|
De
stenen paarden stappen naar een drenkplaats
schuddend met hun manen en hun wankele stap.
De klokkentoren overstijgt de daken met zijn
schijnsel
en ziet de ochtend als een zwaar beladen wagen dagen.
De mensen die versterkt de nacht verlaten,
en paarden die met groot gemak hun schaduw
trekken
gaan naar velden waar de oogsten rijpen
en de lege wegen nietig rond hen draaien.
De heuvel ligt geboeid langs vele wegen
die van steden komen, hoogst verbaasd
van zoveel glinsterende armen en van zeisen
als een zonneflits in ruiten.
De luiken openen op kamers waar de dag
zich zonder wachten neerzet op een valstrik,
de vrouw die staat is naakt in één moment,
als loof doorweekt van regenvlagen.
|