijkbaar niet meer aanwezig. De zandgronden vormen op zichzelf al een harde dobber om in te overleven: zeer onstabiele waterhuishoudinng, minerale armoede en zeer grote temperatuurschommelingen (laagst waargenomen temperatuur -24°C en een maximum van 38,7°C) Er is dan ook niet veel voor nodig om het broze evenwicht te verstoren. Zowel bij de afgebroken fabriek te Lommel (Maatheide) als bij Overpelt-fabriek is er zandverstuiving merkbaar. Niets kan de bodem nog vasthouden en de kale zanderige plekken liggen er eerst als lidtekens bij waarna deze plekken zich aaneensluiten tot één troosteloze zandvlakte. Het "mooiste" voorbeeld hiervan is de Lommelse Sahara, gelegen op 4 km. ten N.O. van Maatheide. Zandverstuiving dringt steeds dieper door in de dennenbossen. Dennen van 10 m. hoog worden tot aan de kruin onder het zand bedolven. Uit luchtfoto's (14) van de oude zinkfabriek op de Hoge Maatheide te Lommel blijkt duidelijk hoe deze zandverstuiving onhoudbaar oprukt in noordoostelijke richting. Nadat deze fabriek in 1904 in produktie werden genomen, werden de eerste stuifzanden gesignaleerd in 1910. In 1934 laat de fabriek de ontstane zandvlakte ten noorden van de fabriek bedekken met huishoudelijk afval. Getuige daarvan zijn nu nog de glasscherven, flessen en allerhande rommel die men over honderden hektaren terugvindt. In 1942 had de vlakte zich al uitgebreid tot 350 ha, waarvan de fabriek slechts 160 ha in eigendom had. In 1948 en 1960 wordt opnieuw afval uitgespreid en beplantingen uitgevoerd met grassoorten, berken en dennen. Windschermen bestaande uit rechtopstaande takkenbossen werden opgesteld. Uit de luchtfoto's kan men opmaken dat tegen de jaren zeventig er zich weer een zandvlakte had gevormd in noordoostelijke richting. In 1970 trachtte de fabriek het stuifzand nog in te dammen door een aantal wallen op te werpen ten noorden van de fabriek. Ongelooflijke ironie want de opgehoogde wallen bestonden uit....zinkafval! 116 UITBREIDING VAN DE ONBEGROEIDE ZONE ROND DE ZINKFABRIEK TE LOMMEL, GESCHAT OP LUCHTFOTO'S VANAF 1952.
VEGETATIE ROND DE VOORMALIGE ZINKFABRIEK OP DE HOGE MAATHEIDE TE LOMMEL.
118 Uit de vegetatiestudie uitgevoerd door J. Bosselaers en C. Cardinaels blijkt duidelijk de plantenarmoede van het gebied. Wat grassoorten, enkele berkenhagen en verschraalde vlierstruiken houden hier en daar stand. Opvallend is wel de zinkweerstand van het gewoon struisgras (agrostis tenuis) dat het niet kan houden op de kale en zeer sterk verontreinigde gronden (500-25.000 mg/kg Zn) maar duidelijk aangepast is aan koncentraties van 500-300 mg/kg). Bij lagere zinkkoncentraties moet dit struisgras in kompetitie gaan met andere grassoorten en uiteindelijk moet het de strijd opgeven tegen de taaie bochtige smele (0-300 mg Zn/kg.) De aanwezigheid van het struisgras kan dus een belangrijke bioïndicator zijn die hogere koncentraties van zware metalen aanwijst. Het is zeer moeilijk een juist beelt te krijgen van de vervuilde gebieden en de omvang van de vervuiling. Voor de Hoge Maatheide is dit mogelijk omdat de oude fabriek verdwenen is en het terrein vrij toegankelijk. De overige zijn echter strikt ontoegankelijk omdat het fabrieksgronden zijn. Geen enkele gemeentelijke overheid kan de soevereine rechten van de fabriek doorbreken. Op haar terrein doet ze om zo te zeggen wat ze wil. De overheid mag aan de afsluiting wel wat snuffelen. Welke "accidenten" gebeuren er, wat en hoeveel wordt er op de afvalbergen gestort. Vrachtwagens rijden op en aan, kranen lossen de ertsen, bulldozers duwen ladingen op hopen. Alles gebeurt onder het opwaaien van stofwolken. Stof dat ingeademd wordt door de arbeiders en dat verder uitwaait over de omgeving. Op luchtfoto's van MHO ziet men duidelijk het rode Goethite-spoor (Goethite = metaalhoudend afval van de zinkproduktie, zie eerder) slingeren door de fabriek. Goethite wordt opgeslagen in bekkens (en waarschijnlijk elders) die aan zeer strikte normen zouden moeten voldoen. De bedekkingslagen van de bodem en wanden van deze bekkens zijn zeker niet bestand tegen de jarenlange wisselwerking met de zure giftige afval die er met tonnen wordt gestort. Ook hiér kan de wind grote hoeveelheden met zich mee voeren en verspreiden over de omliggende gebieden, zoals het waardevolle natuurreservaat "Hageven" dat slechts op enkele honderden meters van zo'n reusachtige Goethiteput is gelegen. Vogels die op het open stort met tientallen dood werden aangetroffen worden nu op de vlucht gejaagd met knallen: een druppel op een heetgloeiende plaat. De meest winstgevende wijze om van de afval af te geraken 119 is natuurlijk deze te koop aanbieden. Tonnen en tonnen slakken en andere sterk verontreinigde afval zijn zo gebruikt om assewegen aan te leggen. Engelsen gebruikten deze afval na de oorlog om de beschadigde wegen te herstellen en in de jaren zeventig was de ganse slakkenberg van de af te breken fabriek te Lommel verkocht, vooral aan Nederlandse ondernemingen. Overal in de Noorder-Kempen vindt men deze grauwe stofferige assewegen. Alzo worden de verontreinigende materialen over grote gebieden verspreid. Door de bodemkundige dienst van prof. Piot te Leuven werd de sterke verontreinigende invloed van deze asse vastgesteld. Tijdens een onderzoek van begroeiing op de zogenaamde mineraalarme Kempense zandgrond werden extreem hoge metaalkoncentraties waargenomen. De oorzaak? Nabijgelegen assewegen veroorzaakt zware pollutie vooral wat het sterk fytotoxische koper betreft. Reeds in het begin van de jaren '60 werd door de dienst het Lommelse gemeentebestuur op de hoogte gebracht. Resultaat: een stofferig dossier in één of andere lade. Mocht de bevolking niet verontrust worden? Ontbrak het aan politieke belangstelling? Was men te beste vriendjes met de metaalnijverheid? Hoe dan ook... deze toestand duurt onverminderd voort. Blauwe kristallen van koperzouten tekenen zich duidelijk af op de gestolde lava-achtige metaalslakken. In een eindeloze herhaling van oplossen en kristallizeren wordt het milieu verder vergiftigd. c) Waterbezoedeling. Van de land-, lucht- en waterbezoedeling met zware metalen en hun verbindingen is deze laatste zeker de meest belangrijke. Langs het water komen deze schadelijke stoffen in de biologische kringloop. Wortels zuigen het vergiftigde water op, waarna de schadelijke bestanddelen langsheen de plantensappen hun vernietigende werking op de weefsels kunnen aanvangen. Eenmaal door planten opneembaar, dringen deze metalen vanzelfsprekend in onze eigen voedselketen door. Vervuiling van oppervlaktewaters is dramatisch omdat zo de schadelijke elementen enerzijds over grote gebieden kunnen worden verspreid maar anderzijds ook op een relatief grote afstand van de vervuilingsbron opnieuw kunnen gekoncentreerd worden in het rivierslib. Kwik is hiervan het school- 120 voorbeeld. Kwik dat in het milieu terecht komt wordt al vlug door allerhande bakteriële en andere mechanismen omgezet in alkyl-kwikverbindingen die de meest toxische zijn en gemakkelijk door het organisme worden opgestapeld, (nieren, lever, hartspieren, hersenen). Zeer kleine koncentraties in het milieu zijn reeds gevaarlijk omdat het element gemakkelijk -bijvoorbeeld door vis en schaaldieren- gekoncentreerd wordt. In dit verband zijn metingen van het Netewater verontrustend. De Nete behoort tot het scheldestuarium; de bovenloop wordt gevormd door tal van beekjes die ontspringen in de zone Eksel - Lommel - Balen - Mol. De Vieille Montagne ligt daar midden in. Voorkomen van kwik in rivierslib (/xg/kg droge stof)
Ook zijn (cfr. IHE-rapport 1982) hogere kwikkoncentraties vastgesteld in bodem en waterananlyses rond het fabrieksstort van de MHO. Onvoorstelbaar toch, omdat de meetpunten gelegen zijn op nauwelijks vijftig meter van een druk bewoonde woonkern (Lommel-Barrier). De vergiftiging van grondwater is erg onberekenbaar omdat allerhande moeilijk te voorspellen doorsijpelingen en ondergrondse stromingen de resultaten vertroebelen. Zo worden enkele diepboringen uitgevoerd (200 m. diep) langsheen het Maas-Schelde-kanaal te Lommel. De bedoeling hiervan is in de drinkwatervoorziening van de streek en de stad Antwerpen te voorzien. Welnu, uit de analyse van dit water bleek een te hoge ijzer- en arseen koncentratie. Als verklaring wordt gegeven : de vervuiling met arseen is te wijten aan vervuilende invloeden van het Leuvense industriebekken. De waterlagen die in Lommel diep onder de grond liggen, zouden daar kontakt hebben met de oppervlakte. Een hopeloze niet te verhelpen situatie?! En toch, heeft men niets over het hoofd gezien? Waar haalt men deze simpele verklaring vandaan en vanwaar 121 de stellige zekerheid? De metaalfabrieken (VM, MHO en Bu-del (NL)) produceerden vroeger, in de tijd dat Zn nog langs droge weg werd geproduceerd, tonnen en tonnen calciumarsenaat. Dit is een giftig nevenprodukt dat werd gebruikt als insekticide. Alhoewel het nu niet meer wordt geproduceerd geeft de VM toch toe dat nog 12.500 ton calciumarsenaat op de fabrieksterreinen worden opgeslagen. 122
Deze enorme hoeveelheid hoogst giftig materiaal ligt opgelagen in de kelders van een oude fabrieksruïne en in een aantal betonnen niet afgedekte bakken. Dat het om giftig spul gaat blijkt duidelijk uit de talrijke duivenkadavers die overal in de open kelders verspreid liggen. Deze grijze poedermassa zou 18% arseen bevatten. Ironisch genoeg is heel de stortingsplaats omgeven met vij- 123 vers en kanalen en staan enkele lege betonnen bakken half vol met grondwater. Het element arseen is met de verandering van produktieprocédé van ovens naar elektrolyse natuurlijk niet uit de mineralen verdwenen. Het moet dus als afval ergens worden teruggevonden. Inderdaad, in het roodbruine Goethite dat in enorme hoeveelheden als afval wordt geproduceerd wordt arseen aangetroffen. VM bestaande voorraad Goethite 3300 ton£ VM slib der afvalwaters 2.000 ton/jaar Dit betekent een jaarproduktie van niet-rekupereerbaar arseen van 197 tof), te storten op de fabrieksgronden. Belangrijk in dit verband zijn de IHE-bodemanalyses (18) afkomstig uit het naburige Eksel. Grondwater en oppervlaktewater wordt uit deze zone afgevoerd door de Grote Nete richting Balen. Welnu, in dit grondgebied werden verhoogde arseenkoncentraties waargenomen.
Zeker in de omgeving van de Maatheide (de vroegere vestiging van de MHO Lommel, ondertussen afgebroken) is het grondwater voor konsumptie volkomen ongeschikt. Het water sijpelt er immers langzaam door de sterk verontreinigde gronden en het desastreuze resultaat blijkt uit de volgende verontrustende cijfers. 124
Door het IHE, dat deze metingen uitvoerde in 1980, werden zo 18 van de 19 putwaters als agressief bestempeld. Deze cijfers werden niet vrijgegeven omdat de monstername niet aan geijkte normen voldeed. Hoe dan ook zijn deze cijfers, alhoewel waarschijnlijk aanvechtbaar, toch erg alarmerend omdat het hier metingen betreft genomen in de woonsfeer van de bevolking. Zeer hoge koncentraties van allerhande zware metalen, maar vooraal van het zeer giftige cadmium, werden tevens gemeten in het "Macheltje" een vijvertje gelegen dichtbij het hoger vermelde oude fabrieksterrein. Een vissersklub haalt hier haar hart op, de leden wedijveren om de meeste vissen boven te halen. De reeds extreem hoge koncentraties in het water worden dan nog eens verveelvoudigd door koncentratie in het vissenweefsel. Hoe zit dat met de verantwoordelijkheid van de overheid die zo iets toelaat??
