|
Behoud
je adem tot de deur
die leidt naar wat ik kamer noem
en niemand weet hoe zwaar de ingang woog
die op mijn schouders drukte als een boog.
Als kind bevond ik mij in gangen
die als vijvers trilden in de zon.
Nu zijn het weggestopte aders
waarin ik binnendring als klonter bloed.
De dageraad wordt voor de helft voltrokken
als een flets en uitgerokken spinnenweb,
de lommer is een beest dat hurkt en wacht
om uit te gaan tot koude opstijgt uit de grond.
Alleen mijn hoofd zou moeten langsgaan
want de rest maakt deel uit van de muur
zelfs harten kloppen ongewild in plaaster
waarop mijn hand zich als gebeten samentrekt.
En als mijn kamer opent op het einde van de stenen,
verschiet ik van de bleke lege wereld
en alle vensterramen van de wereld
kunnen haar niet als een blik doen leven.
|