|
De wind kan
mij de adem nemen
en de schaduw mij op muren klemmen,
toch blijft ik altijd met dezelfde blik
dezelfde gongslag van mijn hart in heel mijn lijf.
De zomer luistert naar ’t kloppen van een bron
die langzaam opstijgt zonder gras te raken
en ik besta nog enkel langs het ruisen
van mijn leven als het langskomt in mijn aders.
Een ogenblik draai ik mij naar de aarde
die trilt met al haar kleuren en haar blaren
omdat de avond mooier is dan dagen
en lucht zich uitspreidt als een nieuwe wijn.
|