|
Ik sluit de ogen opdat dood
zichzelf omsluit en in de wind
met onvergetelijke passen loopt
in bronnen gek van zon.
Het licht beweegt zich voort op aarde
zonder ooit de dood te zien
die aankomt boven oogsten uit
vergetend dat daar maaiers zijn.
De helderheid van lampen raakt de dingen niet
uit schrik hen heen en weer te schudden
en in een kamer waar de stad zich vastzet
valt er water uit een slecht gesloten kraan,
drup voor drup tot aan het eind der wereld
en naar het schijnt, in elke tussenpoos
ontdoet een stijgend hooggebergte
zich van al haar stenen.
|