Niets om leven -  2/49

  

 

Français

De voorstad ligt aan ‘t einde van de wereld
vol ranken dauw aan lange draden ijzer.
De honden janken in de slaap van kinderen
en niets weerhoudt geschreeuw door huizen heen te dringen.

Aan randen van het bos staan bomen stil,
de weg verloren die hen stap voor stap was voorgegaan
en door de nacht volledig hun persoon ontnomen 
staan zij heel alleen de wortels uit de grond gedreven.

De stad is enkel nog een stomme muur,
met ruiten die geen ster meer zijn,
de stad is als een mol die aan zijn einde kwam
nog voor hij mulle grond van akkers kon bereiken.

In vele kamers waarin mensen wonen
die alleen maar wrakhout zijn van hun bestaan
waakt bloed als water onder ijs,
met voor heel even, niet te horen, de echo van een droom.

Er is geen plas die licht aan zich kan binden
en meer te zijn dan resten van een vuur
dat slecht gedoofd een grote assenhoop verlicht
waar zoekend naar wat lucht een mens te sterven ligt.

  

© Lucien Becker, Rien à Vivre, 1947, Gallimard