|
Niets levend is aanwezig
in de kamer
dan vliegen dolend rond een lamp.
De lucht steekt in het venster als een schoof
die op de muur weerspiegeld wordt als dag van kalk.
De zon raak ‘s avonds hoge deuren
op steeds dezelfde plek sinds eeuwen
en ik vervang wie jaren dood is rond de tafels
door veel ellebogen uitgehold.
De zoldering kan niet meer vluchten voor de blikken
die de dood in haar omsloten heeft
en vol ontzetting om ze alle te omvatten
is zij droge vlakte waar niets meer bovenuit kan
komen.
De wereld wordt van aarde weggejaagd door nachten
opgedolven in de wind, waar graven
op het kerkhof loeren naar elkaar,
verheven zijn als lichaam dat opeens z'n hoofd verloor.
|