|
De
dag is enkel maar een grijze tegel
vastgehecht aan luchten zonder aangezicht.
Met lage stem wordt er gefluisterd in de schaduw
die als een val om ons besloten ligt.
Geluid van ketens klinkt in heel de stad
waar mensen alsmaar dichter langs de huizen lopen
zodat ze met hen lijken voort te gaan.
De nacht is enkel oor gelegd op deuren.
Het woord stopt haar gestap op aarde
waar wind geen boodschap heeft om dragen
boven op de stenen die voor hoofden spelen
evenals de molshoop van een pas gedolven graf.
Ik ben nochtans alleen op straat maar plots pak iets
mijn schouders vast, misschien een huivering.
De angst zet op mijn slaap zijn vuisten van metaal
en zee bewaart orkanen voor wat later.
Aan wegenboorden stappen bomen op
met hen die voor het laatst verbonden zijn
aan lucht en aarde in eenzelfde blik:
de doden hebben elk een bloedvlek op hun hart.
|