De oppervlakte-waters in de zone Lommel-Overpelt-Balen kunnen er nog mee door. Alhoewel de Dommel, de Nete, de Holvenloop enz.... verre van zuiver te noemen zijn, blijkt de toestand niet zo dramatisch te zijn. Enkele metingen
125
In het uiterst waardevolle natuurgebied "Het Hageven" wordt de vergiftigende invloed merkbaar. Het gaat hier om vennen met stilstaand water. Afvoer is er niet en akkumulatie over langere periodes is mogelijk. Vermits er geen verbinding met grondwater of stromend water is, moeten de aanwezige metalen van neerslag uit de atmosfeer afkomstig zijn. Op enkele km. ten N.O. van de MHO gelegen, krijgen zij de volle laag. In de "Natuurwetenschappelijke Evaluatie van het Hageven" (LISEC) vindt men de volgende meetresultaten. metingen uitgevoerd op 24.09.1975
Dezelfde studie vermeldt: Een gehalte van 1 mg. zink/1 resulteert reeds in een afbraakremming met 17% van organisch materiaal. De bakteriënflora wordt sterk aangetast waardoor de eigen zuiveringskapaciteit van het water sterk afneemt. Bij koncentraties van 0,9-2,1 mg/ 1 treedt er een vissterfte (zonnebaars) op van 50%. Sedert enkele jaren verwerkt een waterzuiveringsstation het huishoudelijk afvalwater van de gemeente Lommel en het industrieel afvalwater van de Maatheide (Teepak, Prefrite). Beide afvalwaters zorgen ongeveer voor 50% van de belasting 126 van de waterzuiveringsinstallatie. De zuivering zelf gebeurt door "de aktief-slib" methode. Door bezinking en bakteriële afbraak wordt het water gezuiverd. Blijven achter grote hoeveelheden slib die erg rijk zijn aan organisch materiaal en mineralen. Heel wat onderzoek wordt gedaan omtrent de bruikbaarheid van dit slib als meststof. Wat is de samenstelling? In de onderstaande resultaten wordt een vergelijking gemaakt met een waterzuiveringsinstallatie die dicht genoeg bij ligt opdat vergelijking mogelijk zou zijn nl. Bocholt.
Jaarverslag LISEC 1979. Uit de vergelijking van de twee zuiveringsstations - Lommel en Overpelt - met dit v. Bocholt blijkt duidelijk de vergiftiging met zware metalen. Benadrukt moet worden dat in het zuiveringsstation van Lommel geen afvalwater van metaalverwerkende industrie wordt behandeld. Het aanwezige metaal moet dus afkomstig zijn door uitwassing uit de bodem (Maatheide). Het is dus volstrekt onmogelijk dit slib als meststof te gebruiken. Temeer omdat bij besmeting van zandgronden, de beweeglijkheid en dus de opneembaarheid door de planten van deze zware metalen zeer sterk toeneemt onder invloed van het zure karakter van deze gronden. Wat wordt er dan gedaan met dit slib? De dure drooginstallatie kan dus niet gebruikt worden en blijkt een grote geldverspilling. Het giftige - zowel door zware metalen als door bakteriënflora-afval wordt dan maar naar het gemeentelijk stort gebracht. Voor Lommel gelegen aan de rand van het industrieterrein "De Maatheide". De cyclus is dus rond. 127
2) ANDERE POLLUENTEN. - Inhoud Het is vanzelfsprekend dat dergelijke mastodontfabrieken niet alleen zware metalen in de omgeving brengen. Vooral de buurtbewoners zullen u weten te vertellen hoe de verf der huizen, de metalen delen van de huizen, de was, zeer vlug worden aangetast. De glans van nieuwe wagens verdoft op zeer korte tijd. Alles wat wit zou moeten zijn is al heel vlug grijs door roetneerslag. Witte rook welt uit de reusachtige schoorstenen en allerhande dampen komen uit grotere en kleinere schouwen. Op sommige heldere, koude winterdagen reikt een enorme 128 dampzuil van de fabriek tot in de nevelige wolken der hogere luchtlagen. Wij kunnen dan ook niet voorbijgaan - weliswaar zeer beknopt - aan deze andere polluenten. Reeds vroeger werden deze stoffen algemeen besproken. Vermeld werden: zwaveloxiden, ozon, stikstof-oxiden, chloor, fluor, koolstofmonoxide, koolstofdioxide, arseenamine, zwavelzuur. Veruit de meest belangrijke uit dit rijtje zijn zeker de zwaveloxiden, en zwavelzuur zelf. Zij zijn immers zeer belangrijke produktiefaktoren en hebben tevens een verregaande invloed op de bestaande verontreiniging met zware metalen. Even enkele metingen genomen in de Vieille Montagne
De aangegeven hoeveelheden slaan op een periode van 5 jaar (1971-1975) Produktiegegevens Vieille Montagne
Enkele berekeningen leveren de volgende resultaten op:
129 Dit betekent dat op deze vijf produktiejaren zo maar even een 11.600 ton zuur of zuurvormende stoffen uit de schouwen van de Vieille Montagne zijn gekomen. Reken daar nog eens een analoog bedrag bij, geproduceerd door MHO en Philips, dan is het overduidelijk dat zowel de mens als het milieu in het algemeen hier rake zure klappen krijgt: totale uitroeing van de vegetatie, verzanding, aantasting van allerhande materialen en verzuring van water en bodem hier en op honderden km. noordwaarts in Denemarken, Zweden, Noorwegen en Finland. Om het beeld te vervolledigen dient rekening te worden gehouden met grote hoeveelheden waterstofsulfide (in de volksmond "rotte-eierengas") die vrijkomen bij de plasticproduktie in het Teepac-bedrijf (Maatheide Lommel) en uit het waterzuiveringsstation. Waterstofsulfide is een gasvormig zuur met een verschrikkelijke geur en giftige eigenschappen. Door de wisselwerking van lozingswaters afkomstig uit Teepac en Prefrite komt dit gas vrij in de smeerpijp die uitmondt in het waterzuiveringsstation gelegen in de nabijheid van de MHO. De bewoners van deze omgeving worden dus belaagd met metaalhoudend stof, worden aangevreten door zwaveloxiden en zwavelzuur-nevel en worden bovendien in de stank gezet door het waterzuiveringsstation. De verzuring van de omgeving vergroot echter ook de beweeglijkheid der zware metalen in het milieu zeer sterk. Deze giftige metalen geraken zo veel makkelijker in de biologische kringloop doordat hun oplosbaarheid sterk toeneemt. 130 G. Chemisme van zware metalen in de bodem - Inhoud Door de metaalnijverheid worden de metaalverbindingen die ofwel vrijkomen in de vorm van stof, ofwel als niet meer te verwerken afval, heel gemakkelijk afgedaan als onoplosbaar. Dit blijkt een misleidende en al te eenvoudige voorstelling te zijn van de werkelijke situatie. Metaalverbindingen die in de bodem terecht komen verdelen zich volgens een reeks veranderlijke evenwichten over een aantal toestanden.
Dr. A. Dhaese stelt het volgende evenwichtssysteem voor
131 Het zou de bedoelingen ver voorbijgaan als te diep op deze chemische inzichten zou worden ingegaan. Voor meer details verwijzen we naar het aangegeven specialistenwerk. Toch zal het - zelfs voor de niet-chemicus - duidelijk zijn dat het gedrag van metaaldeeltjes in de bodem erg ingewikkeld is. Uit het aangegeven schema blijkt immers dat er een onderlinge relatie bestaat tussen de al of niet oplosbare frakties. Het verdwijnen van het metaal uit één of andere fraktie heeft automatisch het aanvullen van uit een andere tot gevolg. Hoe meer in de bodem wordt gebracht, hoe meer ook zal oplossen. Het is juist deze opgeloste hoeveelheid die een zeer grote rol kan spelen in het milieu. In deze opgeloste vorm kunnen de zware metalen immers door de planten opgenomen worden of kunnen ze het grond-en oppervlaktewater vervuilen. Eenmaal in de plant of in het grondwater komen deze giftige elementen in de voedselketen. De oplosbaarheid van deze metaalverbindingen blijkt van een aantal faktoren afhankelijk te zijn: - Zanddeeltjes kunnen de metaaldeeltjes moeilijker vastleggen Hierdoor zal een plant die groeit op een zanderige bodem gemakkelijker het metaal opnemen. - De aanwezigheid van organisch materiaal (vb. humus) verlaagt de oplosbaarheid in zure gronden en verhoogt de oplosbaarheid in alkalische gronden. - De vorming van onoplosbare minerale verbindingen blijkt tevens sterk afhankelijk te zijn van de zuurtegraad. Dit laatste aspekt werd uitgebreid bestudeerd door verschillende laboratoria (Dhaese te Gent, LISEC). Kan men de zuurtegraad van de bodem doen afnemen (meer alkalisch) dan vermindert de mobiliteit der metaaldeeltjes. Hierdoor lijkt de bodem gezonder. Alhoewel de hoeveelheid metaal in de bodem niet is afgenomen, kan de plantengroei zich beter ontwikkelen waardoor ook de humusvorming wordt bevorderd en de zandverstuiving wordt tegengegaan. Twee proefveldjes (Maatheide; onder de schouw van M.H.O.) hebben uitgebreid bewezen dat bij toevoegen van kalk - waardoor de zuurtegraad sterk afneemt - de plantengroei merkelijk wordt verbeterd. Uit dergelijke studies bleek ook dat een scherm van fijn gaas een gunstige invloed had op de begroeiing. 132 overzicht van de totale opname van zware metalen en SO42' (pro mille) en de overeenkomstige verbruiningskoëfficiënt (in%).
Opgenomen hoeveelheden zware metalen en SO42' door de plant (uitwendig en inwendig).
