Hasseltse portretten, interviews door
Michel Ilsen, Etienne Joris, Armand Schreurs,
Carlo Smeets, Jean Vrijsen,
Uitgeverij Boek Zonhoven, 1989

Tin Lahon, interview Etienne Joris

Colofon

Gezet in Bookman 10 Omslag en portrettekeningen : G. Daemen. Foto's : portretten : R. Dalemans,  uit de archieven van R. Vanstreels, R. Nulens en de geïntervlewden

ISBN 90-5232-018-7 D/1989/5319/13 - NUGI 480 -
© Uitgeverij BOEK-Zonhoven 1989

*
*   *

Inhoud

De onvoltooid overleden tijd, Jos Gysen
Camile Buvens
Jef Smeets
Jos Sampermans
Paule Nolens
Louis Smeets
Gérard Dries
Martin Lahon
Alfonsine Holtappels
René Vanstreels
Paul Lecocq
Roza Vervoort
Henri Nolens
Jèn Vanwingh
Benedictus Paesmans
Louis Maris
Jacques Smeets
Fernande Deplee

Achterflap

...

Tin Lahon - Een mensch van goede wil -Inhoud

Korte tijd na mijn interview met 'Tin' Lahon, belt hij me in het holst van de nacht (zaterdagmorgen om 9 uur) uit mijn bed. Of hij nog enkele zaken die hij verteld had wat kon afzwakken... Het typeert de bescheidenheid van de man, die ondanks een meer dan behoorlijk sportief palmares de 'Poulidor van de trainers' genoemd werd.

Misschien ontbrak hem de portie arrogantie die nodig is om tot het hoogste echelon door te breken. Tin Lahon: gerenommeerde voetbaltrainer, fervent communist, crack aan de biljart, maar vooral: teder anarchist, mensch van goede wil.

Je hebt het de laatste jaren wat rustiger gekregen.

Ikben nu 71 j aar en al 6 j aar geleden gestopt met trainen. Ik heb al 10 jaar geen café meer. Ge hebt dan niets meer om handen, gevoelt u achteruitgaan. De verveling. Ge voelt u afgeschreven.

Je bent een geboren en getogen Hasselaar. Mijn ouderlijk huis stond op de hoek van de Thonissenlaan en de Dorpstraat. Vader was machinist bij de Spoorwegen. Trouwens, mijn ganse familie van vaders- en moederskant werkte daar, want het waren in die tijd omzeggens de enige staatsbetrekkingen.

Vanaf mijn 10de woonden wij in de Spoorwegstraat, op nummer 130, en ik voel mij dan ook Runkste-naar. Ik ging wel in het centrum naar school, eerst op de Ecole Moyenne, en daarna op het Atheneum. Tot mijn legerdienst heb ik nog anderhalf jaar voor accountant gestudeerd op de Hogere Handelsschool.

Je bent al vroeg met voetballen begonnen ?

Vanaf mijn 10de heb ik met de Tout Petits' van Excelsior meegespeeld en daarna natuurlijk met kadetten, scholieren en junioren. Maar na mijn 12de namen mijn ouders me al mee op café om te biljarten. In de 'Belga' op de Haver-markt stonden 2 biljarts. Ik ging ook al heel jong met vrienden naar de 'Rerum Novarum', kort bij het Atheneum. We dronken daar niets maar staken een halve frank in de biljart voor een partijtje. Op mijn 17dewas ik eigenlijkeerder een beloftevoorde biljartsport dan voor het voetbal.

Maar de legerdienst kwam als spelbreker ?

Eind '39 ging ik binnen in het Klein Kasteeltje in Brussel, bij de Schoolcompagnie van het 9de Linieregiment. Naar 't schijnt, was dat het strengste van heel België. Ik had zelf voor Brussel gekozen omdat ik graag in grootsteden woonde. Nu is dat veranderd want ge vindt er niets dan auto's. Eigenlijk is me dat tegengevallen, want als antimilitarist was ik elke week gestraft en maar om de 2 tot 3 maanden thuis.

