|
Geblinddoekt
door zijn ooglid stapt een man
gebogen als de muur van een fabriek
het hart vol slib zodat de weeë geur
van een moeras komt sterven in zijn mond.
Vanuit de verte hoort hij niet het razen
van het graan, bedekt met aren en met vlammen,
getekend op zijn handen ziet hij al het bloed dat pompt
en kalm het blauwe net van gras ontrolt.
Al is zijn aangezicht belegd met ochtendstond
zijn huid gedeeld met wie om smarten smeekt,
en wacht hij tot de zon in spiegels ondergaat,
zijn leven helder zodat dood er in weerkaatst.
|