133
134 H. Milieu en overheid - Inhoud Belang van Limburg: di. 4 januari 1983 "Boerenkool met cadmium, heerlijk." "In Budel hecht men weinig geloof aan de bodemverontreiniging in de Nederlands-Belgische grensstreek." Onder deze titel blokletterde deze streekkrant de alarmerende vaststelling van zeer hoge Cd-koncentraties in de groenten. Geen officiële instantie had het initiatief genomen van de betreffende metingen. De impuls kwam van de milieubewuste chemiewinkel te Eindhoven. De metingen stuiten op ongeloof van de plaatselijke bevolking die nooit over een dergelijke problematiek is voorgelicht. Belang van Limburg: wo. 19 januari 1983 "Cadmium in Noord-Limburg onderzoeken." Het Limburgs politiek apparaat komt in aktie. Burgemeesters, goevernementele werkgroepen, volksvertegenwoordigers en de gemeenschapsminister van leefmilieu voelen plots de noodzaak om tot de daad over te gaan. De vergevorderde milieuverontreinigingmet zware metalen is reeds lang gekend. Oude kranteberichten maken er reeds melding van. Trouwens, wie kan de vernietigende effekten op het milieu, waarvan de lidtekens overal merkbaar zijn, negeren?' Reeds in de zestiger jaren maakte professor Piot de gemeente attent op de hoge graad van koperpollutie in de streek. Alle studies die in de voorgaande tekst werden gebruikt zijn kenbaar gemaakt aan de overheden én van de provincie én van de gemeenten. Nochtans beriep de Lommelse burgemeester zich nog in 1982 tijdens een toevallig gesprek op de aanwezigheid van kikkers of het aantal gouden bruiloften! Niets aan de hand, wat wil je vertellen, de Lommelaren zien er toch blozend uit, ze vallen toch niet bij bosjes dood! Deze gang van zaken typeert het milieubeleid dat in de Noorder-Kempen en bijna overal elders wordt gevoerd. Het gaat duidelijk om een KRISISBELEID. Onder druk van rampzalige gebeurtenissen of onder druk van de publieke sensibilisatie gaat men er iets aan doen. Wat is dan het resultaat van een dergelijke officiële aktiviteit? Een minimum aan financiële middelen wordt uitgetrokken om studies uit te voe- 135 ren, metingen te verrichten en saneringen uit te voeren. In het westen wordt gemiddeld 1 a 2 % van het brutonationaal produkt besteed aan milieubeheer. (9) Vervolgens brouwt men allerhande wetten die enerzijds ver achterlopen op de lokale situaties en anderzijds meestal zonder uitvoeringsbesluiten blijven zodat alles dode letter blijft. Het hele politieke en administratieve systeem is bovendien in de eerste plaats gekenmerkt door haar ongelooflijke traagheid. De oplossing die dan uiteindelijk uit de bus valt zal er één zijn van technokratische aard. Allerhande specialisten zullen zich buigen over de probleemsituatie, wat dan meestal neerkomt op het bestuderen van een aantal symptomen. Hiervoor worden dan een aantal technologische oplossingen voorgesteld. Zo zal men trachten de emissie uit de schoorstenen te verminderen door speciale filters, en de vervuiling in de onmiddelijke omgeving te verminderen door hogere schoorstenen. Het aantal metingen en de verfijning van deze bepalingen wordt steeds rigoureuzer door steeds meer geperfektioneerde apparatuur. Dit past natuurlijk volkomen in het kapitalistische denkpatroon: de industrie met haar vervuilende invloeden is oorzaak van het ontstaan van een parallelle industrieketen die remediëringstechnologie ontwikkelt maar zelf op haar beurt even vervuilend kan zijn. De ketens van produktie en winst vertakken zich, maar aan de essentie van het probleem wordt niets veranderd. De voorgestelde oplosing is er één van zuiver ekonomische en zeker niet van politikosociale aard. In een interview met Guy Verhofstadt, voorzitter van de Belgische PW (Humo 13 januari 1983) pleit deze voor een strikt juridische aanpak van het probleem: "Wel, als ik mij op een bepaald ogenblik geschaad voel, moet de mogelijkheid bestaan om mij als individu of als vereniging tot een rechtbank te wenden volgens nieuwe procedures die het snel opeisen van uw recht mogelijk maken: de stopzetting van de schadelijke aktiviteit of de opeising van een schadevergoeding De rechtspraak en de feiten zullen de normen bepalen. Want milieuverontreiniging kan voor u een heel ander begrip zijn dan voor mij. U kan beginnen hoesten bij zoveel %, maar ik kan wegens een sterke gezondheid op een ander niveau beginnen te kuchen of zo. Dat toont al het zinloze aan van een drempel en één norm". Mijnheer Verhofstadt pleit dus voor een zuiver technokratische symptoombestrijding: medische en techni-. sche vaststellingen van symptomen (hoesten of zo...) en juri- 136 disch uitsluitsel over de verantwoordelijkheid en mate van vergoeding! Over voorkomen en vermindering van schadelijke invloeden wordt niet gerept. Een dergelijke technocratische aanpak moet zeer bewust afgewezen worden, en wel om verschillende redenen: 1. Deze benadering zal alleen de meest uitgesproken effekten aanpakken en dus slechts een deel van de totale problematiek onder haar hoede nemen. 2. Het gaat hier wel degelijk om verhelpen, terwijl een preventief element totaal ontbreekt. 3. Men zal niet de problemen als zodanig oplossen maar men zal trachten de omvang te verminderen. Zo zal men trachten het afval op te ruimen maar de produktie van dit afval kan ongestoord verder gaan. Dat dit uiteindelijk niet meer haalbaar is blijkt uit de beruchte N-kurve.
Laten we deze kurve even toepassen op het zwaveloxideprobleem. Tijdens de ekonomische groeiperiode van de jaren zestig nam, door de verbranding der fossiele brandstoffen, de hoeveelheid zwaveloxiden in de lucht angstaanjagend toe. Deze koncentraties namen tot ieders tevredenheid zeer sterk af door ontzwaveling van brandstoffen, groter aandeel van kernenergie in de elektriciteitsproduktie en vooral door het hoger optrekken van de schoorstenen waardoor de schadelijke verbrandingsprodukten in de hogere luchtlagen werden verspreid. 137 Voorbeeld: SO2-produktie in Nederland 1965: 900 miljoen kg. 1977: 469 miljoen kg. 1979: 600 miljoen kg. De aanvankelijke daling kan niet worden volgehouden. Bovendien wordt onze aarbol nu gekonfronteerd met het reeds beschreven symptoom der zure regen. Hierop heeft de technologie nog geen antwoord maar reeds staat vast, dat als hier inderdaad een oplossing aan wordt gegeven, dit een zeer dure zaak gaat worden: in 1982 berekende men in Canada dat het terugbrengen van de zwaveldioxide-emissie op 50% van het huidige niveau en dit binnen de acht volgende jaren, aan de Canadese konsumenten jaarlijks 1 miljard dollar zou kosten! Wat aangevangen met onze huidige investering van ongeveer 1 % van ons BNP in milieuorganisatie ? Het oplossen van de problematiek overlaten aan het privé-initiatief is evenmin zaligmakend. De industrie zal immers haar niet-renderende investeringen zo laag mogelijk trachten te houden. Zo laag mogelijke produktiekosten verhogen immers de winstmarges en verbeteren de koncurrentiële positie. Enkel in de hoogstnoodzakelijke gevallen - dit is als er dwang uitgeoefend wordt door arbeiders of omwonenden - zal overgaan worden tot een zo beperkt mogelijke symptoombestrijding. In "De non-ferrometaalindustrie in België" uitgegeven door de bedrijfsraad voor het metaal staat te lezen (blz. 62): "Elk beleid tot bescherming van het milieu moet worden geïntegreerd in het raam van de op het stuk van het industrieel beleid genomen oriënteringen: de harmonische ontwikkeling van de ekonomische aktiviteiten bepaalt de verbetering van het milieu en het zou niet realistisch zijn tijdens een bepaalde periode maatregelen te nemen zonder rekening te houden met de toestand van de industrie in haar geheel, eendeels, en met de mogelijkheden van 's lands ekonomie, anderdeels." Deze stelling blijkt duidelijk als de milieuïnvesteringen van deze non-ferroindustrie even onder de loupe worden genomen. Het reeds aangehaalde verslag maakt melding van de investeringen op allerhande terreinen. Uit het evenwijdige verloop der kurven blijkt duidelijk dat de milieuïnvesteringen dezelfde trend volgen als de globale investeringen. Er is dus enkel wat milieubezorgdheid als er een gunstige bedrijfsevolutie aanwezig is. Wordt de situatie on- 138 gunstig dan zal het groene geldkoffertje het eerst geplunderd worden.
139 Hoeveel bedraagt onze milieuïnvestering in de Belgische non-ferroindustrie dan eigenlijk wel? Uit de aangegeven cijfers blijkt dat voor het jaar 1978 zowat 10% van de globale investering naar het milieu ging. In deze globale cijfers zijn echter de buitenlandse uitgaven niet ingerekend zodat dit percentage zeker merkelijk lager ligt. Hieruit blijkt duidelijk dat de milieuzorg - zoals in liberale kringen wordt gesuggereerd - zeker niet aan privé-initiatief moet overgelaten worden. Er moet dus voor een daadwerkelijke politieke benadering gekozen worden. Het verhelpen moet starten bij de aanvang van een produktieproces, waarbij de voor-en nadelen van iedere technologie worden afgewogen. Technologieën die teveel gevaren inhouden moeten afgewezen worden en vervangen door minder problematische. Samen met de produktie-methode moet de wijze van milieubescherming zich ontwikkelen. De verschillende overheden moeten dus permanent hun verantwoordelijkheden opnemen. Zij moeten het nemen van risiko's verhinderen, en niet, zoals nu gebeurt, de gevolgen van deze risiko's proberen weg te werken. Langsheen de gemeentelijke overheden moet de bevolking regelmatig en nauwkeurig op de hoogte gehouden worden van de situatie. Hoe dikwijls wordt er nu niet geschermd met studies waar alleen specialisten wat van begrijpen? Op deze wijze schuift de overheid haar verantwoordelijkheid af op technokraten: zolang er gemeten wordt is er leven. Het huidige politieke bestuurssysteem blijft maar al te dikwijls in gebreke doordat de politici te sterk zijn verweven met de industrie. Hun belangen willen nogal eens samenvallen. Bovendien ontstaat door de verwijzing van de problematiek naar de technokraten een log bureaukratisch systeem dat zichzelf in stand moet houden. Op alle mogelijke onderdelen van de produktieontwikkeling - van planning tot de uiteindelijke verkoop - moet de overheid haar toezicht waarmaken. Dit maakt natuurlijk de uitbreiding van de souvereiniteit der overheid noodzakelijk. Het mag niet bestaan dat diegenen die toezicht willen houden aan de grens der fabrieksterreinen moeten blijven staan en geen inzicht krijgen in de informatie die de fabriek zelf bezit. De overheid hoort te waken over het geestelijk en fysisch welzijn van haar onderdanen. De eerste voorwaarde opdat dit welzijn zich zou kunnen ontwikkelen is een harmonische leefomgeving. Veel te dikwijls wordt deze omgeving vanuit een 140 negatieve instelling benaderd: wat mag er niet aanwezig zijn. Men streeft dus teveel naar de afwezigheid van giftige stoffen, vuiligheid, ziekte, geluid.... Het is zeker geen luxe na te gaan wat er dan wel aanwezig moet zijn opdat het welzijn zich zou kunnen ontplooien. Alzo krijgen bewoning, industrie, urbanisatie, verkeer hun betekenis binnen een mensvriendelijk landschap. Milieuzorg wordt dan opgenomen binnen de landschapszorg. De mens gaat zich ongemakkelijk voelen in zijn omgeving. Niet alleen is in onze streken de bevolkingsdichtheid te groot en worden we bedreigd met oorlogen en ekonomische recessie, maar het leefmilieu zelfheeft vijandige trekken gekregen. Het gevoel van onveiligheid neemt toe en de weerslag op het maatschappelijk gebeuren wordt alsmaar diepgaander. Vervuiling en vergiftiging is maar één aspekt. Ingrijpender is misschien nog het besef dat dit probleem in de toekomst steeds maar gigantischer afmetingen zal krijgen (exponentieel verloop). Landsgrenzen worden overschreden, wat de aanpak van deze milieuafbraak steeds moeilijker maakt. Het gaat hier niet langer om een plaatselijk symptoom maar om een aantasting van de totale biosfeer! Onze kennis schiet tekort. We beseffen niet meer wat de (draagwijdte) is van bepaalde processen en nog minder is het duidelijk in hoeverre we te maken hebben met omkeerbare verschijnselen. Natuurlijke en levensnoodzakelijke prikkels worden uitgeschakeld wat een vervreemdend effekt