We kregen een strenge opleiding door mensen die minder bekwaam waren dan wij dachten te zijn. In die Schoolcompagnie zaten meestal universitairen die als kleine kinderen behandeld werden door sergeanten die niet konden lezen of schrijven. Alle oversten waren franstaligen.

Toch ben Ik er geen flamingant geworden. Brussel was franstalig en ik klapte graag Frans. Na 17 maanden dienst ben ik één week thuis geweest en daarna volgde eenjaar mobilisatie. Al die tijd was ervoor mij, op een paar matchkes na, geen voetbal. In de soldatencafés stonden ook geen bil-jarts. Tijdens de mobilisatie lag ik in Eigenbilzen, en mijn broer een dorp verder, in Mopertingen. Daar werd ik ook altijd gestraft. Als sergeant trad ik niet streng genoeg op tegen de soldaten. Als er iets mankeerde, trok ik dat op me. Als ge met tegenzin ergens bij zijt, steekt natuurlijk alles tegen. In die periode ging ik wel al eens met de fiets naar huis.

En dan kwam de oorlog...

Ik was instructeur-opleider klas 40. Wij werden voor verdere opleiding naar Rieux in Frankrijk gevoerd, tegen Carcassonne. In de verte konden we de Pyreneeën zien liggen. Ik heb er nog gevrijd. In oktober '40 zijn we met de trein terug naar huis gekomen. Ik ben er nooit teruggeweest, dat kon in het begin natuurlijk ook niet.

Ben je tijdens de oorlog opnieuw beginnen voetballen ?

Ja, maar niet met Excelsior want daar had ik moeilijkheden. Ik geraakte er niet in de eerste ploeg en in '37 ben ik met de tweedeprovincialer Neer-oeteren gaan meespelen, dat op degraderen stond.


Tin Lahon maakt promotie tot sergeant.

Samen met Fons Detaille en Kamiel Buckers hebben we de 10 of 12 laatste matchen nog allemaal gewonnen. Wij werden er met de taxi naartoe gebracht en kregen 30 frank per match, genoeg voor 30 pinten en eten en alles erbij. Als we de plein opkwamen, riepen ze : "Hasselt ! Hasselt!" Een bepaalde match speelde ik tegen een medeleerling van het Atheneum. Er werden foto's genomen en de zaak is dan uitgelekt. We werden gestraft en Excelsior heeft ons laten vallen. Bij mijn terugkeer uit Rieux heb ik bijna een half jaar als buiten-rechts meegespeeld in een ploeg die aangesloten was bij de Vlaamse Voetbalbond. Ik maakte veel goals en stond elke week in de kranten. Excelsior is toen thuis geweest; ik mocht meespelen met de eerste ploeg, waar ik tot ruim in mijn 39ste nooit meer uitgeweest ben. Alhoewel ik me nooit verzorgd heb. Zelfs na kwetsuren kwam ik direct terug in het eerste elftal. Eerst als middenvelder, de laatste jaren als stopper. Ik was heel impulsief en moest soms mee naar voor om druk uit te oefenen. De tegenstrever vond dat ik bruut was, maar ik heb nooit iemand neergestampt. Ik heb in al die jaren maar één penalty gemaakt en dat was dan nog een aangeschoten bal. Hard ben ik altijd geweest; nu heb ik nog niet gemakkelijk pijn.

Het waren wel turbulente oorlogsjaren...

Door mijn broer Jean kwam ik in '43 bij de partizanen. Jean was onderbureelchef op het stadhuis en zorgde voor valse passen. Hij werd verraden en samen met een 50-tal anderen opgepakt door de Gestapo. Ze zijn 3 weken in Breendonk geweest, dan naar Vucht, en tenslotte naar de Pools-Duitse grens. Twee dagen voor het einde van de oorlog werd mijn broer levend begraven. Iemand van Heppen heeft me dat verteld. Zelf ben ik eind '43 voor bijna één jaar ondergedoken in de bossen van Nieuwerkerken, bij boerenmensen. Ik had ook een valse pas, anders had ik naar Duitsland gemoeten. Omdat ik bommen kon maken, werd mijn hulp gevraagd bij de sabotage van spoorwegen en de riolering onder de St.-Truidersteenweg. We zijn dan nog moeten gaan lopen, met de tanks achter ons, over prikkeldraad. Achteraf wist ik niet hoe ik daarover geraakt was.

