|
Hoog
boven aarde ligt een kamer
waar behang en eenzaamheid voor eeuwig zijn.
Als ik afwezig ben gaan vrouwen in het licht
de dagen tegemoet in spiegels,
en als ik binnenkom, zien zij mij in de ogen.
Bewakers van geheimen, herleven zij in mij
als kreupelhout verliefd op lente.
Het hart dringt diep door in het lichaam,
gedrenkt in tranen, planten en in bronnen.
De stem spreekt zonder schaduw of vertraging
en stijgt als bloedig lemmet op
vanuit door lucht gespleten aarde.
De bitterheid dringt langs het venster binnen
en ontbloot het hoofd met restjes dag,
laat daarop tekens van de aders achter
en
alom ontspringt aan flessen een gelach.
|