heeft. Om dit verwezen gevoel te onderdrukken wordt dan druk gezocht naar artificiële prikkels die veelal ons aanpassingsvermogen overtreffen. Onze omgeving wordt ofwel eentonig ofwel kunstmatig opgepept. Reeds de oude Grieken waren druk bezig met het zoeken naar de gezonde samenleving, de ideale staat. Het ziet ernaar uit dat we in al die duizenden jaren nog niet veel zijn opgeschoten. In plaats van mensvriendelijke strukturen te realiseren zijn we nog altijd bezig de barsten en scheuren wat op te vullen met wat goedkope plaaster. In het licht van bovenstaande beschouwingen is de symptoombestrijding die door onze overheid wordt gehuldigd, inderdaad maar wat lapwerk waarvan de duurzaamheid te verwaarlozen is. 141 I. Doekjes voor het bloeden - Inhoud Het spreekt vanzelf dat er niet moet gewacht worden op de noodzakelijke maatschappelijke inzichten. Er zijn inderdaad een aantal maatregelen die vandaag nog, of alleszins in een zeer nabije toekomst, kunnen genomen worden. Ze zullen niet de fundamentele oplossingen opleveren, maar kunnen de aangebrachte schade beperken. Met de in dit hoofdstukje aangegeven voorstellen doen we een beroep op de overheden, vooral dan de gemeentelijke instanties. We durven hopen dat onze beleidsmensen niet onmiddellijk hun stekels opzetten of zich terugtrekken in een onbereikbaar stilzwijgen, maar integendeel het volgende in overweging willen nemen: 1) Studie Nauwkeurige lokalisatie en evaluatie der vervuiling. Op dit terrein is al heel wat werk verricht door de reeds vermelde onderzoeksinstituten en laboratoria. Nochtans blijft het beeld fragmentarisch. Verdere studies moeten ondernomen worden, zeker wat betreft de onderlinge wisselwerking der vervuilende stoffen. Wat is de invloed van zware metalen op de biosfeer, en op de mens? Uit al de studies die gepubliceerd zijn blijkt nergens enige samenwerking tussen de verschillende laboratoria. De overheid moet een zo intens mogelijke samenwerking stimuleren. 2) Informatie Het resultaat van deze studies en bevindingen moet op een goed verstaanbare wijze aan de bevolging doorgespeeld worden. Al te dikwijls wordt dit niet gedaan omdat men zogenaamde paniekreakties of verkeerde interpretaties wil vermijden. Wij zijn er echter van overtuigd dat dergelijke reakties vooral zullen optreden indien de bevolking te weinig op de hoogte is en plots met zaken wordt gekonfronteerd waar zij niet mee vertrouwd is. Ieder heeft recht op een juiste voorlich- 142 ting. Een gezond leefmilieu behoort niet alleen tot de verantwoordelijkheid van enkele ingewijden maar belangt iedereen aan. 3) Soevereiniteit De gemeentelijke overheid moet in ieder onderdeel van de produktie inzage krijgen. Het is ondenkbaar dat zij aan de rand van de fabrieksterreinen moeten blijven staan. Zij moet het recht verwerven van op ieder ogenblik kontrole uit te oefenen om het even waar in de fabriek of op de storten. De metingen door de fabriek uitgevoerd of de resultaten der geneeskundige onderzoeken moeten automatisch doorgespeeld worden aan de gemeentelijke instanties. Bovendien moet ze in staat gesteld worden haar eigen metingen uit te voeren. 4) Dwang De bedrijven moeten gedwongen worden tot het nemen van een aantal milieubewuste maatregelen. We sommen er enkelen op: * Het aanbrengen van installaties die de zwaveloxide of zwavelzuuruitworp verminderen. * De voornaamste bron van vervuiling met zware metalen blijkt de stofvorming te zijn. De wind blaast duizenden kilos stof van de ertshopen naar de omgeving. Een absoluut noodzakelijke maatregel is dus enerzijds het overdekken van de ertshopen en anderzijds het verwijderen van stof op de overige fabrieksterreinen. * Het MHO stort dat tot vlak bij de woningen reikt moet opgeruimd worden. Het bevat zonder twijfel tal van schadelijke stoffen die nefast kunnen zijn voor de omwonenden. * De goethietbekkens vormen enorme gevaarzones met probleemafval. Alle mogelijke veiligheidsvoorzieningen moeten hier genomen worden. Regelmatig moet nagegaan worden of er infiltratie optreedt in de grondlagen. Hoeveel metaalhoudend stof wordt hier meegevoerd door de wind? Wat komt er allemaal in terecht? Dit moet regelmatig nagegaan worden, zeker nu allerhande zinkhoudende afvalmaterialen worden gerecycleerd en ook afval van elders afkomstig, wordt gestort. 143 * De bestaande arseen voorraden moeten onschadelijk worden gemaakt. Het is absoluut onduldbaar dat tonnen calciumarsenaat aan hun lot worden overgelaten in vochtige bakken of tochtige kelders. * De arbeiders moeten beschermd worden door de meest geperfektioneerde veiligheidsmaatregelen. Risiko's moeten zo sterk mogelijk worden beperkt. Dat gevaren niet denkbeeldig zijn blijkt uit het recente arseenamine-ongeluk. De elektrolysehallen moesten gedurende dagen gesloten worden wegens de buitensporige aanwezigheid van dit zeer giftige gas. * Het afval der decantatiebekkens mag zeker niet in gedroogde toestand op de fabrieksterreinen worden uitgespreid. Dit is immers een zeer belangrijke bron van metaalhoudend stof. * Het afval en koelwater?'ers moeten beter afgekoeld worden voor zij in de natuurlijke waterlopen worden geloosd. Alzo wordt de termische pollutie teruggedrongen. 5) Omwonenden De omwonenden moeten regelmatig onderzocht worden op de aanwezigheid van schadelijke stoffen. Ook moeten drinkwater, groenten, kleinvee en dergelijke bij herhaling worden gekontroleerd. 6) Milieudeskundigen De gemeenten moeten dringend een regionaal milieudeskundige aanstellen. De onkosten hiervan kunnen gedragen worden door de verschillende gemeenten. (Overpelt, Lommel, Balen, Eksel,....) Als belangrijkste taken zien we : koördinatie tussen de verschillende gemeentebesturen, grensoverschrijdend overleg, koördinatie tussen de verschillende onderzoekinstellingen die metingen en studies verrichten, nemen van stalen, informatie verzamelen, overleg met de industrie 144 7) Opruimen De assewegen - aangelegd met afval der metaalfabrieken - moeten opgeruimd worden. Laat men deze wegen voor wat zij zijn dan zal hun storende invloed nog tientallen jaren meetbaar zijn. 8) Kalkbehandeling De sterk vervuilde gronden moeten met kalk behandeld worden zodat de zware metalen geïmmobiliseerd worden. Tal van materialen komen hiervoor in aanmerking: mergel, afval van marmerindustrie Tevens zou verregaand moeten onderzocht worden of bevloeiing met het kalkhoudende Maaswater uit het Maas-Scheldekanaal geen gunstige invloed zou hebben. Uit metingen blijkt immers dat dit water tot 69,12 mg/1 calcium kan bevatten, waarbij de pH tot ver boven de factor 8 kan oplopen. Uit dezelfde onderzoekingen blijkt dat dit calcium gretig door de bodem wordt opgenomen: aangevoerd bevloeiingswater: 69,12 mg/1 afgevoerd bevloeiingswater: 6,0 tot 6,6 mg/1 Dit is een dure onderneming maar de kosten moeten gedeeld worden. De fabrieken zijn er de oorzaak van en moeten dus niet alleen financieel bijdragen maar moeten ook bijspringen met het nodige materiaal: aanvoer door eigen schepen, lossen, ter beschikking stellen van zwaar materiaal De verschillende gemeenten moeten er zich goed van bewust zijn dat de storende invloed van deze verontreinigde gronden niet ophoudt aan de gemeentegrens. Er zou dus een regionaal fonds moeten opgericht worden waarin de verschillende bijdragen verzameld en besteed worden. 9) Waterzuiveringsstation De situatie van het waterzuiveringsstation moet verbeterd worden. - uitbreiding van de kapaciteit 145 10) Schermwerking Door de bevloeiing met maaswater worden bovendien de landschappelijk zo waardevolle vloeiweiden met de hoge populieren bewaard. De fabrieken en industrieterreinen zouden omringd moeten worden met natuurlijke schermen. Deze groene muren van bomen en heesters voldoen aan verscheidene wensen. Zo wordt een belangrijk deel van de milieuvervuiling met stof van zware metalen beperkt tot de nabije omgeving van de fabriek (alzo wordt het gebied dat in aanmerking komt voor calciumbehandeling minder omvangrijk). De schermwerking werd afdoend bevonden door studies van het Limburgs Instituut voor toegepaste Ekologie (LISEC). Ook in de publikaties gepatroneerd door de gemeenschapsminister van leefmilieu, waterbeleid en onderwijs worden cijfers aangegeven. "Belangrijker is het vermogen van het bos om luchtstromen, met verontreinigde stoffen beladen, van richting te doen veranderen en hun bewegingssnelheid te verminderen, zodat de stofdeeltjes worden afgezet. Dit filtervermogen is zeer groot. De bladeren van een beukenbos houden 280 kg stof/ha vast, die van een fijnspar 420 kg/ha en die van een eik zelfs 540 kg/ ha." Een dergelijk pollutiescherm is zeer kwetsbaar indien het niet op de goede manier is samengesteld. Koncentraties van 0,04 mg/m3 SO2 tasten sommige planten reeds aan. Voor het waterstoffluoride zijn deze koncentraties nog Kleiner: 0,001 mg/m3 remt de fotosynthese. Een vegetatiescherm werkt vooral tegen verontreiniging die laag bij de grond ontstaan. Dit zou dus vooral nuttig kunnen zijn voor het tegenhouden van het stof dat in de non-ferroindustrie zo massaal opwaait. Voorwaarden: - opbouw uit resistente soorten. Studies hieromtrent zijn uitgevoerd en gepubliceerd - loofbomen slorpen over het algemeen meer stof op. - het mag niet gelijkvormig zijn zodat grillige luchtstromingen ontstaan. - het moet zeker 30 a 50 meter breed zijn en voorzien van een rijkelijke onderbegroeiing. 11) Landbouw De landbouwzones die in de buurt van de fabrieken liggen moeten een andere bestemming krijgen. Dit is zeker waar 146 voor de uitgestrekte mais-aanplantingen die liggen ten NO van de Vieille Montagne. Deze planten zijn voortdurend blootgesteld aan de invloed van zware metalen die door de overheersende Z.W. winden worden aangevoerd. Mais blijkt - zoals reeds eerder vermeld - een zeer goede resistentie te vertonen tegen deze schadelijke metaalverbindingen. Dit heeft voor gevolg dat de plant enorme hoeveelheden zware metalen kan opstapelen. Metingen gaven het ongelooflijke getal van 1200 ppm aan. Als veevoeder is deze mais totaal ongeschikt. Deze uitgestrekte maisvelden zouden dus moeten vervangen worden door een breed pollutiescherm. Zo zou de Lommelse woonkern beschermd worden tegen de nadelige invloed van het opwaaiend stof van de Vieille Montagne en het vroeger Lommelfabriek. 12) Storende landschapselementen Alle mogelijke moeite moet gedaan worden om een harmonisch landschap te kreëren. De storende elementen moeten ofwel verwijderd worden, ofwel afgeschermd worden. Het is niet te verantwoorden dat industrieën zomaar de niet meer rendabele installaties (oud glasfabriek) als een zielige ruïne achterlaten. Eventuele schade aan het landschap (dorre woestenij waar eens Lommel-fabriek stond) moet met alle middelen hersteld worden. Niet de gemeenschap maar wel de industrie moet hier financieel voor opdraaien. 13) Urbanisatie Ieder lapje grond krijgt zijn bestemming: woonzone, industriezone, groene zone, Te weinig wordt er echter rekening gehouden met de milieusituatie: "De Westwijk" - een sociale woonwijk, gelegen onder de fabrieksschouwen van Philips en ten N.O. van de Vieille Montagne - is hier een schoolvoorbeeld van. In de toekomst mogen zeker geen nieuwe wijken meer gepland worden in de ongezonde zones. 147 14) Samenwerking Op alle mogelijke gebieden moeten de gemeentelijke overheden samenwerken. Niet alleen i.v.m. de milieuverontreiniging maar ook wat de wegenbouw betreft, verdeling der industriële vestigingen en groeibescherming. Onze Noorder-Kempen bezit gelukkig nog enkele zeer waardevolle natuurrelieken. Steeds meer worden ze bedreigd door autowegen, uitbating en vervuiling. Hier ligt een enorme uitdaging te wachten op politiekers die hun verantwoordelijkheid willen nemen. Het volstaat niet studies te laten uitvoeren, ze moeten ook toegepast worden! 