|
Dag gevangen in de bankschroef van wel
duizend slapen
brengt geen licht voor mij
noch voor de wereld die ontwaakt
maar in de hoeken stolsels van de nachten braakt.
Hij raakt alleen maar zaken aan de horizon
alsof hij schrik heeft te veel zon te moeten laten.
En in de ochtend ziet hij niet hoe bloed de hoofden
vult
zoals een vreemde blikken wekt in andermans gelaat.
En als hij eensklaps vensterglas doorboort,
is dat om schaduw te gaan zoeken
die muren met hun schouders onderstutten,
of om langs half gesloten deuren kamers te begroeten.
Hij zoekt ze niet om te bevechten
maar om haar vrouwenlijf op hen te leggen,
zodat het licht in al haar zachtheid
plant wordt met haar wortels in de aarde.
En schaduw bindt de handen aan elkaar
en in een diepe slaap legt hij een vuurkring rond
de dromen,
het is de schaduw die met fluisterende stem
op pas verlaten stoelen met de dood palavert.
|