Niets om leven - 13/49

 

 

Français

O lange plantenwacht in koude grond
met winters die bezweken zijn in grote sneeuwpartijen,
laat dagen arm en teder als een ooglid achter 
tussen ketens door een storm gebroken.

Een borrelende bron doorkruist mijn slapen
als was mijn hoofd gekneld tussen twee muren.
Er zijn ook wortels die in aarde wroeten
en al tastend voortgaan zoals mollen.

Het water draagt de dag met vreugde zodat bloemen
open komen als het velden raakt
en heuvels zijn als borsten nieuw en lauw
ontbloot in halve klaarte van een droom.

Geschreeuw: men stopt. Een vogel zingt zijn lied
en ogen zijn als lenteknoppen die de wereld in zich dragen.
De hemel is een uitgestrekte laar temidden nacht
en in het lichaam stijgt het bloed in hoge banen.

De beek die kronkelt in het bos
is enkel wat graniet waarop de zon zich stoot
en aarde rekt langdurig grassen uit
zodat de arm van licht en vrede kan passeren.

  

© Lucien Becker, Rien à Vivre, 1947, Gallimard