148 LOMMEL UW STORTGEMEENTE - Inhoud De regio Lommel-Overpelt is volgens een studie van de Gewestelijke Ontwikkelingsmaatschappij de koploper van de productie van gevaarlijke industrieel afval in de provincie. Deze regio produceert jaarlijks 24.342 ton van wat officieel heet industrieel afval type VW. Deze hoeveelheid is goed voor meer dan de helft van de totale provinciale productie van dit soort afval. Zeker geen onschadelijk afval want "afval typpe VVV moet zeker vernietigd worden hetzij door verbranding, hetzij door bijzondere behandelingstechnieken (vb. neutralisatie of ontgiftiging) in daartoe speciaal bestemde installaties", zo staat er nog in de studie te lezen (1). Over waar het afval vandaan komt en wie het produceert zegt de Gomstudie het volgende: "Het grootste gedeelte van het V. V. V. afval bestaat uit slib uit het waterzuiveringsstation van de betrokken onderneming. Dit slib is verontreinigd met zware metalen. Het wordt in een afgeschermde put op de terreinen van de producent gestort". Het gaat dus over de Metallurgie Hoboken Overpelt (M.H.O). De metallurgie stort haar afval hoofdzakelijk kort bij haar fabrieksterreinen. In de buurt van de fabriek liggen twee stortingsbekkens voor goethiet en een gewoon fabrieksstort. Dit fabrieksstort ligt deels op het grondgebied van de gemeente Overpelt en deels op dat van de gemeente Lommel. De gemeente Lommel is tevens gastheer voor een gedeelte van de afval afkomstig van de Vieille Montagne, de andere Kempische zinkfabriek gelegen in de aangrenzende gemeente Balen. Het oude glasfabriek en de daar in de omgeving liggende heide bergt heel wat gevaarlijke afval van de Vieille Montagne. Over milieuverzet in het verleden bij de plaatselijke bevolking is niet veel bekend maar afwezig is het nooit geweest. Zo tekent de bevolking van Lommel Barrier massaal verzet aan tegen de plannen van De M.H.O. die midden 1980 besluit om het bestaande stort uit te breiden in de richting van de woonwijk. 1) GOM, Voorstellen sociaal-ekonomisch plan 1981-1985, deel IV, Leefmilieu en water, Hasselt, 1979. 149 A. DE BARRIER BLIJFT DICHT - Inhoud Woonkomfort is voor de bewoners van de Barrier niet direkt weggelegd. Wanneer de wind uit het noordoosten waait dan moeten alle vensters gesloten worden voor de zwavelachtige rook afkomstig van de M.H.O. Deze bewoners hebben trouwens ook van een ander geurtje last. De leidingen van het in de buurt gelegen zuiveringsstation hebben hun degelijkheid bewezen om hun reuk toe te voegen aan dat van de metallurgie. Het wordt een mens inderdaad te veel wanneer men te horen krijgt dat het bestaande fabrieksstort van de M.H.O. aan uitbreiding toe is....richting Barrier. In augustus 1980 doet de metallurgie bij de Bestendige Deputatie van de provincie Limburg een aanvraag tot het exploiteren en uitbreiden van het bestaande industrieel stort. Dit stort is reeds in gebruik sinds de stichting van Overpelt fabriek in 1888. Vroeger werden er op het stort naast afvalmaterialen bij verbouwingen, de kapotte smeltkroezen uit gebakken klei, assen van de zinkovens en slakken van de loodovens gestort. Na de afbraak van de zinkovens verandert het soort afval gedeeltelijk. Bij het afval afkomstig van de afbraak van de verouderde installaties komt nu ook een deel van de afval geproduceerd door de nieuwe zinkelektrolysefabriek. Het gaat om deegachtig afval voortkomend uit de afvalwaterzuiveringsinstallatie en gipsen afkomstig van de neutralisatie van het purgen (1) Deze afvalstoffen zijn, zo stelt de direktie in aanvraag geruststellend, niet oplosbaar in water. Dat laatste gegeven wordt door de Lommelse milieuraad betwist. De milieuraad stelt dat ongeveer de helft van het deegachtig afval of 900 ton bestaat uit slecht in het water oplosbare stoffen hetgeen niet hetzelfde is als onoplosbaar. Vroeg of laat betekent dit dat de bodem en/of het grondwater aangetast worden, zeker wanneer er zoals nu geen bodemafdekking is voorzien. De bewoners van de barrier geraadpleegd in het verlichte (1) zie fabricagesysteem 150 commodo et incommodo-onderzoek wezen de plannen van de MHO af. Verwonderlijk is dit niet: door de uitbreiding komt het stort bijna tot in de achtertuintjes van de bewoners van de fabrieksstraat en de Luikersteenweg te liggen. Het "neen" werd niet enkel gegeven om "estetische" redenen (uitkijken opeen stort is nu eenmaal geen pretje) maar ook wegens het bezoedelingsgevaar voor bodem en grondwater. "De doorsijpeling van allerlei chemische stoffen in de bodem brengt onvermijdelijk de bezoedeling van het grondwater met zich mee" schreven de bewoners aan het gemeente- en provinciebestuur. Dat deze vrees gegrond was zou later onderzoek uitwijzen. De burgemeester en het schepencollege waren onder de indruk van het protest van de buurtbewoners en de milieuraad. Het advies van de gemeente Lommel aan de Bestendige Deputatie was dan ook negatief. De burgemeester en het schepencollege maakten er de Bestendige Deputatie, die als bevoegde overheid over de uitreiking van de exploitatievergunning moest beslissen, attent op dat de bestaande wetgeving op de ruimtelijke ordening ook met voeten werd getreden. Het stort lag immers in een renovatiegebied waarbij de wetgever beoogde dat het bestaande stort diende te worden afgebouwd door het toepassen van een aantal saneringsmaatregelen. Van een "gezondmaking" was in de plannen van de MHO geen sprake. Terecht dus een ongunstig advies voor de plannen. C. IN DE ADMINISTRATIEVE MOLEN - Inhoud Het dossier werd in oktober 1980 teruggespeeld naar de Bestendige Deputatie. De MHO was blijkbaar op de hoogte van het ongunstig advies en schreef het volgende naar de provinciale overheid: "Om tegemoet te komen aan de wensen van de gemeente Lommel zijn wij bereid de oppervlakte van deze stortplaats te beperken tot 10 ha alhoewel de kastrale oppervlakte 16,9636 ha bedraagt." In hetzelfde brief legde men er de nadruk op dat de industriële stortplaats onontbeerlijk was voor het bedrijf en hoopte men de uitbatingsvergunning weldra te ontvangen. De provinciale overheid bracht de gemeente Lommel op 10 december 1980 op de hoogte van het gewijzigde plannen. De gemeente Lommel hield voet bij stuk en 151 was helemaal niet tevreden met de mini"toegeving" van de MHO. "De inperking hield volgens de gemeente geen rekening met haar wens om een aantal saneringsmaatregelen uit te werken", aldus een schrijven aan de provincie op 22 december 1980. Er volgde een nieuw schrijven van de provincie op 13 januari 1981. Nogmaals legde de provinciale overheid er de nadruk op dat saneringsmaatregelen kunnen opgelegd worden in het vergunningsbesluit. Men vroeg ook dat de gemeente onder de vorm van een besluit liet weten of het vroeger ongunstig advies zou worden gehandhaafd. De vaagheid van de belofte van mogelijke saneringsmaatregelen voldeed de gemeente Lommel niet. "Gezien echter de aanvraag geen nieuwe konkrete saneringsmaatregelen bevat tot vrijwaring van gezond leefmilieu en estetische inplanting", handhaafde de gemeente haar vroeger genomen besluit op 2 februari 1981. D. VOOR DE TWEEDE MAAL EEN PLANVERANDERING - Inhoud Op de afwijzing door de gemeente Lommel van haar eerste aanpassingsplannen reageerde de M.H.O. met een nieuw voorstel. Via enkele kunstgrepen wilde de M.H.O. het stort saneren. Naast de inperking van het stort werd er nu een "zonering" toegevoegd. Het gedeelte van het stort, dat het dichtst bij de huizen ligt, werd voorbehouden voor allerlei afbraakmateriaal (ongeveer 4,5 ha) terwijl op het overblijvende deel het deegachtig afval een plaats vond. Langs de Eindergatloop en in de richting van zuiveringsstation zou een beplanting van Elzenhout het stort aan het oog onttrekken. In het onderstaande schema wordt het nieuwe plan toegelicht: De gemeente Lommel liet het LISEC, voluit het limburgs Studiecentrum voor toegepaste Ekologie, een beperkt onderzoek uitvoeren. Er werden een aantal waterstalen van het grondwater genomen in de buurt van het oude stort. Deze stalen werden enkel onderzocht op de aanwezigheid van twee metalen: arseen en kwik. Men vond bij een staal zelfs 164 milligram arsenicum per liter terwijl de Europese norm voor drinkwater 50 milligram per liter bedraagt. In een ander stal trof men 5 milligram kwik aan. De Europese drinkwaternorm bedraagt 1 mil- 152
ligram per liter drinkwater. Wanneer deze cijfers vergeleken worden met de normen van het water dat in België gebruikt mag worden voor de voedingsindustrie dan zien de cijfers er nog slechter uit. In dat water mag volgens de Belgische wetgever (1) 0,05 mg arsenicum per liter voorkomen. E. MEER ERNST VAN DE PROVINCIALE OVERHEID - Inhoud Vermoedelijk zijn de resultaten van het LISEC onderzoek tot bij de provinciale overheid geraakt. Op 9 november 1981 deelde men de gemeente de resultaten mee van het onderzoek dat door de arbeidsinspektie werd ingesteld. De meest opvallende resultaten waren deze: "de afval van het eigen afvalwateringssysteem en de afvalgips zouden slechts gestort worden op voorwaarde dat uit een onderzoek door een bevoegd deskundig studiebureau blijkt dat deze afval niet van aard is om het grondwater te verontreinigen, in het ander geval zou deze afval in het goethietbekken met ondringbare bodem gestort worden.... Bovendien zouden er kontrolepunten omheen het stort aangebracht worden om eventuele verontreiniging van het grondwater te kunnen onderzoeken" Verder zou het afbraakmateriaal dat er aanwezig was ver- (1) K.B. 24 april 1965, K.B. 6 mei 1966 153 kocht worden aan bouwaannemers en aldus geleidelijk verdwijnen. Al bij al leken de voorstellen op het eerste gezicht een vooruitgang. Optimistisch stelde de administratie van de Arbeidsinspektie in haar brief: "Indien de voorgestelde exploitatievoorwaarden worden nageleefd zal de hinder voor de buurt de normaal aanvaardbare grenzen zeker niet overschrijden." Maar.... - De kontroleputten konden niet veel meer doen dan het vaststellen van bijkomende vervuiling - De afbraakmaterialen konden onmiddellijk opgeruimd worden door direkte verkoop of door het te storten in een normaal stort. Over de studie van een bevoegd studiebureau zijn we niet op de hoogte. De aandachtige voorbijganger kan in ieder geval dagelijks een oude tankwagen een roodachtig vloeibaar deegachtig afval zien storten op het Overpeltse deel van de fabrieksstort. Men zich moeilijk aan de idee onttrekken dat de MHO haar lastig afval makkelijk kwijt kan op Overpeltse bodem waar men minder last heeft van het milieubewustzijn dat in het aangrenzende Lommel wel aanwezig is. Om de beslissing van de gemeente in een gunstige zin te beïnvloeden bracht het provinciebestuur het college van burgemeester en schepenen op 30 november 1981 op de hoogte van het gunstig advies van het bestuur van Stedenbouw over de exploitatievergunning. Dit gunstig advies dateerde van 17 juli 1980. Stedebouw hed toen géén bezwaren en dat is vreemd. De uitbreiding van het stort zou toen deels gebeuren in een bufferzone, groen gekleurd en aangeduid met de letter T in het gewestplan. Je kan je terecht afvragen wat de zin is van ruimtelijke ordening als men een reeds kleine bufferzone variërend van 100 tot 200 m, tussen een woonzone en een industrieel stort zomaar prijs geeft aan een stortuitbreiding. Begin februari 1982 volgde een tweede openbaar onderzoek over de gewijzigde plannen. De positie van het Lommelse gemeentebestuur bleef ongewijzigd. Van een ernstige sanering is géén sprake, meende het college van burgemeester en schepenen. Men aanvaardde wel het storten van afbraakmaterialen indien de nodige estetische aanpassingen zouden gebeuren. Geen akkoort voor het afval van de neutralisatie echter. Het dossier berust sinds 3 maart 1982 bij de provincie. 154 HET GOUDEN NON-FERRO EI - Inhoud A. DE KRISIS LEIDT TOT EEN NOOIT GEZIENE VERSTERKING VAN DE HOLDINGS. - Inhoud Niet voor iedereen blijkt de krisis verarming mee te brengen. Ze veroorzaakt machtsverschuivingen in de Belgische industriewereld als nooit te voren. De grootste machtskoncentratie, ooit gezien in dit land, voltrok zich in december '81. De GENERALE MAATSCHAPPIJ, de grootste Belgische holding heeft toen de UNION MINIERE opgeslorpt. Hierdoor kreeg de GENERALE voor 100% kontrole over de Belgische- en een deel van de Europese Non-Ferro industrie. De holdings blij ken hun aktiviteit meer en meer op een paar sleutelsektoren te koncentreren. De GENERALE trekt zich zoveel mogelijk terug uit de voor haar minder winstgevende staalsektor. Ze legt zich vooral toe op de uitbouw van multinationals in sterk renderende spitssektoren: de Non-Ferro, engineering, energie...Of zoals ze zelf in haar laatste jaarverslag formuleert: "De direktieraad is immers vast besloten, nieuwe stappen te zetten op de weg van de koncentraties der participaties van de portefeuille in enkele sleutelsektoren die veelbelovend zijn voor de toekomst. "De financiële middelen die de groep hiervoor nodig heeft haalt ze: "(...) uit de verkoop van participaties van de portefeuille die niet in de door de direktieraad vastgelegde strategie zouden passen."