Onder de oorlog werkte ik op het Land- en Tuin-bouwministerie. Normaal moest ge Duitsgezind zijn om daar binnen te geraken, maar als voetballer bij Valvekens lukte het me. Vanaf '43 verdwenen veel koeien spoorloos en ik werd daarvan verdacht. Tijdensde ondervraging op het bureau ben ik uit het venster van de eerste verdieping gesprongen, de fiets op en weg. Naderhand werd ik aangehouden en 21 dagen vastgehouden in het prison van de Martelarenlaan, 100 meter van het appartement waar ik nu woon.

Met de ploeg van Excelsior
Staand: Bodson, Baems, Sarlee, Lahon, Wolfs, Frêderix
Zittend : Vendrix, Nulens, Driesen, Goorts, Lemmens

We zaten met drieën op een kamer, maar de gar-diens kenden me, en mijn vrouw Maai bracht me elke dag eten. Na 3 weken hebben ze me laten gaan bij gebrek aan bewijzen. Ik zei dat ik uit schrik lopen gegaan was.

Daarna ben ik bij hetzelfde ministerie nog 2,5 jaar arrondissementssecretaris voorTongeren-Maaseik geweest, met verantwoordelijkheid over 600 bedienden. Dat heeft geduurd tot de liquidatie van dat ministerie in '47.

Was je verbitterd over het gebeuren met je broer ?

Hij had het natuurlijk zelf een beetje gezocht. Maar ja, hoe geraakt ge ergens tussen ? De kameraden, het milieu...

Ik heb in elk geval niet meegedaan aan de afrekeningen naderhand want daar zitten te dikwijls onschuldigen tussen. En degenen die woedend zijn, hebben dikwijls het minste recht van spreken. En al die zaken, ook bijvoorbeeld de misdadige Bende van de Kouseband, hebben de partizanen een slechte naam doen krijgen. Dat was spijtig, vooral voor de communistische kant. Zoals ook de CCC de

partij enorm veel schade berokkend heeft. Aan het einde van de oorlog zijn wij met de hele compagnie met de geallieerden meegetrokken naar Maaseik.

Na de bevrijding ben je wel actief gebleven in de communistische beweging.

De communisten wilden natuurlijk iets overhouden van wat ze verworven hadden. Ze hadden een groot gebrek aan kaders. Mijn ouders waren socialisten want de Belgische Spoorwegen waren het brandpunt van de socialisten. Maar ik ben zelf ook niet opgevoed als communist. Ze hebben me gevraagd als sectieoverste en secretaris van de Communistische Partij. Vanaf '45 wilden ze ook meer sportmensen op de lijst. Ik was fel voor Stalin, want zijn misdaden waren ons natuurlijk onbekend. De geschiedenis wordt geschreven door de mensen aan de macht. Het is toch verschrikkelijk dat er zulke verschillen zijn : de enen zijn schatrijk, terwijl miljoenen anderen geen eten hebben. Ik ben altijd tegen onrecht geweest; ik heb altijd aan de kant van de zwakken gestaan.

Vroeger geloofde ik dat het communisme in de revolutie dat zouden veranderen, de lectuur van Marx en Lenin versterkten dat. Maar nu twijfel ik. Ikben nog altijd lid van de partij, maar de laatste 2 jaar ben ik niet meer naar de vergaderingen geweest.

Met dieren hebt ge ofwel vriendschap ofwel vijandschap. Bij mensen kan dat snel omslaan. Ik werd dikwijls misbruikt en heb nog weinig geloof in de mensen.

Vroeger werd ik door de supporters dikwijls uitgejouwd wegens dat communisme, vooral bij een fout. De medespelers met wie ik pinten dronk, wisten wel beter.

