|
Het licht ligt dun gezaaid over de stad
zodat het moeizaam aan de daken raakt
en muren haar bijna niet kennen
behalve langs de weerschijn op het tegelpad.
De vrouwen komen wankelend voorbij
als klavertje vanuit de hoge velden
en vensters houden hen voor even vast, verbaasd
om onder wimpers al dat moois te zien.
In staties komt de wind altijd verwacht.
De trein van heimwee stopt met spijt,
een berg geruchten op haar hoofd
en velden die nog in hun ramen achterblijven.
De dag nog vol bedachtzaam loof omringt de stad
die enkel leven kan gevangen tussen muren
en beide slapen die zij naar de hemel strekt
slaan soms nog enkel met een zonneslag.
|