|
Er
moet wat beter zijn dan smartelijke blikken
wat meer dan alle wanhoop van opvallende ellende
waarbij het hoofd zich aandrukt tegen ruiten
met al zijn hardheid zonder tranen,
waar zon op muren kleven blijft
en niet van avond los kan komen,
waar wind zonder geruis de planten scheidt
die rond de stilte sluiten.
Ben ik vergeten dat men sterven moet in gras
omringd door zonneglans,
te midden hen die van de velden komen
met hun vertrouwd gestap voor avond en voor aarde,
temidden zang die opklinkt
boven wegen, boven nachten,
temidden bos die van de hemel
een groot kijkgat maakt zonder gezicht of
warmte.
|