|
De velden zijn zo zwart als
bij de toegang van een tunnel.
Verlaat de weg niet die van steden komt:
de stilte is omwald door vallen.
Verhef je hand niet om de lage lucht te vangen.
De nevels vallen aan de overkant der wereld,
zo zwaar als bossen die door wind omsloten zijn,
groot als de vlakte die zij lucht ontnemen
en stenen tonen de ravage middenin de
aarde.
Wiens zachte handen broeden op mijn hoofd,
in welke spiegels treuren mijn gedachten.
Als regen valt, laat diep beleefde angst
de vreugde weifelen die opstijgt in de mens.
Het kan nu niemand schelen, de les van het verleden,
het kloppend hart heeft schrik teveel lawaai te
maken,
de nacht kent kreten en sirenen zonder troost:
de wereld is alleen als leeggedronken flessen.
|