(1) B. DE GENERALE MAATSCHAPPIJ. - Inhoud De Generale Maatschappij of de Société Generale, niet te verwarren met de bank die dezelfde naam draagt, is een holding. Dit wil zegen: ze oefent geen industriële- of handelsaktiviteit uit, maar houdt de aandelen van de andere maatschappijen in haar bezit. Men noemt dit: aandelen "in portefeuille 155 hebben,,. Holdings worden dan ook wel eens "portefeuille- maatschappijen" genoemd. Indien een holding voldoende aandelen van een maatschappij in haar bezit heeft, kan ze deze ook kontroleren, d.w.z. het beleid ervan bepalen. Strikt genomen zou men daartoe de helft van de aandelen "in portefeuille" moeten hebben. De praktijk is echter anders. Vele aandelen zijn in handen van kleine, versnipperde aandeelhouders, die niet komen opdagen op de algemene vergaderingen. Anderzijds bestaan er bepaalde machtsverhoudingen en afspraken tussen de grote aandeelhouders. Zodoende kan men reeds een bedrijf kontroleren met 20% tot zelfs minder van het totale aandelenpakket. C. DE MACHTSKONCENTRATIE IN DE NON-FERRO. - Inhoud Hieronder volgen de voornaamste machtskoncentraties die de GENERALE eind '81 wist door te voeren: 1) De Generale koopt alle aandelen van Tanks op: Een operatie die haar ongeveer 2 miljard zal kosten. Tanks kontroleerde: 17,6% van de Union Minière 90% van de Benguela-spoorweg in Angola 10,2% van Ashton Mining dat veelbelovende diamantvelden bezit in Australië. 50% van Tanks-Oil, een maatschappij die werkt op de uitbating van de olie en gasvelden van de Noordzee. 2) De Generale neemt een deel van de Finoutremer op. De holding Finoutremer bezat 11 % van de aandelen van Union Minière, met een waarde van 490 miljoen frank. Deze aandelen werden afgestaan aan de Generale waarvoor in ruil 640.000 aandelen van de Generale werden geleverd. Het eigen kapitaal van Finoutremer werd bijgevolg verminderd van 1,9 miljard tot 1,4 miljard frank en elke bezitter van 2 aandelen Finoutremer kreeg 1 aandeel Generale Maatschappij in handen. 3. De Generale slorpt de Union Minière op. Paul Emile Corbiau, voorzitter van de Union Minière en tot '80 goeverneur van de Generale, tevens voorzitter van MHO, 156 laat op december '81 beslissen dat de Union Minière in haar huidige vorm ontbonden wordt. Het hele bezit van de Union Minière wordt overgedragen aan de Generale die voor 9 tienden van een Union-Minière aandeel, 5 aandelen van de Generale uitkeert. De Union Minière beschikte over eigen middelen (kapitaal en reserves) ten bedrage van 24 miljard frank. In haar activa bezat zij voor 11,6 miljard aandelen in ondernemingen hoofdzakelijk in de non-ferrosektor en voor 10 miljard liquide middelen (korte schuldvorderingen en beleggingen). In 1980 keerde deze maatschappij aan haar aandeelhouders nog voor 612 miljoen frank aan divident uit. Na deze operatie worden alle belangen van de Generale in de non-ferrosektor gegroepeerd in een nieuwe Union Minière die voor 100% van de Generale afhangt en die vrijwel de hele Belgische non-ferro beheerst. D. DE HUIDIGE SITUATIE: IN DE NON-FERRO: DE ALOMTEGENWOORDIGE GENERALE MAATSCHAPPIJ VAN BELGIE. - Inhoud De nieuwe Union Minière kontroleert zo vandaag de volgende kanjers van wereldformaat uit de Belgische non-ferro familie: 1. Metallurgie Hoboken-Overpelt. Met haar 6700 personeelsleden en een omzet van zo'n 80 miljard frank is dit de grootste non-ferroproducent in België. Ze heeft drie vestigingen: Hoboken, waar lood (en de bijkomende milieuvervuiling), edelmetalen en blisterkoper geproduceerd wordt; Olen, met elektrolytisch- en continu gegoten koper, kobalt, halfgeleiders (germanium en silicum) en vroeger ook radium en uranium (waarvan de gevaarlijke afval nog steeds op de fabrieksterreinen aanwezig is); Overpelt, met hoofdzakelijk zinkprodukten. 157 2. Société des Mines et Fonderies de Zinc de la Vieille Montagne. Hier zijn nog zo'n 3800 personeelsleden tewerkgesteld. In België zijn er verschillende vestigingen (Balen-Wezel, Viviez, Flóne) waar zink en lood wordt geraffineerd. Daarenboven exploiteert ze verschillende mijnen in Zweden, en is ze ook aktief in Frankrijk en de Bondsrepubliek Duitsland. 3. Compagnie Royale Asturienne des Mines. Na Vieille Montagne is dit de tweede belangrijkste zinkproducent met een omzet van 4,5 miljard. Deze maatschappij naar Belgisch recht is een echte multinational. Het grootste deel van het zakencijfer wordt in Frankrijk gerealiseerd. Daarnaast is ze nog bedrijvig in Marokko en Portugal. Ze is vooral afgestemd op mijnontginning, zink- en loodraffinage. 4. Société Générale des Minerais. Deze maatschappij is een handelmaatschappij. Ze verwerkt of wint zelf geen ersten, maar houdt zich bezig met de inkoop ervan en de verkoop van de afgewerkte non-ferroprodukten. Daarnaast zorgt ze voor laden, lossen en stockeren. Te Antwerpen baat ze een modern uitgruste afdeling uit aan het kanaaldok BI. 5. Méchim. Dit is een engineeringsmaatschappij, dit wil zeggen een bedrijf dat zich vooral toelegt op het bestuderen en uitwerken van de technologie om non-ferroinstallaties en fabrieken te moderniseren of op te richten. Meestal treedt ze op als de praktische uitvoerder bij de verkoop van de patenten van de groep. 6. Société de Prayon. Deze maatschappij heeft met haar dochteronderneming Soc. 158 Industrielle de Prayon op het vlak van technologie van de fosfaatproduktie, verschillende fel begeerde patenten verworven. Hierdoor bekleedde Prayon een belangrijke positie op het vlak van de produktie van diverse meststoffen en andere chemische produkten. Ongeveer 1/3 van de omzet ging naar non-ferroprodukten, vooral zink. Door de krisis op de zinkmarkt geraakte Prayon in moeilijkheden. De Generale weigerde nog verder kredieten te verlenen aan haar dochteronderneming. Prayon vroeg een gerechterlijk akkoord aan. Resultaat: de zinkelektrolyse werd gesloten, honderden werkplaatsen werden vernietigd. Maar de sektoren chemie en meststoffen van Prayon, waar de Generale nog veel geld kan uithalen werden wel overgenomen. E. METALLURGIE HOBOKEN-OVERPELT: DE BELGISCHE NON-FERRO REUS. - Inhoud In 1906 werd door ingenieur Joseph Leemans de "Société Générale Métallurgique de Hoboken" opgericht. Te Hoboken bestond al van in 1887 een ontzilveringsfabriek en een loodraffinaderij. Te Olen werd in 1912 een fabriek gezet voor de vervaardiging van chroomzouten en terpentijnderivaten. Maar in haar laboratorium ging de aandacht spoedig uit naar de koper en kobaltmetallurgie. Hier konden de Katangese ertsen van de Union Minière worden verwerkt. Te overpelt werd in 1913 de "Compagnie des metaux d'Overpelt et Lommel" gesticht. Deze metaalfabrieken, waar vooral zink en cadmium werd verwerkt fusioneerde in 1970 met de Métallurgie Hoboken tot de huidige reus Métallurgie Hoboken-Ovrpelt of MHO. MHO is momenteel de voornaamste producent van koper in Europa, en één van de belangrijkste van lood, zink en tin. Voor kobalt en germanium is MHO zelfs de belangrijkste wereldproducent. 1. Rendabiliteit en tewerkstelling. - Inhoud In 1979-80 kende MHO een topjaar met rekords: 767 miljoen netto-winst en 2000 miljoen investeringen. De beheerraad be- 159 sloot hieruit in haar jaarverslag: "Aldus is eens te meer het bewijs geleverd van de logische aaneenschakeling rendabiliteit, groei en werkgelegenheid." Een refreintje dat door patronaat, regering, pers en zelfs sommige vakbondsverantwoordelijken tot vervelens toe wordt herhaald. De arbeiders van MHO hebben het afgelopen boekjaar kunnen proeven wat die aaneenschakeling voor hen betekent. 196 arbeidsplaatsen zijn op één jaar tijd vernietigd. De tijdelijke werkloosheid werd ongeveer verdrievoudigd. In Olen en Overpelt moest de meerderheid van de arbeiders tussen de 20 en 30 dagen doppen op een jaar tijd. De komende verwachtingen van de MHO direktie te Olen: nog een verlies van minstens 200 werkplaatsen". 2. Hoge lonen oorzaak van verminderde konkurrentiepositie ? - Inhoud Een tweede liedje dat patronaat en regering in koor weet op te voeren, telkenmale als er moet bezuinigd worden. Maar deze bewering gekonfronteerd met de feiten en de naakte cijfers is niet vol te houden. Van belang hierbij is de evolutie van de loonkostenfaktor sinds het begin van de krisis ('74) te bekijken. In de volgende bijdrage hebben we getracht deze evolutie vanuit verschillende zijden te benaderen. Personeelskost in funktie van de omzet. Van elke 100 frank die MHO produceert en verkoopt, ging 8 jaar geleden 13 fr. naar de lonen van de arbeiders en bedienden. In het topjaar '79/'80 was dit nog maar 6,5 fr.. In 80/81 bedroeg dit 8,4 fr. Konkreet wil dit zeggen, dat als de lonen met 12 a 15% stijgen, de verkoopprijs van de goederen maar met 1% toeneemt, als MHO en de bedrijven waarvoor zij produkten verwerkt, eenzelfde winstmarge aanhouden. Personeelskost in funktie van de toegevoegde waarde. Het is klassiek dat het patronaat tegenover argument 1) inbrengt: "De loonkost vergelijken met de omzet is niet korrekt, want hierin is de aankoopwaarde van de metalen begrepen. Men moet de loonkost vergelijken met de toegevoegde waarde van de onderneming." De toegevoegde waarde is die 160 waarde die de onderneming toevoegt (door manarbeid, energie, werkmateriaal...) aan de grondstoffen die ze aankocht, om te komen tot het produkt dat ze terug op de markt verkoopt. Berekeningen tonen aan dat het aandeel van de personeelskost in de toegvoegde waarde bij het begin van de krisis ('74) rond de 70% bedroeg. In 80/81 bedroeg dit aandeel nog maar 64%, en met de grote inlevering aan koopkracht het afgelopen jaar verwacht men een daling van het loonkostaandeel minder dan 60%. M.a.w. MHO is erin geslaagd het loonkostenaandeel relatief met meer dan 16% te verminderen. De lonen en de andere kostenfaktoren Bijgevoegde grafiek geeft de evolutie van de loonkost per gepresteerd uur weer in vergelijking met de evolutie van een aantal belangrijke kostenfaktoren. Het deel van de opbrengsten dat naar de banken gaat is op vijf jaar vermenigvuldigd met 8 (financiële lasten). De energieprijzen zijn in diezelfde periode toegenomen met een faktor 2,35. Het deel dat naar de lonen per gepresteerd uur gaat is vermenigvuldigd met 1,5. Maar wat de arbeiders op datzelfde uur presteerden is toegenomen met 3,2. (zie bijlage 3) Loonkost en loonbarema's. De cijfergegevens hierover konden niet meer uit het jaarverslag van MHO 80/81 gehaald worden. Daar MHO hierin niet meer sprak van loonkostenevolutie per gepresteerd uur. Het valt eveneens op dat in tegenstelling tot de vorige jaren het patronaat in haar rubriek: "sociale relaties" met geen woord rept over de "stijgende loonkost". Vanaf dit jaar heeft ze het in haar jaarverslag alleen over de stijgende loonbarema's (= brutolonen van de arbeiders). Het is een staaltje van statistische manipulatie. De loonkost is gelijk aan bruto-loon plus RMZ van patronale zijde. Door de operatie Maribel werd de RMZ voor het patronaat sterk verminderd. We schat- 161 ten dat dit voor het MHO-patronaat een cadeau betekent van 200 miljoen per jaar. Deze relatieve daling van de loonkost zou al te doorzichtig aantonen dat de arbeiderslonen niet de schuld zijn van de stijgende lasten voor de ondernemingen. Alleen de weergave van de evolutie van de loonbarema's kan de kurve nog voldoende doen stijgen. We zijn benieuwd welke statistische goocheltoeren het patronaat bij een volgend jaarverslag gaat uithalen, nu door de inleveringen ook de loonbarema's zullen gedrukt worden. Maatregelen en resultaten. "Voldoende rendement van alle werknemers door het werk uit te voeren met de zorg van een goede huisvader of huismoeder". Dit is één van de punten uit een mededeling van de personeelsdirektie waarmede MHO een goed jaar geleden een bezuinigingskampanje startte. Op 29 september 1981 lanceerde het Non-ferro patronaat een bezuinigingsplan dat inhield: 1. afgeven van 1/2 uur arbeidsduurvermindering, de