Je bent na de oorlog cafébaas geworden.

In '47 kreeg ik een uitnodiging voor een belangrijke job op het Ministerie van Wederopbouw, maar dat hield een overplaatsing naar Brussel in. Mijn vrouw wilde niet verhuizen en ik heb dan 2 jaar disponibiliteit aangevraagd.

In '48 zijn we dan op de Grote Markt café 'Excelsior' begonnen, waar nu de 'Drugstore' is. Ik deed ook in speelapparaten. Daarna hebben we op de Patat-tenmarkt 5 jaar café 'Centrum' uitgebaat. En dan tot '78 een zaak in de Kortstraat, weer met als naam

'Excelsior'. Ge wordt daar natuurlijk niet rijk van, maar cafébaas is een van de schoonste beroepen die er bestaan. Tenzij bij ziekte, zoals mijn vrouw, en ge moet een beroep doen op kennissen. En bij uw pensionering. Als ik aan de staat gebleven was, had ik een pensioen van 50 tot 60.000 frank, nu 18.000.

Was er als speler, en later als trainer, iets te verdienen met het voetbal ?

Bij Excelsior werden we altijd betaald : 350 frank per gewonnen match en bij derby's het dubbel. Tegen Sint-Truiden, Tongeren, Waterschei en Winterslag was het winnen of sterven. Er stonden 6 tot 7.000 supporters langs het terrein. Nu, dat geld was genoeg om 's zondags en 's maandags op café te gaan. Ik dronk in mijn eigen café geen pint, maar als ik uitging, kwam ik altijd zat thuis. Toen ik mijn vrijheid kreeg bij Excelsior, ben ik daar eerst 2 jaar speler-trainer geweest en daarna trainer. Het was moeilijk baas spelen over de mannen die ge zo goed kende. Daarna trainde ik 3 jaar in Bree en Schulen, 2 jaar in Herk, één jaar in Houthalen, 2 jaar in Zepperen, één jaar in Stevoort en Berbroek, 2 jaar in Beverst, één jaar in Bilzen en Hechtel, 2 jaar in Meerhout, één jaar inWesterlo en tenslotte 4 jaar bij den Haiwai.

In een sportief duel tegen Daring Brussel
met Lamoot aan de bal en Fernand Baems

Met al die ploegen eindigde ik één keer buiten de eerste 4. We speelden 5 keer kampioen en niet minder dan 11 keer tweede. Ik was de Poulidor van het voetbal. Ondanks die successenben ik op 8 plaatsen vertrokken met moeilijkheden. In Zonhoven en Houthalen haalde ik goede resultaten en we wonnen de 1/8 finale voor de Beker van België. Toch werd ik afgedankt. Ik ben nogal kort van stof en wilde niet dat het bestuur zich op sportief vlak met de zaken bemoeide. Maar dat gebeurde meestal wel, zoals sponsors nu dwang uitoefenen op trainers in eerste afdeling.

Door die houding heb ik ook mijn kans gemist om Beringen te trainen in eerste nationale. Manager Claesen kwam thuis een paar uren praten en bood me 300.000 frank. Mijn ultieme vraag was : "Wie stelt de ploeg samen ?" Zijn antwoord : "De trainer, maar hij moet het voorleggen aan de beheerraad." Onder die voorwaarde bedankte ik, maar een kwartier na zijn vertrek besefte ik dat ik een stommiteit begaan had. Maar ja, dan had ik moeten stoppen met café, alhoewel ge als trainer toch ook altijd tussen de jeugd zijt.

Je hebt als trainer ongetwijfeld ook aan minder propere praktijken moeten meedoen.

Het is nergens proper, maar ik leende me er weinig toe. Als trainer heb ik nooit een centiem gewild, wel als speler. Had de ploeg niets meer te winnen ofte verliezen, dan deed ik het wel eens voor de spelers. De mensen blijven aandringen en u vervelen en dan denkt ge : ach, het blijft toch hetzelfde.

