|
De wind
komt binnen in de steden
als een boom met wortels uit de grond
twist in het midden van de meren
zoekt vruchteloos een vlakte om te razen.
De muur weerkaatst haar zonder iets te zeggen,
de vrouwen die hij langsgaat
houden een moment hun adem in
maar zij herleven, handen op hun dijen.
Aan ’t einde van een trap, valt hij
op huizen, aan hun schouders afgesneden
op schouwen vol met gaten als een schedel
leeft zich enkel uit in wat zijn wegen kruist.
Van op een dak heeft hij het bos gezien als rustig punt
maar in de klare straten krijgt hij amper voet in huis.
Hij wacht de avond af die hem volledig zeker
naar de hoogste bruggen brengt in heel het
platteland.
|