|
Ik
voel geen grens als nacht ten einde loopt,
als plots de aarde nat en naakt vlak bij mij staat,
en aarde open gaat langs beken en langs wegen
in dorpen waar de pannen waken door het vuur
gekleurd.
Niets kan ik zeggen aan de zon die opgaat
en de aders van mijn hoofd en hand beschijnt.
Niets kan ik zeggen aan de dag die mij terugneemt
in haar gaanderij van lucht en vensters.
Als zonneslagen op de zee,
verspreidt de vrouw zich in de dag
aandachtig voor de blik waarmee de mannen
zich met heel hun leven naar hen gooien.
En vrouwen voelen zich door duizeling verrast,
verlaten door de liefde
zodat zij enkel nog mooi lichaam willen zijn
gevat en ingepakt door handen van gestreel verzekerd.
|