De keren dat ik kampioen gespeeld heb, was dat met een riante voorsprong. In Bree eindigden we op de eerste plaats met gelijke punten. We hebben toen de punten in Achel willen kopen, maar we kregen ze niet.

Ik heb in het voetbal nooit iets gedaan uit geldgewin, maar alleen omdat ik het graag deed. Daarom ben ik ook anti-beroepsspeler.

Je bent er dus niet rijk van geworden ?

Op het laatste kreeg ik 80.000 frank voor een seizoen om 5 dagen per week op het terrein te zitten. Mijn succesformule was : eerlijk zijn tegenover de spelers en geluk hebben. Maar daarbij zorgde ik ervoor dat we één training per week meer hadden dan de andere ploegen in de reeks. Bij den Haiwai, waar ik het laatst was, had ik ook een fysiektrainer, de zoon van mijn broer, die ik zélf betaalde. Tel dan zelf maar.

Wat daar gebeurde, kon voor mij ook niet meer door de beugel. Het eerste jaar speelden we derde, het

tweede kampioen en het derde weer tweede. Door 2 spelers die gingen dwarsliggen, moest ik dan opstappen. Dat was voor mij het einde als trainer. Ik heb daarna nog aanbiedingen gekregen maar ik was te zeer ontgoocheld.

Je was ook niet bepaald gelukkig met de Hasseltse voetbalfusie.

Die fusie had geen zin. Van 2 arme mensen maakt ge geen rijke. Ik was niet anti-Haiwai; mijn beste vrienden op café waren van die ploeg. Maar met 2 ploegen hadden de mensen toch elke week een match. Hoeveel Hasselaren gaan hier nu nog naar het voetbal ?

Een ploeg waar ge vanaf uw jeugd speelt, die blijft u emotioneel binden. Ook al was Excelsior liberaal en vloog ik op mijn 18de als zoon van werkende mensen uit de ploeg, om er een fils a papa in te krijgen.

Na de fusie heb ik geen voet meer gezet op de Sporting, tenzij om ertegen te spelen. Met Houthalen wonnen we er met 2-3, thuis met 2-0. Dat waren

voor mij hoogdagen.

Na het voetbal ben je opnieuw gaan biljarten.

Ja, en ik kom uit in competitie voor 8 disciplines. Nadat ik met trainen gestopt ben, werd ik elk jaar in minstens één discipline kampioen van Limburg. Dit jaar moet ik afwachten. Twee jaar geleden ben ik pas op het laatst gestrand in het Belgisch kampioenschap.

En hoe vul je nu de dagen ?

In de voormiddag maak ik eten, 's namiddags ga ik dikwijls alleen oefenen voor het biljarten in de 'Herckenrode'. Ik dacht naar de Seniorenclub te gaan maar dat heb ik na één keer afgezworen. Dan zit ge altijd tussen oude mensen en meestal zijn dat dan nog kadodders. Ik ben liever tussen mensen die mijn levensopvatting delen. Maarja, van de 250 leden die hier bij de Communistische Partij aangesloten waren, blijven er bijna geen meer over.

E.J.

*
*   *

Achterflap

Vijf Hasselaren - (v.l.n.r.) Michel Ilsen, Etienne Joris, Armand Schreurs, Carlo Smeets en Jean Vrijsen - schrijven de geschiedenis van het Hasselt van de 20ste eeuw, opgetekend uit de mond van 17 rasechte Hasseltse volksfiguren :

Camile Buvens, Jef Smeets, Jos Sampermans, Paule Nolens, Louis Smeets, Gerard Dries, Martin Lahon, Alfonsine Holtappels, René Vanstreels, Paul Lecocq, Roza Vervoort, Henri Nolens, Jèn Vanwingh, Benedictus Paes-mans, Louis Maris, Jacques Smeets en Fernande Deplee.

Tachtig jaar Hasselt herleven in hun boeiende verhalen en in de talloze fraaie illustraties.

Jos Ghysen leidt het boek in.



Inhoud