|
Het pad draait
om de oogst die vredig rust
van alles zeker wat voor eeuwig is.
Ik zet mijn voet op wegen en op straten
die leed of dood niet kunnen dragen.
In krullen van een kind en van de wind
is zon heel overbodig fel aanwezig
en overal gesticuleren monden
als pas afgesneden vruchten.
Ik waak onder een lamp die naar me schijnt
met een gezicht dat even groot is als de muur,
de avond zal me weer omsluiten met gebaren
die uit een niet verwerkt verleden komen.
Van stroom tot stroom, trekt daglicht zich terug
bereikt het smartvol aangezicht niet meer
dat oprijst tussen handen vol van bloed
tot op het punt waar ogen plots verweken.
|