|
Verdriet
is in mij uitgespreid
als modder op een landweg zonder zon
ik kan haar slechts bevechten
met mijn handen hoog gestrekt,
met knipperen van ogen waarin wereld
binnenkomt met groen en helder schijnen,
met bloed dat onderin mijn huid een weg zoekt
zoals water afdruipt van obscure muren.
En dag en nacht is er het eindeloze avontuur
van mannen die naar vrouwen kijken
zoekend naar de blik die door de zware steen
kan breken diep geborgen in hun ogen.
Met alle pijn aanwezig in het hele lichaam
zitten zij langsheen een schacht
waaruit de liefde opstijgt als het gele blad
dat van de vlam alleen de vorm behield.
Het einde van de wereld komt op elk moment
dat harten moe zijn van de dood die hen bespiedt,
dat kreten galmen tussen hoge muren,
dat vrouwen veel te mooi zijn als men langs hen gaat.
|