helft van de eindejaarspremie omzetten in verlofgeld met ontduiking van
patronale sociale bijdragen en uitstel van uitbetaling ervan, aantasting
van de index... De gezamenlijke maatregelen moesten 3 tot 5% van de loonmassa opbrengen, zo'n 300 miljoen. De maatregelen betekenden een doorbreken van de CAO. Ze kwamen nog geen half jaar nadat was gebleken dat MHO een rekordwinst van 770 miljoen boekte met 2000 miljoen aan investeringen. De 3 vakbonden verwierpen éénsgezind het plan. Eén jaar later: 1. Wat MHO er niet doorkreeg deed de regering in haar plaats. De voorbije regeringstreinen leverden MHO 4 tot 5% op de loonmassa op. Dit overtreft wat MHO aan inlevering had gevraagd. De reaktie van de vakbondsleiding: ACV liet de treinen zonder skrupules passeren, de ABVV-leiding kon en wilde soms niet de arbeiders voldoende sterk mobiliseren. 2. Voor bijna alle afdelingen over de drie zetels blijkt de pro- 162 duktiviteit fors te zijn toegenomen. Op sommige afdelingen met meer dan 1/3 meer dan het jaar voordien. 3. Het aantal keren dat de arbeiders ziek werden is tot bijna de helft gedrukt. Huisartsen meldden ons dat sinds de start van de bezuinigingskampanje zieke MHO arbeiders tegen alle gezondheidsregels in, toch terug aan het werk wilden. Dit is een gevolg van de schandalige psychologische druk die de MHO direktie uitoefent door o.a. langdurig zieke arbeiders af te danken en door te zwaaien met het spook van de werkloosheid. Arbeiders die ziek worden, worden door de direktie op tijdelijke dop gezet, nog voor dat het ziekenbriefje is binnengebracht, indien de direktie daartoe de kans ziet. De feiten weerleggen de redenering van patronaat en regering. Voor het patronaat waren al deze maatregelen "noodzakelijke zuurstof om te kunnen investeren en zo werk te scheppen." Vorig boekjaar 80/81 scoorde MHO nog schitterend: bijna 400 miljoen nettowinst en 1500 miljoen investeringen. Voor dit jaar worden nog hogere winstcijfers verwacht. MHO is bovendien één van de beperkte reeks ondernemingen die voordeel trekt uit de voorbije devaluatie van de Belgische frank, (naar Trends) Het patronaat kreeg alles waarvan het droomde. Maar de tewerkstelling daalde sterk en de verwachtingen zijn zelfs verontrustend. Nu plots beweren direktieleden dat MHO wel eens in de rode cijfers zou kunnen komen. Ongelooflijk maar waar: niettegenstaande dit tewerkstellingsverlies blijkt MHO ettelijke miljoenen staatssubsidies te krijgen onder de vorm van "aanwervingspremies" van het plan Dewulf. 3. Milieu en tewerkstelling. - Inhoud Sinds '73 wordt er door de Hobokense bevolking, samen met het aktiekomitee "PAL" - Pluralistische Aktiegroep tegen Loodvergiftiging - en de groepspraktijk van de PVDA, gestreden tegen de loodvervuiling van MHO aldaar. Deze strijd leidde in mei '78 tot het opleggen van een 23-punten programma aan MHO, om tot sanering van het milieu te komen. Sindsdien werd MHO verplicht tot extra-investeringen ter gezondmaking van het milieu voor een bedrag van 950 miljoen. (3) Voor MHO en andere vervuilende bedrijven is het behoud 163 van de rendabiliteit en de tewerkstelling het klassieke argument waarmee ze de milieustrijders en overheid proberen rond de oren te slaan. Maar, nogmaals, de resultaten van MHO sinds de start van hun extra milieuïnvesteringen, tonen aan dat kiezen tussen tewerkstelling en milieusanering een valse keuze is. Integendeel, wat MHO kan presteren ter sanering van het milieu ligt nog veel hoger, (zie bijlage 2) 1. MHO wist ondanks de extra 950 miljoen investeringen, haar reserves over de laatste 3 boekjaren met meer dan 1 miljard op te trekken. Aan de aandeelhouders en beheerders werd 1256 miljoen aan vergoedingen uitgekeerd, zonder dat die heerschappen hiervan één frank terug in het bedrijf investeerden. 2. MHO gaat er prat op internationaal aan de spits te staan met haar "know-how" en de ontwikkeling van nieuwe technologie. Een konkreet voorbeeldje: De "Speis-afdeling" te Olen. In 1980 werden te Olen nieuwe installaties in gebruik genomen om afval van koper en lood ertsen te valoriseren. Die moesten tot nu toe worden weggegooid. Maar ze bevatten nog nikkel, koper, kobalt, arseen en edele metalen. MHO investeerde een kleine 1,5 miljard om deze installatie te ontwikkelen. Het onderzoek w'erd afgedaan met medewerking van het "Instituut voor Wetenschappelijk Onderzoek in de Nijverheid en de Landbouw" (IWONL). Een instituut dat doorgaans het onderzoek en op puntstelling van eigen ontwikkelde installaties van Belgische ondernemingen voor 50% subsidieert. Als MHO er 1,5 miljard tegen aangooit om het laatste greintje kostbaar metaal te rekupereren, dan kan ze dat ook om te voorkomen dat bv. het lood het milieu te Hoboken bevuilt. Volgend stukje uit Trends (een blad voor kapitaalbeleggers) geeft aan welke de beweegredenen voor MHO kunnen zijn om in sommige gevallen wel en in andere niet, te investeren om metalen te rekupereren: "Niet alleen speelt de verwerking van afvalstoffen ook een belangrijke rol op ekologisch gebied - al zijn de bewoners rond de fabriek hier misschien minder van overtuigd - nog minder mag vergeten worden welke belangrijke troef deze verwerking betekent op het vlak van de bevoorrading en de deviezen." (4) 164 4. Witte, zwarte en grijze winsten. - Inhoud MHO maakte in '80-'81 boekhoudkundig 394 miljoen frank winst. Maar dit cijfer is helemaal geen weerspiegeling van de werkelijke winsten die de arbeiders hebben geproduceerd. Het kapitaal beschikt over verscheidene kunstgrepen om de winstcijfers boekhoudkundig (en dus fiskaal) te drukken. Voor een grote onderneming als MHO is het zo zelfs mogelijk om zichzelf boekhoudkundig in de rode cijfers te werken, maar in werkelijkheid toch nog forse winsten op te strijken. Welke goocheltoeren haalt MHO zo uit om dit doel te bereiken? 1) Extra-winsten buiten de resultaten houden: In '79-'80 bedroeg de netto-winst 767 miljoen, dit was het dubbele van de winst die MHO het jaar voordien boekte. Maar de werkelijke winst bedroeg 1520 miljoen. Hoe werden 753 miljoen uit de boekhoudkundige winstcijfers weggehaald? - 640 miljoen werd uit de rubriek "uitzonderlijke opbrengsten" gehaald en werd overgepompt naar de rubriek "uitzonderlijke kosten", dat wil zeggen bij de beschikbare reserves van MHO gevoegd. Deze 640 miljoen komt voort uit een herwaardering van de grondstofvoorraden - dit betekent o.a. dat de waarde van de voorraden van de wereldprijzenmarkt gestegen is - plus uit spekulaties van MHO op de wereldmarkt. - 68 miljoen haalde MHO nog uit de verkoop van woningen (bv. citéwoningen aan arbeiders verkocht), hoewel deze al lang afgeschreven waren en zo boekhoudkundig 0 frank waard zijn. Dit bedrag ging hoofdzakelijk naar de "vrijgestelde reserve". Dit betekent dat MHO op dit bedrag vrijgesteld wordt van belastingen. - 44,8 miljoen werd overgedragen uit de winst van vorig jaar. Daarbij is het niet moeilijk voor dergelijke ondernemingen om door middel van zwart geld, geheime kommissielonen m.b.t. buitenlandse transakties of verdoken opbrengsten de winstcijfers nog meer te drukken. Zo kwam drie jaar geleden aan het licht dat te Hoboken voor honderden miljoenen aan goud werden verduisterd. Dit spelletje had jaren geduurd, zonder dat MHO daar boekhoudkundig enige hinder van ondervonden had. 2) Alles netjes in dezelfde familie houden. - Inhoud MHO kan een groot deel van de geproduceerde meerwaarde 165 (of winst) overpompen naar zustermaatschappijen. Zo blijft alles in handen van dezelfde eigenaars. Energie: MHO betaalde zo'n 2 miljard aan energie. "Overpelt is op het vlak van de kostprijs voor elektrische energie, ernstig benadeeld ten opzichte van de smelters van de andere Europese landen waarvan sommigen veel gunstigere tarieven kennen. Het verschil ligt gewoonlijk tussen 20 en 30% en bedraagt soms nog veel meer", stelt het jaarverslag van '81. De energieproducenten (Soc. Traction et Electricité, Electrobel, Petrofina...)behoren echter allen tot dezelfde familie als MHO. Paul-Emile Corbiau is buiten voorzitter van MHO, ook beheerder bij Petrofina. Charles Lejeune, afgevaardigde beheerder van MHO, is eveneens beheerder bij Electrobel en het elektriciteitsbedrijf Unerg. Pierre Oury en Adolph Paulus hebben buiten hun beheerdersmandaat bij MHO, mandaten bij Traction et Electricité en Ebes. Technologie: Continalod is een procédé dat anoden kontinu giet. Het werd in Olen ontwikkeld. De verkoop aan de VS is gestart. Het con- trirod procédé (kontinu gieten van koperdraad) werd reeds aan twaalf landen verkocht. Zinkelektrolyses werden verkocht aan Peru, Thailand en Joegoslavië. Koperelektrolyses aan Zaïre, Zuid-Korea en Polen. Lood- en zilverraffinaderijen aan Bolivië. de meeste van deze verkopen gebeuren via de zustermaatschappij Mechim. De banken: Na het topjaar '79-'80 van investeringen en leningen, bleken het afgelopen boekjaar '80-'81 geen leningen meer afgesloten te zijn. Daarentegen stegen de financiële lasten (= interesten), doordat de banken steeds hogere interestvoeten eisten. Het geld is hoofdzakelijk naar de zustermaatschappij De Generale Bankmaatschappij gegaan. Grondstoffen: In het jaarverslag doet MHO zijn beklag dat er niet voldoende winst is gemaakt omdat de grondstofverkopers buitensporig hoge prijzen vragen. Het verslag vermeldt echter niet dat die grondstofverkopers voor het grootste deel tot de Société Gé- 166 néralefamilie behoren, als daar zijn: Union Minière, Vieille Montagne, Asturienne, Soc. Gén. de Minnerais. Deze laatste zustermaatschappij verwerkt al de kontrakten van MHO voor aankoop van grondstoffen, verkoop van produkten enz. Daarvoor ontvangt ze een vergoeding, die om en bij de 2,5% van de verwerkingskosten zou liggen. Hierbij komen nog allerlei kommissielonen, die indien ze betrekking hebben op handelskontrakten met het buitenland, geheim kunnen blijven, d.w.z. fiskaal vrijgesteld en onbekend. Aandeelhouders en beheerders: Deze heren hebben geen frank moeten inleveren. Integendeel, de gemiddelde vergoeding van de beheerders steeg met 15%. Ook in '81 werd 375 miljoen aan divident uitgekeerd wat maakt dat de "dotaties aan de reserves" (= deel van de winst dat in de onderneming blijft) NUL frank bedraagt. Op 10 jaar tijd keerde MHO meer dan 5 miljard (aan de huidige geldwaarde) uit aan de beheerders en aandeelhouders. Hiervan werd geen frank terug in de onderneming geïnvesteerd. De 31 beheerders en kommissarissen streken 34,7 miljoen aan bezoldigingen en 23,8 miljoen aan tantièmes (= deel in de winst) op. Gemiddeld werd aan ieder van hen 1.990.000 fr. uitbetaald, wat 15% meer is dan wat ze vorig jaar kregen. Daarbij zitten dezelfde heren in nog vele andere beheerraden, tegen nog evenveel andere vergoedingen. Ze zetelen tegelijkertijd in de non-ferro-, de bank-, de energie-, de verzekerings-, de staal-, de scheepsbouw-, de rederij-, de voedings- en de bouwsektoren, zowel in Vlaanderen als in Wallonië. Enkele tientallen heren blijken zo de belangrijkste sektoren van 's lands ekonomie te beheren. Zowel de zogenaamde verlieslatende als de superwinstmakende sektoren, zijn onder kontrole van dezelfde families. 167 De staat als suikertante. Door kapitaalpremies, rentetoelagen, navorsingssubsidies, versnelde afschrijvingen, vrijstellingen van onroerende voorheffing op investeringen, plan De Wulf, premies stagiairs, belastingvrijstellingen op reserves, Maribel-operatie... kreeg MHO vorig jaar naar schatting 430 miljoen subsidies en belastingsvrijstellingen. Dit komt overeen met 85.000 fr. per tewerkgestelde arbeider. Vergelijk dit bedrag met de betaalde vennootschapsbelasting in '80-'81: 202 miljoen belastingen - 42 miljoen teruggetrokken 160 miljoen effektief betaald.
