Niets om leven - 14/49
Français
De muren die me klemmen smoren niet de walg die aan mijn bloed blijft kleven als fluimen in mijn keel. De zon beschijnt mijn blik zoals hij doet met ruiten vol wanhoop glanzend in de avond als hopen kolen zonder vuur. Zoals een neergeschoten vogel zijn straten aan de grond geplakt bevrijd van al hun schaduw tot naakt gewicht teruggebracht. Alleen doortrek ik nu de aarde terwijl mijn oog dat niet meer ziet en niemand kom ik tegen op die dagen met steeds dezelfde wegen in 't verschiet. De stad omsloten als een graf wacht tevergeefs op wegen vol met bomen om hoge muren neer te halen die hen verhinderen de zon te zien.
© Lucien Becker, Rien à Vivre, 1947, Gallimard