Ik
ruim de grond in moddernevel
die een gat maakt van de straten
die naar andere straten leiden.
De deur is zegel die de mens voor pijn beschermt.
Met elke stap sluit zich de aarde
met elke blik maakt zij zich leeg
met elke aankomst wacht op mij in volle zon
hetzelfde huis
dat ik met kinderogen weer aanschouw.
Alleen op oogsten ent zich vreugde
die zich kluistert in een wimper ver van een
gelaat.
De zomer is verzadigd van de stenen en het bloed van
daken
en onbeschermde nacht wordt aan de deur versmacht.
De muren zijn gemaakt van zoveel dode blikken
wachtend op een vingerknip om mij te overvallen.
Mijn afweer tegen hen is onbeholpen
zoals mijn eigen sterven ridicul zal zijn.
Geen weg zal stilstaan als ik stap
wanneer ik leegloop in de aarde
met liefdeswoorden die ik nooit kon spreken
als het leven tot mij kwam
zo vrij als borsten van een vrouw.