Bronnen: (1) Jaarverslag Generale Maatschappij van België
p.8 1981 168
Aan onze universiteiten worden onze toekomstige geneesheren soms volgepropt met kennis over zeer zeldzame ziekten, terwijl men niets leert over de veel voorkomende vergiftiging door zware metalen. 169
Bij kinderen zijn zware metalen dubbel gevaarlijk omdat ze zich makkelijk vastzetten in levensbelangrijke organen, zoals de hersenen en het skelet. Groeiachterstand, moeilijkheden met sport en op school zijn het resultaat. 170
Onder de schouw...het huisje van de metaalwerker.
Tussen het weelderige groen...het paleis van de direkteur. 171
Eén der voornaamste aandeelhouders in gesprek met de aandeelmak(k)ers. Uit: "Brief aan Boudewijn" 1980 Door Walter van den Broeck onderscheiden met de H. R. Holstprijs 1982. "Tijdens een bezoek aan een Kempischefabriek stapte U uiten keek U recht op een stralend gazon met hier en daar een jeugdig berkje. De werklieden wisten echter al jaren dat kilometers in de omtrek niet één enkel grassprietje kon groeien wegens de uitwasemingen van het bedrijf. " "Daags tevoren hadden uw specialisten met grote vrachtwagens vele vierkante meters gazon-op-kippegaas aangevoerd en hem over de verschroeide aarde uitgerold. De berkjes had men op de nabijliggende heide geroofd en in het gras geplant hopend dat de blaadjes fris zouden blijven tot na uw vertrek. " "Daardoor denkt U natuurlijk dat al die allarmerende berichten omtrent vervuiling van uw land aan het br^in van overspannen groenfanaten zijn ontsproten. " 172
President Mobutu van Zaïre bracht een bezoek aan onze koperraffinaderij te Olen. (Eigen kommentaar van MHO bij deze foto) Op 18 januari jongstleden heerste er een feestelijke stemming rond onze fabrieken te Olen. In de vroege namiddag kwamen lange rijen schoolkinderen zich opstellen langs de Gestelenstraat in de opgeving van het voetbalveld, dat die namiddag als "Heliport" dienst deed. De ordediensten werd op de openbare weg verzekerd door dc plaatselijke politie en rijkswacht. Verschillende straten waren mooi bevlagd. Omstreeks vijf minuten voor drie uur werd gesignaleerd dat president Mobutu, vergezeld door minister Chabert, in de haven van Antwerpen per helikopter was opgestegen. Onder luid gejuich van de vele kinderen landde het toestel met president Mobutu stipt op tijd. De president werd verwelkomd door de heer P.E. Corbiau, Voorzitter van onze maatschappij, samen met de heren Lejeune, Beheerder-Directeur Generaal, en Poncelet, Beheerder-Directeur. De heer burgemeester Poortmans sprak een kort welkom uit, en het ganse gevolg werd onder een indrukwekkende begeleiding van de bereden politie naar de fabriek begeleid. De perslui van radio, televisie en kranten, zowel nationale als internationale, waren in groten getale aanwezig. 173
Zolang er nog geld is voor beheerders en aandeelhouders, is er ook nog geld voor de gezondheid van onze kinderen. 174
De vervuiler betaalt! Zelfs CVP minister Lensen gaat hiermee akkoord. Maar alleen het volk kan MHO (lees de Société Générale) dwingen de milieurekening echt te betalen. 175
176 Beheerders van MHO met hun belangrijkste beheersmandaten, die ze de laatste drie jaren bekleedden of bekleed hebben. CORBIAU Paul-Emile Goeverneur van de GENERALE MAATSCHAPPIJ VAN BELGIE (tot '80) Voorzitter raad van beheer van C.M.B. Prayon (tot '80) UNION MINIERE VIEILLE MONTAGNE Voorzitter en afgevaardigd beheerder van MHO Beheerder van ASTURIENNE DES MINES MANUFACTURES DE CABLES ELECTRICITE ET DE CAOUTCH. PETROFINA DERRIKS Joseph Ondervoorzitter raad van beheer MHO MANUFACTURES DE CABLE ELECTR. Afgevaardigd beheerder UNION MINIERE Beheerder van SOGEFOR BELGOLAISE LEJEUNE Charles Afgevaardigd beheerder MHO Ondervoorzitter USINE A CUIVRE ET A ZINC DE LIEGE Direkteur GENERALE MAATSCHAPPIJ VAN BELGIE Beheerder van CARBOCHIM SADAMEC VIEILLE MONTAGNE CMB UNERG (tot '80) CFE (tot '80) ASTURIENNE DES MINES ELECTROBEL UNION MINIERE SIBEKA De laatste vier beheersmandaten werden in '81 erbij gekumuleerd. SOENS Marcel Beheerder-Direkteur-Generaal MHO 177 LEROY Jean Beheerder-Direkteur MHO Beheerder CABLERIES ET CORDERIES DU HAINAUT Beheerder USINES A CUIVRE ET ZINC DE LIEGE PONCELET Jacques Beheerder-Direkteur MHO Beheerder BELREF CABLES ET CORDERIES DU HAINAUT USINES A CUIVRE ET ZINC DE LIEGE BOUCHAT Michel Beheerder MHO Beheerder-Direkteur UNION MINIERE Beheerder SOGEFOR PRB PRAYON (tot '80) ASTBRIENNE DES MINES Adviseur bij GENERALE MAATSCHAPPIJ VAN BELGIË VIEILLE MONTAGNE DANNAUX Pierre Beheerder MHO USINE A CUIVRE ET A ZINC DE LIEGE Adviseur bij GENERALE MAATSCHAPPIJ VAN BELGIË DEGROOF Marcel Beheerder MHO Ondervoorzitter INTERSELEX-CAPITAL FUND INTERSELEX PACIFIC FUND Beheerder INTERCOM PRAYON FINOUTREMER GLACERIES ST. ROCHE DELLOYE Charles-Jean Beheerder MHO Beheerder COCKERILL (tot '80) Voorzitter-Afgevaardigd Beheerder TOLERIES DEL- LOYE-MATTHIEU Kommissaris VIEILLE MONTAGNE 178 UNERG DE MERRE Pierre Beheerder MHO Beheerder CABLERIES ET CORDERIES DU HAINAUT Beheerder-Direkteur UNION MINIERE HENRION Robert Beheerder MHO Voorzitter raad van beheer BELGOLAISE HOOD Alexander Beheerder MHO UNION MINIERE MEYERS Paul Beheerder MHO Beheerder GEMEENTEKREDIET VAN BELGIE Adviseur GENERALE MAATSCHAPPIJ VAN BELGIE OURY Pierre Beheerder MHO ACEC SOFINA GENERALE MAATSCHAPPIJ VAN BELGIE GENERALE BANKMAATSCHAPPIJ TRACTION ET ELECTRICITE FINOUTREMER COCKERIL SAMBRE Direkteur RENTIVEST CAPITAL RENTIVEST (tot '80) Voorzitter raad van beheer PIEUX FRANKI TIENSE SUIKERRAFFINADERIJ PAULUS Adolph Beheerder MHO COCKERILL (tot '80) ARBED LAURA EN VEREENIGING ACEC EBES UNION MINIERE 179 GENERALE MAATSCHAPPIJ VAN BELGIE Voorzitter van de raad van beheer TRACTION ET ELECTR. (tot '80) Ondervoorzitter raad van beheer CONSTRUCTIONS FERROVIAIRES CARBOCHIMIC CFE FN HERSTAL (tot '80) PLUYS Pierre Beheerder MHO CONSTRUCTIONS FERROVIAIRES TE METALLI- QUES MERCANTIELE BELIARD UNION DE REMORQUAGE ET DE SAUVETAGE EBES TRACTIONEL GENERALE BANKMAATSCHAPPIJ Direkteur van de GENERALE MAATSCHAPPIJ VAN BELGIE Afgevaardigd beheerder CMB BARON SPETH Fréderic Beheerder MHO GENERALE BANKMAATSCHAPPIJ ASSOIGNON Gerard Ereondervoorzitter raad van beheer MHO Voorzitter raad van beheer ASTURIENNE DES MINES Beheerder ARBED SIBEKA VIEILLE MONTAGNE NOKIN Max Ereondervoorzitter raad van beheer MHO Ondervoorzitter raad van beheer ARBED Beheerder SIBEKA 180 BIJLAGE (2): TABEL: RESULTATEN MHO SINDS DE START VAN DE EXTRA MILIEUINVESTERINGEN.
(1) Eigen middelen = kapitaal + reserves 181 BIJLAGE (3):
GRAFIEK: LOONKOST EN DE ANDERE KOSTENFAKTOREN
182 BIJLAGE (4): VERLOOP VAN DE FINANCIËLE LASTEN VAN MHO.
BIJLAGE (5): ENKELE PROJEKTEN WAARBIJ MHO IN SAMENWERKING MET MECHIM BETROKKEN IS. CONTIROD-PROCEDE USA Asarco Amarillo USA Nassan Recycling, Gaston, Columbia Roemenië Electronum-project, Zalan Polen Lubin, Kopercombinaat Iran Nicic, Sar-Chesmék-project Brazilië Caraïba, Bahia Frankrijk Thomson Brandt, Channy (ten noorden van Parijs) Italië Itabrame, Avelino in Zuid-Italië Engeland Rodeo LTD Japan Mexico KOPERELEKTROLYSES Iran National Iranian Copper Company (158.000 ton) Zuid-Korea Onsan (80.000 ton) Zaïre Gécamines 183 LOOD EN ZILVERRAFFINAGES Bolivië Enaf-Comibol-projekt zink ELEKTROLYSES USA In dienst in '78 (100.000 ton) USA Clarksville, in dienst in '79 Peru Oostenrijk Zuid-Korea Verwerkingséénheid voor zinkafval Joegoslavië Uitbreiding en modernisering tot 60.000 ton Thailand (60.000 ton) CHEMISCHE INDUSTRIE Zaïre Zwavelzuurfabriek, Likasi Zaïre Installatie voor receptie van koncentraten, Kolwezi Irak Installatie voor opslaan van fosfaatresten Irak Drie zwavelzuurfabrieken Irak Fabriek voor zuivering van fosfaten Joegoslavië Voor produktie van zwavelzuur en neutralisatie van jarosiet CONTINALOD USA 184
185 BIJLAGE (7): DE MACHTSKONCENTRATIE VAN DE GENERALE IN DE SEKTOR NON-FERROMETALEN. SITUATIE VOOR DE VERRICHTINGEN
HUIDIGE SITUATIE NA DE VERRICHTINGEN:
186 BIJLAGE (8): Participaties van de Union Minière in de sector van de non-ferrometalen eind 1981
(*) Als gevolg van het onder gerechteiijk akkoord plaatsen van Prayon in december 1981, werden de takken chemie en meststoffen van Prayon overgenomen door een in januari 1982 opgerichte nieuwe maatschappij, met name de Société Chimique Prayon-Rupel waarin de Société a Portefeuille de la Chancellerie (SPC) een 34,7% belang heeft. 187 Op het beeld klikken voor een horizontaal beeld, sluiten om terug te keren
"De uitwasemingen, voortkomend van de zink- en loodsmelterijen en van de fabrieken van zwavel- en fluorwaterstofzuur, zijn zo gevaarlijk voor de menschen als voor de dieren en planten. De Geneeskundige Faculteiten zeggen eenparig dat het gevaarlijk is in den omtrek zulker fabrieken te leven... Men verzekert mij dat het sterftecijfer verschrikkelijk is in de familiën der arbeiders die in de fabrieken van Lommel en Overpelt werkzaam zijn. Niemand, wetend in welke voorwaarden zij leven en werken, zal er over verwonderd zijn." (Aug. Dewinne 1912) Hoe is de situatie in 1983 ? Het grondwater is giftig door vervuiling met zware metalen. Groenten oneetbaar door besmetting met cadmium. Regelmatig vertonen arbeiders en omwonenden tekenen van vergiftiging. De weerslag van een kleine eeuw vervuiling op mensen en milieu in Noord-Limburg werd door de Werkgroep Zware Metalen van de Lommelse Patiëntenraad in deze publikatie beschreven.
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||